VEERTIENDE HOOFDSTUK

Toen Pierre 's avonds uit den Borgo voor het Vaticaan kwam, liet in

de diepe stilte van de donkere en reeds sluimerende wijk de klok één

luiden, zwaren slag weerklinken: half negen. Hij was te vroeg en hij

besloot nog een twintig minuten te wachten, om niet voor negen uur,

het uur der audiëntie, boven bij de deur der appartementen te zijn.

In de groote ontroering en droefheid, die zijn keel nog toesnoerden,

was dit uitstel een verlichting voor hem. Met gebroken ledematen en

totaal uitgeput door den tragischen middag, dien hij doorgebracht had

in die doodenkamer, waar Dario en Benedetta thans in elkanders armen

hun eeuwigen slaap sliepen, was hij hierheen gekomen. Hij had niet

kunnen eten, het wreed-smartelijke beeld van deze twee geliefden

liet hem geen oogenblik los en vervulde hem zóó, dat steeds weer

onwillekeurige zuchten aan zijn borst ontsnapten en tranen in zijn

oogen kwamen. O, hoe gaarne had hij zich ergens verborgen, om zijn

tranen, die hem verstikten en benauwden, den vrijen loop te kunnen

laten. Het was een ontroering, die al zijn denken beheerschte; de

jammerlijke dood van deze twee gelieven voegde zich in zijn geest

bij de klacht, die oprees uit zijn borst en doorhuiverde hem met een

nog grooter medelijden, met een bijna angstwekkende liefde voor alle

ongelukkigen dezer wereld. Deze bezwering van zooveel lichamelijke

en moreele wonden in Parijs, in Rome, waar hij zooveel onrechtvaardig

en monsterachtig lijden gezien had, maakte hem zóó wanhopig, dat hij

bang was bij iederen stap in snikken uit te barsten.

Om zich wat te kalmeeren, begon hij langzaam op de piazza S. Pietro

heen en weer te wandelen, die op dit uur van den avond één onmetelijke

duisternis en eenzaamheid was. Toen hij er kwam, meende hij verdwaald

te zijn in een zee van donkerte. Maar langzamerhand geraakten zijn

oogen er aan gewend. De reusachtige ruimte was slechts verlicht door de

vier lantaarnpalen met zeven branders op de vier hoeken van de Obelisk

en de enkele lantaarns rechts en links langs de naar de basilica

loopende gebouwen. Onder de dubbele porticus van de zuilengaanderij

brandden eveneens lantaarns met een geel licht om het groote bosch

der vier rijen zuilen, welker voetstukken zich vreemd afteekenden.

Op het plein was niets zichtbaar dan de kleurlooze, als een

spookgestalte oprijzende obelisk. Ook de gevel van de St. Pieter dook,

nauwlijks herkenbaar, als gesloten, uitgestorven, in een vreemde,

sluimerende, onbeweeglijke, zwijgende grootschheid op. Den dom zag hij

niet, het was nauwlijks een blauwachtige, groote ronding, die zich even

tegen den hemel afteekende. Zonder ze te zien, had hij ergens in de

diepte van dit onbestemde donker het ruischen der fonteinen gehoord;

eindelijk onderscheidde hij het dunne en bewegelijke spookbeeld der

voortdurend opspuitende waterstralen, die weer als regendroppels naar

beneden vielen. En boven het wijde plein welfde zich de wijde hemel,

maanloos, als donkerblauw fluweel, waarin de sterren de grootte en

de schittering van karbonkels schenen te hebben. De Wagen met zijn

gouden wielen en zijn gouden dissel lag omgekeerd op het dak van het

Vaticaan, en daaronder boven Rome, in de richting van de Via Giulia

stond de prachtige, met de drie gouden sterren van zijn bandelier

opgesmukte Orion.

Pierre sloeg zijn blikken op naar het Vaticaan. Maar daar was slechts

een opeenhooping van verwarde gevels te zien, waarin slechts op de

verdieping der pauselijke appartementen het schijnsel van twee lampen

òplichtte. Alleen in het inwendig verlichte Damasiushof blonken helder

de achter- en linkervleugel in den witten weerschijn van hun groote

serre-ramen. En steeds geen geluid, geen beweging, zelfs niet de

verplaatsing van een schaduw. Twee personen staken de uitgestrektheid

van het plein over; dan een derde, die ook weer verdween, waarna

er niets meer overbleef dan in de verte de cadans der rhythmische

stappen. Het was een volmaakte woestijn, geen voorbijgangers, geen

wandelaars, zelfs niet de schim van een nachtelijk zwerver onder de

colonnade in het zuilenbosch, dat even leeg was als de eeuwenoude

oerwouden der eerste eeuwen. En welk een plechtige woestijn, welk

een trotsch-troostelooze stilte! Nog nooit had hij den indruk van een

zoo onmetelijke, zoo donkere sluimering vol van den majestueusen adel

des doods gekregen.

Om tien minuten voor negen vermande Pierre zich en ging naar de

bronzen deur. Nog slechts één der vleugels aan het einde van de

rechtsche zuilengang stond open. Hij herinnerde zich de nauwkeurige

instructies, die monsignor Nani hem gegeven had: aan iedere deur naar

mijnheer Squadra vragen en er geen woord aan toevoegen--en iedere

deur zou zich openen; hij behoefde zich slechts te laten leiden. Nu

Benedetta niet meer leefde, wist niemand, dat hij hier was. Toen hij

de bronzen deur doorgegaan was en voor den onbeweeglijken soldaat

der Zwitsersche garde stond, die in een slapende houding de toegang

bewaakte, zeide hij eenvoudig het afgesproken woord:

"Mijnheer Squadra."

Daar de soldaat zich niet bewoog en hem doorliet, liep hij door en

sloeg dadelijk rechts af de groote vestibule van de Scala Pia in, naar

de steenen trap, die naar het Damasiushof leidt. En geen levende ziel,

niets dan de verstikte echo der stappen, niets dan het slapende licht

der vleermuizen, welker matglazen bollen het licht zacht temperden.

Toen hij boven het Damasiushof door liep herinnerde hij zich, dat

hij dat reeds van uit de loggia's van Raffaël gezien had met zijn

porticus, zijn fontein, zijn wit, toen in de brandende zon liggend

plaveisel. Maar nu zag hij zelfs de vijf of zes rijtuigen niet, die

daar stonden met hun onbeweeglijke paarden en hun op hun bokken als

verstijfde koetsiers. Het was een woestijn, een groot, kaal, kleurloos

vierkant, als in de sluimering van een graf liggend onder het droeve

licht der lantaarns, welker weerkaatsingen de hooge vensters der drie

gevels verlichtten. Eenigszins onrustig en door een lichte rilling van

het leege en stille aangegrepen, liep hij snel verder in de richting

van het door een marquise beschermde bordes, dat met enkele treden

naar de trap van de appartementen leidde.

Daar stond een reusachtige gendarm in groot tenue.

"Mijnheer Squadra."

Met een eenvoudig gebaar, zonder één woord, wees de gendarme op

de trap.

Pierre ging naar boven. Het was een zeer breede trap met witmarmeren

leuning en lage treden. Het licht in de matglazen bollen scheen uit

wijze spaarzaamheid reeds laag gedraaid te zijn. Op ieder portaal

hield een soldaat der Zwitsersche garde met zijn hellebaard de wacht;

in den zwaren, diepen slaap, die het paleis bevangen had, hoorde men

niets dan de regelmatige stappen van deze mannen, die ongetwijfeld

steeds zoo op en neer liepen, om ook niet door de verdooving der

omgeving overmeesterd te worden.

Aan het beklimmen van die trap te midden van de diepe, huiverende

stilte en de toenemende duisternis scheen geen einde te komen. Toen

hij eindelijk op het portaal der tweede verdieping kwam, was het

alsof hij reeds honderd jaar die trap opklom. Voor de glazen deur

der Sala Clementina, waarvan alleen de rechterdeurvleugel openstond,

hield een laatste soldaat der Zwitsersche garde de wacht.

"Mijnheer Squadra."

De man trad ter zijde en liet den jongen priester binnengaan.

De reusachtige Sala Clementina scheen op dit uur in het schemerdonker

der lampen grenzenloos te zijn. De zoo rijke decoratie, de

beeldhouwwerken, de schilderijen, het verguldsel, alles zonk weg en

was niets meer dan een vage, vale massa, spookachtige muren, waarop

de terugkaatsingen van kleinoodiën en edelgesteenten sliepen.

Eindelijk meende Pierre aan het andere einde van de zaal op een bank

gedaanten te onderscheiden. Het waren drie dommelende soldaten der

Zwitsersche garde.

"Mijnheer Squadra."

Langzaam stond een der mannen op en verdween. Pierre begreep,

dat hij moest wachten. Hij durfde zich niet bewegen: het geluid

van zijn stappen op de tegels maakte hem bang. Hij keek om zich

heen en trachtte zich de menigten voor den geest te roepen, welke

deze zaal bevolkt hadden. Thans nog was het een zaal, die voor allen

toegankelijk was, die allen moesten doorgaan, een eenvoudige zaal voor

de wachtposten, steeds vervuld door het lawaai van tallooze stappen,

van het onophoudelijke komen en gaan. Maar hoe zwaar drukte de dood

erop, wanneer de nacht haar in bezit had genomen--hoe moe en uitgeput

was zij door het voorbij zien gaan van zoovele dingen en menschen.

Eindelijk kwam de soldaat terug en achter hem verscheen op den drempel

van het nevenvertrek een geheel in het zwart gekleede man van omstreeks

veertig jaar, die het midden hield tusschen den knecht van een groot

huis en den koster van een kathedraal. Hij had een mooi, gladgeschoren

gezicht met een eenigszins grooten neus tusschen een paar groote,

strakke en heldere oogen.

"Mijnheer Squadra," zeide Pierre nogmaals.

De man maakte een buiging, als om te zeggen, dat hij dat was. Met een

tweede buiging noodigde hij den priester uit hem te volgen. Achter

elkaar gingen zij dan de eindelooze reeks zalen door.

Pierre, die, doordat hij er meermalen met Narcisse over gesproken had,

het ceremonieel kende, herkende de verschillende zalen, herinnerde

zich de bestemming daarvan, vulde ze in zijn geest met de personen,

die het recht hadden zich er op te houden. Iedere dignitaris mocht,

volgens zijn rang, niet verder dan een bepaalde deur gaan, zoodat de

personen, die door den paus ontvangen moeten worden, van hand tot hand

gaan, van die der bedienden in die der edelgarden, dan in die van de

eerekamerheeren, vervolgens in die der geheime kamerheeren. Maar van

acht uur af waren de zalen ledig; slechts weinige lampen branden op de

wandtafeltjes; het is niet meer dan een reeks verlaten, half donkere,

in slaap gevallen vertrekken, ingesloten in het verheven Niet, waarin

het geheele paleis verzinkt.

Eerst kwam de zaal der bedienden, van de bussolanti, de eenvoudige

deurwachters, die, gekleed in rood, met het pauselijk wapen geborduurd

fluweel, de bezoekers tot aan de deur der eerekamer brengen. Op

dit late uur zat er nog slechts één op een bank in een zóó donker

hoekje, dat zijn purperen tunica zwart scheen. Hij keek op en liet

hen doorgaan in de donkerte, waarin de geheele verblindende pracht

van de zaal verdween. Dan gingen zij door de zaal der gendarmen,

waar de secretarissen van de kardinalen en andere hooge personnages

op de terugkomst van hun meesters wachtten; zij was nu geheel leeg,

geen enkele der mooie blauwe uniformen met het witte lederwerk, geen

enkele der fijne soutanes, die zich hier gedurende de receptie-uren

vermengden, was te zien. Leeg ook was de volgende, iets kleinere,

voor de Palatijnsche garde bestemde zaal; deze uit de Romeinsche

bourgeoisie gerecruteerde militie draagt een zwarte tunica met gouden

epauletten en een door een roode pluim bekroonden schako.

Vervolgens sloegen zij rechtsaf in een nieuwe reeks zalen; ook

de eerste, die zij betraden, de tapijtenzaal was leeg; dit is een

wachtkamer met een prachtig geschilderd plafond en bewonderenswaardige

gobelins van Audran, den wonderdoenden Jezus en de Bruiloft van Kanaän

voorstellend. Leeg ook was de zaal der edelgarden met haar lage, houten

stoeltjes, haar wandtafeltje, waarboven een hoog crucifix tusschen

twee lampen hangt, haar breede deur op den achtergrond, die toegang

geeft tot een ander klein vertrek, een soort alkoof met een altaar,

waarvoor de paus geheel alleen de mis leest, terwijl de aanwezigen op

de marmeren tegels van de zaal der edelgarde geknield liggen. Leeg ten

slotte was ook de eere-antichambre, de troonzaal, waar de paus twee- en

driehonderd personen tegelijk in openbare audiëntie ontvangt. Tegenover

het venster staat op een lage estrade de troon, een vergulde fauteuil

van rood fluweel onder een rood-fluweelen baldakijn. Daarnaast ligt

het kussen voor den voetkus. Rechts en links staan twee wandtafeltjes;

op het eene ziet men een pendule, op het andere een crucifix tusschen

hooge, kaarsendragende armluchters met verguld-houten voeten. Het

behang van rood damast met de groote Louis XIV-palmen loopt tot aan

de prachtige fries, die het plafond met allegorische attributen en

figuren omlijst; de schitterende, koude marmeren vloer is alleen

voor den troon met een Smyrna-tapijt bedekt. Maar bij particuliere

audiënties, wanneer de paus in de kleine troonzaal of zelfs in zijn

kamer ontving, was de troonzaal eenvoudig de eere-antichambre, waar

de prelaten en andere hoogwaardigheidsbekleeders, gezanten en andere

hooge persoonlijkheden wachtten.

