Toen Pierre wakker werd, hoorde hij het tot zijn groote verbazing elf
uur slaan. Na de vermoeienis van het bal, waar hij zoo lang gebleven
was, had hij als een kind in heerlijken vrede geslapen, als voelde
hij in zijn sluimering zijn geluk. Nauwelijks had hij zijn oogen
opgeslagen, of het door het raam binnenvallend zonlicht baadde hem
in hoop. Zijn eerste gedachte was, dat hij eindelijk dien avond om
negen uur den paus zou spreken. Nog tien uur! Wat moest hij dezen
gezegenden dag, welks prachtige en heldere hemel hem zoo'n gelukkig
voorteeken scheen, doen?
Hij stond op, sloeg de ramen open en liet de warme lucht
binnenstroomen, die hem toescheen den vruchten- en bloemengeur te
hebben, welken hij reeds op den dag van zijn aankomst geroken had
en waarvan hij vergeefs getracht had de natuur te analyseeren: een
geur van oranjeappelen en rozen. Was het mogelijk, dat men reeds
in December was? Welk een heerlijk land, waarin op den drempel van
den winter April opnieuw scheen te ontbloeien! Toen hij, na zich
te hebben aangekleed, voor het raam ging staan, om naar de altijd
groene hellingen van den Janiculus aan de overzijde van den Tiber te
kijken, zag hij Benedetta bij de kleine fontein in het verwaarloosde
tuintje van het paleis zitten. En toegevend aan een drang naar leven,
vroolijkheid en schoonheid ging hij naar beneden.
Benedetta, stralend van geluk, uitte, terwijl zij hem haar beide
handen toestak onmiddellijk den kreet, dien hij van haar verwacht had:
"Mijn beste abbé, wat ben ik gelukkig! Wat ben ik gelukkig!"
Dikwijls hadden zij zoo een ochtend in dit kalme, vergeten hoekje
samen doorgebracht. Maar welk een treurige ochtenden waren het,
toen zij beiden geen hoop meer durfden koesteren. Maar vandaag was
het alsof de verwaarloosde, met onkruid overwoekerde lanen, de in
het oude, volgegooide bassin opgegroeide taxis, de symmetrische
oranjeappelboomen, die alleen nog den vroegeren loop der paden
aanwijzen, een eindelooze bekoring, een droomerige en teedere
vertrouwelijkheid bezaten, waarin men zoo heerlijk kon uitrusten van
zijn vreugde. Vooral was het prettig warm naast den laurierboom in den
hoek, waar zich de fontein bevond. Het dunne waterstraaltje stroomde
met zijn fluittonen steeds maar door uit den wijdgeopenden mond van
het tragische masker. Een frissche koelte steeg op uit den grooten
marmeren sarkophaag, welks basrelief een tierend bacchanaal toonde
van faunen, die vrouwen meevoerden en onder hun gulzige kussen op
den grond wierpen. Men was daar, om zoo te zeggen, buiten ruimte
en tijd, in een zoo ver verwijderd verleden, dat de omgeving, de
nieuwe kadewerken, de tegen den grond geworpen, van het stof der,
puinhoopen nog grijze wijk, het door elkaar gegooide, van een nieuwe
wereld zwangere Rome verdwenen.
"O," herhaalde Benedetta; "wat ben ik gelukkig!... Het werd mij te
benauwd in mijn kamer; ik moest naar buiten, zoo snakte mijn hart
naar ruimte, lucht en zon, om al zijn vreugde uit te kunnen kloppen!"
Zij zat op het omgevallen, als bank dienende stuk zuil naast den
sarkophaag en wilde, dat de priester naast haar plaats nam. Nooit had
hij haar zoo mooi gezien met haar zwart haar, dat het reine, in de
volle zon zoo teer blozende gelaat omlijstte. Haar groote, onpeilbare
oogen waren in het licht als kolenvuur, waarin goud smolt, terwijl
haar kindermond, haar reine, verstandige mond glimlachte--zooals een
goedhartig schepsel glimlacht, dat vrij is eindelijk naar hartelust
lief te hebben, zonder aanstoot te geven aan God of menschen. En
hardop droomde zij haar toekomstplannen.
"0, het is nu heel eenvoudig. Nu ik reeds de scheiding van tafel en
bed verkregen heb, zal het niet moeilijk vallen, nadat de Kerk mijn
huwlijk nietig verklaard had, de burgerlijke echtscheiding ook te
krijgen. En ik zal met Dario trouwen--ja, in het volgend voorjaar
en misschien wel eerder, wanneer het gelukt de formaliteiten wat
te bespoedigen... Vanavond om zes uur gaat hij naar Napels, waar
hij een paar zaken te regelen heeft. Wij bezitten daar nog een paar
eigendommen, die we hebben moeten verkoopen, want alles heeft veel geld
gekost. Maar wat hindert dat, nu we toch elkaar toebehooren!... Wat
een heerlijke uren zullen we binnen enkele dagen hebben, wanneer hij
weer terug is--wat zullen we lachen! Ik heb er na het heerlijk bal
heelemaal niet van kunnen slapen, zooveel plannen heb ik gemaakt. O,
prachtige plannen! U zult het eens zien, u zult het eens zien, want
ik wil beslist, dat u tot aan ons huwlijk in Rome blijft!"
Hij begon met haar te lachen, zóó medegesleept door deze uitbarsting
van jeugd en geluk, dat hij zich slechts met de grootste moeite
bedwingen kon, om haar niet zijn geluk, de hoop, waarmede zijn
aanstaand onderhoud met den paus hem vervulde, mede te deelen.
In de rillende stilte van den smallen, zonnigen tuin weerklonk met
geregelde tusschenpoozen dezelfde schreeuw van een vogel. Benedetta
keek naar boven en zag een kooi, die voor een raam op de eerste
verdieping hing.
"Ja, ja, Tata, schreeuw maar hoor, wees maar blij. Iedereen in huis
moet blij zijn!"
En zich dan weer als een uitgelaten schoolmeisje, dat vacantie heeft,
tot Pierre wendend:
"U kent Tata toch?... Wat, kent u Tata niet?... Dat is de papegaai van
mijn oom den kardinaal! Ik heb hem in het voorjaar cadeau gegeven;
hij is er dol op en laat het dier de lekkere brokjes van zijn bord
eten. Hij zorgt er heelemaal voor, hangt hem buiten en haalt hem
binnen en is zoo bang, dat hij koude zal vatten, dat hij hem in de
eetkamer laat, het eenige vertrek, waarin het een beetje warm is."
Pierre keek nu ook op naar den papegaai, een van die aardige
grijsgroene, zijdeachtige, kleine papegaaien. Hij hing met zijn snavel
aan de tralies van zijn kooi, schommelde heen en weer en sloeg in
zijn vreugde over de warme zon met zijn vleugels.
"Spreekt hij?" vroeg Pierre.
"O, neen, hij schreeuwt," antwoordde Benedetta lachend. "Maar oom
beweert, dat hij alles wat hij zegt verstaan kan en uitstekend met
hem kan praten."
Plotseling begon zij weer over een ander onderwerp, als had een
onbewuste gedachtenassociatie haar doen denken aan haar anderen oom,
den aangetrouwden oom, dien zij te Parijs had.
"U moet een brief van vicomte de la Choue gehad hebben... Hij heeft
mij gisteren geschreven, hoe het hem spijt, dat het u niet gelukt
door Zijne Heiligheid ontvangen te worden. Hij had voor de overwinning
van zijn denkbeelden zoo op u, op uw zege gerekend!"
Inderdaad kreeg Pierre meermalen brieven van den vicomte, waarin
deze jammerde over den invloed, dien zijn tegenstander, baron de
Fouras, na het groote succes van zijn laatste campagne te Rome met de
internationale bedevaart van de Pieterspenning, gekregen had. Het
was het ontwaken van de oude, intransigente Katholieke partij;
alle liberale veroveringen van het Neo-Katholicisme werden bedreigd,
wanneer men niet van den paus een formeele adhaesie aan de verplichte
corporaties verkreeg, om een bres te slaan in de door de conservatieven
gesteunde vrije corporaties. In zijn ongeduld om Pierre eindelijk
een audiëntie bij den paus te zien krijgen, overstelpte hij dezen
met allerlei gecompliceerde plannen.
"Ja," mompelde Pierre; "Zondag heb ik reeds een brief gekregen en toen
ik gisteren uit Frascati terugkwam, vond ik er weer een... O, ik zou
zoo gelukkig zijn als ik hem eens een gunstig antwoord geven kon."
Bij de gedachte, dat hij den paus 's avonds spreken, hem zijn van
liefde brandende ziel openen, van hem de aanmoediging krijgen zou
voor zijn zending tot sociale redding in den broederlijken naam der
kleinen en armen, stroomde zijn hart opnieuw van vreugde over. Hij
kon zich niet langer inhouden, gaf zijn geheim, dat zijn hart deed
opzwellen, prijs.
"Het is nu zeker, vanavond heb ik een audiëntie bij den paus."
Benedetta begreep het niet dadelijk.
"Hoe zoo?"
"Ja, monsignor Nani is wel zoo goed geweest mij van ochtend op het
bal te zeggen, dat de Heilige Vader, aan wien hij mijn boek ter hand
gesteld had, mij wenscht te spreken... Vanavond om negen uur zal ik
ontvangen worden."
Een blos van geluk kwam op haar wangen, zoo deelde zij in de vreugde
van den jongen priester, voor wien zij een innige vriendschap had
opgevat. En dit succes van een vriend, zoo samenvallend met haar eigen
geluk, kreeg in haar oogen een bijzondere beteekenis, als beteekende
dit het zekere, volkomen welslagen voor alles. Als een geëxalteerde
en verrukte bijgeloovige riep zij uit:
"Lieve God, dat zal ons geluk aanbrengen!... Hoe heerlijk, vriendlief,
hoe heerlijk, dat het geluk tezelfdertijd komt tot u als tot mij, want
het is ook voor mij een geluk, een geluk, dat ge u niet voorstellen
kunt... Nu is het zeker, dat alles zich ten goede keeren zal, want
een huis, waarin zich iemand bevindt, die den paus gesproken heeft,
is gezegend en wordt niet meer door den bliksem getroffen."
Zij begon nog luider te lachen, klapte in haar handen en was zoo
luidruchtig in haar vreugde, dat hij bang werd.
"Stil toch, stil toch! Mij is volkomen geheimhouding opgelegd... Ik
smeek u, spreek er met niemand over, ook niet met uw tante, zelfs
niet met Zijne Eminentie... Monsignor Nani zou er erg boos over zijn."
Toen beloofde zij te zullen zwijgen. Zij werd eenigszins week,
sprak over monsignor Nani als over een weldoener, want had zij het
ten slotte niet aan hem te danken, dat haar huwlijk nietig verklaard
was? Dan maakte haar uitgelaten vreugde zich weer van haar meester.
"Vindt ge ook niet, dat het geluk het eenige is, dat goed
is?... Vandaag vraagt ge geen tranen van me, zelfs niet voor de armen,
die koude en honger lijden... Dat komt, omdat er feitelijk alleen
maar levensgeluk bestaat! Dat geneest alles! Je hebt het niet koud,
je lijdt geen honger, wanneer je gelukkig bent!"
