NEGENDE HOOFDSTUK

Daar Benedetta Pierre had laten zeggen, dat zij hem gaarne wilde

spreken, ging hij dien avond bij het invallen van de schemering naar

beneden en vond haar in den salon in een druk gesprek met Celia.

"Ik heb jullie Pierina gezien," riep het jonge meisje, juist toen

hij binnenkwam, uit. "Ja, ja, en nog wel met Dario. Dat wil zeggen,

zij moet hem opgewacht hebben; hij zag, dat zij in een laan van den

Pincio op hem stond te loeren, en glimlachte tegen haar. Toen begreep

ik het dadelijk... Wat een zeldzame schoonheid!"

Benedetta glimlachte zachtjes over haar geestdrift. Maar er kwam

een pijnlijke, droevige plooi om haar mond, want, hoewel zij zeer

verstandig was, begon deze hartstocht, die, zooals zij voelde, oprecht

en sterk was, haar toch te hinderen. Dat Dario elders zijn genoegens

zocht, kon zij begrijpen, daar zij zich niet aan hem geven wilde en

hij jong en geen geestelijke was. Maar dit ongelukkige meisje hield te

veel van hem en zij was bang, dat hij zich zou kunnen compromitteeren;

een zoo groote schoonheid verontschuldigde alles. Zij verried dan ook

het geheim van haar hart, door het gesprek een andere wending te geven.

"Ga zitten, mijnheer de abbé... U ziet, we zijn aan het

kwaadspreken. Mijn arme Dario wordt ervan beschuldigd, dat hij alle

schoonheden van Rome in het ongeluk stort... Zoo vertelt men ook,

dat men in hem den gelukkige zien moet, die de witte rozen geeft,

waarmede Tonietta de laatste veertien dagen op den Corso rondrijdt."

Celia vatte dadelijk vlam.

"Maar dat is beslist zeker. In den beginne heeft men getwijfeld

en den kleinen Pontecorvo en luitenant Moretti genoemd. Je kan je

voorstellen, hoe er gekletst werd... Maar nu weet iedereen, dat de

vlam van Tonietta Dario in eigen persoon is. Trouwens hij heeft in

den Costanzi-schouwburg zijn opwachting in haar loge gemaakt."

Toen Pierre haar zoo hoorde praten, herinnerde hij zich die Tonietta,

die de jonge prins hem op den Pincio gewezen had, een der weinige

demi-mondaines, waarover de hoogere Romeinsche kringen spraken. En hij

herinnerde zich ook de galante bijzonderheid, die haar beroemd maakte,

de onzelfzuchtige liefde, die zij meermalen voor een geliefde opvatte,

van wien zij niets aannam dan iederen ochtend een ruiker witte rozen,

zoodat, wanneer zij soms weken achtereen op den Corso met de reine

bloemen rondreed, de dames der hoogere kringen brandend nieuwsgierig

waren naar den naam van den uitverkoren en aangebeden man. Sedert den

dood van den ouden markies Manfredi, die haar zijn klein paleis in de

Via dei Mille nagelaten had, was Tonietta beroemd om haar onberispelijk

rijtuig en haar elegante, maar eenvoudige toiletten, welke alleen

door ietwat opzichtige hoeden ontsierd werden. De rijke Engelschman,

die haar onderhield, was nu reeds sedert een maand op reis.

"Zij is werkelijk heel mooi, heel mooi," herhaalde Celia overtuigd,

met haar rein gezichtje van maagd, die zich slechts voor liefdeszaken

interesseert. "En dan haar groote, zachte oogen; o, zij is niet zoo

mooi als Pierina, dat is trouwens onmogelijk; maar toch prettig om

naar te kijken, een echt feest voor je oogen!"

Met een onwillekeurig gebaar scheen Benedetta Pierina weer ter zijde

te schuiven, terwijl zij daarentegen Tonietta aanvaardde; zij wist

heel goed, dat zij maar een eenvoudige afleiding, een tijdelijke

streeling voor zijn oogen was.

"Zoo," zeide zij glimlachend; "mijn arme Dario ruïneert zich dus

met witte rozen! Daar moet ik hem eens mee plagen... Wanneer onze

zaken niet gauw in orde komen, zullen zij hem mij ten slotte nog

ontstelen... Gelukkig heb ik uitstekende berichten. Ja, het proces

zal weer beginnen; tante is juist daarvoor uitgegaan!"

Toen Celia opstond op het oogenblik dat Victorine een lamp bracht,

wendde Benedetta zich tot Pierre, die eveneens opgestaan was.

"Blijf nog even, ik wou u graag spreken."

Maar Celia bleef ook nog: zij was nu een en al belangstelling voor

de echtscheiding van haar vriendin, wilde weten hoe het met de zaak

stond en of het huwlijk nu gauw plaats zou hebben. Zij omhelsde haar

hartstochtelijk.

"Dus heb je weer hoop? Geloof je, dat de Heilige Vader je je vrijheid

terug zal geven? O, lieveling, wat ben ik blij voor je. Hoe heerlijk

zal het zijn, als jij en Dario kunnen trouwen!... Ik van mijn kant heb

ook geen reden tot klagen, want ik zie heel goed, dat mijn vader en

mijn moeder genoeg krijgen van mijn koppigheid. Gisteren nog heb ik

hun met mijn gewone kalmte gezegd: 'Ik wil Attilio hebben en u zult

hem mij geven!' Toen is mijn vader verschrikkelijk woedend geworden,

hij heeft me met beleedigingen overstelpt, me met zijn vuist gedreigd

en geschreeuwd, dat, wanneer ik een even harden kop had als hij,

hij den mijne toch zou breken. Plotseling begon hij woedend uit te

varen tegen mijn moeder, die er zwijgend bij stond: 'Geef haar dan

haar Attilio, dan laat zij ons ten minste met rust...' Neen, hoor,

ik ben erg in mijn schik!"

Pierre en Benedetta konden hun lachen niet bedwingen, zoo straalde

haar lelierein madonnagezichtje van onschuldige en hemelsche

vreugde. Eindelijk ging zij weg met haar kamenier, die in den eersten

salon op haar zat te wachten.

Zoodra zij alleen waren, vroeg Benedetta den priester weer te gaan

zitten.

"Waarde vriend, men heeft mij opgedragen u een zeer dringenden

raad te geven... Het schijnt, dat uw aanwezigheid te Rome algemeen

bekend geworden is en dat er zeer verontrustende praatjes over u

in omloop zijn. Uw boek zou een vurige oproep tot het schisma zijn,

u zelf slechts een eerzuchtige en oproerige afvallige, die na zijn

werk te Parijs uitgegeven te hebben, naar Rome gekomen is, om er

een vreeselijk schandaal over te ontketenen en het op die manier

te lanceeren... Indien u er nog steeds op staat Zijne Heiligheid

te spreken, om uw zaak te bepleiten, raadt men u aan gedurende twee

of drie weken geheel te verdwijnen, zoodat men uw aanwezigheid hier

vergeet."

Pierre luisterde met de grootste verbazing. Ze zouden hem nog

krankzinnig maken; ze zouden hem nog op het denkbeeld brengen zich

af te scheiden en een schandaal te maken, wanneer zij zijn geduld nog

langer op de proef wilden stellen, daar misbruik van wilden maken. Hij

wilde zich verzetten, protesteeren. Dan echter maakte hij een gebaar

van moeheid. Waarom zou hij dat doen tegenover deze jonge vrouw,

die toch in ieder geval oprecht en hem goed gezind was?

"Wie heeft u verzocht mij dien raad te geven?"

Zij gaf geen antwoord, glimlachte slechts. Dan kreeg hij een

plotselinge ingeving.

"Het is monsignor Nani, niet waar?"

Nu begon zij, zonder blijkbaar een direct antwoord op de vraag te

willen geven, den lof van den prelaat te zingen. Ditmaal had hij

erin toegestemd haar leidsman te zijn in het eindelooze proces over

de nietigverklaring van haar huwlijk. Hij had er lang over gesproken

met haar tante, donna Serafina, die nu juist naar het paleis van den

S. Offizio was, om hem rapport uit te brengen over enkele stappen,

die zij hadden gedaan. Pater Lorenza, de biechtvader van de tante

en van de nicht, zou ook bij het onderhoud tegenwoordig zijn, want

dit heele echtscheidingsproces was eigenlijk zijn werk: hij had er

de twee vrouwen steeds toe aan gezet, als wilde hij den band, dien

de patriottische pastoor Pisoni gelegd had, weer losmaken. Zij werd

steeds meer opgewonden en zeide hem, waarom haar verwachtingen zoo

hoog gespannen waren.

"Monsignor Nani kan alles, juist daarom ben ik juist zoo gelukkig, dat

mijn zaak in zijn handen is... Kom, beste vriend, wees ook verstandig,

verzet u niet, laat u door hem leiden. Ik sta er u borg voor, dat

gij u er goed bij bevinden zult!"

Met gebogen hoofd dacht Pierre na. Rome had hem in zijn

boeien geslagen; hij kon er ieder uur zijn nog steeds toenemende

weetgierigheid bevredigen, en de gedachte, nog twee of drie weken hier

te blijven, had volstrekt niets afstootelijks voor hem. Ongetwijfeld

voelde hij, dat al dat telkens weer uitstellen zijn wilskracht zou

kunnen verminderen, een slijtage zou kunnen veroorzaken, waaruit

hij verzwakt, ontmoedigd en tot niets meer nut te voorschijn zou

komen. Maar waarom behoefde hij eigenlijk bang te zijn, daar hij

zich plechtig gezworen had en steeds nog zwoer niets van zijn boek te

zullen terugtrekken en den Heiligen Vader slechts te willen spreken,

om zijn nieuw geloof nog krachtiger te verkondigen? Zacht legde hij

dien eed nogmaals voor zichzelf af en gaf dan toe. En toen hij zich

verontschuldigde, dat hij in het paleis lastig zou worden, riep

zij uit:

"Neen, ik ben veel te blij u te hebben. Ik houd u vast; ik heb nu

eenmaal de overtuiging, dat uw aanwezigheid hier ons aller geluk

brengen zal, nu de kans schijnt te keeren."

Zij spraken nu af, dat hij niet meer zou gaan ronddwalen om de

St. Pieter en het Vaticaan, waar het voortdurend zien van zijn soutane

de aandacht getrokken scheen te hebben. Hij beloofde zelfs de eerste

acht dagen het paleis zoo goed als niet te zullen verlaten, daar hij

toch nog gaarne enkele boeken in Rome zelf wilde lezen. Dan bleef hij

nog een oogenblikje praten; hij voelde zich zoo gelukkig-kalm in de

groote rust, die er in den salon heerschte, sedert de lamp hen met

haar schemer verlichtte. Het had zes uur geslagen, op straat was het

reeds geheel donker.

"Voelde Zijne Eminentie zich vandaag niet wel?" vroeg hij.

"Ja zeker," antwoordde de contessina; "alleen wat moe, maar volstrekt

niets verontrustends... Mijn oom heeft mij door don Vigilio laten

zeggen, dat hij zijn kamer zou houden en daar zijn secretaris enkele

brieven zou dicteeren... Neen, het heeft niets te beteekenen."

Weer viel een stilte in, geen geluid kwam van de eenzame straat of

uit het oude, ledige, als een graf zoo stomme paleis. Maar op dat

oogenblik kwam iemand met fladderende rokken en hijgend van schrik

den zacht sluimerenden, met de mildheid van een hoopvollen droom

vervulden salon binnenstormen. Het was Victorine.

"Contessina, contessina..."

Benedetta was doodsbleek en koud, als was een ongelukswind

binnengewaaid, opgestaan.

"Wat is er... Waarom loop je zoo hard en beef je zoo?"

"Dario, mijnheer Dario, beneden... Ik was gaan kijken of ze de

lamp onder de poort wel aangestoken hadden, dat vergeten ze zoo

dikwijls... En daar, onder de poort, ben ik in den donker over mijnheer

Dario gestruikeld... Hij ligt op den grond, hij schijnt met een mes

gestoken te zijn..."

Een kreet van wanhoop rees uit Benedetta's borst op.

"Dood!"

"Neen, neen, gewond!"

Maar zij hoorde het niet, bleef steeds luider roepen:

"Dood! Dood!"

"Neen, neen, hij heeft tegen me gesproken... Om Godswil wees toch

stil! Hij heeft mij ook bevolen te zwijgen, omdat hij niet wil, dat

iedereen het weet; ik mocht alleen u, en niemand anders halen, maar

nu mijnheer de abbé hier toch is, wil hij misschien wel helpen. We

zullen hem best gebruiken kunnen."

Pierre luisterde ontsteld. Toen zij de lamp wilde nemen, zagen zij,

dat haar bevende rechterhand met bloed bevlekt was; blijkbaar had

zij het op den grond liggende lichaam betast. Dat gezicht was zóó

verschrikkelijk voor Benedetta, dat zij opnieuw begon te gillen.

"Wees toch stil, om Godswil, wees toch stil!... Laten we zoo zacht

mogelijk naar beneden gaan! Ik neem de lamp alleen maar mee, omdat

we toch moeten kunnen zien... Gauw, gauw!"

Beneden, dwars onder de poort, voor den ingang van den vestibule, lag

Dario op de steenen, als had hij, na op straat aangevallen te zijn,

nog slechts de kracht gehad enkele passen te doen, om daar neer te

vallen. Hij was bewusteloos geworden en lag daar nu met een doodsbleek

gezicht, op elkaar gedrukte lippen en gesloten oogen. Benedetta,

die ondanks haar hevigen angst de energie van haar ras teruggevonden

had, jammerde en gilde niet meer, doch keek, zonder te begrijpen,

met haar groote, droge, wijdgeopende, waanzinnige oogen, naar hem. Het

verschrikkelijke was het onverwachte, het onbegrijpelijke, het waarom

en het hoe van dien moord te midden van de sombere stilte van het

oude, verlaten, door het donker van den nacht vervulde paleis. De

wond bloedde blijkbaar zeer weinig, want slechts zijn kleeren waren

met bloed bevlekt.

"Gauw, gauw!" herhaalde Victorine fluisterend, nadat zij de lamp wat

had laten zakken, om het lichaam beter te kunnen zien. "De portier is

er niet, die zit altijd hiernaast gekheid te maken met de vrouw van

den schrijnwerker. U ziet, dat hij de lantaarn nog niet aangestoken

heeft, maar hij kan natuurlijk ieder oogenblik terugkomen... Mijnheer

de abbé en ik zullen den prins gauw naar zijn kamer dragen."

Alleen zij met haar prachtige kalmte hield haar hoofd bij elkaar. De

twee anderen luisterden in hun verdooving, die maar niet wijken wilde,

zonder een woord te kunnen vinden, en gehoorzaamden haar als zoete

kinderen.

"U moet ons bijlichten, contessina. Houd de lamp een beetje laag,

anders kunnen we de treden niet zien... Neem u hem bij zijn beenen,

mijnheer de abbé, dan zal ik hem onder zijn armen dragen. Wees maar

niet bang, de arme jongen is niet zoo zwaar!"