De dienst werd waargenomen door twee eerekamerheeren, die de tot de

hooge eer van een particuliere audiëntie toegelaten personen van de

bussolanti overnamen, om ze zelf te brengen naar de deur der geheime

antichambre, waar zij ze overdragen aan de geheime kamerheeren. Dit

was de weelderigst ingerichte en levendigste zaal zoowel door de

schittering der uniformen als door de ontroering, die al grooter en

grooter werd naarmate men dichter kwam bij den door den Uitverkorene en

Eenige bewoonden tabernakel door die eindelooze reeks zalen, waarin het

hart steeds luider en luider klopte en tot stikkens toe samengeperst

werd door die handig aangebrachte stijging van geringere tot steeds

meer toenemende pracht. Op dit late uur echter was er geen levende

ziel te zien, geen beweging, geen stem te hooren--niets was er dan

de stilte, die van het donkere plafond over den rood-fluweelen troon

afdaalde; niets dan een walmende lamp, die in de ledige, sluimerende

zaal op den hoek van een wandtafeltje brandde.

Mijnheer Squadra, die zich nog niet omgedraaid had, maar langzaam

en zwijgend verder schreed, bleef een oogenblik voor de deur der

geheime antichambre staan als om den bezoeker gelegenheid te geven

zich wat te herstellen, alvorens het heiligdom te betreden. Alleen

de geheime kamerheeren hadden het recht zich daar op te houden,

slechts de kardinalen mochten hier wachten tot het den paus behagen

zou hen te ontvangen. Aan zijn lichte, zenuwachtige huivering bemerkte

Pierre, nadat mijnheer Squadra hem er binnen gebracht had, dat hij

de andere zijde van deze lage, menschelijke wereld betrad. Overdag

bewaakte een op wacht staand edelgarde de deur; doch op dit uur was

deze vrij en het vertrek, evenals alle andere, ledig. Het was iets te

smal en gangvormig; twee ramen zagen uit op de nieuwe wijk der Prati

del Castello, een derde aan het einde dicht bij de naar de kleine

troonzaal leidende deur op het Pietersplein. Daar tusschen die deur en

dat venster zat gewoonlijk aan een klein tafeltje een thans afwezige

secretaris. En ook nu weer kwam hetzelfde wandtafeltje met hetzelfde

crucifix tusschen hetzelfde paar lampen terug. Een groot uurwerk in

een ebbenhouten met koper beslagen kast sloeg zwaar het uur. De eenige

merkwaardigheid onder het plafond met de gouden rosetten was het roode,

met gele schilden bezaaide, damasten behang. De twee sleutels en de

tiara wisselden af met den leeuw, die zijn klauw op den aardbol legt.

Maar mijnheer Squadra had bemerkt, dat Pierre, in strijd met de

etiquette, nog steeds zijn hoed, dien hij in de zaal der bussolanti had

moeten achterlaten, in zijn hand hield. Alleen de kardinalen hebben het

recht hun hoofddeksel bij zich te houden. Met een bescheiden gebaar

nam hij hem zijn hoed af en legde dien zelf op het wandtafeltje, als

wilde hij zeggen, dat hij tenminste daar moest blijven. Dan, nog steeds

zonder een woord te zeggen, gaf hij Pierre met een eenvoudige buiging

te kennen, dat hij den bezoeker bij Zijne Heiligheid zou aandienen,

en hij een oogenblik in deze kamer wachten moest.

Toen Pierre alleen was, haalde hij diep adem. Hij stikte, zijn hart

klopte, alsof het breken zou. Toch bleef zijn verstand helder; hij had

in dit halfdonker deze beroemde, deze prachtige pauselijke vertrekken

zeer goed beoordeeld.

De ebbenhouten klok sloeg negen uur. Hij keek verbaasd op. Wat, waren

er pas tien minuten verloopen, sedert hij de bronzen deur doorgegaan

was? Hij had een gevoel, alsof hij al dagen en dagen geloopen had. Nu

wilde hij deze zenuwachtige drukking, die hem benauwde, bestrijden;

want hij was nog steeds niet zeker van zichzelf, was nog steeds bang

zijn kalmte, zijn rede in een tranenvloed te zien verdwijnen. Hij liep

op en neer en kwam langs de ebbenhouten klok, wierp een blik op het

crucifix van het wandtafeltje en keek naar den bol van de lamp, waarop

de vette vingers van een knecht hun sporen achtergelaten hadden. Zij

gaf een zóó geel en zóó zwak licht, dat hij de lust in zich voelde

opkomen haar wat op te draaien, maar hij durfde niet. Dan stond hij,

met zijn gezicht tegen het raam gedrukt, voor het venster, dat op het

St. Pietersplein uitzag. Even werden zijn gedachten geheel in beslag

genomen. Door de slechtsluitende jaloezieën strekte het reusachtige

Rome zich voor hem uit, Rome, zooals hij het reeds eenmaal gezien

had van uit de loggia's van Raffaël, zooals hij het zich gedacht had

op den dag, dat hij van uit het kleine restaurant op het paleis Leo

XIII voor het raam van zijn kamer had meenen zien te staan.

Maar nu was het het nachtelijke Rome, het door de duisternis

nog grooter lijkende Rome, grenzenloos als de bestarde hemel. In

deze grenzenlooze zee met haar zwarte golven kon men slechts met

zekerheid de groote, door het witte licht der electrische verlichting

in melkwegen veranderde straten: den Corso Victor-Emanuele, de Via

Nazionale, den Corso, die ze rechthoekig sneed en zelf werd doorsneden

door de Via del Tritone, welke zich voortzette in de Via San Nicola

da Tolentino. Aan de andere zijde van den corso Victor-Emanuele en

de Via Nazionale in de richting van het oude Rome vlamden nog eenige

pleinen en eenige straatdeelen, maar de duisternis overstroomde reeds

alles. Overigens was het niets meer dan een gewemel van kleine, gele

lichtjes, van kleine brokjes van een half uitgedoofden hemel, die

over de aarde geveegd is. Enkele sterrenbeelden, enkele fonkelende,

mysterieuse en edele figuren vormende sterren trachtten vergeefs zich

los te maken.

De zenuwachtige angst van Pierre werd ondanks dezen oceaan van donkerte

en verheven vrede, ondanks de pogingen, die hij deed om kalm te worden,

van seconde tot seconde grooter. Hij verwijderde zich van het venster

en huiverde over zijn geheele lichaam, toen hij een zacht geschuifel

van voetstappen hoorde en dacht, dat men hem kwam halen. Het geluid

kwam uit het vertrek ernaast, de kleine troonzaal, waarvan, zooals

hij nu merkte, de deur op een kier was blijven staan. Daar hij verder

niets meer hoorde, waagde hij zich in zijn koortsachtig ongeduld

wat dichter bij en rekte zijn hals uit om wat te zien. Het was weer

een met rood damast behangen zaal met een vergulden, roodfluweelen

fauteuil onder een rood-fluweelen baldakijn; ook hier vond men het

onvermijdelijke wandtafeltje, het hooge, ivoren crucifix, de klok,

het paar lampen, de kandelabres, twee groote vazen op sokkels en twee

andere van geringere grootte met het portret van den Heiligen Vader,

afkomstig uit de fabriek te Sèvres. Toch voelde men hier meer comfort,

het Smyrna-tapijt bedekte den geheelen vloer, enkele fauteuils stonden

er tegen den muur.

De paus, wiens kamer in deze zaal uitkwam, ontving hier gewoonlijk

de personen, die hij met bijzondere onderscheiding behandelen

wilde. Pierre's zenuwachtigheid nam toe bij de gedachte, dat hij

nog maar één vertrek behoefde door te gaan, dat zoo dicht bij hem,

achter die eenvoudige houten deur, Leo XIII was. Waarom liet men hem

wachten? Maakte men zich gereed om hem in dat vertrek te ontvangen,

ten einde hem in een niet al te groote intimiteit toe te laten? Men

had hem verteld van geheimzinnige bezoeken op dit uur, van onbekenden,

die op dezelfde wijze zwijgend binnengelaten werden. Dat waren hooge

persoonlijkheden, wier namen men heel zacht fluisterde. Hem scheen

men voor compromitteerend te houden, dat men met hem buiten weten

der omgeving, kalm met hem wenschte te praten, zonder zich tot iets

te verbinden.

Dan kon hij zich plotseling de oorzaak van het geritsel, dat hij

zooeven gehoord had, verklaren, hij zag op het wandtafeltje naast

de lamp een klein houten kistje, een soort diep bord met handvaten,

waarin zich het overschot van een avondmaaltijd, vaatwerk, een courant,

een flesch en een glas bevonden. Hij begreep, dat mijnheer Squadra,

nadat hij die overblijfselen in de kamer gezien had, deze in dit

vertrek gebracht had en toen weer naar binnen gegaan was, om verder

de tafel af te nemen. Hij wist, dat de paus zeer matig was; wist,

dat hij zijn maaltijden aan een klein tafeltje gebruikte, waarbij

alles tegelijk in dit kleine houten kistje binnengebracht werd:

één vleesch, één groente, een paar slokjes bordeaux op voorschrift

van den geneesheer, en voor alles bouillon, koppen bouillon, die hij

gaarne aan oude kardinalen, die tot zijn vrienden behoorden, aanbood.

De gewone maaltijden van Leo XIII kostten niet meer dan acht francs

per dag. O, zwelgerijen van Alexander VI! O, festijnen en feestgelagen

van Julius II en Leo XI. Maar weer kwam er een geritsel uit de kamer,

dat hij niet uitleggen kon; hij schrok van zijn onbescheidenheid en

trok zijn hoofd terug, toen hij meende de geheele roode troonzaal in

den dooden vrede, waarin zij sliep, te zien opvlammen.

Daar hij te zenuwachtig was, om onbeweeglijk te blijven,

begon hij met zachte stappen op en neer te loopen. Die mijnheer

Squadra--hij herinnerde zich nu plotseling het van Narcisse gehoord

te hebben--was een voorname persoonlijkheid, een zeer invloedrijk

man, de lievelingsdienaar van Zijne Heiligheid, de eenige, die hem

ertoe kon overhalen op ontvangdagen een schoone witte soutane aan

te trekken, wanneer degene, die hij droeg, vuil was van het vele

snuiven. Zijne Heiligheid stond er beslist op zich iederen nacht

geheel alleen in zijn kamer op te sluiten en niemand bij zich te

laten slapen; dit geschiedde uit een gevoel van onafhankelijkheid,

maar ook, naar men zeide, uit den angst van een vrek, die met zijn

schat alleen slapen wil. Dit gaf voortdurende reden tot ongerustheid,

want het was allesbehalve verstandig, dat een man van dien leeftijd

zich zoo barricadeerde; mijnheer Squadra sliep in een aangrenzend

vertrekje, steeds luisterend en gereed om bij het eerste alarm toe te

snellen. Hij was het ook, die, zij het met grooten eerbied, er Zijne

Heiligheid op wees, wanneer Zijne Heiligheid te laat op bleef zitten

of te veel werkte. Op dat punt echter was hij moeilijk tot rede te

brengen; dikwijls stond hij, wanneer hij niet slapen kon, weer op,

liet door Squadra een secretaris wekken, om hem een paar aanteekeningen

te dicteeren of een ontwerp-encycliek op papier te brengen. Wanneer

hij met een encycliek bezig was, zou hij er dag en nacht mede bezig

kunnen zijn, evenals vroeger, toen hij er zich nog op voor liet staan

mooie Latijnsche verzen te kunnen maken, de dageraad hem dikwijls

bij het schaven van een strophe verraste. Hij sliep heel weinig, daar

zijn hersenen steeds werkzaam waren en zijn geest altijd bezig was,

met de verwezenlijking van het een of ander oud plan. Alleen zijn

geheugen was in den laatsten tijd wat zwakker geworden. Misschien had

mijnheer Squadra Zijne Heiligheid weer minder goed gevonden tengevolge

van overmatig werken, daar hij, naar men zeide, den vorigen dag nog

vrij ernstig ziek geweest was en hij zich nooit ontzag.

Terwijl Pierre zachtjes heen en weer bleef loopen, werd zijn geest

langzamerhand geheel door deze hooge en verheven figuur in beslag

genomen. Na de weinig beteekenende bijzonderheden van het dagelijksch

leven overdacht hij nu het intellectueele leven, de rol van den grooten

paus, die Leo XIII toch zeker wilde spelen. In de S. Paolo fuori le

Mura had hij den eindeloozen fries gezien, waarop de portretten der

tweehonderd twee-en-zestig pausen afgebeeld zijn; en hij vroeg zich

af op welken van die lange reeks middelmatige, heilige, misdadige en

geniale pausen Leo XIII het liefst zou willen gelijken.