In zijn verbazing over deze zonderlinge oplossing van het vreeselijke
vraagstuk der ellende, keek hij haar verbijsterd aan. Plotseling
besefte hij, dat zijn geheele apostelarbeid bij deze dochter van een
mooien hemel, die het atavisme van zooveel eeuwen van souvereine
aristocratie in zich had, vergeefsch was geweest. Hij had haar
het Christendom in zijn waren vorm willen leeren, haar brengen
tot de Christelijke liefde van armen en nooddruftigen, haar willen
veroveren voor het nieuwe Italië, waarvan hij droomde--een Italië,
dat, vol medelijden voor menschen en dingen, ontwaakt was voor de
nieuwe tijden. Maar zie, zij, die met hem geweend had over het lijden
van het lijdende volk in de oogenblikken, dat zij zelf leed en haar
hart uit de vreeselijkste wonden bloedde, zij, het kind der brandende
zomers en lenteachtig-zachte winters, jubelde onmiddellijk na haar
genezing het geluk der geheele wereld uit.
"Maar iedereen is niet gelukkig," zeide hij.
"O ja, ja!" riep zij uit. "Dat zegt u, omdat u de armen niet kent. Geef
aan een meisje van ons Trastevere den jongen man, dien zij liefheeft,
en zij straalt als een koningin en vindt, wanneer zij 's avonds haar
droog brood eet, dat heerlijk lekker. De moeders, die een kind van
den dood redden, de mannen, die in een veldslag overwinnen of wel hun
nummers uit de loterij zien komen--allen zijn ze zoo, allen vragen
slechts geluk en genot... O, al tracht u nog zoo, om rechtvaardig te
zijn en het geluk beter te verdeelen, tevreden zullen alleen zij zijn,
wier hart, zelfs dikwijls zonder te weten waarom, zingt op een mooien,
zonnigen dag als vandaag!"
Hij maakte slechts een gebaar, want hij wilde haar geluk niet verstoren
door nogmaals de zaak te bepleiten van zooveel arme schepsels, die in
deze zelfde minuut ergens in de verte den doodsstrijd streden, ten
onder gegaan door lichamelijke en geestelijke pijn. Maar plotseling
gleed door de zoo lichte en zoo zachte lucht een schaduw; hij voelde
de eindelooze triestheid der vreugde, de grenzenlooze wanhoop der zon,
alsof iemand, dien men niet kon zien, die schaduw had laten vallen. Was
het de te scherpe geur van den laurierboom, de bittere lucht der
oranjeappelen en taxisboomen, die hem zoo duizelig maakte? Was het de
huivering van zinnelijke warmte, die zijn aderen onder deze puinhoopen,
in dezen hoek vol oerouden hartstocht kloppen deed? Of wekte die
sarkophaag met zijn woest bacchanaal, zelfs te midden van de onbewuste
wellust der liefde, onder den onverzadigbaren kus der minnenden, de
gedachte op van den nabijën dood? Een oogenblik scheen het vroolijke
lied van den fontein hem een lange snik toe, had hij het gevoel, alsof
in die reusachtige, uit het onzienlijke gekomen schaduw alles verdween.
Maar reeds had Benedetta zijn beide handen in de hare genomen en
deed hem weer terugkeeren tot het bekoorlijke bewustzijn hier in haar
tegenwoordigheid te zijn.
"De leerling is niet erg makkelijk, wel, en zij heeft een harden
kop. Maar wat zal ik u zeggen? Er zijn van die denkbeelden, welke
er bij ons niet ingaan. Nooit, nooit zult u zoo iets een Romeinsch
meisje in het hoofd praten... Heb ons lief, stel u ermede tevreden
ons lief te hebben zooals wij zijn--mooi uit al onze kracht, zoo mooi
als wij zijn kunnen!"
Zij was zóó mooi op dat oogenblik, zóó mooi in haar stralend geluk,
dat hij ervoor beefde als voor een God, als voor de almacht, die de
wereld leidt.
"Ja, ja," stamelde hij, "de schoonheid, de schoonheid--zij is nog
altijd de heerscheresse, nog altijd de heerscheresse... O, waarom
kan zij niet den eeuwigen honger der arme menschen stillen?"
"Kom, kom!" riep zij vroolijk, "het leven is mooi. Laten we naar
boven gaan, tante zal wel op ons wachten!"
Er werd om één uur gedineerd. De enkele malen, dat Pierre niet
buitenshuis at, zat hij aan de tafel der beide dames in de kleine
eetzaal op de tweede verdieping, die op het binnenplein uitzag. Op
hetzelfde uur dineerde op de eerste verdieping in de zonnige, op
den Tiber uitziende eetkamer, de kardinaal, die altijd blij was zijn
neef Dario aan tafel te hebben, want zijn secretaris, don Vigilio,
zijn andere, geregelde dischgenoot, zeide slechts iets, wanneer men
hem iets vroeg. De twee huishoudingen waren geheel gescheiden; zij
hadden noch dezelfde keuken, noch hetzelfde personeel.
Maar al was de eetkamer op de tweede verdieping somber, het dejeuner
van de dames en den jongen priester was er niet minder opgewekt
door. Zelfs de anders zoo gereserveerde donna Serafina scheen door een
groot innerlijk geluk bezield. Blijkbaar had zij de zaligheid van haar
triomf van den vorigen avond aan den arm van Morano nog niet ten volle
uitgenoten; zij begon het eerst over het bal; zij was er vol lof over,
hoewel de aanwezigheid van den koning en van de koningin, zooals zij
zeide, haar zeer gehinderd had. Zij vertelde, hoe zij door een handige
taktiek had weten te vermijden, dat zij voorgesteld werd. Trouwens zij
hoopte, dat haar algemeen bekende sympathie voor Celia, wier peet zij
geweest was, voldoende zijn zou om haar aanwezigheid in dezen neutralen
salon te verklaren. Toch scheen haar geweten zich er bezwaard door te
gevoelen, want zij zeide, dat zij van plan was onmiddellijk naar het
Vaticaan te gaan, om met den kardinaal-secretaris te spreken over een
werk, waarvan zij patrones was. Dit compensatie-bezoek op den dag na
de soirée bij de Buongiovanni's, scheen haar onvermijdelijk, beslist
noodzakelijk toe. Nooit had zij zich zoo ingespannen voor, nooit had
zij vuriger gehoopt op de spoedige verheffing van haar broeder, den
kardinaal, op den troon van St. Pieter: dat was voor haar de hoogste
triomf, de verheffing van haar geslacht, die haar familietrots voor
noodzakelijk en onvermijdelijk hield. Gedurende de laatste ziekte
van den regeerenden paus had zij zich al zenuwachtig gemaakt over den
uitzet, dien zij met het wapen van den nieuwen paus had willen merken.
Benedetta hield niet op met schertsen, lachte over alles, sprak over
Celia en Attilio met de hartstochtelijke teederheid van een vrouw, wier
liefdesgeluk zich verheugt in het geluk van een bevriend paar. Toen
het dessert opgediend was, vroeg zij aan den knecht:
"En waar blijven de vijgen, Giacomo?"
Deze, met zijn langzame, als in slaap uitgevoerde bewegingen, keek
haar wezenloos aan. Gelukkig kwam Victorine juist de kamer binnen.
"Waarom krijgen we de vijgen niet, Victorine?"
"Welke vijgen bedoelt u, contessina?"
"Wel, de vijgen, die ik vanochtend beneden gezien heb... Het waren
prachtige vijgen in een klein mandje. Ik wist heusch niet, dat er
in dezen tijd van het jaar nog zulke mooie zijn... Ik ben dol op
vijgen. Ik had er me bij voorbaat al op verheugd."
Victorine begon te lachen.
"O nu weet ik het al, contessina, nu weet ik het al... Het zijn de
vijgen, die de pastoor van Frascati gisteren avond persoonlijk voor
Zijne Eminentie gebracht heeft. Ik was toevallig beneden en hij heeft
zeker wel driemaal gezegd, dat het een cadeau was voor Zijne Eminentie,
dat men zoo, zonder een blaadje te verleggen, op de tafel van Zijne
Eminentie moest zetten... Nou, dat hebben we gedaan."
"Nou, dat is prachtig," riep Benedetta in komische woede. "Die zitten
nu lekker te genieten zonder ons. We hadden toch best kunnen deelen!"
Dan mengde donna Serafina zich in het gesprek en vroeg aan Victorine:
"Je bedoelt zeker den pastoor, die vroeger dikwijls op de villa kwam?"
"Ja, pastoor Santobono van de Santa Maria del Campi... Als hij komt,
vraagt hij altijd naar abbé Paparelli, met wien hij tegelijk op het
seminarie geweest is. Gisterenavond ook heeft abbé Paparelli hem
met zijn mandje bij ons in de keuken gebracht... Dat mandje! Stel
u voor, dat we heelemaal vergeten hadden het op de tafel van Zijne
Eminentie te zetten, zoodat niemand de vijgen gegeten zou hebben, als
abbé Paparelli ze niet was komen halen en ze met een ware vroomheid,
als droeg hij het Heilige Sacrament, naar boven gebracht had... Zijne
Eminentie houdt er ook zoo van!"
"Nou, ik geloof niet, dat mijn broer er vanmiddag erg in zal happen,
want hij heeft last van zijn ingewanden."
Bij het telkens weer terugkomen van den naam Paparelli was zij
nadenkend geworden. De sleepdrager met zijn slap en gerimpeld gezicht,
zijn dikke, korte gestalte als van een oude jongejuffrouw in een
zwarte rok, wekte haar wantrouwen op, sedert zij de groote macht,
die hij, ondanks zijn nederigheid en zijn op den achtergrond blijven,
op den kardinaal kreeg, opgemerkt had. Hij was niet meer dan een
bediende, schijnbaar de geringste, en toch heerschte hij; zij voelde,
dat hij haar eigen invloed bestreed en dikwijls ongedaan maakte,
wat zij voor den triomf der eerzucht van haar broeder tot stand
gebracht had. Het ergste was, dat zij hem reeds een jaar had moeten
verdenken hem tot handelingen aangezet te hebben, die zij als grove
fouten beschouwde. Misschien had zij zich vergist en zij liet hem de
gerechtigheid wedervaren te erkennen, dat hij enkele deugden had en
buitengewoon vroom was.
Intusschen bleef Benedetta schertsen en lachen. Toen Victorine weg was,
riep zij den knecht:
"Giacomo, je moet even een boodschap voor mij doen..."
Zij viel zichzelf in de rede, om tegen haar tante te zeggen:
"We zullen onze rechten laten gelden... Ik zie ze voor mij, zooals
ze daar bijna beneden ons aan tafel zitten. Zij moeten even als wij
aan het dessert zijn. Oom licht de blaadjes op, bedient zich met een
glimlachje, geeft het mandje aan Dario, die het weer aan don Vigilio
geeft. En nu eten ze alle drie met ernstig, nadenkend gelaat... Ziet
u ze niet? Ziet u ze niet?"
Zij zag ze; het verlangen in de nabijheid van Dario te te zijn, haar
voortdurend naar hem toevliegende gedachten riepen hem zoo met de twee
anderen voor den geest. Haar hart was beneden, zij zag, zij hoorde,
zij voelde met al de fijngevoelige zintuigen van haar liefde.
"Giacomo, ga naar beneden en zeg aan Zijne Eminentie, dat wij ook zoo
graag eens van de vijgen zouden proeven en dat het heel vriendelijk
van hem zijn zou, als hij degene, die hij niet meer lust, aan ons
wil geven."
Maar weer kwam donna Serafina, die haar strenge stem teruggevonden
had, tusschenbeide:
"Je blijft hier, Giacomo!"