Gelukkig lag het uit drie vertrekken, een slaapkamer, een toiletkamer

en een salon, bestaande appartement van Dario op de eerste verdieping,

naast dat van den kardinaal, in den vleugel, die op den Tiber

uitzag. Nadat zij de trap waren opgegaan, behoefden zij slechts zoo

zachtjes mogelijk de gang af te loopen en konden dan tot hun groote

verlichting den gewonde op zijn bed leggen.

Victorine kon een lachje van voldoening niet onderdrukken.

"Zoo, dat is alweer klaar... Zet u de lamp nu maar neer,

contessina. Daar, op die tafel... En ik verzeker u, dat niemand ons

gehoord heeft; het is maar gelukkig, dat donna Serafina uit is en Zijn

Eminentie don Vigilio bij zich gehouden heeft... Ik heb zijn schouders

in mijn rok gewikkeld, zoodat er geen droppeltje bloed is gevallen;

en strakjes zal ik zelf met de spons den drempel schoonmaken."

Zij zweeg even en ging naar Dario kijken.

"Hij ademt... Nu dan laat ik hem maar aan uw zorg over en ga ik gauw

dien goeden dokter Giordano halen, die u op de wereld heeft zien

komen en op wien we vertrouwen kunnen."

Toen Benedetta en Pierre met den bewusteloozen gewonde alleen waren

in deze half donkere kamer, waarin nu het vreeselijke schrikbeeld,

dat in hen was, scheen te huiveren, bleven zij ieder aan een kant van

het bed staan, zonder nog een woord te kunnen vinden. Zij had in de

behoefte om haar smart te ontspannen en er lucht aan te geven, haar

armen uitgebreid en steunde handenwringend. Dan boog zij zich voorover

en keek op het bleeke gelaat met de gesloten oogen naar leven. Hij

ademde inderdaad, maar zeer langzaam en nauwlijks merkbaar. Een flauwe

blos kwam echter op zijn wangen en eindelijk sloeg hij zijn oogen op.

Onmiddellijk had zij zijn hand gegrepen en gedrukt, als wilde zij

den angst van haar hart in dien druk leggen; en een gevoel van groot

geluk maakte zich van haar meester, toen zij voelde, dat hij dien

beantwoordde:

"Je ziet me toch, je hoort me toch?... Wat is er gebeurd, lieve God?"

Maar hij antwoordde niet, de aanwezigheid van Pierre scheen hem

onrustig te maken. Toen hij hem herkend had, scheen hij er zich bij

neer te leggen, maar hij keek angstig rond, of er nog niet iemand

anders in de kamer was. Eindelijk prevelde hij:

"Niemand heeft het gezien; niemand weet..."

"Neen, neen, stel je gerust. Wij hebben je met Victorine boven kunnen

brengen, zonder dat iemand het gezien heeft. Tante is uit en oom

heeft zich in zijn kamer opgesloten."

Hij scheen nu verlicht te zijn, glimlachte.

"Niemand mag het weten; het is zoo belachelijk."

"Wat is er toch gebeurd, lieve God?" vroeg zij opnieuw.

"Ik weet het niet, ik weet het niet!"

Met een moe gebaar deed hij zijn oogen dicht, aldus trachtende aan

de vraag te ontsnappen. Doch dan scheen hij te begrijpen, dat het

beter was dadelijk een deel der waarheid te zeggen.

"Een man, die zich onder de donkere poort verborgen had en daar op

mij wachtte... En toen ik thuis kwam, heeft hij me met een mes in

mijn schouder gestoken..."

Bevend boog zij zich nog verder over hem heen, keek hem diep in zijn

oogen en vroeg:

"Maar wie was die man?"

En toen hij met een steeds vermoeider stem stamelde, dat hij het niet

wist, dat de man in het donker gevlucht was, zonder dat hij hem had

kunnen herkennen, stiet zij een vreeselijken kreet uit.

"Het is Prada, het is Prada; zeg het maar, ik weet het immers toch."

Zij kon zich niet bedwingen.

"Ik weet het, hoor je? Ik ben de zijne niet geweest en hij wil niet,

dat ik de jouwe ben; hij zal je liever vermoorden op den dag, dat

ik vrij zal zijn me aan jou te geven. Ik ken hem wel, nooit zal ik

gelukkig zijn... Het is Prada, het is Prada!"

Doch een plotselinge kracht bezielde den gewonde, hij protesteerde

opgewonden:

"Neen, neen, het is Prada niet en ook niet iemand, die het voor hem

gedaan heeft... Dat zweer ik je. Ik heb den man niet herkend, maar

het is Prada niet."

Er lag zulk een klank van waarheid in Dario's stem, dat Benedetta

wel overtuigd moest zijn. Trouwens de angst maakte zich van haar

meester; zij voelde zijn hand, die zij nog steeds in de hare hield,

slap en klam en krachteloos worden. Uitgeput door de inspanning,

was hij weer met doodsbleek gelaat en gesloten oogen in onmacht

gevallen. Hij scheen te sterven.

Wanhopig bevoelde zij hem met haar handen.

"Kijk toch eens, mijnheer de abbé, kijk toch eens... Hij sterft! Hij

sterft! Hij is reeds heelemaal koud... O, groote God, hij sterft!"

Pierre trachtte haar gerust te stellen.

"Hij heeft te veel gesproken en daardoor zijn bewustzijn weer

verloren, precies als daareven... Ik verzeker u, dat ik zijn hart

voel kloppen. Leg uw hand maar hier... Om Godswil, wind u niet zoo op;

de dokter komt dadelijk en alles loopt goed af."

Maar zij luisterde niet naar hem, en hij was nu getuige van een

tooneel, dat hem met de grootste verbazing vervulde. Plotseling had

zij zich op het lichaam van den aangebeden man geworpen, drukte hem als

waanzinnig tegen zich aan, overstroomde hem met haar tranen en bedekte

hem met haar kussen, terwijl zij hartstochtelijke woorden stamelde:

"O, als ik je verliezen moest, als ik je verliezen moest! En ik heb me

niet aan hem gegeven, ik ben zoo dom geweest me aan hem te weigeren,

toen het nog tijd was het geluk te kennen... Ja, om de Madonna, omdat

ik dacht, dat zij maagdelijkheid op prijs stelde en dat men zich rein

moet houden voor zijn echtgenoot, als men wil, dat zij het huwlijk

zegent... Wat zou het haar gehinderd hebben, indien wij onmiddellijk

gelukkig geweest waren? En dan, dan... als zij mij bedrogen had,

wanneer zij je van mij wegnam, zonder dat we in elkaars armen gerust

hadden, dan zou ik maar van één ding spijt hebben; dat ik niet gelijk

met jou verdoemd ben! Ja, ja, liever de verdoemenis dan elkaar niet

bezeten te hebben met ons bloed, met onze lippen!"

Was dat de zoo kalme, zoo verstandige vrouw, die geduld oefende,

om haar geluk beter in te richten! Pierre kende haar in zijn

verbijstering niet meer. Tot dusver had hij haar nooit anders gekend

dan gereserveerd, zoo natuurlijk-kuisch, dat de bijna kinderlijke

bekoring daarvan als het ware uit haar natuur zelf scheen voort te

komen. Ongetwijfeld was onder de bedreiging van het gevaar en van den

angst het verschrikkelijke bloed der Boccanera's in haar ontwaakt,

een geheel atavisme van heftigheid, hoogmoed, razende, wanhopige en

ontketende begeerten. Zij wilde haar deel van het leven, haar deel

van de liefde. Zij morde en raasde alsof de dood, wanneer hij haar

haar geliefde ontnam, een stuk van haar eigen vleesch wegrukte.

"Maar ik smeek u, mevrouw, wees toch kalm," herhaalde de priester. "Hij

leeft, zijn hart klopt... U doet er u zelf zooveel kwaad mede."

Maar zij wilde met hem sterven.

"O, lieveling, neem mij met je mede, neem mij met je mede, wanneer je

weggaat... Ik zal me op je hart nederleggen, ik zal je zoo vast in

mijn armen drukken, dat zij één zullen worden met de jouwe, en dat

ze ons samen zullen moeten begraven... Ja, ja, wij zullen dood en

toch getrouwd zijn. Ik heb je beloofd aan niemand anders te zullen

toebehooren dan aan jou; ik zal ondanks alles de jouwe zijn, als

het moet in de aarde... O lieveling, doe je oogen, doe je mond open,

kus me, wanneer je niet wilt, dat ook ik sterf, wanneer jij dood bent."

Door de donkere kamer met de oude, ingeslapen muren was een vlam

van woesten hartstocht, van vuur en bloed gestreken. Maar de tranen

overweldigden Benedetta, diepe snikken putten haar uit en wierpen

haar verblind en krachteloos op den rand van het bed. Gelukkig

maakte de dokter, dien Victorine medegebracht had, een einde aan het

verschrikkelijk tooneel.

Dokter Giordano, die de zestig reeds voorbij was, was een klein,

witharig, gladgeschoren mannetje met blozende wangen, wiens vaderlijke

persoonlijkheid te midden van zijn kerkelijke praktijk de allures

van een prelaat aangenomen had. Het was, naar algemeen beweerd werd,

een goedhartig man, die de armen gratis behandelde en in delicate

gevallen zoo gesloten en gereserveerd was als een priester. Sedert

dertig jaar hadden al de Boccanera's, vrouwen, kinderen, ja zelfs de

kardinaal, zich aan zijn voorzichtige handen toevertrouwd.

Bijgelicht door Victorine en geholpen door Pierre, kleedde hij

Dario, die door de pijn uit zijn bewusteloosheid ontwaakt was, zoo

zachtjes mogelijk uit, onderzocht de wonde en verklaarde onmiddellijk

glimlachend, dat er volstrekt geen gevaar bij was. Het zou niets

beteekenen, hoogstens drie weken te bed, en voor complicaties

behoefde men niet bang te zijn. Evenals alle Romeinsche artsen was

hij een liefhebber van mooie messteken, die hij dagelijks onder het

lagere volk te behandelen kreeg, hij bleef met welgevallen naar de

wond kijken, bewonderde die als kenner en vond ongetwijfeld, dat het

prachtig gedaan was. Hij fluisterde den prins in:

"Wij noemen dat een waarschuwing... De man heeft u niet willen dooden,

de steek is van boven naar beneden toegebracht, zoodat het mes door

het vleesch gegaan is, zonder zelfs het been te raken... Een knappe

kerel, die zoo steken kan!"

"Ja, ja," prevelde Dario; "hij heeft me gespaard, anders zou hij me

door en door gestoken hebben."

Benedetta hoorde er niets van. Toen de dokter verklaard had, dat er

absoluut geen gevaar was en de zwakte en de bezwijming alleen het

gevolg waren van den heftigen zenuwschok, was zij in een toestand van

volkomen uitputting op een stoel neergevallen. Het was de ontspanning

der vrouw na den vreeselijken wanhoopsaanval. Zachte, stille tranen

begonnen langzaam uit haar oogen te stroomen; dan stond zij weer

op en omhelsde Dario in een ontboezeming van hartstochtelijke,

stille vreugde.

"Luister eens, beste dokter," ging hij voort; "niemand behoeft er

iets van te weten. Deze geschiedenis is zoo belachelijk... Niemand

heeft het blijkbaar gezien, behalve mijnheer de abbé, aan wien ik

geheimhouding vraag... En laat men vooral den kardinaal of mijn

tante--kortom, geen van de huisvrienden ongerust maken!"

Dokter Giordano glimlachte kalm.

"Goed, goed! Dat spreekt van zelf, maak je daar maar niet druk

over... Voor alle anderen ben je van de trap gevallen en heb je je

schouder verrekt... En nu je verbonden bent, moet je trachten wat

te slapen en geen koorts te krijgen. Morgenochtend kom ik nog eens

kijken."

Nu vloten langzaam dagen vol groote kalmte voorbij; voor Pierre

ontwikkelde zich een geheel nieuw leven. De eerste dagen verliet hij

zelfs het oude, ingeslapen paleis niet; hij las en schreef en had geen

andere afleiding dan dat hij iederen middag tot het invallen van de

schemering in de kamer van Dario zat, waar hij zeker was ook Benedetta

aan te treffen. Na een vrij hooge koorts van acht-en-veertig uren was

het herstel zijn gewonen gang gegaan; alles liep zoo goed mogelijk,

de geschiedenis van den verrekten schouder werd door iedereen geloofd,

zoodat de kardinaal van de spaarzame donna Serafina eischte, dat

een tweede lantaarn op het portaal aangestoken zou worden, opdat een

dergelijk ongeluk niet weer gebeuren zou. De weer ontstane, monotone

vrede werd slechts gestoord door een laatsten schok, of liever door

het dreigen van een moeilijkheid, waarin Pierre op een avond, dat

hij wat langer bij den herstellende bleef, gemengd werd.

Toen Benedetta zich eenige oogenblikken verwijderd had, boog Victorine,

die een kop bouillon was komen brengen, zich over den prins heen en

fluisterde hem zacht in het oor:

"Een jong meisje, u weet wel Pierina, komt iederen dag huilend naar

u vragen... Ik kon haar niet wegsturen, zij dwaalt maar om het huis

rond; en ik vind het beter u maar te waarschuwen."

Ondanks zichzelf had Pierre het gehoord; plotseling begreep hij

alles. Dario, die hem aankeek, zag heel goed, wat hij dacht. En zonder

Victorine antwoord te geven, zeide hij:

"Ja, abbé, het was die woesteling van een Tito... Nu vraag ik u,

is het niet belachelijk?"

Maar hoewel hij beweerde niets gedaan te hebben, waarom de broeder

hem een waarschuwing moest geven, zijn zuster niet aan te raken,

glimlachte hij toch verlegen, zelfs een beetje beschaamd over een

dergelijke geschiedenis. Het was blijkbaar een heele opluchting voor

hem, toen de priester beloofde, als zij weer terugkwam, met haar te

praten en te trachten haar aan het verstand te brengen, dat zij thuis

moest blijven.

"Een belachelijke geschiedenis, belachelijk!" herhaalde de prins,

terwijl hij, als om zichzelf te honen, zijn woede overdreef. "Het is

waarachtig iets uit de vorige eeuw."

Plotseling zweeg hij. Benedetta kwam terug en ging weer naast haar

lieven zieke zitten. En het zoete waken duurde voort in de oude,

slapende kamer, in het oude, doode paleis, waaruit geen zuchtje

opsteeg.

