ZEVENDE HOOFDSTUK

Toen Pierre den volgenden dag na een lange wandeling weer voor

het Vaticaan stond, waarheen een soort obsessie hem steeds weer

terugbracht, ontmoette hij opnieuw monsignor Nani. Het was een

Woensdagavond en de assessor bij het Heilig College had juist

zijn wekelijksche audiëntie bij den paus gehad, aan wien hij over

de zitting, die de Heilige Congregatie 's ochtends gehouden had,

rapport uitbracht.

"Welk een gelukkig toeval, mijn waarde zoon! Ik dacht juist aan

u... Wilt ge Zijne Heiligheid in het openbaar zien, alvorens hem in

een particuliere audiëntie te spreken?"

Hij had weer zijn gewone glimlachende welwillendheid, waarin men

nauwlijks de zachte ironie voelde van den man, die alles wist, alles

kon, alles voorbereidde.

"Zeker, heel graag, monseigneur", antwoordde Pierre, een weinig

verbaasd door dat plotselinge aanbod. "Iedere afleiding is welkom,

wanneer je je dagen met wachten verspilt."

"Neen, neen, ge verspilt uw dagen niet," viel de prelaat hem vlug in

de rede. "Ge ziet, ge denkt na, ge ontwikkelt u... Maar om op de zaak

terug te komen. Ongetwijfeld weet u, dat de groote internationale

bedevaart van den Pieterspenning Vrijdag te Rome komt en Zaterdag

door Zijne Heiligheid ontvangen wordt. Den volgenden dag, Zondag, is

er een andere plechtigheid. Zijne Heiligheid zal dan in de basilica

de mis lezen... Welnu, ik heb nog enkele kaarten over. Hier hebt u

nog zeer goede plaatsen voor de beide dagen."

Hij had uit zijn zak een kleine elegante, met zijn gouden naamcijfer

voorziene portefeuille gehaald en nam daaruit twee kaarten, een rose

en een groene, die hij aan den jongen priester gaf.

"Als u eens wist, hoe men er om vecht! U herinnert zich die twee

Fransche dames nog wel, die van verlangen branden om Zijne Heiligheid

te zien? Ik heb niet te veel willen aandringen, om een audiëntie voor

haar te krijgen; ook zij hebben zich tevreden moeten stellen met

de kaarten, die ik haar gegeven heb... Ja, de Heilige Vader voelt

zich wat vermoeid. Ik was zooeven bij hem en vond, dat hij er geel

en koortsachtig uitziet. Maar hij is zoo moedig, in hem leeft alleen

zijn ziel."

Hij glimlachte weer zijn nauwlijks merkbaar spottend glimlachje.

"Ja, hij is een voorbeeld voor de ongeduldigen, mijn waarde

zoon... Ik hoor, dat monsignor Gamba del Zoppo niets voor u heeft

kunnen doen. Maar u moet u dat niet al te zeer aantrekken. Laat

ik u nogmaals zeggen, dat dit lange wachten zeker een genade der

Voorzienigheid is. Het leert u, het dwingt u dingen te begrijpen,

die gij, Fransche priesters, ongelukkig niet voelt, wanneer gij in

Rome komt. En misschien zal u dit voor fouten behoeden... Kom, draag

het kalm en zeg tegen uzelf, dat alles in Gods hand ligt en geschiedt

op het door Zijn hooge wijsheid vastgestelde oogenblik."

Hij stak hem zijn mooie, lenige hand toe. Het was als de hand van

een vrouw, maar haar druk had de kracht van een stalen schroef. Dan

stapte hij in het rijtuig, dat op hem stond te wachten.

De brief, dien Pierre van vicomte Philibert de la Choue ontvangen

had, was toevallig een lange kreet van verbittering en wanhoop naar

aanleiding van de internationale bedevaart van den Pieterspenning. Hij

schreef van zijn bed af, waaraan hij door een hevigen jichtaanval

gekluisterd was, en kon niet komen. Het meest verdroot hem echter,

dat de president van het comité, die als zoodanig natuurlijk de

bedevaart aan den paus moest voorstellen, juist baron de Fouras was,

een van zijn meest verbitterde tegenstanders uit de oude conservatieve

Katholieke partij; en hij twijfelde er geen oogenblik aan, of de baron

zou van die gelegenheid gebruik maken, om den paus tot zijn theorie

van vrije corporaties over te halen, terwijl hij, de la Choue, slechts

heil voor het Katholicisme en voor de wereld verwachtte van gesloten,

verplichte corporaties. Hij smeekte Pierre dan ook zich tot de hem

gunstig gezinde kardinalen te wenden, niet te rusten voor hij door

den paus ontvangen was en Rome niet te verlaten zonder hem de hoogste

goedkeuring te brengen, die de overwinning beslissen kon. De brief

gaf bovendien interessante bijzonderheden over de bedevaart. Zij

bestond uit drie duizend uit alle landen saamgekomen pelgrims, uit

Frankrijk, België, Spanje, Oostenrijk, ja zelfs Duitschland, en werd

in kleine groepjes door bisschoppen en leiders der corporaties naar

Rome gebracht. Frankrijk was met drie duizend pelgrims het sterkst

vertegenwoordigd. Een internationaal comité was te Parijs werkzaam

geweest, om alles te organiseeren, een moeilijk werk, want het was een

zeer gemengd gezelschap, leden der aristocratie, damesvereenigingen,

arbeidersvereenigingen, alle klassen, leeftijden en geslachten,

als broeders in hetzelfde geloof. De vicomte voegde er nog aan toe,

dat de bedevaart, die millioenen aan den paus brengen zou, den datum

van zijn aankomst zóó gekozen had, dat zij als het ware het protest

van het algeheele Katholicisme was tegen de feesten van 20 September,

waarmede het Quirinaal den glorierijken verjaardag van de verheffing

van Rome tot hoofdstad vierde.

Pierre meende, dat het vroeg genoeg zou zijn als hij tegen elf uur

kwam, want de plechtigheid zou eerst om twaalf uur beginnen. Zij zou

plaats vinden in de Sala dei Beatificazione, een groote, mooie zaal,

die boven de zuilengaanderij van de St. Pieter ligt en in 1890 in een

kapel veranderd is. Een der ramen ziet uit op de middelste loggia,

vanwaaraf vroeger de nieuw-gekozen paus het volk, Rome en de wereld

zegende. Twee andere zalen, de Sala regia en de Sala ducale lagen

ervoor. Toen Pierre echter naar de plaats, waarop zijn groene kaart

hem in de Sala dei Beneficazione zelf recht gaf, wilde gaan, vond hij

de drie zalen met een zóó dicht op elkaar gepakte menigte gevuld,

dat hij er zich slechts met de uiterste moeite een weg door kon

banen. Een uur lang verdrong men elkaar reeds op die manier in de

vurige koorts en de toenemende opwinding van de drie- of vierduizend

daar opgesloten personen. Eindelijk kon hij tot de deur der derde

zaal komen, maar bij het zien van die buitengewone opeenhooping van

hoofden ontzonk hem de moed en trachtte hij zelfs niet verder te gaan.

De Sala dei Beatificazione, die hij, toen hij op zijn teenen ging

staan, met één enkelen blik overzag, was onder de hooge, strenge

zoldering rijk versierd, verguld en beschilderd. Tegenover den ingang,

waar anders het altaar stond, was op een lage estrade de pauselijke

troon geplaatst, een groote fauteuil van rood fluweel, welks rug

en armen van goud schitterden; de draperieën van den eveneens

roodfluweelen baldakijn vielen naar achter en ontplooiden zich als

twee groote purperen vleugels. Doch vooral trof Pierre die menigte,

die menigte vol ongebreidelden hartstocht, zooals hij ze nog nooit

vroeger gezien had, wier harten hij met luide slagen hoorde kloppen,

wier oogen het koortsachtige ongeduld van hun wachten trachtten te

misleiden door naar den ledigen troon te kijken, dien te aanbidden.

O, die troon. Hij verblindde hen, hij bracht hen een onmacht nabij,

evenals de gouden monstrans, waarin het Gode behaagde persoonlijk

plaats te nemen. Men zag daar arbeiders in zondagskleeren met

heldere kinderblikken en ruwe, thans in extase vertrokken gezichten,

burgerjuffrouwen in haar voorgeschreven zwarte japonnen, bleek door

een soort heilige vrees en bovenmatig verlangen, heeren in gekleede

jas en witte das, stralend, vast overtuigd, dat zij de Kerk en

de volkeren redden. Maar in het bijzonder viel een groep van deze

laatsten, om den pauselijken troon, in het oog, de leden van het

internationale comité met baron de Fouras aan het hoofd, een groote,

corpulente, blonde vijftiger, die zich steeds heen en weer bewoog

en als een generaal op den ochtend van een beslissende overwinning

bevelen gaf. Hier en daar schitterde tusschen de grijze en zwarte

menigte de violette zijde van een bisschop, daar iedere herder bij

zijn kudde had willen blijven. De gebaarde of gladgeschoren hoofden

van de wereldlijke geestelijken en de ordebroeders in hun bruine,

zwarte of witte kleederen staken boven de menigte uit. Rechts en links

wapperden de banieren, die vereenigingen en congregaties als geschenk

voor den paus medebrachten. De deining steeg steeds hooger, het bruisen

der zee zwol steeds aan; de zweetende gezichten, de brandende oogen,

de versmachtende monden straalden een zoo ongeduldige liefde uit, een

zoo zware geur steeg uit die opgehoopte menigte op, dat de atmospheer

er als het ware dik en donker door werd.

Maar plotseling zag Pierre naast den troon monsignor Nani, die, nadat

hij hem uit de verte opgemerkt had, hem een teeken gaf naderbij te

komen. En toen Pierre met een bescheiden gebaar te kennen gaf, dat

hij liever bleef waar hij was, gaf de prelaat het niet op, maar zond

een zaalwachter naar hem met bevel ruimte voor hem te maken.

"Waarom kwam u niet naar uw plaats toe?" vroeg de prelaat, toen de

zaalwachter hem eindelijk bij den troon gebracht had. "Uw kaart geeft

u recht hier links van den troon te staan."

"Ach, ik zou zooveel menschen lastig hebben moeten vallen, dat ik

dat niet wilde. En bovendien is het te veel eer voor mij."

"Neen, neen, ik heb u deze plaats niet voor niets gegeven. Ik wil,

dat u vooraan staat, om alles goed te kunnen zien en niets van de

plechtigheid te verliezen."

Pierre kon niets anders dan hem dankbaar zijn. Hij zag nu, dat

verschillende kardinalen en vele prelaten van het pauselijk Hof

eveneens aan beide zijden van den troon stonden te wachten. Tevergeefs

echter zocht hij naar kardinaal Boccanera, die nooit in de St. Pieter

of op het Vaticaan kwam dan wanneer zijn dienst hem daartoe

verplichtte. Maar wel zag hij kardinaal Sanguinetti, die in een

druk gesprek gewikkeld was met baron de Fouras. Even kwam monsignor

Nani nog naar hem toe, om hem twee andere Eminenties te wijzen, zeer

invloedrijke en machtige persoonlijkheden: den kardinaal-vicaris, een

corpulenten, kleinen man met een koortsachtig, door eerzucht verteerd

gelaat, en den kardinaal-secretaris, robuust, gespierd en met grove

trekken, het romantische type van een Siciliaanschen bandiet, die de

discrete en glimlachende kerkelijke diplomatie gekozen heeft. Nog

enkele passen verder stond, afgezonderd, de grootpenitentarius,

zwijgend, met een lijdend uiterlijk en een vaal, mager ascetengezicht.

