hebt niet het flauwste besef van hun afschuwlijke daden of van hun
onberekenbare macht. Overal zitten zij achter, zij en zij alleen. Zeg
dat maar altijd tot u zelf, zoodra u niet meer begrijpen kunt en toch
begrijpen wilt. Wanneer u een ramp overkomt, wanneer u lijdt, wanneer
u weent, denk dan dadelijk: "Dat zijn zij, dat is hun werk!" Ik ben
er niet zeker van, dat er niet een onder dit bed ligt, in die kast
staat... O, die Jezuïeten, die Jezuïeten. Zij hebben mij opgegeten,
eten me nog op; zij zullen niets meer van mijn vleesch of van mijn
beenderen overlaten."
Met zijn afgebroken stem vertelde hij zijn geschiedenis, zijn jeugd
vol idealen. Hij behoorde tot den kleinen provincie-adel, bezat een
vrij aardig inkomen en had een levendigen, soepelen, de toekomst
toelachenden geest. Thans zou hij zeker prelaat en op den weg naar
hooge waardigheden geweest zijn, indien hij niet de fout begaan had
zijn afkeuring uit te spreken over de Jezuïeten en hen bij twee of
drie gelegenheden tegen te werken. Vanaf dat oogenblik hadden zij,
als men hem gelooven mocht, alle denkbare ongelukken op hem laten
regenen: zijn vader en zijn moeder waren gestorven, zijn bankier was
met de noorderzon vertrokken, de goede betrekkingen ontsnapten hem,
zoodra hij zich gereed maakte ze te bekleeden, de ergste tegenspoeden
troffen hem en zijn heilig ambt, zoodat het niet veel gescheeld
had, of men had hem geschorst. Hij had eerst wat rust gevonden,
toen kardinaal Boccanera, door zijn ongeluk getroffen, hem in zijn
persoonlijken dienst genomen had.
"Hier is mijn toevlucht, mijn asyl. Zij verwenschen Zijne Eminentie,
die nooit op hun hand geweest is; maar zij hebben hem of zijn personeel
nog niet durven aanvallen... O, ik maak mij volstrekt geen illusies,
zij zullen mij toch wel te pakken krijgen. Misschien zullen ze
ons gesprek van vanavond te weten komen en het mij leelijk betaald
zetten, want het is verkeerd van me te spreken, maar ik spreek ondanks
mezelf... Ze hebben me al mijn geluk ontstolen, zij hebben me alle
mogelijke ongelukken bezorgd, alles, alles, hoort u!"
Pierre begon zich hoe langer hoe minder op zijn gemak te voelen. Hij
trachtte te schertsen:
"Kom, kom, de Jezuïeten hebben u toch die koorts niet gegeven!"
"Waarachtig wel," verzekerde don Vigilio heftig. "Ik heb die gekregen
aan den Tiber, op een avond, dat ik in mijn groot verdriet, omdat
ik uit de kleine kerk, waar ik dienst deed, gejaagd werd, ben gaan
huilen."
Tot dusverre had Pierre niet geloofd aan de vreeselijke legende
der Jezuïeten. Hij behoorde tot een generatie, die glimlachte over
weerwolven, en die de kleinburgerlijke vrees voor deze beruchte zwarte
mannen, welke zich in muren verborgen en families terroriseerden, een
beetje dwaas vond. Voor hem waren dat door religieuse en politieke
hartstochten overdreven bakerpraatjes. Hij keek dan ook don Vigilio
verbaasd aan, terwijl hij bang begon te worden met een maniak te doen
te hebben.
Toch riep hij zich de zoo belangwekkende geschiedenis der Jezuïeten
voor den geest. Terwijl de Heilige Franciscus van Assisi en de Heilige
Dominicus de ziel en de geest zelf, de meesters en de opvoeders der
Middeleeuwen zijn, de eerste als de vertegenwoordiger van het vurige
geloof der nederigen, de tweede als de verdediger van het dogma en
vaststeller der leer voor intelligenten en machtigen, verschijnt
Ignatius van Loyola op den drempel der moderne tijden, om de gevaar
loopende erfenis te redden. Hij accomodeert den godsdienst aan de
nieuwe maatschappijen en geeft hem opnieuw de heerschappij over de
wereld, die bezig is zich te vormen. Van af dat oogenblik scheen het
experiment genomen te zijn: God zou in zijn intransigenten strijd
met de zonde overwonnen worden, want het was thans vrijwel zeker,
dat de vroegere bedoeling om de natuur te onderdrukken, om in den
mensch den mensch zelf met zijn begeerten, zijn hartstochten, zijn
hart en zijn bloed te dooden, slechts op een fatale nederlaag kon
uitloopen, waarbij de Kerk geheel dreigde te niet te gaan; op dat
kritieke oogenblik redden de Jezuïeten haar uit dat gevaar, gaven
haar terug aan het veroveraarsleven, door te beslissen, dat zij de
wereld tegemoet moet gaan, nu de wereld niet meer tot haar schijnt
te komen. Daarin ligt het geheele geheim.
Zij beweren, dat er schikkingen te treffen zijn met den hemel; zij
plooien zich naar de zeden, naar de vooroordeelen, naar de ondeugden
zelfs; zij glimlachen, zijn vriendelijk, denken er niet aan streng te
wezen, zijn diplomatiek, bereid om de ergste gruwelen zoo te draaien,
dat zij tot de grootste eer van God gedaan schijnen te zijn. Dat
is hun verzamelkreet, daaruit vloeit voort hun moraal--de moraal,
die men hun zoo dikwijls voor de voeten geworpen heeft--dat alle
middelen goed zijn om het doel te bereiken, wanneer dat doel is
het koninkrijk Gods, vertegenwoordigd door dat der Kerk. Welk een
reusachtig succes dan ook! Zij rijzen overal op, zij bedekken al
heel spoedig de aarde, zijn al heel spoedig overal de onbetwiste
heerschers. Zij nemen koningen de biecht af, zij vergaren ontzaglijke
rijkdommen, zij vormen een zoo zegerijke macht, dat zij in geen land
hun voet kunnen zetten, zonder het weldra geheel met zijn zielen,
zijn lichamen, zijn invloed en zijn rijkdom, te bezitten. In de
eerste plaats richten zij scholen op, zij zijn onvergelijkelijke
hersenkneders, want zij hebben steeds begrepen, dat de macht altijd
toebehoort aan het morgen, aan de opkomende geslachten, waarover men
de baas blijven moet, indien men eeuwig wil heerschen.
Hun op de noodzakelijkheid van een transactie met de op zonde
gebaseerde macht is zóó groot, dat zij onmiddellijk na het Concilie
van Trente den geest van het Katholicisme wijzigen, het doordringen
en met zichzelf identificeeren, de onontbeerlijke soldaten worden
van het pausdom, dat van hen en voor hen leeft. Van af dat oogenblik
behoort Rome hun--Rome, waar hun generaal zoo lang bevolen heeft,
Rome, vanwaar zoo lang het wachtwoord is uitgegaan van die geheime en
geniale taktiek, die blindelings gevolgd werd door hun ontelbaar leger,
welks handige organisatie de wereld bedekt met een ijzeren net onder
de fluweelzachte handen, die zoo ervaren zijn in het leiden van de
arme, lijdende menschheid.
Maar het allerwonderbaarlijkste van alles was nog de verrassende
levenskracht van die onophoudelijk vervolgde, veroordeelde en verdreven
Jezuïeten, die ondanks alles nog het hoofd omhoog houden. Zoodra hun
macht gevestigd is, begint hun impopulariteit, die langzamerhand
algemeen wordt. Een gejouw vol verwenschingen, afschuwlijke
aanklachten, schandelijke processen verheffen zich tegen hen,
waarin zij als misdadigers en verdervers ontmaskerd worden. Pascal
geeft ze aan de openbare verachting prijs, parlementen doemen hun
boeken ten vure, universiteiten verwerpen hun leer en hun moraal als
gif. In ieder rijk verwekten zij zulke onlusten en troebelen, dat een
vervolging tegen hen georganiseerd wordt en zij weldra overal verjaagd
worden. Meer dan een eeuw lang zijn zij zwervende, worden verdreven,
dan weer teruggeroepen, gaan over de grenzen en komen weer terug,
verlaten een land onder hoongelach en haatgeschreeuw om het weer te
betreden, zoodra de rust zich hersteld heeft. Eindelijk zijn zij,
nadat een paus hun orde opgeheven had--hun grootste ramp--weer door
een ander hersteld en worden sedert dien tijd zoo goed en zoo kwaad
als het gaat, geduld. Maar ondanks hun diplomatiek op den achtergrond
blijven, ondanks het vrijwillige donker, waarin zij zoo voorzichtig
zijn te leven, blijven zij, rustig en zeker van de overwinning,
triompheeren als soldaten, die de wereld voor goed veroverd hebben.
