ZESDE HOOFDSTUK

Pierre bevond zich nu reeds veertien dagen te Rome, maar de zaak,

waarvoor hij gekomen was, de verdediging van zijn boek, vorderde

niet. Hij koesterde nog steeds den vurigen wensch den paus te spreken,

zonder dat ten gevolge van de verschillende uitstellen en van den

angst, dien monsignor Nani hem voor een onvoorzichtigen stap had

ingeboezemd, te voorzien was, wanneer of hoe die wensch bevredigd zou

worden. Daar hij begreep, dat zijn verblijf heel lang zou kunnen duren,

had hij besloten zijn celebret in het vicariaat te laten viseeren

en las nu iederen ochtend zijn mis in de Santa Brigittakerk op de

piazza Farnese, waar hij door abbé Pisoni, den vroegeren biechtvader

van Benedetta, zeer vriendelijk ontvangen was.

Dien Maandag wilde hij vroeg naar de intieme receptie van donna

Serafina gaan, in de hoop daar nieuws te hooren en zijn zaak te kunnen

bespoedigen. Misschien zou monsignor Nani er zijn, misschien zou hij

het geluk hebben er den een of anderen prelaat of kardinaal te vinden,

die hem zou willen helpen. Vergeefs had hij getracht tenminste enkele

inlichtingen van don Vigilio te krijgen. Maar als opnieuw bevangen

door wantrouwen en vrees, na een oogenblik dienstvaardig geweest te

zijn, ontweek de secretaris van kardinaal Boccanera hem, verborg

zich, vastbesloten zich niet in te laten met een beslist verdacht

en gevaarlijk avontuur. Bovendien had hij twee dagen te voren zoo'n

hevigen aanval van koorts gekregen, dat hij zijn kamer moest houden.

Zoo had Pierre geen anderen troost dan Victorine Bosquet, het tot

huishoudster opgeklommen vroegere kindermeisje, de Beauceronneesche,

die na een dertigjarig verblijf in Rome, dat zij nog niet kende, nog

steeds haar oud Fransch hart behouden had. Zij sprak met hem over

Auneau, als had zij het den vorigen dag nog gezien. Maar dien dag

was zij niet zoo levendig en opgewekt als anders; en toen zij hoorde,

dat hij 's avonds naar de receptie wilde gaan, schudde zij haar hoofd.

"U zult de dames niet opgewekt aantreffen. Die arme Benedetta heeft

groot verdriet. Het schijnt, dat het er met haar echtscheiding niet

heel schitterend voor staat."

Geheel Rome sprak erover. Het gepraat was opnieuw begonnen

en wond de zwarte en witte kringen beide op. Het was dan ook

volstrekt niet noodig, dat Victorine bang behoefde te zijn zich

aan onbescheidenheid schuldig te maken, als zij haar landgenoot

iets vertelde. In antwoord op de memorie van advocaat Morano,

die, steunend op getuigenverklaringen en schriftelijke bewijzen,

trachtte aan te toonen, dat het huwlijk wegens impotentie van den

echtgenoot niet voltrokken kon zijn, had monsignor Palma, de voor

deze aangelegenheid door de Conciliecongregatie als verdediger

van het huwlijk gekozen theoloog, een vreeselijke tegen-memorie

ingediend. In de eerste plaats trok hij de maagdelijkheid van de

eischeresse sterk in twijfel, terwijl hij de technische termen van

het certificaat der beide vroedvrouwen betwistte en een grondig

onderzoek door twee doktoren eischte, voor welke formaliteit het

schaamtegevoel der jonge vrouw teruggeschrikt was. Bovendien citeerde

hij wetenschappelijk vastgestelde, physiologische gevallen, waarin

jonge meisjes gemeenschap gehad hadden met mannen, zonder dat een

spoor van ontmaagding te vinden geweest was.

