Pierre had de gewoonte aangenomen de ochtenden, dat hij in den palazzo
Boccanera bleef, uren door te brengen in den kleinen, verwaarloosden
tuin, die vroeger in een soort loggia met zuilengaanderij eindigde, van
waar men met een dubbele trap bij den Tiber kwam. Tegenwoordig was het
daar een verrukkelijk, eenzaam hoekje, waarin het heerlijk rook naar de
rijpe vruchten van de eeuwenoude oranjeappelboomen, welker symmetrische
rijen alleen nog de reeds lang onder het onkruid verdwenen voetpaden
aangaven. En hij vond er ook den geur der taxisboomen terug, die in
het oude, door puin opgevulde middelste bekken opgeschoten waren.
Op die heldere, zoo heerlijk-zachte Octoberochtenden kon men zich
hier geheel geven aan een eindelooze levensvreugde. Maar de priester
bracht er zijn Noordelijk gepeins mede, zijn kommer om het lijden,
zijn voortdurend door naastenliefde gekwelde ziel, die de liefkoozing
van het heldere zonlicht in deze wellustige atmospheer voor hem nog
zachter maakte. Hij ging gewoonlijk tegen den achtermuur op een
stuk van een omgevallen zuil in de donkere, frissche schaduw van
een grooten laurierboom zitten. Naast hem liet in de oude, verweerde
sarcophaag, waarop wellustige faunen vrouwen schoffeerden, het dunne
waterstraaltje, dat uit het in den muur gemetselde tragische masker
viel, voortdurend zijn kristalheldere muziek weerklinken. Hij las
daar de couranten, zijn brieven, een uitgebreide correspondentie
met den goeden abbé Rose, die hem op de hoogte hield van zijn werk,
van de ongelukkigen in het sombere, reeds door nevels kille en
onder de modder liggende Parijs. O, hoe onbegrijpelijk klonken die
berichten over de ellenden van het koude land, over de ellende van
de moeders en van de kleinen, die weldra zouden rillen op hun slecht
afgesloten dakkamertjes, van de mannen, die straks door de strenge
vorst zonder werk zijn zouden, over dien doodsstrijd onder de sneeuw
van al die arme menschen, hoe onbegrijpelijk klonken zij in deze warme,
met heerlijke vruchtengeuren bezwangerde lucht, in dit land van den
blauwen hemel en het dolce far niente, waar men zelfs 's winters,
beschut voor den wind, zoo lekker op de warme steenen slapen kon!
Maar op een ochtend vond Pierre Benedetta op het als bank dienende stuk
zuil zitten. Zij gaf een gilletje van verbazing en was een oogenblik
verlegen, want zij had toevallig het boek van den priester in haar
hand. Het Nieuwe Rome, dat zij reeds eenmaal gelezen had, zonder het
echter geheel te begrijpen. Dan echter wilde zij, dat hij naast haar
kwam zitten, en vertelde hem met haar gewone openhartigheid, dat zij
naar den tuin gekomen was, om alleen te zijn en als een onwetende
leerling zijn boek te bestudeeren. Zij praatten als vrienden; het
was voor Pierre een heerlijk uurtje.
Hoewel zij het vermeed over zichzelf te praten, voelde hij toch,
dat haar verdriet haar nader tot hem bracht, als had het lijden haar
hart grooter gemaakt, zoodat zij zich nu het lot van allen, die leden,
aantrok. In haar patriciërstrots, die de hiërarchie als een goddelijke
wet beschouwde, had zij nooit aan die dingen gedacht. De gelukkigen
waren boven, de ongelukkigen beneden, zonder dat eenige verandering
daarin mogelijk was. En met welk een verbazing had zij bij sommige
bladzijden gevoeld, welk een moeite het haar kostte zich erin te
denken! Wat? Zich interesseeren voor het mindere volk, gelooven, dat
het dezelfde ziel, hetzelfde verdriet had, zich moeilijk maken voor
zijn vreugde als voor die van een broeder? Toch trachtte zij het,
maar zonder veel succes; heimelijk was zij bang een zonde te begaan,
want het is het beste niets te veranderen aan de door God ingestelde
en door de Kerk bekrachtigde maatschappelijke orde. Zeker was zij
weldadig, gaf de gewone kleine aalmoezen, maar zij gaf niet haar hart;
altruïsme en werkelijk medegevoel ontbraken haar te eenenmale. Zij was
geboren en opgegroeid in het atavisme van een geheel ander ras, dat
ook in den hemel zijn tronen boven het plebs der uitverkorenen bezit.
Nog menigmaal vonden zij elkaar in de schaduw van den laurierboom dicht
bij de zingende fontein terug, en Pierre, die niets te doen had en het
moe werd te wachten op een oplossing, die van uur tot uur uitgesteld
scheen te worden, spande al zijn krachten in, om deze jonge, mooie,
in haar liefde stralende vrouw met zijn bevrijdende naastenliefde
te bezielen. In het bijzonder bleef één gedachte hem voortdurend
ontvlammen--de gedachte, dat hij Italië zelf zou bekeeren, de in
haar onwetendheid nog sluimerende koningin der schoonheid, die haar
vroegere grootte terug zou vinden, als zij met een grootere ziel,
vol medelijden voor de dingen en wezens, ontwaken zou tot het begrip
der nieuwere tijden. Hij las haar de brieven van den goeden abbé Rose
voor, hij deed haar beven onder den snik, die uit de groote steden
opsteeg. Waarom zou zij, daar zij toch zulke diep-teedere oogen had,
daar van haar geheele persoonlijkheid het geluk om te beminnen en
bemind te worden uitstroomde, niet met hem erkennen, dat de wet
der liefde het eenige heil der lijdende, door haat in doodsgevaar
geraakte menschheid was? Zij erkende het, zij wilde hem het genoegen
doen te gelooven aan de democratie, aan de broederlijke hervorming der
maatschappij, maar bij de andere volkeren, niet te Rome. Onwillekeurig
kwam een zacht glimlachje om haar lippen, zoodra hij het visioen voor
haar opriep, dat wat er van Trastevere over was broederlijk samen
gaan zou met wat er van de oude vorstelijke paleizen over was. Neen,
neen! Dat was al sedert te lang zoo, aan die dingen moest men niets
veranderen. In één woord de leerling maakte slechts weinig vorderingen,
zij werd alleen getroffen door den hartstocht van lief te hebben, die
in dezen priester zoo heftig brandde, en dien hij in zijn kuischheid
afgewend had van het schepsel, om hem over te brengen op de geheele
schepping. Gedurende die enkele zonnige Octoberochtenden werd er
tusschen deze twee een kostelijke band gelegd; in de groote liefde,
waardoor zij beiden verteerd werden, hadden zij elkaar lief met een
diepe, reine liefde.
Dan op een dag begon Benedetta, die met haar elleboog op den sarcophaag
leunde, te spreken over Dario, wiens naam zij tot dusverre vermeden
had te noemen. O, wat had hij een berouw getoond na zijn aanval
van brutalen waanzin. Eerst was hij, om zijn schaamte te verbergen,
drie dagen naar Napels gegaan, waarheen, naar men beweerde, Tonietta,
het aanminnige meisje met de ruikers witte rozen, die dol verliefd
op hem geworden was, hem dadelijk gevolgd had. Na zijn terugkeer in
het paleis vermeed hij het alleen te zijn met zijn nicht, zag hij
haar eigenlijk alleen op de Maandagsche receptieavonden, wanneer zijn
oogen haar om vergiffenis smeekten.
"Gisteren," vertelde zij verder, "ben ik hem op de trap
tegengekomen. Ik heb hem een hand gegeven, waaruit hij begreep, dat
ik niet boos meer ben. Hij was er zoo gelukkig door... Och, wat zal
ik u zeggen. Je moet niet zoo lang streng zijn. En bovendien ben ik
bang, dat hij zich ten slotte compromitteeren zou, als hij zich, om
afleiding te zoeken, te veel met haar afgaf. Hij moet weten, dat ik
hem nog altijd liefheb, dat ik nog altijd op hem wacht... O, hij is
van mij, van mij alleen. Hij zou dadelijk voor eeuwig in mijn armen
liggen, als ik één woord zeggen kon. Maar onze zaak staat er slecht,
heel slecht voor!"
Zij zweeg, twee dikke tranen stonden in haar oogen. Inderdaad scheen
er in het proces tot nietigverklaring van het huwlijk geen voortgang
te komen, daar zich steeds weer nieuwe hinderpalen voordeden.
Pierre werd zeer ontroerd door die tranen, welke bij haar zoo weinig
voorkwamen. Dikwijls erkende zij met haar kalmen glimlach, dat zij niet
huilen kon. Maar haar hart was nu week; een oogenblik leunde zij als
vernietigd op den bemosten, door het water weggevreten sarcophaag,
terwijl het dunne waterstraaltje met parelende fluittoontjes uit
den open mond van het tragische masker stroomde. Maar voor den geest
van den priester rees plotseling de gedachte aan den dood op, toen
hij haar, de jonge, van schoonheid stralende vrouw half bewusteloos
worden zag op den rand van den sarcophaag, waar de faunen, die zich
in een razend bacchanaal op de vrouwen wierpen, de almacht der liefde
verkondigden, het symbool waarvan de Ouden zoo gaarne op de graftomben
beeldhouwden als een bewijs van de eeuwigheid des levens. Een licht,
zacht briesje streek door de zonnige, stille eenzaamheid van den tuin
en voerde den doordringenden geur der oranjeappelen en taxisboomen
mede.
"Wanneer men liefheeft, is men sterk!" prevelde hij.
"Ja, ja, u hebt gelijk," antwoordde zij, reeds weer glimlachend. "Ik
ben nog maar een kind... Maar daar is uw boek de schuld van. Ik begrijp
het pas goed, wanneer ik lijd... Maar toch maak ik vorderingen, niet
waar? Laten, nu u het wilt, alle armen mijn broeders en alle vrouwen,
die verdriet hebben als ik, mijn zusters zijn!"
Gewoonlijk ging Benedetta het eerst weer naar haar kamer terug en
bleef Pierre dan, alleen onder den laurierboom, nog wat toeven in den
zachten geur der jonge vrouw. Hij droomde dan verward van prettige
en droeve dingen. Wat was het leven hard voor arme wezens, die door
den eeuwigen dorst naar geluk gekweld worden! Over hem had de stilte
zich nog uitgebreid, het geheele oude paleis met de binnenplaats,
waarop het gras welig opschoot, en die omgeven was door haar doode
zuilengaanderij, waarin de opgegraven marmeren beelden, een armlooze
Apollo en de afgebroken romp van een Venus, verweerden, sliep zijn
zwaren ruïne-slaap, en deze doodsche stilte werd slechts nu en dan
verbroken door het plotselinge ratelen van den karos van een prelaat,
die een bezoek kwam brengen aan den kardinaal.
Op een Maandag bevonden zich tegen kwart over tienen in den salon van
donna Serafina slechts de jongelui. Monsignor Nani had slechts even
zijn opwachting gemaakt, terwijl kardinaal Sarno juist vertrokken
was. Bij den schoorsteen zat donna Serafina op haar gewone plekje
als afgezonderd; haar blikken staarden naar de onbezette plaats
van advocaat Morano, die nog steeds weggebleven was. Voor de canapé,
waarop Benedetta en Celia zaten, stonden Dario, abbé Pierre en Narcisse
Habert te praten en te lachen. Narcisse plaagde voortdurend den jongen
prins, dien hij beweerde in gezelschap van een heel mooi meisje gezien
te hebben.
"Maar ontken het toch niet, mijn waarde, zij was werkelijk een
prachtstuk... Zij liep naast je en jullie gingt samen een verlaten
straatje in, den Borgo Angelico geloof ik. Uit bescheidenheid ben ik
jullie niet verder nagegaan."
"Zeker, zeker, ik was het, ik ontken het niet... Maar het is toch
heel iets anders dan je denkt."
En zich tot Benedetta wendend, die eveneens zonder een zweempje van
ongeruste jaloezie glimlachte:
"Het was dat arme meisje, je weet wel, dat ik onlangs in
tranen gevonden heb, een week of zes geleden, denk ik... Ja, die
parelenwerkster, die zoo huilde, omdat ze geen werk meer had, en toen
ik haar wat geld wilde geven, hard voor me uit liep, om me naar haar
ouders te brengen... Pierina, je herinnert je nog wel?"
"Pierina, ja zeker!"
"Welnu, stel je voor, na dien tijd ben ik haar een keer of vier, vijf
op straat tegengekomen. En het is zoo, zij is zóó zeldzaam mooi, dat
ik een oogenblikje met haar heb staan praten... Onlangs heb ik haar
bij een fabrikant gebracht. Maar zij heeft nog geen werk kunnen vinden
en zij begon weer te huilen, en waarachtig ik heb haar toen, om haar
wat te troosten, een zoen gegeven... Zij was er zoo gelukkig door!"
Allen lachten om het verhaal. Celia was de eerste, die weer kalm
werd. En met een zeer ernstige stem zeide zij:
"Dario, zij houdt van je, dat begrijp je toch. Je moet niet zoo
slecht zijn."
Ongetwijfeld was Dario van dezelfde meening, want hij keek opnieuw
Benedetta aan en schudde vroolijk zijn hoofd, als wilde hij zeggen,
dat, al mocht zij van hem houden, hij niet van haar hield. Een
parelwerkster, een meisje uit het lagere volk, o, neen! Zij kon een
Venus zijn, maar een maîtresse, neen, dat was niet mogelijk! Hij
had zelf veel pleizier in het romantische avontuur, waarop Narcisse
dadelijk een sonnet maakte: "De schoone parelwerkster wordt tot
stervens toe verliefd op den jongen prins, die, mooi als de dag,
voorbijkomt en die haar, geroerd door haar ongeluk, een geldstuk
gegeven heeft; de schoone parelwerkster, diep in haar hart getroffen,
daar hij even milddadig als mooi is, droomt nog slechts van hem,
volgt hem overal, een vlammenband bindt haar aan zijn schreden;
de schoone parelwerkster, die het geldstuk geweigerd heeft, vraagt
met haar onderworpen, liefdevolle oogen als aalmoes het hart van den
jongen man, dat hij haar op een avond genadig schenkt." Het woordenspel
viel zeer in den smaak van Benedetta, maar Celia, die er met haar
engelachtig gezichtje als een klein meisje uitzag, dat eigenlijk nog
niets weten moest, bleef zeer ernstig en herhaalde droevig:
"Dario, ze houdt van je, je moet haar niet laten lijden."
Nu werd ook de contessina door medelijden bewogen.
"Zij zijn niet gelukkig, die arme menschen!"
"O," riep de prins uit, "een ellende, om niet te gelooven! Den dag,
dat zij me medegenomen heeft naar de Prati del Castello, dacht ik te
zullen stikken. Het is verschrikkelijk, ongelooflijk verschrikkelijk!"
"Maar ik herinner me," antwoordde zij, "dat wij het plan gemaakt
hebben naar hen toe te gaan, het is heel slecht, dat we het nog niet
gedaan hebben... U wilde immers met ons mede gaan, mijnheer de abbé,
voor uw studies en om op die wijze de arme bevolking van Rome van
nabij te zien."
Zij keek op naar Pierre, die sedert eenige oogenblikken zweeg. Het trof
hem zeer, dat deze barmhartige gedachte weer bij haar opkwam, want hij
voelde aan het even beven van haar stem, dat zij daarmede ook wilde
laten blijken, dat zij een gedweeë leerlinge was, die vorderingen
maakte in de liefde tot de ongelukkigen en armen. Onmiddellijk
trouwens had de hartstocht voor zijn apostolaat zich weer meester
van hem gemaakt.