Het had twaalf uur geslagen. Er ontstond een ongegronde vreugde,

een beweging, die zich als een diepe golf uit de twee andere zalen

voortplantte. Doch het waren slechts de zaalwachters, die de menigte

achteruitdrongen om een doorgang voor den pauselijken stoet vrij te

maken. Plotseling echter klonken uit de eerste zaal toejuichingen,

kwamen naderbij, zwollen aan. Ditmaal was het de stoet. Voorop

een afdeeling der Zwitsersche garde in klein tenue onder bevel

van een sergeant; dan de in het rood gekleede dragers; vervolgens

de Hofprelaten, waaronder vier geheime kamerheeren. En eindelijk

liep tusschen twee pelotons edelgarden in half-gala de Heilige Vader

alleen, te voet, flauwtjes glimlachend, langzaam naar rechts en links

zegenend. Met hem was het gejuich, dat uit de zalen ernaast opsteeg,

binnengedrongen in de Sala dei Beatificazione: de hartstochtelijke

liefde wies tot waanzin aan; en onder de tengere witte handen, die

zich zegenend uitstrekten, waren al deze schepsels, die de onmacht

nabij waren, op hun beide knieën gevallen. Op den grond was niets

meer te zien dan een neergeworpen, als door de verschijning van God

verpletterd, vroom volk.

Medegesleept door de geestdrift, was Pierre bevend met de anderen

op zijn knieën gevallen. O, deze almacht, deze onweerstaanbare

besmetting van het geloof, van den vreeselijken ademtocht uit het

onzienlijke, die zich in een pracht en een praal van majestueuse

grootte vertienvoudigden! Dan, toen Leo XIII, omgeven door de

kardinalen en zijn Hof, op den troon was gaan zitten, ontstond

er een diepe stilte, waarna de ceremonie zich volgens de gewone

ritueele gebruiken ontwikkelde. Eerst sprak, geknield, een bisschop

om de hulde van de getrouwen der geheele Christenheid aan de voeten

van Zijne Heiligheid te leggen. Op hem volgde de president van het

comité, baron de Fouras, die, staande, een lange redevoering voorlas,

waarin hij de bedevaart voorstelde, de bedoeling ervan uiteenzette en

op het ernstige karakter van het tegelijk politieke en godsdienstige

protest ervan wees. De corpulente man had een dunne, snijdende stem,

die als een drilboor knarste; hij zeide hoe smartelijk de Katholieke

wereld leed onder de berooving van den Heiligen Stoel, hoe gaarne

alle volkeren, die hier door pelgrims vertegenwoordigd waren, het

hooge en vereerde Hoofd der Kerk wilden troosten door hem de obool

der rijken en der armen, het penningske der nederigsten te brengen,

opdat de paus trotsch en onafhankelijk zou kunnen leven. Hij sprak ook

over Frankrijk, betreurde zijn dwalingen, voorspelde zijn terugkeer

tot gezonde tradities, gaf trotsch te verstaan, dat het het rijkste

en vrijgevigste land was, waaruit in een ononderbroken stroom goud

en geschenken naar Rome vloeiden. Eindelijk stond Leo XIII op en

beantwoordde den bisschop en den baron. Zijn stem was zwaar, had een

sterken neusklank. Uit een zoo tenger lichaam had men een dergelijke

stem niet verwacht. In enkele zinnen drukte hij zijn dankbaarheid

uit en zeide hoezeer zijn hart door deze toewijding der naties aan

het pausdom geroerd was. De tijden mochten slecht zijn, de eindtriomf

kon niet lang meer uitblijven. De teekenen wezen er duidelijk op, dat

het volk tot het geloof terugkeerde, dat de ongerechtigheden weldra

onder de algemeene heerschappij van Christus zouden ophouden. En

Frankrijk? Was Frankrijk niet de oudste dochter der Kerk, die aan

den Heiligen Stoel te veel bewijzen van liefde gegeven had dan dat

deze ooit op zou kunnen houden haar lief te hebben? Dan hief hij zijn

handen op en schonk aan alle aanwezige pelgrims, aan de vereenigingen

en congregaties, die zij vertegenwoordigden, aan hun huisgezinnen

en aan hun vrienden, aan Frankrijk, aan alle Katholieke naties zijn

apostolischen zegen, om hen te danken voor de kostbare hulp, die zij

hem zonden. Terwijl hij weer ging zitten, barstten toejuichingen

los, geestdriftige salvo's, die tien minuten duurden, gepaard met

vivatgeroep, met ongearticuleerde kreten, een storm van ontketenden

hartstocht, die de zaal deed beven.

En terwijl deze woeste aanbidding woedde, keek Pierre naar Leo

XIII, die weer roerloos op zijn troon zat. Met de pauselijke muts

op en den rooden, met hermelijn afgezetten mantel had hij in zijn

lange witte soutane de hiëratische stijfheid van een afgodsbeeld,

dat door tweehonderdvijftig millioen Christenen aangebeden wordt. Op

den purperen achtergrond der gordijnen van den baldakijn, tusschen de

vleugelachtig uitgespreide draperieën, waarin iets als een gloed van

verheerlijking gloeide, nam hij een werkelijke majesteit aan. Het was

niet meer de zwakke grijsaard met zijn kleine, gesaccadeerde pasjes

en zijn tenger halsje van arm, ziek vogeltje. Het magere gezicht,

de te krachtige neus, de te groote mond verdwenen. In dat wasachtige

gelaat onderscheidde men niets dan de prachtige, donkere, diepe,

eeuwig jonge, scherpzinnige en doordringende oogen.

Een onwillekeurig oprichten van zijn gestalte, een bewustzijn, dat

hij de eeuwigheid vertegenwoordigde, de koninklijke adeldom, die hem

omgaf, riepen den indruk te voorschijn, dat hij niet meer was dan een

ademtocht, een reine ziel in een lichaam van zóó doorzichtig ivoor, dat

men er die ziel reeds in zag, bevrijd van alle aardsche banden. En toen

begreep Pierre, wat zulk een man, de souvereine pontifex, de koning,

aan wien tweehonderdvijftig millioen onderdanen gehoorzamen, zijn

moest voor de vrome en lijdende schepsels, die, door de schittering

van de machten, die hij vertegenwoordigde, neergeslagen, hem van

zoo verre kwamen aanbidden. Achter hem, in het purper der gordijnen,

opende zich plotseling het onzichtbare, de oneindigheid van het ideale

en de verblindende verheerlijking!

Hoeveel eeuwen van geschiedenis sedert den apostel Petrus,

hoeveel kracht, hoeveel genie, hoeveel strijd, hoeveel triomphen

vereenigden zich in één wezen, den Uitverkorene, den Eenige, den

Bovenmenschelijke! Welk een telkens hernieuwd wonder; de hemel,

die zich verwaardigde in dit menschelijk lichaam neer te dalen, God,

die woonde in den dienaar, dien hij uitverkoren had, dien hij wijdt en

heiligt boven de ontzaglijke menigte andere wezens door hem alle macht

en wetenschap te geven! Welk een heilige ontroering, welk een liefde,

God in een mensch, God, steeds ziende door zijn oogen, sprekend met

zijn stem, uit ieder van zijn zegenende gebaren uitstroomend. Wie kan

zich deze exorbitante, onbeperkte macht van een onfeilbaren monarch,

de volkomen macht in deze, het heil in de wereld hiernamaals, den

zichtbaren God voorstellen? En hoe begrijpelijk was het, dat de door de

behoefte om te gelooven verteerde zielen naar hem toe vlogen, dat deze

zielen, die eindelijk de zoo lang gezochte zekerheid, den troost zich

te geven en in God zelf te verdwijnen vonden, geheel in hem opgingen.

Maar de plechtigheid liep ten einde, baron de Fouras stelde den

Heiligen Vader de leden van het comité en enkele andere voorname

deelnemers aan de bedevaart voor. Het was een langzaam voorbijtrekken,

een bevend buigen der knieën, de gulzige kus op de muil en op den

ring. Dan werden de banieren aangeboden; Pierre's hart kromp samen,

toen hij in de mooiste, de rijkste een banier van Lourdes herkende,

die ongetwijfeld door de paters der Onbevlekte Ontvangenis geschonken

werd. Op de witte, met goud geborduurde zijde was aan de eene zijde

de Heilige Maagd van Lourdes gestikt, terwijl de andere het portret

van Leo XIII vertoonde. Hij zag hem glimlachen tegen zijn beeltenis,

en een groote droefheid maakte zich van hem meester alsof zijn geheele

droom van een intellectueelen, Evangelischen, van laag bijgeloof

bevrijden paus ineenstortte. Op dat oogenblik ontmoette hij weer den

blik van monsignor Nani, die hem sedert het begin der plechtigheid

geen oogenblik uit het oog verloren had en met de nieuwsgierigheid

van iemand, die bezig is een proef te nemen, zijn minste indrukken

bestudeerde.

De prelaat kwam naar hem toe en zeide:

"Een prachtige banier! Wat zal Zijne Heiligheid zich verheugen,

dat hij zoo mooi afgebeeld is in gezelschap der Heilige Maagd."

En toen de jonge priester, die bleek geworden was, niet antwoordde,

voegde hij er met een echt-Italiaansche, vrome blijdschap aan toe:

"Hier in Rome houden wij veel van Lourdes! Die geschiedenis van

Bernadette is zoo bekoorlijk!"

Wat nu gebeurde, was zoo iets buitengewoons, dat Pierre er lang door

van streek bleef. Hij had te Lourdes tooneelen van onvergetelijke

afgoderij gezien, tooneelen vol naïef geloof en tot waanzin opgevoerden

godsdiensthartstocht, die hem nu nog van onrust en smart deden

beven. Maar die menigten, welke zich naar de Grot stortten, de zieken,

die in liefdesrazernij wegzwijmelden voor het beeld der Heilige Maagd,

dat geheele volk, dat door de besmetting van het wonder waanzinnig

geworden was, niets, niets van dat alles evenaarde ook maar in het

minst den aanval van uitzinnigheid, die de pelgrims aangreep en voor

de voeten van den paus wierp. Bisschoppen, geestelijke leiders van

congregaties, afgevaardigden naderden, om bij den troon de offeranden

neer te leggen, die zij uit de geheele Katholieke wereld brachten, de

universeele collecte voor den Pieterspenning. Het was de vrijwillige

belasting van een volk aan zijn souverein, zilver, goud, bankpapier

in beurzen, in tasschen, in portefeuilles. Dan kwamen dames, die op

haar knieën vielen en zijden of fluweelen taschjes, die zij geborduurd

hadden, aanboden. Anderen hadden op portefeuilles het naamcijfer van

Leo XIII in diamanten laten aanbrengen. Eén oogenblik werd de extase

zóó groot, dat vrouwen zich geheel plunderden, haar beurzen tot

met den laatsten sou, dien zij hadden, wegwierpen. Een zeer mooie,

slanke en groote brunette ontdeed zich van haar horloge en ringen

en wierp die op het tapijt der estrade. Allen zouden haar vleesch

weggerukt hebben, om haar van liefde brandend hart uit te scheuren

en dat ook weg te werpen. Zij zouden zichzelf geheel hebben willen

wegwerpen, zonder iets van zich te behouden. Het was een regen van

geschenken, een volkomen zichzelf geven, de hartstocht, die zich

van alles berooft ter wille van het voorwerp van zijn vereering, de

hartstocht, die zijn geluk daarin vindt niets te bezitten, dat niet

tevens daaraan toebehoort. En dat alles speelde zich af te midden

van een steeds toenemend gejuich, van vivatgeroep, van uitgebrulde

aanbiddingskreten, terwijl een steeds heftiger gedrang ontstond,

daar allen, mannen en vrouwen, bezweken voor den onweerstaanbaren

drang om den afgod te kussen.