Toen Pierre weer uitging, waagde hij zich, om een beetje frissche lucht

te scheppen, nauwlijks in de wijk zelf. De Via Giulia interesseerde

hem: hij kende haar vroegere pracht uit den tijd van Julius II,

die haar in een rechte lijn aanlegde en met grootsche paleizen wilde

omzoomen. Gedurende het carneval werden er wedrennen gehouden: men

begon, te voet of te paard, bij het paleis-Farnese en eindigde bij

de piazza S. Pietro. Hij had pas gelezen, dat de Fransche gezant,

d'Estrée, markies van Couré, die in den palazzo Saccheti woonde, daar

in 1630 met pracht en praal de geboorte van den dauphin gevierd had;

hij liet drie wedrennen houden van de Sixtusbrug tot de S. Giovanni di

Fiorentini, waarbij een buitengewone weelde tentoongespreid werd: de

straten waren bestrooid met bloemen, alle vensters met de kostbaarste

tapijten behangen. Den tweeden avond werd een groot vuurwerk op den

Tiber ontstoken, het schip Argo, waarmede Jason uitvoer om het Gulden

Vlies te veroveren. Een andermaal stroomde uit de Farnesische fontein,

den Mascherone, wijn.

Hoe ver lagen die tijden nu al weg en wat waren zij veranderd! Hoe

eenzaam en stil lag nu de straat in de treurige verwaarloosde

grootschheid, breed en recht, door de zon beschenen of in diepe

duisternis. Van 's ochtends negen uur af blakerde de zon op het

plaveisel van den vlakken, trottoirloozen rijweg, terwijl aan de

beide, afwisselend van het felle licht in diepe schaduw overgaande

kanten, de oude paleizen, de zware, oude huizen, de antieke, met

schilden en spijkers bedekte poorten, de met groote ijzeren staven

getraliede vensters, geheele verdiepingen met gesloten vensters

sluimerden. Zij waren als dichtgespijkerd, om het daglicht niet

meer binnen te laten. Wanneer de poortdeuren open stonden, zag

men diepe overwelvingen, vochtige en kille, met groene vlekken

bedekte binnenplaatsen, die evenals kloosters met zuilengangen

omgeven waren. In de dépendances, in de lage gebouwen, die ten slotte

vooral aan de Tiberzijde kleine steegjes gevormd hadden, waren kleine

winkeltjes en werkplaatsen gekomen, een kleermaker, een boekbinder,

vruchtenkeldertjes met vier tomaten en vier kropjes salade, kleine

wijndebieten, die producten van Frascati en Genzano hadden, en waarin

de drinkers gestorven schenen te zijn.

In het midden van de straat bracht de gevangenis met haar

afschuwlijk gelen muur al heel weinig vroolijkheid. Een geheel net

van telegraafdraden liep door deze lange grafachtige gang met haar

weinige voorbijgangers, waarin het stof van het verleden neerviel,

van het eene einde naar het andere, van de arcade van den palazzo

Farnese tot aan het verre uitzicht over de rivier, over de boomen van

het hospitaal van den Heiligen Geest. Maar vooral 's avonds, wanneer

de duisternis gevallen was, werd Pierre getroffen door de eenzaamheid,

door de soort gewijden afschuw, dien de straat dan kreeg. Geen levende

ziel, geen licht van de ramen, niets dan de dubbele rij lantaarns,

die ver van elkander staande, wel op nachtlichtjes geleken, welke

opgeslokt werden door de duisternis. De poorten waren gegrendeld en

gebarricadeerd, geen geluid, geen ademtocht drong eruit door. Slechts

hier en daar een verlicht wijnwinkeltje, doffe ramen, Waarachter

in volkomen onbeweeglijkheid een lamp brandde, geen geroezemoes van

stemmen, geen gelach echter was te hooren! Alles wat leefde waren de

schildwachten voor de gevangenis; één voor de poort, één op den hoek

van het steegje rechts, beiden stijf en strak in de doode straat!

Verder interesseerde hem het geheele stadsdeel, die oude, voorname

wijk, welke nu in vergetelheid geraakt en ver van het moderne

leven verwijderd was, en nu nog slechts een muffe kerklucht

uitademde. Aan den kant van de S. Giovanni di Fiorentini, op de

plek, waar de nieuwe Corso Victor Emanuele alles vernietigd heeft,

bestond een groote tegenstelling tusschen de hooge, gebeeldhouwde,

schitterende, nauwlijks voltooide huizen van vijf verdiepingen en de

zwarte, ingezakte en armzalige hutten van de naburige steegjes. 's

Avonds glommen electrische bollen in verblindende witheid, terwijl

de enkele lantaarns van de Via Giulia en de andere straten niet meer

dan walmende lampions waren. Het waren vroeger beroemde straten: de

Via dei Banchi Vecchi, de Via del Pellegrino, de Via di Monserrato,

verder tallooze dwarsstraten, die er doorheen liepen en ze onderling

verbonden, alle op den Tiber uitkwamen en zoo nauw waren, dat wagens

er slechts met moeite door konden. Iedere straat had haar eigen kerk,

een menigte bijna gelijkvormige, rijk versierde, zwaar vergulde en

geschilderde kerken, die alleen op de uren van den dienst geopend,

en dan vol zon en wierook waren. In de Via Giulia stond behalve

de S. Giovanni di Fiorentini, behalve de S. Biagio della Pagnotta,

behalve de Sant' Eligio degli Orefici, achter den palazzo Farnese nog

de Santa Maria delle Morte, waarin hij gaarne toefde, om te droomen van

het onbewoonde Rome, van de boetepriesters, die den dienst in die kerk

waarnamen en wier taak het was de hun gesignaleerde verlaten lijken

in de Campagna te gaan halen. Op een avond woonde hij de zielemis

van twee onbekende, reeds veertien dagen lang onbegraven lijken bij.

Maar zijn lievelingswandeling werd al heel gauw de nieuwe Tiberkade

aan den achterkant van den palazzo Boccanera. Hij behoefde slechts

het nauwe straatje uit te loopen en kwam dan op een eenzaam plekje,

waar alles hem met eindelooze gedachten vervulde. De kade was niet

geheel afgemaakt, het werk scheen zelfs stil te liggen, het was een

ontzaglijke, met puin en gehouwen steenen bedekte werkplaats met

half gesloten palissaden en ingevallen loodsen. Het rivierbed was

steeds hooger geworden, terwijl de onophoudelijke opgravingen den

bodem der stad lager gemaakt hebben. Om haar tegen overstroomingen te

beschermen, had men het water in die reusachtige vestingmuren gevangen

gezet. Voor dat doel had men ook de oude oevers zóó moeten ophoogen,

dat het terras van den kleinen tuin der Boccanera's met zijn dubbele

trap, waaraan vroeger pleizierbootjes aanlegden, lager lag en gevaar

liep begraven te worden en te verdwijnen, wanneer men weer aan het

straatwerk beginnen zou. Er was nog niets genivelleerd, de aangevoerde

aarde bleef er zoo liggen als de kipkarren die er uitstortten;

te midden van het materiaal, dat was blijven liggen, was niets te

zien dan modderkuilen en instortingen. Slechts armelui's-kinderen

kwamen spelen tusschen die puinhoopen, waarin het paleis wegzonk,

werklooze arbeiders sliepen er zwaar in de warme zon, terwijl vrouwen

haar wasch op de hoopen kiezelsteenen te drogen legden. Toch was het

voor Pierre een gelukkig toevluchtsoord, waar hij zeker was rust te

zullen vinden en ongestoord droomen kon, wanneer hij hier uren lang

kwam zitten kijken naar de rivier, de kaden en de stad.

Van acht uur af verguldde de zon het onmetelijk gat met haar

blond-geel licht. Wanneer hij naar links keek, zag hij in de verte

de daken van Trastevere, die zich grijsblauw tegen den schitterenden

hemel afteekenden. Rechts maakte de rivier voorbij de apsis van de

S. Giovanni di Fiorentini een bocht. De populieren van het hospitaal

van den Heiligen Geest drapeerden op den anderen oever hun donkergroen

gordijn en lieten aan den horizont het duidelijke profiel van de

Engelenburcht zien. Maar vooral kon hij zijn oogen bijna niet afhouden

van den tegenoverliggenden oever, want daar was een stuk van het heel

oude Rome ongeschonden gebleven. Van de Sixtusbrug tot de Engelenbrug

bevond zich op den rechteroever het deel van den onvoltooid gebleven

kade-aanleg, dat, wanneer deze eenmaal voltooid zou zijn, later

de rivier in de reusachtig hooge en witte vestingmuren gevangen

houden zou.

En inderdaad deze buitengewone bezwering van den ouden tijd, van

dien met een heel stuk der oude pauselijke stad bedekten oever had

iets verrassends en betooverends. Aan de Via della Longara waren de

gelijkvormige gevels blijkbaar opnieuw gepleisterd, maar hier bleven de

achterzijden van de tot aan het water loopende huizen zooals zij waren:

gescheurd, rosachtig, met vuil bedekt, als oude bronzen beelden door

de heete zon met een groenen tint bedekt. En welk een opeenhooping,

wat een ongelooflijke opeenstapeling! Onder donkere gewelven, waarin

de rivier binnendrong, heiwerk, dat de muren schraagde, stukken

oud-Romeinschen bouw, die loodrecht naar beneden liepen; dan steile,

uit hun voegen geraakte, groen geworden trappen, die uit het oeverzand

opstegen, boven elkaar liggende terrassen, verdiepingen met haar lange

rijen onregelmatige kleine vensters, huizen, die boven andere huizen

uitstaken--en dat alles in een fantastisch gewemel van balcons, houten

galerijen, dwars over binnenplaatsen geslagen bruggen, boomgroepen,

die uit de daken schenen te groeien, en bijgebouwde dakkamertjes,

die midden in de rose dakpannen gezet waren. Een goot liep met groot

lawaai uit een versleten en vervuild steenen bekken. Overal, waar de

oever door de meer achteruitgelegen huizen zichtbaar werd, was hij

met een wilde vegetatie, met onkruid, struiken en mantels van klimop,

die in koninklijke plooien op den grond sleepten, bedekt. De ellende,

de vervuiling verdween onder de glorie der zon, de oude, ingezonken,

opeengehoopte gevels werden als van goud; de voor de ramen te drogen

hangende wasch pavoiseerde ze met het purper van de roode rokken en de

verblindende sneeuw van het linnen, terwijl verder weg, boven de wijk

uit, de Janiculus zich met het fijne profiel van de S. Onofrio tusschen

pijnboomen en cypressen verhief in de schittering der dagvorstinne.

Dikwijls ging Pierre leunen over de borstwering van den reusachtigen

kademuur en bleef daar dan lang met een hart, dat vol droefheid over

de doode eeuwen was, staan kijken naar den onder hem stroomenden

Tiber. Niets zou de groote moeheid van die oude wateren kunnen

schilderen, hun somber langzaam voortkabbelen onder in die Babylonische

gracht, die hen omsloot, tusschen de mateloos groote, rechte, gladde,

kale, in hun nieuwe leelijkheid geheel grauwe gevangenismuren. In

de zon nam de gele rivier een gulden tint aan en vlamde door de

lichte schittering van zijn stroom in blauw en groen. Maar zoodra

zij in het donker lag, werd zij ondoorzichtig, modderkleurig, zoo

oud, zoo dik en zoo zwaar, dat de omringende huizen zich er niet

eens in weerspiegelen konden. Welk een troostelooze verlatenheid,

welk een rivier van stilte en eenzaamheid! Ook al mocht zij na de

winterregens haar dreigenden vloed nog dikwijls voorwaarts stuwen,

toch sliep zij gedurende de lange maanden, dat de hemel blauw is,

en stroomde geruischloos door Rome.

Men kon daar den geheelen langen dag staan, zonder dat een bark of een

zeil er leven aan gaf. De enkele booten, de twee of drie stoombootjes,

die van de zeekust kwamen, de tartanes [19], die wijn van Sicilië

brachten, ankerden alle aan den voet van den Aventinus. Verder was

het niet meer dan een woestijn, dood water, waarin hier en daar een

onbeweeglijke visscher zijn hengel hangen liet. Pierre zag iets

naar rechts onder aan den ouden oever nooit iets anders dan een

soort oude, overdekte, platte schuit, een half verrotte Arke Noachs,

misschien was het een waschschuit, maar hij zag er nooit een levende

ziel. Verder lag er nog op een modderachtig punt een gestrande sloep

met een gebarsten zijde als een armzalig symbool, dat alle scheepvaart

hier onmogelijk en opgegeven was. O, deze rivierruïne, die even dood

was als de beroemde ruïne, waarvan zij het stof zoovele eeuwen lang

bespoeld had! Nu was zij het moede! En wat riep zij niet voor den

geest op? Eeuwen van geschiedenis, zoovele dingen, zoovele menschen,

die de gele wateren weerspiegeld hadden, wier moeheid en walging zij

overgenomen hadden, tot zij, in hun vurig verlangen naar het Niet,

zoo zwaar, zoo stil, zoo eenzaam geworden waren.

Hier was het, dat Pierre op een ochtend Pierina achter een der houten

loodsen, die tot bewaring van gereedschappen gediend hadden, zag

staan. Zij rekte haar hals uit en keek, nu al uren lang misschien,

strak naar het raam van Dario's kamer op den hoek van het steegje en

de kade. Ongetwijfeld bang geworden door de strenge manier, waarop

Victorine haar ontvangen had, had zij zich niet meer in het paleis

durven vertoonen, om naar hem te informeeren, maar nadat zij van een

knecht gehoord had, waar het raam was, ging zij daarheen en bracht er

heele dagen door, om onvermoeibaar op een teeken van leven en redding

te wachten. Alleen de hoop reeds dat te zullen zien deed haar hart

woest kloppen. Diep ontroerd haar zich zoo ootmoedig, ondanks haar

koninklijke schoonheid zoo bevend van aanbiddende vereering te zien

verbergen, ging hij naar haar toe. In plaats van haar te beknorren en

weg te jagen, zooals hem opgedragen was, praatte hij vriendelijk en

opgewekt met haar, alsof er niets voorgevallen was, en richtte het

gesprek zóó in, dat hij den naam van den prins kon noemen, om haar

daarbij tevens te zeggen, dat hij binnen veertien dagen weer op den

been zou zijn.

Eerst was zij, schuw en wantrouwend, opgesprongen en wilde

vluchten. Maar toen zij hem begrepen had, schoten de tranen in haar

oogen, en toch lachend, wierp zij hem gelukkig een kushand toe en riep

hem "Grazie, grazie!" [20] toe, terwijl zij zich zoo vlug mogelijk

uit de voeten maakte. Nooit heeft hij haar meer teruggezien.

Op een anderen ochtend zag Pierre, toen hij in de S. Brigitta op de

piazza Farnese zijn mis wilde gaan lezen, tot zijn groote verbazing

Benedetta, ondanks het vroege uur, reeds uit de kerk komen. Zij had

een klein fleschje olie in haar hand. Zij toonde in het geheel geen

verlegenheid daarover en vertelde hem, dat zij om de twee of drie

dagen bij den koster een paar druppeltjes ging halen van de olie,

welke de eeuwige lamp voedde voor een oud, houten beeld der Madonna,

waarin zij groot vertrouwen stelde. Zij bekende zelfs, dat zij alleen

in deze vertrouwen stelde, want zij had nooit iets verkregen van

andere, zelfs niet van zeer beroemde Madonna's, van marmer of zilver,

tot wie zij zich gewend had. In haar hart brandde dan ook voor dit

heilige beeld, dat haar niets weigerde, een innige vereering, de

eenige vereering, die zij in werkelijkheid bezat. En zij verzekerde

heel eenvoudig, als ware het de natuurlijkste zaak van de wereld,

waaraan geen twijfel mogelijk was, dat die enkele droppels olie,

waarmede zij iederen ochtend en iederen avond de wond van Dario

inwreef, de oorzaak waren van zijn zoo snelle, ja bijna wonderbaarlijke

genezing. Een zoo kinderlijke vroomheid bij dit bewonderenswaardige

wezen van verstand en hartstocht en aanminnigheid, trof Pierre diep

en maakte hem wanhopig; glimlachen kon hij niet.