"O," zeide hij, "ik zal Rome niet verlaten, voordat ik het
lijdende, werk- en broodlooze volk gezien heb. Voor alle naties
ligt daarin de ziekte, en redding kan slechts komen van de genezing
der ellende. Wanneer de wortels van den boom geen voedsel krijgen,
sterft de boom."
"Welnu, we zullen dadelijk afspreken, u gaat morgen met ons naar de
Prati del Castello... Dario zal ons er brengen."
Deze, die met een verbijsterd gezicht naar den priester geluisterd
had, zonder het beeld van den boom en zijn wortels goed te begrijpen,
protesteerde.
"Neen, neen, waarde nicht, leid jij er mijnheer den abbé rond, als
je daar lust in hebt... Ik ben er eens geweest, maar ik ga er nooit
meer naar terug. Toen ik weer thuis kwam, moest ik bijna naar bed,
zoo draaide alles in mij om... Neen, neen het is te vreeselijk,
zulke afschuwlijkheden zijn gewoon ongelooflijk."
Op dat oogenblik kwam een ontevreden stem uit het hoekje bij den
schoorsteen. Donna Serafina verbrak haar lang stilzwijgen.
"Dario heeft gelijk! Zend er je aalmoes naar toe, beste kind, ik zal er
graag de mijne bijvoegen... Er zijn heel wat bezienswaardiger plekken,
waar je mijnheer den abbé kunt brengen... Je zult waarachtig zorgen,
dat hij een mooie herinnering aan onze stad medeneemt!"
De Romeinsche trots klonk uit haar slechte luim. Waartoe diende het de
wonden der stad te laten zien aan de vreemdelingen, die hier misschien
alleen met een vijandige nieuwsgierigheid kwamen. Rome moest altijd
mooi zijn, men moest Rome alleen in den praal van zijn roem laten zien.
Maar Narcisse had zich van Pierre meester gemaakt.
"Ja, mijn waarde, dat is waar ook, ik heb heelemaal vergeten u die
wandeling aan te raden... U moet beslist de nieuwe wijk zien, die
men in de Prati del Castello gemaakt heeft. Die is heel typisch en
als het ware een samenvatting van de andere; u zult zien, dat het
geen verloren tijd is, daar sta ik voor in, want niets ter wereld
kan u een beteren indruk van het tegenwoordige Rome geven. Het is
buitengewoon, buitengewoon."
En zich dan tot Benedetta wendend:
"Is het afgesproken? Vindt u morgenochtend goed?... U zult den abbé en
mij daar vinden, want ik sta erop hem eerst op de hoogte te brengen,
zoodat hij alles goed begrijpt... Om tien uur, kunt u dan?"
Alvorens te antwoorden, wendde de contessina zich tot haar tante.
"Kom, tante, mijnheer de abbé heeft genoeg bedelaars in onze straten
ontmoet; hij kan alles zien. En trouwens naar wat hij ons in zijn
boek vertelt, zal hij te Rome niet meer zien, dan hij in Parijs reeds
gezien heeft. Overal is, zooals hij ergens zegt, de honger dezelfde."
Dan richtte zij zich kalm en zacht tot Dario.
"Weet je wel, Dario, dat je me een heel groot pleizier zoudt doen,
als je met me meeging. Zonder jou zou het er te veel van hebben,
alsof we uit den hemel kwamen vallen. We zullen een rijtuig nemen
en dan de heeren daar aantreffen; het zal een heel aardige wandelrit
zijn... We zijn in geen tijd samen uit geweest."
Ongetwijfeld was dat het, waarom zij het zoo prettig vond: zij had
nu een voorwendsel, om met hem samen te zijn en zich geheel met hem
te verzoenen. Hij voelde dat, hij kon er zich niet aan onttrekken.
"O, lieve nicht," zeide hij schertsend, "het is jouw schuld, als ik
de geheele verdere week nachtmerries heb. Een dergelijk uitstapje
bederft voor acht dagen je levensvreugde."
Hij rilde al bij voorbaat. De anderen begonnen weer te lachen, en
ondanks de zwijgende afkeuring van donna Serafina werd de samenkomst
bepaald op den volgenden ochtend tien uur. Het speet Celia zeer,
dat zij niet van de partij kon zijn. Maar zij met haar onschuld van
een lelieknop, interesseerde zich slechts voor Pierina.
"Let goed op die schoonheid," fluisterde zij in de antichambre haar
vriendin in; "dan kan je me vertellen, of zij werkelijk zoo mooi is,
mooier dan alle anderen."
Toen Pierre den volgenden ochtend om negen uur Narcisse bij de
Engelenburg vond, bemerkte hij tot zijn verbazing, dat deze weer in
zijn smachtende kunstdweperij vervallen was. In den beginne was er geen
sprake van de nieuwe wijken noch van den vreeselijken financieelen
krach, die er het gevolg van geweest was. De jonge man vertelde, dat
hij tegelijk met de zon was opgestaan, om nog een uur voor de Santa
Teresia van Bernini te kunnen vertoeven. Wanneer hij die in acht
dagen niet gezien had, zeide hij, leed zijn ziel daaronder, voelde
hij zich verdrietig, als moest hij een dierbare geliefde missen. Hij
had ook zijn uren, waarop hij haar op verschillende wijzen, anders
liefhad, al naar gelang der belichting van het doek. 's Morgens in het
ochtendlicht, dat haar als in een wit kleed hulde, had hij haar lief
met het mystieke élan van zijn ziel; 's middags wanneer de schuine
stralen der ondergaande zon op haar vielen, met den rooden hartstocht
van het bloed der martelaren.
"O, mijn vriend," zeide hij met zijn moe gelaat, terwijl zijn
malvekleurige oogen bijna wegzonken, "ge kunt u niet voorstellen
welk een heerlijk, ontroerend ontwaken het dezen ochtend was... Een
onwetende, reine maagd, die, gebroken van wellust en nog zwijmelend
van het geluk door Jezus bezeten te zijn, haar oogen kwijnend
opslaat... Het is om erbij te sterven."
Na een paar passen verder geloopen te hebben werd hij kalmer en ging
hij op den beslisten toon van een praktisch man vol levenservaring
voort:
"Kom laten we langzaam opwandelen naar de Prati del Castello,
waarvan ge de gebouwen onder u ziet liggen; onderweg zal ik u
vertellen, wat ik ervan weet. O, het is een buitengewoon verhaal,
een van die krankzinnige aanvallen van speculatie, die mooi zijn als
het monsterachtige en mooie werk van het een of andere waanzinnige
genie... Ik heb het van familieleden van me gehoord, die hier gespeeld
en, waarachtig, aanzienlijke sommen gewonnen hebben."
Toen vertelde hij Pierre de zeldzame geschiedenis met de duidelijkheid
en nauwkeurigheid van een financier, terwijl hij de technische termen
met volkomen zekerheid gebruikte. Na de verovering van Rome, toen
geheel Italië als uitzinnig van geestdrift was bij het denkbeeld
eindelijk de zoo lang begeerde hoofdstad, de oude, roemrijke stad,
de eeuwige, aan wie de wereldheerschappij was toegezegd, te bezitten,
barstte een zeer goed te begrijpen jubel van vreugde en hoop los
bij het jonge volk, dat eerst gisteren geboren was en nu zoo spoedig
mogelijk zijn macht wilde bewijzen. Men moest Rome in bezit nemen, het
tot een moderne, een groot rijk waardige hoofdstad maken, en daarvoor
was het in de allereerste plaats noodig haar gezond te maken, haar te
reinigen van het vuil, dat haar onteerde. Men kan zich niet voorstellen
in welk een staat van verontreiniging het Rome der pausen, la Roma
sporca, waar de kunstenaars nu nog naar terugverlangen, verkeerde:
er bestonden zelfs geen bestekamers, de openbare straat diende voor
alle behoeften, de verheven ruïnes waren in vuilnishoopen veranderd,
de omgeving van de oude vorstelijke paleizen met excrementen bevuild;
kortom, overal steeg een laag van afval, puin en tot verrotting
overgegane stoffen op, die de straten in vergiftigde goten veranderden,
welke telkens weer de vreeselijkste epidemieën veroorzaakten. Het
was dringend noodig daarin van stadswege verbetering te brengen.
Deze maatregelen beteekenden inderdaad de redding, een verjonging,
een veilig verder leven. Even gerechtvaardigd was de gedachte nieuwe
huizen te bouwen voor de nieuwe bewoners, die van alle kanten zouden
toestroomen. Na de totstandkoming van het keizerrijk Duitschland had
men hetzelfde te Berlijn zien gebeuren: de stad had haar bevolking
bliksemsnel zien toenemen met honderdduizenden zielen. Rome zou zich
ook zeker verdubbelen, verdrie-, vervijfvoudigen, de levende krachten
der provincies tot zich trekken, het centrum van het nationale bestaan
worden. Ook de trots sprak een woordje mede: men moest aan de gevallen
regeering van het Vaticaan toonen, waartoe Italië in staat was, in
welken glans het nieuwe Rome stralen zou, het derde Rome, dat de beide
andere, het keizerlijke en het pauselijke, zou overtreffen door de
pracht van zijn straten en den overstroomenden vloed van zijn inwoners.
Toch bleef de eerste jaren de bouwbeweging binnen de grenzen der
voorzichtigheid. Men was verstandig genoeg slechts te bouwen, wanneer
daaraan behoefte was. Met één sprong was de bevolking verdubbeld, van
tweehonderdduizend tot vierhonderdduizend zielen gestegen: de kleine
wereld van ambtenaren en employés, die met de verschillende takken
van algemeen bestuur kwamen, de geheele groote menigte, die van den
staat leeft of ervan hoopt te leven, ongerekend de nietsdoeners en
genotzoekers, die een Hof steeds na zich sleept. Dat was de eerste
oorzaak van den roes, niemand twijfelde eraan, of die toeneming zou
blijven doorgaan, ja zelfs sterker worden. Van af dat oogenblik was de
stad van gisteren niet voldoende meer, men moest zonder talmen rekening
houden met de eischen en behoeften van morgen, door Rome buiten Rome
over alle verlaten, oude voorsteden uit te breiden. Men sprak ook van
het Parijs van het tweede Keizerrijk, dat zooveel grooter geworden,
in een stad van licht en gezondheid veranderd was. Doch het ongeluk
wilde, dat er aan de oevers van den Tiber geen algemeen plan bestond,
dat er geen man was met een ruimen blik, die den toestand overzag en
op krachtige financieele instellingen steunen kon.
Wat nu de trots, de eerzucht om het Rome der Caesars en der Pausen
in glans te overtreffen, de wil om van de eeuwige, gepraedestineerde
stad het centrum en de koningin der aarde te maken, begonnen was,
voltooide de speculatie, een van die buitengewone agiostormen, een
van die orkanen, welke, zonder dat iets ze aankondigt of tegenhoudt,
ontstaan, woeden, alles vernielen en met zich sleuren. Plotseling
liep het gerucht, dat terreinen, die vijf francs den meter gekost
hadden, voor honderd francs verkocht werden; toen brak de koorts uit,
de koorts van geheel een door speculatiewoede verhit volk. Een zwerm
van speculanten was uit Boven-Italië op Rome, de edelste en makkelijkst
te krijgen buit, neergestreken.
Voor deze arme, hongerige bergbewoners begon in dit wellustige
zuiden, waarin het zoo heerlijk is om te leven, de drijfjacht der
begeerten, zoodat het verrukkelijke klimaat, op zichzelf reeds zoo
verderfelijk, de moreele ontbinding verhaastte. Bovendien behoefde
men zich in den beginne inderdaad slechts te bukken; het geld was
tusschen de puinhoopen der eerste gesloopte wijken met schoppen
vol op te rapen. Handige lieden, die het tracé der nieuwe straten
als het ware roken, hadden zich meester gemaakt van de terreinen,
die onteigend zouden moeten worden, en vertiendubbelden binnen twee
jaar hun vermogen. Nu greep de besmetting nog verder om zich heen
en vergiftigde langzamerhand de geheele stad; de bewoners werden op
hun beurt ook medegesleept, alle standen door waanzin aangegrepen,
de vorsten, de bourgeois, de kleine huiseigenaars tot winkeliers,
slagers, kruideniers toe. Zoo vertelde men later van een eenvoudigen
bakker, die een bankroet van vijf-en-veertig millioen geslagen had.
Het was niets meer dan een wanhopige, schandelijke, koortsachtige
speculatie, die in de plaats van het geregelde pauselijke lotto
gekomen was, een speculatie met millioenen, waarbij de terreinen en
bouwwerken iets fictiefs, slechts een voorwendsel voor Beursoperaties
werden. De oude atavistische trots, die van Rome de hoofdstad der
wereld maken wilde, werd door deze speculatiekoorts opgezweept tot
hoogmoedswaanzin; er werd gekocht en gebouwd, om weer te verkoopen,
zonder maat, zonder ophouden, zooals aandeelen gelanceerd worden,
zoolang de persen er drukken willen.
Nooit had een stad in haar evolutie een dergelijk schouwspel
geboden. Wanneer men het thans tracht te begrijpen, staat men gewoonweg
perplex. Het bevolkingscijfer was de vierhonderd duizend overschreden
en scheen dan stationnair te blijven; maar dit belette niet, dat
de nieuwe wijken steeds dichter uit den grond opschoten. Voor
welk toekomstig volk bouwde men met zooveel woede? Door welke
zinsverbijstering kwam men ertoe niet te wachten op de nieuwe bewoners,
om duizenden woningen gereed te maken voor families, die misschien
komen zouden? De eenige verontschuldiging was, dat bij voorbaat als
vaststaande aangenomen werd, dat het derde Rome, de triompheerende
hoofdstad van Italië, niet minder dan een millioen zielen tellen
kon. Zij waren niet gekomen, maar zij zouden zeker komen; daaraan kon
geen patriot twijfelen zonder vaderlandsschennis te begaan. En men
bouwde, bouwde, bouwde zonder ophouden voor de vijfhonderdduizend
onderweg zijnde burgers. Men bekommerde zich zelfs niet om den dag
van hun aankomst, het was voldoende, dat men op hen rekende. In Rome
waren ook maatschappijen tot het maken van groote wegen door de oude,
ongezonde, gesloopte wijken gevormd en deze verkochten of verhuurden
haar terreinen, waardoor zij groote winsten behaalden.
Doch naarmate de waanzin steeg, werden er meer maatschappijen
opgericht, om den honger naar winst te bevredigen; zij hadden ten doel
om buiten Rome nog meer nieuwe wijken, steeds weer nieuwe wijken, ware
kleine steden, waaraan niet de minste behoefte bestond, te bouwen. Bij
de Porta S. Giovanni, bij de Porta S. Lorenzo rezen de voorsteden als
door een wonder op. Op de reusachtige terreinen der Villa Ludovisi,
van de Porta Salaria tot aan de Porta Pia, ontstond het ontwerp van
een stad, en op de Prati del Castello wilde men plotseling een stad
met kerk, school en markt uit den grond doen oprijzen. En dat waren
geen arbeiderswoningen, geen bescheiden huizen voor den middenstand
en de ambtenaren, neen, het waren groote bouwwerken, ware paleizen met
drie of vier verdiepingen, met gelijkvormige, overmatig groote gevels,
welke van deze nieuwe, excentrieke wijken Babylonische stadsdeelen
maakten, die alleen hoofdsteden met een krachtig industrieleven, zooals
Parijs en Londen, zouden kunnen bevolken. Het zijn de monsterachtige
voortbrengselen van den hoogmoed en van de speculatie. En welk een
droeve bladzijde uit de geschiedenis, welk een bittere les, wanneer het
thans ten gronde gerichte Rome zich bovendien nog onteerd ziet door
dien leelijken gordel van groote, ledige, grootendeels onafgemaakte
geraamten, welker puinhoopen nu reeds de met gras begroeide straten
bedekken!