Was het een der eerste zoo nederige pausen, een van hen, die elkaar

gedurende de drie eerste eeuwen van verborgen leven opgevolgd waren,

die eenvoudige leiders van begrafenisvereenigingen, broederlijke

herders der Christelijke gemeenschap waren? Was het paus Damasius,

de eerste groote bouwmeester, de geleerde, die behagen schepte

in de dingen van den geest, den geloovige met zijn vurig geloof,

die voor de vromen de katakomben opende? Was het Leo III, wiens

vermetele hand door de zalving van Karel den Groote de breuk met het

Oosten, dat het groote schisma reeds afgescheiden had, voltooide,

die krachtens den eenigen en almachtigen wil van God en Zijne Kerk

aan het Westen de heerschappij gaf en van af dat oogenblik over

kronen beschikte? Was het de verschrikkelijke Gregorius VII, den

tempelreiniger, den beheerscher der koningen; was het Innocentius III,

was het Bonifacius VIII, de meesters van zielen, volkeren en tronen,

die met de grimmige banbliksems gewapend, met zulk een macht over de

Middeleeuwen heerschten, dat het Katholicisme nooit dichter bij de

verwezenlijking van zijn droom geweest is dan toen? Was het Urbanus

II, was het Gregorius IX of een der andere pausen, in wier hart de

brandende hartstocht voor de kruistochten, de drang naar heilige

avonturen opvlamde, welke de menigte medesleepte en aanzette tot de

verovering van het onbekende en het goddelijke? Was het Alexander III,

die het pausdom tegen het keizerrijk verdedigde, tot het einde toe

streed om niets af te staan van het hoogste gezag, waarmede God hen

bekleed had en ten slotte overwon door zijn voet triompheerend op den

nek van Frederik Barbarossa te zetten? Was het Julius II, die lang na

de treurige tijden van Avignon het pantser droeg en de politieke macht

van den Heiligen Stoel bevestigde? Was het Leo X, de prachtlievende,

roemrijke beschermer der Renaissance, van een groot kunsttijdperk,

maar die een bekrompen, niet vooruitzienden geest bezat en Luther

als een eenvoudigen, opstandigen monnik beschouwde? Was het Pius V,

de zwarte, wrekende reactie, de brandstapelvlam, die de weer heidensch

geworden aarde tuchtigde? Was het een der andere pausen, die na het

Concilie van Trente regeerden, toen het geloof in zijn integriteit

weer hersteld, de Kerk door haar trots, haar onverdraagzaamheid, haar

volharden in een volkomen eerbied voor de dogma's gered was? Was het

een paus uit den tijd van het verval van het pausdom, toen het niet

meer was dan een ceremoniemeester, die de galafeesten der groote

Europeesche monarchieën leidde? Was het Benedictus XIV, de groote

geest, de scherpzinnige theoloog, die, daar zijn handen gebonden waren

en hij niet meer over de koninkrijken dezer wereld beschikken kon,

zijn schoon leven doorgebracht had met het regelen der hemelsche zaken?

Op die wijze ontrolde zich voor hem de geschiedenis van het pausdom,

de wonderbaarlijkste geschiedenis, die er bestaat: het had alle

wisselvalligheden der fortuin, de laagste en ellendigste zoowel

als de hoogste en schitterendste tijden, gekend; het bezat een

hardnekkigen wil om te leven, die het ondanks alles te midden

van branden, bloedbaden en instortingen staande gehouden heeft,

steeds strijdvaardig in den persoon van zijn pausen. Zij vormen

een buitengewone reeks van onbeperkte, veroverende en gebiedende

heerschers. Allen, zelfs de zwakke en nederige, waren de meesters der

wereld, allen straalden in den onvergankelijken roem van den hemel,

wanneer men ze zich voor den geest riep in dit eeuwenoude Vaticaan,

waar hun schimmen 's nachts ongetwijfeld ontwaakten en te midden

der doodelijke stilte door de eindelooze gangen, door de reusachtige

zalen slopen.

Maar dan zeide Pierre tot zich zelf, dat hij den grooten paus,

die Leo XIII wilde zijn, kende. Het was, geheel in het begin

der Katholieke macht, Gregorius de Groote, de veroveraar en de

organisator. Deze stamde af uit een oud Romeinsch geslacht; iets van

het oude keizerbloed bruiste nog in zijn aderen. Hij bestuurde het

van de barbaren geredde Rome, liet de Kerkelijke domeinen bebouwen

en verdeelde de goederen dezer aarde: één deel voor de armen, één

deel voor de geestelijkheid en één deel voor de Kerk. Hij stichtte

de Propaganda, zond zijn priesters uit om de volkeren te beschaven en

te pacificeeren, onderwierp zelfs Groot-Brittannië aan de goddelijke

wet van Christus. Ook was het, na een tusschentijd van vele eeuwen,

Sixtus V, de financier en politicus, de tuinmanszoon, die zich onder

de tiara als een der meest omvattende en soepele geesten van een aan

diplomaten rijk tijdperk kennen deed. Hij vergaarde schatten en was

hard en gierig, om te regeeren als een vorst, die in zijn schatkist

steeds het voor oorlog en vrede noodige goud liggen heeft. Jaren

lang onderhandelde hij met koningen, nooit wanhoopte hij aan zijn

triomf. Evenmin verzette hij zich tegen den tijdgeest; hij aanvaardde

dien zooals hij was, en trachtte hem dan te wijzigen in het belang van

den Heiligen Stoel; hij was verdraagzaam in alles tegenover allen en

droomde reeds van een Europeesch evenwicht, waarvan hij het centrum en

de meester wilde worden. Bij dat alles was hij een zeer vrome paus,

een vurige mysticus, maar een paus, die de meest absolute, meest

onbeperkte geest en tevens een tot handelen vastbesloten staatsman was,

om het koninkrijk Gods op deze aarde te verzekeren.

Maar in zijn geestdrift, die ondanks zijn wil om kalm te zijn, weer

in hem opsteeg en alle voorzichtigheid en allen twijfel wegvaagde,

vroeg Pierre zich af, waarom hij zoo het verleden naging. Was dan

de ware Leo XIII niet die van zijn boek, de groote paus, die zich

aan hem geopenbaard had, dien hij geschilderd had naar zijn hart,

zooals de zielen hem wenschten en verwachtten? Ongetwijfeld was

het geen sprekend gelijkend portret, maar de groote lijnen ervan

moesten toch juist zijn, wilde de menschheid niet wanhopen aan haar

redding. En talrijke bladzijden van zijn boek vlamden voor zijn

oogen op; hij zag Leo XIII weer voor zich, den wijzen staatsman,

den verzoenenden bemiddelaar, die aan de eenheid der Kerk werkte,

haar krachtig en onoverwinlijk maken wilde voor den nabijën dag van

den onvermijdelijken strijd. Hij zag hem weer voor zich, bevrijd van

de zorgen over de wereldlijke macht, grooter geworden, gelouterd,

schitterend in moreele pracht, als de eenige, boven de volkeren

staande autoriteit, die het doodelijke gevaar ingezien heeft, dat

erin gelegen is, de socialistische oplossing te laten in de handen

van de vijanden van het Christendom, en vanaf dat oogenblik vast

besloten was om in den hedendaagschen strijd, zooals Jezus vroeger,

in te grijpen ter verdediging van de armen en de lijdenden.

Hij zag hem zich plaatsen aan de zijde der democratieën, de republiek

in Frankrijk erkennen, de van hun tronen gestooten koningen in

ballingschap laten, de voorspelling verwezenlijken, die Rome opnieuw

de wereldheerschappij zou verzekeren, wanneer het pausdom het geloof

weer één gemaakt hebben en aan de spits van het volk marcheeren

zou. De tijden gingen in vervulling: de Caesar was verpletterd,

de paus alleen bleef nog over. En zou het volk, het groote zwijgende

volk, dat de twee machten elkander zoo lang betwist hadden, zich niet

geven aan den Vader, nu het wist, dat deze rechtvaardig en liefderijk

was, dat deze de broodelooze arbeiders en de bedelaars van de straat

met een van liefde brandend hart en een uitgestoken hand tegemoet

kwam? Bij de vreeselijke catastrophe, die de verrotte maatschappij

bedreigde, bij de afschuwlijke ellende, die de steden teisterde, was

geen andere oplossing mogelijk als Leo XIII, de gepraedestineerde,

de noodwendige verlosser, de herder, gezonden om zijn schapen te

redden door de wederinstelling der Christelijke gemeenschap, de

vergeten gouden eeuw van het oorspronkelijke Christendom! Eindelijk

heerschte de gerechtigheid, schitterde de waarheid als de zon, waren

alle menschen verzoend, vormden slechts één volk, dat in vrede leefde

en gehoorzaamde aan de allen gelijkmakende wet van den arbeid onder

de hooge bescherming van den paus, den eenigen band van barmhartigheid

en liefde!

Nu werd Pierre als opgelicht, gedragen, voortgedreven door een

vlam. Eindelijk, eindelijk zou hij hem zien, zijn hart lucht geven,

zijn ziel openen! Reeds sedert zoo vele dagen snakte hij vurig naar

deze minuut, streed hij met al zijn moed om die te verkrijgen. En hij

herinnerde zich de hinderpalen, welke men hem sedert zijn aankomst

te Rome telkens weer in den weg gelegd had; en deze lange strijd, dit

ongehoopte succes maakten zijn koorts heftiger, prikkelden zijn wensch

om te overwinnen. Ja, ja, hij zou overwinnen, hij zou de tegenstanders

van zijn boek doen verstommen en ten schande maken. Kon, zooals hij

tegen monsignor Fornaro gezegd had, de paus zijn boek desavoueeren? Had

hij niet zijn geheime denkbeelden uitgesproken? Misschien te vroeg,

maar dat was toch een vergeeflijke fout? En hij herinnerde zich ook

wat hij tegen monsignor Nani gezegd had op den dag, dat hij gezworen

had nooit uit eigen beweging zijn boek te zullen terugtrekken, want

dat hij nergens berouw over had, niets loochende.

In deze minuut ging hij nogmaals met zichzelf te rade, en in de

heftige, zenuwachtige opwinding, waarin het wachten hem na zijn

eindeloozen gang door dit reusachtige Vaticaan, bracht, geloofde

hij in het volle bezit van zijn moed, van zijn geheele wilskracht te

zijn. Toch geraakte hij hoe langer hoe meer in verwarring, kwam er

toe zijn gedachten bij elkaar te zoeken, vroeg hij zich af, hoe hij

zou binnengaan, wat hij zeggen zou en in welke bewoordingen.

Verwarde en zware dingen moesten zich in hem opgehoopt hebben, want

hun gewicht droeg veel tot zijn beklemming bij, zonder dat hij zich

daarvan rekenschap wilde geven. Feitelijk was hij reeds gebroken en

uitgeput, had hij geen veerkracht meer dan de vlucht van zijn droom en

zijn kreet van medelijden met de afschuwlijke ellende. Ja, ja, hij zou

vlug naar binnen gaan, zou op zijn knieën vallen, spreken zooals zijn

hart hem ingeven zou. En ongetwijfeld zou de Heilige Vader glimlachen,

hem laten gaan met de woorden, dat hij niet de veroordeeling van een

werk teekenen zou, waarin hij zichzelf met zijn dierbaarste gedachten

teruggevonden had.

Pierre voelde zich zóó zwak worden, dat hij opnieuw naar het raam liep,

om zijn brandend voorhoofd tegen het koude glas te drukken. Zijn

ooren suisden, zijn knieën knikten, terwijl het bloed met zware

slagen in zijn hersens klopte. Hij trachtte aan niets meer te denken,

keek naar het in donkerte gedompelde Rome en vroeg het een weinig

van zijn slaap te schenken, waarin het zelf wegzonk. O, om kalm te

zijn, om eindelijk niet meer te denken, moet het nacht zijn, een

volkomen nacht, de nacht, waarin men, van ellende en lijden genezen,

voor eeuwig slaapt! Plotseling had hij het duidelijke gevoel, dat er

iemand onbeweeglijk achter hem stond; hij schrok en keerde zich om.

Achter hem stond inderdaad mijnheer Squadra in zijn zwarte livrei

te wachten. Hij maakte weer een buiging als om den bezoeker uit te

noodigen hem te volgen. Dan ging hij weer voorop loopen, schreed

langzaam door de kleine troonzaal, opende zacht de deur van de

kamer, trad ter zijde, liet den bezoeker binnengaan, sloot de deur

geruischloos.

Pierre was in de kamer van Zijne Heiligheid. Hij was bang geweest voor

een van die plotselinge gemoedsbewegingen, die krankzinnig maken of

verlammen; men had hem verteld, dat vrouwen stervend, in onmacht,

als dronken binnenkwamen, of wel als door onzichtbare vleugelen

gedragen, dansend binnenstormden. Maar plotseling eindigde de angst,

die hem tijdens het wachten aangegrepen had, zijn koorts van zooeven

in een soort reactie, die hem kalm maakte, hem alles met heldere

oogen deed zien.

Toen hij binnentrad, was hij zich van de beslissende beteekenis

van deze audiëntie bewust geworden: hij, de eenvoudige priester,

verscheen voor den hoogepriester, het hoofd der Kerk, den heerscher der

zielen. Zijn geheele religieus en moreel leven zou van deze audiëntie

afhangen. Misschien was het deze gedachte, die hem op den drempel

van het heiligdom, waarnaar hij zoo bevend gegaan was als het ware

tot ijs verstarren deed, het heiligdom, dat hij gedacht had slechts

met een bevend hart en zijn kindergebeden stamelend te kunnen betreden.