Iederen avond, wanneer hij van zijn wandeling thuis kwam en een uurtje

ging doorbrengen in de kamer van den genezenden Dario, wilde Benedetta,

dat hij, om den zieke wat afleiding te geven, vertelde hoe hij zijn

dagen doorgebracht had; en alles wat hij vertelde, zijn verbazing,

zijn ontroering en dikwijls ook de woede, die in hem opgekomen was,

dat alles kreeg, te midden van de groote, gedempte stilte van de kamer,

een droeve bekoring. Maar vooral toen hij de wijk weer durfde verlaten,

toen hij een groote liefde had opgevat voor de Romeinsche parken,

waarheen hij zich 's morgens vroeg, wanneer de hekken geopend werden,

reeds begaf, om zeker te zijn er niemand te zullen ontmoeten, bracht

hij geestdriftige gevoelens mede naar huis--een verrukte liefde voor

de mooie boomen, voor de fonteinen, voor de terrassen, vanwaar men

zulk een heerlijk uitzicht had op breede horizonten.

En niet de grootste van die vele parken vervulden zijn hart met de

meeste geestdrift. In de Villa Borghese, het Bois de Boulogne van

Rome, was majestueus volwassen hout, waren koninklijke alleeën, waar

's middags vóór den verplichten rit op den Corso de equipages kwamen

defileeren, maar veel meer werd hij getroffen door den afgesloten

tuin vóór de villa--deze villa vol verblindende pracht van marmer,

waarin zich thans het mooiste museum der wereld bevindt. Daar was een

eenvoudig, fijn tapijt van gras, een heel groot bekken in het midden,

dat door de naakte blankheid van een Venus beheerscht wordt. Daar

waren brokstukken van antieke vazen, beelden, zuilen, sarcophagen,

symmetrisch in een vierkant opgesteld, en verder niets dan dat

verlaten, bezonde, melancholieke gras. Op den Pincio, waarheen hij

weer terugkeerde, bracht hij een heerlijken ochtend door; hij begreep

thans de bekoring van dit smalle hoekje met zijn enkele, altijd-groene

boomen, met zijn prachtig uitzicht: geheel Rome en de St. Pieter in

de verte, in het zoo zachte, zoo helder, zoo bepoederde zonlicht.

In de villa Albani en in de villa Pamphili vond hij de heerlijke,

trotsche, slanke piniepijnen, de krachtige steeneiken met hun kromme

takken en hun bijna zwart loof terug. In de laatste vooral dompelden

de eiken de lanen in een heerlijk halfdonker; het kleine meertje met

zijn treurwilgen en riettouffes was vol droomen; het dieper gelegen

bloemperk vormde een mozaïek van barokken smaak, een samengesteld

dessin van rozetten en arabesken, dat door een rijke verscheidenheid

van bloemen en bladeren gekleurd werd. Wat hem echter in den tuin, den

edelste, grootste, best verzorgde van al deze tuinen, in het bijzonder

opviel, was, dat hij, toen hij langs een klein muurtje liep, weer de

St. Pieter zag, maar nu onder een zóó nieuw en zoo onverwacht aspect,

dat het symbolische beeld voor altijd in zijn geest gegrift was. Rome

was geheel verdwenen; tusschen de hellingen van den Monte Mario en

een anderen heuvel, die de stad aan het oog onttrok, zag men niets

dan den reusachtigen dom, welks groote massa op verspreide, witte en

rossige blokken scheen te rusten. Met zijn overmatig grooten, tegen het

helle blauw van den hemel matblauw afstekenden koepel beheerschte hij,

drukte hij de huizeneilandjes van den Borgo, de opgehoopte gebouwen

van het Vaticaan dood.

Maar Pierre voelde nog meer de ziel der dingen in de minder weelderige

tuinen, die een meer gesloten lieftalligheid bezaten. O, die villa

Mattei op de helling van den Coelius met haar terrasvormigen tuin,

met haar intieme, door aloës, laurierboomen en groote kardinaalsmutsen

omzoomde lanen, met haar priëelvormig geschoren taxisboomen, met

haar oranjeappelen, haar rozen en haar fonteinen! Hij doorleefde er

heerlijke uren! Een dergelijke bekoring vond hij alleen nog maar

terug op den Aventinus, toen hij de drie kerken bezocht, die daar

als verloren gingen in het groen; vooral in de S. Sabina, de wieg der

Dominicanen, welker kleine, van alle kanten ingesloten tuin, zonder

eenig uitzicht, in een lauwen, geurigen vrede slaapt, en beplant is

met oranjeappelboomen, in het midden waarvan de eeuwenoude boom van

den Heiligen Dominicus nog met rijpe vruchten beladen is. De tuin van

de kloosterkerk der Malthezer ridders gaf een ruim uitzicht over een

breeden horizont, die den loop van den Tiber, de gevels en daken,

die zich langs de beide oevers ophoopen, tot aan den verren top

van den Janiculus omvat. Overigens zag men in die tuinen van Rome

steeds weer dezelfde geschoren taxisboomen, de eucalyptussen met

hun witten stam en hun lichte, als menschenhaar zoo lange bladeren,

de ineengedrongen, sombere steeneiken, de reusachtige pijnboomen,

de groote cypressen, tusschen de rozenstruiken witte marmergroepen,

onder de mantels van klimop ruischende fonteinen.

Een teederder, smartelijke vreugde smaakte hij eerst in de villa

van paus Julius, welker in den tuin uitkomenden zuilengang met zijn

geschilderde decoratie, zijn gouden, met bloemen omrankt latwerk,

waardoor glimlachende zwermen van kleine Amortjes vliegen, het geheele

leven van een beminlijk en zinnelijk tijdvak verhaalt. Den avond

eindelijk, dat hij uit de villa Farnese thuiskwam, zeide hij, dat hij

de doode ziel van het oude Rome medebracht; niet de naar kartons van

Raffaël uitgevoerde schilderingen hadden hem echter zoo getroffen,

neen, de mooie zaal aan den rand van het water met haar zacht-blauwe,

zacht-lila, zacht-rose, volstrekt niet geniale, maar zoo bekoorlijke

en zoo echt-Romeinsche versiering--en nog meer de verwaarloosde tuin,

die vroeger tot den Tiber liep en nu door de nieuwe kade afgesloten

werd. Hij was verwaarloosd, verwoest, met onkruid doorwoekerd als

een kerkhof, maar toch rijpten er nog steeds de gouden vruchten der

oranjeappel- en citroenboomen.

Nog eenmaal werd Pierre op een mooien avond, toen hij de villa

Medici bezocht, door een hevige ontroering geschokt. Daar was hij

op Franschen bodem. En welk een prachtige tuin was het weer met

zijn taxisboomen, zijn pijnboomen en zijn alleeën vol pracht en

bekoring! Welk een heerlijk toevluchtsoord voor droomerijen en gepeins

over de Oudheid gaf dat oude en donkergroene bosch van steeneiken,

waar de ondergaande zon gloeiende goudroode lichtstralen wierp in het

glanzende brons der bladeren. Men moet een eindeloos hooge trap opgaan,

om van uit de hoogte, van af den Belvédère met één blik geheel Rome te

omvatten, als kon men het, wanneer men zijn armen uitbreidde, geheel

nemen. Van uit de eetzaal, die de portretten van alle kunstenaars,

die te Rome hun studies in de villa kwamen voortzetten, versieren,

van uit de bibliotheek, een groote zaal vol diepe rust, heeft men

hetzelfde bewonderenswaardige, grootste en medesleependste uitzicht,

een uitzicht van mateloozen eerzucht welks oneindigheid den jongen

daar verblijf houdenden mannen den wil moest ingeven de wereld te

veroveren en te bezitten.

Hij, die met vijandige gevoelens tegen het instituut van den

prix de Rome, tegen deze traditioneele, éénvormige en voor de

oorspronkelijkheid zoo gevaarlijke opleiding naar Rome gekomen was,

werd nu een oogenblik door dezen lauwen vrede, door deze zachte

eenzaamheid van den tuin, door dezen verheven horizont, waarin

de vleugels van het genie schenen te klapwieken, geheel gevangen

genomen. Hoe heerlijk moest het zijn, om op zijn twintigste jaar drie

jaar in dezen zachten droom, te midden van de mooiste kunstwerken der

menschheid te mogen leven, zich te mogen zeggen, dat men nog te jong

is om reeds te kunnen scheppen, zichzelf te mogen zoeken, te mogen

leeren genieten, lijden en liefhebben! Maar dan overwoog hij weer,

dat het smaken van het goddelijk genot van zulk een kunst-retraite

niet de zaak der jeugd is, maar van den rijperen leeftijd, van reeds

behaalde overwinningen, van de beginnende moeheid nadat het werk

voltooid is. Hij sprak met de inwonende kunstenaars en merkte op,

dat, al mochten ook droomerige en contemplatieve jonge zielen en de

eenvoudige middelmatigheid zich in dit in de kunst van het verleden

opgesloten leven schikken kunnen, iedere strijdbare kunstenaar, ieder

persoonlijk temperament hier van ongeduld stierf en, verteerd door

de begeerte om dadelijk midden in den vurigen haard van scheppen en

strijden te zijn, zijn oogen gericht hield op Parijs.

En al die tuinen, waarvan Pierre hun 's avonds met verrukking vertelde,

riepen in Benedetta en Dario de herinnering wakker aan den tuin van

de villa Montefiori, die thans verwoest, maar vroeger zoo groen en met

de mooiste oranjeappelboomen van Rome, een geheel bosch van eeuwenoude

boomen, beplant was, en waarin zij elkaar hadden leeren liefhebben.

"O, ik herinner het mij," zeide de contessina, "in den bloeitijd rook

het er zóó heerlijk, zóó sterk, zóó bedwelmend, dat ik eenmaal in

het gras ben blijven liggen en niet opstaan kon... Weet jij het nog,

Dario? Je hebt me toen in je armen genomen en naar de fontein gedragen,

waar het zoo lekker frisch was."

Zij zat, zooals gewoonlijk, op den rand van het bed en hield de hand

van den herstellende, die was begonnen te lachen, in de hare.

"Ja zeker, ik heb je op je oogen gezoend en eindelijk heb je die

geopend... Toen was je heel wat minder wreed, liet je me je oogen

zoenen, zooveel als ik zelf wilde... Maar we waren kinderen, en

indien we geen kinderen geweest waren, zouden we in dien grooten tuin,

waarin het zoo heerlijk rook en we zoo vrij konden loopen, dadelijk

man en vrouw geweest zijn!"

Zij knikte toestemmend, overtuigd, dat de Madonna alleen hen beschermd

had.

"Dat is zoo, dat is zoo!... En welk een geluk, dat we nu elkander

kunnen toebehooren, zonder de engelen te bedroeven!"

Steeds weer kwam het gesprek daarop terug. Het proces tot

nietigverklaring van het huwlijk liet zich steeds gunstiger aanzien en

Pierre was iederen avond getuige van hun verrukking, hoorde hen slechts

praten over hun aanstaande echtverbintenis, over hun plannen, over hun

vreugde van verliefden in het paradijs. Ditmaal door een almachtige

hand bestuurd, moest donna Serafina de zaak met kracht leiden, want

er ging bijna geen dag voorbij, dat zij niet de een of andere blijde

tijding medebracht. Zij wilde de zaak ter wille van het voortbestaan

en de eer van den naam zooveel mogelijk bespoedigen, aangezien Dario

met niemand dan met zijn nicht trouwen wilde en anderzijds dit huwlijk

alles zou verklaren, alles zou verontschuldigen, aan een onhoudbaren

toestand een einde maken zou.

Het afschuwlijke schandaal, de vreeselijke kletspraatjes, die de zwarte

en witte kringen opwonden, brachten haar geheel buiten zichzelf, te

meer daar zij voor de eventueele mogelijkheid van een conclave, waarin

zij wilde, dat de naam van haar broeder in onbevlekten, verheven glans

schitteren zou, de noodzakelijkheid van een overwinning inzag. Nooit

had de geheime eerzucht van haar geheele leven, de hoop er getuige van

te zijn, dat haar geslacht een derden paus aan de Kerk schenken zou,

haar met zulk een hartstocht vervuld; het was, alsof zij de behoefte

voelde troost te zoeken voor haar koud celibaat, sedert haar eenige

vreugde in deze wereld, advocaat Morano, haar zoo wreed in den steek

gelaten had. Steeds in het donker gekleed, druk bezig en zóó slank

en ingeregen, dat men haar, van achteren gezien, voor een jong meisje

gehouden had, was zij als de donkere ziel van het oude paleis; Pierre

ontmoette haar overal, terwijl zij als zorgzame huisvrouw door het

huis sloop en ijverzuchtig over den kardinaal waakte.

Hij groette haar zwijgend; telkens werd het hem koud om het hart,

wanneer hij het uitgedroogde, met diepe plooien doorgroefde gelaat

met den grooten, eigenzinnigen familieneus zag. Maar zij beantwoordde

nauwlijks zijn groet, keek nog steeds minachtend neer op dien kleinen

vreemden priester, dien zij slechts in haar naaste omgeving duldde

ter wille van monsignor Nani en van vicomte Philibert de la Choue,

die zoovele mooie bedevaarten naar Rome gebracht had.

Langzamerhand begon Pierre, die iederen avond getuige was van de

angstige vreugde en het liefde-ongeduld van Benedetta en Dario, met

hen een spoedige oplossing te wenschen. Het proces zou weer gevoerd

worden voor de concilie-congregatie, wier eerste beslissing ten gunste

van de echtscheiding niet in kracht van gewijsde gegaan was, daar

de verdediger van het huwlijk, monsignor Palma, in overeenstemming

met zijn recht een aanvullend onderzoek geëischt had. Trouwens dat

slechts met één stem meerderheid genomen besluit zou zeker niet door

den Heiligen Vader bekrachtigd zijn. In het kort, het ging er nu om

stemmen te krijgen onder de tien kardinalen, waaruit de congregatie

samengesteld was, hen te overreden en een bijna volkomen eenstemmigheid

te verkrijgen: een moeilijke taak, want de verwantschap van Benedetta

met haar oom den kardinaal, welke alles makkelijker moest maken,

compliceerde juist de zaak door al de intriges van het Vaticaan, al

den wedijver, die door het doen voortduren van het schandaal ernaar

streefde den mogelijken paus in hem te dooden.