De onvermijdelijke instorting, de ramp was vreeselijk. Narcisse
gaf de redenen daarvoor op en lichtte de diverse stadia zoo
duidelijk toe, dat Pierre alles goed begreep. Natuurlijk waren
talrijke financieele maatschappijen uit die humus der speculatie
opgeschoten: de Immobiliere, de Società edilizia, de Fondiaria,
de Tiberina, l'Esquilino. Bijna alle lieten bouwen, richtten groote
huizen op, legden heele straten aan, om ze weer te verkoopen. Maar
zij speculeerden ook in bouwterreinen, stonden die met groote
winsten aan kleine speculanten af, die in de door de toenemende
agiokoorts verwekte kunstmatige hausse overal opschoten en eveneens
van ontzaglijke winsten droomden. Het ergste daarbij was, dat deze
kleine burgers, deze onervaren winkeliers zonder geld, zoo door de
speculatiewoede werden opgezweept, dat zij zelf ook lieten bouwen;
zij leenden van de banken en wendden zich tot de maatschappijen,
van wie zij de terreinen gekocht hadden, om het voor het voltooien
der gebouwen noodige geld te krijgen.
In de meeste gevallen zagen de maatschappijen, om niet alles te
verliezen, zich op een goeden dag genoodzaakt de terreinen en de
gebouwen, zelfs al waren zij niet afgebouwd, terug te nemen, wat
een ontzaglijke opstopping veroorzaakte, waaraan zij ten gronde
moesten gaan. Wanneer het millioen inwoners de woningen, die men in
een zoo vreemden droom van hoop voor hen gebouwd had, waren komen
betrekken, dan hadden de winsten onberekenbaar kunnen zijn. Rome
was in tien jaar rijk en een der bloeiendste hoofdsteden der wereld
geworden. Maar de inwoners wilden niet komen, niets werd verhuurd,
de woningen stonden leeg. En toen barstte de krach met een ongekende
heftigheid los en wel om twee redenen. In de eerste plaats waren
de door de maatschappijen gebouwde huizen veel te groot en veel te
duur, waardoor het grootste gedeelte van de gewone, middelmatige
renteniers, die hun geld in grondbezit willen beleggen, afgeschrikt
werden. Het atavisme had zijn werk gedaan, de bouwers hadden in hun
grootheidswaanzin een reeks prachtige paleizen opgericht, bestemd,
om die van de twee vorige tijdperken in het niet te doen verzinken
en welke nu triest en verlaten als de meest ongehoorde getuigen van
den onmachtigen hoogmoed staan bleven.
Er waren dus geen particuliere kapitalen te vinden, die de plaats
der maatschappijen durfden of konden innemen. Bovendien zijn elders,
in Parijs en in Berlijn, de nieuwe wijken en de verfraaiingen met
nationaal kapitaal, met gespaard geld gemaakt. In Rome daarentegen
werd alles gebouwd met crediet, met wissels op drie maanden en
vooral met buitenlandsch geld. Men schat de aldus verslonden som
op bijna een milliard, waarvan vier vijfden Fransch geld was. Het
was eenvoudig een zaken doen van bankier op bankier; de Fransche
bankiers leenden tegen 3 1/2 à 4 procent aan de Italiaansche, die
op hun beurt aan de speculanten, aan de bouwers te Rome tegen 6, 7,
ja zelfs 8 procent leenden.
Men kan zich dan ook de ramp voorstellen, toen Frankrijk, dat het
verbond van Italië met Duitschland met leede oogen aanzag, binnen
twee jaar zijn achthonderd millioen terugtrok. Er ontstond een
reusachtige terugvloeiing, die de Italiaansche banken ledig maakte;
de grondmaatschappijen en al die maatschappijen, welke in terreinen en
bouwwerken speculeerden, werden nu eveneens genoodzaakt op haar beurt
terug te betalen en moesten zich wenden tot de emissiemaatschappijen,
die papier konden uitgeven. Tegelijkertijd dreigden zij den Staat de
werken stil te zullen leggen en veertig duizend werklieden op straat
te zetten, wanneer de Staat de emissiemaatschappijen niet dwong hun de
vijf of zes millioen, die zij noodig hadden, te leenen, wat de Staat,
bang voor een algemeen bankroet, ten slotte deed. Natuurlijk konden
de vijf of zes millioen op de vervaldagen niet terugbetaald worden,
omdat men de huizen niet kon verkoopen of verhuren, zoodat nu de
debacle steeds verder om zich heen greep en de eene puinhoop op de
andere stapelde: de kleine speculanten vielen op de bouwers, deze
op de grondmaatschappijen, deze op de emissiemaatschappijen, deze op
het openbaar krediet, wat de natie ruïneerde. Zoo kwam het, dat een
eenvoudige stedelijke crisis een ontzettende financieele ramp, een
nationaal gevaar werd. Een geheel milliard was zonder eenig nut in den
afgrond verdwenen, Rome leelijk gemaakt; het droeg nu de last van zijn
jonge, smadelijke ruïnes, van de gapende, ledige huizen voor de vijf
of zeshonderd duizend gedroomde inwoners, die men nog steeds wacht.
Trouwens in den gierenden stormwind van den roem was ook de Staat zelfs
door grootheidswaanzin aangegrepen. Alles werd erop ingericht om een
triompheerend Italië te scheppen, om het land in vijf-en-twintig jaar
die eenheid en die grootte te doen bereiken, waarvoor andere volkeren
eeuwen hebben noodig gehad. Aan alle kanten werd dan ook met man en
macht gewerkt, reusachtige uitgaven gedaan voor kanalen, havens, wegen,
spoorwegen en openbare werken in alle groote steden. Men improviseerde,
organiseerde de natie zonder te tellen. Na het verbond met Duitschland
verslonden de oorlogs- en marinebudgetten noodeloos millioenen. En aan
al die steeds stijgende behoeften werd slechts het hoofd geboden door
emissies; de eene leening volgde op de andere. In Rome alleen kostte
de bouw van het ministerie van Oorlog tien, die van het ministerie
van Financiën vijftien millioen, terwijl meer dan tweehonderd millioen
voor verdedigingswerken om de stad uitgegeven werden. Het was steeds
en steeds weer het opvlammen van den noodlottigen hoogmoed, het sap
van den grond, die slechts in al te groote plannen bloeien kan, de
wil om de wereld te verblinden en te veroveren, die ontstaat zoodra
men den voet op het Capitool zet--zelfs in het opgehoopte stof van
alle menschenmachten, die daar na elkaar ingestort zijn.
"Ja, mijn waarde vriend," vertelde Narcisse verder, "als ik wilde
afdalen tot praatjes, die in omloop zijn, die men elkaar in het
oor fluistert, als ik u enkele feiten noemde, dan zoudt u verbluft,
versteld staan over den graad van waanzin, waarin deze in den grond der
zaak zoo verstandige, zoo indolente en zoo zelfzuchtige stad door de
vreeselijke, besmettelijke koorts van speculatiewoede gebracht is. Niet
alleen de kleine luiden, de onwetenden en dommen hebben zich ten gronde
gericht, maar ook de groote families, bijna de geheele Romeinsche
adel heeft daarbij zijn oude vermogens, het goud, de paleizen en de
verzamelingen kunstwerken, die hij aan de vrijgevigheid der pausen
te danken had, verloren. Deze ontzaglijke rijkdommen, waarvoor eeuwen
van nepotisme noodig geweest zijn, om ze in de handen van enkelen op
te hoopen, zijn in nauwlijks tien jaar als was gesmolten."
Dan vergat hij geheel, dat hij met een priester sprak, en vertelde
hij een van die equivoque geschiedenissen.
"Laten we onzen goeden vriend Dario, prins Boccanera, even als
voorbeeld nemen. Hij is de laatste van zijn geslacht en verplicht te
leven van de kruimels van zijn oom, den kardinaal, die toch ook niet
heel veel meer dan zijn salaris heeft. Nu, hij zou zeker nog in zijn
karos rijden, als die vreemde geschiedenis van de villa Montefiori
er niet tusschen gekomen was... Men zal u wel reeds op de hoogte
gebracht hebben: de uitgestrekte terreinen van deze villa werden voor
tien millioen aan een financieele maatschappij afgestaan; daarna werd
prins Onofrio, de vader van Dario, door de speculatiewoede aangegrepen,
kocht zijn eigen terreinen duur terug, speculeerde en liet bouwen;
ten slotte sleurde de catastrophe behalve die tien millioen nog
alles mede, wat hij zelf bezat, de overblijfselen van het eertijds
zoo reusachtige fortuin der Boccanera's...
"Maar wat men u ongetwijfeld niet verteld heeft, dat zijn de geheime
oorzaken, die daartoe medegewerkt hebben, de rol, die graaf Prada--ja
zeker, de gescheiden echtgenoot van de bekoorlijke contessina, op
wie wij nu wachten--in deze zaak gespeeld heeft. Hij was de minnaar
van prinses Boccanera, de mooie Flavia Montefiori, die de villa als
huwlijksgift medebracht, o, een pracht van een vrouw, veel jonger dan
haar man. Welnu, algemeen wordt beweerd, dat Prada den echtgenoot in
zijn macht had door die vrouw, zoodat deze weigerde zich 's avonds
aan den ouden prins te geven, indien deze aarzelde zijn handteekening
te zetten of zich verder in te laten in een avontuur, waarvan hij het
gevaar van te voren inzag. Prada heeft er millioenen mede verdiend,
die hij nu op een zeer verstandige manier verteert. En wat de mooie
Flavia betreft, u weet, dat zij, na een klein vermogen uit de debacle
gered te hebben, dapper afstand gedaan heeft van haar adellijken titel,
om zich een knappen man te koopen, den tweeden, ditmaal jonger dan zij,
van wien zij een markies Montefiori gemaakt heeft, die haar nu gezond
en mooi houdt, hoewel zij de vijftig nu al gepasseerd is. In deze heele
zaak is het eenige slachtoffer onze arme vriend Dario, die totaal
geruïneerd is en vastbesloten met zijn nicht te trouwen, die niet
veel rijker is dan hij. Weliswaar wil zij hem met alle geweld hebben
en is hij niet in staat haar zoo lief te hebben als zij hem. Anders
zou hij reeds lang de een of andere Amerikaansche genomen hebben,
een millionnairsdochter, zooals zooveel andere vorsten gedaan hebben;
ofschoon het ook zeer goed mogelijk is, dat de kardinaal en donna
Serafina er zich tegen verzet zouden hebben, want dat zijn helden
in hun genre, echte trotsche, koppige Romeinen, die hun bloed vrij
willen houden van vreemde smetten... Enfin laten we hopen, dat die
goede Dario en die bekoorlijke Benedetta samen gelukkig zullen zijn."
Hij hield op, om na eenige passen, op bijna fluisterenden toon voort
te gaan.
"Een van mijn bloedverwanten heeft met die affaire der villa Montefiori
een kleine drie millioen verdiend. Wat heb ik er toch dikwijls spijt
van gehad, dat ik pas na den heroëntijd van het agio gekomen ben! Wat
zal het hier toen amusant geweest zijn en wat was er toen een boel
te verdienen voor koelbloedige spelers!"
Plotseling echter zag hij, opkijkend, voor zich het nieuwe stadsdeel
der Prati del Castello; zijn geheele gelaatsuitdrukking veranderde,
hij werd weer de kunstenaarsziel, die in verzet kwam tegen de moderne
gruwelen, waarmede men het pauselijke Rome bezoedeld had. De kleur
van zijn oogen werd bleeker, zijn blik drukte de bittere minachting
uit van den in zijn liefde voor de verdwenen eeuwen gewonden droomer.
"Kijk toch eens, kijk toch eens! O, stad van Augustus, stad van Leo X,
stad van eeuwige macht en eeuwige schoonheid!"
Pierre zelf kwam ook onder den indruk. Op deze plek strekten zich
vroeger langs den Tiber tot aan de hellingen van den Monte Marco
de vlakke, hier en daar met populieren begroeide weiden van de
Engelenburg uit, breede grasvlakten, die aan den Borgo en den verren
dom van de St. Pieter een groenen voorgrond gaven en die de schilders
graag vereeuwigden. Nu echter verhief zich midden op die omgewoelde,
rotsachtige vlakte een geheele stad, een stad van massieve, reusachtige
huizen, regelmatige steenen kubussen met breede, elkaar rechthoekig
snijdende straten, precies een groot dambord met symmetrische
vakken. Van het eene einde naar het andere zag men dezelfde gevels;
men zou het geheel voor een rij kloosters, kazernes of ziekenhuizen
hebben kunnen houden, waarvan de eenvormige lijnen zich tot in het
oneindige voortzetten. Maar de pijnlijke indruk, dien dit schouwspel
maakte, kwam hoofdzakelijk voort uit de in den beginne onverklaarbare
catastrophe, die deze stad midden in haar aanbouw verstard had, alsof
op een vervloekten ochtend een booze toovenaar zijn staf opgeheven,
het werk tot stilstand gebracht, de drukke werkplaatsen geledigd,
de gebouwen gelaten had in denzelfden droefgeestigen toestand als
waarin zij op dit oogenblik verkeerden.
Alle stadia van aanbouw vond men nog terug--van het grondwerk, de
voor de fundamenten gegraven diepe gaten, welke open gebleven waren
en waarin onkruid woekerde, tot geheel voltooide en bewoonde huizen
toe. Er waren huizen, waarvan de muren nauwlijks boven den grond
uitkwamen; andere waren tot de tweede of derde verdieping gekomen,
maar door hun houten plafonds en door de open vensters stroomde
de regen naar binnen; andere, die geheel opgetrokken en met een dak
voorzien waren, stonden daar als geraamten, ten prooi aan de gevechten
der winden, en deden aan ledige kooien denken. Ook waren er geheel
afgebouwde huizen, waarvan men echter de buitenmuren niet had kunnen
pleisteren; bij nog andere ontbrak het houtwerk van de deuren en ramen;
weer andere hadden wel deuren en ramen, maar waren dichtgespijkerd
als doodkisten, in de doode kamers was geen levende ziel te ontdekken;
andere tenslotte waren bewoond, de meeste gedeeltelijk, slechts weinige
geheel, maar alle levend van een niet-verwachte bevolking. Niets
kan de vreeselijke triestheid van die dingen weergeven; het was een
Schoone-Slaapster-stad, die door een doodelijken slaap bezocht was,
nog voor zij geleefd had, en nu in afwachting van een ontwaken,
dat nooit scheen te zullen komen, in de heete zon ten gronde ging.
Pierre ging met zijn gids door de breede, verlaten straten, die
de roerloosheid en stilte van een kerkhof hadden. Geen rijtuig,
geen voetganger kwam erdoor. Sommige hadden zelfs geen trottoir,
het gras woekerde op den nog niet bestraten rijweg als op een veld,
dat tot den natuurstaat terugkeert; toch stonden er reeds overal
sedert jaren voorloopige gaslantaarns. Aan beide zijden hadden de
huiseigenaren de vensteropeningen van den rez-de-chaussée en de
verschillende verdiepingen met dikke planken hermetisch gesloten,
om geen deur- en vensterbelasting te betalen. Andere huizen, waarvan
de bouw nauwlijks begonnen was, waren met staketsels afgesloten,
uit vrees, dat de kelders verzamelplaatsen voor alle bandieten uit
het land zouden worden. Maar den treurigsten indruk maakten toch de
jonge ruïnes, hooge, trotsche, onvoltooide, zelfs nog niet gepleisterde
gebouwen, die hun leven van steenen reuzen nog niet eens geleefd hadden
en nu reeds aan alle kanten scheurden, zoodat men ze met allerlei
gecompliceerde stellingen had moeten stutten, om te voorkomen, dat
zij zouden instorten. Je hart kromp ineen als in een stad, waaruit
de pest, de oorlog of een bombardement de inwoners weggevaagd heeft.