Pierre wist, dat zij thans, indien men alleen naar den uiterlijken
schijn oordeelt, uit het bezit van Rome verdreven waren. Zij besturen
de Jezuïetenkerk niet meer, hebben niet meer de leiding van het
Collegium Romanum, waar zij zooveel zielen gemodelleerd hebben; zonder
eigen huis en op gastvrijheid van vreemden aangewezen, hebben zij zich
bescheiden in het Collegium Germanicum teruggetrokken, waarin zich een
kleine kapel bevond. Daar predikten zij, namen zij nog de biecht af,
maar zonder ophef, zonder de vrome pracht van de Il Gesù, zonder de
roemrijke successen van het Collegium Romanum. Moet men dus gelooven,
dat zij uit list, met opzet verdwijnen, om de geheime en almachtige
meesters te blijven, de verborgen wil, die alles leidt. Men zeide
immers, dat het dogma der Onfeilbaarheid van den paus hun werk was,
het wapen, waarmede zij zichzelf gewapend hadden, terwijl zij het
lieten voorkomen, alsof zij het pausschap ermede wapenden voor de
toekomstige, zware taak, die hun genie aan den vooravond van groote
sociale omwentelingen voorzag. Bestond dus werkelijk die geheime
oppermacht, waarvan don Vigilio zoo geheimzinnig vertelde, die
beslaglegging op het bestuur der Kerk, die onbekende, maar volkomen
macht op het Vaticaan?
Als gevolg van een plotselinge gedachtenassociatie vroeg Pierre
plotseling:
"Is monsignor Nani dan een Jezuïet?"
Die naam scheen don Vigilio weer geheel van streek te brengen; zijn
hand beefde van opwinding.
"Hij? O, hij is veel te slim en veel te handig, om in de orde te
gaan. Maar hij is een leerling van dat Collegium Romanum, waarop zijn
generatie zijn opleiding gekregen heeft, en heeft daar het genie der
Jezuïeten, dat zoo goed bij zijn eigen genie paste, ingedronken. Maar
ook al heeft hij begrepen, hoe gevaarlijk het is zich in een impopulair
en hinderlijk kostuum te steken, wanneer men vrij wil zijn, daarom is
hij niet minder Jezuïet, o, Jezuïet in merg en been! Hij is blijkbaar
de meening toegedaan, dat de Kerk niet kan triompheeren dan door de
menschelijke hartstochten te exploiteeren; daarbij heeft hij haar
oprecht lief; hij is in den grond der zaak heel vroom, een zeer
goed priester en dient God zonder zwakheid om de onbeperkte macht,
die Hij aan Zijn dienaren geeft. Bovendien is hij zeer charmant,
niet in staat tot een ruwheid of een misstap, wordt hij begunstigd
door de reeks adellijke Venetianen, die hij achter zich heeft, bezit
hij door zijn wereldkennis, die hij in de nuntiaturen te Weenen en
Parijs verkregen heeft, een breeden blik, weet hij alles, kent hij
alles, dank zij de delicate functies, die hij hier, als assessor van
het Heilig College, sedert tien jaar bekleedt... O, hij is almachtig
en niet als een heimelijke Jezuïet, wiens zwart kleed te midden van
het algemeene wantrouwen voortglijdt, maar als aanvoerder zonder een
bepaalde uniform, als het hoofd, als het brein!"
Deze woorden brachten Pierre tot ernstige overdenkingen, want het
ging nu niet meer om mannen, die zich in muren verborgen, niet meer
over donkere complotten van een romantische secte. Ook al kwam
zijn scepticisme tegen dergelijke verhaaltjes in verzet, daarom
kon hij toch zeer goed aannemen, dat een opportunistische, uit de
behoeften van den strijd om het bestaan geboren moraal, zooals die
van de Jezuïeten, zich geoculeerd had op de geheele Kerk en daarin nu
onbeperkt heerschte. De Jezuïeten zelf konden verdwijnen, hun geest zou
hen overleven, omdat hij het strijdwapen, de hoop op de overwinning,
de eenige taktiek was, die de volkeren onder de heerschappij van Rome
zou kunnen terugbrengen. In werkelijkheid lag die strijd in deze
poging tot aanpassing, die zich tusschen den godsdienst en de eeuw
voltrok. Van nu af begreep hij, hoe mannen als monsignor Nani zoo'n
belangrijke, beslissende rol konden spelen.
"O, als u het eens wist, als u het eens wist!" ging don Vigilio
voort. "Hij is overal, heeft de hand in alles. Hier bij de Boccanera's
bijvoorbeeld is niets gebeurd, of ik heb hem achter de schermen
gevonden, of hij verwarde of ontwarde, al naar het noodig was--wat
hij alleen weet--de draden."
En in de onuitputtelijke koorts van mededeelzaamheid, die hem geheel en
al verteerde, vertelde hij, hoe monsignor Nani ongetwijfeld ook in de
echtscheiding van Benedetta betrokken was. De Jezuïeten hebben ondanks
hun verzoenlijken geest steeds een onverzoenlijke houding aangenomen
ten opzichte van Italië, hetzij omdat zij niet aan de herovering van
Rome twijfelen, hetzij omdat zij het oogenblik afwachten om met den
werkelijken overwinnaar te onderhandelen. Nani, die sedert lang een
vertrouwde van donna Serafina was, had haar dan ook geholpen om haar
nicht weer bij zich te nemen en de breuk met Prada te bespoedigen,
zoodra Benedetta haar moeder verloren had. Hij was het geweest, die,
om abbé Pisoni, den patriotischen geestelijke en den biechtvader
van het jonge meisje, wien men verweet, dat hij het huwlijk in de
hand gewerkt had, te verdringen, Benedetta aangespoord denzelfden
biechtvader te nemen als haar tante, den Jezuïetenpater Lorenza, een
knappen man met heldere en vriendelijke oogen, wiens biechtstoel in
de kapel van het Collegium Germanicum bestormd werd.
Het scheen vast te staan, dat deze manoeuvre over de heele quaestie
beslist had: wat een pastoor voor Italië gedaan had, zou een pater
tegen Italië weer ongedaan maken. Maar waarom scheen nu Nani, na
eerst de breuk tot stand gebracht te hebben, een oogenblik zóó
alle belangstelling in de zaak verloren te hebben, dat hij het
verzoek om nietigverklaring van het huwlijk gevaar liet loopen? En
waarom bemoeide hij er zich thans weer mede, door monsignor Palma
te laten koopen, door donna Serafina aan het werk te zetten, door
zelf zijn invloed op de kardinalen van de Conciliecongregatie te
laten gelden? Er waren duistere punten in deze zaak, zooals in alle
zaken, waarin hij betrokken was, want hij was vóór alles een man van
verreikende combinaties. Maar men kon aannemen, dat hij het huwlijk
van Benedetta en Dario wilde bespoedigen, om een einde te maken aan
de schandelijke lasterpraatjes der witte kringen, die den neef en de
nicht beschuldigden, dat zij in het paleis slechts één bed hadden,
waarvoor hun oom, de kardinaal, welwillend zijn oogen sloot. Misschien
was echter ook deze ten koste van veel geld en onder den druk van zeer
bekende invloeden verkregen echtscheiding een met opzet uitgelokt,
eerst op de lange baan geschoven en thans verhaast schandaal, om den
kardinaal zelf te benadeelen, van wien de Jezuïeten voor een in de
naaste toekomst liggende omstandigheid gaarne bevrijd wilden zijn.
"Ik voor mij voel het meest voor deze laatste veronderstelling," ging
don Vigilio voort; "te meer daar ik vanavond gehoord heb, dat de paus
lijdende is. Bij een man van vier-en-tachtig jaar is ieder oogenblik
het ergste te vreezen; de paus kan niet meer verkouden zijn, of het
heele Heilige College en alle prelaten geraken in beweging... Nu
hebben de Jezuïeten altijd de candidatuur van kardinaal Boccanera
bestreden. Eigenlijk moesten zij om zijn rang, om zijn intransigente
houding ten opzichte van Italië voor hem zijn, maar het denkbeeld
zichzelf een dergelijken meester te geven, maakt hen bang; zij vinden,
dat hij een te onstuimig karakter, een te heftig geloof heeft, te
weinig soepel is in deze tijden, waarin de Kerk een diplomaat zoo hoog
noodig heeft... En het zou me geen oogenblik verwonderen, wanneer men
trachten zou hem in discrediet te brengen, zijn candidatuur door de
gemeenste en schandelijkste middelen onmogelijk te maken."
Een lichte rilling van vrees doorhuiverde Pierre. De besmetting van
het onbekende, van de in het donker opgezette intriges werkte te
midden van de nachtelijke stilte in het paleis aan den Tiber, in dat
van legendarische tragedies zoo volle Rome nog sterker. En plotseling
tot zichzelf, tot zijn persoonlijk geval terugkeerend, vroeg hij:
"Maar ik, wat heb ik met dat alles uitstaande? Waarom schijnt monsignor
Nani zich voor mij te interesseeren? Wat heeft hij te maken met het
proces, dat mijn boek aangedaan is?"
Don Vigilio maakte een groot gebaar.