Een signaal werd gegeven. Leo XIII daalde vlug van den troon af en

nam zijn plaats in den stoet in, om zich weer naar zijn appartementen

te begeven. De Zwitsersche garde hield de menigte krachtig in bedwang

en trachtte in de drie zalen zich een doortocht te banen. Maar toen

de menigte zag, dat Zijne Heiligheid vertrok, rees een reusachtige

kreet van wanhoop op, alsof de hemel zich plotseling gesloten had

voor hen, die hem nog niet hadden kunnen naderen. Welk een bittere

teleurstelling; God was zichtbaar voor hen geweest en zij hadden

hem verloren, voor zij allen door hem aan te raken, hun eeuwig

heil verkregen hadden! Het gedrang was zoo hevig, dat de grootste

verwarring begon te heerschen en de Zwitsersche garde wegvaagde. Men

zag een vrouw achter den paus aansnellen, op handen en voeten op de

marmeren tegels kruipen, om zijn voetsporen te kussen en het stof van

zijn schreden te drinken. De groote brunette, die aan den rand der

estrade neergevallen was, lag in onmacht; twee heeren van het comité

hielden haar vast, opdat zij zich niet wonden zou in den zenuwaanval,

die haar krampachtig trekken deed. Een andere, een dikke blondine,

klampte zich vast aan een der vergulde armen van den fauteuil, waarop

de tengere elboog van den grijsaard gerust had, en drukte er zoo

gulzig haar lippen op, alsof zij hem wilde opeten. Anderen zagen het,

kwamen haar den arm betwisten, maakten zich meester van den anderen,

van de rugleuning, van het fluweel, drukten haar lippen op het hout

en op de stof, terwijl haar lichamen schokten in diepe snikken. Men

moest geweld gebruiken, om haar eraf te rukken.

Toen alles geëindigd was, ontwaakte Pierre als uit een pijnlijken

droom; zijn hart en zijn rede verzetten zich. En weer voelde hij den

blik van monsignor Nani, die niet van zijn zijde week, op zich rusten.

"Een prachtige plechtigheid, niet waar?" vroeg de prelaat. "Dat geeft

voor heel wat ongerechtigheden troost."

"Zeker, maar welk een afgoderij!" kon de priester niet nalaten

te zeggen.

Monsignor glimlachte, maar ging niet verder op Pierre's gezegde in,

deed alsof hij het niet gehoord had. Op dat oogenblik kwamen de twee

Fransche dames, aan wie hij kaarten gegeven had, hem bedanken; en

tot zijn verbazing herkende Pierre in haar de twee bezoeksters der

katakomben, moeder en dochter, die beiden zoo mooi, zoo vroolijk,

zoo gezond waren. Zij waren blij het schouwspel gezien te hebben,

zeiden, dat een dergelijk iets op de wereld niet verder bestond.

Plotseling voelde Pierre in de menigte, die zonder eenige haast de

zalen ontruimde, een hand op zijn schouders leggen. Hij keek om en

zag Narcisse Habert, die buitengewoon geestdriftig was.

"Ik heb u verscheidene malen een teeken gegeven, mijn waarde abbé, maar

gij hebt mij niet gezien... De vrouw, die met haar armen in den vorm

van een kruis stijf neerviel, was wondermooi van uitdrukking. Een

meesterwerk der primitieven, een Cimabue, een Giotto, een Fra

Angelico! En die anderen, die de armen van den fauteuil met haar

kussen verslonden, wat een groep van lieftalligheid, schoonheid en

liefde!... Ik ontbreek bij dergelijke plechtigheden nooit: er zijn

altijd schilderijen, schouwspelen van zielen te zien."

Langzaam vloeide de ontzaglijke stroom van pelgrims weg en ging in

de brandende koorts, die hen bleef doorhuiveren, de trap af. Pierre,

gevolgd door Monsignor Nani en Narcisse, die een gesprek begonnen

waren, dacht na, terwijl het oproer van zijn denkbeelden in zijn

hersens woedde. O zeker, er was iets grootsch en moois in dezen paus,

die zich in zijn Vaticaan had opgesloten, die steeds hooger steeg

in de aanbidding en den heiligen eerbied der menschen, naarmate hij

meer verdween, meer zuiver geest, meer een zuiver zedelijke macht

geworden was, vrij van alle wereldsche zorgen. Er lag daarin iets

vergeestelijkts, een vlucht in het ideale, waardoor hij diep geroerd

werd, want zijn droom van een verjongd Christendom berustte op die

gelouterde, zuiver geestelijke macht van het Hoofd der Kerk. Hij had

nu juist gezien wat die verheven pontifex van het hiernamaals daardoor

aan macht en majesteit won--deze paus, aan wiens voeten de vrouwen

flauw vielen, omdat zij achter hem God zagen. Maar in dezelfde minuut

had hij plotseling de geldvraag voor zich zien oprijzen, wat zijn

vreugde weer geheel bedierf, hem tot nadere overwegingen dwong. Al

had het gedwongen opgeven van de wereldlijke macht den paus grooter

gemaakt door hem te bevrijden van de moeilijkheden, die een kleinen

koning zonder ophouden bedreigen, toch bleef de behoefte aan geld

als een blok aan zijn been, dat hem aan de aarde bond. Daar hij den

geldelijken steun van het koninkrijk Italië niet kon aannemen, had

de werkelijk roerende idee van den Pieterspenning den Heiligen Stoel

van iedere materieele zorg kunnen bevrijden, op voorwaarde dat deze

penning in werkelijkheid de obool van den Katholiek, het penningske

van iederen geloovige was, dat, op het dagelijksch brood gespaard,

regelrecht naar Rome gezonden werd en van de nederige hand, die het

geeft, valt in de verheven hand, die het ontvangt; ongerekend, dat

een dergelijke vrijwillige belasting, door de kudde aan haar herder

betaald, voldoende zijn zou voor het onderhoud der Kerk, indien ieder

van de tweehonderdvijftig millioen Christenen eenvoudig wekelijks

zijn stuiver gaf.

Op deze wijze zou de paus, die aan allen, aan ieder van zijn kinderen

verplichtingen had, aan niemand verplichtingen hebben. Het was zoo

weinig, een stuiver, zoo makkelijk en zoo roerend! Ongelukkig echter

ging de zaak geheel anders, de groote meerderheid der Katholieken

gaf niet, rijken zonden groote sommen uit politieken hartstocht,

en vooral werden de giften opgehoopt in de handen der bisschoppen en

van sommige congregaties, zoodat de ware gevers die bisschoppen, die

machtige congregaties schenen, welke openlijk de weldoeners van het

pausdom werden, de onmisbare kassen, waaruit het zijn leven putte. De

kleinen en nederigen, wier obolen het offerblok vulden, werden als

het ware gesupprimeerd; van de bemiddelaars, van de hooge geestelijke

of wereldlijke heeren hing de paus af, die daardoor genoodzaakt

was hen te ontzien, hun vertoogen aan te hooren, dikwijls zelfs aan

hun inzichten toe te geven, indien hij de aalmoezen niet wilde zien

opdrogen. Niettegenstaande hij van het doode gewicht der wereldlijke

macht bevrijd was, was hij toch niet volkomen vrij, was hij afhankelijk

van zijn clerus, daar hij met te veel belangen van eerzucht rekening

moest houden, om de trotsche, zuiver geestelijke meester te zijn,

die in staat was, om de wereld te redden. En Pierre herinnerde zich

de Grot van Lourdes in de tuinen, de banier van Lourdes, die hij

zooeven gezien had; hij wist, dat de paters van Lourdes jaarlijks

een som van tweehonderdduizend francs afzonderden van hun inkomsten,

om die aan den Heiligen Vader te zenden. Was dat niet de hoofdreden

van hun almacht? Hij beefde en werd zich plotseling bewust, dat hij,

ondanks zijn aanwezigheid te Rome, ondanks den steun van kardinaal

Bergerot, verslagen en zijn boek veroordeeld zou worden.

Toen hij eindelijk in het laatste gedrang der menigte op het plein

voor de St. Pieter kwam, hoorde hij Narcisse vragen:

"Gelooft u werkelijk, dat de giften vandaag dit bedrag overschreden

hebben?"

"O meer dan drie millioen, daar ben ik ten stelligste van overtuigd,"

antwoordde monsignor Nani.

Met hun drieën bleven zij een oogenblik onder de rechtsche

zuilengaanderij staan kijken naar het in het zonlicht badende plein,

waarop de drie duizend pelgrims zich als kleine zwarte vlekjes

verspreidden, een wriemelende menigte, een in opstand gekomen

mierenhoop.

Drie millioen! Het geld bleef in Pierre's ooren klinken. Hij keek naar

de gevels van het Vaticaan, die aan de andere zijde van het plein

geheel verguld in de zon lagen, alsof hij door de muren heen Leo

XIII wilde volgen, terwijl deze door de muren en de zalen naar zijn

appartementen ging, waarvan hij de ramen in de hoogte onderscheiden

kon. In zijn gedachten zag hij hem beladen met de drie millioenen,

hoe hij ze met zich droeg in zijn magere, tegen zijn borst gedrukte

armen, hoe hij met zich droeg het zilver, het goud, het bankpapier,

tot aan de juweelen, die de vrouwen hem toegeworpen hadden, toe. Dan

begon hij onbewust, hardop te spreken.

"En wat gaat hij met die millioenen doen? Waarheen gaat hij ermede?"

Narcisse en monsignor Nani konden bij het hooren van deze op die wijze

geuite nieuwsgierigheid hun vroolijkheid niet bedwingen. En de jonge

man antwoordde:

"Maar die neemt Zijne Heiligheid mee naar zijn kamer of liever

hij laat ze voor zich uitdragen. Hebt u die twee personen uit zijn

gevolg niet gezien, die alles opraapten, al hun zakken en hun handen

vol hadden?... En nu heeft Zijne Heiligheid zich alleen opgesloten,

iedereen weggestuurd, alle knippen op de deur gedaan... Als u achter

die deur kon kijken, zoudt u zien hoe hij met gelukkige aandacht

zijn schatten telt en hertelt, de goudstukken netjes opstapelt, het

bankpapier in de couverten doet en dan alles op geheime plaatsen,

die hij alleen kent, wegbergt."