Op die verovering van stemmen ging donna Serafina iederen middag uit,

waarbij zij geleid werd door haar biechtvader, pater Lorenza, dien

zij dagelijks ging opzoeken in het Collegium Germanicum, het laatste

toevluchtsoord der Jezuïeten te Rome, sedert zij niet langer de

meesters van Il Gesù zijn. De hoop op succes baseerde zich vooral op

de omstandigheid, dat Prada, de zaak moede en geprikkeld, verklaard

had, niet meer te zullen verschijnen. Hij antwoordde niet eens op

de herhaalde dagvaardingen, zoo hatelijk en belachelijk scheen hem

de aanklacht van impotentie, sedert Lisbeth, zijn erkende maîtresse

voor de oogen der geheele stad, zwanger van hem was.

Hij zweeg dus, deed als was hij nooit getrouwd geweest, ofschoon

de wond van zijn beleedigden mannetrots nog altijd bloedde en

onophoudelijk door de praatjes, die bleven loopen, en den twijfel aan

zijn vaderschap, welke in de zwarte kringen heerschen bleef, weder

geopend werd. Daar dus de tegenpartij zich terugtrok en uit eigen

beweging verdween, kon men de steeds toenemende hoop van Benedetta en

Dario voorstellen, wanneer donna Serafina 's avonds bij haar thuiskomst

vertellen kon, dat zij meende weer de stem van een kardinaal gewonnen

te hebben.

Maar de man, die hun den meesten angst bezorgde, was monsignor Palma,

de door de congregatie van ambtswege aangestelde advocaat, om den

heiligen band van het huwlijk te verdedigen. Hij bezat bijna onbeperkte

rechten, kon nogmaals hooger beroep aanteekenen, in ieder geval het

proces sleepende houden, zoolang als hij zelf wilde. Zijn eerste

pleidooi in antwoord op dat van Morano, was reeds verschrikkelijk

geweest, had den maagdelijken staat van Benedetta in twijfel getrokken,

citeerde wetenschappelijk vastgestelde gevallen, waarin vrouwen

nog de door vroedvrouwen beëedigde maagdelijke kenteekenen bezaten,

eischte een nauwkeurig onderzoek van twee artsen en verklaarde ten

slotte, dat, waar de eerste voorwaarde tot het verrichten van de

daad gehoorzaamheid van de vrouw is, de eischeresse, zelfs al was

zij maagd, niet gerechtigd was de nietigverklaring van het huwlijk

te vragen, waarvan de volkomen voltrekking belemmerd was door haar

herhaalde weigeringen. Het gerucht liep, dat het nieuwe pleidooi,

hetwelk hij gereed maakte, nog onverbiddelijker en meedoogenloozer

zou zijn, zóó vast stond zijn overtuiging. Het ergste zou zijn, dat

tegenover die verheven energie van waarheid en logica de kardinalen,

zelfs al waren zij nog zoo welwillend, het niet wagen zouden den

Heiligen Vader tot nietigverklaring te adviseeren.

Benedetta begon dan ook reeds weer moedeloos te worden, toen donna

Serafina haar na een bezoek aan monsignor Nani weer wat gerust stelde

met de mededeeling, dat een gemeenschappelijke vriend beloofd had met

monsignor Palma te zullen spreken. Maar dat zou ongetwijfeld veel geld

kosten. Monsignor Palma, een in kanonische aangelegenheden zeer ervaren

en uiterst rechtschapen theoloog, had in zijn leven een groot verdriet

gehad: op lateren leeftijd was hij als waanzinnig verliefd geworden op

een zeldzaam mooie nicht en had haar, om een schandaal te vermijden,

moeten uithuwlijken aan een spitsboef, die haar van af het eerste

oogenblik arm maakte en mishandelde. De schijn bleef gered, maar op

dat oogenblik maakte de prelaat een moeilijke crisis door: hij was

het moe zich nog langer te laten plukken en bezat niet het noodige

geld, om zijn neef, die valsch gespeeld had, uit die moeilijkheid

te redden. De gelukkige vondst nu bestond hierin, dat men den jongen

man wilde redden door voor hem te betalen en hem dan een positie te

bezorgen, zonder iets aan den oom te vragen, die op een avond, nadat

de duisternis volkomen ingevallen was, als was hij een medeplichtige,

weenend donna Serafina voor haar goedheid danken kwam.

Pierre was dien avond bij Dario, toen Benedetta dien avond lachend

en in haar handen klappend van blijdschap de kamer binnenkwam.

"Het is zoover! Het is zoover! Hij is juist bij tante geweest en

heeft haar eeuwige trouw gezworen. Nu is hij wel verplicht vriendelijk

te zijn."

"Maar heeft men hem iets laten onderteekenen, heeft hij zich formeel

verbonden?" vroeg Dario, die wantrouwender was.

"Wel neen, hoe kon dat nu? Het is zoo'n delicate quaestie!... Men zegt,

dat hij een buitengewoon eerlijk man is!"

Toch was ook zij weer door een onrust aangegrepen. Als monsignor Palma

ondanks den grooten dienst, dien men hem bewezen had, onomkoopbaar

zou blijken te zijn? Die gedachte liet hen niet meer los. Het in

spanning wachten begon opnieuw.

"Dat heb ik nog niet verteld," begon zij weer na een vrij lange stilte;

"ik heb me tot dat beroemde onderzoek vermand. Ja, ik ben vanochtend

met tante naar twee doktoren geweest."

Zij glimlachte weer, scheen in het geheel niet verlegen.

"En?" vroeg hij met hetzelfde kalme gezicht.

"Natuurlijk hebben zij gezien, dat ik niet loog. Zij hebben allebei een

soort certificaat opgemaakt... Het was, naar het schijnt, absoluut

noodzakelijk ten einde monsignor Palma in staat te stellen zijn

vroegere woorden te herroepen."

En zich vervolgens tot Pierre wendend:

"O, dat vreeselijke Latijn, mijnheer de abbé!... Toch zou ik graag

geweten hebben, wat erin stond, en daarom had ik gedacht, dat u zoo

welwillend zoudt zijn het te vertalen. Maar tante heeft mij de stukken

niet willen laten en ze onmiddellijk aan het dossier doen toevoegen."

Heel verlegen knikte de priester slechts, want hij wist maar al te

goed, dat die soorten certificaten een volledige beschrijving in

technische termen waren van alle bijzonderheden van den toestand,

tot van de kleur en den vorm toe. Zij schaamden zich er zonder

eenigen twijfel niet voor, zóó natuurlijk en gelukkig zelfs scheen

dit onderzoek, waarvan hun geheele levensgeluk afhing, hun toe.

"Enfin," zeide Benedetta, "laten we hopen, dat monsignor Palma dankbaar

zal zijn. En jij, Dario, maak nou maar gauw, dat je voor den mooien

dag van ons geluk weer heelemaal beter bent."

Maar hij was zoo onvoorzichtig geweest te vroeg op te staan,

waardoor zijn wond weer open ging en hij nog eenige dagen het bed

moest houden. Pierre bleef iederen avond bij hem komen en trachtte

hem dan wat afleiding te bezorgen door hem van zijn wandelingen te

vertellen. De laatste dagen was hij moediger geworden, doorkruiste

hij geheel Rome en ontdekte met verrukking de merkwaardigheden,

die in alle reisgidsen genoemd worden. Zoo begon hij op een avond

met iets van ontroering in zijn stem te praten over de voornaamste

pleinen der stad, die hij in den beginne banaal gevonden had, doch

die nu in zijn oog zeer interessant waren en ieder hun eigenaardige

bekoring hadden: de piazza del Popolo, zoo zonnig, zoo voornaam in

haar monumentale symmetrie--de piazza di Spagna, de zoo drukke en

levendige plaats van samenkomst der vreemdelingen met haar dubbele,

door de zomerzon vergulde, breede en sierlijke trap van honderd

twee-en-dertig treden--de groote, altijd van menschen wemelende

piazza Colonna, de meest typisch Italiaansche door die nietsdoende

en zorgelooze menigte, welke flaneert om de zuil van Marcus Aurelius

in de hoop, dat het geluk hun wel uit den hemel in den schoot zal

vallen--de lange, regelmatige piazza Navone, die stil en verlaten ligt,

sedert er geen markt meer op gehouden wordt, doch de droefgeestige

herinnering aan haar vroegere drukte bewaart--de piazza del Campo

de' Fiori, welke iederen ochtend met het lawaai van de vruchten- en

groentenmarkt vervuld wordt, een ware plantage van groote parapluies,

stapels tomaten, Spaansche pepers en druiven te midden van den stroom

der steeds maar door ratelende koop- en huisvrouwen. Het meest echter

werd hij getroffen door de piazza del Capitolio, waaraan hij altijd

dacht als aan een bergtop, aan een de stad en de wereld beheerschende

open plek; nu vond hij haar echter klein, vierkant, eng tusschen de

drie paleizen ingesloten, terwijl zij slechts uitzag op een kleinen,

door daken begrensden horizont. Niemand komt hierlangs, vindt het de

moeite waard de met palmen omzoomde toegangstrap op te gaan; alleen

vreemdelingen maken een omweg om er heen te rijden. De rijtuigen

wachten, de touristen blijven een oogenblik staan kijken naar het

prachtige, oude, bronzen ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius, dat

in het midden staat. Tegen vier uur, wanneer de zon het paleis aan

den linkerkant verguldt en de fijne beelden van het lijstwerk zich

tegen den blauwen hemel afteekenen, zou men haar met haar vrouwen,

die onder de zuilengaanderij zitten te breien en de troepen havelooze

kinderen, die daar losgelaten zijn als een school op een speelplaats,

voor een lauw en stil provinciepleintje houden.

Weer op een anderen avond gaf Pierre tegenover Benedetta en Dario

uiting aan zijn bewondering voor de fonteinen van Rome, de stad,

waar het water het rijkelijkst en overvloedigst in marmer en brons

stroomt: van het "Scheepje" op de piazza di Spagna, den "Triton" op

de piazza Barbarini, de "Schildpadden" op het pleintje, dat daarnaar

genoemd is, af tot de drie fonteinen op de piazza Navona, waar in het

midden het grootsche kunstwerk van Bernini prijkt, en de reusachtige

en weelderige Fontana di Trevi, die door het tusschen de Gezondheid

en de Vruchtbaarheid staande beeld van Neptunus beheerscht wordt, toe.

Een anderen avond kwam hij gelukkig thuis en vertelde, dat hij zich

eindelijk den typischen indruk had kunnen verklaren, die de straten

van het oude Rome om den Capitolinus en op den linkeroever van den

Tiber, daar waar oude krotten als het ware gekleefd stonden tegen de

zijden van groote, vorstelijke paleizen, op hem maakten: het kwam,

omdat zij geen trottoir hadden en de voetgangers heel op hun gemak

tusschen de voertuigen in liepen, zonder ooit op de gedachte te komen

langs de huizen te gaan. Het waren oude wijken, zooals hij ze gaarne

zag: eindeloos draaiende straatjes; nauwe, onregelmatige pleintjes;

reusachtige, vierkante paleizen, die in de op elkaar gedrongen menigte

kleine huizen, welke ze van alle kanten overstroomden, als het ware

verdwenen. Ook de wijk van den Esquilinus was zoo: overal met grijs

kiezel bedekte trappen, waarvan iedere trede met witten steen omrand

was; plotselinge bochten makende hellingen; boven elkander liggende

terrassen; seminaria en kloosters met gesloten ramen als waren het

doode huizen; een groote kale muur, waarachter zich een reusachtige

palm in het smettelooze blauw van den hemel verheft.

Weer een ander maal, nadat hij zijn wandeling nog verder uitgestrekt

had tot in de Campagna, langs den Tiber, stroomopwaarts van af

de Ponte Molli, kwam hij verrukt thuis, omdat hem een klassieke

kunst, waarvoor hij tot dusverre geen gevoel gehad had, geopenbaard

was. Langs den oever had hij zuivere Poussin's [21] gezien: de gele,

langzaam stroomende rivier met haar met riet begroeide oevers; lage,

gekartelde, rotsachtige oevers, waarvan de krijtachtige witheid

afstak tegen den rosachtigen achtergrond van de eindelooze, golvende

vlakte, die slechts door de blauwe heuvels van den horizont begrensd

werd; enkele spichtige boomen; de ruïne van een zuilengaanderij; een

troep achter elkaar loopende schapen, die gaan drinken, terwijl een

herder, die met zijn schouder tegen den stam van een steeneik leunt,

staat te kijken. Het was een speciale, vermetele en ruwe, uit niets

bestaande, tot een rechte en vlakke lijn vereenvoudigde, maar door

grootsche herinneringen veredelde schoonheid; steeds nog marcheerden

de Romeinsche legioenen over de straatwegen door de kale Campagna,

steeds nog was het de lange slaap der Middeleeuwen, dan het ontwaken

der oude natuur in het Katholieke geloof, wat Rome voor de tweede

maal tot den wereldheerscher gemaakt had.

Op een dag, dat Pierre den Campo Verano, het groote kerkhof van

Rome bezocht had, vond hij 's avonds aan het bed van Dario behalve

Benedetta ook Celia.

"Vindt u het zoo prettig naar de dooden te gaan kijken?" riep de

kleine prinses uit.

"O, die Franschen," viel Dario, die alleen bij de gedachte aan een

kerkhof al huiverde, haar bij; "die Franschen bederven door hun liefde

voor treurige tooneelen met opzet hun leven."

"Maar," merkte Pierre zachtjes op, "je ontkomt nu eenmaal niet aan de

werkelijkheid van den dood. Het beste is hem in het gezicht te zien."

De prins werd plotseling boos.

"De werkelijkheid, de werkelijkheid! Wat beteekent dat? Als de

werkelijkheid niet mooi is, kijk ik er niet naar. Ik probeer zelfs

niet er aan te denken."

Desniettemin vertelde Pierre op zijn kalme, vriendelijke manier,

wat hem getroffen had: het prachtige onderhoud van het kerkhof;

het feestelijke, dat de herfstzon erin bracht; de buitengewone

marmerpracht; de tallooze marmeren beelden op de graven; de marmeren

kapellen; de marmeren gedenkteekenen. Ongetwijfeld was dat de

uitwerking van het oude atavisme; de weelderige mausolea van de Via

Appia, een pronk en praal, een matelooze hoogmoed tot in den dood toe

herleefden daar. In het bijzonder in het hooger gelegen gedeelte,

waar de Romeinsche adel haar aristocratische wijk had, was het

een opeenhooping van ware tempels, van reusachtige figuren, van uit

verschillende personen bestaande groepen, meest alle getuigend van een

vreeselijken wansmaak, maar waaraan millioenen ten koste gelegd moesten

zijn. Vooral was tusschen de taxisboomen en cypressen het zuiver wit

gehouden marmer van een groote bekoring. De warme zon verguldde het,

er was geen mosvlek op te zien, geen door den regen veroorzaakte

scheuren, welke de standbeelden in het Noorden zoo droefgeestig maken.