Maar men werd door een nog grootere melancholie, door een grenzenlooze
wanhoop aangegrepen bij de gedachte, dat dit niet een dood, maar een
miskraam was, dat de verwoesting haar werk voltooien zou voordat de
gedroomde, vergeefs verwachte bewoners dezen doodgeboren huizen leven
zouden inblazen. Daarbij kwam nog de vreeselijke ironie, dat men op
iederen hoek marmeren platen met de straatnamen zag, beroemde, aan
de Geschiedenis ontleende namen, de Gracchen, de Scipio's, Plinius,
Pompeius, Julius Caesar, die als een hoon, als een slag, dien het
verleden de moderne onmacht in het gezicht gaf, op deze onvoltooide,
instortende muren prijkten.
Wederom werd Pierre getroffen door de waarheid, dat ieder, die Rome
bezit, verteerd wordt door den marmerwaanzin, door den ijdelen drang
om te bouwen en aan de volkeren van morgen het gedenkteeken van zijn
roem na te laten. Na de Caesars, die hun paleizen op den Palatinus
ophoopten, na de pausen, die het Middeleeuwsche Rome weer opbouwden
en hun wapens daarop drukten, is de Italiaansche regeering nauwlijks
meester der stad, of zij wil haar onmiddellijk schitterender en grooter
dan zij ooit geweest was, herbouwen. De bodem zelf suggereerde die
gedachte; het bloed der Caesars steeg den nieuw aangekomenen naar het
hoofd en bracht hen tot het waanzinnige denkbeeld om van het derde
Rome de nieuwe koningin der aarde te maken. Vandaar de reusachtige
plannen, de cyclopische kadewerken, de ministeries, die wedijveren
met het Colosseum; vandaar die nieuwe wijken met hun reuzenhuizen,
die als evenveel kleine stadjes om de oude stad opgeschoten zijn. Hij
herinnerde zich den krijtachtigen gordel, welke de oude, rosachtige
daken omgaf en dien hij vanaf den dom van de St. Pieter uit de
verte als verlaten steengroeven gezien had; want niet alleen in de
Prati del Castello, maar ook bij de Porta S. Giovanni, bij de Porta
S. Lorenzo, bij de Villa Ludovisi, op de hoogten van den Viminalis
en den Quirinalis vielen de onvoltooide en ledige wijken reeds in het
gras der verlaten straten in. Ditmaal scheen het alsof na tweeduizend
jaar van wonderbare vruchtbaarheid de bodem eindelijk uitgeput scheen,
en de steen der monumenten daar niet meer groeien wilde.
Evenals in zeer oude boomgaarden de pruime- en kerseboomen, die
men verplant, kwijnend opgroeien en sterven, zoo vonden blijkbaar
de nieuwe muren geen levensvoedsel meer in dat door de eeuwenlange
groei van een zoo groot aantal tempels, circussen, triomfbogen,
basilica's en kerken verarmde Romeinsche stof. De moderne huizen,
die men getracht had hier opnieuw tot vruchtbaarheid te brengen,
de tot niets nutte, al te groote, door hereditairen eerzucht
opgeblazen huizen, hadden niet tot rijpheid kunnen komen; de halve,
door geopende ramen doorboorde gevels bezaten geen kracht genoeg,
om op te stijgen tot het dak, waren daar onvruchtbaar blijven staan
als kwijnende struiken op een terrein, dat te veel voortgebracht
heeft. Het verschrikkelijk trieste lag voornamelijk hierin, dat een
voorbijgegane grootheid zóó vol scheppingskracht uitloopen moest
op een dergelijke bekentenis van tegenwoordige onmacht, dat Rome,
hetwelk vroeger de wereld met zijn onverwoestbare monumenten bedekt
had, thans niets meer dan ruïnes baarde.
"Ze zullen eens wel afgebouwd worden!" riep Pierre uit.
Narcisse keek hem verbaasd aan.
"Voor wie dan?"
Dat was juist het verschrikkelijke. Waar waren op dit oogenblik die
vijf of zeshonderd duizend inwoners, van wier komst men gedroomd
had, op wie men nog altijd wachtte; waar waren zij, in welke nabije
landstreken, in welke verafgelegen steden woonden zij? Waar in de
eerste dagen na de verovering een vurige patriotische geestdrift
alleen op een dergelijke bevolking had kunnen hopen, daar moest men
thans wel bijzonder verblind zijn, om nog te kunnen gelooven, dat
zij ooit komen zou. De proef scheen genomen te zijn, Rome's bevolking
bleef stationnair, er was geen enkele reden, die voorzien deed, dat
het aantal inwoners verdubbeld zou worden, noch de genoegens, die
de stad aanbood, noch de winst van een handel en van een industrie,
die zij niet bezat, noch een intens maatschappelijk en intellectueel
leven, waartoe zij niet meer in staat scheen. In ieder geval zouden
er jaren en jaren mede heengaan. Hoe dus moest men de gereed zijnde,
ledige huizen, die nog slechts op huurders wachtten, bevolken? Voor
wie moest men de in geraamte-toestand gebleven woningen, die in de zon
en in den regen afbrokkelden, afmaken? Zouden zij dus, gedeeltelijk
vleeschloos en open voor alle winden, gedeeltelijk dichtgespijkerd en
stil als graven, voor onafzienbaren tijd daar moeten blijven staan
in hun vreeselijke, nuttelooze en verwaarloosde leelijkheid? Welk
een verschrikkelijke getuigenis legden zij onder dien stralenden
hemel af! De nieuwe heeren van Rome hadden een slecht begin gemaakt,
maar zouden zij, indien zij thans wisten wat zij hadden moeten doen,
ooit wat zij gedaan hebben ongedaan durven maken? Daar het milliard,
dat hier ingestoken was, voorgoed verslonden en verloren scheen te
zijn, begon men te verlangen naar een Nero met een onbeperkte en
matelooze energie, die fakkel en spade grijpen en in naam van rede
en schoonheid alles verbranden en met den grond gelijk maken zou.
"Ha!" riep Narcisse uit; "daar zijn de contessina en de prins!"
Benedetta had het rijtuig bij een kruispunt van de eenzame straten
laten ophouden; en nu liep zij aan den arm van Dario door die breede,
stille, met onkruid begroeide wegen, die als voor verliefde paren
aangelegd zijn. Beiden waren verrukt over de wandeling, dachten niet
meer aan het treurige, waarvoor zij waren gekomen.
"Wat een goddelijk weer!" zeide zij vroolijk, terwijl zij naar de
twee vrienden toe ging. "Wat schijnt de zon heerlijk!... Het doet je
goed een beetje te loopen net alsof je op het land bent!"
Dario was de eerste, die ophield te lachen tegen den blauwen hemel,
zich te vermeien in de vreugde met zijn nicht aan zijn arm te wandelen.
"Omdat je bij je gril blijft, die zeker onzen geheelen mooien dag
bederven zal, moeten we toch naar die menschen toe... Maar eerst moet
ik me even oriënteeren. Ik weet nooit goed den weg op plaatsen waar ik
niet gaarne kom... En bovendien is deze wijk met haar doode straten,
haar doode huizen zoo moeilijk; je ziet niets dat je je herinnert,
geen winkel, die je den weg aanwijst... Maar ik geloof, dat het hier
is. Ga maar mee, we zullen wel zien."
De vier wandelaars gingen naar het middelste gedeelte van de wijk,
dat op den Tiber uitziet. Hier was zich een bevolking gaan vormen. De
eigenaars van sommige afgebouwde huizen, hebben daar zoo goed als
het kan voordeel van door ze tegen zeer lage prijzen te verhuren;
ze werden zelfs niet boos, wanneer de huur eens wat lang op zich
wachten liet. Ambtenaren met een klein inkomen en jonge huishoudens
zonder geld hadden zich dus gevestigd en betaalden wel langzaam,
maar toch altijd iets. Doch het ergste was, dat tengevolge van het
sloopen van het vroegere Ghetto en van de doorbraken, waarmede men
wat licht gebracht had in Trastevere, ware horden brood- en daklooze
haveloozen, die zelfs bijna geen kleeren hadden, in de onafgemaakte
huizen waren neergestreken en er met hun ellende en hun ongedierte
bezit van genomen hadden. Men had de oogen wel moeten sluiten,
deze brutale inbeslagneming moeten dulden, wanneer men niet wilde,
dat deze verschrikkelijke ellende zich op de openbare straat ten
toon spreidde. Aan deze vreeselijke gasten dus waren de groote
gedroomde paleizen ten deel gevallen, de reuzengebouwen van vier
of vijf verdiepingen, die men door monumentale deuren binnenging,
en die versierd waren met groote standbeelden en langs welker gevels
gebeeldhouwde, door cariatiden gesteunde balkons liepen.
Het houtwerk van deuren en ramen ontbrak; iedere van deze ongelukkige
families had haar keuze gedaan, bewoonde of een geheele vorstelijke
verdieping of gaf de voorkeur aan kleinere vertrekken, waarin ze zich
konden ophoopen. De ramen waren meestal met planken dichtgespijkerd; de
deuren met behulp van lompen dichtgestopt. Armzalige stukken linnengoed
hingen op de gebeeldhouwde balkons te drogen, pavoiseerden met hun
vuile vlaggen deze doodgeboren, in hun trots verdeemoedigde gevels. Een
snelle slijtage, allerlei vuiligheden zonder naam bezoedelden reeds de
mooie witte gebouwen, bespatten en bestreepten ze met smerige vlekken;
door de prachtige deuren, die gemaakt waren voor het koninklijk
uitrijden van equipages, stroomde een vieze beek van afval en drek,
waarvan de poelen dan op den trottoirloozen rijweg vervuilden.
Tot tweemaal toe had Dario hen denzelfden weg al laten loopen. Hij
verdwaalde steeds meer en meer en werd hoe langer hoe somberder.
"Ik had links moeten afslaan. Maar hoe kan je dat ook weten in zoo'n
omgeving?"
Nu zagen zij heele troepen kinderen vol ongedierte in het stof
kruipen. Zij waren buitengewoon vuil, bijna naakt; hun huid was
heelemaal zwart, hun haren borstelig als bosjes paardenhaar. Vrouwen
liepen rond in smerige rokken, haar openstaande jakken lieten borsten
en heupen als van overwerkte lastdieren zien. Velen stonden krijschend
met elkander te praten; anderen zaten, met haar handen op haar knieën,
op oude stoelen en bleven, zonder iets te doen, urenlang in dezelfde
houding zitten. Mannen zag men maar heel weinig. Slechts enkelen
lagen op hun buik zwaar tusschen het rossige gras in de zon te slapen.
Maar vooral de geur was vreeselijk, een geur van vuile ellende;
het menschelijke vee leefde daar in zijn drek en die stank werd nog
erger door de uitwasemingen van een klein marktje, dat zij moesten
oversteken: bedorven vruchten, gekookte, zure groenten, reeds den
vorigen dag in gestolten en ranzig vet gebraden spijzen, die arme
koopvrouwen van den grond af verkochten, terwijl een troep hongerige
kinderen gulzig toekeek.
"Kort en goed, ik weet het niet meer," zeide de prins tot zijn
nicht. "Wees verstandig, we hebben er nu genoeg van gezien; laten we
naar het rijtuig teruggaan."
Inderdaad leed hij, en zooals Benedetta zelf gezegd had, hij kon niet
lijden. Het scheen hem een monsterachtige misdaad toe zijn leven door
een dergelijke wandeling somber te maken. Het leven was gemaakt, om
het licht en prettig in de volle zon te leven. Men moest het alleen
door mooie schouwspelen, gezang en dans opvroolijken. En in zijn naïef
egoïsme had hij een waren afschuw van het leelijke, van de armoede,
van het lijden, zoodat het zien alleen ervan hem reeds een onbehagelijk
gevoel, een soort lichamelijke en moreele uitputting gaf.
Maar Benedetta, die evenals hij huiverde, wilde tegenover Pierre dapper
zijn. Zij keek hem aan en daar zij zag hoe geïnteresseerd hij was,
welk een hartstochtelijk medelijden zich van hem meester gemaakt had,
wilde zij haar poging om deelneming met de armen en ongelukkigen te
toonen, niet opgeven.
"Neen, neen, we moeten blijven, beste Dario... De heeren willen alles
zien, niet waar?"
"Ja, het tegenwoordige Rome ligt hier," zeide Pierre. "Dit hier zegt
meer dan alle klassieke wandelingen door ruïnes en monumenten."
"Nu overdrijft ge, mijn waarde," zeide Narcisse op zijn beurt. "Maar
ik stem toe, dat het interessant, zeer interessant is... Vooral de
oude vrouwen zijn prachtig, vol uitdrukking..."
Op dat oogenblik kon Benedetta, die een buitengewoon mooi jong meisje
voor zich zag, een kreet van gelukkige bewondering niet onderdrukken.
"O che bellezza!" [17]
Dario, die haar herkend had, riep met dezelfde verrukte uitdrukking
uit:
"O, dat is Pierina... Zij zal ons den weg wijzen."
Het kind liep de groep reeds een oogenblik na, zonder echter
dichterbij te durven komen. Haar blikken, die straalden van de
vreugde van een verliefde slavin, hadden zich vurig op den prins
gericht; dan nam zij de contessina op, doch zonder eenigen haat,
met een soort teedere onderworpenheid, een soort berustend geluk,
dat ook zij heel mooi was. En zij was in waarheid zooals de prins
haar afgeschilderd had: groot, sterk, met een godinnenhals, een echte
antieke, een twintigjarige Juno met een ietwat te krachtige kin, een
zeldzaam regelmatigen mond en neus, groote koeoogen en een stralend,
als door de zon verguld gelaat onder een kroon van zware, zwarte haren.
"Wil jij ons den weg wijzen?" vroeg Benedetta vertrouwlijk glimlachend,
reeds getroost over het vele leelijke bij het denkbeeld, dat er
dergelijke wezens konden bestaan.
"Ja zeker, mevrouw, ja zeker, dadelijk!"
Zij liep voor hen uit met haar groote schoenen zonder gaten en in een
oude bruinwollen japon, die zij blijkbaar kort geleden had gewasschen
en gestopt. Men merkte aan alles, dat zij eenigszins coquet, dat zij
op reinheid gesteld was, wat van de anderen niet gezegd kon worden,
indien tenminste niet alleen haar groote schoonheid uit haar armzalige
kleederen straalde en een godin van haar maakte.
"Che bellezza! che bellezza!" werd de contessina niet moede uit te
roepen. "Het is werkelijk een genot, dat meisje aan te kijken."
"Ik wist wel, dat zij in je smaak vallen zou," antwoordde hij
eenvoudig, gevleid over zijn vondst; hij sprak niet meer over heengaan,
nu hij eindelijk zijn oogen kon laten rusten op iets, dat mooi was
om te zien.
Achter hen kwam Pierre, eveneens verrukt, wien Narcisse, in wiens smaak
het zeldzame en gekunstelde slechts viel, zijn bezwaren mededeelde.
"Zeker, zeker, zij is mooi... Maar in den grond der zaak is er niets
plompers en zielloozers dan dit Romeinsche type... Achter haar huid
is niets dan bloed, niets bovenaardsch."
