Pierre, die niets liever wilde dan zoo spoedig mogelijk een eind
maken aan de zaak, trachtte den volgenden dag reeds aan het werk te
gaan. Maar een twijfel had zich van hem meester gemaakt: bij wien
moest hij het eerst aankloppen, wien moest hij het eerst bezoeken,
wanneer hij in een zoo gecompliceerd en zoo ijdel milieu geen fout
wilde begaan? Toen hij zijn kamer verliet, zag hij toevallig don
Vigilio, den secretaris van den kardinaal, in de gang. Hij verzocht
hem even binnen te komen.
"U kunt mij een dienst bewijzen, mijnheer de abbé. Ik vertrouw me
geheel aan u toe; ik heb een raad noodig."
Hij voelde, dat deze kleine, magere man met zijn saffraan-kleurigen
tint, die steeds rilde van koorts, ondanks zijn overdreven en bange
omzichtigheid van alles op de hoogte, in alles betrokken was. Blijkbaar
om het gevaar zich moeilijkheden op den hals te halen, te ontloopen,
had hij Pierre tot dusverre, naar het scheen met opzet, vermeden. De
laatste dagen echter was hij minder schuw, vlamden zijn zwarte oogen
op, wanneer hij zijn buurman ontmoette, als had het ongeduld, waardoor
Pierre verteerd moest worden, nu hij zoo lang tot niets doen gedoemd
werd, zich ook van hem meester gemaakt. Hij trachtte dan ook niet
zich aan het gesprek te onttrekken.
"Neem me niet kwalijk," begon Pierre, "dat ik u in zoo'n wanorde
laat. Maar ik heb van ochtend weer linnengoed en winterkleeren uit
Parijs gekregen... Stel u voor, dat ik met een klein handkoffertje voor
veertien dagen gekomen ben, en nu ben ik al drie maanden hier, zonder
dat ik nog iets verder ben dan op den ochtend van mijn aankomst."
Don Vigilio schudde zachtjes het hoofd.
"Ja, ja, ik weet het."
Toen legde Pierre hem uit, dat hij, nu monsignor Nani hem door de
contessina had laten weten, dat hij, om zijn boek te verdedigen,
moest gaan handelen en iedereen gaan opzoeken, in de grootste
verlegenheid verkeerde, daar hij niet wist, hoe hij zijn bezoeken
regelen moest. Moest hij bijvoorbeeld het eerst naar monsignor Fornaro
gaan, die rapport over zijn boek moest uitbrengen?
"Wat," riep don Vigilio bevend uit, "is monsignor Nani zoover
gegaan, dat hij u dien naam genoemd heeft?... Dat is veel meer dan
ik verwacht had!"
Hij liet zich door zijn hartstocht medeslepen.
"Neen, neen, begin niet met monsignor Fornaro. Ga eerst een zeer
nederig bezoek brengen aan den praefect van de Indexcongregatie,
aan Zijne Eminentie kardinaal Sanguinetti, omdat hij het u nooit
vergeven zou, als hij te hooren kwam, dat u eerst bij een ander uw
opwachting gemaakt hebt..."
Hij hield even op en voegde er dan fluisterend en rillend van koorts,
aan toe:
"En hij zou het te hooren komen. Hier in Rome kom je alles te hooren."
Dan nam hij, als maakte zijn sympathie hem plotseling dapper, de
beide handen van den jongen, vreemden priester in de zijne.
"Mijn beste mijnheer Froment, ik zweer u, dat ik mij zeer gelukkig
voelen zal, wanneer ik u op de een of andere wijze kan helpen, want
u hebt een oprechte, eenvoudige ziel en ik heb werkelijk met u te
doen... Maar u moet mij niet het onmogelijke vragen. Wanneer u wist,
wanneer ik u alle gevaren toevertrouwde, die ons omringen... Toch
meen ik u op dit oogenblik nog te kunnen aanraden in geen enkel
opzicht te rekenen op mijn meester, Zijne Eminentie kardinaal
Boccanera. Verschillende malen heeft hij zich tegenover mij zeer
afkeurend over uw boek uitgelaten... Maar hij is een heilige,
een man van hoogen ziele-adel, en al verdedigt hij u niet, hij zal
u niet aanvallen, maar uit égard voor zijn nicht, de contessina,
die hij aanbidt en die u beschermt, neutraal blijven... Bepleit,
wanneer u hem ziet, uw zaak niet, dat zou u geen voordeel brengen en
hem slechts prikkelen."
Pierre voelde door die woorden geen al te groote teleurstelling,
want hij had na zijn eerste onderhoud met den kardinaal en later
bij de enkele bezoeken, die hij hem gebracht had, dadelijk begrepen,
dat hij in hem slechts een tegenstander vinden zou.
"Ik zal hem dan een bezoek brengen," zeide hij, "om hem te bedanken
voor zijn neutraliteit."
Doch onmiddellijk kwam bij don Vigilio de angst weer boven.
"Neen, neen, doe dat niet, hij zou misschien begrijpen, dat ik
gepraat had, en dan zou mijn positie leelijk gevaar loopen... Ik heb
niets gezegd, ik heb niets gezegd. Bezoek eerst de kardinalen, al de
kardinalen. Maar verder heb ik u niets gezegd, dat is afgesproken?"
Dien dag wilde hij niets meer zeggen. Bevend verliet hij de kamer,
terwijl hij met zijn vlammende, onrustige oogen rechts en links in
de gang rondkeek.
Onmiddellijk verliet Pierre het paleis, om een bezoek aan kardinaal
Sanguinetti te brengen. Het was tien uur; hij had dus kans hem thuis te
treffen. De kardinaal bewoonde, naast de kerk S. Luigi dei Francesi, in
een donkere, nauwe straat, de eerste verdieping van een klein paleis,
dat thans als huurhuis ingericht was. Het was niet de reusachtige,
vorstelijk-grootsche en zwaarmoedige ruïne, waarin kardinaal Boccanera
zich opsloot. De vroegere, voorgeschreven galavertrekken waren,
evenals de geheele huishouding, beperkt. Er was geen troonzaal meer,
er hing geen groote, roode kardinaalshoed meer onder een baldakijn,
geen tegen den muur gekeerde fauteuil stond meer op de komst van den
paus te wachten. Twee in elkaar loopende, als antichambres dienende
kamers, een salon, waarin de kardinaal ontving--en dat alles zonder
eenigen luxe, zonder comfort zelfs. De meubelen waren in empire-stijl,
de tapijten en het behang zaten vol stof en waren door het gebruik
verkleurd.
Het duurde lang, voordat er open gedaan werd, en toen eindelijk een
knecht, die, zonder zich te haasten, zijn vest aantrok, de deur op
een kiertje opende, antwoordde hij slechts, dat Zijne Eminentie den
vorigen dag naar Frascati gegaan was.
Toen herinnerde Pierre zich, dat kardinaal Sanguinetti in den omtrek
van Rome een diocees had. Hij bezat in Frascati een villa, waarin
hij meermalen een paar dagen ging doorbrengen, wanneer hij behoefte
had aan rust of een politieke reden hem daartoe noopte.
"En komt Zijne Eminentie gauw terug?"
"Dat is niet te zeggen... Zijne Eminentie is ziek en heeft opdracht
gegeven, niemand naar hem toe te sturen, die hem daar lastig zou
kunnen vallen."
Toen Pierre weer op straat was, voelde hij zich door dien eersten
tegenslag geheel van streek. Zou hij zich, daar de zaken drongen,
onmiddellijk naar Fornaro begeven, die hier vlak bij op de piazza
Navona woonde? Maar hij herinnerde zich, dat don Vigilio hem aangeraden
had eerst de kardinalen te bezoeken; hij kreeg een ingeving en
besloot dadelijk naar kardinaal Sarno te gaan, met wien hij op de
Maandagsche recepties van donna Serafina kennis gemaakt had. Ondanks
zijn vrijwillig op den achtergrond blijven, beschouwde iedereen hem als
een der machtigste en meest te duchten leden van het Heilig Concilie,
wat zijn neef, Narcisse Habert, niet belette te verklaren, dat hij
niemand kende, die voor vraagstukken, welke niet tot zijn gewone
bezigheden behoorden, onverschilliger was dan zijn oom. Al maakte hij
geen deel uit van de Indexcongregatie, toch zou hij hem goeden raad
kunnen geven en zijn grooten invloed op zijn collega's doen gelden.