"O, dat weet je nooit, dat weet je nooit precies!... Wat ik u
met zekerheid zeggen kan, is, dat hij eerst van de zaak kennis
gekregen heeft, toen de aanklachten der bisschoppen van Tarbes,
Poitiers en Evreux zich al in handen bevonden van pater Dangelis,
den secretaris der Indexcongregatie; eveneens heb ik gehoord, dat
hij alle mogelijke moeite gedaan heeft om het proces tegen te houden,
daar hij het blijkbaar onnoodig en onpolitiek vindt. Maar wanneer een
zaak eenmaal bij de congregatie aanhangig gemaakt is, is het bijna
onmogelijk den verderen loop tegen te houden, te meer daar hij in dit
geval pater Dangelis tegenover zich had, die, als trouw Dominicaan, een
hartstochtelijk tegenstander der Jezuïeten is. In dien stand van zaken
heeft hij de contessina aan mijnheer de la Choue laten schrijven, die
u zeggen moest, dat gij zelf in Rome uw boek verdedigen en gedurende
uw verblijf alhier de gastvrijheid van dit paleis aannemen moest."
Deze onthulling bracht Pierre in groote opwinding.
"Bent u daar zeker van?"
"O, beslist zeker, ik heb hem op een Maandagavond over u hooren
spreken, en reeds heb ik u gezegd, dat hij zeer goed van u op de
hoogte schijnt te zijn, alsof hij een nauwkeurig onderzoek naar u
had ingesteld. Naar mijn meening had hij uw boek gelezen en was hij
daardoor zeer gepreoccupeerd."
"Gelooft u dus, dat hij het met mijn denkbeelden eens is? Dat hij
oprecht is en dat hij zichzelf verdedigt, terwijl hij mij tracht
te verdedigen?"
"O, neen, geen quaestie van... Hij vervloekt uw denkbeelden, uw boek en
u zelf! U moest zijn minachting voor den zwakke, zijn haat tegen den
arme, zijn liefde voor het gezag en de heerschappij eens kennen, die
verborgen liggen onder zijn zoo beminnelijke vriendelijkheid. Lourdes
zou hij u nog kunnen vergeven, hoewel dat een machtig wapen is. Maar
nooit zal hij u vergeven, dat gij u aan de zijde der kleinen van
deze wereld schaart en dat gij u tegen de wereldlijke macht verklaard
hebt. Als u eens hoorde, met welk een aanminnig lijkende wreedheid hij
zich vroolijk maakt over mijnheer de la Choue, dien hij de weemoedige
treurwilg van het Neo-Katholicisme noemt."
Pierre greep met beide handen naar zijn slapen en drukte zijn hoofd
in wanhoop.
"Maar waarom dan, waarom dan? Zeg het me, ik bezweer het u... Waarom
liet hij mij hier komen, waarom wil hij mij in dit huis tot zijn
beschikking hebben? Waarom laat hij mij nu maanden in Rome rondloopen,
waarom laat hij mij allerlei hinderpalen ontmoeten, waarom wil hij mij
moe maken, terwijl het hem in het geheel geen moeite kost mijn boek,
als het hem hindert, op den Index te laten plaatsen? Zeker, het zou
dan niet zoo kalm in zijn werk gegaan zijn, want ik was voornemens
mij niet te onderwerpen, mijn nieuw geloof luid uit te bazuinen,
zelfs tegen de beslissingen van Rome in."
De zwarte oogen in het gele gelaat van don Vigilio fonkelden.
"Misschien heeft hij dat juist niet gewild. Hij weet, dat u heel
intelligent en vol geestdrift bent, en ik heb hem dikwijls hooren
zeggen, dat men intelligentie en geestdrift niet van voren moet
aanvallen."
Maar Pierre was opgestaan en luisterde zelfs niet meer; als door zijn
verwarde gedachten opgejaagd, liep hij in de kamer heen en weer.
"Luister, ik moet alles weten en alles begrijpen, als ik den strijd
wil voortzetten. U zult mij den dienst bewijzen mij tot in de kleinste
bijzonderheden in te lichten, omtrent ieder van de personen, die met
mijn proces te maken hebben... Jezuïeten, Jezuïeten overal! Lieve
God, ik zie het in, u hebt misschien gelijk. Maar u moet mij de
verschillende nuances geven... Die Fornaro bijvoorbeeld?"
"Monsignor Fornaro? O, die is alles wat men wil. Maar hij heeft
eveneens zijn opleiding in het Collegium Romanum gehad. U kunt ervan
overtuigd zijn, dat hij een Jezuïet is, een Jezuïet door opvoeding,
door zijn positie, door zijn eerzucht. Hij brandt van verlangen om
kardinaal te worden, en wanneer hij eenmaal kardinaal is, zal hij
van verlangen branden om paus te zijn. Allemaal candidaten naar het
pausschap, van het seminarie af."
"En kardinaal Sanguinetti?"
"Jezuïet, Jezuïet!... Laten we elkaar goed begrijpen: hij is
het geweest, toen is hij het niet meer geweest, en nu is hij
het ongetwijfeld opnieuw. Sanguinetti heeft met alle machten
gecoquetteerd. Langen tijd heeft men gedacht, dat hij voor een
verzoening tusschen den Heiligen Stoel en Italië was; daarna is de
toestand in een ander stadium gekomen en heeft hij heftig partij
gekozen tegen de overweldigers. Eveneens is hij dikwijls in onmin
geweest met Leo XIII en heeft zich dan weer met hem verzoend,
terwijl hij thans met het Vaticaan op diplomatiek gereserveerden
voet staat. In één woord, hij heeft slechts één doel, de tiara, maar
hij laat dat te veel blijken, wat voor een candidaat niet gewenscht
is... Maar voor het oogenblik schijnt de strijd te gaan tusschen hem en
kardinaal Boccanera. Daarom heeft hij zich met de Jezuïeten verzoend,
exploiteert hij nu hun haat tegen zijn concurrent en rekent erop,
dat zij in hun verlangen om dezen van den Heiligen Stoel verwijderd
te houden, genoodzaakt zullen zijn hem te steunen. Maar ik voor mij
twijfel daaraan, want ik weet, dat ze daarvoor veel te slim zijn,
zij zullen zich wel tweemaal bedenken voor zij een candidaat, die
zich al zoo gecompromitteerd heeft, hun steun zullen verleenen. Hij,
een hartstochtelijk, hoogmoedig warhoofd, is er echter geen oogenblik
bang voor, en daar hij, zooals u zegt, in Frascati is, ben ik ervan
overtuigd, dat hij onmiddellijk na het bericht van het ziek worden
van den paus om de een of andere reden van taktiek daarheen gegaan is,
om zich op te sluiten."
"En de paus, Leo XIII zelf?"
Don Vigilio aarzelde even en knipte met zijn oogleden.
"Leo XIII? Jezuïet, Jezuïet!... O, ik weet heel goed, dat men beweert,
dat hij het met de Dominicanen houdt, en dat is in zeker opzicht
waar, want hij gelooft door hun geest bezield te zijn, heeft den
Heiligen Thomas van Aquino weer tot eer gebracht en de opleiding
der geestelijkheid weer ingericht naar zijn leerstellingen... Maar
men kan ook zonder het te willen of te weten Jezuïet zijn, en de
tegenwoordige paus zal er het beroemde voorbeeld van zijn. Bestudeer
zijn handelingen, geef u rekenschap van zijn politiek en u zult
daarin de uitstrooming, de werkzaamheid zelf van de Jezuïetenziel
zien. Dat komt, omdat hij daar onbewust van doordrenkt is, omdat alle
invloeden, die, direct of indirect, op hem werken, uitgaan van dien
haard... Waarom gelooft u mij niet? Ik zeg u nogmaals, dat zij alles
hebben veroverd, alles hebben opgezogen, dat Rome hun toebehoort van
af den nederigsten kapelaan tot aan Zijne Heiligheid zelf toe!"
Hij bleef iederen nieuwen naam, dien Pierre noemde, beantwoorden
met denzelfden hardnekkigen en bijna waanzinnigen uitroep:
Jezuïet, Jezuïet! Het scheen, alsof men in de Kerk niets anders
meer zijn kon, alsof de waarheid van die bewering bewezen werd
door een geestelijkheid, die gedwongen was zich te richten naar de
nieuwe wereld, als zij God wilde redden. Het heldentijdvak van het
Katholicisme was afgesloten, het kon voortaan slechts leven door
diplomatie en listen, door concessies en schikkingen.