Maar Pierina was blijven staan en wees met een handbeweging op haar
moeder, die voor de hooge deur van een onafgebouwd paleis op een half
kapotte kist zat. Ook zij moest heel mooi geweest zijn, doch nu op haar
veertigste jaar reeds was zij vervallen; haar oogen waren uitgedoofd
door de ellende, haar mond met de zwarte tanden misvormd, haar gezicht
doorploegd met diepe, slappe rimpels, haar boezem buitengewoon groot en
afhangend. Bovendien was zij akelig-smerig; haar grijzende, ongekamde
haren fladderden in verwarde lokken, haar rok en jak zaten vol vlekken
en lieten het vuil op haar ledematen zien. Met haar beide handen hield
zij een slapenden zuigeling, haar jongste kind, op haar knieën. Zij
keek het wicht als terneergeslagen en moedeloos aan met de uitdrukking
van een in zijn lot berustend lastdier, als een moeder, die kinderen
op de wereld gebracht en gevoed heeft, zonder te weten waarom.
"Ja, ja!" zeide zij opkijkend; "dat is de mijnheer, die me een daalder
is komen brengen, omdat hij je huilend aangetroffen had. En nu komt
hij met zijn vrienden nog eens naar ons kijken. Ja, ja, er zijn toch
nog goede zielen."
Toen vertelde zij haar geschiedenis; maar onverschillig, zonder zelfs
te trachten hun medelijden op te wekken. Zij heette Giacinta en was
getrouwd met een metselaar, Tommaso Gozzo, bij wien zij zeven kinderen
gehad had, Pierina, dan Tito, een grooten jongen van achttien jaar,
en nog vier meisjes telkens na twee jaar, en nu eindelijk dit kind,
een jongen. Heel lang hadden zij in dezelfde woning in Trastevere
gewoond, een oud huis, dat echter gesloopt was. En het scheen, dat men
tezelfdertijd hun bestaan gesloopt had, want sedert zij hun toevlucht
gezocht hadden in de Prati del Castello, trof hen de eene ramp na de
andere, de vreeselijke crisis in de bouwvakken, die Tommaso en haar
zoon Tito werkeloos gemaakt had, de sluiting van de wasparelenfabriek,
waar Pierina tenminste nog twintig centesimi verdiende, zoodat zij
niet van honger behoefden om te komen. Maar nu werkte niemand, leefde
de heele familie van het toeval.
"Als u soms liever naar boven wilt? Daar zult u Tommaso vinden met
zijn broer Ambrogio, dien we bij ons genomen hebben; zij zullen beter
met u kunnen praten en alles vertellen, wat gezegd moet worden... Wat
zal ik u zeggen? Tommaso rust uit net als Tito, hij slaapt, omdat
hij toch niets beters te doen heeft."
Met haar hand wees zij naar een jongen, flinken kerel met een
grooten neus, een harden mond en dezelfde mooie oogen als Pierina,
die languit in het dorre gras lag. Al die menschen niet vertrouwend,
had hij even opgekeken. Een toornige plooi kwam op zijn voorhoofd,
toen hij merkte met welk een verrukten blik zijn zuster naar den
prins keek. Hij liet zijn hoofd weer achterover vallen, doch sloot
zijn oogleden niet, maar loerde eronder door naar hen.
"Pierina, wijs jij mevrouw en den heeren den weg eens."
Enkele andere vrouwen, wier naakte voeten in afgeloopen pantoffels
staken, waren dichterbij gekomen; troepen kinderen, halfgekleede
meisjes, waarbij ongetwijfeld de vier van Giacinta waren, wriemelden
om haar heen. Allen geleken met haar zwarte oogen onder de verwarde
kroesharen zoo op elkaar, dat alleen de moeders ze onderscheiden
konden; het was als een opschieten, als een kampeeren der ellende
in de volle zon midden in deze majestueuse ongeluksstraat, die door
onvoltooide en reeds in puin vallende paleizen omzoomd werd.
"Neen, ga niet mee naar boven," zeide Benedetta zacht en met een
glimlachende teederheid tegen haar neef; "ik wil je dood niet, beste
Dario. Het is al heel lief van je, dat je tot hier meegegaan bent. Nu
mijnheer de abbé en mijnheer Habert met me medegaan, kan je best hier
buiten in de heerlijke zon wachten."
Ook hij begon te lachen en gaf gaarne gevolg aan haar wensch; hij
stak een sigaret aan en ging met kleine pasjes op en neer loopen.
Pierina was vlak onder de groote portiek doorgegaan. Deze had een hoog,
met rosetvormige vakken versierd gewelf; maar in de vestibule bedekte
een echte mestvaalt de marmeren tegels, die men reeds was begonnen
te leggen. Dan kwam de monumenteele steenen trap met de gescheurde
en gebeeldhouwde leuning; de treden waren reeds gebroken en met zulk
een dikke laag vuil bedekt, dat zij wel zwart geleken. Overal hadden
handen vettige sporen achtergelaten.
Op het groote portaal van de tweede verdieping bleef Pierina staan
en riep door de opening van een groote, openstaande deur zonder lijst
of vleugels:
"Vader, een dame en twee heeren willen u spreken."
En zich dan tot de contessina wendend:
"Heelemaal achteraan, in de derde kamer!"
En zij maakte zich uit de voeten, liep veel vlugger de trap af dan
zij hem opgegaan was; zij wilde Dario weer zien.
Benedetta en de twee heeren liepen twee zeer groote kamers door; de
grond vertoonde heuveltjes van afgevallen kalk, de ramen stonden wijd
open. Eindelijk kwamen zij in een kleineren salon, waar de geheele
familie Gozzo, met wat zij nog aan meubelen over had, huisde. Op den
grond lagen op de onbedekt gebleven ijzeren dwarsbalken vijf of zes
vuile, door zweet verteerde stroozakken. Een lange, nog goede tafel
stond in het midden, evenals een paar oude, met touwen vastgebonden
stoelen, waaruit echter de stroozittingen verdwenen waren. Maar het
zwaarste werk was toch geweest twee van de drie ramen met planken
dicht te spijkeren, terwijl het derde en de deur gesloten waren met
oud, vuil linnen vol gaten.
Tommaso, de metselaar, scheen verbaasd, blijkbaar was hij dergelijke
liefdadigheidsbezoeken niet gewend. Hij zat met zijn beide ellebogen
en zijn kin tusschen zijn handen aan de tafel uit te rusten,
zooals zijn vrouw Giacinta gezegd had. Het was een flinke kerel
van een vijf-en-veertig jaar met een zwaren haar- en baardgroei,
een groot, lang gezicht en, ondanks zijn niets doen, de waardigheid
van een Romeinsch edelman. Bij het zien van de twee heeren, in wie
hij onmiddellijk vreemdelingen rook, stond hij met een plotselingen
aanval van wantrouwen op. Maar zoodra hij Benedetta herkende, begon
hij te glimlachen; en toen zij hem het doel van haar komst vertelde
en zeide, dat Dario beneden gebleven was, viel hij haar in de rede:
"Ik weet het, ik weet het, contessina... Ik weet heel goed, wie u bent,
want ik heb, toen mijn vader nog leefde, in den palazzo Boccanera
eens een raam dichtgespijkerd."
Dan liet hij zich gewillig uitvragen. Aan Pierre, die verbaasd
luisterde, antwoordde hij, dat er wel geen geluk heerschte, maar
dat zij toch zouden hebben kunnen leven, wanneer ze maar twee dagen
per week konden werken. Het was heel goed aan hem te merken, dat
hij heel graag de buikriem toehaalde, als hij maar op zijn gemak
leven kon. Het was weer precies de geschiedenis van den slotenmaker,
die, toen een reiziger hem liet roepen om het slot van een koffer te
openen, waarvan de sleutel was weggeraakt, absoluut weigerde in zijn
siësta-uurtje te komen. Daar er zooveel ledige paleizen voor de armen
openstonden, behoefde men geen huur meer te betalen, en ze waren zoo
gauw tevreden en stelden zulke lage eischen, dat enkele centisimi
voor voedsel voldoende geweest zouden zijn.
"Ja, mijnheer, onder den paus ging alles beter... Mijn vader, die
evenals ik, metselaar was, heeft zijn geheele leven in het Vaticaan
gewerkt: trouwens, wanneer ik tegenwoordig nog werk heb, is het altijd
daar... Ziet u eens, wij zijn allemaal verwend door die tien jaar, dat
er zooveel werk was, dat je niet van den ladder kwam en verdiende wat
je wilde. Natuurlijk kon je beter eten, je beter kleeden en behoefde
je je geen pleiziertje te ontzeggen, en daarom is het des te harder
dat nu wel te moeten doen... Maar als u ons onder den paus eens hadt
kunnen zien! Geen belastingen, alles voor niets, je behoefde alleen
maar te leven!"
Op dat oogenblik klonk van een der stroozakken in de schaduw der
dichtgespijkerde ramen, een gebrom.
"Dat is mijn broer Ambrogio," ging de metselaar op zijn gelaten,
kalmen toon voort, "hij is het niet met me eens... In '49, toen hij
veertien was, heeft hij met de republikeinen medegedaan... Maar dat
hindert niets, we hebben hem toch bij ons genomen, toen we hoorden,
dat hij van honger en ellende in een kelder omkwam."
De bezoekers doorhuiverde een rilling van medelijden. Ambrogio
was vijftien jaar ouder dan zijn broeder en, hoewel hij nauwlijks
zestig was, nog slechts een ruïne: hij werd door koorts verteerd en
zijn beenen waren zóó mager, dat hij zijn dagen op zijn stroomatras
doorbracht, zonder ooit uit te gaan. Hij was kleiner, magerder en
drukker dan zijn broeder en vroeger schrijnwerker geweest. Maar
ondanks zijn lichamelijk verval had hij nog een zeer helder hoofd,
het edele en tragische gelaat van een apostel en een martelaar.
"De paus, de paus," bromde hij, "ik heb nooit iets kwaads gezegd
van den paus, maar het is toch zijn schuld, dat de tyrannie blijft
voortduren. Hij alleen had ons in '49 de republiek kunnen geven, en
dan zou het met ons niet zoo gesteld zijn, zooals het nu het geval is."
Hij had Mazzini gekend en koesterde nog steeds diens onbestemd
ideaal van een republikeinschen paus, die vrijheid en broederschap op
aarde zou doen heerschen. Maar later verwarde zijn hartstocht voor
Garibaldi dit begrip; van af dat oogenblik hield hij het pausdom
voor onwaardig en niet in staat om te werken aan de bevrijding der
menschheid, zoodat hij zweefde tusschen het droombeeld van zijn jeugd
en zijn harde levenservaring. Verder had hij altijd gehandeld onder
den invloed van een heftige emotie en bleef het bij mooie woorden,
bij vage, onbestemde verlangens.
"Ambrogio," begon Tommaso, nog altijd even kalm, weer; "de paus is
de paus, en wie verstandig is, kiest zijn partij, omdat hij altijd
de paus zijn zal, dat wil zeggen de sterkste. Als we morgen stemmen
moesten, zou ik voor hem stemmen."
De oude werkman haastte zich niet met een antwoord. De bedachtzame
voorzichtigheid van zijn ras had hem kalm gemaakt.
"Ik zou tegen hem stemmen, Tommaso, altijd tegen hem... En je weet heel
goed, dat wij altijd de meerderheid zouden hebben. Met den paus-koning
is het uit. De Borgo zelf zou daartegen in opstand komen... Maar dat
wil niet zeggen, dat we ons niet met hem verstaan moeten, opdat de
godsdienst van iedereen gerespecteerd wordt."
Vol belangstelling luisterde Pierre. Hij waagde het een vraag te
stellen.
"En zijn er in Rome veel socialisten onder het volk?"
Ditmaal liet het antwoord zich nog langer wachten.
"Socialisten, mijnheer de abbé, ja zeker, enkelen, maar lang
zooveel niet als in andere steden... Dat zijn nieuwigheden,
waarbij de ongeduldigen zich aansluiten zonder er heel veel van te
begrijpen... Wij, ouderen, waren voor de vrijheid, wij zijn niet voor
brandstichten en moorden."
Waarschijnlijk was hij bang in tegenwoordigheid van die dame en die
heeren te veel te zeggen, want hij begon te steunen, terwijl hij
zich op zijn matras uitstrekte. Intusschen maakte de contessina,
die last begon te krijgen van den stank, aanstalten om weg te gaan,
na den priester gewaarschuwd te hebben, dat het beter zou zijn hun
aalmoes beneden aan de vrouw te geven.
Reeds was Tommaso weer met zijn kin tusschen zijn handen aan de tafel
gaan zitten en groette zijn gasten zonder zich om hun weggaan meer
te bekommeren dan om hun komen.
"Tot ziens! Het was mij een groot genoegen u van dienst te kunnen
zijn!"
Maar op den drempel kon Narcisse zijn geestdrift niet meer
bedwingen. Hij keerde zich om, om nog eens den kop van den ouden
Ambrogio te bewonderen.
"Mijn waarde abbé, wat een meesterwerk! Dat is heerlijk, dat
is schoon! Hoeveel minder banaal is dat dan het gezicht van dat
meisje... Hier ben ik er zeker van, dat een geslachtelijke valstrik
mij niet in een onreine verleiding brengt. Ik geraak om lage redenen
niet in verrukking... En bovendien, welk een oneindigheid is er
in die rimpels, welk een mysterie in die diepe oogen, welk een
geheimzinnigheid in die stoppelige haren en baard! Zoo stel je je
een profeet, God den Vader voor!"
Beneden zat Giacinta nog met haar zuigeling op de half kapotte kist;
eenige passen verder stond Pierina voor Dario en keek met een verrukt
gezicht, hoe hij zijn sigaret oprookte, terwijl Tito nog als een dier
in het gras op den loer lag en hen geen oogenblik uit het oog verloor.
"O, mevrouw," begon Giacinta met haar berustende en temende stem;
"nu hebt u het zelf gezien, het is bijna niet bewoonbaar! Het eenige
goede ervan is, dat je er werkelijk wat ruimte hebt. Maar aan den
anderen kant tocht het er altijd zóó, dat je er ieder oogenblik van
den dag een doodelijke kou kan vatten. En dan ben ik altijd bang voor
de kinderen met het oog op de gaten."
Zij deed het verhaal van een vrouw, die, toen zij op het portaal
wilde gaan, een raam voor een deur aangezien had, op straat gevallen
en onmiddellijk dood was. Een meisje had haar armen gebroken door van
een trap te vallen, die geen leuning had. Bovendien zou je er kunnen
sterven, zonder dat iemand het wist of op het denkbeeld komen zou je
op te rapen. Den vorigen dag nog had men achter in een afgelegen kamer
het lijk van een ouden man gevonden, die minstens een week geleden
van honger gestorven moest zijn; hij zou er zeker nog langer blijven
zijn liggen, als de vreeselijke stank den buren zijn aanwezigheid
niet verraden had.
"En als je nu nog maar te eten hadt!" ging Giacinta voort. "Maar
wanneer je niet eet en je een kind voeden moet, dan heb je geen
melk. De kleine zuigt je gewoon je bloed uit je lichaam! Hij wordt
boos, wil wat hebben--och, en dan begin ik te huilen, want het is
mijn schuld niet, dat er niets is."
Inderdaad waren er tranen in haar oogen gekomen. Maar een plotselinge
woede maakte zich van haar meester, toen zij merkte, dat Tito nog
steeds als een beest in het zonnetje lag, wat zij al heel onbeleefd
vond voor die hooge dame en heeren, die haar zeker een aalmoes
zouden geven.
"Hei, Tito, luilak, kan je niet opstaan, wanneer er menschen zijn?"