Pierre begaf zich regelrecht naar het paleis der propaganda, waar hij
zeker was den kardinaal te zullen aantreffen. Dit paleis, waarvan
men den zwaren gevel van af de piazza di Spagna zien kan, is een
reusachtig, kaal en plomp gebouw, dat een geheelen hoek tusschen
twee straten inneemt. Pierre, die thans de nadeelen van zijn slecht
Italiaansch voelde, raakte erin verdwaald en liep trappen op, die hij
onmiddellijk daarop weer af moest gaan. Eindelijk had hij het geluk
den secretaris van den kardinaal, een vriendelijken jongen priester,
dien hij reeds in den palazzo Boccanera gezien had, te ontmoeten.
"Zeker, zeker. Ik zou niet weten waarom Zijne Eminentie u niet zou
willen ontvangen. U hebt er heel goed aan gedaan op dit uur te komen,
want dan is hij altijd hier... Wees zoo goed mij te volgen."
Het werd een nieuwe tocht. Kardinaal Sarno, die langen tijd secretaris
der Propaganda was geweest, bekleedde nu in zijn qualiteit van
kardinaal het voorzitterschap der commissie, die den eeredienst
organiseerde in de voor het Katholicisme nieuw veroverde landen in
Europa, Afrika, Amerika en Oceanië. Als zoodanig had hij daar een
werkkamer, een bureau, een heele administratie, waar hij heerschte
als een maniak ambtenaar, die oud geworden was op zijn leeren stoel
zonder ooit buiten den engen kring van zijn groene dossiers te komen,
zonder van de wereld iets anders te kennen dan de straat, waarin de
voetgangers en rijtuigen onder zijn raam voorbijgingen.
Aan het einde van een donkere gang, waarin zelfs bij vollen dag licht
branden moest, verzocht de secretaris Pierre even op een bankje plaats
te nemen. Na een groot kwartier kwam hij terug.
"Zijne Eminentie is op het oogenblik in conferentie met zendelingen,
die eerstdaags zullen vertrekken. Maar het zal niet lang duren. Hij
heeft mij gevraagd u te verzoeken zoolang in zijn kabinet te wachten."
Toen Pierre alleen in het kabinet was, nam hij nieuwsgierig de
inrichting ervan op. Het was een tamelijk groot vertrek, zonder
eenigen luxe, met een groen behang en groene damastmeubelen van
zwart hout. De twee ramen, die op een smal zijstraatje uitzagen,
verlichtten slechts half de sombere muren en het verschoten tapijt;
behalve de twee wandtafeltjes stond er in het vertrek alleen maar een
bureau, een eenvoudige houten tafel met een geheel versleten blad,
dat bovendien geheel schuil ging onder dossiers en paperassen. Hij
ging er wat dichter bij staan en keek naar den door het vele gebruik
ingezakten bureaustoel, naar het scherm, dat ervoor stond, naar den
met inktvlekken bespatten inktkoker. Dan begon hij in de zware, doode
atmospheer, die op hem drukte, in de groote, angstaanjagende stilte,
die alleen door de gedempte straatgeluiden gestoord werd, ongeduldig
te worden.
Al op en neer loopende, werd Pierre's aandacht getrokken door een
kaart, die aan den muur hing en hem zóó met gedachten vervulde,
dat hij al het andere vergat. Het was een gekleurde kaart van de
Katholieke wereld, de geheele aarde, de afgerolde wereldkaart, waarop
de verschillende kleuren de gebieden aangeven, al naar gelang zij tot
het overwinnend, onbeperkt heerschend of aan het nog steeds in strijd
met de ongeloovigen zijnde Katholicisme behoorden. De laatste landen
waren naar gelang van de organisatie in vicariaten of praefecturen
verdeeld. Was dit geheel eigenlijk niet een graphische voorstelling
van het geheele, eeuwenoude streven van het Katholicisme naar de
wereldheerschappij, die het van af het eerste oogenblik gewild had, die
het door alle eeuwen heen nooit opgehouden heeft te willen? God heeft
de wereld aan Zijn Kerk gegeven, maar zij moet die wel gewelddadig
in bezit nemen, daar de dwaling nog steeds hardnekkig heerschen
blijft. Vandaar de voortdurende strijd, vandaar dat de volkeren in onze
dagen nog betwist worden aan vijandelijke godsdiensten, evenals in den
tijd, dat de apostelen Judea verlieten, om het Evangelie te verbreiden.
Gedurende de Middeleeuwen bestond de groote taak in het organiseeren
van het veroverde Europa, zonder dat men zelfs een poging doen kon,
om zich met de Oostersche afgescheiden Kerken te verzoenen. Daarna
kwam de Hervorming, volgde het eene schisma op het andere--de
Protestantsche helft van Europa en het geheele orthodoxe Oosten
moesten heroverd worden. Maar met de ontdekking der Nieuwe Wereld
ontwaakte de krijgslust weder, streefde Rome met al zijn eerzucht
ernaar deze tweede helft der aarde ook in zijn bezit te krijgen, werden
missies uitgezonden, om deze gisteren nog onbekende volkeren aan God te
onderwerpen, want Hij had ze evenals de andere aan Rome geschonken. Zoo
had zich de groote, tegenwoordige splitsing der Christenheid als van
zelf gevormd: eenerzijds de Katholieke naties, bij wie het geloof
slechts behoefde onderhouden te worden en die door het in het Vaticaan
ondergebrachte Staatssecretariaat geleid werden; aan de andere zijde
de schismatieke of nog eenvoudige heidensche naties, die in den
schoot der Kerk gebracht of bekeerd moesten worden en waarover de
congregatie der Propaganda trachtte te heerschen. Vervolgens had die
congregatie zich op haar beurt in twee afdeelingen moeten splitsen,
om het werk wat makkelijker te maken: de Oostersche afdeeling,
die speciaal belast was met de dissidente secten in het Oosten,
en de Latijnsche afdeeling, wier werkzaamheid zich over alle andere
missielanden uitstrekt. Het is een grootsch ensemble van overwinnende
organisatie, een reusachtig net met sterke dichte mazen, dat over de
wereld geworpen wordt en geen enkele ziel moet laten ontsnappen.
Eerst nu, vóór deze kaart, kreeg Pierre een duidelijke voorstelling
van deze sedert eeuwen werkende en tot het opzuigen der menschheid
vervaardigde machine. De door de pausen rijk begiftigde en over een
reusachtig inkomen beschikkende Propaganda scheen hem als het ware
een afzonderlijke macht, een pausdom in een pausdom; hij begreep nu
waarom aan den praefect der congregatie de naam "roode paus" gegeven
werd. Over welk een onbeperkte macht beschikte niet deze veroveraar
en heerscher, wiens handen van het eene einde der wereld tot het
andere reikten? Had hij, terwijl de kardinaal-secretaris Centraal
Europa, dat zoo kleine stukje van de aardbol, bezat, niet de geheele
rest, eindelooze ruimten, de verre, nog onbekende streken? De cijfers
bevestigden het: Rome heerschte onbeperkt slechts over ruim tweehonderd
millioen Roomsch-apostolische Katholieken, terwijl de schismatici,
die van het Oosten en die der Hervorming, wanneer men ze optelde, dit
getal reeds overschreden. En welk een reusachtig verschil werd het,
indien men daarbij het milliard ongeloovigen voegde, wier bekeering
nog volgen moest!
Plotseling werd hij zoo door die cijfers getroffen, dat een rilling hem
doorhuiverde. Was het dan waar? Er waren vijf millioen Joden, bijna
tweehonderd millioen Mohammedanen, meer dan zevenhonderd millioen
Brahmanen en Boeddhisten, ongerekend de honderd millioen andere
heidenen van alle godsdiensten, te zamen een milliard, waartegenover
de Christenen niets meer dan vierhonderd millioen konden stellen,
en deze nog onderling verdeeld, in voortdurenden strijd--de eene
helft met Rome, de andere tegen Rome! Was het mogelijk, dat Christus
in achttien eeuwen nog niet het derde gedeelte van de menschheid,
dat het eeuwige, almachtige Rome nog niet het zesde gedeelte der
volkeren aan zich onderworpen had? Eén ziel van de zes gered, welk een
verschrikkelijke verhouding! Maar de kaart sprak onomwonden; het met
rood aangegeven rijk van Rome was slechts een in de ruimte verloren
punt, wanneer men het vergeleek met het geel gekleurde rijk der andere
goden, de eindelooze streken, die de Propaganda nog te onderwerpen had.