"En die Paparelli--Jezuïet, Jezuïet!" ging don Vigilio,
terwijl hij onwillekeurig begon te fluisteren, voort. "O, dat
is de verschrikkelijke, kruiperige Jezuïet, de Jezuïet in zijn
afschuwlijksten vorm als spion en verklikker! Ik zou er een eed op
willen doen, dat men hem hier in het paleis gebracht heeft om Zijne
Eminentie na te gaan, en u moet zien met welk een geniale handigheid
en slimheid hij erin geslaagd is zijn taak te vervullen: zijn wil is
almachtig, hij laat binnen wie hem lust, gebruikt zijn meester als
iets, dat hem toebehoort, oefent vaak druk uit op ieder van zijn
besluiten, heeft hem langzamerhand ieder uur meer in zijn macht
gekregen... Ja, die zoo eenvoudige, geringe abbé, de sleepdrager,
wiens werk het is als een trouwe hond aan de voeten van zijn meester
te zitten, maar die in werkelijkheid over hem heerscht en hem drijft
waarheen hij wil--dat is de overweldiging van den leeuw door het
insect, dat is het oneindig kleine, dat beschikt over het oneindig
groote... O, die Jezuïet, die Jezuïet! Neem u voor hem in acht,
wanneer hij met zijn slap en gerimpeld gezicht als een oude vrouw
in een zwarte rok geruischloos in zijn armzalige soutane langs u
sluipt. Pas op, dat hij niet achter een deur of in een kast staat of
onder een bed ligt. Ik zeg u, dat zij u zullen opeten, zooals zij mij
opgegeten hebben, en dat zij u ook de koorts, de pest zullen geven,
wanneer u u niet in acht neemt!"
Plotseling bleef Pierre voor den priester staan. Hij verloor
terrein. Vrees en toorn hadden zich van hem meester gemaakt. Waarom
zouden ten slotte al die vreemde verhalen niet waar zijn?
"Maar geef mij dan toch een raad!" riep hij uit. "Ik heb u juist
gevraagd even bij mij te komen, omdat ik niet meer wist, wat ik
doen moest en ik behoefte gevoelde weer op den goeden weg gebracht
te worden."
Hij hield op en begon, als door zijn hartstocht voortgedreven, weer
gejaagd de kamer op en neer te loopen.
"Of neen, zeg me toch maar niets. Het is uit, ik vertrek liever. Die
gedachte is reeds eerder bij mij opgekomen, maar in een uur van
lafheid, ik wilde toen verdwijnen, naar Parijs teruggaan, en in vrede
in mijn eigen kring leven, terwijl ik, wanneer ik thans Rome verlaat,
wegga als wreker, als rechter, om van Parijs uit te verkondigen,
wat ik te Rome gezien, wat men er van het Christendom van Jezus
gemaakt heeft--dat het Vaticaan op het punt staat ineen te storten,
dat er reeds een lijkenlucht van uitgaat, dat het een belachelijke
illusie is te hopen, eens uit dat graf, waarin de ontbinding van
eeuwen slaapt, de moderne ziel herboren te zien opstaan... O, ik
zal niet toegeven, ik zal mij niet onderwerpen, ik zal mijn boek
door een nieuw boek verdedigen. En dat zal, daar sta ik u borg voor,
in de wereld opzien baren, want het zal de doodsklok luiden over een
stervenden godsdienst, dien men zoo spoedig mogelijk begraven moet,
als men niet wil, dat zijn omhulsel de volkeren zal vergiftigen."
Dit ging don Vigilio's begrip te boven. De Italiaansche priester met
zijn bekrompen geloof, zijn laffen angst voor nieuwe denkbeelden,
werd weer in hem wakker. Hij vouwde zijn handen.
"Zwijg, zwijg, dat zijn godslasteringen... En bovendien u kunt niet
zoo weggaan, zonder nog eenmaal getracht te hebben Zijne Heiligheid te
spreken. Zij alleen is souverein. En ik weet wel, dat het u verbazen
zal, maar pater Dangelis heeft, al schertsend, u nog den eenigen
goeden raad gegeven: ga nogmaals naar monsignor Nani, hij alleen zal
de deur van het Vaticaan voor u kunnen openen."
Weer maakte een woede zich van Pierre meester.
"Wat, ik zou bij monsignor Nani begonnen zijn, om weer bij monsignor
Nani te eindigen? Wat is dat voor een spel? Dacht u, dat ik me laat
behandelen als een bal, die van den een naar den ander gekaatst
wordt? Ze zouden me maar uitlachen!"
Uitgeput en wanhopig liet Pierre zich weer vallen op zijn stoel
tegenover den abbé, die, met zijn door het lange opzitten vaalbleek
gezicht en zijn altijd bevende handen, zich in het geheel niet
bewoog. Er volgde een lange stilte. Dan kwam don Vigilio nog met
een ander denkbeeld: hij kende den biechtvader van den paus, een
zeer eenvoudigen Franciscaner monnik, en wilde Pierre bij dezen
aanbevelen. Misschien zou die pater, ondanks zijn bescheiden op
den achtergrond blijven, kunnen helpen. Het was in ieder geval
te probeeren. Dan begon het zwijgen weer, en Pierre, wiens oogen
strak op den muur gericht waren, onderscheidde ten slotte de oude
schilderij, die hem op den dag van zijn aankomst zoo getroffen
had. Langzamerhand zag hij haar in het schemerachtige licht als het
ware naar voren treden en levend worden als de belichaming van zijn
eigen geval, van zijn nuttelooze wanhoop voor de ruw gesloten deur
der waarheid en der gerechtigheid. O, hoe geleek deze verstooten,
in haar liefde volhardende vrouw, wier gezicht men niet zien kon,
die, snikkend in haar haren, van smart op de treden van dit paleis,
voor de meedoogenloos gesloten deur neergevallen was, op hem! In haar
eenvoudig linnen kleed rilde zij van de koude, zij verried haar geheim,
ongeluk of eigen schuld, haar groot verdriet, zoo verstooten te zijn,
niet. En hij gaf haar achter die tegen haar gelaat gedrukte handen zijn
gezicht, zij werd zijn zuster, evenals alle andere armen zonder dak en
bescherming, die weenen, omdat zij naakt en alleen zijn, die het vel
van haar vuisten rukken bij haar pogingen, om de deur der menschen
te forceeren. Hij kon nooit naar haar kijken zonder medelijden met
haar te krijgen, en dien avond werd hij zóó ontroerd, nu hij haar nog
altijd onbekend, zonder naam en zonder gezicht, nog altijd badende
in haar tranen terugvond, dat hij plotseling aan don Vigilio vroeg:
"Weet u van wie die oude schilderij is? Zij ontroert mij tot in mijn
ziel als een meesterwerk."
Verbaasd over die onverwachte vraag, die zoo zonder eenigen overgang
gedaan werd, keek de priester op; hij verwonderde zich nog meer, toen
hij het zwart geworden, verwaarloosde doek en de armzalige lijst zag.
"Weet u, waar die schilderij vandaan komt?" vroeg Pierre
nogmaals. "Waarom heeft men het doek naar deze kamer verbannen?"
"O!" zeide hij met een onverschillig gebaar, "dat is niets. Zulke
oude, waardelooze schilderijen vindt je hier overal... Dit doek zal
wel altijd hier gehangen hebben. Maar ik weet het niet, ik heb er
vroeger nooit op gelet."
Eindelijk stond hij voorzichtig op. Doch die enkele beweging gaf
hem zoo'n rilling, dat hij nauwlijks iets zeggen kon. Zijn tanden
klapperden van koorts.
"Neen, ga niet mee, laat de lamp in deze kamer... En om nog even
op ons gesprek terug te komen: het zal nog maar het beste zijn u
toe te vertrouwen aan monsignor Nani, want dat is tenminste nog een
hoogstaand iemand. Ik heb het bij uw komst hier al gezegd, of u wilt
of niet, zult u ten slotte toch doen wat hij wil. Waartoe dient het
dan eigenlijk nog te strijden?... En nooit één woord over ons gesprek
van vannacht, dat zou mijn dood zijn!"
Hij opende de deuren geruischloos, keek wantrouwend rechts en links
de donkere gang in, verdween en ging zoo zacht naar zijn eigen kamer
terug, dat men zelfs te midden van de grafstilte van het oude paleis
het schuifelen van zijn voet niet hoorde.
Den volgenden dag liet Pierre, die weer opnieuw door strijdlust bezield
was en alles wilde probeeren, zich door don Vigilio een aanbeveling
geven voor den biechtvader van den paus, den Franciscanerpater,
dien de secretaris van den kardinaal kende. Maar deze monnik was een
pijnlijk angstvallig man; blijkbaar had men een zeer bescheiden en
eenvoudig iemand zonder eenigen invloed gekozen, die geen misbruik zou
maken van zijn almachtige positie bij den paus. In de omstandigheid,
dat deze slechts de deemoedigste orde, den vriend der armen, den
heiligen bedelaar langs de wegen als biechtvader had willen hebben,
lag ook een gehuichelde ootmoed. Toch stond deze pater bekend als een
redenaar van groote geloofskracht; de paus zelf luisterde, volgens de
etiquette achter een sluier verborgen, naar zijn preeken, want al kon
de paus als onfeilbaar pontifex maximus van geen enkelen priester iets
leeren, men erkende toch, dat hij, als mensch, voordeel kon trekken
uit goede woorden. Afgezien van zijn natuurlijke welsprekendheid was
deze goede monnik een eenvoudige bleeker van zielen, een biechtvader,
die luistert en absolutie geeft, zonder zich de onreinheden, die hij
in het water der boetedoening schoon wascht, te herinneren. Toen
Pierre zag, dat hij werkelijk zoo onbeteekenend en zonder invloed
was, drong hij niet aan op zijn bemiddeling, wat, zooals hij voelde,
toch nutteloos zijn zou.