Hij hield zich eerst doof, maar stond toch eindelijk kwaadgehumeurd
op. Pierre, die belang stelde in den jongen, trachtte hem aan het
praten te krijgen, zooals hem dat boven met den vader en den oom
gelukt was. Doch hij kreeg slechts korte, wantrouwende, gemelijke
antwoorden uit hem. Als je geen werk hadt, was slapen het eenige, dat
er overbleef. Met kwaad worden veranderde je de dingen toch niet. Het
beste was te leven zoo goed en zoo kwaad als het ging, zonder het
je moeilijk te maken. Wat de socialisten betreft, ja misschien
waren er enkelen, maar hij kende ze niet. En uit zijn indolente,
onverschillige houding bleek heel duidelijk, dat, ook al mocht de
vader voor den paus en de oom voor de republiek zijn, hij, de zoon,
voor niets was. Pierre voelde daarin het einde van een volk of liever
gezegd den slaap van een volk, waarin nog geen democratie ontwaakt was.
Maar toen de priester door bleef vragen, hoe oud hij was, op welke
school hij geweest was, in welke wijk hij geboren was, viel Tito,
terwijl hij met zijn vinger op zijn borst wees, hem met een ernstige
stem in de rede:
"Io son Romano di Roma!"
Inderdaad, was dat niet het antwoord op alles? "Ik ben een Romein uit
Rome!" Pierre glimlachte droevig en zweeg. Nooit had hij beter den
hoogmoed van het ras, het oeroude, zoo zwaar op de schouders drukkende
erfdeel van den roem gevoeld. In dezen gedegenereerden jongen, die
nauwlijks lezen of schrijven kon, herleefde de onbeperkte ijdelheid
der Caesars. Deze hongerlijder kende de stad, zou instinctmatig de
mooiste bladzijden uit haar geschiedenis kunnen vertellen. Hij was
vertrouwd met de namen der groote keizers en groote pausen. Waarom
te werken, nadat men de meester der wereld geweest was? Waarom zou
men in de mooiste stad, onder den mooisten hemel, niet in voornaam
nietsdoen leven?
"Io son Romano di Roma!"
Benedetta had haar aalmoes in de hand der moeder laten glijden en
Pierre en Narcisse, die haar voorbeeld volgden, deden hetzelfde,
toen Dario, die Pierina niet wilde vergeten, maar haar toch geen
geld durfde geven, op een aardig denkbeeld kwam. Hij bracht zacht
zijn vingers aan zijn lippen en zeide met een vriendelijk lachje:
"Voor de schoonheid!"
Dit kushandje, dat eenigszins ermede spottende lachje, deze zoo
vertrouwlijke prins, dien de zwijgende vereering van de mooie
parelwerkster als in een liefdesgeschiedenis uit vroeger tijden trof,
dat alles had werkelijk iets bekorends en liefs.
Pierina kreeg een kleur van blijdschap; zij raakte heelemaal haar hoofd
kwijt, nam plotseling de hand van Dario, drukte er haar warme lippen
op in een onberedeneerde opwelling, waarin zoowel groote dankbaarheid
als verliefde teederheid lag. Maar de oogen van Tito fonkelden van
woede; hij greep zijn zuster ruw bij haar rok en stiet haar met zijn
vuist op zijde, terwijl hij dreigend bromde:
"Pas op hoor, ik vermoord jou en hem ook!"
Het werd hoog tijd, om weg te gaan, want ook andere vrouwen, die het
geld blijkbaar geroken hadden, kwamen naderbij, staken haar hand uit
en lieten haar huilende kinderen zien. Een groote opwinding had zich
van de ellendige wijk met haar groote verwaarloosde gebouwen meester
gemaakt, een noodkreet rees op uit de doode straten met de op marmeren
bordjes prijkende namen. Wat te doen? Ze konden toch niet aan allen
geven. Er bleef niet anders over dan weg te vluchten.
Toen Benedetta en Dario weer bij haar rijtuig waren, stapten zij
vlug in en drukten zich, blij aan deze nachtmerrie ontsnapt te zijn,
dicht tegen elkaar. Toch streelde het haar eigenliefde, dat zij zich in
tegenwoordigheid van Pierre dapper gehouden had, en drukte hem de hand
als een dappere leerling, toen Narcisse gezegd had, dat hij met den
priester wilde gaan dejeuneeren in het kleine restaurant op de piazza
S. Pietro, vanwaar men zoo'n interessant gezicht op het Vaticaan had.
"Drinkt een glas witten Genzano," riep Dario, die zijn oude
vroolijkheid weer teruggekregen had, hun na. "Er bestaat niets beters
om zwartgallige ideeën te verjagen."
Maar Pierre was onverzadigbaar, wilde meer bijzonderheden
weten. Onderweg vroeg hij Narcisse naar het volk van Rome, naar
zijn leven, zijn zeden en gewoonten. Het onderwijs beteekende zoo
goed als niets. Industrie en handel was er bijna niet te vinden. De
mannen oefenden de enkele nog bestaande handwerken uit, terwijl
het voortgebrachte alleen maar in Rome zelf verkocht werd. Onder
de vrouwen waren enkele parelwerksters en borduursters, terwijl
religieuze artikelen, medailles en rozenkransen, en het vervaardigen
van lokale snuisterijen altijd een zeker aantal menschen van werk
voorzagen. Maar zoodra de vrouw trouwde en moeder werd van een als
door een wonder opschietende kinderzwerm werkte zij niet meer. In het
kort gezegd, de bevolking leefde, zoo goed en zoo kwaad als het ging,
werkte juist genoeg om te eten, was tevreden met groenten, pap en
een beetje schapenvleesch, kwam niet in opstand, was zonder eenige
eerzucht voor de toekomst, zorgde slechts voor den dag van heden. De
twee eenige ondeugden waren het spel en de roode en witte wijn van
de Romeinsche Castelli, wijnen, die tot moord en doodslag aanzetten,
wijnen, die op avonden van feestdagen na het sluitingsuur der kroegen
de straten vulden met reutelende, met messteken doorboorde mannen. De
meisjes waren over het algemeen zeer fatsoenlijk; zij, die zich voor
het huwelijk aan een man overgaven, waren te tellen. Dat vond vooral
zijn oorzaak in het feit, dat de familieband zeer sterk was en het
vaderlijk gezag nog onbeperkt heerschte.
De broers waakten over de eer van haar zusters, zooals Tito,
hoewel hij zoo ruw tegenover Pierina was, over haar waakte met een
woeste zorg, en dat niet om de een of andere geheime ijverzucht,
maar voor den goeden naam en de eer der familie. En toch heerschte
er geen werkelijke godsdienstigheid, maar wel een zeer kinderlijke
afgoderij: aller harten gingen uit tot Maria en de heiligen; dezen
alleen bestonden, tot hen alleen werd gebeden met achterstelling van
God, aan wien het niemand inviel te denken.
Uit dit alles was het stilstaan van het lagere Romeinsche volk zeer
goed te verklaren. Eeuwen van aangemoedigd niets doen, gestreelde
ijdelheid en verweekelijkt leven lagen achter hen. Wanneer zij geen
metselaars, schrijnwerkers of bakkers waren, dan waren zij bedienden;
zij dienden bij priesters en waren daardoor min of meer aan den invloed
van het Vaticaan onderworpen. Vandaar twee streng gescheiden partijen:
de vroegere carbonari, de latere Mazzinianen en Garibaldianen, die
ongetwijfeld de meerderheid en de elite van Trastevere vormden; en de
aanhangers van het Vaticaan, al degenen, die van de Kerk leefden en
naar den paus-koning terug verlangden. Maar aan beide kanten bleef het
altijd bij denkbeelden, waarover men sprak, zonder dat ooit de gedachte
opkwam, zich eens voor het een of ander in te spannen, zich bloot te
stellen aan een gevaar. Er zou een zeer sterke hartstocht voor noodig
geweest zijn, om het koele verstand van het ras weg te vagen en hen
tot den een of anderen waanzin te brengen. Waartoe ook? De ellende
duurde al zooveel eeuwen, de hemel was zoo blauw, de siësta tijdens
de warmste uren was meer waard dan al het overige. Slechts een ding
scheen erbij gekomen te zijn, een fond van vaderlandsliefde.
De meerderheid was beslist voor Rome als hoofdstad, voor dezen
heroverden roem, zelfs in dien mate, dat er in de Leostad bijna
een oproer uitgebroken was, toen er sprake was van een accoord
tusschen Italië en den paus, dat als grondslag het herstel van de
wereldlijke macht over die stad had. Dat de ellende toch grooter
scheen geworden te zijn en de Romeinsche werkman meer klaagde, vond
zijn oorzaak hierin, dat hij in werkelijkheid niets gewonnen had
bij de reusachtige werken, die de laatste vijftien jaar in zijn stad
waren uitgevoerd. In de eerste plaats hadden veertig duizend arbeiders
Rome overstroomd, arbeiders, die voor het grootste gedeelte uit het
Noorden gekomen waren, voor minder loon werkten, moediger waren en
meer weerstandsvermogen bezaten. In de tweede plaats had hij, toen
hij zelf zijn deel in het werk kreeg, beter geleefd, zonder echter
iets op zijde te leggen, zoodat, toen de crisis uitgebroken was en
men de veertig duizend arbeiders weer naar hun provincies had moeten
terugzenden, hij weer in dezelfde positie verkeerde als vroeger: in een
doode stad, waarin alle werkplaatsen ledig stonden en voorloopig geen
kans op werk was. Aldus viel hij weer terug tot zijn oude indolentie,
in den grond der zaak blij, dat hij niet door al te veel werk geplaagd
werd, en ging weer zoo goed mogelijk samenwonen met zijn oude liefde,
de ellende--zonder een cent, maar als een groote mijnheer.
Vooral werd Pierre getroffen door het groote verschil in karakter
tusschen de ellende te Parijs en die te Rome. Ongetwijfeld was hier
de ontbering nog grooter, het voedsel nog vuiler, de smerigheid nog
afstootender. Maar hoe kwam het dan, dat deze verschrikkelijk-arme
menschen meer echte vroolijkheid bezaten, hun leed opgewekter
droegen? Wanneer hij zich een winter te Parijs, de krotten, die hij
zoo dikwijls bezocht had, waarin de sneeuw binnendwarrelde en heele
families zonder vuur of brood zaten te rillen, voor den geest riep,
dan werd zijn hart aangegrepen door een medelijden, dat hij in de
Prati del Castello lang niet zoo levendig gevoeld had. Nu eindelijk
begreep hij het: de ellende te Rome was een ellende, die geen koude
leed. Welk een heerlijke en eeuwige troost was die altijd warme zon,
die weldoende hemel, die uit medelijden met die ongelukkigen, steeds
blauw bleef. Wat beteekende een krot van een verblijf, wanneer men
buiten kon slapen en zich laten liefkoozen door de zoele winden? Wat
beteekende zelfs honger, wanneer het huishouden in zonnige straten,
in het droge gras op het geluk van het toeval wachten kon? Het klimaat
maakte de menschen sober: er waren geen nevels, die men met alcohol
trachtte te overwinnen. Het goddelijke nietsdoen vermeide zich in
de gulden avonden, de armoede werd in deze heerlijke lucht, waarin
het enkele levensgeluk voor het schepsel voldoende scheen te zijn,
een vrij genot.
Te Napels, vertelde Narcisse, leefde in de nauwe, stinkende, met te
drogen hangend waschgoed gepavoiseerde straten aan de haven en in
Santa Lucia de bevolking heelemaal buiten. De vrouwen en de kinderen,
die niet beneden op straat waren, leefden op lichte houten balcons,
die voor alle ramen aangebracht waren. Hier werd genaaid, gezongen,
gewasschen. Maar de straat was eigenlijk de gemeenschappelijke
woonkamer; hier trokken de mannen hun broeken aan, reinigden
halfnaakte vrouwen haar kinderen van ongedierte en kamden zichzelf;
hier was voor het hongerige volk de tafel altijd gedekt. Op kleine
tafeltjes, op wagens werd een doorloopende markt gehouden van goedkoope
eetwaren, te rijpe granaatappels en watermeloenen, gekookte knoedels,
afgekookte groenten, gebakken visch, mosselen, alle heelemaal klaar
en gereed, zoodat men altijd in de open lucht kon eten, zonder ooit
vuur behoeven aan te maken. En wat voor een wriemelende menigte! De
vrouwen gesticuleerden aan één stuk door, de vaders zaten in een
lange rij langs de trottoirs, kinderen renden heen en weer te midden
van een oorverdoovend lawaai, geschreeuw, gezang, muziek. Ruwe
stemmen barstten in luid gelach uit, bruine, niet mooie gezichten
hadden prachtige oogen, die onder het inktzwarte, verwarde haar van
levensvreugde schitterden. O, arm, vroolijk, kinderlijk, onwetend volk,
welks eenige wensch zich tot de enkele centesimi bepaalde, die noodig
waren, om op deze eeuwigdurende markt zijn honger te stillen!
Zeker, nog nooit was een democratie zich minder zichzelf bewust
geweest. Waar zij, zooals men zeide, terugverlangden naar de oude
monarchie, onder welke hun rechten op dit leven van zorgelooze armoede
beter verzekerd schenen te zijn, moest men zich wel afvragen, of het
noodzakelijk was zich om hunnentwil zooveel moeite te geven, voor hen,
tegen hun zin, meer kennis en bewustzijn, meer welvaart en waardigheid
te veroveren. Toch steeg in Pierre's hart bij deze vroolijkheid van
hongerlijders, die door de bedwelming van de zon in het leven geroepen
werd, een eindelooze droefheid op. Ja de mooie hemel, niets dan de
mooie hemel bewerkte deze langdurige jeugd van dat volk, verklaarde,
waarom de democratie niet vlugger ontwaakte. O, zeker, de armen van
Rome en Napels leden gebrek aan alles; maar in hun hart bleef niet
de wrok, dat zij van koude gerild hadden, terwijl de rijken zich
warmden voor groote vuren; zij kenden niet de woeste droomen in de
door sneeuw koude krotten voor een dun stukje kaars, dat dadelijk
uitgebrand zou zijn; zij kenden niet den dan opvlammenden drang,
om zichzelf gerechtigheid te verschaffen, kenden niet den plicht
van opstand, om vrouw en kinderen van de tering te redden, om zelf
ook een warm nestje te hebben, waarin leven mogelijk was. Ja, de
ellende, die koude lijdt, is het toppunt, neen het exces van sociale
onrechtvaardigheid, de vreeselijke school, waarin de arme zijn lijden
leert kennen, ertegen in opstand komt en zweert er een einde aan te
zullen maken, ook al moet de oude wereld daardoor ten gronde gaan!