Toen Pierre later zijn herinneringen classeeren wilde, herinnerde hij

zich, dat hij Leo XIII het eerst gezien had, maar in de omlijsting,

die hem omgaf, in die groote, met geel damast behangen kamer met het

zoo diepe alkoof, dat het bed er in verdween, evenals een heel klein

meubilair, een chaise longue, een kast, koffers, de beroemde koffers,

waarin zich, naar men zeide, achter een driedubbel slot de schat

van den Pieterspenning bevond. Een meubelstuk, in Louis XIV-stijl,

een soort schrijfbureau met koper beslag stond tegenover een groote,

vergulde en beschilderde wandtafel, waarop naast een hoog crucifix

een lamp brandde.

Verder was de kamer kaal; slechts drie fauteuils en vier of vijf

stoelen met trijp van lichte zijde, moesten de groote ruimte vullen. Op

den vloer lag een reeds zeer versleten tapijt. Op een dier fauteuils

zat naast een klein tafeltje, waarop men een tweede lamp met een

kap gezet had, Leo XIII. Op het tafeltje lagen drie couranten, twee

Fransche en een Italiaansche: deze laatste half opengevouwen, als

had de paus haar even neergelegd om met een lang verguld-zilveren

lepeltje een glas limonade, dat naast hem stond, om te roeren.

Zooals Pierre de kamer gezien had, zag hij ook het costuum, de witte

soutane met witte knoopen, het witte kalotje, de witte pèlerine,

de witte ceintuur met gouden franje, waarvan de einden met gouden

sleutels geborduurd waren. De kousen waren wit, de pantoffels van rood,

eveneens met gouden sleutels geborduurd, fluweel. Het meest werd Pierre

echter getroffen door het gezicht, door de geheele persoonlijkheid,

die hem kleiner voorkwam en die hij nauwlijks herkende. Dit was nu de

vierde maal, dat hij den paus zag: de eerste maal op een mooien avond

in een heerlijken tuin, glimlachend en vertrouwelijk luisterend naar

het gebabbel van een lievelingsprelaat, terwijl hij met zijn kleine

oude-heeren-pasjes als een gewond vogeltje voorttrippelde. Hij had

hem gezien in de Sala dei Beatificazione als geliefd en ontroerd

paus, wiens wangen bloosden van tevredenheid, terwijl vrouwen hem

beurzen en met goud gevulde witte kalotjes brachten, haar juweelen

afrukten om ze aan zijn voeten te werpen. Hij had hem in de St. Pieter

gezien--hoog op het schild gedragen, in al zijn heerlijkheid van

zichtbaren God, dien de Christenheid aanbidt als een in zijn gouden

en met edelgesteenten versierde kast opgesloten afgod, terwijl zijn

strak gelaat onbeweeglijk als uit steen gehouwen bleef. En nu zag

hij hem hier in dezen fauteuil, in de intimiteit van zijn eigen kamer

terug, en hij vond hem zoo mager, zoo teer, dat hij een onrust voelde,

waaraan zich ontroering paarde. De hals vooral was onwaarschijnlijk

dun als een draad, de hals van een heel ouden, witten vogel. Het

albasten, bleeke gelaat was karakteristiek doorschijnend, men zag

het schijnsel van de lamp door den grooten, gebiedenden neus, als was

al het bloed daaruit weggevloeid. De groote mond met de sneeuwwitte

lippen doorsneed met een dunne lijn het onderste gedeelte van het

gelaat, de oogen alleen waren mooi en jong gebleven, prachtige,

donkere, als zwarte diamanten fonkelende, krachtige, doorborende

oogen, die de zielen openden en dwongen de waarheid met luide stem

te bekennen. Het weinige haar kwam in dunne, witte lokken uit het

witte kapje te voorschijn en legde een witte kroon om het magere,

witte gezicht, welks leelijkheid door al het wit gelouterd werd.

Maar bij den eersten blik had Pierre opgemerkt, dat mijnheer Squadra

hem niet had laten wachten, omdat hij den Heiligen Vader had willen

dwingen een schoone soutane aan te trekken, want degene, die hij droeg,

was vuil door de vele snuif, die langs de knoopen gevallen was. En

echt burgerlijk had de Heilige Vader een zakdoek op zijn knieën, om

zich af te vegen. Verder scheen hij zeer welvarend en geheel hersteld

van zijn ziekte van den vorigen dag; hij was trouwens gewoonlijk gauw

beter, want hij leefde zeer sober en matig en had geen enkel organisch

gebrek. Door een natuurlijke uitputting verminderde hij dagelijks iets,

zooals een fakkel door het voortdurende branden eenmaal uitgaat.

Reeds bij de deur had Pierre de twee fonkelende oogen, de twee zwarte

diamanten oogen op zich voelen rusten. De stilte was angstaanjagend, de

lampen brandden met een onbeweeglijke, bleeke vlam in deze grenzenlooze

rust van het ingeslapen Vaticaan, zonder dat men iets anders hoorde

dan in de verte het oude, in den nacht weggezonken oude Rome. Hij

moest naderbij komen, maakte de drie kniebuigingen en boog zich dan

voorover om de op een kussen rustende rood-fluweelen pantoffel te

kussen. Geen woord, geen beweging, geen gebaar van den paus. Toen

Pierre zich weer oprichtte, zag hij de twee zwarte diamanten, de

fonkelende oogen, nog steeds op zich gericht.

Eindelijk begon Leo XIII, die hem den ootmoed van den voetkus niet

had willen besparen en hem nu liet staan, te spreken, zonder echter

zijn blik, die tot in het diepst van zijn ziel doordrong, van Pierre

af te wenden.

"Mijn zoon, gij hebt vurig verlangd mij te spreken, en ik heb erin

toegestemd aan uw wensch gevolg te geven."

Hij sprak Fransch, een eenigszins onzeker Fransch, dat hij op zijn

Italiaansch uitsprak, en zoo langzaam, dat men de zinnen als bij een

dictee had kunnen opschrijven. De nasale stem was sterk, een van die

zware, diepe stemmen, die men bij zulke zwakke, schijnbaar bloed-

en ademlooze lichamen niet verwacht.

Pierre had zich wederom gebogen om zijn dankbaarheid te betuigen,

hij wist, dat de eerbied eischte, dat men niet sprak voor een direkte

vraag gedaan werd.

"Gij woont te Parijs?"

"Ja, Heilige Vader."

"Behoort ge tot een der groote stedelijke parochieën?"

"Neen, Heilige Vader, ik ben kapelaan in de kleine kerk te Neuilly."

"O ja, ik weet al waar... dicht bij den Bois de Boulogne... En hoe

oud zijt gij, mijn zoon?"

"Vier-en-dertig, Heilige Vader!"

Er volgde een korte stilte. Leo XIII had eindelijk zijn oogen

neergeslagen. Met zijn teere, ivoorkleurige hand nam hij het glas

limonade weer, roerde er met den langen lepel in en dronk een slok. Hij

deed het langzaam, voorzichtig en bedachtzaam, zooals alles, wat hij

moest doen en denken.

"Ik heb uw boek gelezen, mijn zoon. Ja, voor het grootste

gedeelte. Gewoonlijk legt men mij slechts brokstukken voor. Maar

iemand, die zich voor u interesseert, heeft mij het boek gegeven

en gesmeekt het door te lezen. Op die wijze heb ik er kennis van

kunnen nemen."

Hij maakte een klein gebaar, waarin Pierre een protest meende te

moeten zien tegen de afzondering, waarin zijn omgeving hem hield--die

vloekwaardige omgeving, die er, volgens de woorden van monsignor

Nani zelf, goed voor waakte, dat niets verontrustends van uit de

buitenwereld hier doordrong.

"Ik dank Uwe Heiligheid voor de zeer groote eer, die het haar behaagd

heeft mij te bewijzen," waagde de priester te zeggen. "Geen grooter

eer, geen vuriger verlangd geluk kon mij ten deel vallen."

Hij was zoo gelukkig! Hij verbeeldde zich, dat zijn zaak reeds gewonnen

was, nu de paus kalm en zonder eenigen toorn, op dien toon met hem

sprak over zijn boek als iemand, die hem nu door en door kende.

"Ge gaat veel om met mijnheer den vicomte Philibert de la Choue, niet

waar, mijn zoon? De overeenkomst tusschen sommige van uw denkbeelden

en die van dezen zeer toegewijden dienaar, die ons anderzijds kostbare

bewijzen van zijn goede gezindheid gegeven heeft, is mij opgevallen."

"Inderdaad, Heilige Vader, mijnheer de la Choue is wel zoo goed belang

in mij te stellen. Wij hebben veel samen gepraat, zoodat het niet te

verwonderen is, dat ik verscheidene van zijn dierbaarste denkbeelden

weergegeven heb."

"Natuurlijk, natuurlijk. Zoo bijvoorbeeld die quaesties van

de corporaties, waarmede hij zich veel, zelfs wel wat te veel,

bezighoudt. Bij zijn laatste reis heeft hij daar met grooten aandrang

met mij over gesproken; evenals trouwens een andere landgenoot van u,

een der beste en eminentste mannen, die ik ken, baron de Fouras, die

onlangs de mooie bedevaart van den Pieterspenning hier gebracht heeft,

niet rustte, voordat ik hem ontving, om er dan bijna een uur lang

over te praten. Maar men kan moeilijk zeggen, dat zij het eens zijn,

want de een smeekt mij te doen wat de ander niet wil, dat ik doe."

Dadelijk bij het begin dwaalde het gesprek op zijpaden af. Pierre

voelde, dat het met zijn boek niets te maken had, maar hij herinnerde

zich zijn belofte aan den vicomte, dat hij, wanneer hij den paus zou

spreken en de gelegenheid zich daarbij voordeed, een poging wagen

zou een beslissende uitspraak te krijgen over de beroemde vraag

of de corporaties vrij of verplichtend, open of gesloten moesten

zijn. Sedert hij te Rome was, had hij brief op brief van den armen

vicomte gekregen, die door zijn jicht Parijs niet verlaten kon,

terwijl zijn tegenstander, de baron, van de prachtige gelegenheid der

bedevaart, waarvan hij de leider was, gebruik maakte om te trachten

van den paus een goedkeurend woord te krijgen, dat hij triompheerend

mee kon nemen naar Frankrijk. En de priester stond erop zijn belofte

consciëntieus te houden.

"Uwe Heiligheid weet beter dan wij allen wat wijsheid is. Mijnheer

de Fouras gelooft, dat het heil, de oplossing der arbeidersquaestie

eenvoudig gelegen is in het weder in het leven roepen der oude,

vrije corporaties, terwijl mijnheer de la Choue die verplichtend wil

onder bescherming van den Staat en aan nieuwe regelen onderworpen. En

ongetwijfeld is deze laatste opvatting veel meer in overeenstemming met

de tegenwoordige sociale denkbeelden... Indien het Uwe Heiligheid mocht

behagen zich in dien zin uit te spreken, dan zou de jonge Katholieke

partij in Frankrijk daarmede zeker de schitterendste resultaten weten

te bereiken, een geheele arbeidersbeweging tot roem van de Kerk."

"Maar dat kan ik niet," zeide Leo XIII op zijn gewone kalme

manier. "Men vraagt mij uit Frankrijk altijd dingen, die ik niet

kan en niet wil doen. Het eenige, wat ik u veroorloof uit mijn naam

tegen mijnheer de la Choue te zeggen is, dat, al kan ik hem in dezen

niet ter wille zijn, mijnheer de Fouras evenmin zijn wensch bevredigd

ziet. Ook hij heeft van mij slechts de verzekering gekregen van mijn

welwillendheid ten opzichte van de Fransche arbeiders, die zooveel

vermogen voor de wederopleving van het geloof. Maar men moet bij u

te lande ten slotte toch eens begrijpen, dat er detailquaesties,

die per slot van rekening toch de organisatie betreffen, zijn,

waarmede ik mij onmogelijk kan inlaten zonder mij bloot te stellen

aan het gevaar daaraan een gewicht te geven, dat zij niet hebben,

en sommigen een groote teleurstelling te bezorgen, indien ik anderen

een groot genoegen doe."

Om zijn lippen verscheen een flauw glimlachje, waaruit duidelijk de

conciliante, bedachtzame politicus sprak, die vastbesloten is zijn

onfeilbaarheid niet in gevaar te brengen door onnoodige avonturen. Hij

dronk weer een slok limonade en veegde zich met zijn zakdoek af als

een heerscher, die nu zijn gala-dagtaak afgeloopen is, zich op zijn

gemak zet en dit uur van stilte en eenzaamheid gekozen had om langzaam

en zoo lang als hij er zelf lust in had, te spreken.

Pierre trachtte het gesprek op het boek te brengen.

"Mijnheer de vicomte Philibert de la Choue is zoo hartelijk voor mij,

hij wacht met even groote ontroering op het lot van mijn boek als

had hij het zelf geschreven. Daarom zou het mij zoo gelukkig gemaakt

hebben, wanneer ik hem een aanmoedigend woord van Uwe Heiligheid had

kunnen overbrengen."

Maar de paus antwoordde niet.

"Ik heb hem leeren kennen bij Zijne Eminentie, kardinaal Bergerot,

wiens vurige naastenliefde voldoende zijn moest, om weer een geloovig

Frankrijk te scheppen."