Terwijl Narcisse sprak, had Pierre zijn blikken weer gericht naar de

ramen van den paus, alsof hij het tooneel gevolgd had. De jonge man

vertelde verder, zeide, dat er in de kamer tegen den rechtermuur een

meubelstuk stond, waarin het geld bewaard werd. Sommigen vertelden

ook van diepe laden in een schrijfbureau; anderen weer beweerden,

dat het geld achter in het groote alkoof in met zware sloten voorziene

koffers sliep. Links van de naar het Archief leidende gang was er wel

een groot vertrek, waarin de hoofdkassier met een groote brandkast

met drie afdeelingen huisde, maar daarin bevond zich het geld van

het erfgoed van den Heiligen Petrus, de administratieve inkomsten

uit Rome, terwijl het geld van de Pieterspenning, van de aalmoezen

der geheele Christenheid, in de handen van Leo XIII bleef, die alleen

het bedrag daarvan wist en alleen met die millioenen leefde, waarover

hij de onbeperkte beschikking had en waarvan hij niemand rekenschap

behoefde af te leggen. Hij verliet dan ook zijn kamer niet, wanneer de

bedienden haar kwamen doen. Nauwlijks liet hij zich overhalen even op

den drempel te gaan staan, om het stof niet in te ademen. Wanneer hij

zich voor enkele uren verwijderde, om in de tuinen te gaan wandelen,

deed hij de deuren op het nachtslot en nam de sleutels mede, die hij

nooit aan iemand toevertrouwde.

Narcisse hield op en wendde zich dan tot monsignor Nani.

"Dat zijn feiten, die geheel Rome kent, nietwaar monseigneur?"

De prelaat, die, zonder zijn goed- of afkeuring uit te spreken,

glimlachend met zijn hoofd schudde, was weer begonnen op het gelaat

van Pierre den indruk, dien deze verhalen op hem maakten, te volgen.

"Zeker, zeker, men zegt zooveel!... Ik voor mij weet het niet, maar

als u het zegt, mijnheer Habert!"

"O!" antwoordde deze; "ik beschuldig Zijne Heiligheid niet zoo

schraperig gierig te zijn, als het gerucht wel wil. Er gaan heele

verhalen van met goud gevulde koffers, waarin hij uren lang zou zitten

graaien--van schatten, die in hoeken opgehoopt zijn alleen voor het

genot om ze te tellen en telkens weer te tellen... Maar wel kan men,

geloof ik, met recht beweren, dat de Heilige Vader eenigszins van

het geld houdt, dat hij het, als hij alleen is, prettig vindt het

aan te raken en het te ordenen; een manie, welke bij een ouden man,

die geen andere afleiding heeft, wel te verontschuldigen is... En ik

haast mij eraan toe te voegen, dat hij van het geld nog meer houdt

om de sociale kracht, die erin ligt, om den grooten steun, dien het

aan het pausdom van morgen geven moet, als het overwinnen wil."

Toen rees voor Pierre de hooge gestalte van den voorzichtigen en

wijzen paus op, die zich de moderne behoeften besefte, geneigd was

de machten der eeuw te gebruiken, om deze te veroveren, die zaken

deed, ja zelfs in een financieele debacle den door Pius IX nagelaten

schat bijna verloren had, en nu de bres trachtte te stoppen en

den schat te herstellen, om hem grooter aan zijn opvolger na te

laten. Spaarzaam, ja, maar spaarzaam voor de behoeften der Kerk,

waarvan hij besefte, dat zij groot waren, iederen dag grooter werden,

voor haar een levensquaestie waren, indien zij het atheïsme op het

gebied van scholen, inrichtingen en allerlei vereenigingen bestrijden

wilde. Zonder geld was zij niets meer dan een vazal, overgeleverd

aan de genade der burgerlijke machten van het koninkrijk Italië en

andere Katholieke naties. Daardoor kwam het, dat hij, ondanks zijn

liefdadigheidszin, ondanks het feit, dat hij rijkelijk nuttige werken

steunde, welke den triomf van het Geloof konden verhaasten, een afschuw

had van nuttelooze uitgaven en voor zich zelf en voor anderen uiterst

spaarzaam was. Persoonlijke behoeften had hij niet. Van het begin

van zijn pausschap af had hij zijn klein particulier vermogen geheel

gescheiden van den grooten rijkdom van den Heiligen Stoel, had hij

geweigerd iets daarvan af te nemen, om de zijnen te helpen. Nooit

had een paus zoo weinig aan het nepotisme toegegeven; zijn drie

neven en zijn twee nichten waren arm gebleven en verkeerden in groote

financieele moeilijkheden. Hij luisterde noch naar praatjes, noch naar

klachten, noch naar beschuldigingen; hij bleef doof en ontoegankelijk

daarvoor, verdedigde energiek de millioenen van het pausdom tegen

de vele hardnekkige begeerige lusten, tegen zijn omgeving en tegen

zijn familie. Hij stelde er zijn trots in den toekomstigen pausen,

het onoverwinlijke wapen, het leven gevend geld, na te laten.

"Maar waarin bestaan," vroeg Pierre, "eigenlijk de inkomsten en de

uitgaven van den Heiligen Stoel?"

Monsignor Nani haastte zich zijn ontwijkend gebaar te herhalen.

"O van die dingen weet ik absoluut niets... Wend u tot mijnheer Habert,

die zoo goed op de hoogte is."

"Lieve God," begon deze; "ik weet wat iedereen in de ambassades weet

en wat overal verteld wordt... Wat de inkomsten betreft, moet men

wel een goed onderscheid maken... In de eerste plaats is er de door

Pius IX nagelaten schat, een twintig millioen, die op verschillende

wijzen belegd zijn en ongeveer een millioen rente geven; maar veel

is, zooals ik reeds gezegd heb, in een krach verloren gegaan, doch,

naar men beweert, weer teruggekomen ook. Bij de vaste inkomsten

van dat kapitaal komen dan nog een paar honderdduizend francs,

die door elkaar genomen de kanselarijrechten, de adellijke titels

en de duizenden kleine belastingen, die aan de congregaties betaald

worden, opleveren... Maar daar het budget der uitgaven zeven millioen

bedraagt, moet men er jaarlijks zes millioen bij zien te krijgen,

die de Pieterspenning ongetwijfeld verschaft heeft, niet alle zes

misschien, maar drie of vier, waarmede men gespeculeerd heeft om ze

te verdubbelen en de uitgaven te dekken... Het zou te lang duren, u

de geschiedenis der speculaties van den Heiligen Stoel in de laatste

vijftien jaar te vertellen, de reusachtige winsten in den beginne,

dan de catastrophe, die bijna alles medegesleept heeft, het hardnekkig

blijven volhouden, waardoor de gaten ten slotte weer gestopt zijn. Ik

zal het u later wel eens vertellen, als u er nieuwsgierig naar bent."

Pierre luisterde zeer belangstellend.

"Zes millioen!" riep hij uit. "Of ook vier! Wat brengt dan de

Pieterspenning op?"

"Ik heb u al gezegd, niemand heeft dat ooit precies geweten. Vroeger

publiceerden de couranten lijsten, de cijfers van de giften, kon men

tenminste een raming maken. Maar ongetwijfeld heeft men dat verkeerd

gevonden, want er wordt geen enkel bericht meer gepubliceerd,

zoodat het te eenenmale onmogelijk is zich een voorstelling te

maken van wat de paus ontvangt. Hij alleen, ik zeg het u nogmaals,

kent het totale bedrag, bewaart het geld en beschikt erover als

onbeperkt heerscher. Aangenomen mag worden, dat in goede jaren de

giften vier à vijf millioen opgebracht hebben. Frankrijk droeg in den

beginne de helft van die som af, maar tegenwoordig geeft het beslist

minder. Amerika geeft eveneens veel. Dan komen België en Oostenrijk,

Engeland en Duitschland. Wat Spanje en Italië betreft... O, Italië..."

Glimlachend keek hij monsignor Nani aan, die, als was hij verrukt

interessante dingen te hooren, waarvan hij niets wist, met zijn

hoofd schudde.

"Ga voort, mijn waarde zoon!"

"O, Italië slaat geen schitterend figuur. Als de paus alleen moest

leven van de Italiaansche giften, dan zou er gauw hongersnood heerschen

op het Vaticaan. Men kan zelfs zeggen, dat de Romeinsche adel, verre

van hem te helpen, hem veel gekost heeft, want een der voornaamste

oorzaken van zijn verliezen is het geld geweest, dat door hem aan

prinsen geleend is, die speculeeren wilden... Eigenlijk zijn Frankrijk

en Engeland de eenige landen, waar rijke particulieren en de hooge

adel den paus, gevangene en martelaar, koninklijke geschenken gegeven

hebben. Men noemt den naam van een Engelschen hertog, die jaarlijks,

om een gelofte, die hij gedaan had, ten einde van den hemel de genezing

van een ongelukkigen idioten zoon te verkrijgen, te vervullen, een

groote gift bracht... En nu spreek ik nog niet van den buitengewonen

oogst tijdens het priester- en bisschopsjubileum, van de veertig

millioen, die toen aan de voeten van Zijne Heiligheid neervielen."

"En de uitgaven?" vroeg Pierre.

"Dat heb ik u al gezegd, die bedragen ongeveer zeven millioen. Men kan

twee millioen rekenen voor de pensioenen, welke aan de voormalige

dienaren der pauselijke regeering betaald worden, die niet in

Italiaanschen dienst wilden overgaan. Het spreekt vanzelf, dat dit

bedrag jaarlijks vermindert door uitsterven... Laten we verder een

millioen nemen voor de Italiaansche diocesen, een millioen voor de

secretarie en de nuntii en een millioen voor het Vaticaan. Met dat

laatste bedoel ik de uitgaven voor het pauselijke Hof, de militaire

garde, de musea, het onderhoud van het paleis en van de Basilica... Dan

hebben we dus vijf millioen. Stel de overblijvende twee op rekening

van ondersteuning van goede werken, voor de Propaganda en vooral voor

de scholen, die Leo XIII met zijn breed praktisch inzicht altijd

zeer ruim subsidieert in de zeer juiste gedachte, dat de strijd en

de triomf van het geloof voornamelijk bij de kinderen ligt, die de

mannen van morgen zijn en hun moeder, de Kerk, zullen verdedigen,

indien men hun afschuw voor de verfoeilijke leerstellingen der eeuw

heeft weten in te boezemen."

Er volgde een zwijgen. De drie mannen bleven onder de majestueuse

zuilengang staan, waarin zij langzaam op en neer gewandeld

hadden. Langzamerhand was het groote plein leeg geloopen, stonden nog

slechts de obelisk en de twee fonteinen op het verlaten, in de zon

brandende, symmetrische vierkant, terwijl tegen de kroonlijst van

de zuilengaanderij aan de overzijde de standbeelden zich in edele,

roerlooze rust afteekenden.

Een oogenblik meende Pierre, die zijn blikken nog steeds op de ramen

van den paus gericht hield, nogmaals hem in dien stroom van goud te

zien, waarvan men hem vertelde--meende hij te zien, hoe zijn witte en

reine persoonlijkheid, zijn arm, mager, doorzichtig lichaam van was

in die millioenen baadde, die hij verstopte, die hij telde, die hij

alleen uitgaf tot Gods eere.

"Dus," prevelde hij, "heeft hij geen zorgen, verkeert hij niet in

geldverlegenheid?"