De vraag drong zich nu op: hoeveel eeuwen zouden er moeten verloopen,
vóórdat de beloften van Christus in vervulling zouden gaan, voor
de geheele aarde aan zijn wet onderworpen zou zijn en de religieuse
maatschappij de burgerlijke weer dekken en samen slechts één geloof en
één rijk vormen zouden? En door welk een verbazing werd men bij deze
vraag, bij deze reusachtige, nog te vervullen taak aangegrepen, wanneer
men aan de kalme rust van Rome, aan zijn geduldige hardnekkigheid
dacht, die nooit getwijfeld heeft, die thans minder dan ooit
twijfelt. Het is door zijn bisschoppen en zijn zendelingen steeds
aan den arbeid, wordt nooit moede en doet in de niet aan het wankelen
te brengen overtuiging, dat slechts Rome alleen eens de meester der
wereld zijn zal, zijn werk zonder onderbreking, evenals het oneindig
kleine de wereld geschapen heeft!
O, Pierre zag en hoorde, hoe dit zich voortdurend op marsch
bevindend leger aan de overzijde der zeeën door alle landen heen
de politieke verovering in naam van den godsdienst voorbereidde en
verzekerde. Narcisse had hem verteld, hoe zorgvuldig de ambassades te
Rome de handelingen der Propaganda moesten nagaan, want de missies
in die verre landen waren dikwijls nationale werktuigen, die een
grooten invloed uitoefenden. De geestelijke heerschappij verzekerde
de wereldlijke, de veroverde zielen gaven de lichamen. Er werd dan
ook een aanhoudende strijd gevoerd, waarin de congregatie aan de
zijde stond der Italiaansche zendelingen of van die der verbonden
naties, welker overwinning zij wenschte. Steeds was zij ijverzuchtig
geweest op haar concurrent, de Propagation de la Foi te Lyon, die
even rijk en even machtig is als zij, maar over meer energieke en
dappere mannen beschikt. Zij stelde zich er niet mede tevreden haar
reusachtige belastingen op te leggen, maar zij werkte haar tegen,
offerde haar desnoods op, wanneer zij haar overwinning vreesde.
Meermalen waren Fransche zendelingen en Fransche orden verjaagd en
hadden plaats moeten maken voor Italiaansche of Duitsche monniken. En
thans voelde Pierre dezen geheimen haard van politieke intrigues in dit
sombere, stoffige vertrek, dat nooit door de zon opgevroolijkt werd. En
weer doorrilde hem zijn oude huivering, die huivering voor dingen,
die men weet, doch die u plotseling monsterachtig en angstaanjagend
toeschijnen. Moest dit in de geheele wereld georganiseerde en met een
eeuwige hardnekkigheid in tijd en ruimte functioneerend werktuig van
verovering en geweld niet de verstandigsten in de war brengen, niet
de dappersten doen verbleeken? Het was niet tevreden met de zielen,
maar werkte aan zijn toekomstige heerschappij over alle menschen,
beschikte over hen, daar het hen nog niet voor zichzelf kon nemen,
en stond ze af aan den wereldlijken meester, die hen zoolang bewaren
zou. Welk een wonderlijken droom: Rome wacht met glimlachende kalmte
op de eeuw, dat het de tweehonderd millioen Mohammedanen en de
zevenhonderd millioen Brahmanen en Boeddhisten opgezogen zal hebben
in één enkel volk, waarvan het de geestelijke en wereldlijke koning
zijn zal in naam van den triompheerenden Christus!
Een gehoest deed Pierre omkijken; hij huiverde, toen hij kardinaal
Sarno, dien hij niet had hooren binnenkomen, zag. Nu hij daar zoo
voor die kaart staande aangetroffen werd, kreeg hij een gevoel,
alsof men hem betrapte, terwijl hij bezig was iets kwaads te doen,
een geheim te schenden. Een diepe blos kwam op zijn gelaat.
Maar de kardinaal, die hem met zijn doffe oogen strak had aangekeken,
liet zich, zonder een woord te zeggen, in zijn fauteuil vallen. Met
een handbeweging had hij hem van den ringkus ontslagen.
"Ik wilde mijn opwachting maken bij Uwe Eminentie... Voelt Uwe
Eminentie zich ziek?"
"Neen, neen, maar ik kan maar niet afkomen van die beroerde
verkoudheid. En bovendien heb ik het op het oogenblik heel druk."
Pierre keek hem aan; in het schemerlicht, dat door het raam binnenviel,
zag hij er met zijn linkerschouder, die hooger was dan zijn rechter,
zoo kwijnend en mismaakt uit. In zijn uitgemergeld, aardkleurig gelaat
was niets levends meer, zelfs zijn blik niet. Hij dacht plotseling aan
een van zijn ooms te Parijs, die, nadat hij dertig jaar in het bureau
van een ministerie had doorgebracht, dienzelfden dooden blik, diezelfde
perkamenten huid, diezelfde moede wezenloosheid had. Kon het eigenlijk
wel mogelijk zijn, dat deze uitgedroogde en in zijn roodomzoomde,
zwarte soutane als het ware zwemmende grijsaard de meester der wereld
was en zonder Rome ooit verlaten te hebben, de kaart der Christenheid
zóó in zich opgenomen had, dat de praefect der Propaganda geen enkel
besluit nam, alvorens hij zijn advies ingewonnen had?
"Ga een oogenblik zitten, mijnheer de abbé... U hebt mij zeker iets
te vragen, dat u mij komt bezoeken..."
En terwijl hij in een luisterende houding zitten ging, bladerde
hij met zijn magere vingers in de voor hem opgestapelde dossiers,
wierp een blik in ieder stuk als een generaal, als een ervaren en
kundig tacticus, wiens leger zich ergens in de verte bevindt en die
het uit zijn studievertrek ter overwinning voert, zonder ooit een
minuut te verliezen.
Pierre, die een oogenblik verlegen was, nu hij het zelfzuchtige doel
van zijn bezoek zoo duidelijk geformuleerd hoorde worden, besloot
met de deur in huis te vallen.
"Inderdaad, ik ben zoo vrij van de groote wijsheid van Uwe Eminentie
raad te komen vragen. Uwe Eminentie zal het niet onbekend zijn,
dat ik te Rome ben, om mijn boek te verdedigen. Ik zou zeer gelukkig
zijn, indien Uwe Eminentie mij zou willen leiden en met haar ervaring
bijstaan."
In enkele woorden vertelde hij hem, hoe het met zijn zaak, die hij
tegelijk verdedigde, stond. Maar naar mate hij verder sprak, zag hij,
hoe de kardinaal alle belangstelling verloor, aan iets anders dacht,
hem niet meer verstond.
"Ach ja, u hebt een boek geschreven; als ik mij goed herinner, is daar
op een avond bij donna Serafina over gesproken... Dat is verkeerd,
een priester moet niet schrijven. Waartoe dient dat?... En wanneer
de Indexcongregatie het vervolgt, heeft zij daar zeker groot gelijk
in. Wat kan ik in deze zaak doen? Ik ben geen lid der Congregatie,
ik weet niets, absoluut niets."
Vergeefs trachtte Pierre, die zijn teleurstelling den kardinaal
zoo gesloten en onverschillig te vinden, niet bedwingen kon, hem
belangstelling in te boezemen. Hij merkte, dat deze geest, die op het
gebied, waarop hij zich sedert veertig jaar bewoog, zoo veelomvattend
en scherpzinnig was, stomp werd, zoodra hij zich van dat speciale
gebied verwijderde. Hij was noch nieuwsgierig noch soepel. Uit zijn
oogen verdween alles wat op leven geleek, zijn schedel scheen nog
dieper ingedrukt te worden, zijn geheele gelaatsuitdrukking kreeg
iets imbeciels.
"Ik weet niets, ik kan niets," herhaalde hij. "Ik beveel nooit
iemand aan."
Toch trachtte hij iets te doen.
"Maar Nani zit erachter. Wat raadt Nani u aan te doen?"
"Monsignor Nani is zoo vriendelijk geweest mij den naam van den
rapporteur, monsignor Fornaro, te noemen en heeft mij aangeraden hem
te bezoeken."
De kardinaal scheen verbaasd en als het ware wakker te worden. Er
kwam wat licht in zijn oogen terug.