En zich dan tot haar nicht wendend:
"En nu genoeg van die kinderachtigheden!... Ik houd volstrekt niet
van die flauwiteiten!"
"Kom, tante, ik ben ook zoo gelukkig, ik heb in geen tijd zoo van
harte gelachen!"
Pierre had tot dusverre slechts geluisterd; het maakte hem zelf
vroolijk haar zoo vroolijk te zien. Toen nu een kleine, kille stilte
ontstond, begon hij te spreken en vertelde, hoe hij zelf ook verbaasd
geweest was den vorigen dag, zoo laat in den tijd, nog vruchten gezien
te hebben aan den beroemden vijgeboom van Frascati. Het kwam zeker,
doordat de boom door dien hoogen muur beschermd werd.
"Zoo, hebt u den beroemden vijgeboom gezien?" vroeg Benedetta.
"Ja, en ik heb zelfs gereisd met de vijgen, waar u zoo'n trek in hebt!"
"Gereisd met de vijgen?"
Reeds speet het hem, dat hij zich die woorden had laten ontvallen,
maar hij vond het toch beter nu alles te zeggen.
"Ja, ik ontmoette er iemand, die per rijtuig naar Frascati gekomen was
en met alle geweld wilde, dat ik met hem naar Rome terugreed. Onderweg
hebben we pastoor Santobono, die dapper met zijn mandje te voet naar
Rome ging, opgenomen... Zelfs hebben we nog een oogenblik in een
osteria gezeten..."
Hij vertelde verder van den tocht en van zijn indrukken van de in
de avondschemering gehulde campagna. Maar Benedetta keek hem strak
aan, want zij wist heel goed, dat Prada ieder oogenblik voor zijn
bouwspeculaties naar Frascati ging.
"Iemand, iemand?" prevelde zij; "de graaf zeker!"
"Ja, mevrouw, de graaf!" antwoordde Pierre eenvoudig. "Vannacht heb ik
hem weer gesproken. Hij was geheel van streek, en men moet medelijden
met hem hebben."
De jonge priester sprak deze barmhartige woorden in de overvloeiende
liefde, die hij over alle wezens en dingen had willen uitgieten,
met zoo diepe en natuurlijke ontroering uit, dat de beide dames er
zich niet beleedigd door gevoelden. Donna Serafina bleef roerloos
zitten en deed alsof zij het niet gehoord had, terwijl Benedetta door
een gebaar te kennen scheen te willen geven, dat zij noch haat noch
medelijden behoefde te gevoelen voor een man, die haar totaal vreemd
geworden was. Toch lachte zij niet meer en zeide eindelijk, terwijl
zij aan het mandje dacht, dat in het rijtuig van Prada medegekomen was:
"Ik heb heelemaal geen trek meer in die vijgen en ben nu maar blij,
dat ik er niet van gegeten heb."
Onmiddellijk na de koffie verliet donna Serafina hen in de haast,
die zij had, om naar het Vaticaan te gaan. Toen Benedetta en Pierre
alleen waren, bleven zij, weer vroolijk geworden, nog een oogenblik
als goede vrienden praten. De priester begon weer over zijn audiëntie
van dien avond. Het was nauwlijks twee uur, dus had hij nog zeven uur
voor zich. Hoe zou hij dien eindeloozen middag door moeten komen? Toen
kreeg zij een aardigen inval.
"Weet u wat?" zeide zij. "Nu we allen zoo gelukkig zijn, moesten
we elkaar niet verlaten... Dario heeft zijn eigen rijtuig. Hij zal
nu wel klaar zijn met zijn dejeuner, ik zal hem zeggen, dat hij een
grooten rit langs den Tiber met ons moet gaan maken."
Verrukt over dat mooie plan, klapte zij in haar handen. Maar juist
op dat oogenblik kwam don Vigilio met een verschrikt gezicht binnen.
"Is de prinses niet hier?"
"Neen, tante is uitgegaan... Wat is er?"
"Zijne Eminentie stuurt me... De prins is na tafel onwel geworden... O
niets ernstigs natuurlijk."
Zij gaf een gil, meer van verbazing dan van ongerustheid.
"Wat, Dario?... Maar dan komen we allemaal beneden. Ga mee, mijnheer
de abbé! Hij mag niet ziek zijn, want hij moet met ons uit."
Toen zij op de trap Victorine zag, moest deze ook mede.
"Dario voelt zich niet lekker... We zullen je misschien noodig hebben."
Alle vier gingen zij de groote, ouderwetsche, eenvoudige kamer binnen,
waarin de jonge man door zijn schouderwonde een maand lang aan het
ziekbed gekluisterd was geweest. Men kwam er door een kleinen salon,
een van de daarnaast liggende toiletkamer uitgaande gang verbond die
vertrekken met de appartementen van den kardinaal: de betrekkelijk
smalle eet-, slaap- en werkkamer, die men door het aanbrengen van
beschotten uit een van de vroeger groote zalen gemaakt had. Verder was
er nog de kapel, die met een deur op de gang uitkwam, een eenvoudig,
kaal vertrek, waarin zich een altaar van beschilderd hout bevond,
maar geen tapijt, geen stoel--niets dan de harde, koude vloer, om te
knielen en te bidden.
Benedetta liep naar het bed, waarop Dario geheel gekleed lag. Naast
hem stond in vreeselijke zorg kardinaal Boccanera, die, ondanks zijn
beginnende ongerustheid zijn trotsche houding, de rust van een verheven
ziel, die zich niets te verwijten heeft, bewaarde.
"Wat is er, Dario, wat scheel je?"
Maar de prins, die haar wilde geruststellen, glimlachte. Hij zag
bleek en maakte den indruk van iemand, die dronken is.
"O, het is niets, een flauwte... Stel je voor, ik heb precies een
gevoel, alsof ik te veel gedronken heb... Plotseling begon het voor
mijn oogen te draaien en was het, alsof ik zou vallen... Ik had nog
maar net den tijd, om naar mijn bed te komen."
Hij ademde diep als iemand, die behoefte aan lucht heeft. Dan vertelde
de kardinaal op zijn beurt enkele bijzonderheden.
"We waren juist klaar, ik gaf don Vigilio orders voor vanmiddag
en stond op het punt van tafel op te staan, toen ik Dario zag
wankelen... Hij wilde weer gaan zitten, maar liep met onzekere
stappen als een slaapwandelaar rond, terwijl hij tastend de deuren
openmaakte. Zonder er iets van te begrijpen, gingen we hem na. Ik
zoek nog steeds, maar begrijp het niet."
Met een gebaar gaf hij zijn verbazing te kennen en wees op de kamer,
waardoor een plotselinge ongelukswind scheen gewaaid te hebben. Alle
deuren waren wijd open blijven staan, men zag achter elkaar de
toiletkamer, dan de gang en aan het eind daarvan de eetkamer in de
wanorde van een vertrek, dat men plotseling verlaten heeft, met de
nog gedekte tafel, de weggeworpen servetten, de achteruitgeschoven
stoelen. Toch was men nog niet bang.
Hardop zeide Benedetta het in zulke gevallen gewone gezegde:
"Als je maar niets verkeerds gegeten hebt!"
Maar met een tweede gebaar zeide de kardinaal glimlachend:
"Neen, dat kan niet. Eieren, lamscoteletten en een bord zuring zullen
zijn maag niet overladen hebben. Ik drink nooit iets anders dan water
en hij hoogstens een paar slokjes witte wijn... Neen, met het eten
heeft het niets te maken."
Dario, die een oogenblik zijn oogen dicht gedaan had, sloeg ze weer
open, ademde opnieuw diep en trachtte te glimlachen.
"Kom, kom, het zal niets zijn, ik voel me al weer veel beter. Ik moet
een beetje beweging hebben."
"Luister dan even naar het plan, dat ik gemaakt heb... Je moet met
mij en den abbé een grooten toer gaan maken in de Campagna."
"Graag, een prachtig idee... Victorine help me even!"
Hij had zich opgericht, waarbij hij pijnlijk op zijn pols steunde. Maar
voor de huishoudster bij hem was, kreeg hij een kramp en viel hij,
als door een flauwte getroffen, weer neer. De kardinaal, die aan
den rand van het bed was blijven staan, ving hem in zijn armen op,
terwijl de contessina ditmaal haar hoofd verloor.
"God, God, alweer... Ga gauw een dokter halen!"
"Wil ik het doen?" vroeg Pierre, die zich ook ongerust begon te maken.
"Neen, neen, u niet, u moet hier blijven... Victorine zal het doen,
die weet den dokter te wonen... Dokter Giordano, hoor Victorine!"
De huishoudster ging weg en een zware stilte viel in het vertrek,
waarin een huivering van angst van minuut tot minuut sterker
werd. Benedetta was, doodelijk bleek, weer naar het bed gegaan, terwijl
de kardinaal, die Dario, wiens hoofd op zijn schouders gevallen was, in
zijn armen bleef houden, strak naar hem keek. Een vreeselijk vermoeden,
vaag en onbepaald nog, was in hem opgerezen: het kwam hem voor dat
Dario's gezicht grauw was en dezelfde verschrikt-angstige uitdrukking
had, die hij bij zijn besten vriend monsignor Gallo, had opgemerkt,
toen hij hem twee uur vóór zijn dood, op deze zelfde wijze aan zijn
borst gesteund had. Het was dezelfde flauwte, hetzelfde gevoel, dat hij
nog slechts het koud lichaam van een geliefd wezen, wiens hart niet
meer klopte, in zijn armen drukte, maar voor alles werd de gedachte
aan vergif sterk in hem, het vergif, dat uit het donker komt en als
een bliksemstraal in het donker treft. Langen tijd bleef hij zoo over
het gezicht van zijn neef, den laatste van zijn geslacht, gebogen
staan, zocht, ging na en vond de symptomen van het mysterieuse en
onverzoenlijke, dat hem reeds de helft van zijn eigen ik ontnomen had.
Maar fluisterend smeekte Benedetta:
"Oom, u zult zoo moe worden... Laat ik hem een poosje
vasthouden... Neen, u behoeft niet bang te zijn, ik zal het heel zacht
doen, hij zal voelen, dat ik het ben, en dat zal hem misschien weer
wakker doen worden."
Eindelijk hief hij zijn hoofd op, keek haar aan en stond haar zijn
plaats af na haar met oogen vol tranen tegen zich aan gedrukt en gekust
te hebben. Een plotselinge ontroering had zich van hem meester gemaakt,
waarin de warme liefde, die hij voor haar voelde, de starre koude,
die hij gewoonlijk huichelde, smelten deed.
"Mijn arm kind, mijn arm kind!" stamelde hij, bevend als een
ontwortelde eik.
Onmiddellijk echter beheerschte hij zich weer, en terwijl Pierre en
Vigilio onbeweeglijk en zwijgend en wanhopig, dat zij niets konden
doen, wachtten of men hen misschien noodig zou kunnen hebben, begon
hij langzaam door de kamer op en neer te loopen. Dan scheen echter
de kamer voor de gedachten, die in zijn hoofd woelden, te klein te
worden, en liep hij achtereenvolgens de toiletkamer, de gang en de
eetkamer in. Steeds ging hij zoo op en neer, steeds kwam hij weer
terug, ernstig, zonder een spier op zijn gelaat te vertrekken, met
gebogen hoofd, verzonken in dezelfde sombere overpeinzing. Welk een
wereld van gedachten woelde in het brein van dezen geloovige, van
dezen hooghartigen prins, die zich aan God gegeven had en machteloos
was tegen het onvermijdelijke lot? Nu en dan ging hij naar het bed
terug, overtuigde zich van de vorderingen, die het vergif maakte, zag
aan het gelaat van Dario hoe ver het met de crisis stond, en ging dan
weer met dezelfden regelmatigen stap weg, verdween en kwam weer terug,
als voortgedreven door de monotone regelmatigheid der krachten, die
de mensch niet vermag tegen te houden. Misschien vergiste hij zich,
misschien was het maar een eenvoudige ongesteldheid, waarom de dokter
zou lachen. Hij moest hopen en verder afwachten. En zoo ging hij
steeds weer weg en kwam hij steeds weer terug, en niets kon te midden
der drukkende stilte, angstaanjagender klinken dan de rhythmische
stappen van dezen grooten grijsaard, die het noodlot wachtte.