Benedetta, op wie het onbehagelijke gevoel van Dario aanstekelijk

werkte, viel Pierre eindelijk in de rede door aan Celia te vragen:

"En is de jacht interessant geweest?"

Op het oogenblik, dat de priester binnenkwam, was de kleine prinses

juist aan het vertellen over een vossenjacht, waarheen haar moeder

haar medegenomen had.

"Je kan je niets interessanters voorstellen!... Om een uur zouden

we bij elkaar komen bij het graf van Caecilia Metella, waar in

een tent een buffet ingericht was. En een menschen--de geheele

vreemdelingenkolonie, de jongelui van de gezantschappen, officieren,

ongerekend nog de heeren in rood jachtcostuum en de vele dames als

amazones... Het sein van vertrek is om half twee gegeven en de jacht

heeft meer dan twee uur geduurd, zoodat de vos zich eerst heel ver

weg heeft laten vangen. Ik heb niet heelemaal kunnen volgen, maar ik

heb toch heel interessante dingen gezien: een groote muur, waar alles

overheen moest, greppels, hekken, in het kort een dolle jacht achter

de honden aan... Er zijn twee ongelukken gebeurd, o, niet heel erg,

een heer heeft zijn pols verrekt en een ander een been gebroken."

Dario had met groote aandacht geluisterd, want deze vossenjachten

behoorden tot de grootste genoegens van Rome. Welk een genot dat

galoppeeren door de vlakke en toch met hindernissen als het ware

bestrooide Campagna, dat verijdelen van de listen der door de honden

opgejaagde vossen, dat voortdurend op zijwegen komen, dat plotselinge

verdwijnen soms, dat vangen eindelijk, wanneer het dier door uitputting

neervalt! Wat een genot, die jachten zonder geweer, dat jagen achter

de staart van den vos, hem in snelheid te overtreffen en te overwinnen.

"O," riep hij wanhopig uit, "wat een bezoeking om zoo aan je kamer

gebonden te zijn! Ik zal nog sterven van verveling."

Benedetta glimlachte slechts even, zonder een woord van verwijt of

verdriet over dien naïeven uitroep van zelfzucht. En zij was zoo

gelukkig hem in deze kamer, waar zij hem verpleegde, geheel voor

zichzelf te hebben! Maar haar liefde, die zoo jong en zoo verstandig

tegelijk was, had iets moederlijks in zich; en zij begreep heel

goed, dat hij het alles behalve prettig vond zoo beroofd van zijn

gewone genoegens en gescheiden te zijn van zijn vrienden, die hij

uit vrees, dat het verhaal van dien verrekten schouder hun verdacht

zou voorkomen, niet in de ziekenkamer toeliet. Geen feestmalen,

geen schouwburgavonden, geen bezoeken aan dames meer! Vooral echter

miste hij den Corso, het maakte hem ziek en wanhopig niets meer te

zien of te hooren, nu hij heel Rome niet meer van vier tot vijf uur

voorbijtrekken zag. Zoodra dan ook een enkele heel intieme vriend kwam,

scheen er geen einde aan het vragen te komen; of hij dezen ontmoet had,

of die weer verschenen was, hoe het met de amourette van een derde

afgeloopen was, of niet het een of andere schandaaltje de geheele stad

in beroering bracht: onbeteekenende verhalen, gewone babbelpraatjes,

kinderlijke intriges van een uur, waaraan hij tot nog toe al zijn

energie besteed had.

Celia, die hem graag al die onschuldige praatjes kwam vertellen,

begon, terwijl zij haar heldere oogen, haar diepe, raadselachtige

meisjesoogen op hem richtte, na een kort zwijgen weer:

"Wat duurt het toch een tijd, hé, eer zoo'n schouder beter is?"

Had dit kind, dat alleen maar leefde voor de liefde, alles

geraden? Verlegen keek Dario naar Benedetta, die kalm bleef

glimlachen. Maar de kleine prinses begon al weer over iets anders.

"Zeg, Dario, ik heb gisteren op den Corso een dame gezien..."

Zij hield verlegen op, zelf verbaasd, dat die woorden haar

ontsnapten. Dan ging zij heel dapper door als een jeugdvriendin,

die in de kleine amourettes ingewijd is, door:

"Ja, een knappe dame, die je heel goed kent. Zij had toch een ruiker

witte rozen."

Ditmaal liet Benedetta aan haar vroolijkheid den vrijen loop, terwijl

ook Dario haar lachend aankeek. Zij had hem de eerste dagen geplaagd,

dat een zekere dame in het geheel niet naar hem liet vragen. In den

grond der zaak vond hij deze geheel natuurlijke breuk volstrekt niet

onaangenaam, want de liaison begon lastig te worden; en hoewel hij er

eenigszins door gekwetst werd in zijn ijdelheid, was hij toch blij te

hooren, dat Tonietta reeds een plaatsvervanger voor hem gevonden had.

"O," antwoordde hij, "de afwezigen hebben altijd ongelijk."

"De man, dien men liefheeft, is nooit afwezig," zeide Celia met haar

ernstig rein gezichtje.

Maar Benedetta was opgestaan, om het kussen in den rug van den

herstellende op te schudden.

"Kom, kom, Dario, alle ellende is nu uit. Ik zal je houden; je zult

niemand meer hebben om lief te hebben dan mij."

Hij keek haar vol hartstocht aan en kuste haar op haar haren, want

zij had de waarheid gezegd: hij had nooit een andere lief gehad dan

haar, en zij vergiste zich evenmin, wanneer zij erop rekende, hem

altijd voor zich te behouden, zoodra zij zich aan hem gegeven zou

hebben. Sedert zij hem in deze kamer verpleegde, had zij tot haar

groot geluk het kind weer in hem teruggevonden, dat zij vroeger

onder de oranjeappelboomen der villa Montefiori in hem lief had

gehad. Ongetwijfeld ten gevolge van de verzwakking van het ras had

hij een zeldzame kinderlijkheid behouden, die soort terugkeer tot de

kindsheid, welken men bij zeer oude volkeren aantreft; hij speelde

op zijn bed met plaatjes, keek uren lang naar photographieën, die

hem aan het lachen maakten. Zijn onmacht om te lijden was nog grooter

geworden; hij wilde, dat zij vroolijk was en zong, en amuseerde haar

op zijn beurt met zijn beminlijken zelfzucht, die hem ertoe bracht van

een leven van voortdurende vreugde met haar te droomen. O, wat zou het

heerlijk zijn steeds samen in den zonneschijn te leven, niets te doen,

zich om niets te bekommeren, mocht ook de wereld ergens ineenstorten,

zonder dat men zich de moeite gaf er naar te gaan kijken!

"Maar het meest verheug ik mij er toch in," zeide Dario zonder eenigen

overgang, "dat mijnheer de abbé verliefd geworden is op Rome."

Pierre, die zwijgend geluisterd had, stemde toe.

"Dat is zoo."

"Ik heb het u wel gezegd," merkte Benedetta op; "er is tijd, veel

tijd voor noodig, om Rome te begrijpen en lief te hebben. Als u maar

veertien dagen gebleven was, zoudt u een heel slechte meening van ons

medegenomen hebben, terwijl wij nu na twee lange maanden heel rustig

zijn; nooit meer zult u zonder liefde aan ons denken."

Zij was betooverend en bekoorlijk, terwijl zij het zeide, en hij

knikte opnieuw. Maar hij had reeds over dat verschijnsel nagedacht

en meende de oplossing ervan reeds gevonden te hebben. Wanneer

men naar Rome komt, brengt men een eigen Rome mede, een gedroomd,

door de phantasie zóó veredeld Rome, dat het echte Rome een bittere

teleurstelling geeft. Men moet dan ook, om de phantasie tijd te geven

nogmaals te werken en de dingen te zien zooals zij zijn, nog slechts

door de wonderbare pracht van het verleden zien, tot men daaraan

gewend raakt, tot de middelmatige werkelijkheid wat verzacht wordt.

Celia stond op en nam afscheid.

"Tot ziens... En is er nu gauw bruiloft, Dario?... Je weet, dat ik

vóór het eind van de maand de bruid wil zijn. Ja, ja, ik zal mijn

vader dwingen een groote soirée te geven... Wat zou het heerlijk zijn,

als we tegelijk konden trouwen!"

Twee dagen later na een lange wandeling door Trastevere, gevolgd

door een bezoek aan den palazzo Farnese, voelde Pierre hoe de

verschrikkelijke en droefgeestige waarheid omtrent Rome zich in

hem openbaarde. Verschillende malen reeds had hij Trastevere, welks

ellendige bevolking zijn liefde voor de armen en lijdenden aangetrokken

had, doorkruist. O, dat riool van ellende en onwetendheid! Hij had

te Parijs afschuwelijke voorstadshoeken gezien, geheele huizenreeksen

van verschrikking, waarin de menschheid samenhokte en vervuilde. Maar

niets haalde bij dezen stilstand in zorgeloosheid en vuilheid. Zelfs

op de mooiste dagen van dit zonneland verkilde een vochtig donker

deze bochtige, nauwe, kelderachtige steegjes; vooral de stank was

onhoudbaar, een walgelijke stank, die den voorbijgangers op de keel

sloeg, een stank van zure groenten, ranzige olie, menschelijk vee,

dat daar opgesloten was in zijn mest en drek.

Het waren oude, onregelmatige krotten, daar neergeworpen in een

pêle-mêle, dat zoo geliefd was bij de kunstenaars, met donkere,

gapende deuren, die onder den grond wegzonken, met buitentrappen,

die naar de verschillende verdiepingen leidden, met houten balkons,

die als door een wonder in de ruimte in evenwicht gehouden worden. Er

waren half in elkaar gevallen gevels, die men met behulp van balken

had moeten stutten; smerige woningen, door welker gebarsten ruiten

men het vuil zien kon; allerlei treurige winkeltjes: de heele, in de

open lucht zich bevindende keuken van een lui volk, dat zelf niet

kookte; de vischbakkerijen met haar in stinkende olie zwemmende

stukken polenta en visschen; de kooplieden in gekookte groenten,

die koud geworden en kleverige rapen, bosjes selderie, bloemkool en

spinazie uitstalden. Het slecht gesneden vleesch in de slagerswinkels

was zwart; dierennekken waren met bloedklonters bezaaid, als waren

zij zoo van de beesten afgerukt.

De brooden van de bakkers lagen als ronde keisteenen op de planken;

arme fruitvrouwen hadden voor hun met gedroogde en aan een draad

geregen tomaten bekranste deuren niets dan Spaansche peper en

pijnappels. De eenige aantrekkelijke winkels waren die van de

delicatessenhandelaren, wier pekelvleesch en kaas met hun scherpen geur

den stank van de goten wat verminderde. De loterijkantoren, waar de

winnende nummers aangeplakt waren, wisselden af met kroegen; iedere

dertig passen was een kroeg, die met groote letters aankondigde,

dat daar de uitgelezen wijnen der Romeinsche kasteelen Genzano,

Marino en Frascati te krijgen waren. De geheele wijk wemelde van een

havelooze, door vervuiling zwarte bevolking, van troepen halfnaakte

kinderen, die door ongedierte opgegeten werden, van gesticuleerende

en schreeuwende vrouwen met loshangende haren, loshangende jakken

en kakelbonte rokken, van grijsaards, die onder een zwerm zoemende

muggen en vliegen onbeweeglijk op banken zaten.

Het was een nietsdoend en toch druk leven te midden van het

voortdurende heen en weer geloop van kleine ezeltjes, die karren

trokken, van mannen, die met zweepen kalkoenen voortdreven,

van enkele onrustige, zenuwachtige touristen, die dadelijk door

troepen bedelaars bestormd werden. Schoenlappers zaten kalm op het

trottoir te werken. Voor de deur van een kleermaker hing een oude,

met aarde gevulde emmer, waarin een plant groeide. Van alle ramen,

van alle balkons hing aan touwen, die van het eene huis naar het

andere gespannen waren, over de straat de wasch te drogen, vodden en

lompen zonder naam, die als het ware de symbolische vaandels van de

afzichtelijke ellende waren.

Pierre voelde, hoe zijn van naastenliefde overstroomende ziel

ineenkromp van eindeloos medelijden. Ja, zeker, men moest die zieke

en verpeste wijken, waarin het volk zoo lang gehokt had als in een

vergiftigden kerker, met den grond gelijk maken. Ja, hij voelde

alles voor gezondmaking, voor slooping, ook al moest het oude Rome

tot groote ergernis der kunstenaars daardoor gedood worden. Reeds

was Trastevere zeer veranderd, boorden nieuwe straten er luchtgaten,

waar het zonlicht in breede stralen binnendrong. Wat ervan overbleef,

scheen te midden van die gesloopte huizen en van die onlangs ontstane

gaten, groote terreinen, waarop men nog niet had kunnen bouwen,

nog zwarter en vuiler. De ontwikkeling van deze stad interesseerde

hem. Later zou men ongetwijfeld verder gaan met bouwen; maar wat voor

een opwindend oogenblik was het, dat de oude stad en de nieuwe te

midden van zoovele moeilijkheden als het ware zieltoogde! Men had het

vuile, onder excrementen, gootwater en groentenafval verdronken Rome

moeten kennen. Het onlangs met den grond gelijk gemaakte Ghetto had

sedert eeuwen den bodem met zulk een menschelijke vuilheid doordrenkt,

dat het nog kale bouwterrein, dat vol bulten en modderkuilen was, nog

steeds een vreeselijken peststank uitwasemde. Men deed er zeer goed

aan het op die wijze lang te laten drogen en zich reinigen in de zon.

In al deze wijken aan beide oevers van den Tiber, waar belangrijke

openbare werken van wege de stad uitgevoerd worden, stoot men

bij iederen stap op hetzelfde: men volgt een nauwe, stinkende,

vochtig-kille straat met sombere gevels en daken, die elkaar

bijna aanraken, en komt dan plotseling op een lichte, open plek,

die de spaden en bijlen gehouwen hebben in het bosch van de oude,

melaatsche krotten. Er zijn daar pleinen, breede trottoirs, hooge witte

gebouwen, met beeldhouwwerk, een moderne hoofdstad in aanleg. Overal

ziet men stukken van geprojecteerde wegen; het is een reusachtige

werkplaats, die de financieele crisis thans dreigt te vereeuwigen;

de stad van morgen is in haar groei belemmerd en blijft met haar

matelooze, overhaaste en detoneerende beginwerken staan, als kon

zij niet verder. Maar desniettemin was het een goed en hygienisch

werk, dat voor een groote en moderne stad een absolute en sociale

noodzakelijkheid was, als men ten minste het oude Rome niet wilde

laten vervuilen als een merkwaardigheid uit lang vervlogen tijd,

als een museumstuk, dat men onder glas bewaart.