En in dezen milden hemel vond Pierre ook een verklaring voor
den Heiligen Franciscus van Assisi, dien goddelijken bedelaar
uit liefde, die langs de wegen trok en de heerlijke bekoring der
armoede bezong. Hij was ongetwijfeld een onbewust revolutionnair
en protesteerde, door dezen terugkeer tot de liefde voor de armen,
tot den eenvoud van de oorspronkelijke Kerk, op zijn wijze tegen
de overmatige weelde van het Romeinsche Hof. Maar nooit zou zulk
een ontwaken van onschuld en matigheid kunnen plaats hebben in een
Noordelijk land, dat verstart onder de December-vorsten. Daarvoor is de
betoovering der natuur, de matigheid van een door de zon gevoed volk,
de door de lauwe wegen steeds gezegende bedelarij noodig. Slechts op
die wijze had hij tot volkomen zelfvergetelheid en zelfverloochening
kunnen komen. En toen drong zich een eerst onoplosbaar schijnende
vraag aan hem op: hoe had een Heilige Franciscus, een ziel, die alle
schepselen, de dieren en de dingen, met een zoo vurige broederliefde
liefhad, eens kunnen ontstaan op deze aarde, die tegenwoordig zoo
liefdeloos, zoo hard voor de armen is, haar mindere volk veracht en
niet eens haar paus haar aalmoes geeft? Had de oude hoogmoed de harten
uitgedroogd of leidde de ervaring van zeer oude volkeren ten slotte
tot egoïsme, dat de ziel van Italië ingesluimerd scheen te zijn in
haar dogmatisch en pronkzuchtig Katholicisme, terwijl de terugkeer
tot het Evangelische ideaal, de liefde tot de armen en ongelukkigen,
in onze dagen ontwaakte in de sombere vlakten van het Noorden, onder
de van zon beroofde volkeren? Dat alles werkte samen, maar vooral
was het de reden, waarom de Heilige Franciscus, nadat hij zijn dame,
de Armoede, zoo vroolijk getrouwd had, haar blootsvoets en nauwlijks
gekleed in de heerlijke lente kon leiden te midden van bevolkingen,
waarin toen een vurige behoefte aan medelijden en liefde brandde.
Al pratende waren Pierre en Narcisse op het plein voor de St. Pieter
gekomen. Zij gingen zitten voor de deur van het restaurant, waarin
zij reeds eenmaal gedejeuneerd hadden, aan een der kleine tafeltjes,
die met haar smoezelig linnengoed langs het trottoir stonden. Maar
het uitzicht was prachtig: tegenover hen de basilica, rechts boven de
majestueuze zuilengaanderij het Vaticaan. Dadelijk had Pierre opgekeken
naar het Vaticaan, dat hem als het ware niet losliet, vooral naar die
tweede verdieping met de altijd gesloten ramen, waar de paus woonde,
waar nooit iets levends te zien was. Toen de kellner de hors-d'oeuvre,
finocchi en ansjovis bracht, gaf de priester een klein gilletje,
om de aandacht van Narcisse te trekken.
"Kijk toch eens, waarde vriend... Daar aan het raam, dat, naar men
zegt, dat van den Heiligen Vader is... Ziet u daar niet een witte,
onbeweeglijke gestalte staan?"
De jonge man begon te lachen.
"Dat moet de Heilige Vader in eigen persoon zijn, u verlangt zoo zeer
hem te zien, dat uw wensch hem als het ware bezweert."
"Maar ik verzeker u," zei de Pierre nogmaals, "dat erachter de ramen
een witte gestalte staat, die naar ons kijkt."
Narcisse, die trek had, at, maar bleef onder het eten door
schertsen. Dan plotseling ernstig:
"Daar de paus naar ons kijkt, is het het geschikte oogenblik, om nog
eens over hem te praten... Ik heb u beloofd u te zullen vertellen hoe
hij de millioenen van het erfdeel van den Heiligen Petrus verloren
heeft in die verschrikkelijke financieele catastrophe, waarvan u de
puinhoopen zooeven gezien hebt, en een bezoek aan de nieuwe wijk in
de Prati del Castello zou niet volledig zijn, als het niet besloten
werd met dat verhaal."
En zonder zich iets van het dejeuner te laten ontgaan, vertelde hij
de lange geschiedenis. Bij den dood van Pius IX bedroeg het erfgoed
van den Heiligen Petrus meer dan twintig millioen. Lang had kardinaal
Antonelli, die speculeerde en over het algemeen goede zaken maakte,
dat geld gedeeltelijk bij Rothschild en gedeeltelijk in de handen van
sommige nuntii gelaten, die in opdracht hadden het in het buitenland
goed te beleggen. Maar na den dood van kardinaal Antonelli vroeg
zijn opvolger, kardinaal Simeoni, het geld aan de nuntii terug,
om het in Rome te plaatsen. In dien tijd, onmiddellijk na zijn
troonsbestijging, riep Leo XIII met het doel het erfgoed te besturen,
een commissie van kardinalen in het leven, waarvan monsignor Folchi
tot secretaris benoemd werd. Deze prelaat, die gedurende twaalf jaar
een belangrijke rol speelde, was de zoon van een ambtenaar aan de
Daterie [18], die bij zijn dood een door handige speculatie bij elkaar
gekregen millioen naliet. Monsignor Folchi was in vele opzichten
het evenbeeld van zijn vader en liet zich weldra als een financier
van de eerste kracht kennen, zoodat de commissie hem langzamerhand
alle macht in handen gaf, hem volkomen de vrije hand liet en er zich
toe bepaalde het rapport, dat hij in elke zitting indiende, goed te
keuren. Het erfgoed gaf niet veel meer dan een millioen rente, en
daar de uitgaven tot zeven millioen opliepen, moesten de zes andere
elders gevonden worden. De paus gaf jaarlijks drie millioen van den
St. Pieterspenning aan monsignor Folchi, die gedurende de twaalf jaar,
dat hij het financieele beheer voerde, het wonder verrichtte die te
verdubbelen door zijn handige speculaties en beleggingen, zoodat men
den uitgaven het hoofd kon bieden zonder het erfgoed aan te spreken.
Zoo behaalde hij in de eerste tijden groote winsten door zijn
grondspeculaties te Rome. Hij nam aandeelen in alle nieuwe
ondernemingen, speculeerde in molens, omnibussen en waterleidingen,
afgezien van een in overeenstemming met een Katholieke bank,
de Banca di Romana, gevoerden wisselhandel. De paus, die tot
dusverre zijnerzijds ook gespeculeerd had door bemiddeling van een
vertrouwensman, een zekeren Sterbini, was over monsignor Folchi's
handigheid zóó verbaasd, dat hij Sterbini ontsloeg en den kardinaal
opdroeg ook met zijn geld te speculeeren, zooals hij het met dat van
den Heiligen Stoel gedaan had. Dit was de tijd, dat monsignor Folchi
op het toppunt van zijn macht stond. Dan begonnen de slechte dagen:
de bodem kraakte reeds en als met donderslagen stortte alles in.
Ongelukkigerwijze bestond een der operaties van Leo XIII hierin,
dat hij aan den Romeinschen adel, die, verteerd door den hartstocht
voor het spel en in grond- en bouwspeculaties gewikkeld, geen geld
had, groote sommen leende; deze gaf hem als borgstelling aandeelen,
zoodat, toen de debacle kwam, hij niets dan vodjes papier in handen
had. Bovendien was er nog een geheel andere, zeer rampspoedige
geschiedenis, n.l. de poging, om te Parijs een bank op te richten,
met het doel om obligaties, die Italië zelf niet hebben wilde, te
plaatsen onder de vrome, aristocratische clientèle in Frankrijk; als
lokaas zeide men, dat de paus daarin betrokken was, en het ergste was
inderdaad, dat hij bij die zaak drie millioen verloor. Kort en goed,
de toestand werd des te kritieker, daar hij ten slotte de millioenen,
waarover hij beschikte, in de vreeselijke speculatiepartijen gestoken
had, die in Rome onder de vensters van het Vaticaan afgespeeld werden.
Ongetwijfeld werd ook hij door de speelwoede verteerd, misschien
ook koesterde hij heimelijk de hoop om door het geld de stad,
die men hem met geweld ontrukt had, terug te winnen. De geheele
verantwoordelijkheid van dat alles rustte op hem, want nooit stak
monsignor Folchi geld in een belangrijke onderneming, zonder
hem te raadplegen. Zoo was hij door zijn hebzucht en door zijn
zedelijk hooger staanden wensch, om aan de Kerk de moderne almacht
van het grootkapitaal te geven, de werkelijke bewerker van de
ramp geworden. Maar, zooals het altijd gaat, de kardinaal werd de
eenige zondenbok. Hij had een heerschzuchtig en moeilijk karakter;
de kardinalen van de commissie sympathiseerden niet met hem, vonden
de zittingen volmaakt overbodig, omdat hij als onbeperkt heerscher
handelde en men alleen bijeenkwam, om goed te keuren, wat hij wel zoo
goed was omtrent zijn operaties mede te deelen. Toen de catastrophe
losbrak, werd een complot gesmeed: de kardinalen maakten den paus
bang met de praatjes, die de ronde deden en dwongen daarna monsignor
Folchi aan de commissie rekening en verantwoording af te leggen. De
toestand was buitengewoon zorgwekkend, reusachtige verliezen konden
niet meer vermeden worden.
Zoo viel hij in ongenade; van af dat oogenblik heeft hij steeds weer
vergeefs om een audiëntie bij Leo XIII gevraagd, die, hardvochtig,
steeds geweigerd heeft hem te ontvangen als om hem te straffen voor
hun gemeenschappelijke fout, de hebzucht van hen beiden. Maar monsignor
Folchi heeft zich nooit beklaagd: vroom, onderworpen en berustend heeft
hij zijn geheim bewaard. Niemand zou het cijfer van de millioenen,
die het erfgoed van den Heiligen Petrus in de catastrophe van het
in een speelhol veranderde Rome gelaten heeft, met juistheid kunnen
zeggen; sommigen beweren tien, anderen weer dertig millioen. Het meest
aannemelijk is echter, dat er vijftien millioen verloren gegaan zijn.
Na de coteletten met tomaten bracht de kellner een gebraden kip.
"Het gat is nu gestopt," eindigde Narcisse zijn verhaal, "ik heb u al
verteld van de reusachtige sommen, die de St. Pieterspenning opgebracht
heeft en waarvan de paus, die over het geheele bedrag beschikt, alleen
het juiste cijfer kent... De les is niet voldoende geweest om hem te
verbeteren, want ik hoor uit goede bron, dat hij nog altijd speculeert,
al is het dan ook voorzichtiger. Zijn vertrouwensman is thans weer
een prelaat, monsignor Marzolini, geloof ik, die zijn geldzaken
regelt... En hij heeft groot gelijk, je moet met je tijd medegaan."
Pierre had met toenemende verbazing geluisterd, waarin zich een
soort schrik en droefheid mengde. Dit alles was zeer natuurlijk,
zelfs gerechtvaardigd, maar in zijn droom van een zielenherder, die
hoog boven, ver en vrij van alle wereldlijke zorgen troonde, had
hij nooit geloofd, dat zoo iets had kunnen bestaan. Wat, de paus,
de geestelijke vader van armen en ongelukkigen, had gespeculeerd
met bouwterreinen, met Beurswaarden! De opvolger van den Apostel,
de pontifex van Christus, van den Jezus van het Evangelie, den
goddelijken vriend der lijdenden, had gespeculeerd, zijn kapitaal
belegd bij Joodsche bankiers, zooveel mogelijk geld uit zijn geld
willen slaan! En dan, welk een pijnlijke tegenstelling: zooveel
millioenen daarboven in de kamers van het Vaticaan, weggesloten
in het een of andere geheime meubelstuk--zooveel millioenen, die
vruchtdragend werkten, die onophoudelijk belegd en weer teruggenomen
werden, om steeds maar meer op te brengen, die als gouden eieren met
de hartstochtelijke teederheid van een vrek uitgebroed werden! En
daar vlak bij, beneden, in de afschuwlijke, onvoltooide gebouwen
van het nieuwe stadsgedeelte zooveel ellende, zooveel arme menschen,
die in hun vuil van honger stierven, moeders zonder melk voor haar
zuigelingen, mannen, door gebrek aan werk tot nietsdoen gedoemd,
grijsaards, die zich afbeulden als lastdieren, welke men doodslaat,
als zij tot niets meer nut zijn! O, God van barmhartigheid, God
van liefde, was dat mogelijk? Ongetwijfeld had de Kerk materieele
behoeften, zij kon niet zonder geld leven en het was een verstandige
en zeer politieke gedachte om voor haar een schat bijeen te brengen,
die haar in staat stellen zou haar tegenstanders te overwinnen! Maar
hoe vernederend, hoe bezoedelend was dat alles! Zij daalde van haar
goddelijke hoogte af, om niet meer te zijn dan een partij, een groote
internationale vereeniging, die georganiseerd was met het doel om de
wereld te veroveren en te bezitten!
En deze zeldzame geschiedenis bracht Pierre tot nog grooter
verbazing. Wie zou ooit een onverwachter, pakkender drama hebben
kunnen uitdenken? Deze paus, die zich in zijn paleis opsloot, dat
ongetwijfeld een gevangenis was, maar een gevangenis, waarvan de
honderd ramen uitzagen op een eindelooze ruimte, op Rome, de Campagna,
de ver verwijderde heuvels; deze paus, die uit zijn raam op alle uren
van den dag en van den nacht het geheele jaar door, met één oogopslag
zijn stad omvatten kon--zijn stad, die men hem ontstolen had, waarvan
hij de teruggave met een ononderbroken jammerklacht eischte; deze paus,
die van het begin der werken af, van dag tot dag, de veranderingen,
die zijn stad onderging, aanschouwd had: het neerhalen van de oude
wijken, het verkoopen van terreinen, het geleidelijk oprijzen van
nieuwe gebouwen, die langzamerhand een witten gordel om de oude
rossige daken vormden; deze paus, die bij het dagelijks zien van
deze bouwwoede, welke hij van zijn opstaan tot zijn naar bed gaan
volgen kon, ten slotte zelf medegesleept werd door den hartstocht
voor het spel, die als een roes uit de geheele stad opsteeg; deze
paus, die uit zijn op zoo stoïcijnsche manier gesloten kamer met de
verfraaiingen van zijn oude stad begon te speculeeren, die trachtte
zich te verrijken met de door de Italiaansche regeering, die hij voor
roover uitmaakte, in het leven geroepen stadsuitbreiding en ten slotte
plotseling in een geweldige catastrophe, die hij had moeten wenschen,
maar die hij niet voorzien had, millioenen verloor! Neen, nooit nog
had een onttroonde koning aan een vreemdere ingeving toegegeven, zich
gewaagd in een tragischer avontuur, dat hem als een straf trof. En
dit was geen koning, dit was de afgezant Gods, dit was God zelf,
de onfeilbare in de oogen der aanbiddende Christenheid!
Het dessert, geitenkaas en vruchten, was gebracht, en Narcisse was
juist met een trosje druiven klaar, toen hij opkeek en uitriep:
"Maar ge hebt groot gelijk, waarde vriend, ik zie nu ook die witte
schim daarboven achter de ramen in de kamer van den Heiligen Vader
heel duidelijk."
Pierre, die zijn blikken niet van het raam af had, antwoordde langzaam:
"Ja, zij was verdwenen, maar toen weer teruggekomen, en nu staat zij
er nog steeds, wit en roerloos."
"Maar wat zoudt ge dan willen, dat hij deed?" vroeg de jonge man op
zijn kwijnenden toon, waaruit men niet opmaken kon, of hij spotte of
niet. "Hij doet als iedereen en kijkt eens naar buiten, wanneer hij
zich wat verzetten wil, en dat des te eerder, omdat hij werkelijk
iets ziet, waarnaar je nooit moede wordt te kijken."