De deur ging weer open en Victorine kwam buiten adem binnen.
"Ik heb den dokter gevonden, hier is hij!"
Met zijn lachend gelaat, zijn klein blozend, door witte lokken
omlijst gezicht, zijn vaderlijke gestalte, die hem de allures van een
vriendelijken prelaat gaven, kwam dokter Giordano binnen. Maar zoodra
hij de kamer en alle deze angstige menschen, die op hem wachtten,
gezien had, werd hij ook ernstig en nam de gesloten houding, den
volkomen eerbied voor de kerkelijke geheimen aan, die hij door zijn
groote praktijk onder geestelijken geleerd had. Nauwelijks had hij
een blik op den zieke geworpen, of hij liet zich de gefluisterde
woorden ontvallen:
"Alweer? Begint het nu opnieuw?"
Ongetwijfeld zinspeelde hij op den messteek, dien hij onlangs behandeld
had. Wie had het toch zoo voorzien op dezen armen jongen man, die
niemand kwaad deed en niemand lastig viel? Niemand, behalve Pierre en
Benedetta, konden zijn woorden begrijpen; en deze laatste verkeerde
in zoo'n koortsachtig ongeduld, dat zij hem niet eens verstond.
"Dokter," smeekte zij, "onderzoek hem gauw en zeg, dat het niets
te beteekenen heeft... Het kan niets zijn; daareven was hij nog zoo
gezond en vroolijk... Het is niets, het is niets, niet waar?"
"Welneen, contessina, het zal zeker niets zijn... We zullen eens
kijken."
Hij had zich omgedraaid en boog diep voor den kardinaal, die met zijn
gelijkmatigen droompas uit de eetkamer terugkwam en onbeweeglijk aan
het voeteneinde van het bed ging staan. Ongetwijfeld las hij in de
oogen, die zich op de zijne richtten, een doodelijke ongerustheid,
want hij zeide verder niets en begon als iemand, die de waarde der
minuten heeft leeren kennen, Dario te onderzoeken. En naarmate zijn
onderzoek vorderde, kreeg zijn vriendelijk optimistisch gezicht een
bleeken ernst, een doffen angst, die zich slechts verried in het beven
van zijn lippen. Hij was het ook geweest, die monsignor Gallo gedurende
den aanval bijgestaan had, waaraan deze gestorven was, een aanval
van infectiekoorts, zooals zijn diagnose voor de overlijdensaangifte
geluid had. Ongetwijfeld herkende ook hij dezelfde angstaanjagende
symptomen: het als lood zoo grijze gezicht, de wezenloosheid als van
een vreeselijke dronkenschap, en als oud Romeinsch geneesheer, die aan
plotselinge sterfgevallen gewend is, voelde hij de lucht langs zich
strijken, die doodt, zonder dat de wetenschap nog uitgemaakt heeft
of het de verpestende uitwasemingen van den Tiber of het eeuwenoude
vergif der legende is.
Maar nu keek hij weer op en opnieuw ontmoette zijn blik den donkeren
blik van den kardinaal, die niet van hem week.
"Mijnheer Giordano," vroeg deze eindelijk; "u maakt u toch, hoop ik,
niet al te ongerust... Het is zeker niets dan een indigestie?"
De dokter boog een tweede maal. Aan het lichte beven van de stem
raadde hij den wreeden angst van dezen machtigen man, die opnieuw in
de gevoeligste plek van zijn hart getroffen werd.
"Uwe Eminentie moet gelijk hebben, het is zeker een indigestie. Soms
zijn zulke gevallen, wanneer er koorts bij komt, gevaarlijk... Ik
behoef Uwe Eminentie niet te zeggen, dat u op mijn voorzichtigheid
en ijver rekenen kunt..."
Hij hield even op, om dadelijk daarop op den beslisten toon van een
ervaren arts verder te gaan:
"De tijd dringt; we moeten den prins ontkleeden en vlug handelen. Laat
me een oogenblik alleen, dat heb ik liever."
Victorine hield hij echter om te helpen. Als hij nog iemand anders
noodig had, zou hij Giacomo roepen. Het bleek duidelijk, dat hij de
familie uit de kamer wilde verwijderen, om vrijer en zonder hinderlijke
getuigen te zijn. De kardinaal begreep het en leidde Benedetta zacht
naar de eetkamer, waarheen Pierre en don Vigilio hen volgden.
Toen de deuren weer dicht waren, heerschte in deze eetkamer, die
de heldere winterzon met heerlijk licht en heerlijke warmte vulde,
de benauwendste en drukkendste stilte, die men zich denken kan. De
tafel was nog steeds gedekt; de borden stonden door elkaar, het laken
lag nog vol kruimels, een kop was nog half vol met koffie en in het
midden stond de mand met vijgen, waarvan de bladeren weggenomen waren,
doch waaruit slechts twee of drie vruchten ontbraken. Voor het raam
zat in een grooten, gelen zonnestraal, waarin zonnestofjes dansten,
Tata, de papegaai, die men uit zijn kooi gelaten had, verrukt en door
het licht verblind op zijn stok. Toch had zij, verwonderd zooveel
menschen te zien binnenkomen, opgehouden met schreeuwen en met haar
snavel haar veeren glad te strijken; heel verstandig keerde zij haar
kop half om, om de menschen met haar rond en onderzoekend oog beter
te kunnen opnemen.
Minuten, waaraan geen einde scheen te komen, verstreken in het
koortsachtige wachten op wat daar in die kamer ernaast gebeurde. Don
Vigilio was zwijgend terzijde gaan zitten, terwijl Benedetta en Pierre
zwijgend en onbeweeglijk bleven staan. De kardinaal had zijn eindelooze
marsch hervat, dat instinctieve, in slaap wiegende heen en weer loopen,
waardoor hij zijn ongeduld scheen te willen verdrijven en eerder tot de
verklaring te komen, die hij te midden van de vreeselijke gedachten,
die hem bestormden, vergeefs zocht. Terwijl zijn rhythmische pas met
automatischen regelmaat weerklonk, heerschte in hem een doffe woede,
een wanhopig zoeken naar het waarom en hoe, een verwarring van de
meest tegenstrijdige en van het eene uiterste in het andere vallende
gemoedsaandoeningen. Maar reeds had hij in het voorbijloopen tweemaal
zijn blik laten gaan over de wanorde der tafel, als zocht hij daar
iets. Was het misschien die onuitgedronken koffie? Dat brood, waarvan
de kruimels nog rondslingerden? Die lamscoteletten, waarvan nog een
been over was? Toen hij voor de derde maal keek, zagen zijn blikken het
mandje met vijgen; hij bleef stokstijf staan, als door een plotselinge
onthulling getroffen. De gedachte had hem aangegrepen, zich van hem
meester gemaakt, zonder dat hij wist, welke proef hij moest nemen,
om te zien of zijn vermoeden waarheid was. Een oogenblik bleef hij
zoo, zoekend en niet vindend, met zijn blikken op het mandje gericht,
staan. Eindelijk nam hij een vijg en bracht die wat dichter bij zijn
oogen, als om de vrucht van dichtbij te bekijken. Doch er was niets
bijzonders aan te zien en hij wilde haar weer bij de andere leggen,
toen Tata, die dol op vijgen was, een schellen gil gaf. Het was een
openbaring voor hem; nu kon hij de proef nemen.
Langzaam, op zijn bedachtzame manier, en met gebogen hoofd bracht
de kardinaal de vijg aan de papegaai en gaf haar die zonder eenige
aarzeling of spijt. Het was een heel aardig dier, het eenige, waar
hij ooit iets om gegeven had. Zijn fijn, soepel lichaam uitrekkend,
waarvan de grijsgroene zijde in de zon rose vlammen kreeg, had de
papegaai de vijg sierlijk in zijn poot genomen en haar dan met zijn
snavel opengemaakt. Maar hij at er slechts zeer weinig van en liet de
bijna volle schil vallen. Hij, altijd ernstig nog en zonder een spier
van zijn gelaat te vertrekken, keek, wachtte. Het wachten duurde drie
lange minuten. Een oogenblik was hij gerust en krauwde den kop van
den papegaai, die zich graag liet streelen, zijn kop omdraaide en
zijn klein, rond, als een robijn schitterend oogje naar zijn meester
opsloeg. Maar plotseling zakte hij in elkaar, viel, zonder zelfs met
zijn vleugels te klappen, achterover. Tata was dood.
In zijn ontzetting over wat hij nu wist, had Boccanera slechts één
gebaar: hij hief zijn beide handen op, slingerde ze ten hemel. Groote
God, zoo'n misdaad, een zoo vreeselijke vergissing, een zoo afschuwlijk
spel van het noodlot! Geen kreet van smart kwam over zijn lippen,
de schaduw op zijn gezicht was grimmig en zwart geworden.
Toch klonk een gil--een luide gil van Benedetta, die, evenals Pierre
en don Vigilio, de handelingen van den kardinaal eerst met verbazing
gevolgd hadden, die daarna in een schrik veranderd was.
"Vergif! Vergif! Dario, mijn hart, mijn ziel!"
Doch de kardinaal had krachtig den pols van zijn nicht omvat, terwijl
hij een schuinschen blik wierp op die twee priesters, zijn secretaris
en den vreemdeling, die getuigen geweest waren van het tooneel.
"Zwijg, zwijg!"
Zij rukte zich los, meegesleept door razenden toorn en haat.
"Waarom zwijgen? Prada heeft het gedaan, ik zal hem aanklagen, ik wil,
dat hij ook sterft... Ik zeg u, dat Prada het gedaan heeft, ik weet het
zeker, want mijnheer Froment is gisteren in zijn rijtuig met pastoor
Santobono en dit mandje vijgen uit Frascati teruggereden... Ja, ja,
ik heb getuigen, het is Prada, het is Prada!"
"Neen, neen, je bent krankzinnig, zwijg!"
Hij had weer de handen van de jonge vrouw gegrepen en trachtte haar
met zijn volle souvereine autoriteit tot kalmte te brengen. Hij, die
den invloed kende, welken kardinaal Sanguinetti op dien geëxalteerden
Santobono uitoefende, had reeds een verklaring voor het heele geval
gevonden: het was geen directe medeplichtigheid, maar een heimelijke
druk, het dier werd getergd en dan op den hinderlijken mededinger
losgelaten op het oogenblik, dat de pauselijke troon naar alle
waarschijnlijkheid vrij zou worden. De waarschijnlijkheid, de zekerheid
van dit alles was plotseling voor zijn oogen opgeflitst, zonder dat
hij alles behoefde te begrijpen, ondanks de lacunes en de duisterheden.