Hij legde verder sterk den nadruk op het in de memorie van graaf

Prada voorkomende verhaal, waarin deze, zeer eerlijk, aarzelde te

zeggen of het huwlijk voltrokken was of niet, zóó had de gravin

zich verzet; hij had het wel gemeend op het oogenblik, dat de daad

in normale omstandigheden ten einde gebracht was, maar bij nadere

overweging durfde hij dat niet beslist te verzekeren, gaf hij toe,

dat hij, toegevend aan zijn heftige begeerte, zich misschien illusies

gemaakt had over een volkomen bezit. Monsignor Palma juichte over dien

twijfel, versterkte dien nog door al de spitsvondige redeneeringen,

die deze zaak mogelijk maakte, ja hij voerde zelfs tegen de echtgenoote

aan de verklaring der kamenier, die zij zelf als getuige had laten

dagvaarden, en die het lawaai van den strijd gehoord had en bevestigde,

dat na dezen eersten nacht mijnheer en mevrouw steeds afzonderlijk

geslapen hadden. Het hoofdargument van de memorie was echter, dat

het, zelfs, wanneer de eischeresse het onbetwistbare bewijs van haar

maagdelijkheid geven kon, daarom niet minder vast stond, dat haar

weigering alleen de voltrekking van het huwelijk belet had, daar de

eerste voorwaarde voor de voltrekking de gehoorzaamheid der vrouw

is. Na een vierde memorie, die van den rapporteur, waarin deze de drie

andere resumeerde en aan kritiek onderwierp, was de congregatie tot

stemming overgegaan en had met één stem meerderheid de nietigverklaring

van het huwlijk uitgesproken. Dit was een zoo precaire oplossing

der quaestie, dat monsignor Palma krachtens zijn recht onmiddellijk

een aanvullingsonderzoek geëischt had, waardoor het geheele proces

opnieuw behandeld moest worden en een nieuwe stemming noodig was.

"Die arme contessina!" riep Victorine uit; "zij zal nog van verdriet

sterven, want ondanks haar kalm uiterlijk wordt het lieve kind door

liefde verteerd... Het schijnt, dat advocaat Palma meester is van den

toestand, dat hij de zaak net zoo lang kan rekken als hij zelf wil. En

bovendien heeft het al zooveel gekost en zal het nog meer kosten. Abbé

Pisoni--u kent hem nu goed--heeft waarachtig een prachtig idee gehad,

toen hij met dit huwelijk voor den dag kwam. En ik wil geen kwaad

zeggen van de nagedachtenis van mijn lieve mevrouw, gravin Ernesta,

die een heilige was, maar zij heeft haar dochter ongelukkig gemaakt

door haar aan graaf Prada te geven."

Zij hield even op, om er dan in haar aangeboren rechtvaardigheidszin

aan toe te voegen:

"Trouwens ik kan mij best begrijpen, dat graaf Prada met het heele

geval ook niet erg ingenomen is. Ze maken zich te vroolijk over

hem. Maar dat neemt niet weg, dat ik zeg, dat het van Benedetta toch

wel dwaas is, om zooveel poespas te maken. Als het van mij afhing,

dan zou zij vanavond nog haar Dario in haar kamer hebben; zij houdt

toch zooveel van hem en ze verlangen al zoolang naar elkaar. Wel

zeker, zonder burgemeester en zonder pastoor, zij zijn zoo jong en

zoo mooi en zouden zoo graag samen gelukkig zijn... Geluk, lieve God,

geluk is zoo zeldzaam!"

Toen zij zag, dat Pierre haar verbaasd aankeek, begon zij vroolijk

met het kalme evenwicht van het lagere Fransche volk, dat alleen nog

maar gelooft aan een gelukkig, fatsoenlijk leven, te lachen.

Dan klaagde zij op bescheiden wijze haar leed over een

andere onaangenaamheid, die over het heele huis haar schaduw

wierp. Het was eveneens een terugslag van die ongelukkige

echtscheidingsquaestie. Donna Serafina en advocaat Morano hadden een

woordenwisseling gehad. De laatste was zeer uit zijn humeur over het

echec, dat hij met zijn memorie geleden had, en verweet pater Lorenza,

den biechtvader van de tante en de nicht, haar aangezet te hebben

tot een proces, waaruit niets dan schandaal kon voortkomen. En hij

was niet meer in het paleis Boccanera teruggekomen. Het was het

afbreken van een meer dan dertigjarige liaison en bracht groote

beroering in alle Romeinsche salons, die Morano's handelwijze ten

sterkste afkeurden. Donna Serafina was des te meer verbitterd en

beleedigd, omdat zij vermoedde, dat hij de woordenwisseling slechts als

voorwendsel gebruikte, om haar voor iets geheel anders te verlaten,

om een plotselingen, bij een man van zijn positie en vroomheid

misdadigen hartstocht, dien een jong, intrigeerend burgermeisje hem

ingeboezemd had.