Dien dag maakte Pierre, toen hij zich van Trastevere naar den palazzo

Farnese, waar hij verwacht werd, begaf, een omweg door de Via di

Pettinari en de Via di Giubbonari, waarvan de eerste zoo somber en

tusschen den grooten, zwarten muur van het hospitaal en de ellendige

krotten daartegenover samengedrukt is, terwijl de tweede één en

al leven is door den voortdurenden menschenstroom en opgevroolijkt

wordt door de etalages der juweliers met de dikke gouden kettingen

en die van de modemagazijnen, waar groote blauwe, gele, groene en

roode zijden banen in glanzende tinten schitteren. De arbeiderswijk,

die hij pas doorloopen had, en de kleinhandelaarswijk, die hij nu

doorging, riepen hem het stadsgedeelte vol afgrijselijke ellende voor

den geest, dat hij reeds bezocht had, de beklagenswaardige massa der

arbeiders, die door het stopzetten van het werk tot den bedelstaf

gebracht waren en tusschen de prachtige en verwaarloosde gebouwen

der Prati del Castello kampeerden; dat arme, dat ongelukkige, kind

gebleven volk, dat, door eeuwen van theocratie in een onwetendheid en

lichtgeloovigheid van wilden gehouden, aan den nacht van zijn geest,

aan het lijden van zijn lichaam zóó gewend is geraakt, dat het ondanks

alles thans buiten den maatschappelijken réveil blijft en gelukkig is,

wanneer men het in vrede genieten laat van zijn trots, zijn luiheid en

zijn zon. Het scheen blind en doof in zijn verval te zijn, het zette

zijn leven van stilstand van vroeger te midden van de evolutie van het

nieuwe Rome voort, zonder er iets anders van te merken dan de lasten,

nu de oude wijken, waarin hij woonde, met den grond gelijk gemaakt,

de gewoonten veranderd, de levensmiddelen duurder werden, alsof licht,

reinheid en gezondheid het lastig vielen, daar men ze met een groote

financieele en arbeidscrisis betalen moest.

Maar, hetzij men er werkelijk die bedoeling mede gehad had of niet, in

den grond der zaak werd Rome alleen ter wille van het volk gereinigd

en met het doel, er een groote, moderne hoofdstad van te maken,

opnieuw opgebouwd; want aan het einde van die veranderingen staat

de democratie; het volk zal morgen de steden erven, waaruit men de

vuilheid en de zieken verjaagt, waarin de wet van den arbeid zich

ten slotte organiseert en de ellende doodt. En daarom moet men, ook

al vervloekt men de rein gehouden ruïnen en het Colosseum, nu het

van zijn klimop en zijn struiken en zijn wilde flora bevrijd is, die

de jonge Engelsche dames in haar herbarium opnemen, ook al maakt men

zich boos over de foei-leelijke vestingmuren, die den Tiber gevangen

houden, ook al beweent men de zoo romantische oevers met hun groen

en hun oude, in het water duikende huizen, toch tot zichzelf zeggen,

dat het leven geboren wordt uit den dood en dat het morgen noodzakelijk

opbloeien moet uit het stof van het gisteren.

Terwijl Pierre deze dingen overdacht, was hij op de eenzame,

regelmatige piazza Farnese met haar gesloten huizen en haar twee

fonteinen gekomen, waarvan de eene in de volle zon te midden van de

groote stilte een eindeloozen straal van paarlen vallen deed. Hij

bleef een oogenblik staan kijken naar den kalen en monumentalen

gevel van het zware, vierkante paleis, zijn hooge poort, waarop de

driekleurige vlag wapperde, zijn dertien gevelramen, zijn beroemde,

zoo kunstrijke fries. Dan ging hij naar binnen. Een vriend van Narcisse

Habert, een der gezantschapsattachés, die hem aangeboden had hem het

reusachtige paleis, het mooiste van Rome, en dat Frankrijk voor zijn

gezant gehuurd had, te laten zien wachtte hem daar. O, dat geweldige,

weelderige en doodsche paleis met zijn groote, vochtig-donkere, door

een zuilengaanderij omgeven binnenplein, zijn reusachtige trap met

de lage treden, zijn eindelooze gangen, zijn te groote galerijen en

zalen. Het was de majestueuse praal van den dood; een ijskoude kilte

viel van de muren en drong door tot in de beenderen van de menschelijke

mieren, die zich onder de gewelven waagden.

De attaché bekende met een discreet glimlachje, dat de ambassade er

zich doodelijk verveelde; 's zomers werd zij gebraden, 's winters

tot ijs verstijfd. Slechts het door den gezant bewoonde gedeelte,

de eerste verdieping, die op den Tiber uitzag, was iets rianter en

levendiger. Daar ziet men van uit de beroemde galerij der Carrachi

den Janiculus, de Corsini-tuinen, de Acqua Paolo boven de S. Pietro in

Montorio. Dan komt na een grooten salon het studeervertrek, waarin een

stille, door de zon opgevroolijkte vrede heerscht. Maar de eetzaal,

de woonkamers en de andere door het personeel bewoonde vertrekken

vallen weer terug in het sombere donker van een zijstraat.

Al die groote, zeven à acht meter hooge vertrekken hebben prachtige,

geschilderde of gebeeldhouwde plafonds, kale muren, waarvan sommige

met fresco's versierd zijn, verschillende stijlen van meubelen,

prachtige wandtafeltjes tusschen allerlei moderne bric-à-brac. En

die troosteloosheid der dingen werd iets afschuwlijks, wanneer men

in de galavertrekken komt, de groote eerezalen, die aan den op de

binnenplaats uitzienden gevel liggen. Geen meubel, geen behang meer,

niets dan een ruïne, verlaten, aan spinnen en ratten prijsgegeven

zalen. De ambassade gebruikte er slechts één, waarin zij op wit

houten tafels, op den grond en in alle hoeken haar stoffige archieven

opbergt. Daarnaast is de reusachtige, tien meter en twee verdiepingen

hooge zaal, die de eigenaar, de voormalige koning van Napels, voor zich

gereserveerd had, een ware rommelkamer, waar maquettes, onvoltooide

beelden en een buitengewoon mooie sarcophaag rondslingeren te midden

van een onzegbaren massa onherkenbare puinhoopen.

En dat is nog slechts een gedeelte van het paleis; de rez-de-chaussée

is geheel onbewoond, onze Ecole de Rome gebruikt een hoekje van de

tweede verdieping, terwijl onze ambassade zich opeenhoopt in den

meest bewoonbaren vleugel van de eerste, genoodzaakt als zij is het

overige niet te gebruiken en de deuren te sluiten en te grendelen,

om zich de onnoodige moeite van schoonhouden te besparen. Zeker het

is koninklijk het door paus Paulus III gebouwde en meer dan een eeuw

door kardinalen betrokken paleis Farnese te bewonen, maar welk een

gruwlijke ongemaklijkheid, welk een afschuwlijke melancholie in die

onmetelijke ruïne, waarvan drie vierden der vertrekken dood zijn,

nutteloos, onbewoonbaar, van het leven afgesneden! En 's avonds, o,

's avonds! Dan worden de poort, de binnenplaats, de trap, de gangen

in een dichte duisternis gevangen, strijden de enkele, walmende

lantaarns vergeefs, moet men een eindeloozen tocht maken door die

lugubere woestijn van steenen, om in den warmen, gezelligen salon

van den gezant te komen!

Gedrukt en met kloppende slapen verliet Pierre het paleis. En alle

andere paleizen, al de groote paleizen, die hij op zijn wandelingen

gezien had, richtten zich voor zijn geestesoog op; alle waren

beroofd van hun pracht, de vorstelijke hofhoudingen van vroeger waren

verdwenen, alle waren vervallen tot ongerieflijke huurhuizen. Wat

moest men thans met die galerijen, met die grootsche zalen beginnen,

nu geen vermogen groot genoeg was om daarin het weelderige leven te

leiden, waarvoor men ze gebouwd had?

Prinsen, die, als prins Aldobrandini met zijn talrijke nakomelingschap,

hun paleis alleen bewoonden, waren zeldzaam. Bijna allen verhuurden de

oude verblijven van hun voorouders aan maatschappijen of particulieren,

terwijl zij voor zichzelf een verdieping of soms zelfs maar een

reeks appartementen in het donkerste hoekje behielden. Verhuurd was

de palazzo Chigi: de rez-de-chaussée aan banken, de eerste verdieping

aan de Oostenrijksche ambassade, terwijl de prins en zijn familie de

tweede met een kardinaal deelden. Verhuurd was de palazzo Sciarra:

de eerste verdieping aan den minister van Buitenlandsche Zaken, de

tweede aan een senator, terwijl de prins en zijn moeder zich met den

rez-de-chaussée tevreden moesten stellen. Verhuurd was de palazzo

Barberini: de rez-de-chaussée, de eerste en tweede verdieping aan

verschillende families, terwijl de prins op de derde verdieping in

de vroegere kamers van het dienstpersoneel huisde. Verhuurd was de

palazzo Borghese: de rez-de-chaussée aan een koopman in oudheden, de

eerste verdieping aan een vrijmetselaarsloge, de rest aan families,

terwijl de prins zelf slechts een paar kamers van een klein burgerlijk

huis had. Verhuurd was de palazzo Odelscachi, verhuurd de palazzo

Colonna, verhuurd de palazzo Doria, terwijl de prinsen er nog slechts

het bekrompen bestaan van goede huiseigenaars leidden en uit hun

eigendom het grootst mogelijke profijt trokken, om rond te komen.

Een verwoestende wind woei over het Romeinsche patriciaat, de grootste

vermogens waren in de financieele crisis gebleven; slechts weinigen

bleven rijk. En welk een rijkdom was dat nog! Een onbeweeglijke,

doode rijkdom, dien handel noch industrie konden hernieuwen. De

talrijke prinsen, die getracht hadden zaken te doen, waren van alles

beroofd. Den anderen, die door dat voorbeeld afgeschrikt waren en

bovendien gebukt gingen onder zware belastingen, welke hun bijna

het derde gedeelte van hun inkomsten ontnamen, bleef niets anders

over dan toe te zien, hoe hun laatste stilstaande millioenen door

deelingen verbrokkeld werden en stierven, daar het geld, evenals

al het andere, sterft, wanneer het geen vruchten meer draagt in een

levenden bodem. Het was nog slechts een quaestie van tijd, want de

ruïne was onvermijdelijk, een absoluut, historisch noodlot. Zij,

die er zich toe verlaagden om te verhuren, streden nog om hun leven,

trachtten zich te schikken in en te richten naar het tegenwoordige,

door er zich toe te dwingen tenminste de eenzaamheid van hun al te

groote paleizen te bevolken, terwijl de dood reeds woonde bij de

koppigen en hoogmoedigen, die zich inmetselden in het graf van hun

geslacht, zooals de angstaanjagende, in stof vallende, in donker en

zwijgen verstarde palazzo Boccanera, waarin men slechts nu en dan den

dof over het gras van de binnenplaats rollenden, ouden karos van den

kardinaal hoorde, als hij uitreed of thuiskwam.

Maar Pierre was vooral onder den indruk van die twee op elkaar volgende

bezoeken aan Trastevere en aan den palazzo Farnese; het eene wierp

een licht op het andere en beide leidden tot een slotsom, die zich nog

nooit met een zoo vreeselijke helderheid in hem geformuleerd had: nog

geen volk en weldra geen aristocratie meer. Dat liet hem niet meer los,

vervolgde hem overal. Het volk, door de geschiedenis en het klimaat

in een lange kindsheid gehouden, was, zooals hij gezien had, zóó

ellendig, zóó onwetend, zóó berustend, dat er lange jaren van opvoeding

en onderwijs noodig zouden zijn, om het te vormen tot een sterke,

gezonde, werkzame, zich van haar rechten evenals van haar plichten

bewuste democratie. De aristocratie stierf uit in haar instortende

paleizen, zij was niet meer dan een uitgeput, ontaard ras, zóó vermengd

bovendien met Amerikaansch, Oostenrijksch, Poolsch en Spaansch bloed,

dat het zuivere Romeinsche bloed een zeldzame uitzondering werd,

afgezien nog van het feit, dat zij opgehouden had in krijgsdienst of

in dienst der kerk te staan, daar het haar tegen de borst stuitte het

constitutioneele Italië te dienen en uit het Heilige College trad,

waarin alleen parvenu's het purper aantrokken. En tusschen de kleinen

beneden en de machtigen boven bestond nog geen stevig gegrondveste,

door een nieuw sap sterke bourgeoisie, die verstandig en ontwikkeld

genoeg was, om de overgangsopvoedster der natie te zijn.

De bourgeoisie bestond uit voormalige bedienden, de voormalige

beschermelingen van de prinsen, de pachters, die hun landgoederen

huurden, de intendanten, notarissen of advocaten, die hun vermogens

beheerden; zij bestond uit ambtenaren, employé's van iederen rang en

stand, afgevaardigden en senatoren, die de regeering uit de provincies

medegebracht had; zij bestond ten slotte uit de zwerm vraatzuchtige

valken, die op Rome neerstreken, de Prada's en de Sacco's, de uit

het geheele koninkrijk saamgestroomde roofmenschen, wier klauwen en

bek alles, het volk en de aristocratie, verslonden. Voor wie had men

dan gewerkt? Voor wie de reuzenwerken begonnen van het nieuwe Rome,

die van een zóó matelooze hoop en hoogmoed getuigden, dat men ze niet

afmaken kon? Over Rome woei een wind van verschrikking; een gekraak

deed zich hooren, dat in alle liefhebbende harten onrust en tranen

wakker riep! Ja, het einde van een wereld dreigde: nog geen volk en

geen aristocratie meer, slechts een verslindende bourgeoisie, die de

buit tusschen de puinhoopen zocht.

En welk een verschrikkelijk symbool waren die nieuwe paleizen, welke

men gebouwd had naar het reusachtige voorbeeld der vroegere paleizen,

deze groote, weelderige paleizen, welke uit den grond opgerezen waren

voor honderdduizenden zielen, waarop men gehoopt had, doch die niet

gekomen waren; deze paleizen, waarin zich de toenemende rijkdom,

de triompheerende luxe van de nieuwe wereldhoofdstad had moeten

vestigen, en die nu de jammerlijke, bezoedelde en reeds wankele

toevluchtsoorden voor de zwartste ellende van het volk, voor alle

bedelaars en vagebonden geworden waren!

Den avond van dien dag bracht Pierre, toen het reeds donker

geworden was, een uur door op de kade van den Tiber voor den palazzo

Boccanera. Er heerschte een plechtige stilte, een eenzaamheid, zooals

men die nergens vindt, en waarin hij graag vertoefde, niettegenstaande

Victorine beweerde, dat het er niet veilig was. En inderdaad, op

zulke pikdonkere avonden als deze had geen moordenaarshol ooit een

tragischer decor gehad.