"Zoo, zoo, werkelijk... Als Nani dat gedaan heeft, dan zal hij daar
zijn reden wel voor hebben. Ga naar monsignor Fornaro."
Hij was opgestaan ten bewijze, dat de audiëntie afgeloopen was, waarop
Pierre met een diepe buiging zijn dank betuigde. Zonder hem naar de
deur te brengen, ging hij weer zitten en in het doode vertrek was
niets meer te hooren dan het droge geluid van zijn knokige vingers,
die in de dossiers bladerden.
Gewillig volgde Pierre zijn raad op. Hij besloot op zijn terugweg naar
de Via Giulia over de piazza Navona te gaan. Maar bij Monsignor Fornaro
zeide een knecht hem, dat zijn heer was uitgegaan en dat hij zich,
als hij hem spreken wilde, vroegtijdig, om tien uur, moest laten
aandienen. Hij kon dan ook eerst den volgenden ochtend ontvangen
worden. Hij had voordien zorg gedragen omtrent den prelaat iets te
weten te komen, zoodat hij het voornaamste van hem wist: hij was in
Napels geboren, was zijn studies begonnen bij de Barnabietenpaters
in die stad en had die op het seminarie te Rome voltooid. Daarna
was hij langen tijd professor aan de Gregoriaansche universiteit
geweest. Thans was monsignor Fornaro raadgever bij verschillende
congregaties, kanunnik van de S. Maria Maggiore, werd verteerd door de
eerzucht eenmaal kanunnik van de St. Pieter te worden, en koesterde
den droom eens secretaris van het consistorie te worden--een ambt,
dat hem later het purper geven zou. Het eenige wat men hem, die voor
een bijzonder knap theoloog doorging, verwijten kon, was, dat hij te
veel aan litteratuur deed, hij schreef namelijk veel artikelen voor
godsdienstige tijdschriften, die hij echter zoo verstandig was niet
te teekenen. Ook zeide men, dat hij zeer mondain was.
Zoodra Pierre zijn kaartje had laten overhandigen, werd hij ontvangen,
en misschien zou het vermoeden bij hem opgekomen zijn, dat hij verwacht
werd, wanneer de ontvangst, die hem van de zijde van den prelaat
ten deel viel, niet getuigd had van de meest oprechte verrassing,
gepaard met eenige ongerustheid.
"Mijnheer de abbé Froment, mijnheer de abbé Froment," herhaalde de
prelaat, terwijl hij naar het kaartje, dat hij in zijn hand gehouden
had, keek. "Kom binnen, als het u blieft. Ik had eigenlijk niemand
willen ontvangen, want ik heb zeer dringend werk... Maar het komt er
niet op aan, ga zitten!"
Maar Pierre bleef vol bewondering voor dezen knappen, grooten en
sterken man, die in de kracht van zijn leven was, staan. Blozend,
gladgeschoren, met nauwlijks grijzende haren had hij een vriendelijken
neus, vochtige lippen, liefkoozende oogen, in het kort alles wat
den Romeinschen prelaat verleidelijk en decoratief maken kan. In
zijn zwarte soutane met lila kraag zag hij er zeer gesoigneerd en
eenvoudig-elegant uit. Het groote vertrek, waarin hij ontving, en dat
door twee op de piazza Navona uitziende ramen vroolijk verlicht en met
een thans bij de Romeinsche geestelijkheid weinig voorkomenden smaak
gemeubileerd was, was een waardige omlijsting voor den opgewekten en
hartelijk ontvangenden prelaat.
"Ga toch zitten, mijnheer Froment, en vertel me, waaraan ik de eer
van uw bezoek te danken heb."
Hij was zelf ook weer gaan zitten; en Pierre voelde zich bij die
natuurlijke vraag, welke hij had moeten voorzien, plotseling verlegen
worden. Zou hij onmiddellijk op de zaak ingaan, het teere motief van
zijn bezoek bekennen? Hij voelde, dat het de snelste en waardigste
weg was.
"O, monsignor, ik weet heel goed, dat wat mij tot u voert, iets zeer
ongewoons is. Maar men heeft mij aangeraden dezen stap te doen en
het komt mij voor, dat het tusschen eerlijke menschen nooit kwaad
kan zijn de waarheid in volle oprechtheid te zoeken."
"Maar wat dan, wat dan?" vroeg de prelaat met een volkomen onschuldig
gezicht, terwijl zijn glimlach hem geen oogenblik verliet.
"Welnu dan, ik heb gehoord, dat de Indexcongregatie u opgedragen
heeft rapport uit te brengen over mijn boek Het Nieuwe Rome; en nu
neem ik de vrijheid mij te komen voorstellen voor het geval, dat u
eenigen naderen uitleg aan mij te vragen hebt."
Maar monsignor Fornaro scheen er niets verder over te willen
hooren. Hij bracht zijn beide handen aan zijn hoofd en ging, hoewel
nog altijd beleefd, wat achteruit.
"Neen, neen, vertel me dat niet, zeg niets verder, daar zoudt u mij
groot verdriet mede doen... Laten we aannemen, dat men u verkeerd
heeft ingelicht, want men moet niets weten, weet ook niets, de
anderen evenmin als ik... Laten we om Godswil niet meer over die
dingen praten."
Gelukkig kreeg Pierre, die de uitwerking gemerkt had, welke de naam
van den assessor van het Heilig College gemaakt had, den inval te
antwoorden:
"Zeker, monsignor, ik ben niet van plan u den minsten overlast te
veroorzaken, en ik herhaal u, dat ik mij nooit de vrijheid veroorloofd
zou hebben u lastig te vallen, indien niet monsignor Nani zelf mij
uw naam en uw adres gegeven had."
Ook ditmaal liet de uitwerking niet op zich wachten, ook al gaf
monsignor Fornaro niet dadelijk toe.
"Wat, is monsignor Nani zoo onbescheiden geweest! Ik zal hem een
standje moeten geven... En wat weet hij ervan? Hij behoort niet tot
de congregatie, hij kan op een dwaalspoor gebracht zijn... Zeg hem,
dat hij zich vergist heeft, dat ik niets met deze zaak te maken heb;
dat zal hem leeren, dat hij geen geheimen, die door allen geëerbiedigd
moeten worden, moet verraden."
Dan voegde hij er vriendelijk met zijn liefkoozende oogen en zijn
glimlachenden mond aan toe:
"Enfin, nu monsignor Nani het wenscht, wil ik wel een oogenblik met u
praten, mijnheer Froment, onder voorwaarde, dat u van mij niets zult
hooren over mijn rapport, noch over wat in de congregatie gedaan of
gezegd kan zijn."
Op zijn beurt moest nu Pierre glimlachen, want hij verwonderde er
zich over hoe makkelijk dadelijk alles werd, wanneer de schijn en de
vormen maar gered werden. En hij begon nogmaals zijn geval uit te
leggen, schilderde hem de groote verbazing, waarin het proces, dat
zijn boek aangedaan was, hem geworpen had, de onwetendheid, waarin
hij nog verkeerde omtrent de grieven, waarnaar hij nog altijd zocht,
zonder ze te kunnen vinden.
"Zoo, zoo!" zeide de prelaat, verbaasd over zooveel naïeveteit. "De
congregatie is een rechtbank en kan niet handelen, wanneer een zaak
niet aanhangig bij haar gemaakt wordt. Uw boek wordt vervolgd, omdat
men het aangegeven heeft."
"Ja, ik weet het, aangegeven."
"Zeker, de klacht is door drie Fransche bisschoppen ingediend--u
zult mij niet kwalijk nemen, dat ik de namen verzwijg--en dan moet
de congregatie tot onderzoek van het geïncrimineerde werk overgaan."
Pierre keek hem vol verbazing aan. Aangeklaagd door drie bisschoppen,
en waarom, met welk doel?
Dan dacht hij aan zijn beschermer.
"Maar kardinaal Bergerot heeft mij een goedkeurenden brief geschreven,
dien ik als voorwoord in mijn boek heb laten drukken. Was dat geen
voldoende waarborg voor het Fransche episcopaat?"
Fijntjes schudde monsignor Fornaro zijn hoofd, vóór hij antwoordde:
"O, ja zeker! De brief van Zijne Eminentie, een heel mooie
brief... Toch geloof ik, dat hij beter gedaan zou hebben dien niet
te schrijven, zoowel voor hem zelf als vooral voor u."