Toen Pierre 's avonds den met geel Louis XIV brocaat behangen salon

binnentrad, bemerkte hij inderdaad, dat er een zekere zwaarmoedigheid

heerschte onder het gedempte licht van de door kant omsluierde

lampen. Er was niemand dan Benedetta en Celia, die met Dario op

de canapé zaten te praten, terwijl kardinaal Sarno, achter in een

fauteuil verscholen, zonder een woord te zeggen, naar het eindelooze,

onuitputtelijke gebabbel luisterde van de oude tante, die iederen

Maandag met de kleine prinses medekwam. Donna Serafina zat alleen op

haar gewone plekje aan de rechterzijde van den haard; een heimelijke

woede verteerde haar, dat zij de linkerzijde tegenover haar ledig

zag, het plekje, dat Morano gedurende de dertig jaar van zijn trouw

ingenomen had. Pierre merkte ook haar angstigen, daarna wanhopigen blik

op, dien zij bij zijn binnenkomen op hem wierp; zij loerde als het ware

op de deur, daar zij blijkbaar den wispelturige nog verwachtte. Zij

hield zich echter zeer flink en zag er met haar fijne, meer dan ooit in

haar corset geregen taille, met haar hard oude-jongejuffrouwengezicht,

haar sneeuwwit haar en haar zeer donkere wenkbrauwen nog trotsch uit.

Nadat Pierre haar begroet had, liet hij dadelijk de hem geheel

beheerschende gedachte blijken door te vragen of hij dien avond niet

het genoegen zou hebben, monsignor Nani te zien.

En zij kon zich niet weerhouden te zeggen:

"O, monsignor Nani verlaat ons, evenals alle anderen. Wanneer je de

menschen noodig hebt, verdwijnen ze."

Zij had ook een zekeren wrok tegen den prelaat, omdat hij zich ondanks

zijn vele beloften, bij de echtscheiding op den achtergrond gehouden

had. Ongetwijfeld verborg hij als altijd onder zijn buitengewoon

vleiende welwillendheid een ander plan. Zij had echter dadelijk berouw

over de bekentenis, die haar woede haar ontrukt had, en zeide:

"Misschien komt hij nog. Hij is zoo goed en heeft zoo met ons op."

Ondanks haar vurig bloed wilde zij politiek zijn, om het ongeluk zoo

mogelijk te kunnen overwinnen. Haar broeder, de kardinaal, had haar

gezegd, hoe de houding der Conciliecongregatie hem hinderde, want hij

twijfelde er geen oogenblik aan, of de koele ontvangst, die de eisch

van zijn nicht gevonden had, was gedeeltelijk het gevolg van het feit,

dat sommige van zijn medekardinalen het uit rancune tegenover hem

gedaan hadden. Zelf wenschte hij thans de scheiding, die alleen het

voortbestaan van het geslacht verzekeren kon, daar Dario het nu eenmaal

in zijn hoofd gezet had met niemand dan met zijn nicht te trouwen. Alle

ongelukken kwamen nu tegelijk en troffen de geheele familie; hij was

beleedigd in zijn trots, zijn zuster deelde in zijn verdriet en was

bovendien in haar hart gewond; Benedetta en Dario waren wanhopig,

dat hun verwachtingen nogmaals de bodem ingeslagen werd.

Toen Pierre bij de canapé kwam, waar de jongelui zaten te praten,

hoorde hij, dat er fluisterend over niets dan over de catastrophe

gesproken werd.

"Waarom ben je toch zoo wanhopig?" vroeg Celia. "Per slot van rekening

is de nietigverklaring van het huwlijk met één stem meerderheid

uitgesproken. Het proces wordt alleen nog eens gevoerd. Het is alleen

een quaestie van uitstel."

Maar Benedetta schudde haar hoofd.

"Neen, neen, als monsignor Palma zoo blijft aandringen, zal Zijne

Heiligheid nooit zijn toestemming geven. Het is uit."