Dien dag vervolgde het beeld van den schuchteren minnaar der Armoede,
van den verrukkelijken Franciscus, zooals Narcisse Habert hem noemde,
Pierre tot den avond. Hij had zich dikwijls verwonderd over de komst
van dezen nieuwen Jezus, die zoo zacht voor menschen, dieren en dingen
was en wiens hart brandde van een zoo vurige liefde voor de armen,
in dit zelfzuchtige en genotzuchtige Italië, waarin slechts de vreugde
over de schoonheid koningin gebleven is. Ongetwijfeld zijn de tijden
veranderd, maar hoeveel liefdekracht moet er in die oude tijden,
gedurende het groote lijden der Middeleeuwen, noodig geweest zijn dat
een dergelijke uit den volksbodem opgeschoten trooster der nederigen de
overgave van het eigen ik aan anderen, het afstand doen van rijkdom,
den afschuw voor ruw geweld, de gelijkheid en gehoorzaamheid begon
te preeken, die den wereldvrede verzekeren moest.
Hij ging, gekleed als de armsten, langs de wegen; een touw hield
het grijze kleed om zijn lendenen vast, zijn naakte voeten staken in
sandalen; beurs of stok had hij niet. Hij en zijn broeders spraken
een trotsche, vrije taal, vol verheven, poëtische kracht, vol dapper
uitgesproken waarheid. Overal traden zij op als rechters, vielen zij
de rijken en machtigen aan, waagden zij het de slechte priesters,
de ontuchtige, zich aan simonie schuldig makende, meineedige
bisschoppen, aan te wijzen. Met een langen kreet van verlichting
werden zij ontvangen; het volk volgde hen in dichte scharen, zij
waren de vrienden, de bevrijders van alle kleinen, die lijden.
In den beginne maakte Rome zich dan ook niet weinig ongerust over
dergelijke revolutionnairen; de pausen aarzelden lang vóórdat zij
de orde erkenden; en toen zij ten slotte toegaven, geschiedde dat
ongetwijfeld met de gedachte, deze nieuwe macht tot hun voordeel,
tot de verovering van de lagere volksklassen, van de reusachtige,
onbestemde massa te gebruiken, wier heimelijk dreigen door alle eeuwen
heen, zelfs in de meest despotische tijden, gegromd en gebromd heeft.
Van dat oogenblik af bezat het pausdom in de zonen van den Heiligen
Franciscus een steeds overwinnend leger, een zwervend leger, dat
zich overal, op alle wegen, in alle dorpen en steden verspreidde,
dat doordrong tot den huiselijken haard van werkman en boer en de
harten der eenvoudigen voor zich won. Dat men zich de democratische
macht van een dergelijke orde, die uit het volk zelf voortgesproten
was, voorstelle! Vandaar zijn zoo spoedig gevolgde bloei; het aantal
broeders vermeerdert zich in enkele jaren aanzienlijk, overal worden
scholen opgericht; de Franciscaner-orde trekt de leeken-bevolking
zoo tot zich aan, dat zij haar doordrenkt en opzuigt.
En dat men hier te doen heeft met een voortbrengsel van den bodem,
met een krachtigen wasdom van den plebeïschen stam, bewijst wel het
feit, dat een nationale kunst eruit opbloeide: de voorloopers van
de Renaissance in de schilderkunst, en Dante zelf, de ziel van het
Italiaansche genie.
Sedert enkele dagen zag Pierre nu deze groote orde van vroeger en
kwam met hen in het hedendaagsche Rome in aanraking. De Franciscanen
en de Dominicanen, de door hetzelfde geloof bezielde mededingers,
die zoo lang gemeenschappelijk voor de Kerk gestreden hadden, woonden
nog altijd in hun groote, schijnbaar bloeiende kloosters tegenover
elkaar. Maar het scheen, dat de Franciscanen op den langen duur door
hun nederigheid op zijde gedrongen waren. Misschien kwam dat ook,
omdat hun rol van volksvrienden en volksbevrijders uitgespeeld was,
sedert het volk zich door zijn politieke en sociale veroveringen
zelf bevrijdt.
In ieder geval ging de strijd alleen nog tusschen de Dominicanen en
de Jezuïeten, de predikers en de opvoeders, die beiden de pretentie
behouden hebben de wereld te kneden naar het beeld van hun geloof. Men
hoorde de verschillende invloeden dof grommen; het was een strijd,
die geen uur ophield en waarvan Rome, de oppermacht in het Vaticaan,
de inzet was. Het was voor de eerste van weinig nut, dat de Heilige
Thomas van Aquino aan hun zijde streed; zij voelden hoe hun oude
dogmatische wetenschap instortte, zij moesten dagelijks wat meer
terrein afstaan aan de tweeden, die met behulp van den geest der eeuw
overwonnen. Verder waren er nog de Karthuizers in hun witte pijen,
de heilige, reine, zwijgende en contemplatieve monniken, die zich
uit de wereld terugtrekken in hun kloosters met de stille cellen, de
wanhopigen en getroosten, wier aantal gering kan zijn, maar die eeuwig
zullen leven, zooals smart en behoefte aan eenzaamheid eeuwig zijn.
Dan waren er de Benedictijnen, de kinderen van den Heiligen Benedictus,
wiens bewonderenswaardige orderegel den arbeid geheiligd heeft, de
hartstochtelijke letterkundige en wetenschappelijke werkers, die in
hun tijd lang machtige werktuigen der beschaving waren en door hun
reusachtigen historischen en kritischen arbeid zooveel bijgedragen
hebben tot de algemeene ontwikkeling. Hen had Pierre lief, bij hen zou
hij twee eeuwen vroeger zijn toevlucht en zijn troost gezocht hebben;
maar toch verwonderde het hem ten zeerste, toen hij zag, dat zij op
den Aventinus een groot huis voor zich bouwden, waarvoor Leo XIII
reeds millioenen gegeven heeft, alsof de wetenschap van heden en
morgen nog een veld was, waarop zij zouden kunnen oogsten. Waartoe
diende dat? De arbeiders waren toch veranderd, de dogma's versperren
toch den weg aan ieder, die ze eerbiedig moet voorbijgaan, zonder ze
geheel tegen den grond te werpen.
Verder krioelde het er nog van honderden minder beteekenende orden:
de Carmelieten, de Trappisten, de Minnebroeders, de Barnabieten,
de Lazaristen, de Eudisten, de Missionarissen, de Recoletten,
de Broeders van de orde der Christelijke leer, de Bernardijnen,
de Augustijnen, de Theatijnen, de Observantijnen, de Celestijnen,
de Capucijnen, ongerekend de correspondeerende vrouwenorden,
de Clarissen, de ontelbare nonnen, zooals de zusters van Maria
Boodschap en van Golgotha. Iedere orde had haar meer bescheiden of
meer weelderig ingericht huis, sommige wijken van Rome bestonden
slechts uit kloosters, en achter die zwijgende gevels gonsde en
intrigeerde dit volk in een voortdurenden strijd van belangen en
hartstochten. De vroegere sociale evolutie, die hen voortgebracht
had, werkte sedert langen tijd niet meer; toch bleven zij, steeds
nutteloozer en zwakker wordend en als voorbestemd voor dien langen
doodsstrijd, aan het leven hangen--tot den dag, waarop aan de borst
der nieuwe maatschappij lucht en bodem voor hen ontbreken zou.
Maar bij zijn stappen en bezoeken, die weer begonnen waren, kwam
Pierre niet veel met die monniken in aanraking; hij had voornamelijk
te maken met den wereldlijken clerus, den Romeinschen clerus, dien hij
al heel spoedig leerde kennen. Een nog zeer strenge hiërarchie hield
de klassen en rangen in stand. Op den top, om den paus, heerschte
de pauselijke huishouding, de kardinalen en prelaten, die zeer
trotsch, zeer verheven en ondanks hun schijnbaar vertrouwelijkheid
zeer laatdunkend waren. Onder hen vormde de clerus der parochiën als
het ware een waardige, verstandige en gematigde bourgeoisie, waarin
patriotische geestelijken zelfs niet zeldzaam waren. De Italiaansche
occupatie had, doordat zij een geheele wereld van zedelijk hoogstaande
ambtenaren aangesteld had, na een kwart eeuw het merkwaardige resultaat
gehad, dat zij loutering gebracht had in het huiselijk leven der
Romeinsche priesters, waarin de vrouwen vroeger een zoo overwegende
rol speelden, dat Rome in den letterlijken zin des woords een regeering
van huishoudsters was, die troonden in de woningen van jonggezellen.