En toen de priester, wiens verbazing steeds toenam, hem tot een nadere
verklaring dwingen wilde, voegde hij eraan toe:
"Neen, neen, ik weet niets, ik zeg niets... Zijne Eminentie kardinaal
Bergerot is een heilige, die door iedereen vereerd wordt, en wanneer
hij zondigen kon, dan zou men daarvan alleen zijn hart een verwijt
kunnen maken."
Er volgde een stilte. Pierre had een gevoel, alsof zich een afgrond
voor hem opende. Hij durfde niet aandringen, maar zeide met eenige
heftigheid:
"Maar waarom mijn boek en waarom niet de boeken der anderen? Ik denk
er niet over op mijn beurt als aanklager op te treden, maar hoeveel
boeken ken ik niet, waarvoor Rome de oogen sluit en die heel wat
gevaarlijker zijn dan het mijne!"
Ditmaal scheen monsignor blijde te zijn zich bij Pierre's meening te
kunnen aansluiten.
"U hebt groot gelijk, wij weten heel goed, dat wij niet alle slechte
boeken kunnen bereiken, en dat spijt ons genoeg. Maar u moet eens
denken aan het ontelbaar aantal boeken, dat wij gedwongen zouden zijn
te lezen. Daarom veroordeelen wij de slechtste en bloc."
Hij ging nader op die quaestie in. In principe moesten de drukkers geen
boek op de pers leggen, zonder het van te voren aan de goedkeuring van
den bisschop onderworpen te hebben. Maar in welke groote verlegenheid
zouden de bisschoppen geraken, wanneer de drukkers zich bij de
tegenwoordige reusachtige boekenproductie, plotseling naar dien regel
gingen schikken. Men zou voor dat kolossale werk geen tijd, geen
geld en niet genoeg geschikte menschen hebben. Daarom veroordeelde
de Indexcongregatie de verschenen of nog te verschijnen boeken van
sommige categorieën geheel en al, zonder ze te onderzoeken: in de
eerste plaats alle voor de zeden gevaarlijke boeken, alle erotische
boeken, alle romans; vervolgens alle Bijbels in de gewone talen,
want de Heilige Boeken mogen maar niet zonder onderscheid toegestaan
worden; ten slotte alle duivelskunstenboeken, alle wetenschappelijke,
geschiedkundige en wijsgeerige boeken, die met het dogma in strijd
zijn, alle boeken van ketters of eenvoudige geestelijken, die den
godsdienst betreffen. Dat waren verstandige, door verschillende
pausen overgenomen wetten, waarvan het exposé als voorrede diende
voor den catalogus van verboden boeken, dien de congregatie uitgaf,
en zonder welke deze catalogus, wilde men hem volledig hebben, alleen
een heele bibliotheek gevuld zou hebben. In één woord, wanneer men
hem doorbladerde, merkte men dadelijk, dat het interdict vooral werken
van priesters betrof, daar Rome er zich, gezien de moeilijkheid en het
reusachtige van de taak, slechts om bekommerde zorg te dragen voor de
goede orde in de Kerk. Dat was ook het geval met Pierre en zijn boek.
"U begrijpt," ging monsignor Fornaro voort, "dat we voor een hoop
ongezonde boeken geen reclame gaan maken door ze de eer van een
afzonderlijke veroordeeling aan te doen. Er zijn er legioenen bij
alle volkeren, en wij zouden geen papier en geen inkt genoeg hebben,
om ze alle te bereiken. Wij bepalen er ons toe er een te treffen,
wanneer het door een beroemden naam geteekend is, wanneer er te veel
over gesproken wordt of wanneer het ergerlijke aanvallen bevat tegen
het geloof. Dat is voldoende om er de menschheid aan te herinneren,
dat wij bestaan en ons verdedigen, zonder in het minst iets van onze
rechten of van onze plichten prijs te geven."
"Maar mijn boek, mijn boek?" riep Pierre uit; "waarom die vervolging
tegen mijn boek?"
"Maar dat leg ik u toch, voor zoover het mij geoorloofd is, uit,
mijn beste mijnheer Froment. U is priester, uw boek heeft succes,
u hebt een goedkoope editie gegeven, die goed verkocht wordt--en nu
spreek ik niet over de letterkundige verdienste, die werkelijk zeer
opmerkelijk is, want ik maak u mijn compliment over den dichterlijken
ademtocht, die door het geheele werk gaat. Maar hoe zou het mogelijk
zijn, dat wij in die omstandigheden onze oogen sloten voor een werk,
waarin u concludeert tot de vernietiging van onzen heiligen godsdienst
en tot de verwoesting van Rome?"
Pierre bleef, als verstikt door verwondering, met open mond zitten.
"De verwoesting van Rome? Groote God, maar ik wil Rome juist verjongd,
eeuwig, de koningin der wereld!"
En opnieuw aangegrepen door zijn brandende geestdrift, verdedigde hij
zich, legde hij opnieuw zijn geloofsbekentenis af: het Katholicisme
moest terugkeeren tot de oorspronkelijke Kerk, nieuwe krachten putten
uit het broederlijke Christendom van Jezus, de paus moest, van alle
aardsche hoogheid bevrijd, door barmhartigheid en liefde heerschen
over de geheele menschheid, de wereld redden van de vreeselijke
sociale crisis, die haar bedreigde, om haar te brengen tot het ware
koninkrijk Gods, tot de Christelijke gemeenschap van alle tot één
volk vereenigde volkeren.
"Kan de Heilige Vader mijn boek veroordeelen? Zijn het niet zijn
geheime ideeën, die men begint te raden? En zou het mijn eenige fout
niet zijn, dat ik ze te vroeg en te vrij uitgesproken heb? Zou ik,
indien men mij toestond hem te spreken, niet onmiddellijk van hem
verkrijgen, dat de vervolging gestaakt werd?"
Monsignor Fornaro zeide niets meer, schudde zijn hoofd,
zonder zich boos te maken over de jeugdige onstuimigheid van
den priester. Integendeel hij glimlachte met een toenemende
vriendelijkheid, als schepte hij vermaak in zooveel onschuld en
dweperij.
"Vooruit maar, vooruit maar!" zeide hij eindelijk vroolijk. "Ik zal
u niet tegenhouden. Het is mij verboden iets te zeggen... Maar het
wereldlijk gezag, het wereldlijk gezag..."
"En wat wil dat wereldlijk gezag?"
Weer zeide de prelaat niets. Hij keek naar boven en speelde met zijn
blanke handen. Toen hij weer begon te spreken, was het alleen om er
aan toe te voegen:
"En dan is er nog uw nieuwe godsdienst... Want het woord nieuwe
godsdienst, nieuwe godsdienst komt tweemaal in uw boek voor..."
Hij wond zich nog meer op, raakte zoo buiten zichzelf, dat Pierre,
door ongeduld aangegrepen, uitriep:
"Ik weet niet, hoe uw rapport luiden zal, monseigneur, maar ik
verzeker u, dat het nooit in mijn bedoeling gelegen heeft het dogma
aan te vallen. Dat blijkt waarachtig toch wel uit mijn heele werk,
ik heb alleen een boek van erbarmen en redding willen geven. Het is
niet meer dan billijk ook met de bedoelingen rekening te houden."
Monsignor Fornaro was weer kalm geworden en zeide op vaderlijken toon:
"O, de bedoelingen, de bedoelingen!"
Hij stond op, ten teeken, dat hij het onderhoud als geëindigd
beschouwde.
"Wees ervan overtuigd, mijn waarde mijnheer Froment, dat ik mij zeer
vereerd gevoel, dat u zich tot mij gewend heeft... Natuurlijk kan ik
u niet zeggen, hoe mijn rapport zal uitvallen; wij hebben er trouwens
al te veel over gesproken en ik had eigenlijk moeten weigeren naar
uw verdediging te luisteren. Maar desniettemin ben ik gaarne bereid
u in alles, wat niet indruischt tegen mijn plicht, te helpen... Maar
ik vrees voor uw boek het ergste."
En toen Pierre opnieuw beginnen wilde, voegde hij er aan toe:
"Ach ja... De feiten worden beoordeeld en niet de bedoelingen. Iedere
verdediging is dus nutteloos, het boek bestaat en is wat het is. U kunt
het net zooveel verklaren en uitleggen als u wilt, maar veranderen
kunt u het niet meer... Daarom hoort de congregatie de aangeklaagden
nooit, aanvaardt zij van hen slechts de eenvoudige herroeping. Het
verstandigste wat u nog doen kunt, is uw boek te herroepen, u te
onderwerpen... Wilt u dat niet? Ach, wat zijt ge nog jong, vriendlief!"