"O, als we maar rijk, heel rijk waren!" prevelde Dario met een vaste

overtuiging, die echter niemand lachen deed.

Dan zacht fluisterend tegen zijn nicht:

"Ik moet je beslist spreken; op deze manier kunnen we niet verder

leven."

En zij antwoordde eveneens zacht fluisterend:

"Kom morgenmiddag om vijf uur. Ik zal thuis blijven en zorgen alleen

te zijn."

Dan sleepte de avond zich eindeloos verder. Pierre zag met diepe

ontroering de verslagenheid van de gewoonlijk zoo kalme en verstandige

Benedetta. Haar diepe oogen in haar rein, kinderlijk-teer gezicht

waren als omsluierd door ingehouden tranen. Hij had reeds een

groote genegenheid voor haar opgevat, daar hij haar steeds in een

zoo gelijkmatige, zij het ook eenigszins indolente stemming zag,

en wist hoe zij onder dezen schijn van kalmte den hartstocht van

haar vlammenziel verborg. Toch trachtte zij te glimlachen om de

vertrouwlijke mededeelingen van Celia, wier liefdesaangelegenheden

er beter voor stonden dan de hare. Een oogenblik slechts werd het

gesprek algemeen, toen de oude tante met verheffing van stem over

de onwaardige houding sprak, die de Italiaansche pers tegenover den

Heiligen Vader aannam. Nooit schenen de betrekkingen tusschen het

Quirinaal en het Vaticaan zoo slecht geweest te zijn.

De anders zoo stille kardinaal Sarno deelde mede, dat de paus ter

gelegenheid van de heiligschennende feesten van 20 September ter

herinnering aan de inneming van Rome, een nieuw protest zou slingeren

naar alle Christelijke staten, die door hun onverschilligheid

medeplichtig waren aan den roof.

"Ja, probeer maar den paus en den koning te laten trouwen!" zeide

donna Serafina op bitteren toon, zinspelend op het betreurenswaardige

huwlijk van haar nicht.

Zij scheen geheel buiten zichzelf te zijn, het was te laat om monsignor

Nani of een ander nog te verwachten. Toch flikkerden haar oogen bij

een onverwacht lawaai van stappen op; met vlammende blikken keek

zij naar de deur, doch zag tot haar groote teleurstelling Narcisse

Habert binnentreden, die zich over zijn late komst bij haar kwam

verontschuldigen. Zijn aangetrouwde oom, kardinaal Sarno, had hem

in dezen zoo gesloten salon geïntroduceerd en hij was er ten gevolge

van zijn, naar men beweerde, intransigente godsdienstige denkbeelden

welwillend ontvangen. Dien avond echter kwam hij, ondanks het late uur,

slechts voor Pierre. Hij nam dezen dadelijk ter zijde.

"Ik was er zeker van u hier te zullen vinden, ik heb met mijn neef,

monsignor Gamba del Zoppo, in de ambassade gedineerd en heb goed

nieuws voor u... Hij zal u morgenochtend in zijn appartement op het

Vaticaan ontvangen."

Dan op nog meer fluisterenden toon:

"Ik geloof wel, dat hij trachten zal u bij den Heiligen Vader te

introduceeren... In het kort, de audiëntie schijnt mij zeker."

Pierre voelde een groote vreugde over dat nieuws, dat hij kreeg in

dezen droefgeestigen salon, waar hij nu reeds bijna twee uur in steeds

grooter wanhoop verviel. Eindelijk dus toch een oplossing! Na Dario de

hand gedrukt en Benedetta en Celia begroet te hebben, ging hij naar

zijn oom den kardinaal, die, nu hij eindelijk van de tante bevrijd

was, begon te spreken. Maar hij praatte over bijna niets anders dan

over zijn gezondheid en het weer en herhaalde enkele onbeteekenende

anecdotes, die men hem verteld had, zonder ooit één woord los te laten

over de dreigende ingewikkelde en verschrikkelijke dingen, die hij aan

de Propaganda onder handen had. Het was alsof hij, buiten zijn bureau,

in deze teruggetrokkenheid en in dit op den achtergrond treden een

bad nam, waarin hij uitrustte van de zorgen over de heerschappij der

wereld. Allen stonden nu op en namen afscheid.