"In geldverlegenheid, in geldverlegenheid?" riep monsignor Nani uit,

dien dat woord zoo buiten zichzelf bracht, dat hij zijn diplomatieke

achterhoudendheid varen liet. "Maar, mijn waarde zoon!... Iedere

maand, dat de rentmeester, kardinaal Mocenni, naar Zijne Heiligheid

gaat, geeft de Heilige Vader hem de som, die hij vraagt, en hij zou

ze hem geven, ook al was zij nog zoo groot. Natuurlijk is hij zoo

verstandig geweest een flinke reserve te maken; de schatkist van

den Heiligen Petrus is rijker dan ooit... In geldverlegenheid! In

geldverlegenheid! Lieve God! Maar weet u wel, dat, als morgen

onverhoopt de paus een direct beroep moest doen op de liefde van

zijn kinderen, de Katholieken der geheele wereld, een milliard voor

zijn voeten neervallen zou juist zooals het goud en de juweelen,

die daareven op de treden van den troon regenden?"

Doch zich dan weer kalmeerend en zijn vriendelijken glimlach

terugkrijgend:

"Dat heb ik tenminste meermalen hooren zeggen, want ik persoonlijk

weet niets, absoluut niets. Het is maar heel gelukkig, dat mijnheer

Habert juist hier was, om u in te lichten... En ik dacht nog al,

mijnheer Habert, dat u geheel en al in de kunst opging en u verre

hieldt van al die vragen van aardsch belang! Waarachtig, u bent in

die dingen even goed thuis als een bankier of een notaris... U weet

letterlijk alles, ja zeker, alles! Het is wonderlijk!"

Narcisse voelde blijkbaar de fijne ironie, want inderdaad stak in

hem onder den nagemaakten Florentijn, onder den engelachtigen jongen

met zijn lange, gelokte haren, zijn lichtblauwe oogen, die voor de

Botticelli's wegzwijmelden, een praktische, in zaken zeer ervaren

man, die zijn fortuin bewonderenswaardig, ja zelfs eenigszins gierig,

beheerde. Hij sloot half zijn oogen, die een kwijnende uitdrukking

aannamen.

"Ach," prevelde hij, "dat alles zijn maar droomerijen; mijn ziel

is elders."

"Enfin, ik ben blij," wendde monsignor zich tot Pierre, "heel blij,

dat u van zoo'n mooi schouwspel getuige hebt kunnen zijn. Nog een paar

dergelijke gelegenheden, en u zult zien en zelf begrijpen wat zeker

heel wat beter is dan alle redeneeringen van de wereld... Tot morgen,

en verzuim vooral de groote plechtigheid in de St. Pieter niet. Het

zal prachtig zijn en u stof tot nadenken geven, daar ben ik zeker

van... Doch nu moet ik u verlaten. Het verheugt mij inderdaad u in

zoo'n goede stemming te zien."

Zijn onderzoekende oogen schenen met een laatsten blik de moeheid en

de onzekerheid, die zich op Pierre's bleek gelaat afteekenden, met

vreugde op te merken. Toen hij weg was en ook Narcisse met een zachten

handdruk afscheid genomen had, voelde de jonge priester een toornige

woede in zich opkomen. De goede stemming, waarin hij was! Wat voor

een goede stemming? Hoopte die Nani hem moe te maken, hem tot wanhoop

te brengen, door hem telkens nieuwe hinderpalen in den weg te leggen,

en hem ten slotte geheel te overwinnen? Voor de tweede maal kreeg hij

het plotselinge gevoel, dat om hem heen allerlei heimelijke pogingen

gedaan werden, om hem te omsingelen en te breken. Een opwellende

trots deed hem minachtend op dat alles neerzien, vast als hij aan zijn

weerstandskracht geloofde. Opnieuw legde hij voor zichzelf de plechtige

gelofte af, om nooit toe te geven, nooit zijn boek terug te nemen,

wat er ook gebeuren mocht. Wanneer men bij zijn besluit volhardt,

is men onoverwinlijk, baatten noch ontmoedigingen noch verbittering!

Maar voor hij het plein overstak, richtte hij zijn blikken nog

eenmaal naar de ramen van het Vaticaan, en alles was voor hem hierin

samengevat: er bleef niets over dan dat geld, welks zwaar noodzakelijk

gewicht de laatste band was, die den paus, thans bevrijd van de

neerdrukkende zorgen van wereldlijke macht, nog aan de aarde bond;

dit geld, dat hem verplichtingen gaf, dat vooral door de wijze, waarop

het gegeven werd, slecht geworden was. Doch dan kwam, ondanks alles,

weer een blijde stemming in hem op, toen hij bedacht, dat, wanneer

daar alleen een begripsquaestie in lag, zijn droom van een zuiver

geestelijken paus, die de wet der liefde, het geestelijke hoofd

der wereld was, niet ernstig bedreigd werd. Hij wilde nog slechts

hopen in de gelukkige ontroering over het buitengewone schouwspel,

dat hij gezien had, dezen zwakken grijsaard, die straalde als het

symbool van de menschelijke bevrijding, gehoorzaamd en aangebeden

werd door de menigte, die alleen de moreele almacht in handen had,

om eindelijk op aarde liefde en vrede te doen heerschen.

Gelukkig had Pierre voor de plechtigheid van den volgenden dag een

rose kaart, die hem een plaats op de gereserveerde tribune gaf; want

het gedrang bij de deuren der basilica was ontzettend van af zes uur

's ochtends, het uur, waarop men zoo verstandig geweest was de hekken

te openen, ofschoon de mis, die de paus persoonlijk lezen zou, eerst

om tien uur beginnen moest. Het getal der drie duizend geloovigen,

waaruit de internationale bedevaart van de Pieterspenning bestond, werd

door de uit alle hoeken van Italië naar Rome gestroomde touristen, die

een van die in den laatsten tijd zoo weinig voorkomende pontificale

plechtigheid gaarne wilden zien, vertienvoudigd, ongerekend nog

de getrouwen van den Heiligen Stoel, die Rome-zelf en de overige

groote steden van Italië telden en die zich haastten om hun trouw

te manifesteeren, zoodra de gelegenheid zich daartoe aanbood. Naar

het aantal afgegeven kaarten rekende men op een veertig duizend

aanwezigen. Toen Pierre om negen uur het plein overging, om zich

door de Via Santa Maria naar de Porta Canonica te begeven, waar de

rose kaarten ingenomen werden, zag hij onder de zuilengaanderij nog

de eindelooze queue, die zich langzaam voortbewoog, terwijl heeren in

gekleede jas in de brandende zon op en neer vlogen, om met behulp van

een detachement pauselijke gendarmen de orde te handhaven. Meermalen

ontstonden er in de dichte menigte twisten, werden zelfs te midden

van onwillekeurig gedrang vuistslagen gewisseld. Er heerschte een

verstikkende hitte, twee vrouwen werden, half platgedrukt, weggedragen.

Toen Pierre de basilica binnenkwam, werd hij zelf onaangenaam

getroffen. Het reusachtige schip was geheel bekleed. Overtrekken van

oud rood damast met goudgalon waren om de vijf-en-twintig meter hooge

zuilen en pilasters aangebracht, terwijl de omgang der zijbeuken met

dezelfde stof gedrapeerd was. Het bedekken van dit prachtige marmer,

van deze geheele schitterende decoratie onder deze oude, verbleekte

zijde bewees waarlijk een buitengewonen smaak en maakte den indruk

van een gekunstelden, armzaligen praal. Maar zijn verbazing werd nog

grooter, toen hij zag, dat ook het bronzen beeld van den Heiligen

Petrus als een levende paus met prachtige, pauselijke gewaden

bekleed en de tiara op zijn metalen hoofd geplaatst was. Nooit had

hij gedacht, dat men beelden kon aankleeden, om ze te eeren of een

feest voor de oogen te doen zijn; het resultaat scheen hem dan ook

zeer mager. De Heilige Vader zou de mis aan het pauselijk altaar

der Confessie, het hoofdaltaar onder den dom, lezen. Bij den ingang

van den linkerzijbeuk stond op een estrade de troon, waarop hij na

de mis plaats zou nemen. Aan de beide kanten van het middenschip

had men tribunes opgericht voor de zangers der Sixtijnsche kapel,

het corps diplomatique, de Malthezer ridders, den Romeinschen adel

en verdere genoodigden. In het midden voor het altaar stonden slechts

drie rijen roodbekleede banken, de eerste voor de kardinalen, de twee

andere voor de bisschoppen en de prelaten van het pauselijk Hof. De

overige aanwezigen moesten blijven staan.

O, deze reusachtige menigte als op een monsterconcert, die dertig-,

veertigduizend van overal saamgestroomde geloovigen, die zich,

opgezweept door nieuwsgierigheid, hartstocht en geloof, heen en weer

bewogen, elkaar verdrongen, op hun teenen gingen staan om te midden

van het luide gebruis van den menschelijken vloed te zien. Alles

ging met God vertrouwelijk en vroolijk om, als bevond men zich in een

goddelijken schouwburg, waar het veroorloofd was luid te spreken en

zich in het schouwspel van vromen praal te vermeien. Pierre werd er in

den beginne onaangenaam door verrast, hij, die slechts het zwijgende

nederknielen in de donkere kathedralen kende, die niet gewend was

aan dezen godsdienst van licht, welks schittering een religieuse

plechtigheid in een openluchtfeest veranderde. In de tribune, waar

hij zijn plaats gevonden had, was hij omringd door heeren in gekleede

jas en dames in het zwart, die hun tooneelkijkers gebruikten, alsof

zij in de Opéra waren. Er waren vooral veel vreemde dames, Duitsche,

Engelsche, Amerikaansche, lieftallig als onbezonnen en luidruchtige

vogeltjes. Links van zich zag hij in de tribune van den Romeinschen

adel Benedetta en haar tante, donna Serafina; daar staken de groote

kanten sluiers scherp af tegen den voorgeschreven eenvoud der toiletten

en wedijverden in elegance en rijkdom. Aan zijn rechterhand stond de

tribune der Malthezer ridders, waar de grootmeester der orde te midden

van een groep commandeurs zat, terwijl hij in de tribune tegenover

zich, die van het corps diplomatique, de gezanten van alle Katholieke

naties in groot gala-costuum zag. Maar steeds keerde zijn blik weer

terug naar de groote, onbestemde menigte, waarin de drie duizend

pelgrims als verdronken tusschen de duizenden andere geloovigen.

En toch was de basilica, die makkelijk tachtig duizend menschen

bevatten kon, nauwlijks half gevuld door deze menigte, die zich

vrijelijk door de zijschepen bewegen en ophoopen kon tusschen de

zuilen, vanwaar het schouwspel het makkelijkst te volgen zou zijn. Men

zag menschen, die gebaren maakten, en uit het voortdurend geroezemoes

der gesprekken steeg hier en daar geroep op. Door de hooge vensters

vielen breede zonnestralen, kleurden de rooddamasten overtrekken

bloedrood en belichtten de opgewonden, van ongeduld koortsachtige

gezichten als met den weerschijn van een brand. De kaarsen, de

zeven-en-tachtig lampen der Confessie verbleekten in dit verblindend

licht tot kleine nachtpitjes. Het was niets meer dan de wereldlijke

pracht van den keizerlijken God der Romeinsche praal.