Ten slotte kwam het plebs van den clerus, dat Pierre nauwkeurig
bestudeerd had: een waar samenraapsel van ongelukkige, vuile, half
naakte, als uitgehongerde dieren op een mis loerende priesters,
die ten slotte met bedelaars en dieven in verdachte kroegen terecht
kwamen. Maar nog meer interesseerde hem de menigte priesters, die uit
de geheele Christenheid samengestroomd was, avonturiers, eerzuchtigen,
geloovigen, krankzinnigen, die Rome aantrok, zooals 's avonds een
lamp de insecten uit het donker aantrekt. Alle nationaliteiten,
alle standen, alle leeftijden zijn er vertegenwoordigd, galoppeeren
onder de zweep van hun hartstochten, verdringen zich van 's morgens
vroeg tot 's avonds laat om het Vaticaan, om te bijten in den buit,
waarvoor zij gekomen zijn. Overal vond hij ze weer en hij zeide een
weinig beschaamd tot zichzelf, dat hij een hunner was, dat hij door
zijn persoon dat ongelooflijk aantal soutanen vermeerderde, die men in
de straten aantrof. O, die voortdurende ebbe en vloed van zwartrokken,
van pijen in allerlei kleuren in dat Rome.
De seminaries der verschillende naties met hun dikwijls uit wandelen
gaande leerlingen zouden voldoende geweest zijn alle straten te
pavoiseeren: de Franschen geheel in het zwart, de Zuid-Amerikanen
in het zwart met een blauwe sjerp, de Noord-Amerikanen in het zwart
met een roode sjerp; de Polen in het zwart met een groene sjerp,
de Grieken in het blauw, de Duitschers in het rood, de Romeinen
in het lila en al de anderen in op honderden manieren geborduurde
en omzoomde soutanes. Verder waren er nog de broederschappen, de
boetepriesters met witte, zwarte, blauwe, grijze pijen of mantels. Zoo
scheen het pauselijke Rome nog dikwijls te herleven; men voelde, dat
het nog levend en taai was, dat het streed om in het hedendaagsche
kosmopolitische Rome niet te verdwijnen.
Maar hoe Pierre ook van den eenen prelaat naar den anderen liep, hoe
hij omging met priesters en kerken bezocht, hij kon zich aan dezen
eeredienst, aan deze Romeinsche vroomheid, die hem verwonderde,
wanneer zij hem niet wondde in het diepst van zijn ziel, niet
wennen. Toen hij op een regenachtige Zondagochtend de S. Maria
Maggiore binnenging, meende hij zich in een wachtkamer te bevinden,
weliswaar van een ongehoorden rijkdom met haar zuilen en zoldering
als van een tempel, met den weelderigen baldakijn van haar pauselijk
altaar, met het schitterend marmer van zijn confessie en vooral met
haar Borghesische kapel, waarin God echter niet scheen te wonen. In
het middenschip was geen stoel of geen bank te zien; het was een
voortdurend komen en gaan van geloovigen als in een station, terwijl
zij met hun slijkschoenen den kostbaren mozaïekvloer nat maakten;
mannen en vrouwen zaten vermoeid op de voetstukken van de zuilen,
zooals men ze in het groote gedrang op perrons op de aankomst van
treinen ziet wachten.
Voor deze in het voorbijgaan binnengekomen, rondloopende, voornamelijk
uit kleine luiden bestaande menigte las een priester een stille mis,
achter in een zijkapel, waarvoor zich een lange, smalle rij gevormd
had, die denken deed aan de queue voor een schouwburgloket. Bij de
elevatie bogen allen zich met een vroom gebaar, dan verstrooide zich de
menigte, de mis was afgeloopen. Overal, zoowel in de S. Paolo als in
de S. Giovanni di Laterano, zoowel in alle oude basilica's als in de
St. Pieter zelf was hetzelfde te zien: de menigte was gehaast, hield
er niet van te zitten, bracht God, behalve op groote receptiedagen,
slechts korte, familiare bezoeken. Slechts in de Jezuïetenkerk woonde
hij op een anderen Zondagochtend een hoogmis bij, die hem denken deed
aan de vrome menigten uit het Noorden: daar zag men banken en vrouwen,
die zaten, daar heerschte een menschelijke warmte onder den luxe der
met goud, beeldhouwwerk en schilderwerk overladen gewelven, die een
wondermooi vaalrooden tint bezaten, sedert de tijd den barokken,
al te fellen stijl wat verzacht had. Maar hoeveel ledige kerken
waren er zelfs onder de oudste en eerwaardigste! In de S. Clemente,
in de S. Agnese, in de S. Cuore di Gerusalemme zag men tijdens de
godsdienstoefeningen slechts enkele menschen uit de buurt!
Vierhonderd kerken te vullen was zelfs voor Rome te veel; verscheidene
waren er, die slechts op bepaalde feestdagen bezocht werden;
vele openden haar deuren slechts éénmaal per jaar, op den naamdag
van haar Heilige. Andere leefden van de gelukkige omstandigheid,
dat zij een fetisch, een afgodsbeeld bezaten, dat het menschelijk
lijden verzachtte: de Aracoeli had een kleinen wonderdoenden Jezus
"Il Bambino", die de zieke kinderen genas; de S. Agostino had een
"Madonna del Parto", de Maagd, die zwangeren gelukkig verloste. Andere
waren beroemd om haar wijwater, de olie van haar lampen, de macht
van een houten heilige of een marmeren madonna. Andere schenen
verwaarloosd, werden alleen bezocht door touristen, overgeleverd
aan den kleinhandel van kosters, deden denken aan musea, die door
doode goden bevolkt zijn. Nog andere waren storend, zooals de in het
Pantheon ondergebrachte Santa Maria Rolanda, een ronde zaal, die op
een circus gelijkt, en waarin de Heilige Maagd blijkbaar de huurster
van den Olympus is.
Ook had Pierre zich geïnteresseerd voor de kerken in de volkswijken:
de S. Onofrio, de S. Cecilia, de S. Maria in Trastevere, zonder daarin
echter het verwachte levende geloof, de gehoopte groote menigte te
vinden. Op een middag hoorde hij in deze laatste, volkomen ledige
kerk de zangers met een luide stem te midden van deze woestijn een
litanie zingen. Toen hij een andermaal de S. Crisogono binnentrad,
vond hij de kerk, blijkbaar voor een den volgenden dag plaats hebbend
feest, geheel bekleed: de zuilen met overtrekken van rood damast, de
portieken met afwisselend gele en blauwe, witte en roode draperieën
en gordijnen. Hij vluchtte voor deze afschuwelijke decoratie, die
denken deed aan het klatergoud van kermissen. O, wat was hij ver
verwijderd van de kathedralen, waarin hij in zijn jeugd geloofd en
gebeden had! Overal vond hij dezelfde kerk terug, de oude, antieke
basilica, die door Bernini en zijn leerlingen pasklaar gemaakt was
voor den smaak van het Rome der achttiende eeuw.
In de S. Luigi de' Francesi, die een helderen, elegant-soberen stijl
heeft, werd hij slechts ontroerd door de groote dooden, de heiligen
en helden, die in vreemde aarde onder de vloertegels sliepen. Daar
hij Gotiek zocht, ging hij ten slotte naar de Santa Maria sopra
Minerva, die, naar men hem verteld had, het eenige staal van Gotische
kunst te Rome was. Maar deze met marmer overdekte halfzuilen,
deze spitsbogen, die zich niet durfden opheffen, verstikt als zij
werden in de zoldering, die zich rondende, tot de zware majesteit
van een dom veroordeelde gewelven, vormden voor hem een laatste
teleurstelling. Neen, neen! Het geloof, waarvan de warme asch hier
nog lag, was niet meer hetzelfde, welks gloed de geheele Christenheid
tot in de verste uithoeken had doen branden. Monsignor Fornaro,
dien hij toevallig bij het verlaten van de S. Maria sopra Minerva
zag, schold tegen de Gotiek, die hij zuivere haeresie noemde. De
eerste Christelijke kerk was de uit den tempel ontstane basilica;
het was een godslastering, wanneer men de werkelijke, Christelijke
kerk zag in de Gotische kathedraal, want de Gotiek was niets meer dan
de vloekwaardige Angelsaksische geest, het oproerige genie van Luther.
Pierre wilde den prelaat een heftig antwoord geven; dan zweeg
hij uit vrees te veel te zullen zeggen. Was het in werkelijkheid
niet het beslissende bewijs, dat het Katholicisme de vrucht van den
Romeinschen bodem zelf was, het door het Christendom gemetamorphoseerde
heidendom? Elders heeft datzelfde Christendom zich in een geheel
anderen geest ontwikkeld, zoodat het in opstand gekomen is en zich
op den dag van het schisma tegen de moederstad gekeerd heeft. Die
afscheiding nam steeds grootere uitbreiding aan en in de evolutie der
nieuwe maatschappijen teekenen zich ondanks de wanhopige pogingen om
eenheid te verkrijgen, de geschillen steeds duidelijker af, zoodat het
schisma nogmaals onvermijdelijk en nabij schijnt. Pierre, het vroeger
zoo vrome en sentimenteele kind, had nog een anderen wrok tegen de
basilica's: haar ontbraken de klokken, de mooie, groote klokken, die
aan de nederigen zoo lief zijn. Voor klokken zijn klokkentorens noodig,
en er zijn in Rome geen klokkentorens, slechts dommen. O, er viel
niet aan te twijfelen, Rome was de luidklinkende en klokkenluidende
stad van Jezus niet, waaruit het gebed in welluidende klankgolven
tusschen de zwevende zwermen kraaien en zwaluwen hemelwaarts steeg.