"Neen, versta je, het is Prada niet. Die man heeft geen enkele reden om
iets kwaads tegen mij in het schild te voeren, want ik was de bedoelde
persoon, aan mij zijn die vruchten gegeven... Denk toch zelf na! Een
toevallig mij niet lekker voelen is de reden geweest, dat ik mijn
deel ervan niet opgegeten heb, want men weet, dat ik er dol veel van
houd, en terwijl mijn arme Dario ze alleen at, plaagde ik hem nog en
zeide, dat hij de mooiste voor morgen voor mij moest bewaren... Dat
verschrikkelijke was voor mij bestemd en heeft hem, groote God,
getroffen door het gruwlijkste toeval, door de monsterachtige dwaasheid
van het noodlot... Heer, Heer, Gij hebt ons wel verlaten!"
Tranen waren in zijn oogen gekomen, terwijl zij, rillend, nog steeds
niet overtuigd scheen te zijn.
"Maar u hebt toch geen enkelen vijand, oom! Waarom zou die Santobono
u naar het leven staan?"
Een oogenblik bleef hij zwijgen, zonder een geschikt antwoord te
kunnen vinden. Reeds vormde zich in hem in een verheven grootheid
de wil om deze zaak in stilte te hullen. Dan herinnerde hij zich
plotseling iets en hij berustte in een leugen.
"Santobono is altijd een warhoofd geweest en ik weet, dat hij mij haat,
sedert ik geweigerd heb zijn broeder, een voormaligen tuinman van me,
uit de gevangenis te redden door hem een bewijs van goed gedrag te
geven, dat hij zeker niet verdiende... Zoo'n doodelijke haat heeft
dikwijls geen ernstiger oorzaak. Hij zal gedacht hebben, dat hij zich
op mij moest wreken."
Toen liet Benedetta, gebroken, niet in staat verder te strijden,
zich met een gebaar van de uiterste wanhoop op een stoel vallen.
"Mijn God, mijn God! Ik weet niet meer... En bovendien wat komt het
er eigenlijk ook op aan, nu mijn Dario al zoo ver weg is? Er bestaat
nog maar één ding: hij moet gered worden, ik wil, dat hij gered
wordt... Wat voeren ze daar toch zoo lang in die kamer uit? Waarom
komt Victorine ons niet halen?"
Weer viel de stilte neer, drukkend, zwaar. Zonder een woord te zeggen,
nam de kardinaal het mandje vijgen van de tafel, zette het in een kast,
die hij tweemaal sloot, en stak den sleutel in zijn zak. Ongetwijfeld
lag het in zijn bedoeling, zoodra de avond gevallen was, zelf naar
beneden te gaan, om de vijgen in den Tiber te werpen. Maar toen hij
van de kast terugkwam, viel zijn blik op de twee eenvoudige priesters,
wier oogen hem gevolgd hadden. En hij zeide eenvoudig, maar grootsch:
"Heeren, ik behoef u niet te verzoeken te zwijgen... Er zijn
schandalen, welke we de Kerk, die niet schuldig is, die niet schuldig
zijn kan, moeten besparen. Een der onzen, zelfs wanneer hij een
misdadiger is, aan de burgerlijke rechtbank overleveren staat gelijk
met de geheele Kerk te treffen, want de slechte hartstochten gebruiken
dan de zaak om de verantwoordelijkheid van de misdaad op haar te
schuiven. Onze eenige plicht is den moordenaar over te geven aan Gods
hand, die hem zekerder zal weten te straffen... Wat mij betreft,
al ben ik in mijn persoon of in mijn familie, in mijn dierbaarste
gevoelens getroffen, ik verklaar in den naam van Christus, die aan
het kruis gestorven is, dat ik noch toorn noch wraakzucht voel, dat
ik den naam van den moordenaar uit mijn geheugen verdelg, dat ik zijn
afschuwelijke daad in de eeuwige stilte van het graf begraaf."
Zijn hooge gestalte scheen nog grooter geworden te zijn, terwijl hij,
zijn hand in een grootsch gebaar opgeheven, dien eed uitsprak, zijn
vijanden aan de gerechtigheid Gods overliet; want hij bedoelde niet
alleen Santobono, maar ook kardinaal Sanguinetti, wiens noodlottigen
invloed hij geraden had. En bij de gedachte aan den in het donker
gevoerden strijd om de tiara, aan al het gemeene en gulzige, dat
in den afgrond der duisternis woelde, doorhuiverde hem, ondanks het
heldhaftige van zijn trots, een eindelooze droefheid, een tragische
smart.
Toen Pierre en don Vigilio hem met een hoofdknikje beloofden te zullen
zwijgen, kneep een onoverwinnelijke ontroering zijn keel dicht; de
snik, dien hij trachtte terug te dringen, ontwrong zich plotseling
aan zijn keel, terwijl hij stamelde:
"Mijn arm kind! Mijn arm kind! Ach, de eenige zoon van ons geslacht,
de eenige liefde en de eenige hoop van mijn hart. Te moeten sterven,
zoo te moeten sterven!"
Maar Benedetta was weer heftig opgestaan.
"Sterven? Wie dan? Dario?... Ik wil het niet. We zullen hem verplegen,
we zullen weer naar hem toegaan, hem in onze armen nemen en hem
redden. Kom mee, oom, kom gauw mee... Ik wil niet, ik wil niet,
ik wil niet, dat hij sterft!"
Zij liep naar de deur en niets zou haar verhinderd hebben naar de
kamer terug te gaan, toen op datzelfde oogenblik Victorine met een
door angst vertrokken gelaat binnenkwam. Zij had ondanks haar gewone
kalme opgeruimdheid allen moed verloren.
"De dokter vraagt, of mevrouw en Zijne Eminentie onmiddellijk willen
komen, onmiddellijk."
Verbijsterd en verdoofd door al die dingen, volgde Pierre hen niet,
maar bleef een oogenblik met don Vigilio in de zonnige eetkamer
achter. Wat, vergif? Vergif, netjes en sierlijk verborgen, als in den
tijd der Borgia's, met die vruchten toegediend door een lichtschuwen
verrader, welken men niet voor het gerecht durfde brengen. Hij
herinnerde zich zijn gesprek op den terugrit van Frascati, zijn
scepticisme als Parijzenaar ten opzichte van de legendarische
vergiftige mengsels, waarvan hij het bestaan slechts erkende in het
vijfde bedrijf van een romantisch drama. En nu waren zij toch waar,
die afschuwlijke geschiedenis van vergiftigde ruikers en messen,
van lastige prelaten en zelfs pausen, die men uit den weg ruimde met
hun ochtend-chocolade, want die hartstochtelijke, tragische Santobono
was een giftmenger, daaraan viel niet meer te twijfelen. En in dit
vreeselijk licht zag hij den geheelen vorigen dag weer aan zijn
geest voorbijtrekken: de eerzuchtige en dreigende woorden, die hij
bij kardinaal Sanguinetti afgeluisterd had; zijn haast om nog voor den
waarschijnlijken dood van den paus te handelen, zijn suggereeren van de
misdaad in den naam van het heil der Kerk; dan de ontmoeting op den weg
met den pastoor, die het mandje vijgen aan zijn arm droeg; het mandje,
dat, door den priester vroom en deemoedig op zijn knieën gehouden,
lang voortreed door de schemering van de melancholieke Campagna;
dat mandje, dat hem nu als een nachtmerrie vervolgde; dat mandje,
waarvan hij den vorm, de kleur en den geur steeds met een rilling
terugzien zou. Vergif! Vergif! Het was dus waar, zoo iets bestond! Zoo
iets was nog schering en inslag in het duister der zwarte kringen te
midden van den grimmigen veroverings- en heerschzucht.
En plotseling richtte zich voor Pierre ook de gestalte van Prada
op. Daareven, toen Benedetta hem zoo heftig had beschuldigd, was hij
een oogenblik van plan geweest hem te verdedigen, om deze geschiedenis
van het vergif, die hij kende, uit te schreeuwen, te zeggen, waarin
dit alles zijn oorsprong had, te vertellen welke hand die vijgen
aangeboden had. Maar onmiddellijk daarop had een gedachte hem als
het ware tot ijs doen verstarren: Prada had de misdaad niet begaan,
maar had haar toch ook niet belet. Nog een herinnering, scherp als
een dolk, doorflitste hem; de herinnering aan de kleine, zwarte
kip in de sombere osteria, die, als door den bliksem getroffen, met
het dunne violetachtige bloedstroompje, dat uit zijn snavel vloeide,
dood onder de loods lag. En hier lag, onder zijn stok, eveneens Tata,
slap en warm, den snavel bezoedeld door een bloed-druppel. Waarom
had Prada gelogen en het verhaal van het gevecht verzonnen? Het
was een vreeselijke complicatie van hartstochten en in het duister
gevoerden strijd, waarin Pierre zich den grond onder den voet voelde
wegzakken. Hij kon zich den vreeselijken tweestrijd, welke in den nacht
van het bal in dien man gewoed moest hebben, niet voorstellen. Hij
kon hem niet meer aan zijn zijde terugdenken, hem zich niet meer voor
den geest terugroepen gedurende hun nachtelijke wandeling naar den
palazzo Boccanera, zonder te huiveren; want hij raadde, neen, wist met
zekerheid al het vreeselijke, waartoe vóór dit paleis besloten was. Of
hij uit haat tegen den kardinaal of in de hoop op een verdwaalde pijl,
die hem wreken zou, gehandeld had, wist Pierre niet; het feit stond,
ondanks alle onbegrijpelijkheden vast: Prada wist het, Prada zou
den loop van het noodlot tegengehouden kunnen hebben en hij had het
noodlot zijn blind doodenwerk laten voltooien.
Toen Pierre opkeek, zag hij don Vigilio zóó ontdaan, zóó bleek en
zoo roerloos op een stoel zitten, dat hij een oogenblik meende,
dat ook deze een slachtoffer was.
"Voelt u zich niet goed?"
Eerst scheen de priester niet te kunnen antwoorden, zóó snoerden
angst en schrik hem de keel dicht. Dan zeide hij met zachte stem:
"Neen, neen, ik heb er niet van gegeten... Lieve God, als ik nog
bedenk, dat ik er zoo'n trek in had en ik alleen uit deferentie voor
Zijne Eminentie, die ze niet at, ook niet gegeten heb!"
Hij rilde over zijn geheele lichaam bij deze gedachte, dat alleen
zijn nederigheid hem gered had. Het was, alsof op zijn handen en op
zijn gezicht de koude van den dood, dien hij langs zich had voelen
strijken, achterbleef.
Tweemaal zuchtte hij diep, terwijl hij het afschuwlijke met een gebaar
van zich schoof en prevelde:
"O, Paparelli! Paparelli!"
Ontroerd trachtte Pierre, die heel goed wist, hoe don Vigilio over
den sleepdrager dacht, hem verder uit te hooren.
"Wat wilt u daarmede zeggen? Gelooft u, dat hij medeplichtig
is?... Denkt u, dat zij hem er toe aangedreven hebben, dat zij
het zijn?"
Het woord "Jezuïeten" werd niet uitgesproken, maar de groote, zwarte
schaduw gleed door de zonnige eetkamer, die zij een oogenblik te
verduisteren scheen.
"Ja, zij zijn het!" riep don Vigilio. "Zij zijn het overal, zij zijn
het altijd! Waar men weent en waar men sterft, zijn zij er bij. Het
was voor mij bestemd, en ik begrijp nog niet, dat ik leef!"
En opnieuw jammerde hij vol haat, afschuw en toorn:
"O, Paparelli! Paparelli!"