Hij lachte nog luider om het gebaar van verzet, van ontembaren trots,
dat zijn jonge vriend, zooals hij hem noemde, niet bedwingen kon. Dan
bij de deur, in een nieuwe opwelling van sympathie, terwijl hij zijn
stem deed dalen:
"Kom, vriendlief, ik wil iets voor u doen, ik zal u een goeden raad
geven... Eerlijk gezegd, beteeken ik niets. Ik lever mijn rapport in,
het wordt gedrukt, men leest het, zonder dat men er eenige waarde aan
behoeft te hechten... De secretaris der Congregatie, pater Dangelis,
daarentegen kan alles, zelfs het onmogelijke... Ga hem opzoeken in
het klooster der Dominicanen achter de piazza di Spagna... Maar noem
mijn naam niet. Tot ziens, waarde heer, tot ziens!"
Als verdoofd stond Pierre weer op de piazza Navona; hij wist niet meer,
wat hij gelooven en hopen moest. Een laffe gedachte maakt zich van
hem meester: waarom dezen strijd, waarin de tegenstanders onbekend
en ongrijpbaar bleven, voortzetten? Waarom nog langer blijven in dit
bedriegelijke Rome? Hij zou vluchten, nog denzelfden avond naar Parijs
terugkeeren, dan verdwijnen en er in de uitoefening van de nederigste
naastenliefde troost zoeken voor zijn bittere teleurstellingen. Het
was een van die oogenblikken van hulpeloosheid, waarin de zoo lang
gedroomde taak onmogelijk schijnt. Maar ondanks zijn verwarring ging
hij toch op zijn doel af. Toen hij op den Corso, dan in de Via dei
Condotti en eindelijk op de piazza di Spagna gekomen was, besloot
hij nog een bezoek te brengen aan pater Dangelis. Het klooster der
Dominicanen ligt daar onder de S. Trinità dei Monti.
O, die Dominicanen! Hij had nooit zonder een zekeren, met eenigen
schrik vermengden eerbied aan hen gedacht. Welke een krachtigen
steun hadden zij zich steeds voor de autoritaire en theocratische
idee getoond! Hun dankte de Kerk haar meest krachtige autoriteit;
zij waren de glorierijke soldaten van zijn overwinning. Terwijl de
H. Franciscus van Assisi voor Rome de zielen der nederigen veroverde,
onderwierp de H. Dominicus de zielen der intelligenten en machtigen. En
dat alles vol hartstocht, met een vuur vol bewonderenswaardig geloof en
wilskracht, door alle mogelijke middelen--door prediking, door boeken,
door den druk van politie en gerecht. Al moge hij de Inquisitie niet
ingesteld hebben, hij heeft daar een dankbaar gebruik van gemaakt;
zijn zacht, broederlijk voelend hart bestreed het schisma te vuur en
te zwaard. Levend in armoede, kuischheid en gehoorzaamheid, groote
deugden in die tijden van hoogmoed en uitspattingen, trokken hij en
zijn monniken door de steden, predikten voor de goddeloozen, trachtten
hen terug te brengen tot de Kerk, klaagden hen aan bij de geestelijke
rechtbanken, wanneer hun woord niet voldoende was. Hij viel ook op
de wetenschap aan, trachtte die voor zich te winnen, koesterde het
ideaal God te verdedigen met de wapenen der rede en der menschelijke
kennis; hij was de voorvader van den Heiligen Thomas van Aquino,
het licht der Middeleeuwen, die alles, de psychologie, de logica,
de politiek en de moraal in zijn Summarium samenvatte.
Op die wijze vulden de Dominicanen de wereld, terwijl zij de leer van
Rome op de beroemdste kansels van alle volkeren verdedigden en bijna
overal in strijd waren met den vrijen geest der Universiteiten; zij
waren de trouwe wachters en hoeders van het dogma, de onvermoeide
smeden van het fortuin der pausen, de machtigsten van alle
wetenschappelijke en litteraire arbeiders, die het reusachtige gebouw
van het Katholicisme, zooals het thans nog bestaat, hebben opgetrokken.
Maar thans vroeg Pierre, die dit gebouw, dat men meende op vasten grond
te hebben gebouwd om de eeuwigheid uit te dienen, voelde wankelen,
zich af, welk nut die werklieden nog konden hebben. Hun politie en
hun rechtbanken waren onder vervloekingen gestorven, naar hun woord
werd niet meer geluisterd, hun boeken las men zoo goed als niet meer,
hun rol van geleerden en beschavers was tegenover de hedendaagsche
wetenschap, wier waarheden het dogma aan alle kanten steeds meer
en meer doen kraken, uitgespeeld. Zeker, ook nu nog vormen zij een
invloedrijke en bloeiende orde; maar hoe lang ligt de tijd reeds
achter ons, dat hun generaal in Rome heerschte als heer van het heilige
paleis, en in geheel Europa kloosters, scholen en onderdanen had! Van
dat onmetelijke groote erfgoed hebben zij in de Romeinsche curie thans
niets meer over dan eenige in hun orde gebleven betrekkingen, o. a. het
secretariaat van de Indexcongregatie, een vroegere onderhoorigheid
van het Heilig Officie, waarin zij oppermachtig heerschten.
Pierre werd onmiddellijk bij pater Dangelis toegelaten. Het was een
groote, kale, witte en door helder zonlicht overstroomde kamer. Men
vond er niets dan een tafel en eenige lage stoeltjes, terwijl aan den
muur een groot koperen crucifix hing. Bij de tafel stond de pater,
een magere, in de strenge, wijde, zwarte en witte dracht gekleede man
van ongeveer vijftig jaar. De grijze oogen in zijn lang ascetengezicht
met den smallen mond, den spitsen neus en de magere kin hadden een
hinderlijk-starenden blik. Overigens was zijn optreden beslist,
eenvoudig en beleefd.
"Mijnheer de abbé Froment, de schrijver van Het Nieuwe Rome, niet
waar?"
Hij ging op een laag stoeltje zitten, terwijl hij met zijn hand naar
een ander voor Pierre wees.
"Wees zoo goed, mijnheer de abbé, mij het doel van uw bezoek te
zeggen."
Pierre moest opnieuw met zijn uitleggingen en zijn verklaringen
beginnen; en dit was des te pijnlijker voor hem, daar zijn woorden
neervielen in een doodelijke stilte, in een doodelijke kilte. De pater
bewoog zich niet, hij hield zijn handen op zijn knieën gekruist,
terwijl zijn scherpe, doordringende oogen op die van den priester
gericht waren.
Toen deze eindelijk klaar was, zeide hij:
"Mijnheer de abbé, ik heb gemeend u niet in de rede te moeten vallen,
maar ik had eigenlijk niet naar dit alles mogen luisteren. Het proces
tegen uw boek is begonnen, en geen macht ter wereld zou in staat zijn
den loop daarvan tegen te houden. Ik begrijp dus eigenlijk niet goed,
wat u van mij schijnt te verwachten."
Met bevende stem waagde Pierre te antwoorden:
"Ik verwacht goedheid en rechtvaardigheid."
Een flauw glimlachje van trotschen ootmoed, speelde om de lippen van
den monnik.
"Wees niet bang, het heeft God altijd behaagd in mijn bescheiden
ambt Zijn licht over mij te doen schijnen. Trouwens ik heb geen
gerechtigheid te oefenen, ik ben maar een eenvoudige ambtenaar, die
de processen moet ordenen en documenteeren. Alleen Hunne Eminenties,
die leden zijn der congregatie, spreken een oordeel uit over uw
boek... Zij zullen dat ongetwijfeld doen met de hulp van den Heiligen
Geest, en u hebt niets te doen dan u te buigen voor haar uitspraak,
zoodra die door Zijne Heiligheid bekrachtigd is."
Hij stond op en dwong daardoor Pierre ook op te staan. Het waren dus
bijna dezelfde woorden als bij monsignor Fornaro; slechts werden zij
hier met een snijdende beslistheid, met een soort kalme bravoure
uitgesproken. Overal stootte hij op dezelfde naamlooze kracht, op
dezelfde machtige, steeds in werking zijnde machine, welker raderen
elkaar onderling niet kennen wilden. Ongetwijfeld zou men hem nog
langen tijd van den een naar den ander sturen, zonder dat hij ooit
het hoofd, den beoordeelenden en handelenden wil, vinden zou. Hem
bleef niets over dan zich erbij neer te leggen.