Geen levende ziel, geen voorbijganger; rechts en links en recht

vooruit stilte, donkerte leegte. De palissaden, die aan alle kanten

de reusachtige verlaten werkplaats insloten, versperden zelfs aan

honden den toegang. Op den hoek van het in het donker verzonken

paleis wierp een gaslantaarn, die sedert de ophooping dieper was

komen te liggen vlak bij den grond een schemerlicht op de bultige

kade; de materialen, die waren blijven slingeren, de hoopen steenen

en tegels vormden groote, onbestemde schaduwen. Rechts plekten

enkele lichtjes op de Ponte S. Giovanni de'Fiorentini en voor de

ramen van het Heilige-Geest-hospitaal. Links verdwenen en zonken de

verre stadswijken weg op den achtergrond van den rivierloop. Recht

tegenover lag Trastevere; de huizen op den steilen oever, waar

slechts enkele vensters door een dof schijnsel geel verlicht werden,

maakten den indruk van bleeke, onduidelijke spookgestalten, terwijl

daarboven een donkere streep de ligging aangaf van den Janiculus,

waarop de lantaarns van de een of andere wandelplaats een driehoek van

sterren deden fonkelen. De Tiber, die in de avonduren zoo melancholiek

majestueus was, trok Pierre het meest aan. Hij bleef, op de steenen

borstwering geleund, minuten lang kijken hoe hij tusschen zijn nieuwe

muren stroomde, die 's avonds het zwarte en monsterachtige uiterlijk

aannamen van een gevangenis, die men daar voor een reus gebouwd

zou hebben.

Zoolang in de huizen aan de overzijde lichten brandden, kon hij zien,

hoe de zware wateren langzaam voorbij kabbelden in de reflexen,

welker rimpeling hun een mysterievol leven gaf. En hij droomde

eindeloos van het beroemde verleden dezer rivier; dikwijls riep

hij zich de legende voor den geest, die beweert, dat fabelachtige

rijkdommen in de modder van zijn bed begraven zijn. Bij iedere

invasie der barbaren, en speciaal bij de plundering van Rome, zou

men er de schatten der tempels en der paleizen in geworpen hebben,

om ze aan de hebzucht der overwinnaars te onttrekken. Waren die

gouden strepen, die daar in het ondoorzichtige water beefden, niet

de gouden kandelaar met zeven armen, dien Titus medegebracht had uit

Jeruzalem? En die witte schimmen, welke onophoudelijk door den wind

van vorm veranderden, waren dat geen zuilen en standbeelden? En die

diepe vlammige weerschijnen, waren dat geen kostbare bekers en vazen,

geen met edelgesteenten bezette kleinodiën? Welk een droom was dat

even geziene wemelen in den schoot der rivier, dat verborgen leven

van die schatten, welke daar eeuwen lang geslapen zouden hebben! En

welk een verwachtingen voor den trots en het weer rijk worden van

een volk vormden die wonderdadige schatten, welke men in den Tiber

zou vinden, wanneer men hem eenmaal droog zou kunnen leggen, waarvoor

reeds plannen ontworpen waren. Misschien lag daar het geluk van Rome!

Maar op dien zoo donkeren avond dacht Pierre, terwijl hij zoo over de

borstwering leunde, slechts aan de strenge werkelijkheid. Hij zette

zijn overpeinzingen van den dag, die zijn bezoek aan Trastevere in

hem gewekt hadden, voort en kwam bij het zien van dat doode water

tot de slotsom, dat de groote ramp, waaronder Italië leed, daarin

bestond, dat men Rome gekozen had, om er een moderne hoofdstad van te

maken. Hij wist zeer goed, dat die keuze onvermijdelijk was, daar Rome

de koningin der glorie, de oude wereldheerscheresse was, de stad,

aan welke de eeuwigheid beloofd was, zonder welke de nationale

eenheid steeds onmogelijk geschenen was, zoodat een vreeselijk

dilemma gesteld werd, daar zonder Rome Italië niet bestaan kon en

dit met Rome zeer moeilijk bleek te zijn! O welk een onheilvolle

stem nam deze doode rivier in den avond aan! Geen boot was te zien,

geen beweging van handels- of industriedrukte, die leven brengt aan

het hart van een groote stad. Ongetwijfeld had men mooie plannen

gemaakt: Rome zeehaven, het rivierbed zóó diep uitgegraven, dat

schepen met groote tonneninhoud tot den Aventinus zouden kunnen

komen. Doch dat waren slechts hersenschimmen, nauwlijks had men den

mond, die telkens weer verzandde, kunnen vrijmaken. En de andere

reden van den doodsstrijd, de Campagna romana, de doodenwoestijn,

waar de doode rivier door stroomde en die Rome met een gordel van

onvruchtbaarheid omgaf? Men sprak er wel over haar te draineeren,

haar te beplanten; men discussieerde tot in het eindelooze over de

vraag, of zij onder de oude Romeinen vruchtbaar geweest was of niet;

Rome bleef desniettemin midden in zijn groot kerkhof liggen als een

stad van vroeger, die voor eeuwig van de overige wereld afgescheiden

is door een steppe, waarin zich het stof van eeuwen opgehoopt heeft.

De geographische oorzaken, die haar eens de wereldheerschappij gegeven

hebben, bestaan thans niet meer. Het centrum der beschaving heeft

zich opnieuw verplaatst, het bekken der Middellandsche Zee is onder

machtige naties verdeeld. Alles gaat naar Milaan, de stad van handel

en nijverheid, terwijl Rome in het vervolg slechts een doorgangsplaats

is. De meest heldhaftige pogingen der laatste vijf-en-twintig jaar

hebben de stad dan ook niet uit haar onoverwinlijken slaap kunnen

rukken. De hoofdstad, die men te vlug heeft willen improviseeren, is

stationnair gebleven en heeft de natie bijna geruïneerd. De nieuwe

bewoners, de regeering, de Kamers, de ambtenaren doen er niet veel

meer dan even hun tenten opslaan en vluchten bij de eerste warme

dagen, om het doodende klimaat te vermijden; en dit geschiedt in

zoo'n sterke mate, dat de hotels en magazijnen gesloten worden,

de straten en parken als uitgestorven schijnen, daar de stad geen

werkelijk leven bezit en onmiddellijk in den dood terugvalt, zoodra

het kunstmatige leven, dat haar bezielt, haar weer verlaat.

Zoo blijft dan alles stilstaan in deze hoofdstad, waarvan de bevolking

thans af- noch toeneemt, waarin een nieuwe stuwkracht van geld en

menschen noodig is, om de reusachtige, nuttelooze gebouwen der nieuwe

wijken af te maken en te bevolken. En wanneer het waar was, dat het

morgen steeds weer opbloeit uit het stof van het gisteren, dan moest

men zich tot hoop dwingen. Maar was de bodem niet uitgeput? Was,

nu zelfs de bouwwerken er niet meer opschieten wilden, het sap,

dat gezonde individuen en krachtige naties schept, ook niet voor

eeuwig opgedroogd?

Naarmate het later werd, gingen de lichten in de tegenoverliggende

huizen van Trastevere één voor één uit. En door wanhoop overmand,

bleef Pierre nog lang gebogen staan over de nu zwarte wateren. Het

was een eindelooze duisternis; in den diepen nacht van den Janiculus

bleef niets over dan de sterrendriehoek van de gaslantaarns. Geen

enkele weerschijn vlamde den Tiber meer met een rimpeling van goud,

liet meer het tragische visioen der fabelachtige rijkdommen onder

zijn mysterievollen loop dansen; het was nu uit met de legende,

met den gouden, zevenarmigen kandelaar, met de gouden vazen, met de

gouden kleinoodiën, met dezen geheelen droom van een ouden schat, die

als de oude roem van Rome zelf, in den nacht weggezonken was. Geen

lichtglans, geen geluid, de eindelooze slaap, niets dan het dikke,

zware droppelen van een goot rechts, die men niet zien kon. Ook

het water was verdwenen, Pierre voelde nog slechts het loodzware

voortstroomen in de duisternis, den neerdrukkenden ouderdom, de

eeuwenoude uitputting, de eindelooze triestheid van dezen oerouden

en glorierijken Tiber, die naar het Niets verlangde en voortaan

nog slechts den dood eener wereld scheen voort te stuwen. Alleen de

groote, rijke hemel, de eeuwige, pralende hemel ontplooide nog boven de

schaduwrivier, die de ruïnen van bijna drie duizend jaar voortstuwde,

het schitterende leven van zijn millioenen sterren.

Toen Pierre, alvorens naar zijn kamer te gaan, een oogenblik naar de

kamer van Dario ging, vond hij daar Victorine, die bezig was alles

in gereedheid te brengen voor den nacht.

"Wat, mijnheer de abbé, bent u op dit uur weer op de kade gaan

wandelen?" riep zij op verwijtenden toon, toen zij hoorde waar hij

vandaan kwam. "Wilt u dan met alle geweld een messteek krijgen... Neen

hoor, mij zouden zij er niet toe krijgen in deze vervloekte stad zoo

laat versche lucht te gaan happen."

Dan wendde zij zich met haar gewone familiariteit tot den prins,

die op een fauteuil lag te glimlachen.

"Zeg, dat meisje, die Pierina, is niet meer teruggeweest, maar ik

heb haar tusschen de puinhoopen zien sluipen."

Met een gebaar legde Dario haar het zwijgen op en wendde zich nu tot

den priester.

"Maar u hebt toch met haar gesproken. Het wordt toch eigenlijk te

gek... Stel je voor, dat die woesteling van een Tito zijn mes in mijn

anderen schouder komt steken!"

Plotseling zweeg hij; hij zag Benedetta voor zich staan, die

ongemerkt binnengekomen was, om hem goeden nacht te zeggen. Hij werd

erg verlegen, wilde iets zeggen, een verklaring geven, haar zijn

volkomen onschuld in dit avontuur bezweren. Maar zij glimlachte en

zeide slechts liefdevol:

"Ik ken je geschiedenis, Dario. Je begrijpt toch wel, dat ik niet

zoo dom ben, of ik heb erover nagedacht en het begrepen... Dat ik er

niet verder naar gevraagd heb, komt alleen, omdat ik alles wist en

toch van je hield."

Zij was zoo gelukkig; zij had dien avond vernomen, dat monsignor

Palma, de verdediger van het huwlijk in haar echtscheidingsproces,

zich voor den aan zijn neef bewezen dienst dankbaar had betoond door

een voor haar gunstige memorie in te dienen. Niet dat de prelaat,

die niet gaarne zijn eigen woorden herroepen wilde, zich geheel aan

haar zijde geschaard had, maar de verklaringen der beide geneesheeren

hadden hem toch in staat gesteld tot een zekeren maagdelijken staat

te concludeeren, en hij had, heenglijdend over het feit, dat de niet

voltrekking van het huwlijk haar oorzaak vond in den tegenstand der

vrouw, de feiten zóó handig gegroepeerd, dat zij een nietigverklaring

noodzakelijk maakten. Daar iedere hoop op toenadering vergeefsch

was, stond het vast, dat de echtgenooten in voortdurend gevaar

verkeerden tot onkuischheid te vervallen. Hij maakte een discrete

toespeling op den echtgenoot, als om aan te toonen, dat deze reeds

onder die verleiding bezweken was, om dan de hooge moraliteit der

vrouw, haar vroomheid, alle deugden, die een waarborg vormden voor

haar waarheidsliefde, te prijzen. Zonder het met zoovele woorden te

zeggen, refereerde hij zich aan de wijsheid der congregatie. Maar daar

monsignor Palma ongeveer de argumenten van advocaat Morano herhaalde

en Prada er hardnekkig bij bleef niet te verschijnen, scheen het

aan geen twijfel onderhevig of de congregatie zou met een groote

meerderheid tot de nietigverklaring adviseeren, zoodat de Paus deze

zou kunnen uitspreken.

"Nu zijn we tenminste aan het eind van onzen lijdenstocht, Dario! Maar

wat een geld heeft het gekost! Tante zegt, dat we nauwlijks droog

brood en water over hebben!"

Zij lachte met de heerlijke zorgeloosheid van een hartstochtelijk

verliefde vrouw. Niet dat een proces voor de congregatie zoo kostbaar

was, want in principe waren die kosteloos. Maar er waren oneindig veel

kleine onkosten, alle ondergeschikte beambten, de medische deskundigen,

de afschriften, de memories, de pleidooien. Bovendien, ook al kocht

men natuurlijk de stemmen der kardinalen niet, zoo kwamen toch enkele

stemmen op groote sommen te staan, wanneer men op de omgeving van Hunne

Eminenties invloed wilde uitoefenen, afgezien nog van het feit, dat

groote geldgeschenken in het Vaticaan, wanneer zij met takt gegeven

worden, de grootste moeilijkheden uit den weg ruimen. En ten slotte

had de neef van monsignor Palma veel gekost.

"Als ze ons, nu je weer genezen bent, maar gauw laten trouwen, dat is

het eenige, wat we hun vragen, niet waar, Dario?... Als ze willen, zal

ik hun nog mijn paarlen geven, het eenige vermogen, dat ik nog bezit."

Ook hij lachte, want geld had in zijn leven nooit een rol gespeeld. Hij

had nooit zooveel gehad als hij wel wilde, hij hoopte eenvoudig

steeds bij zijn oom, den kardinaal, te kunnen wonen, die het jonge

paar niet op straat zetten zou. Bij hun ruïne beteekenden honderd, of

tweehonderd duizend francs niets voor hem; hij had wel hooren zeggen,

dat sommige echtscheidingen meer dan vijfhonderd duizend francs gekost

hadden. Hij antwoordde dan ook schertsend:

"Geef hun ook mijn ring, geef hun alles, lieveling; wij zullen in

dit oude paleis heel gelukkig leven, ook al moesten wij de meubels

verkoopen."

In haar geestdrift nam zij zijn hoofd tusschen haar beide handen en

kuste hem in een opwelling van grooten hartstocht op zijn beide oogen.

Dan wendde zij zich plotseling tot Pierre:

"O, neem me niet kwalijk, mijnheer de abbé, ik had nog een boodschap

voor u ook... Ja, van monsignor Nani, die ons daarnet de blijde tijding

gebracht heeft; hij heeft mij opgedragen u te zeggen, dat u u te veel

op den achtergrond houdt, dat u meer moet werken voor de verdediging

van uw boek."

Verbaasd luisterde Pierre naar haar.

"En juist hij heeft me aangeraden mij zoo weinig mogelijk te laten

zien."

"Dat is zoo. Maar het schijnt, dat het oogenblik nu gekomen is,

dat u de menschen opzoeken, uw zaak bepleiten, u roeren moet in één

woord! En nog iets: hij is ook den naam van den rapporteur te weten

gekomen, aan wien men opgedragen heeft uw boek te onderzoeken. Het

is monsignor Fornaro, die op de piazza Navona woont."

Pierre voelde zijn verbazing grooter worden. Het gebeurde nooit,

dat de naam van een rapporteur bekend werd, deze bleef geheim om het

oordeel zoo vrij mogelijk te houden. Zou een nieuwe phase in zijn

verblijf te Rome beginnen?

"Ik dank u zeer," antwoordde hij eenvoudig. "Ik zal handelen en

iedereen bezoeken."

De drie steden: Rome · 第 17 / 27 题