"O ja, kardinaal Bergerot! Ik heb zijn brief, die als voorrede in uw

boek staat, gelezen. Hij was wel slecht geïnspireerd op den dag, dat

hij dien schreef, en gij, mijn zoon, hebt u met het publiceeren daarvan

aan een groote zonde schuldig gemaakt... Ik kan nog niet gelooven,

dat de kardinaal sommige van uw bladzijden gelezen heeft, toen hij u

zijn volkomen toestemming en goedkeuring gaf. Ik wil liever aannemen,

dat het een gevolg van onwetendheid en lichtzinnigheid is. Hoe zou

hij anders uw aanvallen tegen het dogma, uw revolutionnaire theorieën,

die tot de totale vernietiging van onzen heiligen godsdienst leiden,

hebben kunnen goedkeuren? Als hij uw boek gelezen heeft, heeft hij

geen ander excuus dan een plotselinge, onverklaarbare, onvergeeflijke

afdwaling... Weliswaar heerscht in een deel der Fransche geestelijkheid

een kwade geest. De Gallicaansche denkbeelden schieten steeds meer

als onkruid op, een bedilziek liberalisme, dat zich tegen ons gezag

verzet en niets liever wil dan vrij onderzoek en andere sentimenteele

avonturen."

Hij geraakte opgewonden, Italiaansche woorden mengden zich onder zijn

aarzelend Fransch; zijn zware neusstem kwam luid-klinkend als een

koperinstrument uit zijn tenger, als uit sneeuw en was gemaakt lichaam.

"En laat kardinaal Bergerot het goed weten: den dag, dat wij in

hem niet meer kunnen zien dan een opstandigen zoon, zullen wij hem

breken. Hij is ons het voorbeeld van gehoorzaamheid verschuldigd; wij

zullen hem onze misnoegen te kennen geven en hopen, dat hij zich zal

onderwerpen. Ongetwijfeld zijn ootmoed en naastenliefde groote deugden

en wij hebben die steeds gaarne in hem geëerd. Maar zij moeten niet de

toevlucht van een opstandig hart worden, want zij beteekenen niets,

indien niet gehoorzaamheid daarmede gepaard gaat, gehoorzaamheid,

het mooiste sieraad der groote heiligen!"

Verbijsterd en ontsteld luisterde Pierre naar hem. Zichzelf vergat hij;

hij dacht alleen nog maar aan den man vol goedheid en verdraagzaamheid,

op wien hij dezen almachtigen toorn had doen nederdalen. Dus had

don Vigilio gelijk gehad: de beschuldigingen der bisschoppen van

Poitiers en Evreux zouden over zijn hoofd heen den tegenstander

van hun ultramontaansche onverdraagzaamheid, den zachtmoedigen,

goedhartigen Bergerot, de ziel, welke open stond voor al de ellende

en al het lijden der armen en der nederigen, treffen.

Hij was er wanhopig onder: de aanklacht van den bisschop van Tarbes,

het werktuig van de Paters der Grot, welke slechts hem trof als

een antwoord op zijn bladzijde over Lourdes, kon hij nog begrijpen

en desnoods goedkeuren, maar de geniepige oorlog der beide anderen

verbitterde hem en vervulde hem met een pijnlijke verontwaardiging. Den

zwakken grijsaard met zijn dunne vogelhals, die kalm zijn limonade

dronk, zag hij een vertoornden, zoo grimmigen grijsaard worden,

dat hij ervan beefde. Hoe had hij zich bij zijn binnenkomen door

den schijn kunnen laten beetnemen, hoe had hij kunnen gelooven,

dat dit slechts een arme, door ouderdom uitgeputte man was, die naar

vrede verlangde en alles wilde toegeven? Een ademtocht was door de

sluimerende kamer gestreken en bracht weer zijn twijfel, zijn angst

mede. O, deze paus was precies zóó als men hem in Rome schilderde,

zooals hij hem zich niet had willen voorstellen, meer geest dan gevoel,

mateloos trotsch, van zijn jeugd af met den grootsten eerzucht vervuld,

zoodat hij aan zijn familie den triomf beloofd had, ten einde van haar

de noodige opofferingen te verkrijgen. Sedert hij den pauselijken

troon beklommen had, toonde hij overal en in alles slechts één wil:

heerschen, tot iederen prijs heerschen, als onbeperkt, almachtig

meester heerschen! De werkelijkheid drong zich met onweerstaanbare

kracht aan hem op; toch verzette hij zich, bleef hij hardnekkig

trachten zijn droom weer te grijpen.

"O, Heilige Vader, het zou mij zoo vreeselijk verdrieten, indien

tengevolge van mijn ongelukkig boek Zijne Eminentie ook maar één

oogenblik in moeilijkheden zou moeten verkeeren! Ik, de schuldige,

kan voor mijn fout verantwoordelijk zijn--maar Zijne Eminentie, die

slechts gehoorzaamd heeft aan de ingeving van zijn hart, die slechts

door zijn te groote liefde voor de onterfden dezer wereld gezondigd

zou hebben! O, ik smeek u, Heilige Vader, wanneer er een waarschuwend

voorbeeld gesteld moet worden, straf dan geen ander dan mij. Ik ben

gekomen, hier ben ik, beslis over mijn lot, maar maak mijn straf niet

nog zwaarder door de wroeging een onschuldige in het verderf gestort

te hebben."

Zonder te antwoorden bleef Leo XIII hem met zijn vurige oogen

aankijken. En Pierre zag nu niet meer Leo XIII, den tweehonderd

drie-en-zestigsten paus, den Stedehouder van Jezus Christus, den

opvolger van den prins der Apostelen, den souvereinen pontifex

der algemeene Kerk, den patriarch van het Oosten, den primaat van

Italië, den aartsbisschop en metropoliet der Romeinsche provincie,

den heerscher over de domeinen der Heilige Kerk--neen, hij zag Leo

XIII, zooals hij hem zich gedroomd had, als den verwachten Messias,

als den redder, gezonden om de vreeselijke sociale catastrophe te

bezweren, waarin de oude, verrotte maatschappij onderging. Hij zag

hem met zijn veelomvattenden, soepelen geest, met zijn broederlijke

verzoeningstaktiek, schokken vermijdend, met zijn van liefde

overvloeiend hart werkend aan de eenheid, direct sprekend tot het

hart der menigten, nog eenmaal, ten teeken van den nieuwen band, zijn

beste bloed gevend. Hij stelde zich hem voor als de eenige moreele

autoriteit, als den eenig mogelijken band van naastenliefde en vrede,

als den Vader, die alleen een einde maken kan aan de ongerechtigheid

onder zijn kinderen, de ellende dooden, de bevrijdende wet van den

arbeid weer instellen kan door de volkeren terug te brengen tot

het geloof der oorspronkelijke Kerk, tot de zachtheid en wijsheid

der Christelijke gemeenschap. En deze verheven gestalte nam in de

diepe stilte der kamer een onoverwinlijke almacht, een zeldzame

majesteit aan.

"Om Gods wil, Heilige Vader, verhoor mij! Straf zelfs mij niet,

straf niemand, o, niemand, geen levend wezen, geen ding, niets,

dat op aarde lijden kan! Wees goed, o, wees goed met al de goedheid,

die het lijden der wereld in u gelegd moet hebben."

Toen hij zag, dat Leo XIII nog steeds bleef zwijgen en hem voor zich

liet blijven staan, viel hij op zijn knieën, als verpletterd door

smart, een naamlooze smart, die geen bepaalde oorzaak had, een smart

om niemand en niets, een algemeene, onbegrensde smart, waarin hij

zich voelde ondergaan en verdrinken; misschien de smart te leven.

"O, Heilige Vader, ik besta niet, mijn boek bestaat niet. Ik heb, o,

vurig en hartstochtelijk verlangd door Uwe Heiligheid ontvangen te

worden, om uitleg te geven van mijn gedrag, om mij te verdedigen. Maar

nu weet ik niets meer, ik vind niets meer van alles, wat ik had willen

zeggen, en ik heb slechts tranen, tranen, die mij verstikken... O, ik

ben maar een armzalig mensch, die geen anderen drang in zich voelt dan

om met u over de armen te spreken. O, die armen, die ongelukkigen, die

ik twee jaar lang in onze ellendige en treurige Parijsche voorsteden

gezien heb, arme kleinen, die ik in de sneeuw ging zoeken, arme

kleine engeltjes, die in geen twee dagen gegeten hadden; vrouwen,

die door de tering weggeknaagd worden en zonder brood of vuur in

vuile krotten hokten; mannen, die door het sluiten der werkplaatsen op

straat geworpen werden en het moe waren om werk te bedelen, zooals men

bedelt om een aalmoes, die dronken van woede naar hun donkere woningen

terugkeerden, alleen vervuld met de wraakgedachte de stad aan de vier

hoeken in brand te steken! En de avond, de verschrikkelijke avond,

dat ik een jammerkamer binnentrad, waarin ik een moeder vond, die zich

juist met haar vijf kinderen gedood had: de moeder was, haar jongste

nog zogend, op een matras gevallen, de twee kleine meisjes, lieve

aardige, jonge blondines, sliepen eveneens daar haar laatsten slaap,

de twee jongens lagen iets verder--de eene tegen den muur, de andere op

den grond, zich nog wringend in een laatst verzet... O, Heilige Vader,

ik ben niets meer dan hun afgezant, gezonden door hen, die lijden en

snikken, de deemoedige afgevaardigde der deemoedigen, die onder de

misdadige hardheid, onder de vreeselijke sociale onrechtvaardigheid

van ellende sterven. Ik breng aan Uwe Heiligheid hun tranen, ik leg

aan uwe voeten hun martelingen, ik laat u hun noodkreet hooren als

een kreet, die opstijgt uit den afgrond, die vraagt om gerechtigheid,

als men niet wil, dat de hemel instort... O wees goed, Heilige Vader,

wees goed!"

Hij had zijn armen uitgestrekt, hij smeekte hem met een gebaar,

waarmede men het goddelijke medelijden aanroept. Dan ging hij voort:

"En is, Heilige Vader, de ellende in dit eeuwige en schitterende Rome

ook niet verschrikkelijk? Sedert weken dwaal ik, wachtend, op goed

geluk af, door het beroemde stof van zijn ruïnen en ik heb niets

gezien dan ongeneeslijke kwalen, die mij met schrik vervullen. O,

alles stort ineen, alles verdwijnt. Het is de doodsstrijd van zooveel

glorie, van de vreeselijke zwaarmoedigheid eener wereld, die sterft van

uitputting en honger!... Heb ik onder de ramen van Uwe Heiligheid niet

een angstaanjagende wijk gezien, onvoltooide paleizen, welke met een

jammerlijke erfelijke ziekte belast zijn als rhachitische kinderen,

die niet door kunnen groeien, reeds in puin gevallen paleizen, welke

de toevluchtsoorden geworden zijn voor de geheele beklagenswaardige

ellende van Rome? En wat een vreeselijk lijdend volk, precies als in

Parijs! Maar hier spreidt zich dat lijden met nog meer onbeschaamdheid

in de open lucht ten toon en legt in zijn vreeselijke onbewustheid

de geheele sociale wonde, den wegvretenden kanker bloot. Geheele

families leven haar hongerig leven van nietsdoen onder de heerlijke

zon. De ouden zijn gebrekkig geworden, de vaders wachten tot er een

beetje werk voor hen uit den hemel vallen komt, de zoons slapen in

het droge gras; de moeders en dochters, voor haar tijd verwelkt,

lanterfanten en houden buurpraatjes... O, Heilige Vader, open morgen

dadelijk bij het aanbreken van den dag uw venster en wek met uw

zegen dit groote kind-volk, dat nog in zijn onwetendheid en armoede

slaapt! Geef het de ziel, die het mist, een ziel, die zich de geheele

menschelijke waardigheid, de noodzakelijke wet van den arbeid, het

vrije en broederlijke, alleen door rechtvaardigheid bestuurde leven

bewust is. Ja, Heilige Vader, maak een volk uit dit samenraapsel van

ongelukkigen, wier eenige verontschuldiging is, dat zij lichamelijk en

geestelijk zoo lijden, dat zij leven als het vee, dat leeft en sterft

zonder iets te weten of te begrijpen, en dat men met slagen ranselt!"

Langzamerhand verstikten de snikken zijn stem; slechts met schokken

kon hij, medegesleept door zijn hartstocht, spreken.