Toch kwam hij, alvorens weg te gaan, op de gedachte nogmaals den
naam van monsignor Nani, wiens macht hij thans begon te begrijpen,
uit te spreken.
"Ik vraag u wel excuus, dat ik u nutteloos lastig gevallen heb. Ik
heb slechts den welwillenden raad van monsignor Nani gevolgd, die
wel zoo goed is zich voor mij te interesseeren."
Maar de uitwerking was geheel onverwacht. Weer kwam er een glimlachje
op het magere gezicht van pater Dangelis; om zijn lippen verscheen
een plooi, waarin een ironische minachting niet te miskennen viel. Hij
was bleeker geworden; zijn vurige oogen vlamden.
"O, zendt monsignor Nani u?... Nu, wanneer u meent protectie noodig
te hebben, is het onnoodig u tot een ander dan tot hem te wenden. Hij
is almachtig... Ga naar hem, ga naar hem!"
Dat was de geheele bemoediging, die Pierre van dat bezoek medenam: de
raad om terug te gaan tot hem, die hem zond. Hij voelde, dat de grond
hem onder de voeten wegzonk, en besloot naar het paleis Boccanera terug
te keeren, om na te denken en een duidelijk besef te krijgen van zijn
toestand, vóór hij verdere stappen deed. Onmiddellijk was het denkbeeld
in hem opgekomen raad te vragen aan don Vigilio: en het toeval wilde,
dat hij dien avond na het souper den secretaris in de gang aantrof,
toen deze met zijn kaars in de hand naar zijn slaapkamer wilde gaan.
"Ik heb u zooveel te zeggen! Kom als het u blieft een oogenblik in
mijn kamer!"
Met een handgebaar legde de secretaris hem het zwijgen op. Dan op
zacht-fluisterenden toon:
"Hebt u abbé Paparelli niet op de eerste verdieping gezien? Hij liep
achter ons."
Dikwijls ontmoette Pierre in het paleis den sleepdrager, wiens
slap gezicht en verdacht-snuffelende manier van doen Pierre steeds
hinderden. Maar hij bekommerde zich er nooit om en was dan ook door die
vraag zeer verrast. Doch reeds was don Vigilio, zonder het antwoord
af te wachten, naar het einde van de gang teruggeloopen en bleef
daar lang staan luisteren. Dan sloop hij weer naar Pierre's kamer,
blies zijn kaars uit en sprong naar binnen.
"Ziezoo, daar ben ik!" prevelde hij, toen de deur weer dicht was. "Als
u het goed vindt, zullen wij niet in dezen salon blijven, maar naar
uw slaapkamer gaan. Twee muren zijn beter dan een."
Toen de lamp eindelijk op tafel stond en zij beiden in de vervelooze
kamer zaten, welker vlaskleurig behang, ongelijksoortige meubelen,
kale vloer en kale muren de melancholie van oude verwelkte dingen
bezaten, merkte Pierre, dat de abbé aan een heftiger aanval van koorts
ten prooi was dan gewoonlijk. Zijn klein mager lichaam huiverde van
de koude, nog nooit hadden in zijn arm, geel, uitgeteerd gelaat zijn
vurige oogen zoo donker gebrand.
"Bent u ziek? Ik zou u niet graag vermoeien."
"Ziek! Ach ja, mijn lichaam brandt als vuur. Maar ik wil juist heel
graag praten. Ik kan het niet langer uithouden. Eens moet je je hart
toch lucht geven."
Wilde hij afleiding zoeken voor zijn kwaal? Wilde hij zijn lang
zwijgen verbreken, om niet den verstikkingsdood te sterven? Hij liet
Pierre onmiddellijk de stappen, die hij de laatste dagen gedaan had,
vertellen en wond zich nog meer op, toen hij hoorde op welke wijze
kardinaal Sarno, monsignor Fornaro en pater Dangelis den jongen
priester ontvangen hadden.
"Jawel, jawel, natuurlijk! Het verwondert me heelemaal niet, maar
toch hindert het me voor u. O, ik weet wel, het gaat mij niet aan,
maar het maakt me ziek, want het roept al mijn eigen ellende weer
wakker!... Kardinaal Sarno, die met zijn gedachten elders leeft en
nooit iemand geholpen heeft, moeten we niet mederekenen, maar die
Fornaro, die Fornaro!"
"Hij scheen mij heel vriendelijk, ja zelfs heel welwillend toe, en
ik geloof werkelijk, dat hij naar aanleiding van ons onderhoud zijn
rapport wel verzachten zal."
"Hij! Hoe vriendelijker hij geweest is, des te zwarter zal hij u
maken. Hij zal u opvreten, zich vetmesten aan die makkelijke prooi. O,
u kent hem nog niet! Altijd ligt hij op de loer, om zijn geluk op te
bouwen met het ongeluk van arme drommels, van wie hij weet, dat hun
ondergang den machtigen behagen zal!... Neen, dan heb ik liever te
doen met den andere, met pater Dangelis, een verschrikkelijk man,
maar eerlijk en rechtuit ten minste, en bovendien iemand met een
helderen kop. Ik wil u echter volstrekt niet verhelen, dat hij, als
hij de baas was, u als een handjevol stroo zou verbranden... Als ik u
alles kon zeggen, als ik u met mij mede kon nemen in de vreeselijke
dessous van deze kringen, als ik u de monsterachtige eerzucht, de
afschuwlijke intriges, de omkoopbaarheid, de lafheden, het verraad,
ja zelfs de misdaden kon laten zien!"
Nu Pierre zag, dat hij zich zoo door zijn wrok liet medesleepen,
wilde hij trachtten de inlichtingen te krijgen, die hij tot dit
oogenblik vergeefs gezocht had.
"Zeg mij tenminste, hoever het met mijn zaak staat. Toen ik er bij mijn
aankomst naar vroeg, hebt u mij geantwoord, dat de kardinaal nog geen
enkel stuk gekregen had. Maar de processtukken zijn nu klaar, dat weet
u toch zeker wel?... Tusschen twee haakjes, monsignor Fornaro heeft
mij verteld, dat drie Fransche bisschoppen een aanklacht ingediend
en een vervolging geëischt zouden hebben! Drie bisschoppen! Hoe is
het mogelijk?"
Don Vigilio haalde heftig zijn schouders op.
"O, wat bent u toch nog goed van vertrouwen! Het verwondert mij,
dat er maar drie zijn... Ja, verschillende stukken van uw proces
zijn thans in onze handen, trouwens ik had al lang begrepen, wat
voor een proces het zijn zou. De drie bisschoppen zijn de bisschop
van Tarbes, die blijkbaar handelt op instigatie van de paters van
Lourdes, en de bisschoppen van Poitiers en Evreux, beiden bekend om hun
ultramontaansche onverdraagzaamheid en hartstochtelijke tegenstanders
van kardinaal Bergerot. Deze laatste staat, zooals u weet, om zijn
Gallicaansche denkbeelden en zijn werkelijk zeer liberalen geest
op het Vaticaan slecht aangeschreven... U behoeft nergens anders
te zoeken, de geheele zaak is daar te vinden. De almachtige paters
van Lourdes eischen van den Heiligen Vader een executie, terwijl
men bovendien door uw boek den kardinaal tracht te treffen voor een
brief, dien hij voor u zoo onvoorzichtig geschreven heeft en welken
gij als inleiding hebt laten afdrukken... In den laatsten tijd zijn
de veroordeelingen van den Index dikwijls niets meer dan knotsslagen,
die geestelijken elkander wederkeerig in het donker toebrengen. Het
aanklagen en verklikken is aan de orde van den dag; het heerscht als
onbeperkt gebieder en daarna komt de wet van de willekeur. Ik zou u
ongelooflijke feiten kunnen noemen, onschuldige boeken, die men onder
honderden andere uitgekozen heeft, om een gedachte of een mensch te
dooden; want achter den auteur heeft men het meestal altijd op een
hoogere en machtigere gemunt. Het is zulk een nest van intriges, zoo'n
bron van misbruiken, waarin de laagste persoonlijke wraaknemingen
uitgeoefend worden, dat de instelling van den Index wankelt en men
zelfs hier in de omgeving van den paus de noodzakelijkheid voelt haar
binnen korten tijd opnieuw te reglementeeren, indien men niet wil,
dat zij geheel en al in diskrediet geraakt... O, ik begrijp heel goed,
dat men er zoo lang mogelijk aan vasthoudt om de universeele macht te
behouden, met alle wapenen te regeeren, maar dan moeten het mogelijke
wapenen zijn, moeten zij niet door hun onbeschaamde onrechtvaardigheid
prikkelen en door hun kinderachtigheid geen lachje opwekken."