"Vergeet het vooral niet," zeide Narcisse nogmaals tot Pierre;

"morgenochtend om tien uur vindt u mij in de Sixtijnsche kapel. Voordat

mijn neef u ontvangt, zal ik u dan de Botticelli's laten zien."

Den volgenden ochtend om half tien bevond Pierre, die te voet gekomen

was, zich op het groote plein. Voordat hij zich naar de bronzen deur

in den hoek van de zuilengaanderij rechts wendde, keek hij op en bleef

enkele minuten naar het Vaticaan staan kijken. Hij kon zich niets

minder monumentaals voorstellen dan deze opeenhooping van gebouwen,

die zonder eenige architectonische orde en zonder eenige regelmaat in

de schaduw van den dom der St. Pieter opgegroeid waren. Het eene dak

stapelde zich op het andere, de gevels strekten zich breed en vlak

uit, zoo, als de vleugels eraan toegevoegd en opgebouwd waren. Alleen

de drie zijden van den St. Damasiushof schenen symmetrisch boven

de zuilengaanderij; met de groote vensters der voormalige, thans

gesloten loggia's deden zij denken aan drie groote broeikassen,

waarvan de roodachtige steen in de zon glansde. Dat was dus het

mooiste, het grootste paleis der wereld met elfhonderd vertrekken,

die de schoonste kunstwerken van het menschelijk genie bevatten. Maar

in zijn teleurstelling interesseerde Pierre zich slechts voor den

hoogen rechtschen gevel, die uitziet op het plein, en waar hij wist,

dat de ramen van de particuliere vertrekken van den paus op de

tweede verdieping uitkwamen. Hij keek lang naar deze ramen, men had

hem verteld, dat het vijfde raam rechts dat van de slaapkamer was,

waarin men tot laat in den nacht een lamp branden zag.

Wat bevond zich achter deze bronzen deur daar voor hem, die de heilige

drempel, de verbinding tusschen alle rijken der aarde en het koninkrijk

Gods was, Wiens verheven vertegenwoordiger zich tusschen deze hooge,

zwijgende muren ingekerkerd had? Hij keek uit de verte naar de met

dikke, vierkante spijkers beslagen, metalen paneelen en hij vroeg

zich af wat die streng-uitziende, oude vestingdeur verdedigde,

verborg, wegsloot. Welke wereld zou hij daarachter vinden, wat voor

een schat van ijverzuchtig in de donkerte bewaarde naastenliefde, wat

voor een wedergeboorte der hoop voor de nieuwe, naar broederschap en

gerechtigheid snakkende volkeren? Hij liet zich geheel door dien droom

wiegen: de eenige en heilige redder, wakend in dit gesloten paleis,

de heerschappij van Jezus voorbereidend, terwijl de oude, verrotte

beschavingen in stof vallen zouden; de herder, die op het punt stond

deze heerschappij af te kondigen door van onze democratieën de door

den Heiland beloofde groote Christelijke gemeenschap te maken. Ja,

de toekomst bereidde zich achter die bronzen deur voor, de toekomst

zou daar ongetwijfeld uit te voorschijn treden.

Plotseling zag Pierre tot zijn groote verbazing monsignor Nani

tegenover zich staan, die juist het Vaticaan verliet, om zich te

voet te begeven naar het een paar passen verder gelegen paleis van

den Santo Offizio, waar hij in zijn qualiteit als assessor woonde.

"O, monseigneur, ik ben zoo gelukkig. Mijn vriend, mijnheer Habert, zal

mij voorstellen aan zijn neef, monsignor Gamba del Zoppo, en ik geloof

werkelijk, dat ik de zoo vurig verlangde audiëntie verkrijgen zal."

Op zijn vriendelijke en fijne manier glimlachte monsignor Nani.

"Ja, ja, ik weet het!"

Dan herstelde hij zich.

"Ik ben er even blij om als gij, mijn waarde zoon. Maar nogmaals,

wees voorzichtig."

Bang, dat de jonge priester mogelijk zou kunnen vermoeden, dat hij

juist van monsignor Gamba del Zoppo kwam, den prelaat, die van de

geheele toch al zoo angstige pauselijke hofhouding het makkelijkst bang

te maken was, vertelde hij, dat hij van 's morgens vroeg al moeite

deed voor twee Fransche dames, die eveneens van verlangen brandden,

om den paus te zien, maar dat hij erg bang was niet te zullen slagen.