Dat was het juist, wat Pierre in een toenemende opwinding bracht. Men
sprak altijd van een gesloten Vaticaan, en hij had zich een somber,
door hooge muren omgeven paleis voorgesteld, want niemand had hem
gezegd, niemand scheen te weten, dat dit paleis Rome beheerschte en
dat de paus van uit zijn raam de wereld zag. En de onmetelijkheid
van dat uitzicht kende Pierre, hij had het gezien van af den top
van den Janiculus; van uit de loggia's van Raffaël, van af den dom
der Basilica. En waar Leo XIII, roerloos en wit achter zijn ramen,
naar keek, dat riep Pierre voor zijn geestesoog op, zag het met
hem. In het midden van de uitgestrekte vlakte der Campagna, die de
Sabijnsche en Albaansche heuvelen begrensden, zag Leo XIII de zeven
beroemde heuvels: den door de boomen der villa Pamphili gekroonden
Janiculus; den Aventinus, waarvan niets overgebleven was dan de drie
half in het groen schuil gaande kerken; dan iets verder afgelegen,
den door zijn rijpe oranjeappelen der villa Mattei doorgeurden
Coelius; den Palatinus, die een dunne, daar als op het graf der
Caesars opgeschoten rij cypressen omzoomde; den Esquilinus, waarop
zich de slanke klokkentoren van de Santa Maria Maggiore verhief; den
Viminalis, die met zijn verwarde en witachtige opeenhooping van nieuwe
gebouwen op een openliggende steengroeve geleek; den Capitolinus, dien
de vierkante campanile van het Senatorenpaleis nauwlijks aanwees; den
Quirinalis, waarop het paleis van den koning fel-geel afstak tegen de
donkere schaduwen der tuinen. Hij zag behalve de Santa Maria Magggiore
alle basilica's, S. Giovanni in Laterano, de wieg van het pausdom,
S. Paola fuori le mura, S. Croce in Gerusalemme, S. Agnese, de dom
van Il Gesù, van S. Andrea della Valle, van S. Carlo, van S. Giovanni
del Fiorentini en al de vierhonderd kerken van Rome, die de stad in
een met kruisen beplant, heilig veld veranderen. Hij zag de beroemde
monumenten, de getuigen van den eeuwenouden hoogmoed, de Engelenburg,
een in een pauselijke vesting veranderd keizersgraf, de witte lijn der
andere graven langs de Via Appia, dan de verspreid liggende ruïnen van
Caracalla, van het paleis van Septimius Severus, zuilen, gaanderijen,
triomfbogen, de paleizen en de villa's van prachtlievende kardinalen
der Renaissance, den palazzo Farnese, den palazzo Borghese, de villa
Medicis en alle, alle andere--een gewemel van daken en gevels.
Maar voor alles zag hij links, vlak onder zijn raam, den gruwel van
de nieuwe, onvoltooide wijk der Prati del Castello. Wanneer hij
's middags in zijn tuinen wandelde, die als een citadel door den
muur van Leo IV ingesloten was, had hij het vreeselijke uitzicht
op het dal, dat men in den koortsachtigen tijd der bouwwoede in den
voet van den monte Mario gegraven had, om er steenbakkerijen op te
richten. De groene hellingen zijn opengehaald, geelachtige gangen
loopen naar alle kanten, terwijl de thans gesloten fabrieken met haar
hooge, doode schoorsteenen, waaruit geen rook meer opstijgt, niets
meer dan armzalige ruïnes zijn. Op geen uur van den dag kon hij bij
een raam komen zonder die verwaarloosde gebouwen, waarvoor zooveel
steenbakkerijen gewerkt hebben, voor oogen te hebben, deze gebouwen,
die dood waren voor zij geleefd hadden, waarin op dat oogenblik niets
was dan de wriemelende ellende van Rome, dat hier als het cadaver
van oude maatschappijen tot ontbinding lag over te gaan.
Vóór alles echter beeldde Pierre zich in, dat Leo XIII, de witte
schim daar boven, ten slotte de geheele overige stad vergat,
om zijn droomenden blik op den Palatinus te richten, die nu
ontkroond is en nog slechts zijn zwarte cypressen in den blauwen
hemel opricht. Ongetwijfeld bouwde hij in gedachten de paleizen der
Caesars weer op, en voor zijn blik verrezen dan hooge, geheel roode,
met het purper bekleede schimmen op, zijn voorvaderen, de keizers en
de pontifices, die hem alleen konden zeggen, hoe men als onbeperkt
heerscher der wereld, over de wereld regeeren kon. Dan gingen zijn
blikken naar den Quirinalis en bleven daar uren lang rusten in de
aanschouwing van het koningschap tegenover hem. Welk een zonderling
toeval, dat deze beide paleizen, het Quirinaal en het Vaticaan, elkaar
aankijken, dat zij naast elkander boven het Rome der Middeleeuwen
en der Renaissance uitsteken, welks door de gloeiende zon verbrande
en vergulde daken aan den oever van den Tiber zich ophoopen en
samenvloeien. Met een eenvoudigen verrekijker kunnen de paus en de
koning, wanneer zij voor hun ramen gaan staan, elkander duidelijk
zien. Zij zijn niets dan onbeteekenende, in de grenzenlooze ruimte
verloren gaande punten; en welk een afgrond ligt er tusschen hen,
hoeveel eeuwen van geschiedenis, hoeveel generaties, die gestreden
en geleden hebben, hoeveel doode grootheid, hoeveel zaad voor de
geheimzinnige toekomst! Zij zien elkaar en strijden nog steeds om het
volk, dat voor hun oogen op- en neergolft. Wien zal de onbeperkte
macht ten deel vallen, den pontifex, den herder der zielen, of den
monarch, den meester der lichamen?
Pierre vroeg zich af aan welke overpeinzingen, aan welke droomerijen
Leo XIII zich over zou geven achter die ramen, waar hij nog altijd
zijn bleeke, spookachtige schim meende te zien. Bij het zien van
het nieuwe Rome, van de oude, gesloopte wijken, van de door een
ongeluksstorm met den grond gelijk gemaakte stadsdeelen, moest
hij zich ongetwijfeld verheugen over de reusachtige mislukking der
Italiaansche regeering. Men had hem zijn stad ontstolen, men had
hem als het ware willen laten zien, hoe men een groote hoofdstad
in het leven roept, en dat was uitgeloopen op die catastrophe,
op zooveel leelijke, nuttelooze bouwwerken, die men niet eens wist
hoe af te maken. Het kon niet anders of hij moest zich verheugen
in die vreeselijke ongelegenheden, waarin het usurpatorische gezag
geraakt was, in de politieke, in de financieele crisis, in de steeds
verder om zich heen grijpende nationale malaise, waarin dat gezag
binnen niet al te langen tijd ten gronde dreigde te gaan; en toch,
sloeg ook niet in zijn borst het hart van een patriot, was ook niet
hij een liefhebbende zoon van dat Italië, welks genie en eeuwenoude
eerzucht ook in zijn aderen stroomde? O neen, niets tegen Italië;
integendeel, alles wilde hij doen, om te bewerken, dat het weer de
wereldbeheerscher werd! Ongetwijfeld steeg te midden van zijn blijde
hoop een smartelijk gevoel in hem op, wanneer hij zag hoe Rome ten
gronde gericht, met een bankroet bedreigd werd, hoe het als het ware
zijn onmacht in het openbaar ten toon stelde. Maar wanneer de dynastie
van Savoye eens mocht worden weggevaagd, was hij er dan niet, om haar
te vervangen en eindelijk weer in het bezit te treden van zijn stad,
die hij sedert vijftien jaar slechts uit zijn venster zag, overgeleverd
aan sloopers en metselaars? Dan werd hij weer de meester, regeerde
hij over de wereld, troonde hij in de gepraedestineerde stad, waaraan
de propheten de eeuwigheid en de wereldheerschappij toegezegd hadden.
De horizont breidde zich uit en Pierre vroeg zich af wat Leo XIII
wel aan gene zijde van Rome, aan gene zijde van de Campagna Romana,
aan gene zijde van de Sabijnsche en Albaansche bergen, in de geheele
Christenheid zag. Sedert achttien jaar had hij zich in zijn Vaticaan
opgesloten, zag hij de wereld slechts door de ramen van zijn kamer. Wat
aanschouwde hij van daarboven, welke waarheden en welke zekerheden
drongen uit onze moderne maatschappijen tot hem door? Dikwijls toch
moest van de hoogten van den Viminalis, waar het station lag, het
langgerekte gefluit der locomotieven in zijn ooren klinken: dat was
onze wetenschappelijke beschaving, de toenadering der volkeren, de
vrije menschheid, die de toekomst tegemoet ging. Droomde hij zelf van
vrijheid, wanneer hij zijn blik naar rechts wendde en daar in de verte,
aan gene zijde van de graven aan de Via Appia, de zee vermoedde? Had
hij ooit den wensch in zich voelen opkomen weg te gaan, Rome en zijn
verleden te verlaten, om elders het pausdom der nieuwe democratieën
te stichten?
Men beweerde, dat hij zulk een scherpen, doordringenden blik had; dan
had hij moeten begrijpen, dan had hij moeten beven, wanneer uit zekere
strijdlustige landen een ver geluid tot hem doordrong--uit Amerika
bijvoorbeeld, waar revolutionnaire bisschoppen op het punt stonden
het volk te veroveren. Werkten zij voor hem of voor zichzelf? Was een
breuk niet onvermijdelijk, wanneer hij hen niet volgen kon, wanneer
hij, aan alle kanten door het dogma en de traditie gebonden, zich
hardnekkig in zijn Vaticaan bleef opsluiten? Van uit de verte woei
een dreigende, het schisma voorspellende wind, streek hem over zijn
gelaat en vervulde zijn hart met steeds grooter wordenden angst. Om
die reden waarschijnlijk was hij de verzoeningsdiplomaat geworden,
die alle verspreide krachten der Kerk in zijn hand verzamelen wilde,
die zijn oogen sloot voor de vermetelheid van sommige bisschoppen,
voor zoover dat ten minste mogelijk was, die zelf het volk trachtte
te veroveren, door zich aan zijn zijde tegen de gevallen monarchen te
verklaren. Maar zou hij ooit verder gaan? Was hij niet ingemetseld
achter de bronzen deur van het Vaticaan, in de strenge Katholieke
formule, waaraan de eeuwen hem vastketenden? Hij moest daar blijven,
het zou hem onmogelijk zijn zich tot zijn werkelijke almacht, tot
die zuiver geestelijke macht, tot die moreele autoriteit van het
hiernamaals te beperken, die de menschheid aan zijn voeten bracht,
die bewerkte, dat de pelgrims neerknielden en vrouwen in onmacht
vielen. Rome opgeven, afstand doen van de wereldlijke macht zou gelijk
staan met het middelpunt der Katholieke wereld te veranderen. Dan
zou de paus de paus niet meer zijn, niet meer het hoofd van het
Katholicisme, maar een ander, het hoofd van iets anders. Welke
onrustige gedachten moesten, terwijl hij daar aan het raam stond,
door zijn brein gaan, wanneer de avondwind menigmaal het onduidelijke
beeld van dien andere, de vrees voor den nieuwen, nog onbestemden
godsdienst met zich bracht, die zich voorbereidde in het doffe stappen
der voorwaarts marcheerende naties!
Maar op dat oogenblik voelde Pierre, dat de witte, roerlooze
schim achter de ramen staande gehouden werd door den trots, door de
voortdurende zekerheid, dat hij zou overwinnen. Wanneer menschenhanden
daartoe niet in staat zouden zijn, dan zou het wonder tusschenbeide
treden. Hij had de vaste overtuiging, dat hij weer in het bezit zou
komen van Rome; en zoo niet hij, dan zijn opvolger. Had de Kerk in
haar onbedwingbare levenskracht en levensenergie niet de eeuwigheid
voor zich? Trouwens, waarom zou hij zelf niet in het bezit van Rome
komen? Vermocht God zelfs niet het onmogelijke? Morgen, als God het
wilde, zou ondanks alle menschelijke redeneeringen, ondanks alle
schijnbare logica der feiten, zijn stad hem door de een of andere
plotselinge wending in de geschiedenis teruggegeven worden. O, welk een
feestelijke ontvangst zou hij de verloren dochter, wier dubbelzinnige
avonturen hij met zijn door tranen vochtige vaderoogen steeds gevolgd
had, bereiden! Hoe gauw zou hij de uitspattingen vergeten, waarvan
hij achttien jaar lang op alle uren en in alle jaargetijden getuige
geweest was! Misschien peinsde hij, over wat hij doen zou met die
nieuwe wijken, waarmede men haar bezoedeld had: zou hij ze sloopen
of zou hij ze daar laten staan als een getuigenis van den waanzin der
overweldigers? Zij zou weer de verheven en doode stad worden, die een
souvereine minachting had voor alle ijdele zorgen van zindelijkheid
en materieel welzijn, die als een reine ziel in den overgeleverden
roem der vervlogen eeuwen over de wereld stralen zou.
En hij peinsde verder, hij stelde zich voor hoe alles, ongetwijfeld
reeds morgen, in zijn werk zou gaan. Alles was beter dan het Huis van
Savoye, zelfs een republiek. Waarom niet een federatieve republiek,
die Italië volgens de oude, nu afgeschafte, politieke indeeling
verbrokkelen, hem Rome teruggeven, hem tot den beschermer van den
op die wijze herstelden staat kiezen zou? Dan strekte zijn blik
zich verder dan Rome, verder dan Italië uit; zijn droom breidde
zich uit, steeds verder uit, omvatte het republikeinsche Frankrijk,
Spanje, dat het weer worden kon, ja, zelfs Oostenrijk, dat eenmaal
gewonnen zou worden--al de Katholieke naties, die dan de Vereenigde
Staten van Europa worden en onder het hooge voorzitterschap van den
Pontifex Maximus vreedzaam en in broederschap leven zouden. En dan
de hoogste triomf, wanneer ten slotte alle andere Kerken verdwijnen,
alle andersdenkende volkeren tot hem komen zouden als tot den eenigen
herder, wanneer Jezus in zijn persoon over de universeele democratie
regeeren zou.
Plotseling werd Pierre in zijn droom, dien hij aan Leo XIII toeschreef,
gestoord.
"Mijn waarde abbé, kijk toch eens naar den toon van de standbeelden
op de zuilengaanderij," zeide Narcisse.
Hij had zich een kop koffie laten brengen en rookte, zich weer geheel
overgevend aan zijn geraffineerde aesthetica, langzaam een sigaret
"Zij zijn rose, niet waar? Een rose, dat langzaam overgaat in mauve,
alsof het blauwe bloed der engelen in hun steenen aderen vloeide... Het
is de zon van Rome, die hun dat bovenaardsche leven verleent, want
zij leven, ik heb gezien hoe ze op sommige mooie avonden tegen
me glimlachten en de armen naar mij uitstrekten... Ach, Rome, het
wonderbare en verrukkelijke Rome! Men zou hier arm als Job willen
leven in de bestendige vreugde zijn bekoring in te ademen!"
Ditmaal kon Pierre zijn verbazing niet bedwingen, nu hij zich zijn
nuchtere stem, zijn zoo helderen en drogen zakengeest herinnerde. Dan
keerden zijn gedachten terug naar de Prati del Castello en een
eindelooze droefheid maakte zich van hem meester, toen hij zich
zooveel ellende en zooveel lijden voor den geest riep. Hij zag
weer de schandelijke vuilheid, waarin zooveel schepsels ten gronde
gingen, die vreeselijke sociale onrechtvaardigheid, welke de groote
meerderheid veroordeelt tot een bestaan van vervloekte, vreugde-
en broodlooze dieren. En toen zijn blikken weer teruggingen naar de
vensters van het Vaticaan en hij meende te zien, hoe achter de ramen
een witte hand zich ophief, dacht hij aan den pauselijken zegen,
dien Leo XIII van deze hoogte over Rome, over de Campagna en de
bergen aan de geloovigen der geheele Christenheid gaf. Maar deze
zegen scheen hem plotseling belachelijk en onmachtig toe, daar hij
in zoovele eeuwen niet in staat geweest was, één enkele smart der
menschheid te onderdrukken, omdat hij zelfs niet in staat geweest
was een weinig rechtvaardigheid te scheppen voor de ongelukkigen,
die daar beneden, onder zijn venster, in doodsstrijd verkeerden.