"En moet ik mij uit naam van die ellendigen niet wenden tot u,

Heilige Vader? Zijt gij de Vader niet? Moet de afgezant van de armen

en ongelukkigen niet neerknielen voor den Vader, zooals ik thans

voor u neergeknield lig? Moet het den zwaren last van zijn smarten

niet brengen tot den Vader en eindelijk medelijden, hulp en steun,

en gerechtigheid, ja vooral gerechtigheid vragen? O, open, waar gij

de Vader zijt, wijd de deur, opdat iedereen kan binnentreden, tot

het ongelukkigste, van uw kinderen toe--de geloovigen, de toevallig

voorbijkomenden, zelfs de opstandigen, de verdwaalden, zij, die

misschien binnen zullen treden, die Uwe Heiligheid zal redden van

algeheele verlatenheid. Wees het toevluchtsoord van de slechtbefaamde

wegen, wees de liefderijke ontvangst, die den reiziger wordt geboden,

wees de altijd brandende, van verre zichtbare, in den storm reddende

lamp der gastvrijheid... Wees, o Vader, waar gij de macht zijt, de

redding, het heil. Gij vermoogt alles, gij hebt eeuwen van macht achter

u, gij zijt heden ten dage gestegen tot een moreele autoriteit, die u

tot den scheidsrechter der wereld gemaakt heeft; gij staat hier voor

mij als de majesteit der licht en vruchtbaarheid gevende zon zelf! O,

wees de ster van goedheid en barmhartigheid, wees de verlosser, neem

het werk van Jezus weer op, dat men in den loop der eeuwen bedorven

heeft door het te laten in de handen der rijken en machtigen, die ten

slotte uit het Evangelie het vloekwaardigste monument van hoogmoed en

tyrannie gemaakt hebben. Begin het werk, nu het mislukt is, opnieuw,

stel u weer aan de zijde van de kleinen, de ongelukkigen, de armen,

breng ze terug tot den vrede, de broederliefde, de gerechtigheid der

Christelijke gemeenschap... En zeg, Vader, zeg, dat ik u begrepen

heb, dat ik slechts uitdrukking aan uw dierbaarste gedachten, aan den

eenigen vurigen wensch van uw regeering gegeven heb. De rest, de rest,

mijn boek, wat beteekent dat? Ik verdedig mij niet, ik wil slechts

uw roem en het geluk der menschen. Zeg, dat gij uit de diepte van

het Vaticaan het doffe kraken van de oude, verrotte maatschappijen

gehoord hebt. Zeg, dat een siddering van medelijden en ontroering

u doorhuiverd heeft; zeg, dat gij de verschrikkelijke catastrophe

wilt verhinderen door uw met krankzinnigheid geslagen kinderen aan

het Evangelie te herinneren, door hen terug te voeren naar de eeuw

van eenvoud en reinheid, toen de eerste Christenen als broeders

samenwoonden... Ja, daarom hebt gij u alleen weer aan de zijde der

armen gesteld, niet waar, Heilige Vader, daarom slechts ben ik hier,

om met mijne geheele ziel, ja met mijn geheele arme menschenziel,

aan u medelijden, goedheid, gerechtigheid te vragen!"

Toen werd zijn ontroering hem te machtig en sloeg hij, uitbarstend

in luide snikken, tegen den grond. Zijn hart brak. Het was een

diep, een eindeloos snikken, een vreeselijke deining van snikken,

die uit zijn geheele wezen kwam, die van nog verder kwam, van alle

ongelukkige wezens, die kwam uit de wereld, wier aderen tegelijk met

het levensbloed de smart met zich voeren. Daar lag de afgezant van het

lijden, zooals hij zichzelf genoemd had, in zijn plotselinge zwakte als

van een zenuwachtig kind. En aan de voeten van den onbeweeglijken,

zwijgenden paus lag hij daar als de belichaming van de geheele

menschelijke, weenende ellende.

Leo XIII, die graag sprak en wien het een groote zelfbeheersching

kostte anderen te hooren spreken, had in den beginne tweemaal een van

zijn bleeke handen opgeheven, als om hem tot zwijgen te brengen. Doch

langzamerhand door verbazing aangegrepen en zelfs door ontroering

bevangen, had hij Pierre in den onweerstaanbaren drang, die dezen

voortdreef, uitspreken, zijn noodkreet uitschreeuwen laten. Een

weinig bloed was opgestegen naar zijn sneeuwwit gelaat, zijn lippen

en zijn wangen hadden een lichtroode kleur gekregen, terwijl zijn

donkere oogen nog schitterender fonkelden. Toen hij hem sprakeloos en

geschokt door die diepe snikken, welke zijn hart schenen uit te rukken,

aan zijn voeten liggen zag, boog hij zich ongerust over hem heen.

"Wees kalm, mijn zoon, sta op..."

Maar het snikken hield niet op, sleepte, als de wanhoopsklacht van

een gewonde ziel, die lijdt en worstelt met den dood, alle verstand

en allen eerbied mede.

"Sta op, mijn zoon, zoo iets past niet... Hier, neem dezen stoel!"

En met een gebiedend gebaar noodigde hij hem eindelijk uit te gaan

zitten.

Moeilijk stond Pierre op en ging zitten, om niet te vallen. Hij streek

de haren van zijn voorhoofd, veegde, als waanzinnig, met zijn handen

zijn brandende tranen af en trachtte zich weer te beheerschen. Wat

er gebeurd was kon hij niet begrijpen.

"Gij doet een beroep op den Heiligen Vader. O zeker, wees overtuigd,

dat zijn hart vol medelijden en liefde is voor de ongelukkigen. Maar

dat is op het oogenblik de quaestie niet, het gaat om onzen heiligen

godsdienst... Ik heb uw boek gelezen, een slecht boek, dat wil ik

u dadelijk zeggen, het gevaarlijkste en vloekwaardigste boek, dat

bestaat, juist om zijn goede eigenschappen en om de bladzijden, die

mij zelf geïnteresseerd hebben. Ja, ik ben dikwijls onder de bekoring

ervan gekomen, en ik zou het niet verder gelezen hebben, als ik mij

niet meegesleept gevoeld had door den vurigen adem van uw geloof en

van uw geestdrift. Het onderwerp is zoo mooi en trekt mij zoo aan! Het

Nieuwe Rome! O, ongetwijfeld zou met dien titel een prachtig boek

geschreven kunnen worden, maar dan moet het in een geheel anderen

geest geschieden... Ge denkt, dat ge mij begrepen hebt, mijn zoon,

dat ge u zóó ingeleefd hebt in mijn geschriften en in mijn daden, dat

ge aan mijn dierbaarste denkbeelden uitdrukking gegeven hebt. Neen,

neen, gij hebt mij niet begrepen, en daarom heb ik u willen spreken,

om u op de hoogte te brengen, om u te overtuigen."

Nu luisterde Pierre zwijgend en onbeweeglijk. Toch was hij

slechts gekomen om zich te verdedigen; hij had sedert drie maanden

zoo koortsachtig naar dit onderhoud verlangd en, zeker van zijn

overwinning, zijn argumenten gereed gemaakt. En nu hoorde hij zijn

boek gevaarlijk, vloekwaardig noemen, zonder dat hij protesteerde,

zonder dat hij alle goede gronden, waartegen hij meende, dat niets in

te brengen was, naar voren bracht. Een vreemde moeheid drukte hem neer,

als was hij door zijn tranen uitgeput. Straks zou hij weer dapper zijn,

zou hij zeggen, wat hij besloten had te zeggen.

"Ik word niet begrepen, ik word niet begrepen," herhaalde Leo

XIII geprikkeld en ongeduldig. "In Frankrijk vooral niet. Het is

ongelooflijk zooveel moeite als het mij kost, mij daar begrijpelijk

te maken!... Daar heb je bijvoorbeeld de wereldlijke macht! Hoe hebt

gij kunnen gelooven, dat de Heilige Stoel ooit op dat punt tot een

schikking bereid zou zijn? Het is een taal, die een priester onwaardig

is, het is de hersenschim van een onwetende, die zich geen rekenschap

geeft van de voorwaarden, waaronder het pausdom tot nog toe geleefd

heeft en waarin het moet blijven voortleven, als het niet van de wereld

verdwijnen wil. Ziet ge niet in, dat het een sophisme is, wanneer ge

beweert, dat het des te hooger staat, naarmate het meer bevrijd is

van de zorgen van een aardsch rijk? Ja zeker, het zuiver geestelijke

koningschap, de souvereiniteit door barmhartigheid en liefde is een

prachtige phantasie. Maar wie zal ons doen eerbiedigen? Wie zal ons een

steen geven, om ons hoofd op neer te leggen, wanneer we verjaagd zijn

en langs de wegen zwerven? Wie zal onze onafhankelijkheid verzekeren,

wanneer wij aan de genade van alle Staten overgeleverd zijn?... Neen,

neen, de Romeinsche bodem behoort ons toe, want wij hebben dien als

erfdeel van een lange reeks van voorvaderen ontvangen; hij is de

onverwoestbare, eeuwige bodem, waarop de Heilige Kerk gebouwd is; hem

opgeven staat gelijk met den wensch de Roomsch-Katholiek-Apostolische

Kerk ineen te zien storten. Trouwens wij zouden het niet kunnen,

wij zijn gebonden door onzen eed voor God en voor de menschen."

Hij zweeg een oogenblik, om Pierre gelegenheid tot antwoorden te

geven. Maar tot zijn groote verwondering voelde Pierre, dat hij niets

te antwoorden wist, want hij besefte, dat deze paus sprak, zooals hij

spreken moest. De verwarde en zware dingen, die zich in hem opgehoopt

hadden en die hij zooeven in de geheime antichambre op zich had voelen

drukken, verschenen nu voor hem in een helder licht, teekenden zich

met een steeds grootere duidelijkheid af. Het was alles, wat hij

sedert zijn aankomst in Rome gezien en begrepen had, de ophooping

van zijn desillusies, van de bestaande werkelijkheid, waaronder zijn

droom van een terugkeer tot het oorspronkelijke Christendom reeds

half gestorven, verpletterd was. Alles was ingestort in hem, toen

het ware Rome zich aan hem geopenbaard had, de eeuwenoude stad van

hoogmoed en heerschzucht, waarin het pausdom niet zou kunnen bestaan

zonder de wereldlijke macht. Te veel banden, het dogma, de traditie,

het milieu, de bodem zelf maakten het voor eeuwig onveranderlijk. Het

kon slechts schijnbaar toegeven; ondanks alles zou het uur komen,

waarop die concessies zouden moeten ophouden, onmogelijk als het was

verder te gaan zonder zelfmoord te plegen.

Het nieuwe Rome zou mogelijk eenmaal werkelijkheid kunnen worden

buiten Rome; slechts daar zou het Christendom weder ontwaken, want

het Katholicisme moest te Rome sterven, wanneer de laatste paus,

vastgenageld aan dezen bodem van puinhoopen, onder het laatste kraken

van den dom van de St. Pieter verdwijnen zou, die instorten moest,

zooals de tempel van Juppiter Capitolinus ingestort was. Wat den

tegenwoordigen paus betreft, hij mocht zonder koninkrijk zijn, hij

mocht de ziekelijke zwakheid van zijn hoogen ouderdom, de kleurlooze

bleekte van een oud afgodsbeeld van was hebben, desniettemin brandde

de rood oplaaiende hartstocht naar de wereldheerschappij in hem, was

hij de halsstarrige zoon van den voorvader, den Pontifex Maximus,

den Caesar Imperator, in wiens aderen het bloed van Augustus, den

wereldheerscher, stroomde.