Pierre luisterde, een pijnlijke verwondering had zich van zijn hart
meester gemaakt. O, hij had, sedert hij te Rome was, sedert hij zag,
hoe de Paters der Grot daar ontzien en gevreesd werden en door de
groote sommen, die zij voor den Pieterspenning zonden, er heer en
meester waren, gevoeld, dat zij achter de vervolgingen stonden,
geraden, dat hij zou moeten boeten voor de bladzijde in zijn boek,
waarin hij constateerde, dat er te Lourdes een zondige verdraaiing
van het fortuin, een verschrikkelijk schouwspel, dat aan God deed
twijfelen, een voortdurende reden tot strijd waar te nemen was, die
in de waarlijk Christelijke maatschappij van morgen zou ophouden
te bestaan. Ook begreep hij heel goed de ergernis, die zijn niet
verborgen vreugde over het verlies van de wereldlijke macht en
vooral dat ongelukkig gekozen woord "nieuwe godsdienst", dat alleen
reeds voldoende geweest zou zijn, om de aanklagers te wapenen, gewekt
hadden. Maar wat hem voornamelijk verbaasde en tot wanhoop bracht, dat
was het ongehoorde, onbegrijpelijke feit, dat de brief van kardinaal
Bergerot als een misdaad beschouwd, dat zijn boek aangeklaagd en
veroordeeld werd om daardoor den eerwaardigen herder, dien men van
voren niet durfde aanvallen, in zijn rug te treffen. Het was voor hem
een bittere en pijnlijke gedachte, dat hij in zijn vurige naastenliefde
de oorzaak geworden was van de nederlaag van dien man. Welk een wanhoop
op den achtergrond van die twisten, waarin alleen de liefde voor den
arme moest strijden, de afschuwlijkste geldquaesties, de door razende
zelfzucht ontketende hartstochten en begeerten te vinden!
Dan rees in Pierre een verzet tegen dien gehaten en belachelijken
Index op. Hij ging de werking na van af de aanklacht tot aan het
openlijk afkondigen der verboden boeken. Hij had nu den secretaris
der congregatie gesproken, pater Dangelis, in wiens handen de
aanklacht kwam en die van af dat oogenblik met den hartstocht van den
autoritairen en geleerden monnik en vervuld met den droom de geesten
en het geweten als in den heroïschen tijd der Inquisities te regeeren,
het proces instrueerde en het dossier samenstelde. Van de adviseerende
prelaten had hij er een bezocht, die belast was met het rapport over
zijn boek, den zoo eerzuchtigen en zóó vriendelijken monsignor Fornaro,
een spitsvondig theoloog, die er niet tegen op gezien zou hebben om
aanvallen op het geloof te vinden in een verhandeling over algebra,
wanneer de zorg om zijn geluk dat eischte.
Dan volgden de bijeenkomsten der kardinalen, die van tijd tot tijd
stemden en in hun droef stemmende wanhoop niet alle boeken te kunnen
treffen, er één onderdrukten. Ten slotte bekrachtigde de paus dan het
besluit door zijn handteekening, een zuivere formaliteit--want waren
niet alle boeken strafbaar? Maar welk een zeldzame en jammerlijke
bastille uit het verleden was deze verouderde, bouwvallige, tot
kindschheid vervallen Index geworden! Men voelde welk een vreeselijke
macht hij eens geweest moest zijn, toen de boeken nog zeldzaam waren
en de Kerk bloed- en vuurrechtbanken bezat, om haar vonnissen ten
uitvoer te leggen. Daarna hadden de boeken zich zoo vermenigvuldigd,
was de geschreven en gedrukte gedachte zoo'n diepe en zoo'n breede
golf geworden, dat zij alles overstroomd, alles medegesleurd had. De
ontaarde, met onmacht geslagen Index moest zich thans bepalen tot een
ijdele demonstratie, om de reusachtige moderne productie en bloc te
veroordeelen, kromp het veld van zijn werkzaamheden steeds meer in,
hield zich alleen nog maar bezig met het onderzoek van werken van
geestelijken. Maar zelfs in die rol was hij nog verdorven, bezoedeld
door de laagste hartstochten, veranderd in een werktuig van intriges,
haat en wraak. O, die treurige bekentenis van zwakken ouderdom, van
toenemende verlamming te midden van de spottende onverschilligheid
der volkeren!
Het Katholicisme, de vroegere, roemrijke bemiddelaar der beschaving,
had er toe moeten komen om de boeken in een hoop in het vuur van zijn
hel te gooien! En welk een hoop was het! Bijna de geheele litteratuur,
geschiedenis, philosophie en wetenschap der vorige eeuwen en der
onze! Weinig boeken worden er thans gepubliceerd, die niet door de
banbliksems der Kerk getroffen zouden worden. Dat zij haar oogen sluit
is alleen het gevolg van het feit, om de onmogelijke taak alles te
vervolgen en alles te vernietigen, uit den weg te gaan. Toch tracht
zij hardnekkig den schijn van haar souverein gezag over de geesten
te redden--als een zeer oude, van haar troon vervallen verklaarde
koningin zonder rechters en beulen, die ondanks alles doorgaat ijdele
vonnissen uit te spreken, welke slechts door een zeer kleine minderheid
aanvaard worden.
Maar men stelle zich een oogenblik voor, dat zij overwinnend en door
een wonder meesteresse over de geheele wereld was; men vrage zich af
wat zij met rechtbanken om vonnissen uit te spreken en gendarmes
om die uit te voeren, maken zou van de menschelijke gedachte;
men denke zich eens in, dat de regels van den Index streng werden
toegepast, een drukker niets zonder goedkeuring van den bisschop op
de pers kon leggen, alle boeken bij de congregaties aangebracht,
het verleden gezuiverd, het heden gekneveld, aan een geestelijke
Terreur onderworpen zou worden; zou dat niet gelijkstaan met het
sluiten der bibliotheken, de gevangenzetting van het erfdeel der
geschreven gedachte, de barricadeering van de toekomst, het volkomen
stopzetten van iederen vooruitgang of iedere verovering beteekenen? Een
vreeselijk voorbeeld van dit rampzalige experiment levert het Rome
van onze dagen met zijn verkilden bodem, zijn gestorven, door eeuwen
van pauselijk bestuur gedood sap, Rome, dat zóó onvruchtbaar geworden
is, dat na vijf-en-twintig jaar van herleving en vrijheid nog geen
enkele man, nog geen enkel werk daarin is ontstaan. Maar wie zou
dat aanvaarden--niet onder de revolutionnaire geesten, maar onder
de vrome geesten van eenige beschaving en eenig breed inzicht? Alles
zou in het kinderlijke en absurde instorten.
Er heerschte een diepe stilte, en Pierre, die door zijn overpeinzingen
geheel van streek geraakt was, maakte een wanhopig gebaar, toen
hij den zwijgenden don Vigilio voor zich zag zitten. Een oogenblik
zwegen beiden in de onbeweeglijkheid van den dood, die uit het oude,
ingesluimerde paleis oprees, te midden van deze gesloten kamer,
welke door de lamp zoo rustig verlicht werd. Dan boog don Vigilio
met zijn van koorts schitterenden blik wat voorover en fluisterde in
een rilling.
"Zij zitten altijd overal achter, altijd zij!"
Pierre, die het niet begreep, geraakte door dit als het ware verdwaalde
woord, dat schijnbaar zonder eenigen overgang uitgesproken werd,
in een eenigszins ongeruste verbazing.
"Wie zijn die zij?"
"De Jezuïeten."
De magere, geel geworden priester had in dien kreet de opgehoopte
woede van zijn nu losbrekenden hartstocht gelegd. Wat kwam het erop
aan, of hij een nieuwe dwaasheid beging. Eindelijk was het woord
eruit! Toch wierp hij een laatsten blik vol wanhopig wantrouwen door
de kamer. Dan gaf hij zijn hart lucht in een langen woordenstroom,
die des te onweerstaanbaarder was, omdat hij dien zoo lang in den
grond van zijn hart teruggedrongen had.