Plotseling ontstond er een valsch alarm. Kreten stegen op en plantten

zich door de menigte voort: "Eccolo, eccolo!" [10] Nu ontstond er een

gedrang; stroomen en tegenstroomen sleepten den menschelijken vloed

als in een draaikolk mede; allen rekten hun halzen uit, maakten zich

grooter, stormden weg als razenden, om Zijne Heiligheid en den stoet

te zien. Doch het was nog slechts een afdeeling van de edelgarden, die

zich rechts en links van het altaar gingen opstellen. Toch bewonderde

men hen, men bracht hun een ovatie, een vleiend gemompel volgde

hen om hun mooie houding, hun overdreven militaire stramheid. Een

Amerikaansche beweerde, dat het prachtkerels waren. Een Romeinsche gaf

aan een vriendin, een Engelsche, bijzonderheden over dit elitecorps

en vertelde, dat vroeger de jongelui der aristocratie er een eer

in stelden om er deel van uit te maken, om de mooie uniformen,

waarmede zij bij de dames konden geuren; nu echter werd de aanwerving

moeilijker, zoodat men zich tevreden stellen moest met knappe jongelui

uit den twijfelachtigen en geruïneerden adel, die nog blij waren

met de karige soldij, die hen in staat stelde te leven. Gedurende

een kwartier werden die particuliere gesprekken nog voortgezet en

vulden de hooge schepen met het geroezemoes van een ongeduldige zaal,

die zich den tijd bekort met het opnemen van het publiek en elkaar,

in afwachting van het schouwspel, nieuwtjes vertelt.

Eindelijk trok de stoet voorbij. Dat was de groote, lang verwachte

bijzonderheid, de praal, waarnaar men zoo vurig verlangd had,

om hem in het voorbijgaan toe te juichen. Evenals wanneer in den

schouwburg de geliefde acteur in de groote rol van een jeune-premier,

die de harten verovert, op het tooneel komt, zoo barstte ook hier

een geestdriftige bijval los, die omhoog steeg en voortdreunde onder

de gewelven. Ook verder had men, alweer evenals in een schouwburg,

dit verschijnen handig en knap geregeld, opdat het te midden van het

prachtige decor niets van zijn uitwerking missen zou. De stoet had zich

in de coulissen, in de Cappella della Pieta, de eerste kapel rechts bij

het binnenkomen, gevormd; om die te bereiken, had de paus, die door de

Cappella del Sagramento uit zijn dichtbij gelegen vertrekken gekomen

was, achter de draperieën van het zijschip moeten gaan, die aldus als

een soort achtergrond dienst deden. Daar wachtten hem de kardinalen,

de aartsbisschoppen, de tot de hofhouding behoorende prelaten,

reeds volgens de hiërarchie in klassen en groepen gerangschikt en

gereed, om zich in beweging te zetten. Als op het signaal van een

balletmeester trad de stoet binnen, ging naar het hoofdschip en

doorliep dat triomphantelijk van de hoofddeur tot het altaar der

Confessie, tusschen de dubbele rij geloovigen, wier toejuichingen

bij het zien van zooveel pracht verdubbelden, naarmate het delireeren

van hun geestdrift steeg.

Het was de feeststoet als van ouds, het kruis en het zwaard, de

Zwitsersche garde in groot tenue, de lakeien in een scharlaken cimarra

[11], de eerekamerheeren in Henri II-dracht, de kanunniken in kanten

koorhemden, de leiders der godsdienstige congregatie, de apostolische

protonotarii, de aartsbisschoppen en bisschoppen, het geheele pauselijk

hof in violette zijde, de kardinaals in purper en met de cappa magna,

op groote afstanden plechtig twee aan twee loopend. Vervolgens kwamen,

om Zijne Heiligheid geschaard, de officieren van het militaire Huis,

de prelaten van de geheime antichambre, de majordomus, de kamerheer en

alle hoogwaardigheidsbekleders van het Vaticaan, benevens de bij den

troon assisteerende Romeinsche vorst, de traditioneele en symbolische

verdediger der Kerk. Op de seda gestatoria, die de flabelli met

hun hooge veeren waaiers beschermden en dragers in roode met zijde

geborduurde tunica's droegen, zat Zijne Heiligheid, gekleed in de

heilige gewaden, die hij in de Cappella del Sagramento aangetrokken

had, den amictus [12], het miskleed, de stola, de witte, rijk met

goud geborduurde kazuifel en mijter, twee buitengewoon prachtige

geschenken uit Frankrijk. Bij zijn nadering gingen alle handen de

hoogte in en klapten nog luider in de golven van de felle zon, die

door de ramen vielen.

Pierre kreeg toen een geheel nieuwen indruk van Leo XIII. Het

was niet meer de vertrouwelijke, moede en nieuwsgierige grijsaard,

die aan den arm van een praatzieken prelaat in den mooisten tuin der

wereld wandelde. Het was zelfs niet meer de Heilige Vader in den rooden

mantel en met de pauselijke muts, die vaderlijk een bedevaart ontving,

welke hem een vermogen bracht. Het was de souvereine Pontifex, de

almachtige Meester, de God, dien de Christenheid vereerde. Als in een

reliquieënkastje zat hij daar. Zijn mager, wasachtig lichaam scheen

in het witte, zwaar met goud geborduurde gewaad geheel stijf geworden

te zijn; hij bewaarde een hiëratische en trotsche onbeweeglijkheid

als een afgodsbeeld, dat in den loop der eeuwen door den rook der

offeranden uitgedroogd en bruin geworden is. De oogen alleen leefden

in de doode strakheid van het gezicht--oogen als een paar zwarte,

fonkelende diamanten, die in de verte, ver van de aarde, in het

oneindige staarden. Hij had geen blik voor de menigte, sloeg zijn

oogen noch naar links noch naar rechts, als was hij in den hemel en

wist hij niet, wat er aan zijn voeten gebeurde. En dat afgodsbeeld, dat

ondanks het schitteren der oogen als gebalsemd, doof en blind scheen,

dat door deze razende menigte gedragen werd, die het niet scheen

te zien of te hooren, nam een angstaanjagende majesteit, een vrees

inboezemende grootheid, de starheid van het dogma, de onbeweeglijkheid

der traditie aan. Men had het opgegraven met al zijn windselen, die het

nog samen en staande hielden. Toch meende Pierre op te merken, dat de

paus lijdend en moe was, zeker had hij een van die koortsaanvallen,

waarover monsignor Nani hem den vorigen dag gesproken had, toen hij

den moed, de groote ziel van dezen vier-en-tachtigjarigen grijsaard

verheerlijkte, dien slechts de wil om te leven in de hoogheid van

zijn zending leven deed.

De plechtigheid begon. Nadat Zijne Heiligheid voor het altaar der

Confessie uit de seda gestatoria gestapt was, celebreerde hij,

bijgestaan door vier prelaten en den propraefect der ceremoniën,

een stille mis. Bij het Lavabo [13] sprenkelden de majordomus en de

kamerheer, begeleid door twee kardinalen, het water over de verheven

handen van den officiant, terwijl even voor de elevatie [14] alle

prelaten van het pauselijk Hof met een brandende kaars in de hand

voor het altaar gingen knielen. Het was een plechtig oogenblik,

de veertig duizend daar verzamelde getrouwen huiverden en voelden

den vreeselijken en toch heerlijken wind uit het onzienlijke over

zich strijken, toen gedurende de elevatie zilveren klaroenen het

beroemde engelenkoor aanhieven, waarbij steeds weer vrouwen in

onmacht vielen. Bijna onmiddellijk daarop klonk uit den dom, uit de

bovengalerij, waar honderdtwintig koorzangers verborgen waren, een

aetherisch-fijne zang: het was een wonder, een verrukking, alsof de

engelen zelf geantwoord hadden op de klaroenen.

De stemmen daalden en vlogen licht als hemelsche harptonen onder het

gewelf; dan verdwenen zij in een zacht accoord, stegen zij op naar den

hemel met een zacht vleugelgeklap, dat langzaam wegstierf. Na de mis

hief Zijne Heiligheid zelf, nog steeds op het altaar staande, het Te

Deum aan, dat de jongeren der Sixtijnsche kapel en de koren herhaalden,

beurtelings een vers zingend. Maar weldra vielen alle aanwezigen in,

de veertig duizend stemmen verhieven zich in juichenden lofzang,

verbreidden zich met een onvergelijkelijke volheid in het onmetelijke

schip. Thans was het schouwspel buitengewoon prachtig: het door den

met bloemen versierden, vergulden baldakijn van Bernini omgeven altaar,

omringd door het pauselijke Hof, waartusschen de brandende kaarsen als

sterren flikkerden; in het midden de paus, schitterend als een zon in

zijn gouden kazuifel, daarvoor de banken der kardinalen in purper,

der aartsbisschoppen en bisschoppen in violette zijde, de tribunes,

waarop de galakostuums, de ridderkruisen van het corps diplomatique,

de uniformen schitterden; die van overal samenstroomende menigte, die

zee van hoofden, welke van uit de verste diepten der basilica opdeinde.

En ook de reusachtige afmetingen van dit alles maakten indruk,

de zijschepen, waar een geheele parochie zich verzamelen kon, de

dwarsbeuken, groot als kerken in een volkrijke stad, een tempel,

dien duizenden en duizenden geloovigen nauwlijks vulden. Zelfs de

lofzang van dit volk werd iets geweldigs en steeg als een stormvlaag

op tusschen de groote graftomben, de bovenmenschelijke standbeelden,

langs de reusachtige zuilen tot den onmetelijken steenen hemel van

het gewelf, tot het firmament van den koepel, waar het oneindige zich

in den goudglans der mozaïeken opende.

Na het Te Deum, terwijl Leo XIII in plaats van den mijter de tiara

opzette, den kazuifel voor den pauselijken koormantel verwisselde

en zijn troon op de bij den ingang van de linkerdwarsbeuk geplaatste

estrade besteeg, ontstond er een langdurig lawaai. Van af dezen troon

overzag en beheerschte hij de geheele menigte, die door een huivering

doorsidderd werd, als streek een ademtocht uit het onzienlijke over

haar heen, toen hij na de gebeden van het rituaal opstond. Hij scheen

grooter geworden onder de drievoudige-symbolische kroon, in zijn met

goud omzoomden mantel. Te midden van een plotselinge, diepe stilte,

die alleen verstoord werd door het kloppen der harten, hief hij met een

zeer edel gebaar zijn arm op en gaf langzaam den pauselijken zegen met

een luide en vaste stem, die de stem van God zelf scheen te zijn, zóó

verrassend klonk zij van deze waslippen, uit dit bloed- en levenlooze

lichaam. De uitwerking was verpletterend; en toen de stoet zich

opnieuw vormde, om denzelfden weg terug te gaan als hij gekomen was,

barstten de toejuichingen opnieuw los. De razernij van den geestdrift

had zulk een paroxysme bereikt, dat het klappen in de handen niet meer

voldoende was, doch zich toejuichingen en kreten daaronder mengden,

die zich langzamerhand over de geheele menigte verbreidden. Het begon

in een vurig-geestdriftigen groep bij het standbeeld van den Heiligen

Petrus: "Evviva il papa re! Evviva il papa re!" [15] Dan volgde het den

geheelen stoet als een lekkende vlam, die allengs de harten in brand

stak en eindelijk uit duizenden monden knetterde als een donderend

protest tegen de overweldiging der Kerkelijke Staten. Het geheele

geloof, de geheele liefde der geloovigen werd door het koninklijke

schouwspel van een zoo mooie ceremonie overprikkeld en keerde terug

tot den droom, tot het hartstochtelijk verlangen naar een paus, die

koning en pontifex was, meester der lichamen, zoowel als der zielen,

onbeperkt heerscher van de wereld. Daarin lag de eenige waarheid,

het eenige geluk, het eenige heil. Alles moest hem gegeven worden,

de menschheid en de wereld! Evviva il papa re! Evviva il papa re!