Toch bleef Pierre, aangegrepen door een heimelijke geprikkeldheid,
die hem in zijn verzet stijfde, zijn bezoeken voortzetten;
hij hield de belofte, die hij bij zichzelf gedaan had, en ging,
ondanks de wonden, die zijn ziel er door geslagen werden, naar alle
kardinalen der Indexcongregatie. En langzamerhand kwam hij ook met
andere congregaties in aanraking, met de ministeries van de vroegere
pauselijke regeering, welke heden ten dage minder talrijk zijn,
maar nog steeds een buitengewoon gecompliceerd raderwerk bezitten,
die ieder een kardinaal tot voorzitter, kardinalen tot leden hebben,
vergaderingen houden en een groote menigte ambtenaren in dienst
hebben. Hij moest meermalen naar de Cancellaria gaan, waarin zich
de Indexcongregatie bevindt, en verdwaalde daar in het reusachtige
labyrinth van trappen, gangen en zalen; dadelijk bij de zuilengaanderij
van het binnenplein greep hem de ijzige rilling der oude muren aan;
hij kon dat paleis, het meesterwerk van Bramante, het zuivere type der
Romeinsche Renaissance, dat een zoo kale en kille schoonheid bezat,
niet liefhebben.
De congregatie der Propaganda, waar kardinaal Sarno hem ontvangen
had, kende hij reeds en op zijn talrijke bezoeken, op die jacht naar
invloedrijke beschermers, waarbij hij van den een naar den ander
gezonden werd, leerde hij ook de congregatie der bisschoppen en
ordegeestelijken, de riten- en de Conciliecongregatie kennen. Zelfs
zag hij vluchtig de consistoriecongregatie, de Dateria, het Heilige
Boetgericht. Het was het reusachtige mechanisme van de administratie
der Kerk. De geheele wereld moet beheerscht, de veroveringen
uitgebreid, de zaken der veroverde landen bestuurd, de geloofs-,
zeden- en personenquaesties beoordeeld, delicten onderzocht en
gestraft, dispensaties verleend en gunsten verkocht worden. Men
kan zich het reusachtige aantal zaken, die iederen ochtend op het
Vaticaan inkomen, niet voorstellen. Het zijn de ernstigste, teerste,
ingewikkeldste vragen, welker oplossing tot tallooze onderzoekingen en
studies aanleiding geeft. De groote menigte van uit alle deelen der
Christenheid saamgestroomde en Rome verstoppende bezoekers, al die
verzoekschriften, al die dossiers, welker vloed zich in alle bureaux
verspreidde en opstapelde, moesten natuurlijk beantwoord worden.
Wonderbaarlijk was de groote stilte, waarin dat reusachtige
werk verricht werd; geen geluid drong tot de straat door; uit de
gerechtshoven, de parlementen, de fabrieken, waarin men heiligen
maakte, weerklonk zelfs niet het sidderen van het werk, het mechanisme
was zóó goed geolied, dat het ondanks het roest der eeuwen, de groote
en onherstelbare afslijting, functionneerde, zonder dat men vermoedde,
dat het daar achter die muren aan het werk was.
Lag hierin niet de geheele politiek der Kerk? Zwijgen, zoo weinig
mogelijk schrijven, afwachten! Maar hoe wonderbaarlijk was dit zoo oude
en toch nog zoo machtige mechanisme! En hoe was Pierre zich bewust,
dat hij te midden van die congregaties gevangen was in het ijzeren
net van de meest onbeperkte macht, die men ooit georganiseerd heeft
om de menschheid te beheerschen!
Hij kon scheuren en gaten en een hoogen ouderdom, die op een naderend
einde wees, constateeren, dat nam niet weg, dat hij zichzelf niet meer
toebehoorde, sedert hij er zich in gewaagd had: hij werd gegrepen,
gekneusd, meegetrokken in dit onontwarbare net, in dit eindelooze
labyrinth van invloeden en intriges, van ijdelheden en omkooperijen,
van corruptie en eerzucht, van ellende en grootheid. Hoe ver was
hij van het Rome, dat hij gedroomd had! Welk een toorn maakte zich
meermalen van hem meester in zijn moeheid en zijn begeerte om zich
te verdedigen!
Plotseling ging voor Pierre een licht op omtrent de dingen, die hij tot
nog toe nooit begrepen had. Op een dag, dat hij weer naar de Propaganda
gegaan was, sprak kardinaal Sarno op een zoo koud-woedenden toon over
de Vrijmetselarij, dat hij alles in een helder licht zag. Tot dusverre
had hij moeten glimlachen om de Vrijmetselarij; hij geloofde er even
weinig aan als aan de Jezuïeten, hij vond de belachelijke verhalen,
die er de rondte over deden, kinderachtig, verwees die geheimzinnige
mannen, die in het donker werkten en wier geheime, onberekenbare
macht de wereld regeeren zou, naar het rijk der legenden. Vooral
verwonderde hij zich over den blinden haat, die sommige menschen bijna
krankzinnig maakte, zoodra het woord vrijmetselaar op hun lippen kwam;
een prelaat, en dat nog wel een van de meest intelligenten en de meest
ontwikkelden, had hem met den grootsten ernst verzekerd, dat iedere
vrijmetselaarsloge minstens éénmaal per jaar gepresideerd werd door
den duivel in hoogst eigen persoon. Een eenvoudig menschenverstand
stond daarbij stil. Doch nu begreep hij de rivaliteit, den verwoeden
strijd van de Roomsch-Katholieke Kerk tegen de andere, haar vijandige
Kerk. De eerste mocht zich de overwinnaresse wanen, zij voelde toch in
de andere een concurrente, een zeer oude vijandin, die zelfs beweerde
nog ouder te zijn dan zij en wier overwinning altijd mogelijk bleef.
De botsing kwam voornamelijk voort uit het feit, dat de beide secten
hetzelfde eerzuchtige streven naar de wereldheerschappij, dezelfde
internationale organisatie, hetzelfde net, dat over de volkeren
geworpen werd, mysteriën, dogma's en riten bezaten. God tegen God,
geloof tegen geloof, verovering tegen verovering. Op die wijze
hinderden zij elkaar, zooals twee concurreerenden, aan beide kanten van
een straat opgerichte magazijnen, en de een moest ten slotte de ander
dooden. Maar al scheen het hem toe, alsof het Katholicisme wankelde
en met ondergang bedreigd werd, toch bleef hij ook sceptisch gestemd
ten opzichte van de macht der Vrijmetselarij. Hij had gevraagd en een
onderzoek ingesteld, om zich rekenschap te geven van het werkelijk
bestaan dezer macht in dit Rome, waar de beide hoogste machten
tegenover elkander stonden, waar de grootmeester troonde tegenover
den paus.
Men had hem wel verteld, dat de laatste Romeinsche prinsen zich
genoodzaakt voelden vrijmetselaars te worden, om hun leven niet al
te zwaar te maken, hun toch al moeilijke positie niet te verergeren,
de toekomst van hun zoons niet te bederven. Maar gaven zij daarbij
niet alleen toe aan de onweerstaanbare macht der hedendaagsche
sociale evolutie? Zou de Vrijmetselarij ook niet ondergaan in
haar eigen triomf, den triomf der denkbeelden van gerechtigheid,
waarheid en rede, die zij zoo lang te midden van de duisternis en de
gewelddaden der geschiedenis verdedigd had? Het was een vaststaand
feit, dat de zege van een idee de secte, die haar propageert, doodt
en het apparaat, waarmede zij zich omgeven heeft, om de phantasie te
treffen, nutteloos en eenigszins wonderlijk maakt. Het carbonarisme
heeft de verovering der politieke vrijheden, die het eischte, niet
kunnen overleven, en den dag, waarop de Katholieke Kerk, na haar
beschavingswerk volbracht te hebben, ineenstort, zal óók de andere
Kerk, de Vrijmetselaarskerk verdwijnen, daar haar bevrijdingstaak
dan afgeloopen is. Thans zou de beroemde almacht der loges een
armzalig, eveneens door tradities belemmerd, door een belachelijk
ceremonieel bedorven veroveringswerktuig zijn, niets meer dan een
band van onderlinge verstandhouding en hulpverleening, indien de
sterke adem der wetenschap de volkeren niet wegrukte en medehielp
aan de vernietiging van verouderde godsdiensten.