"Het vurige verlangen naar eenheid, dat ons altijd bezield heeft,

hebt gij zeer goed ingezien," ging Leo XIII voort. "Den dag, dat wij

eenheid gebracht hebben in den ritus, door den Romeinschen ritus aan de

geheele Katholieke wereld op te leggen, waren wij zeer gelukkig. Dat is

een van onze dierbaarste overwinningen, omdat zij veel bijdraagt tot

ons gezag. Ik hoop ook, dat onze bemoeiingen in het Oosten ten slotte

onze lieve, verdwaalde broeders van de dissidente gemeenten tot ons

zullen terugbrengen, evenals ik er niet aan wanhoop de Anglicaansche

secten te overtuigen--afgezien van de Protestantsche secten, die in den

schoot van de Eenige Roomsch-Katholiek-Apostolische Kerk terugkeeren

moeten, zoodra de door Christus voorspelde tijden in vervulling

zullen gaan... Maar wat ge niet gezegd hebt, is, dat de Kerk niets

van het dogma kan opgeven. Integendeel schijnt gij gedacht te hebben,

dat een schikking tot stand zou kunnen komen door van beide zijden

tot concessies bereid te zijn; welnu, dat is een zeer te veroordeelen

gedachte, een taal, die een priester niet bezigen kan, zonder misdadig

te zijn. Neen, de waarheid is absoluut, geen steen van het gebouw mag

veranderd worden. O, in den vorm--zooveel als men wil. Wij zijn tot de

grootste toegeeflijkheid bereid, als het er slechts om gaat om zekere

moeilijkheden uit den weg te gaan, om zich voorzichtig uit te drukken,

ten einde het accoord te vergemakkelijken... Het is als met onze

rol in het hedendaagsche socialisme: wij moeten elkaar begrijpen. O

zeker, zij, die gij zoo terecht en juist de onterfden dezer wereld

genoemd hebt, zijn het voorwerp van onze voortdurende zorg. Indien het

socialisme eenvoudig een verlangen naar gerechtigheid, een wil, om den

zwakken te hulp te komen is, wie werkt er dan krachtiger en met meer

energie aan dan wij? Is de Kerk niet altijd de moeder der bedroefden,

de weldoenster der armen geweest? Wij zijn alleen voor verstandigen

vooruitgang, wij aanvaarden alle nieuwe maatschappelijke vormen,

die zullen medewerken tot den vrede en de broederschap... Maar het

socialisme, dat begint God weg te jagen, om het geluk der menschheid te

verzekeren, kunnen wij niet anders dan veroordeelen. Dat is eenvoudig

een toestand van woestheid, een afschuwlijke achteruitgang, waarbij

catastrophen, bloedbaden en brandstichtingen schering en inslag moeten

zijn. Dat is ook iets, dat gij niet met voldoenden nadruk gezegd hebt,

want gij hebt niet aangetoond, dat buiten de Kerk geen vooruitgang

mogelijk is, dat alles van haar uit moet gaan, dat zij de eenige

leidster is, aan wie men zich zonder vrees toevertrouwen kan. Zelfs,

en dat is nog een zeer groote fout van u, zelfs komt het me voor,

dat gij God geheel ter zijde stelt, dat de godsdienst voor u alleen

een zielstoestand, een opbloeien van liefde en barmhartigheid is. Een

verfoeilijke ketterij! God is altijd tegenwoordig, meester van de

zielen en van de lichamen; de godsdienst is en blijft de band, de wet

der menschheid, zonder welke er in deze wereld slechts barbaarschheid

en verdoeming in het hiernamaals mogelijk is. En nogmaals zeg ik u,

de vorm beteekent niets, indien het dogma slechts blijft bestaan. Zoo

bewijst bijvoorbeeld onze erkenning van de Republiek in Frankrijk,

dat wij het lot van den godsdienst niet binden willen aan een

regeeringsvorm, zelfs al is die eerbiedwaardig en oud. De dynastieën

mogen haar tijd gehad hebben, God is eeuwig! Mogen de koningen ten

gronde gaan, God leve! Trouwens de republikeinsche staatsvorm heeft

niets anti-Christelijks; integendeel, het schijnt, dat hij iets heeft

van een weder ontwaken der Christelijke gemeenschap, waarover gij in

werkelijk betooverende bewoordingen geschreven hebt. Het jammere is,

dat vrijheid dikwijls dadelijk in losbandigheid overslaat en dat

men meestal onzen wensch, om een verzoening tot stand te brengen,

zoo slecht beloont... O, mijn zoon, welk een slecht boek hebt gij

geschreven; o, met de beste bedoelingen, dàt neem ik gaarne aan. En

wat is uw zwijgen een bewijs, dat gij de noodlottige en rampzalige

gevolgen van uw fout begint in te zien!"

Vernietigd bleef Pierre zwijgen; hij voelde inderdaad, dat zijn

eene argument na het andere te pletter viel op een doove, blinde,

ondoordringbare rots. Het zou nutteloos en belachelijk zijn, als

hij trachten wilde zijn argumenten daarin te drijven. Waartoe zou

het dienen? Hij had nog slechts één gedachte: hij vroeg zich met

verbazing af hoe het mogelijk was, dat een man met zijn begrip,

met zijn eerzucht zich geen juister denkbeeld gevormd had van de

moderne wereld. Blijkbaar was hij van alles op de hoogte, had hij de

onmetelijke kaart der Christenheid met haar behoeften, verwachtingen

en daden in zijn hoofd. Maar toch welk een lacunes! Dat moest zijn,

omdat hij van de wereld slechts wist, wat hij gedurende zijn kort

verblijf te Brussel als nuntius en te Perugia gezien had. En nu was

hij sedert achttien jaar opgesloten in het Vaticaan, afgezonderd van

de overige menschen, met de volkeren slechts verkeerende door middel

van zijn omgeving, die dikwijls zeer kortzichtig, leugenachtig en

verraderlijk was.

Bovendien was hij een Italiaansch priester, een paus, bijgeloovig en

despotisch, gebonden aan de traditie, onderworpen aan de invloeden van

ras en omgeving, aan geld en politieke noodzakelijkheden; afgezien

van zijn mateloozen trots, van de zekerheid, dat hij de God was,

aan wien men moet gehoorzamen, de eenige wettige en redelijke

macht op aarde. Daarin lagen de oorzaken van de fatale misvorming

van dit verder toch zoo rijk begaafde hoofd met zijn vlug begrip,

zijn geduldigen wil, zijn onmetelijke kracht, die generaliseerde en

handelde. Vooral zijn intuïtie moest wonderbaarlijk zijn, want deze

toch liet hem in zijn vrijwillige gevangenschap de reusachtige evolutie

der tegenwoordige menschheid raden. Hij behoefde zich niet aan zijn

venster te plaatsen, om zich het vreeselijk gevaar bewust te zijn,

waarin hij zich bevond; hij zag den stijgenden vloed der democratie,

den grenzenloozen oceaan der wetenschap, die het kleine eilandje,

waarop nog de dom van de St. Pieter triomphantelijk omhoog stak,

dreigde te overstroomen. En zijn eenige politiek, zijn eenige drang

was te overwinnen, om te heerschen.

Dat hij verzoening predikte, dat hij op vormquaesties toegaf, dat

hij het brutale optreden der Amerikaansche bisschoppen duldde, kwam

alleen voort uit zijn vrees, die hij zichzelf echter niet bekennen

wilde, voor een plotseling schisma, dat de uiteenspatting der Kerk zou

verhaasten. En hoe verklaarde die vrees zijn liefdevollen terugkeer tot

het volk, zijn zich bezig houden met het socialisme, de Christelijke

oplossing, die hij wilde geven aan de ellende hier op aarde. Was,

nu de Caesar ter aarde lag, de lange strijd, van wien van beiden het

volk zijn zou, niet opgelost door het feit, dat de paus alleen nog

bestond en dat het volk eindelijk gaan spreken en zich aan hem geven

zou? De proef was in Frankrijk genomen; hij liet daar de overwonnen

monarchie aan haar lot over, erkende daar de Republiek, die hij sterk

en krachtig wilde zien, want Frankrijk was steeds de oudste dochter

der Kerk, de eenige Katholieke natie, die nog machtig genoeg was,

om eenmaal misschien de wereldlijke macht van den Heiligen Stoel te

herstellen. Heerschen, heerschen over deze wereld, zooals Augustus

geheerscht had, dat was de eenige eerzucht van dezen stervenden

grijsaard!

"En mijn zoon," ging Leo XIII voort, "uw groote fout is, dat

gij het gewaagd hebt een nieuwen godsdienst te vragen. Dat is

goddeloos, godslasterlijk, een heiligschennis. Er bestaat slechts

één godsdienst--onze heilige Roomsch-Katholiek-Apostolische

godsdienst. Buiten dezen kan er slechts nacht en verdoemenis

bestaan... Ik begrijp heel goed, dat ge u verbeeldt een terugkeer tot

het Christendom voor te staan. Maar de zoo misdadige, zoo rampzalige

Protestantsche dwaalleer gebruikte hetzelfde voorwendsel. Zoodra

men zich verwijdert van het in eere houden der dogma's, van

den onvoorwaardelijken eerbied van de tradities, valt men in de

vreeselijkste afgronden... Het schisma, mijn zoon, is een zonde,

waarvoor geen vergiffenis bestaat, het is een moord op den waren God,

het onreine dier der verzoeking, door de hel opgehitst om de geloovigen

ten verderve te voeren. Al stonden in uw boek niets anders dan die

woorden: nieuwe godsdienst, dan reeds zou men het moeten vernietigen,

verbranden als een vergif, dat doodelijk is voor de zielen."

Nog langen tijd sprak hij door. Maar Pierre dacht aan wat don

Vigilio hem verteld had omtrent de Jezuïeten, die overal, zoowel in

het Vaticaan als elders, in het duister werken en de Kerk onbeperkt

regeeren. Was het dan waar, dat deze politieke, steeds opportunistische

paus, zonder dat hij het zelf wist, een der hunnen was, een gewillig

instrument in hun soepele veroveraarshanden? Ook hij schipperde met

den geest der eeuw, vleide de wereld, om haar te bezitten. Pierre

had nooit zoo pijnlijk-wreed gevoeld, dat de Kerk daar voortaan toe

gedwongen was, dat zij slechts door concessies en diplomatie leven

kon. En eindelijk ging hem een helder licht op over dien Romeinschen

clerus, die in den beginne voor een Fransch priester zoo moeilijk te

begrijpen is, over de regeering der Kerk, die vertegenwoordigd wordt

door den paus, zijn kardinalen, zijn prelaten, die God persoonlijk

belast heeft met het bestuur van zijn aardsch domein, de menschen en

de wereld.

Zij beginnen God ter zijde te stellen achter in den tabernakel, dulden

niet meer, dat men over hem discussieert, dringen de dogma's op als aan

zijn wezen inhaerente waarheden, bekommeren zich niet meer over hem en

verliezen hun tijd niet met zijn bestaan door nuttelooze theologische

discussies te bewijzen. Blijkbaar bestaat hij, omdat zij in Zijn

naam regeeren. Dat is voldoende. Van af dat oogenblik zijn zij in den

naam van God de meesters, zeker, dat eenmaal de dag van hun volkomen

heerschappij komen zal. In afwachting van dien dag handelen zij als

diplomaten, organiseeren zij de langzame verovering als beambten van

den triompheerenden God van morgen, en is de godsdienst met de pracht

en de praal, die de groote menigte verblindt, niets dan de openlijke

hulde, die zij hem bewijzen met het doel alleen hem over de veroverde

menschheid te doen regeeren, of liever in zijn plaats en in zijn

naam te regeeren, omdat zij zijn zichtbare, door hem afgevaardigde

vertegenwoordigers zijn. Zij stammen af van het Romeinsche recht, zij

zijn nog steeds de kinderen van dezen ouden Romeinschen heidenschen

bodem, en wanneer zij nog voortbestaan, wanneer zij eeuwig, tot aan

het lang verbeide uur, dat de wereldheerschappij hem teruggegeven zal

worden, hopen te blijven voortbestaan, dan vindt dat zijn reden in

hun geloof, dat zij de rechtstreeksche erfgenamen der Caesars zijn,

dat zij, in hun purper gehuld, de afstammelingen zijn van het bloed

van Augustus.

Pierre schaamde zich nu over zijn tranen, als had hij zijn naakte

ziel laten zien. Waartoe diende het? Het was nutteloos in deze kamer,

waarin nooit iets dergelijks gezegd was tegen dezen paus-koning,

die hem niet begrijpen kon. Die politieke gedachte des pausen om door

middel van de armen en ongelukkigen te regeeren, boezemde hem afschuw

in. Was die gedachte, om tot het thans van zijn oude meesters verloste

volk te gaan, ten einde zich op zijn beurt daarmede te voeden, niet

iets duivelachtigs?

Maar Leo XIII sprak met zijn dikke, onuitputtelijke stem steeds

door. En de priester hoorde hem zeggen:

"Waarom hebt gij die door een zoo slechten geest bevlekte bladzijde

over Lourdes geschreven? Lourdes, mijn zoon, heeft den godsdienst

groote diensten bewezen. Ik heb tegenover personen, die mij de

ontroerende, bijna dagelijks voorkomende wonderen der Grot kwamen

mededeelen, dikwijls mijn levendigen wensch te kennen gegeven die

door de strengste wetenschap bevestigd en vastgesteld te zien. En

te oordeelen naar wat ik gelezen heb, komt het mij voor, dat thans

zelfs de meest sceptisch gezinden niet meer kunnen twijfelen, want die

wonderen zijn op onweersprekelijke wijze wetenschappelijk bewezen... De

wetenschap, mijn zoon, moet de dienaresse van God zijn. Zij vermag

niets tegen Hem, door Hem alleen komt zij tot de waarheid. Alle

oplossingen, welke men tegenwoordig beweert te vinden en die de

dogma's schijnen te vernietigen, moeten vroeg of laat valsch blijken

te zijn, want de waarheid Gods zal zegepralen, zoodra de tijden in

vervulling zullen gaan. Het zijn toch heel eenvoudige zekerheden,

die reeds de kleine kinderen weten, die voor het heil en den vrede

der menschheid voldoende zouden zijn, als zij er zich mede tevreden

stellen wilde... En wees er van overtuigd, mijn zoon, dat het geloof

niet onvereenigbaar is met de rede. Heeft de Heilige Thomas van Aquino

niet alles vooruitgezien, uitgelegd en geregeld? Uw geloof is onder de

aanvallen van den geest tot onderzoek aan het wankelen gebracht, gij

hebt angsten en beproevingen gekend, die de Hemel aan mijn Italiaansche

priesters moge besparen. Maar wij vreezen den geest tot onderzoek

niet; studeer verder, lees den Heiligen Thomas nogmaals grondig door,

en uw geloof zal terugkeeren, krachtiger, vuriger, triompheerend."

Verbijsterd, alsof stukken van het hemelgewelf op zijn hoofd

neerkwamen, luisterde Pierre. O, God van waarheid! De wonderen van

Lourdes wetenschappelijk bewezen, de wetenschap de dienaresse van God,

het geloof vereenigbaar met de rede! Wat te antwoorden, o God? En

waarom te antwoorden?

"Het is het zondigste en gevaarlijkste boek, dat ik ken," ging Leo

XIII voort; "een boek, waarvan de titel: Het Nieuwe Rome alleen

reeds een leugen en vergif is, een boek, des te vloekwaardiger,

omdat het alle verleidingen van den stijl, alle valsche bekoringen

van hersenschimmen heeft, in één woord, een boek, dat een priester,

wanneer hij het in een oogenblik van afdwaling geschreven heeft,

tot straf en boete in het openbaar verbranden moet met dezelfde hand,

die deze ergerlijke bladzijden op het papier gebracht heeft."

Pierre stond op, plotseling, in zijn volle lengte.