O, deze kreet, deze krijgskreet, die zooveel fouten had doen begaan

en zooveel bloed had doen stroomen, die kreet van overgave en

verblinding, die, als hij werkelijkheid geworden was, de tijden van

lijden teruggebracht zou hebben! Hij wekte verzet in Pierre, deed

hem besluiten vlug de tribune te verlaten, om aan de besmetting van

die afgoderij te ontkomen. Terwijl de stoet nog door de kerk trok,

trachtte hij zich een weg te banen door den linkerzijbeuk in het

gedrang en lawaai der menigte; daar hij er echter aan wanhoopte

op die wijze de straat te bereiken en het woeste dringen bij den

uitgang vermijden wilde, kwam hij op de gedachte van een openstaande

zijdeur gebruik te maken en vluchtte hij in de vestibule, vanwaar een

trap naar den dom leidde. Een sacristijn, die bij de trap stond en

in verrukking was over de schitterende manifestatie, keek hem een

oogenblik aan en wist niet of hij hem tegenhouden moest of niet,

maar het zien van de soutane en de opwinding, waarin hij verkeerde,

deed hem besluiten hem maar door te laten. Met een gebaar liet hij

Pierre passeeren, die vlug de trap opliep, om steeds hooger, steeds

hooger te vluchten, naar den vrede en naar de stilte.

En plotseling werd het geheel stil; de muren verstikten dien kreet, die

nu nog slechts in hem scheen te beven. Het was een makkelijke en lichte

trap met breede treden, die in een soort toren uitliepen. Toen hij

op het dak der schepen kwam, voelde hij het als een verlichting weer

de heldere zon, de zuivere, frissche lucht, die daar als in het vrije

veld woei, terug te vinden. Verwonderd dwaalden zijn blikken over deze

reusachtige ontplooiing van lood, zink en steen, een geheele luchtstad,

die hier onder den blauwen hemel een eigen leven leidde. Hij zag er

dommen, klokketorens, terrassen, ja zelfs huizen en tuinen, de met

bloemen opgevroolijkte huizen van enkele werklieden, die in verband

met de voortdurende herstellingswerken op de basilica wonen. Een

kleine bevolking leeft, werkt, eet en slaapt daar, heeft daar lief.

Hij liep naar de borstwering, om de reusachtige standbeelden van den

Heiland en van de Apostelen boven op den gevel van nabij te kunnen

zien--gigantische beelden van zes meter hoog, die steeds hersteld

moeten worden en waarvan de door de buitenlucht half verweerde armen,

beenen en hoofden slechts samengehouden worden door cement, stangen

en klampen. Toen hij zich vooroverboog, om een blik te werpen op de

roodachtige opeenhooping der daken van het Vaticaan, kwam het hem

voor, alsof de kreet, waarvoor hij vluchtte, van het plein naar hem

oprees. Vlug klom hij verder naar boven tot den koepel. Tusschen de

twee wanden van den dubbelen koepel, den binnensten en den buitensten,

liep eerst een trap; dan kwamen nauwe, schuinsche gangen, hellende

vlakken met enkele treden. Eenmaal deed hij uit nieuwsgierigheid een

deur open, waardoor hij weer in de basilica terugkwam, doch nu een

zestig meter boven den beganen grond, in een smalle galerij, die om

den dom liep, juist boven de fries, waarop men in zeven voet hooge

letters las: "Tu es Petrus et super hanc petram..." [16]

En toen hij op zijn elleboog leunde, om naar het vreeselijke gat

onder zich met het diepe uitzicht op de dwarsbeuken en de zijschepen

te kijken, sloeg hem weer die kreet in zijn gelaat, de razende kreet

der daar beneden wriemelende en wemelende menigte. Iets hooger opende

hij opnieuw een deur, en thans vond hij een tweede galerij, ditmaal

boven de ramen, bij het begin der schitterende mozaïeken; van daar

uit scheen de menigte hem kleiner, verder verwijderd, als verloren

in den duizelingwekkenden afgrond, waarin de reusachtige beelden,

het altaar der Confessie en de triomphantelijke baldakijn van Bernini

niet meer dan stukjes speelgoed geleken; en toch steeg de kreet op,

dezelfde krijgs- en aanbiddingskreet en striemde zijn gezicht met de

woede van een orkaan, die in zijn voortstormende vaart nog heftiger

wordt. Hij moest nog hooger stijgen, tot aan de buitenste galerij

van de traplantaarn om hem niet meer te hooren.

Welk een heerlijke verlichting was in den beginne dat bad van licht en

zon voor hem! Boven zich had hij niets meer dan den verguld-bronzen

kogel, waarin, zooals pralende opschriften in de gangen verkondigen,

keizers en koningen opgestegen zijn--de holle kogel, waarin de stem als

de donder echoot, waarin ieder geluid van de ruimte weerkaatst. Hij

was aan den kant der apsis naar buiten gegaan en zag nu eerst de

pauselijke tuinen, welker boomgroepen hem van uit deze hoogten laag bij

den grond staande struiken toeschenen; hij dacht aan zijn wandeling van

enkele dagen geleden, aan het groote grasperk, dat aan een Smyrnaasch

verkleurd tapijt denken deed, aan het donkergroene, als een stilstaande

poel ondoorzichtige kreupelhout, aan de met zorg onderhouden moestuin

en wijngaard. De fonteinen, de toren van de Sterrenwacht, het Casino,

waarin de paus de warme zomerdagen doorbracht, vormden slechts kleine,

witte plekken te midden van deze onregelmatige, door den muur van

Leo IV ingesloten terreinen.

Dan ging hij door een nauwe gang om de traplantaarn heen en bevond hij

zich plotseling tegenover Rome, dat zijn geheele ontzaglijke grootte

voor hem ontrolde: in het Westen de verre zee, in het Oosten en Zuiden

de onafgebroken bergketenen, de Campagna romana, die als een eentonige,

groenachtige woestijn den geheelen horizont beheerschte, en aan zijn

voeten de Stad, de Eeuwige stad. Nooit had hij een zoo majestueusen

indruk van uitgestrektheid gekregen. Daar lag Rome in vogelvlucht

voor hem, duidelijk als een geographisch reliefplan. Een dergelijk

verleden, een dergelijke geschiedenis, zooveel grootschheid--en dan

dit door de verte zoo verkleinde Rome, lilliputterachtige en als

speelgoed zoo aardige huisjes, nauwlijks een schimmelvlek op de wijde

aarde. Vooral voelde hij zich echter gelukkig, dat hij nu met één

oogopslag de indeeling der stad zag, daar beneden de oude stad met het

Capitool, het Forum, den Palatinus, de pauselijke stad in den Borgo,

en de St. Pieter en het Vaticaan, die op de moderne stad keken, het

Italiaansche Quirinaal boven de Middeleeuwsche stad, samengedrongen

in den rechterhoek, dien de Tiber vormde. Een ding viel hem in het

bijzonder op, n.l. de krijtachtige gordel, dien de nieuwe wijken om

den centralen kern van de oude, roodachtige, door de zon verbrande

stadsdeelen vormde, een waar symbool van een poging tot verjonging:

in het oude hart gaan de herstellingen slechts langzaam, terwijl de

uitwendige deelen zich als door een wonder hernieuwden.

Maar in de heete middagzon kwam Rome Pierre niet zoo licht en

rein voor als op den ochtend van zijn aankomst in den lieflijken,

zachten zonsopgang. Het was niet meer het glimlachende, bescheiden

Rome, half omsluierd door een gouden nevel en als weggezonken in een

kinderdroom. Nu in dit felle licht had het een onbeweeglijke hardheid,

een doodelijke stilte. De achtergrond werd als door een te sterke

vlam verteerd, door een vurig stof overstroomd, waarin het scheen te

verdwijnen. De geheele stad teekende zich in groote massa's licht en

schaduw met plotselinge overgangen tegen deze verkleurde verten af.

Men zou het voor een zeer oude, verlaten steengroeve hebben kunnen

houden, waarin de zonnestralen loodrecht neervielen en waarin hier

en daar een boomeneilandje een donkergroene vlek vormde. Van de oude

stad zag men den rossigen toren van het Capitool, de zwarte cypressen

van den Palatinus, de ruïnes van het paleis van Septimius Severus,

die op een geraamte van een door den zondvloed aangespoeld fossiel

denken deden. Daartegenover troonde de moderne stad met de lange,

gerestaureerde gebouwen van het Quirinaal, waarvan de fel-gele kleur

tusschen de krachtige toppen van den tuin heen schemerde; aan gene

zijde, op de hoogten van den Viminalis, lagen rechts en links de als

gips zoo witte nieuwe wijken, een stad van krijt, waarin de vensters

als het ware kleine inktstrepen vormden.

Dan lagen hier en daar de Pincio als een slapende poel, de Villa

Medicis met haar dubbelen campanile, de oudroestkleurige Engelenburg,

de als een kaars brandende klokkentoren der Santa Maria Maggiore,

de drie onder de boomtakken sluimerende kerken van den Aventinus,

de palazzo Farnese met zijn door de zomerzon verbrande, oudgouden

pannen, de koepels van de Il Gesù, van de Santo Andrea della Valle,

van de Santo Giovanni de Fiorentini en steeds weer met koepels en

nog eens koepels, alle witgloeiend en als gesmolten in den vurigen

oven van den hemel. Toen voelde Pierre zijn hart weer samenkrimpen

bij het zien van dit heftige, harde, zoo weinig op het Rome van zijn

droom gelijkende Rome, het Rome der verjonging en der hoop, dat hij

den ochtend van zijn aankomst geloofd had te vinden, maar dat nu

verdween, om plaats te maken voor de onveranderlijke, tot in haar

dood hardnekkig dezelfde blijvende stad van trots en heerschzucht.

Plotseling begreep Pierre, alleen daar in de hoogte, alles. Het

was alsof een lichtstraal hem daar in de vrije, grenzenlooze ruimte

trof. Kwam het door de plechtigheid, die hij bijgewoond had, door

den fanatieken kreet der slavernij, die nog steeds in zijn ooren

gonsde? Of was het niet eerder de aanblik van deze stad, welke daar

aan zijn voeten lag als een gebalsemde koningin, die nog steeds

uit het stof van haar graf regeert? Hij zou het niet kunnen zeggen:

ongetwijfeld deden beide oorzaken haar invloed op hem gelden. Maar

hij zag alles duidelijk, hij voelde, dat het Katholicisme niet zou

kunnen bestaan zonder wereldlijke macht, dat het den dag, waarop het

geen koning meer zijn zou, onvermijdelijk geheel verdwijnen zou.

Het atavisme droeg daarvan in het bijzonder de schuld, de macht der

Geschiedenis, de lange reeks opvolgers der Caesars, de pausen, de

pontifices, in wier aderen het bloed van den de wereldheerschappij

eischenden Augustus steeds was blijven stroomen. Zij mochten thans

in het Vaticaan wonen; dat nam niet weg, dat zij uit de keizerlijke

paleizen van den Palatinus kwamen, uit het paleis van Septimius

Severus; hun politiek had in den loop van zooveel eeuwen niets

anders nagestreefd dan den droom van de Romeinsche overheersching:

alle volkeren overwonnen, onderworpen, gehoorzamend aan Rome. Zonder

dit wereldrijk, zonder dit volkomen bezit van lichamen en zielen

verloor het Katholicisme zijn reden van bestaan, want de Kerk kon het

bestaan van een keizer- of koninkrijk slechts om een politieke reden

erkennen, daar de keizer of de koning slechts eenvoudige, tijdelijke

gevolmachtigden zijn, die tot taak hebben de volkeren te besturen,

tot zij ze haar weer teruggeven. Alle natiën, de menschheid met de

geheele aarde, behooren aan de Kerk, die ze van God gekregen heeft.