Hij zweeg, wilde verder niets antwoorden, keek met angstig-gejaagde
blikken naar de muren, alsof hij daaruit den sleepdrager te voorschijn
zou zien komen met zijn slap oud-jongejuffrouwen-gezicht, met zijn
trippelpasjes als van een knagende muis, met zijn geheimzinnige
roovershanden, die in de keuken het vergeten mandje vijgen waren gaan
halen, om het op tafel te zetten.
Toen besloten beiden naar de kamer terug te gaan, waar men hun hulp
misschien noodig zou hebben. Bij het binnentreden werd Pierre diep
aangegrepen door het vreeselijke schouwspel, dat zich aan zijn blikken
vertoonde. Het laatste half uur had dokter Giordano, die eveneens
vergiftiging vermoedde, vergeefs de gewone middelen, een braakmiddel
en daarna magnesia, toegepast. Zelfs had hij Victorine eiwit in
water laten kloppen. Doch de ziekte verergerde zóó bliksemsnel,
dat nu alle hulp nutteloos werd. Ontkleed op zijn rug liggend, het
bovenlichaam door kussens gesteund en de armen slap neerhangend langs
de dekens, was Dario vreeselijk om aan te zien in die soort angstige
dronkenschap, het symptoom van deze geheimzinnige, verschrikkelijke
kwaal, waaraan reeds monsignor Gallo en zooveel anderen ten gronde
gegaan waren. Hij scheen door een verdoovende duizeling overvallen te
zijn, zijn oogen zonken steeds dieper weg in de zwarte kassen, terwijl
het gezicht uitdroogde, zienderoogen ouder werd en door een grijze,
aardachtige kleur overtrokken werd. Sedert een oogenblik had hij,
geheel uitgeput, zijn oogen gesloten; niets levends was meer aan hem,
dan de benauwde, pijnlijke en moeilijke ademhalingen, die zijn borst
op- en neerbewogen. En over het arme, door den doodsstrijd vertrokken
gezicht gebogen stond Benedetta, zij leed met hem mede en was zelf door
zoo'n overmachtigen smart overmand, dat zij zelf zoo onherkenbaar, zóó
bleek was, als had de dood, ook haar, tegelijk met hem, aangegrepen.
In de vensternis, waar kardinaal Boccanera dokter Giordano ter zijde
genomen had, werden fluisterend eenige woorden gewisseld.
"Hij is verloren, niet waar?"
De dokter, zelf tot in het diepst van zijn ziel geschokt, maakte het
wanhopige gebaar van een overwonnene.
"Helaas ja! Ik moet Uwe Eminentie er op voorbereiden, dat binnen een
uur alles afgeloopen is."
Er volgde een korte stilte.
"Het is dezelfde ziekte als van Gallo zeker?"
En toen de dokter niet antwoordde, voegde hij er, bevend en zijne
blikken afwendend, aan toe:
"Een infectiekoorts?"
Giordano begreep heel goed, wat de kardinaal van hem wilde. Hij eischte
stilzwijgendheid, een eeuwig begraven van de misdaad ter wille van
den goeden naam der Moederkerk. Men kon moeilijk iets grootschers,
iets dieps-tragischers denken dan dezen zeventigjarigen grijsaard,
nog zoo rechtop en verheven, die niet wilde, dat zijn geestelijke
familie vervallen zou evenmin als hij duldde, dat men zijn wereldlijke
familie door de onvermijdelijke modder van een opzienbarend proces
sleepen zou. Neen, neen! Zwijgen, eeuwig zwijgen, waarin alles in
vergetelheid rust!
Op zijn zachte, clericaal-discrete manier knikte de dokter.
"Zeker, een infectiekoorts, zooals Zijne Eminentie terecht opmerkt."
Twee dikke tranen kwamen onmiddellijk weer in de oogen van
Boccanera. Nu hij God van alle bezoedeling gevrijwaard had, begon
zijn menschelijke natuur opnieuw te bloeden. Hij smeekte den dokter
een laatste poging te wagen, het bovenmenschelijke te beproeven,
maar deze schudde zijn hoofd en wees met zijn arme, bevende handen
naar den zieke. Voor zijn vader, voor zijn moeder had hij niet meer
kunnen doen. De dood was er. Waarom een stervende af te matten en te
kwellen; hij zou immers zijn lijden slechts erger kunnen maken? En
toen de kardinaal in het aangezicht van de naderende catastrophe
aan zijn zuster Serafina dacht en wanhopig zeide, dat zij haar neef
niet voor de laatste maal zou kunnen omhelzen, indien zij zich op
het Vaticaan verlaatte, bood de dokter aan haar in zijn rijtuig,
dat hij had laten wachten, te gaan halen. Het was een quaestie van
twintig minuten. Hij zou weer terug zijn, wanneer men zijn hulp in
de laatste oogenblikken noodig hebben mocht.
Onbeweeglijk bleef de kardinaal nog een oogenblik in de vensternis
staan. Zijn door tranen verduisterde oogen keken naar den hemel; zijn
bevende armen strekten zich in een vurig smeekend gebaar uit. O God,
waarom doet Gij, waar de wetenschap der menschen zoo gering en ijdel
is, waar de geneesheer, blijde de verlegenheid over zijn onmacht te
kunnen bedekken, weggaat; waarom doet Gij geen wonder, om dezen glans
van uw grenzenlooze macht te toonen. Een wonder! Een wonder! Hij vroeg
het uit het diepst van zijn geloovige ziel, met den aandrang, met het
gebiedende gebed van een aardschen vorst, die meent door zijn geheel,
aan de Kerk gegeven leven, den hemel een grooten dienst bewezen te
hebben. Hij vroeg het voor de voortzetting van zijn geslacht, opdat
de laatste manlijke spruit niet zoo jammerlijk verdwijnen, opdat
hij met zijn teerbeminde, nu zoo bitter weenende en diep-ongelukkige
nicht zou kunnen trouwen. Een wonder! Een wonder ter wille van deze
twee hem zoo dierbare kinderen! Een wonder, dat het geslacht zou
doen herleven! Een wonder, dat den roemrijken naam der Boccanera's
vereeuwigen zou, doordat het uit deze jonge menschen een tallooze
reeks van dapperen en geloovigen voortkomen liet.
Toen de kardinaal weer naar het midden der kamer terugkwam, scheen
hij geheel veranderd; het geloof had zijn tranen gedroogd, zijn ziel
was van nu af sterk en berustend, vrij van alle zwakten. Hij had
zich weer geheel toevertrouwd aan Gods hand en wilde zelfs Dario
het laatste oliesel geven. Hij wenkte don Vigilio tot zich en nam
hem mede naar het kleine, aangrenzende, als kapel dienende vertrek,
waarvan hij altijd den sleutel bij zich droeg. Dit kale vertrek, dat
niemand ooit betrad, dit vertrek, waar zich slechts een klein altaar
van geschilderd hout bevond, waarboven een groot koperen kruis hing,
stond in het paleis bekend als een heilige, onbekende en vreeselijke
plek, want men beweerde, dat Zijne Eminentie daar geheele nachten
op zijn knieën en in gesprek met God zelf doorbracht. Nu hij er zoo
openlijk binnen ging en de deur zoo wijd open liet doen, deed hij
het zeker, om, in zijn verlangen naar een wonder, God te dwingen er
met hem uit te komen.
Achter het altaar had men een kast gemaakt, waaruit de kardinaal
de stola en het koorhemd nam. De doos met de heilige olie stond
daar eveneens, een zeer oude, zilveren doos met het wapen der
Boccanera's. Nadat don Vigilio achter den officiant in de kamer
teruggekeerd was, om hem te assisteeren, wisselden de Latijnsche
woorden elkaar dadelijk af.
"Pax huic domui."
"Et omnibus habitantibus in ea." [25]
De dood naderde zoo dreigend en onverwacht, dat de gewone
voorbereidingen achterwege blijven moesten. Geen twee kaarsen, geen
met een wit laken bedekt tafeltje. Eveneens moest de officiant,
daar de assistent geen wijwaterbakje of -kwast had medegebracht,
zich vergenoegen met een gebaar de kamer en den stervende te zegenen
onder de woorden van het rituaal:
"Asperges me, Domine, hyssopo, et mundabor; lavabis me, et super
nivem dealbabor." [26]
Toen Benedetta den kardinaal met het heilige oliesel komen zag, was
zij in een hevige huivering aan het voeteneinde van het bed op haar
knieën gevallen, terwijl Pierre en Victorine, aangegrepen door de
smartelijke grootschheid van het schouwspel eveneens neerknielden. De
groote, thans in het sneeuwwitte gezicht nog grooter lijkende oogen
verlieten geen oogenblik haar Dario, dien zij met zijn vaal gezicht,
zijn verschrompelde en gerimpelde huid als van een grijsaard niet meer
herkende. Niet voor het door hem goedgekeurde en gewenschte huwlijk
bracht hun oom, de almachtige Kerkvorst, het Sacrament--neen, voor
de laatste scheiding, voor het menschelijk einde van iederen trots,
voor den dood, die de geslachten uitroeit en meesleurt, zooals de
wind het straatstof wegveegt.
Hij kon niet wachten; vlug zeide hij half-fluisterend het Credo.
"Credo in unum Deum..." [27]
"Amen," viel don Vigilio in.
Na de gebeden van het rituaal stamelde deze laatste de litanieën, opdat
de hemel zich zou erbarmen over den ellendigen mensch, die voor God
verschijnen zou, indien een wonder Gods hem geen genade schenken zou.
Nu opende de kardinaal, zonder zich den tijd te gunnen zijn handen
te wasschen, de doos met de heilige olie; en zich bepalend tot één
zalving, zooals dat in dringende gevallen veroorloofd is, legde
hij met de punt van de zilveren naald, een enkelen droppel op zijn
uitgedroogden, reeds door den dood verbleekten mond.
"Per istam sanctam unctionem, et suam plissimam misericordiam,
indulgeat tibi Dominus quidquid per visum, auditum, odoratum, gustum,
tactum, deliquisti." [28]
O, met welk een van geloof brandend hart sprak hij deze smeekbeden om
vergiffenis uit, opdat de goddelijke barmhartigheid de door de vijf
zintuigen, die vijf eeuwig voor de verleiding open staande deuren der
ziel, begane zonden vergeven zou. Maar hij deed het nog in de hoop,
dat God, indien Hij het arme schepsel voor zijn zonden gestraft had,
misschien, na ze vergeven te hebben, nog de groote barmhartigheid
hebben zou, om hem zelfs aan het leven terug te geven. Het leven,
o Heer, het leven, opdat het oude geslacht der Boccanera's zich nog
zal kunnen vermeerderen, U door alle tijden heen zal kunnen dienen
in veldslagen en voor het altaar.
Een oogenblik bleef de kardinaal met bevende handen, in afwachting
van het wonder, naar het zwijgende gezicht, de gesloten oogen van den
stervende staan kijken. Doch er gebeurde niets. Don Vigilio had met een
klein watje den mond afgeveegd, zonder dat een zucht van verlichting
van zijn lippen kwam. Toen het laatste gebed uitgesproken was, keerde
de officiant, door den assistent gevolgd, in de vreeselijke stilte,
die weer neerviel, naar de kapel terug. Dan knielden beiden neer en
verzonk de kardinaal, op den kalen vloer, in een vurig gebed. Zijn
oogen naar het koperen crucifix opgeheven, zag hij niets meer, hoorde
hij niets meer, gaf hij zich geheel aan God, smeekte Jezus hem weg te
nemen in plaats van zijn neef, indien een offer gebracht moest worden;
nog steeds hoopte hij de goddelijke toorn te kunnen vermurwen, zoolang
nog één ademtocht van het leven in Dario was, zoolang hij zelf hier
op zijn knieën lag en met God sprak. Hij was zoo ootmoedig en zoo
hooghartig tevens! Zou tusschen God en een Boccanera geen schikking
te treffen zijn? Wanneer het oude paleis ingestort was, zou hij het
vallen der balken niet gehoord hebben.