"Het is waar," wilde hij uitroepen, "ik had het geloof verloren,

maar ik meende het teruggevonden te hebben in het medelijden, dat de

ellende der wereld in mijn hart gestort had. Gij waart mijn laatste

hoop, de verwachte verlosser. En nu blijkt ook dat een droom te zijn,

gij kunt geen nieuwe Jezus wezen, gij kunt op den vooravond van den

vreeselijken broederoorlog, die nabij is, geen vrede brengen aan de

menschheid. Gij kunt uw troon niet verlaten en met de ongelukkigen en

armen langs de wegen zwerven, om het verheven werk der broederliefde

uit te voeren. Welaan, het is uit met u, met uw Vaticaan, met uw

St. Pieter. Alles stort in onder den aanval van het volk en van

de wetenschap. Gij bestaat niet meer; hier zijn niets meer dan

puinhoopen."

Maar hij sprak de woorden niet. Hij boog zijn hoofd en zeide:

"Heilige Vader, ik onderwerp mij en verloochen mijn boek."

Zijn stem beefde van bittere walging; zijn geopende handen maakten

een hulpeloos gebaar, alsof hij zijn ziel losgelaten had. Het was

de letterlijke formule der onderwerping: Auctor laudabiliter se

subiecit et opus reprobavit--de schrijver heeft zich loffelijkerwijze

onderworpen en zijn boek verloochend. Er was geen groote vertwijfeling,

geen verhevener grootheid denkbaar dan die bekentenis van een dwaling,

dan die zelfmoord van een hoopvolle verwachting! Maar welk een

bittere ironie! Dit boek, dat hij gezworen had nooit terug te zullen

nemen, voor den triomf waarvan hij zoo hartstochtelijk gestreden

had, ditzelfde boek verloochende hij nu plotseling, niet omdat hij

het als zondig beschouwde, maar omdat hij zooeven gevoeld had, dat

het nutteloos en hersenschimmig was als een dichtersdroom. Ach ja,

waarom te blijven volharden in de illusie van een ontwaken, dat toch

niet mogelijk was, nu hij zich vergist, nu hij gedroomd had, nu hij

hier noch den God noch den priester vond, dien hij voor het geluk der

menschheid zoo vurig wenschte. Dan was het maar beter, dat hij zijn

boek als een dood blad op den grond wierp, dat hij het verloochende,

dat hij het als een gestorven, voortaan nutteloos lid afsneed.

Een weinig verbaasd over een zoo plotselinge overwinning, uitte Leo

XIII een kreet van blijdschap.

"Zeer goed, zeer goed, mijn zoon! Gij hebt de eenige wijze en

verstandige woorden, die u als priester pasten, uitgesproken."

En hij, die nooit iets aan het toeval overliet, die al zijn audiënties

met de woorden, die hij zeggen, met de gebaren, die hij maken zou,

van te voren overdacht, werd in zijn blijdschap wat vriendelijker en

zachter gestemd. Daar hij de ware motieven van de onderwerping niet

begrijpen kon en zich daarin dus vergiste, smaakte hij de trotsche

vreugde hem zoo makkelijk tot zwijgen gebracht te hebben, want

zijn omgeving had Pierre als een verschrikkelijken revolutionnair

afgeschilderd. Een dergelijke bekeering streelde dan ook zijn

ijdelheid zeer.

"Ik verwachtte trouwens niet anders van uw verheven geest. Er bestaat

geen grooter voldoening dan zijn fout te erkennen, boete te doen en

zich te onderwerpen."

Met een familiaar gebaar had hij weer zijn glas limonade van het

tafeltje genomen en roerde het, voor hij dronk, met den langen,

verguld-zilveren lepel nogmaals om. Het viel Pierre bijzonder op dat

hij er, evenals in den beginne, weer zoo ingekrompen en ontdaan van

zijn verheven majesteit uitzag; hij geleek op een ouden burgerman,

die zijn glas suikerwater dronk vóór hij naar bed ging.

De audiëntie was afgeloopen, Pierre maakte een diepe buiging.

"Ik dank Uwe Heiligheid voor de vaderlijke ontvangst, die u wel zoo

goed geweest is mij te willen bereiden."

Maar Leo XIII wilde nog een oogenblik met hem spreken, begon weer over

Frankrijk en drukte nogmaals zijn vurigen wensch uit het tot het heil

der Kerk gelukkig, rustig en krachtig te zien. En gedurende dat laatste

oogenblik had Pierre een vreemd visioen, dat hem benauwde. Terwijl

hij naar het ivoren voorhoofd van den Heiligen Vader keek, terwijl

hij aan zijn hoogen ouderdom dacht, waarbij de geringste verkoudheid

zijn dood zou kunnen zijn, herinnerde hij zich door een onwillekeurige

gedachtenassociatie, het woest-grootsche tooneel: Pius IX, Giovanni

Mastaï, twee uur geleden gestorven, het gelaat met een stuk wit linnen

bedekt, omgeven door de geheele, van streek gebrachte pauselijke

omgeving; kardinaal Pecci, kardinaal-voorzitter, nadert het doodsbed,

laat het linnen verwijderen, klopt driemaal met zijn zilveren hamer

op het voorhoofd van het lijk en roept daarbij telkens: "Giovanni,

Giovanni, Giovanni!" En daar het lijk niet geantwoord heeft, draait de

kardinaal zich, na eenige oogenblikken gewacht te hebben, om en zegt:

"De paus is dood!" Tegelijkertijd zag Pierre in de Via Giulia kardinaal

Boccanera, den kardinaal-voorzitter, met zijn zilveren hamer wachten

en Leo XIII, Joachim Pecci, sedert twee uur overleden, het gezicht

bedekt met een stuk wit linnen, omgeven door zijn prelaten, in deze

zelfde kamer liggen. En hij zag hoe de kardinaal-voorzitter naar voren

trad, het linnen liet verwijderen, driemaal op het ivoorkleurige

voorhoofd klopte en telkens riep: "Joachim! Joachim, Joachim!" Dan

draaide hij, daar het lijk niet geantwoord had, zich om en zeide:

"De paus is dood!" Herinnerde Leo XIII zich de drie slagen, die hij

op het voorhoofd van Pius IX gegeven had--voelde hij dikwijls op

zijn voorhoofd het ijskoude zweet van de vrees voor de drie slagen,

de doodskilte van den hamer, waarmede hij den kardinaal-voorzitter,

den onverzoenlijken tegenstander, dien hij, naar hij wist, in kardinaal

Boccanera bezat, gewapend had:

"Ga in vrede, mijn zoon," zeide Zijne Heiligheid eindelijk als

slotzegen. "Uw zonde zal u vergeven worden, daar gij haar erkend hebt

en berouw erover toont."

Zonder te antwoorden en zielsbedroefd, verwijderde Pierre zich,

volgens de etiquette achterwaarts loopend. Driemaal boog hij diep;

dan ging hij, zonder zich om te keeren, de deur uit, gevolgd door

de donkere oogen van Leo XIII, die geen blik van hem af hadden. Toch

zag Pierre hoe hij de courant, in het lezen waarvan hij gestoord was,

om hem te ontvangen, weer van de tafel nam. De beide lampen brandden

met een zacht, onbeweeglijk licht, de kamer viel weer terug in haar

diepe stilte, in haar oneindigen vrede.

In het midden der geheime antichambre stond mijnheer Squadra

onbeweeglijk en zwart te wachten. Toen hij bemerkte, dat Pierre in

zijn verdooving zijn hoed op het wandtafeltje vergat, nam hij dezen

en gaf hem Pierre met een zwijgende buiging. Dan begon hij, zonder

eenige haast, met denzelfden pas als daareven, voor hem uit te loopen,

om hem naar de Sala Clementina te geleiden.

Nu volgde in tegenovergestelde richting, dezelfde wandeling,

de eindelooze tocht door de eindelooze zalen. En steeds nog geen

levende ziel, geen geluid, geen ademtocht. In ieder ledig vertrek

walmde de eenige, eenzame, als vergeten lamp en brandde nog zwakker

in de nog grootere stilte. De woestijn scheen nog grooter geworden

te zijn, nu het later geworden was en de nacht de enkele meubelen,

die verspreid stonden onder de hooge, vergulde plafonds, tronen,

lage, houten stoeltjes, wandtafeltjes, crucifixen, armluchters,

die in iedere zaal weer terugkeerden, in duisternis dompelde. Zoo

kwam na de eere-antichambre, waarin het damast rosachtig scheen, de

zaal der edelgarden, welke sluimerde in een zachten wierookgeur,

dien een 's morgens gelezen mis daar achtergelaten had; dan

kwamen de tapijtenzaal, de zaal der Palatijnsche garde, de zaal

der gendarmes, terwijl in de laatste zaal, die der bussolanti, de

laatste dienstdoende knecht op zijn bank zoo vast ingeslapen was,

dat hij niet wakker werd. De stappen echoden zwak op de vloertegels,

verstikten in de dikke atmospheer van dit gesloten, aan alle zijden

als een graf ingemetseld paleis. Eindelijk kwam de Sala Clementina,

die de post der Zwitsersche garde zoo juist verlaten had.

Tot aan die zaal had mijnheer Squadra niet omgekeken. Nog steeds

zwijgend, trad hij zonder een gebaar ter zijde, om Pierre met een

laatste buiging te laten passeeren. Dan verdween hij.

Pierre ging de beide verdiepingen der monumentale trap af, die

de matglazen bollen der vleermuizen als met een schijnsel van

nachtlichtjes verlichtten; er heerschte een vreemd-drukkende stilte,

nu de stappen der dienstdoende soldaten van de Zwitsersche garde niet

meer op de portalen weerklonken. Hij liep het onder het bleeke licht

der bordeslantaarns ledige en uitgestorven Damasiushof door, ging de

Scala Pia, die eveneens dood was in het halfdonker, af, en stapte

eindelijk de bronzen deur uit, die een portier langzaam achter hem

dichtschoof en sloot. Hoe knarste het harde metaal over alles, wat

deze deur afsloot: zooveel opgehoopte donkerte; zooveel toenemende

stilte; de onbeweeglijke eeuwen, die de traditie hier vereeuwigde;

de onverwoestbare afgoden der dogma's, die hier bewaard werden onder

hun windselen van mummies; al de ketenen, die drukken en boeien;

het geheele apparaat van de laagste slavernij en de onbeperkte

overheersching!

Op het St. Pietersplein was hij te midden van die sombere

ontzaglijkheid geheel alleen. Geen wandelaar, die zich verlaat had,

geen levend wezen. Niets dan tusschen de vier armluchters de hooge, uit

het groote mozaïek van het grijze plaveisel opstijgende spookgestalte

der Obelisk. De gevel der Basilica rees op als een kleurlooze droom;

als twee reusachtige armen breidde zij de viervoudige rijen zuilen der

colonnade uit, die, in donkerte gedompeld, aan een steenen bosch denken

deden. Verder niets. De dom was slechts een matelooze ronding, die men

aan den maanloozen hemel nauwlijks raden kon. Alleen de waterstralen

der fonteinen, die men ten slotte als dunne, beweeglijke spookgestalten

onderscheidde, lieten hun stem, een eindeloos, treurig, klagend

gemurmel, hooren, waarvan men niet wist waar het vandaan kwam. O,

de zwaarmoedige grootschheid van dezen slaap! O, dit geheele beroemde

plein met het Vaticaan, met de St. Pieter, wanneer het 's nachts in

donkerte gedompeld was! Plotseling sloeg de klok tien uur--zóó langzaam

en zóó luid, dat het scheen alsof nooit een plechtiger, beslissender

uur in een diepere, zwartere, onfeilbaarder oneindigheid geslagen had!

Onbeweeglijk stond Pierre te midden van deze groote ruimte en beefde

over zijn geheele, arm, gebroken wezen. Wat, had hij daarboven

nauwlijks drie kwartier met den bleeken grijsaard, die zijn ziel uit

hem gerukt had, gesproken? Ja, dat was het einde: het laatste geloof

was uit zijn bloedend brein gerukt. Het laatste experiment was genomen:

een wereld was in hem ingestort. Plotseling dacht hij aan monsignor

Nani en overwoog, dat deze alleen gelijk gehad had. Men had hem

wel gezegd, dat hij ten slotte doen zou, wat monsignor zou willen;

en tot zijn groote verbijstering merkte hij nu, dat hij het gedaan had.

Maar een plotselinge wanhoop, een zóó vreeselijke angst greep hem aan,

dat hij van uit de diepte van den donkeren afgrond, waarin hij zich

bevond, zijn beide bevende armen in het Niet ophief en luide sprak:

"Neen, hier zijt Gij niet, o God des levens en der liefde, God des

heils! O, kom toch, openbaar u, daar uwe kinderen sterven, omdat

zij niet weten, wie Gij zijt of waar Gij zijt in de oneindigheid

der werelden!"

Boven het onmetelijke plein welfde zich de onmetelijke,

donkerblauw-fluweelen hemel, de zwijgende en angstaanjagende

oneindigheid, waarin de sterrenbeelden trilden. De Wagen op de daken

van het Vaticaan scheen nog verder omgevallen te zijn, zijn gouden

wielen waren als van den rechten weg afgeweken, zijn gouden dissel

stak in de lucht, terwijl Orion in de richting van de Via Giulia

verdween en nog slechts een der drie gouden sterren zien liet, die

zijn bandelier sierden.

De drie steden: Rome · 第 23 / 27 题