Uitgeput door zooveel bezoeken en noodelooze stappen, kreeg Pierre,
niettegenstaande hij als de soldaat van een hoop, die niet aan de
nederlaag gelooven wil, hardnekkig erbij bleef Rome niet te verlaten
zonder tot het einde toe gestreden te hebben, weer angst. Hij
had alle kardinalen bezocht, wier invloed hem van eenig nut kon
zijn. Hij had den vicaris-generaal bezocht, die het diocees Rome
bestuurde, een ontwikkeld man, die met hem over Horatius gesproken
had, een politiek warhoofd, dat hem gevraagd had naar Frankrijk,
naar de Republiek, naar de oorlogs- en marinebudgetten, zonder
zich in het minst te bekommeren over het vervolgde boek. Hij had
den groot-penitentiarius bezocht, den kardinaal, dien hij eenmaal
vluchtig in den palazzo Boccanera gezien had, een mageren ouden man
met een uitgeteerd ascetengezicht, van wien hij een lang verwijt en
strenge woorden tegen de jonge priesters, die, door den geest der eeuw
bedorven, vloekwaardige boeken schreven, te hooren kreeg. Ten slotte
had hij in het Vaticaan den kardinaal-secretaris bezocht, in zekeren
zin den minister van Buitenlandsche Zaken van Zijne Heiligheid, de
groote macht van den Heiligen Stoel, van wien men hem tot dusverre
verwijderd gehouden had door hem bang te maken voor de gevolgen van
een ongelukkig uitvallend bezoek.
Hij had zich verontschuldigd, dat hij zich nu eerst tot hem wendde,
en den beminlijksten man tegenover zich gevonden, die door een
diplomatieke welwillendheid zijn eenigszins ruw uiterlijk optreden
verzachtte, hem verzocht te gaan zitten, hem belangstellend uitvroeg,
naar hem luisterde, hem moed insprak zelfs. Maar toen hij weer op het
Sint Pietersplein stond, had hij heel goed begrepen, dat zijn zaak geen
stap verder was gekomen en dat, wanneer het hem nog eens gelukken zou
de deur van den paus te forceeren, dit zeker niet door toedoen van den
kardinaal-secretaris geschieden zou. Dien avond keerde hij overspannen
en overprikkeld, gebroken door de vele bezoeken aan zooveel menschen,
naar de Via Giulia terug, zóó wanhopig, dat hij zich langzamerhand
heelemaal door die machine met haar honderden raderen meegesleept
voelde worden, dat hij zich met schrik afvroeg, wat hij den volgenden
dag moest doen, daar hem niets meer overbleef dan gek te worden.
Toevallig ontmoette hij don Vigilio in een gang; hij wilde hem even
raadplegen, nog een goeden raad van hem vragen. Maar deze legde hem
met een ongerust gebaar, zonder dat hij wist waarom, het zwijgen
op. Hij had weer zijn gewone angstoogen en fluisterde hem in:
"Hebt u monsignor Nani gesproken? Neen?... Ga dan naar hem toe, ga
dan naar hem toe, ik zeg u nogmaals, dat u niets anders te doen hebt."
Hij gaf toe. Waarom nog te weigeren? Afgezien van den hartstocht van
vurige naastenliefde, die hem tot verdediging van zijn boek hierheen
gevoerd had, was hij toch ook voor proefnemingen te Rome. Hij moest
tot het einde toe volharden.
Den volgenden ochtend bevond hij zich te vroeg onder de zuilengang
van de St. Pieter en moest dus vrij lang wachten. Nog nooit had hij de
ontzaglijkheid van deze vier zuilenrijen, van dit woud van gigantische
steenen stammen, waarin echter niemand wandelt, zoo sterk gevoeld. Het
is een indrukwekkende, sombere woestijn. Men vraagt zich af waartoe
een zoo majestueuse zuilengaanderij dient. Ongetwijfeld slechts voor
de majesteit alleen, voor de pracht der decoratie; en ook daarin
ligt weer Rome. Dan ging hij door de Via del S. Offizio en kwam bij
den achter de sacristie gelegen palazzo del S. Offizio. Het is een
eenzame wijk, welker stilte slechts zelden gestoord wordt door den
stap van een voetganger of het rollen van een wagen. De zon, die haar
schuine stralen op het wit geworden plaveisel werpt, is het eenige
levende hier. Men ruikt er de nabijheid van de basilica, den geur
van den wierook, den kloostervrede in den sluimer der eeuwen. Op een
hoek staat de palazzo del S. Offizio drukkend en angstaanjagend kaal:
een hooge, gele gevel, die slechts door een enkele rij ramen verbroken
wordt, terwijl de andere gevel, die op het zijstraatje uitziet, met
zijn kleine vensters--kijkgaatjes met bijna ondoorzichtige raampjes,
er nog verdachter uitziet. Deze geweldige, modderkleurige, naar buiten
bijna vensterlooze en als een gevangenis afgesloten een geheimzinnige
kubus van metselwerk, schijnt in het verblindende zonlicht te slapen.
Een rilling, waarom hij dadelijk glimlachte als om een
kinderachtigheid, doorhuiverde hem. De heilige, Romeinsche, algemeene
Inquisitie, de heilige Congregatie van den S. Offizio, zooals men
haar thans noemde, was niet meer die, waarvan de legende vertelt,
de leverancier van brandstapels, het geheime gerecht, waartegen geen
hooger beroep bestaat, dat recht had over de geheele menschheid de
doodstraf uit te spreken. Toch bewaarde zij nog steeds het geheim van
haar taak, kwam zij iederen Woensdag bijeen, oordeelde en veroordeelde,
zonder dat er iets naar buiten van doordrong. Maar ook al bleef zij
doorgaan de misdaad der haeresie te straffen, ook al bepaalde zij
zich er niet alleen toe werken, maar ook menschen te treffen, toch
bezat zij geen wapenen meer, geen kerker, geen zwaard en vuur; zij
was beperkt tot protesteeren en kon zelfs den haren, den geestelijken,
niets anders dan disciplinaire straffen opleggen.
Toen hij in den salon van monsignor Nani, die in zijn qualiteit
van assessor in dit paleis woonde, gelaten werd, voelde Pierre een
blijde verrassing. Het was een groot, op het Zuiden gelegen, door
een vroolijk zonlicht overstroomd vertrek: er heerschte ondanks de
stijve meubelen en de donkere kleur van het behang een heerlijke
zachtheid, als had er een vrouw geleefd, die het wonder verrichtte
iets van haar bekoorlijkheid in al die strenge dingen te leggen. Er
waren geen bloemen en toch rook het er heerlijk.
Monsignor Nani met zijn blozend gezicht, de blauwe, levendige oogen
en zijn blond, eenigszins grijzend haar, kwam hem met uitgestoken
handen en glimlachend tegemoet.
"O mijn waarde zoon, hoe aardig van u, om me te komen opzoeken... Ga
zitten en laten we als twee vrienden praten."
En onmiddellijk begon hij met blijkbaar groote belangstelling te
vragen:
"En hoe staat het met uw zaak? Vertel me eens precies wat u gedaan
hebt!"
En Pierre, ondanks de vertrouwelijke mededeeling van don Vigilio
getroffen door de sympathie, die hij meende te voelen, biechtte
alles zonder iets weg te laten. Hij vertelde van zijn bezoeken aan
kardinaal Sarno, aan monsignor Fornaro, aan pater Dangelis, zijn
stappen bij de invloedrijke kardinalen, bij alle kardinalen van den
Index, bij den groot-penitentiarius, den kardinaal-vicaris en den
kardinaal-secretaris, weidde uit over zijn eindelooze tochten van
den een tot den ander door den geheelen clerus van Rome, door alle
congregaties, door dezen reusachtigen, drukken en stillen bijenkorf,
waardoor zijn beenen moede, zijn ledematen gebroken, zijn hersens
stomp geworden waren.
Maar Monsignor, die met verrukking naar hem scheen te luisteren,
riep bij iedere lijdensstatie van dezen calvariënberg:
"Maar dat is prachtig, het kan niet mooier. Uw zaak marcheert
uitstekend. Wondermooi staat zij ervoor!"
Hij jubelde, zonder eenige ongepaste ironie te doen blijken. Slechts
zijn doordringende blik doorboorde den jongen priester, om te zien
of hij hem eindelijk tot dat punt van gehoorzaamheid gebracht had,
waarop hij hem wilde hebben. Was hij moe genoeg, had hij genoeg
teleurstellingen ondervonden, wist hij voldoende hoe de toestanden
in werkelijkheid waren, om tot de slotacte te kunnen overgaan? Waren
drie maanden te Rome voldoende geweest, om van den overdreven dweper
van de eerste dagen iemand te maken, die zijn verstand gebruikte of
ten minste zich bij het onvermijdelijke neerlegde?
Plotseling vroeg monsignor Nani hem:
"Maar gij spreekt in het geheel niet over Zijne Eminentie, kardinaal
Sanguinetti."
"Zijne Eminentie is naar Frascati, ik heb hem niet kunnen spreken."
Dan hief de prelaat, alsof hij met het heimelijke genot van een
diplomaat de ontknooping nog wat uit wilde stellen, zijn kleine,
mollige handen naar den hemel op op de ongeruste manier van iemand,
die alles verloren waant, en riep uit:
"O, maar ge moet Zijne Eminentie spreken, ge moet Zijne Eminentie
spreken. Dat is absoluut noodzakelijk. Bedenk toch eens, de praefect
der Congregatie! Wij zullen niet kunnen handelen voor na uw bezoek,
want u hebt niemand gesproken, als u hem niet gesproken hebt... Ga
naar Frascati, mijn zoon."
Pierre kon niet anders dan den raad opvolgen.
"Ik zal gaan, monsignor."