Intusschen had zich in de kamer, onder den druk der tragische
majesteit, die de plechtigheid daar achtergelaten scheen te hebben,
niets bewogen. Nu eerst sloeg Dario zijn oogen op. Hij keek naar
zijn handen, zag, dat zij zoo ingeschrompeld, zoo verouderd geworden
waren, dat een groote smart over het wegvliedende leven zich in zijn
oogen afschilderde. Ongetwijfeld werd hij zich op dat oogenblik van
helderziendheid midden in deze soort roes, waarin het vergif hem
bracht, voor het eerst zijn toestand bewust. O, te moeten sterven
onder zulke pijnen, in zulk een verval van zijn geheele lichaam! Welk
een vreeselijke gruwel voor dit luchthartige, zelfzuchtige wezen,
van dezen minnaar van schoonheid, vroolijkheid en licht, die niet
lijden kon! Het wreede noodlot strafte zijn uitstervend geslacht wel
al te streng aan hem. Hij had een afschuw van zichzelf; een wanhoop;
een kinderlijke angst maakte zich van hem meester en gaven hem de
kracht rechtop te gaan zitten en wanhopig de kamer rond te kijken,
om te zien, of allen hem niet verlaten hadden. En toen zijn blik
Benedetta ontmoette, die nog steeds aan het voeteneinde van het bed
geknield lag, strekte hij zijn beide armen naar haar uit, als brandde
het verlangen in hem haar aan zijn hals mede te nemen.
"Benedetta, Benedetta... Kom, kom; laat mij niet alleen sterven!"
In de verstarring van haar wachten had zij, onbeweeglijk, geen blik
van hem afgehouden. De vreeselijke kwaal, die haar geliefde wegnam,
scheen, naar mate hij zwakker werd, hoe langer hoe meer haar in bezit
te nemen en te vernietigen. Haar gezicht werd onstoffelijk bleek,
door de openingen van haar pupillen begon men haar ziel te zien. Maar
toen zij hem als opstaande uit den dood, met uitgestrekte armen en
haar naam roepend zag, toen stond zij op haar beurt op, deed een paar
stappen vooruit en ging naast het bed staan.
"Ik kom, Dario... Daar ben ik, daar ben ik!"
En nu waren Pierre en Victorine, die nog steeds op hun knieën lagen,
getuigen van iets van zoo verheven grootschheid, dat zij aan den
grond genageld bleven als bij een buiten-aardsch schouwspel, waaraan
de menschen niet meer konden deel hebben. Benedetta zelf sprak en
handelde als een schepsel, dat bevrijd was van alle conventioneele
en maatschappelijke banden, dat reeds buiten het leven stond en de
wezens en dingen nog slechts uit een groote verte, uit de diepte van
het onbekende, waarin zij verdwijnen zou, zag en hoorde.
"O, mijn Dario, men heeft ons willen scheiden. Ja, slechts opdat ik
mij niet aan je zou kunnen geven, opdat wij nooit gelukkig zouden
kunnen zijn in elkanders armen, heeft men tot uw dood besloten, heel
goed wetend, dat jouw leven het mijne medeneemt... Die man heeft je
gedood; ja, hij is je moordenaar, zelfs indien een ander je getroffen
heeft. Hij is de eerste oorzaak; hij heeft mij aan jou ontstolen,
toen ik op het punt stond de jouwe te worden; hij heeft ons beider
levens verwoest; hij heeft om ons en in ons het afschuwlijke vergif
geblazen, waaraan wij sterven... O wat haat ik hem, wat haat ik hem
met een haat, waarmede ik hem zou willen verpletteren, vóórdat ik
aan jouw hals deze wereld verlaat."
Zij verhief haar stem niet, zeide al deze vreeselijke dingen in een
diep gefluister, eenvoudig, hartstochtelijk. Prada's naam werd zelfs
niet genoemd en zij keek nauwelijks den door verwondering aangegrepen
Pierre aan, toen zij er op bevelenden toon aan toevoegde:
"U zult zijn vader nog spreken, ik draag u op hem te zeggen, dat
ik zijn zoon vervloekt heb. De held heeft mij liefgehad, ik heb hem
nog lief en dit woord, dat gij hem over moet brengen, zal zijn hart
verscheuren. Maar ik wil, dat hij het weet, hij moet het weten ter
wille van de waarheid en van de gerechtigheid."
Waanzinnig van angst en snikkend strekte Dario opnieuw zijn armen
naar haar uit, toen hij voelde, dat zij niet meer naar hem keek,
dat haar heldere blikken niet meer op de zijne gericht waren.
"Benedetta, Benedetta... Kom, kom! O, die zwarte nacht, ik wil dien
niet alleen binnengaan!"
"Ik kom, ik kom, mijn Dario... Daar ben ik!"
Zij was nog dichter bij gekomen, zij raakte hem nu bijna aan.
"O, ik had de Heilige Maagd gezworen geen man toe te zullen behooren,
zelfs jou niet, voordat God dat door den zegen van een zijner priesters
geoorloofd had. Ik stelde er een hooge, goddelijke eer in onbevlekt,
maagd als de Heilige Maagd te zijn, de bezoedelingen en laagheden van
het vleesch niet te kennen. Maar het was ook een kostbaar en zeldzaam
liefdesgeschenk van onschatbare waarde, dat ik aan den door mijn hart
uitverkoren geliefde wilde geven, opdat hij voor altijd de meester
van mijn lichaam en mijn ziel zijn zou... Die maagdelijkheid, waarop
ik zoo trotsch was, heb ik tegen den ander verdedigd met mijn tanden
en nagels, verdedigd, zooals men zich tegen een wolf verdedigt; ik heb
haar onder tranen verdedigd tegen jou, opdat je niet in een oogenblik
van heiligschennenden hartstocht vóór het heilige uur der veroorloofde
verrukkingen den schat zoudt bezoedelen... Als je eens wist, welk een
vreeselijken strijd ik dikwijls tegen mezelf heb moeten voeren, om niet
toe te geven! Ik voelde een waanzinnige drang om je toe te schreeuwen
mij te nemen, mij te bezitten, mij weg te dragen... Want ik wilde jou
geheel bezitten, ik gaf mijzelf geheel, ja, zonder eenige reserve,
als vrouw, die de geheele liefde, de liefde, welke tot echtgenoote en
moeder maakt, kent, aanvaardt en eischt... O, welk een strijd heeft
het mij gekost den eed aan de Heilige Maagd te houden, wanneer het
oude bloed in mijn aderen woelde en kookte. En nu, welk een ramp!"
Zij ging nog dichter bij hem staan, terwijl haar zachte stem nog
inniger en hartstochtelijker werd:
"Herinner je je den avond nog, waarop je met een messteek thuis
kwam... Ik dacht, dat je dood was en gilde van woede bij de gedachte,
dat je heen zoudt gaan, dat ik je verliezen zou, voor we het geluk
hadden leeren kennen. Ik smaalde op de Heilige Maagd, ik had er op
dat oogenblik berouw van niet met jou vervloekt te worden, om in
een zóó vaste omarming, dat men ons samen had moeten begraven, te
sterven... En nu te moeten zeggen, dat deze vreeselijke waarschuwing
tot niets gediend zal hebben! Ik ben blind en dwaas genoeg geweest om
die les niet te begrijpen. En nu ben je weer getroffen--men ontsteelt
jou aan mijn liefde en nu ga je heen, voordat ik me eindelijk, zoo
lang het nog tijd was, gegeven heb... O, ellendige, trotsche vrouw,
dwaze droomster!"
De toorn en woede van de praktische verstandsvrouw, die zij steeds
geweest was, tegen zichzelf gromden thans in haar verstikte stem. Wilde
de zoo moederlijke Maagd, het ongeluk der minnenden? In hoeverre zou
het haar bedroefd of vertoornd hebben hen zoo hartstochtelijk, zoo
gelukkig in elkanders armen te zien. Neen, neen, de engelen weenden
niet, wanneer teer minnenden, zelfs zonder de priesters, zich op
aarde aan elkaar gaven; integendeel, zij glimlachten, juichten en
jubelden. Zeker, het was een afschuwlijke bedriegerij, dat men het
genot niet tot den laatsten druppel uitputte, wanneer het levende
bloed nog in de aderen klopte.
"Benedetta, Benedetta!" herhaalde de stervende vol kinderlijken angst,
dat hij zoo alleen den eeuwigen, donkeren nacht ingaan moest.
"Hier ben ik, Dario, hier ben ik... Ik kom!"
Toen zij zich verbeeldde, dat de huishoudster, die zich echter in
het geheel niet bewoog, een gebaar maakte, om op te staan en haar te
beletten haar daad te verhinderen:
"Neen, neen, laat maar Victorine... Niets ter wereld zal het nu meer
kunnen verhinderen, omdat het sterker is dan alles, sterker dan de
dood. Toen ik daareven op mijn knieën lag, heeft iets mij opgericht,
mij voortgedreven. Ik weet waarheen ik ga... En bovendien, heb ik het
op den avond van de messteek niet gezworen? Heb ik niet beloofd hem
alleen toe te behooren, zelfs in de aarde, als dat zijn moest? Laat
ik hem kussen, laat hij mij medenemen! Wij zullen dood zijn, en toch
getrouwd, voor eeuwig getrouwd!"
Zij ging naar den stervende terug en raakte hem nu aan.
"Mijn Dario, mijn Dario, hier ben ik!"
En dan gebeurde het ongehoorde. In een toenemende exaltatie,
gedragen door de opvlamming van haar liefde, begon zij zich te
ontkleeden. Eerst viel haar corsage en lichtten haar blanke armen
en haar blanke schouders op; dan gleden haar rokken af en de blanke
voeten en de blanke enkels bloeiden op het tapijt, nadat zij schoenen
en kousen uitgetrokken had; dan verdwenen de laatste kleedingstukken
één voor één en ontloken de blanke buik, de blanke boezem, de blanke
dijen in een weelde van blankheid. Met een naïeve vermetelheid,
met een verheven rust, alsof zij alleen was, had zij alles tot de
laatste omhulling uitgetrokken. Als een groote lelie stond zij daar in
haar kuische naaktheid, in haar zich om de blikken niet bekommerende
koninklijkheid. Zij verlichtte, doorgeurde de sombere kamers met de
schoonheid van haar lichaam, een wonder van schoonheid, de levende
volmaaktheid der mooiste marmeren beelden, de hals eener koningin, de
boezem van een krijgsgodin, de trotsche en soepele lijn van schouder
tot hiel, de heilige rondingen van ledematen en heupen. En zij was
zoo blank, dat geen marmeren beeld, geen duif, geen sneeuw zelfs
blanker zijn kon dan zij.
"Hier ben ik, Dario, hier ben ik!"