Wanneer zij haar niet altijd in werkelijk bezit heeft, dan vindt

dit zijn reden daarin, dat zij heeft moeten wijken voor geweld,

verplicht is de faits accomplis te aanvaarden, maar onder het

formeele voorbehoud, dat het een strafbare usurpatie is, dat men

haar haar goed onrechtmatig onthoudt; zij doet het in de verwachting

van de verwezenlijking der beloften van Christus, die haar op den

daarvoor bestemden dag voor eeuwig de wereld en de menschen, de

almacht teruggeven zal. Dat is de ware toekomststad, het Katholieke,

voor de tweede maal heerschende Rome. Rome behoort tot den droom,

aan Rome is dan ook de eeuwigheid voorspeld; de bodem zelf van Rome

heeft aan het Katholicisme den onleschbaren dorst naar onbeperkte macht

gegeven. Daarom was dan ook het lot van het pausdom met dat van Rome

zoo nauw verbonden, dat een paus buiten Rome niet meer een Katholieke

paus zijn zou. En plotseling voelde Pierre, terwijl hij daar tegen de

dunne ijzeren borstwering stond te leunen, zoo hoog verheven boven

den afgrond, waarin de donkere, harde stad zich in de brandende zon

verbrokkelde, hoe een groote rilling door zijn beenderen huiverde.

Eén ding stond nu onomstootelijk vast. Dat Pius IX, dat Leo XIII

besloten hadden zich in het Vaticaan op te sluiten, vond slechts

hierin zijn oorzaak, dat zij aan Rome gebonden waren. Het staat

een paus niet vrij het te verlaten, elders het hoofd der Kerk te

zijn. Evenmin zou een paus, welk een goed inzicht hij ook in de

moderne maatschappij mocht hebben, het recht hebben afstand te doen

van de wereldlijke macht. Het is een onvervreemdbaar erfdeel, dat hij

verdedigen moet; het is bovendien een levensquaestie, waarover verder

niet te discussieeren valt. Daarom heeft Leo XIII dan ook den titel

van heer van het wereldlijk gebied der Kerk behouden, te meer daar hij

als kardinaal, evenals de andere leden van het Heilig College, bij hun

verkiezing in zijn eed gezworen had die heerschappij ongeschonden te

bewaren. Mocht Italië nog een eeuw lang Rome als hoofdstad behouden,

een eeuw lang zal de eene paus op den anderen volgen, niet ophouden te

protesteeren, niet ophouden hun koninkrijk op te eischen. Zelfs wanneer

er op een dag een overeenstemming tot stand mocht komen, dan zou die

ongetwijfeld gebaseerd moeten zijn op het afstaan van een stuk grond.

Had men, toen er verzoeningsgeruchten liepen, niet gezegd,

dat de regeerende paus als besliste voorwaarde minstens het

bezit der Leostad met de neutraliteitsverklaring van een naar

zee loopenden weg stelde? Heelemaal niets is niet genoeg, men

kan niet van niets uitgaan, om ten slotte alles te hebben. Maar

de Leostad, dat kleine hoekje, is reeds een stukje koninklijke

aarde; men behoeft het overige dan nog slechts te veroveren, eerst

Rome, dan Italië, vervolgens de aangrenzende naties, eindelijk de

wereld. Nooit heeft de Kerk gewanhoopt, zelfs niet op oogenblikken,

dat zij, verslagen en geplunderd, stervende scheen. Nooit zal zij

afstand doen; nooit zal zij afzien van de beloften van Christus,

want zij gelooft aan haar onbegrensde toekomst, zij beschouwt zich

onverwoestbaar, eeuwig. Men geve haar den kiezelsteen, waarop zij

haar hoofd neerleggen kan--en zij hoopt reeds weldra het veld terug

te zullen hebben, waarop die kiezelsteen ligt, het rijk, waarin zich

dat veld bevindt. Als een paus het erfdeel niet terug kan krijgen,

dan zal een tweede paus, zullen tien, twintig andere pausen zich

daartoe aangorden. De eeuwen tellen niet meer. Deze gedachte was het,

die een vier-en-tachtigjarigen grijsaard ertoe bracht ontzaglijke

werken te ondernemen, die verscheidene menschenlevens vereischten,

zeker als hij was, dat opvolgers komen zouden en het werk ondanks

alles voortgezet en beëindigd zou worden.

En Pierre kwam zich tegenover die oude stad van roem en

heerschersmacht, welke haar purper hardnekkig vasthield, met zijn

droom van een zuiver geestelijken paus belachelijk voor. Het scheen

hem zoo misplaatst toe, dat hij er een soort schaamtevolle wanhoop

over voelde. Een Romeinsch prelaat zou zeker niets voelen kunnen voor

den nieuwen Evangelischen paus, die een zuiver geestelijke, alleen

over zielen heerschende paus zou moeten zijn. Bij de herinnering aan

dat in ritus, trots en gezag verstarde, pauselijke Hof werd hij zich

den afschuw, den bijna om zoo te zeggen lichamelijken afkeer daarvan

bewust. O, hoe verbaasd en minachtend zouden zij neerzien op deze

wonderlijke phantasie van het Noorden: een paus zonder grondgebied en

zonder onderdanen, zonder militair Huis en koninklijke eerbewijzen,

zuiver geest, zuiver moreele autoriteit, opgesloten in zijn tempel,

de wereld slechts regeerend door zijn zegenend gebaar, door liefde

en goedheid! Dat was voor dezen Latijnschen clerus, priesters van

het licht en van de praal, slechts een Gotisch, door nevels omsluierd

phantasiebeeld. Zeker, zij waren wel vroom, deze priesters, bijgeloovig

zelfs, maar zij lieten God goed beschermd in den tabernakel achter,

om in Zijn naam te heerschen voor het heil der hemelsche belangen,

van dat oogenblik af natuurlijk allerlei listen gebruikend, in den

strijd van menschelijke begeerten en eerzucht tot alle middelen

hun toevlucht nemend, met zachte diplomatenstappen de aardsche,

definitieve overwinning van Christus tegemoet schrijdend, die eenmaal

in den persoon van den paus over de volkeren heerschen zou.

Maar welk een verbijsterende schrik moest dat voor een Franschen

prelaat zijn, voor een monseigneur Bergerot, dien heiligen bisschop

van verzaking en naastenliefde, wanneer hij in die wereld van het

Vaticaan terecht kwam! Hoe moeilijk moest het hem vallen om dit alles

te begrijpen, zich in dat alles in te denken--hoe pijnlijk moest

hij de onmogelijkheid voelen één te zijn met deze vaderlandsloozen,

deze internationalen, die steeds over de kaart der beide werelddeelen

gebogen, steeds verdiept in berekeningen waren, welke hun de macht

verzekeren moesten. Daarvoor waren dagen en dagen noodig, moest men

te Rome leven; hij zelf had het eerst na een verblijf van een maand

begrepen onder de heftige crisis, die het aanschouwen der koninklijke

praal in de St. Pieter in hem teweeggebracht had, eerst bij het zien

der oude stad, die daar in de zon haar zwaren slaap sluimerde, haar

eeuwigheidsdroom droomde.

Maar zijn blik viel op het plein voor de basilica en hij zag daar

den menschenstroom, de veertig duizend geloovigen, naar buiten komen,

die zich als een zwart gewriemel van insecten op het witte plaveisel

voortbewogen. Toen scheen het, dat opnieuw de kreet: "Evviva il papa

re! Evviva il papa re!" opsteeg. Toen hij even te voren de eindelooze

trappen opklom, was het hem voorgekomen, alsof de steenen kolos in

dezen waanzinnigen kreet, die onder zijn gewelven uitgestooten werd,

gebeefd had. En thans, nu hij tot bijna in de wolken gestegen was,

meende hij hem daar ook in de enge ruimte weer terug te vinden. Was

dat voortdurende beven van den kolos onder hem niet het laatste

opschieten van het sap langs zijn oude muren, een hernieuwing van

het Katholieke bloed, dat hem eens zoo mateloos groot tot koning

van alle tempels geschapen had en dat thans trachtte in het uur,

dat de dood voor zijn te groote en verlaten schepen kwam, hem een

krachtigen levensadem te geven?

De menigte kwam nog steeds naar buiten en overstroomde het plein;

een groote droefheid snoerde zijn keel dicht, want met haar roep had

zij zijn laatste hoop weggevaagd. Den vorigen dag, na de ontvangst

der bedevaart, in de Sala dei Beneficazione had hij zich nog aan een

illusie over kunnen geven, door de noodzakelijkheid van het geld,

dat de paus aan de aarde vasthoudt, te vergeten en in hem slechts

den zwakken grijsaard, geheel ziel, stralend als het symbool van

moreel gezag te zien. Maar nu was het uit met zijn geloof in dezen

van alle aardsche goederen bevrijden herder van het Evangelie,

die slechts koning zijn moest van het koninkrijk der Hemelen. Niet

alleen het geld van den St. Pieterspenning legde Leo XIII een harde

slavernij op; neen, hij was bovendien de gevangene der traditie,

de eeuwige koning van Rome, die aan dezen grond vastgeklonken werd,

de stad niet kon verlaten, noch afstand doen van het wereldlijk gezag.

En het einde daarvan was de dood ter plaatse, de instorting van

den dom van de St. Pieter, zooals de tempel van Juppiter Capitolinus

ingestort was; op de ruïnes van het Katholicisme zou het gras groeien,

terwijl elders het schisma schitteren zou als een nieuw geloof van

de nieuwe volkeren. Het grootsche en tragische visioen rees voor hem

op: hij zag zijn droom verwoest, zijn boek medegesleept in den kreet,

die zich uitbreidde, als wilde hij naar de vier hoeken der Katholieke

wereld vliegen: "Evviva il papa re! Evviva il papa re!" En onder zich

meende hij reeds te voelen, hoe de reus van marmer en goud bij het

instorten der oude verrotte maatschappij beefde.

Eindelijk ging Pierre naar beneden en tot zijn groote verbazing

vond hij monsignor Nani, op de daken der schepen, in die bezonde

uitgestrektheid, welke zoo groot was, dat men er een stad zou kunnen

plaatsen. De prelaat was in gezelschap van de beide Fransche dames,

moeder en dochter, aan wie hij ongetwijfeld aangeboden had met haar

naar boven te gaan. Maar zoodra hij den jongen priester herkende,

sprak hij hem aan:

"Welnu, mijn waarde zoon, zijt ge tevreden? Heeft het geen grooten

indruk op u gemaakt, heeft het u niet gesticht?"

Met zijn onderzoekende blikken las hij tot in zijn ziel en zag hoe

het met de proef stond. Dan begon hij, voldaan, te glimlachen.

"Ja, ja, ik zie het al... Kom, ge zijt toch ten slotte een verstandige

jongen. Ik begin werkelijk te gelooven, dat uw ongelukkige zaak hier

een zeer goed einde nemen zal."

De drie steden: Rome · 第 15 / 27 题