Als ter aarde geworpen door een geestverschijning, door het glorierijke
opvlammen van een heilig visioen, keken Pierre en Victorine haar
met verblinde oogen aan. De laatste had zelfs geen beweging gemaakt
om haar tegen te houden, geheel overmeesterd als zij was door dat
soort verschrikten eerbied, dien men voelt tegenover hartstochts-
en geloofswaanzin. En hij, verlamd, was zich bewust, dat hier zoo
iets verhevens geschiedde, dat nog slechts een rilling van vurige
bewondering hem doorhuiverde. Niets onreins, niets onkuisch kwam
hem tegemoet uit deze sneeuw- en lelieblankheid, van deze reine,
edele maagd, wier lichaam scheen te stralen van een eigen licht,
van de schittering zelf der machtige, daarin brandende liefde. Zij
gaf niet meer aanstoot dan een waarheidgetrouw, door het genie
verheerlijkt kunstwerk.
"Mijn Dario, hier ben ik, hier ben ik!"
En Benedetta nam, nadat zij zich naast hem had neergelegd, den
stervenden Dario in haar armen, wiens armen nog slechts de kracht
hadden zich om haar heen te sluiten. Dat was het, wat zij ten slotte
gewild had ondanks haar uiterlijke kalmte, ondanks de lelieachtige
reinheid van haar halsstarrigheid, waaronder de hartstocht als een
laaiend vuur gebrand heeft. Altijd, zelfs in de rustigste uren,
had deze heftigheid haar verteerd. Maar nu het afschuwlijke noodlot
haar haar geliefde ontnam, wilde zij zich niet langer nederleggen bij
die bedriegerij, wilde zij hem niet verliezen zonder zich gegeven te
hebben, omdat zij de dwaasheid begaan had zich niet te geven, toen
zij beiden nog in glimlachende teederheid en kracht straalden. In
haar liefdewaanzin barstte het verzet der natuur los, de onbewuste
kreet der vrouw, die niet onvruchtbaar sterven wilde, nutteloos als
een zaadkorrel, dien de wind medevoert en waaruit geen ander leven
meer zal ontkiemen.
"Mijn Dario, hier ben ik, hier ben ik!"
Zij drukte hem met haar naakte leden, met haar naakte ziel tegen zich
aan. Op dat oogenblik zag Pierre aan den muur boven het hoofdeinde van
het bed het wapen der Boccanera's, een oud, van goud en veelkleurige
zijde geborduurd panneau op violet fluweel. Ja, dat was de gevleugelde,
vlammenspuwende draak; dat was het woeste, vurige devies: "Bocca nera,
alma rossa", zwarte mond, roode ziel, de mond verduisterd door een
gebrul, de ziel een vlammende gloed van geloof en liefde. Dit geheele
oude, hartstochtelijke, heftige geslacht met de tragische legende
was weer opgestaan, om zijn laatste aanbiddelijke dochter tot deze
vreeselijke en wonderbare verloving in den dood te drijven. En het
zien van het geborduurde wapen riep een andere herinnering in hem
wakker, die aan het portret van Cassia Boccanera, de zelf recht
doende amoureuse, die zich met haar broeder Ercole en het lijk van
haar geliefde, Flavio Corradini in den Tiber geworpen had. Was dit
niet dezelfde wanhopige omarming, die den dood trachtte te overwinnen,
dezelfde heftigheid, die zich met het lichaam van den uitverkoren en
eenigen geliefde in den afgrond wierp. Beiden--zij, die daar boven op
het oude doek herleefde, en zij, die hier den dood van haar geliefde
mede-stierf--geleken op elkaar met haar zelfde kinderlijk-teere
trekken, denzelfden hartstochtelijk-begeerenden mond, dezelfde groote
droomoogen en hetzelfde kleine, ronde, verstandige en koppige gelaat,
alsof de laatste slechts het terugkeerende evenbeeld der eerste was.
"Mijn Dario, hier ben ik, hier ben ik!"
Een eeuwigheid, die misschien een seconde duurde, omhelsden zij
elkaar. Zij legde in haar overgave een razernij, een heilige razernij,
die aan gene zijde van het leven tot in de donkere oneindigheid van
het onbekende ging, dat voor hen begon. Zonder vrees voor of weerzin
tegen de kwaal, die hem onkenbaar maakte, smolt zij als het ware met
hem samen, ging zij in hem op; en hij, die onder dat groote geluk,
welks zaligheid eindelijk tot hem kwam, verscheiden was, bleef met
krampachtig om haar heen gesloten armen liggen, als droeg hij haar
met zich mede. Toen echter--was het uit smart over dit onvolkomen
bezit bij de gedachte aan haar nuttelooze maagdelijkheid, die niet
meer bevrucht kon worden, of geschiedde het te midden van de hoogste
vreugde over het met de geheele wilskracht van haar wezen ondanks
alles, voltrokken huwelijk?--toen echter steeg bij deze omhelzing
van den machteloozen dood zulk een bloedstroom naar haar hart, dat
het brak. Zij was gestorven aan den hals van haar gestorven geliefde;
vast tegen elkaar gedrukt lagen zij voor eeuwig in elkanders armen.
Een snik weerklonk: Victorine was naderbij getreden en had begrepen,
terwijl Pierre, die ook opgestaan was, door den verheven aanblik
medegesleept werd en beefde van bewondering en tranen.
"Kijk, kijk," stamelde de huishoudster met zeer zachte stem, "zij
beweegt zich niet meer, zij ademt niet meer. Mijn arm, arm kind;
zij is dood!"
En de priester prevelde:
"Mijn God, wat zijn ze mooi!"
Het was waar; nooit nog had een zoo verheven, zoo glanzende schoonheid
op gezichten van dooden gestraald. Het zooeven nog aardkleurige
en verouderde gelaat van Dario had een bleekheid en een adel als
van marmer aangenomen; zijn trekken waren als in een opwelling van
onuitsprekelijken jubel verheerlijkt. Benedetta bleef ernstig: een
hartstochtelijk-energieke plooi lag om haar lippen, terwijl haar
geheele gelaat in een oneindige witheid een smartelijke, eindelooze
zaligheid uitdrukte. Hun haren strengelden zich door elkaar, hun wijd
geopende, diep in elkaar borende oogen, bleven elkaar aankijken in
een eeuwige, zachte liefkoozing. Zij waren het in de verrukking van
hun één-zijn de onsterfelijkheid binnengetreden paar, dat den dood
overwonnen had en waarvan de verrukte schoonheid der onsterfelijke
en overwinnende liefde uitstraalde.
Maar het snikken van Victorine barstte eindelijk met zulke
jammerklachten los, dat er een geheele verwarring ontstond. Pierre,
die geheel van streek was, kon zich niet verklaren hoe de kamer
plotseling zoo vol menschen was, die zich zenuwachtig als in een soort
wanhopigen angst heen en weer bewogen. De kardinaal was natuurlijk
met don Vigilio uit de kapel toegesneld. Blijkbaar was op datzelfde
oogenblik ook dokter Giordano teruggekomen met donna Serafina, die
van den naderenden dood van haar neef op de hoogte gebracht was,
want zij stond daar als verdoofd door al die plotselinge, op elkaar
volgende slagen, welke het huis troffen. De dokter zelf was onrustig,
verbaasd als de meeste oudere doktoren, die ondanks hun ervaring,
toch steeds weer verbijsterd worden door de feiten. Hij trachtte een
verklaring te geven, sprak aarzelend van een mogelijk slagadergezwel,
misschien een embolie [29].
Maar Victorine, die haar smart tot de gelijke van haar meesteres
maakte, durfde hem in de rede vallen.
"Maar mijnheer de dokter, zij hielden te veel van elkaar. Is dat niet
een voldoende reden, om samen te sterven?"
Donna Serafina, wilde, nadat zij de dierbare kinderen op het voorhoofd
gekust had, hun oogen sluiten. Maar het gelukte haar niet, de oogleden
openden zich telkens weer, zoodra de vinger er niet meer op drukte,
en de oogen begonnen elkaar weer toe te lachen, elkaar weer met hun
eeuwigen blik te liefkoozen. En toen zij zeide welstandshalve de beide
lichamen te willen scheiden en de ledematen trachtte los te maken,
riep Victorine weer uit:
"Maar, signora, signora! U zult hun armen eerder breken! Kijk toch
zelf, men zou denken, dat hun vingers in hun schouders gedrongen zijn;
nooit zullen zij elkaar meer loslaten!"
Nu kwam de kardinaal tusschenbeide. God had geen wonder gewrocht. Hij
was doodsbleek, zonder tranen, in een ijzige wanhoop, die hem
grooter schijnen deed. Bij het zien van deze heerlijke liefde, tot
in het diepst van zijn ziel geroerd door het leed van hun leven en de
schoonheid van hun dood, maakte hij een verheven gebaar van absolutie
en zegening, alsof hij, de Kerkvorst, die over den wil des hemels
beschikt, goedkeurde, dat deze beide geliefden, elkaar omhelzend,
voor het laatste gericht verschenen.
"Laat ze, laat ze, zuster! Stoor hen niet in hun slaap!... Laten
hun oogen open blijven, nu zij elkaar tot het einde der dagen willen
aanschouwen, zonder het ooit moede te worden. Laten zij in elkanders
armen slapen, nu zij gedurende hun leven niet gezondigd hebben en
zij zich slechts zóó omhelzen, om samen in de aarde te rusten."
En weer de Romeinsche prins met het trotsche, door oude gevechten en
hartstochten nog warme bloed wordend, voegde hij er aan toe:
"Twee Boccanera's kunnen zoo slapen; heel Rome zal ze bewonderen en
beweenen. Laat ze, laat ze, zuster. God kent ze en verwacht ze!"
Alle aanwezigen waren neergeknield, de kardinaal zelf sprak de gebeden
der dooden. De avond kwam, en in een toenemende duisternis hulde zich
de kamer, waarin weldra twee kaarsvlammen als twee sterren schitterden.
Zonder te weten hoe, bevond Pierre zich weer in het kleine,
verwaarloosde tuintje van het paleis aan den Tiber. Door moeheid
en verdriet benauwd en in een behoefte aan lucht was hij blijkbaar
naar beneden gegaan. De duisternis lag over het bekoorlijke hoekje,
over den ouden sarkophaag, waarin het dunne waterstraaltje, dat uit
het tragische masker stroomde, zijn schrille fluittonen zong; de
laurierboom, die hem overschaduwde, de taxis- en de oranjeappelboomen
waren onder den blauwzwarten hemel niet meer dan onduidelijke massa's.
O, hoe verkwikkend en vroolijk was die heerlijke, melancholieke tuin
's ochtends geweest! En welk een troosteloozen echo hadden de lachjes
van Benedetta nu achtergelaten, die heele uitgelaten vreugde over het
nabije geluk, dat daarboven nu in het Niet der dingen en schepselen
lag! En terwijl hij daar zat op dezelfde plaats, waar zij gezeten had,
op het omgevallen stuk zuil, in de lucht, welke zij ingeademd had en
die haar reinen geur van aanbiddelijke vrouw bewaarde, werd zijn keel
zóó pijnlijk dichtgesnoerd, dat hij in luide snikken uitbarstte.
Plotseling sloeg een torenklok in de verte zes uur. Pierre schrok
op: hij herinnerde zich, dat hij dienzelfden avond om negen uur door
den paus ontvangen zou worden. Nog drie uur. Hij had er gedurende de
vreeselijke catastrophe niet aan gedacht; het was alsof er maanden en
maanden verloopen waren. Met moeite kwam hij weer tot zichzelf. Binnen
drie uur zou hij naar het Vaticaan gaan, zou hij eindelijk den paus
spreken.