"Ik wil u eerlijk bekennen monseigneur," zeide Pierre, "dat ik den

moed al begon te verliezen. Ja, het is hoog tijd, dat ik wat getroost

word, want mijn verblijf hier is niet erg geschikt om je op te wekken."

Hij sprak verder en liet doorschemeren hoe zeer Rome het geloof in hem

vernietigd had. Dagen, zooals hij ze op den Palatinus en op de Via

Appia, daarna in de katakomben en in de St. Pieter doorgemaakt had,

konden zijn onrust slechts grooter doen worden, zijn droom van een

verjongd en triompheerend Christendom slechts vernietigen. Hij was

door die bezoeken een prooi van den twijfel geworden. Een uitputting

maakte zich van hem meester, nu hij zooveel van zijn steeds tot verzet

bereid enthousiasme verloren had.

Zonder dat het glimlachje van zijn lippen verdween, luisterde monsignor

Nani naar hem en schudde goedkeurend zijn hoofd. Blijkbaar was het

zoo goed, had het zoover moeten komen. Hij scheen het voorzien te

hebben en daarom tevreden te zijn.

"Enfin, mijn waarde zoon, alles komt in orde, zoodra gij de zekerheid

hebt Zijne Heiligheid te zien."

"Dat is zoo, monseigneur, al mijn hoop is gevestigd op den zeer

rechtvaardigen en helderzienden Leo XIII. Hij alleen kan over mij

richten, omdat hij alleen in mijn boek zijn denkbeelden, die ik geloof

zeer getrouw weergegeven te hebben, kan terugvinden... O, als hij wil,

zal hij in naam van Jezus door de democratie en de wetenschap de oude

wereld kunnen redden."

Zijn oude geestdrift maakte zich weer van hem meester en Nani knikte

opnieuw goedkeurend, terwijl om zijn scherpe ogen en om zijn dunne

lippen een steeds vriendelijker wordende uitdrukking kwam.

"Precies, precies, mijn waarde zoon... Gij zult met den Heiligen

Vader spreken--en dan zult gij verder zien."

Toen hierop beiden opkeken naar den gevel van het Vaticaan, dreef hij

de vriendelijkheid zoover om hem van zijn dwaling te genezen. Neen,

het raam, waar men iederen avond licht zag, was niet van de slaapkamer

van den paus. Het was het raam van een trapportaal, dat den geheelen

nacht door gas verlicht werd. De kamer van den paus was twee ramen

verder. Dan vielen zij weer in hun zwijgen terug en bleven, beiden

nu ernstig geworden, naar den gevel kijken.

"Nu, tot ziens mijn waarde zoon. Ge komt me zeker wel eens van de

audiëntie vertellen?"

Zoodra Pierre weer alleen was, ging hij de bronzen deur door;

zijn hart klopte heftig, als had hij de heilige en vreeselijke

plaats betreden, waar het toekomstige geluk voorbereid werd. Een

schildwacht der Zwitsersche garde liep langzaam heen en weer; hij

was in een grijsblauwen mantel gehuld, die slechts de zwart, geel en

rood gestreepte broek liet zien; het scheen alsof deze mantel over

een vermomming geworpen was, om de nu hinderlijk geworden verkleeding

te bedekken. Onmiddellijk aan zijn rechterhand bevond zich de groote

overdekte trap, die naar den St. Damasiushof leidde. Maar om in de

Sixtijnsche kapel te komen, moest hij tusschen een dubbele rij zuilen

de lange gaanderij volgen en de Scala Regia opgaan. En Pierre begon

in deze reusachtige wereld, waarin alle afmetingen een overdreven,

neerdrukkende majesteit kregen, bij het oploopen van de breede treden

eenigszins te hijgen.

Toen hij de Sixtijnsche kapel binnenkwam, voelde hij zich eerst

verbaasd. Zij kwam hem klein voor, een soort rechthoekige, zeer hooge

zaal. Een mooi marmeren schot scheidt tweederde gedeelten af, het deel,

waar bij groote plechtigheden de invités zich verzamelen; op het koor

zitten de kardinalen op eenvoudige houten banken, terwijl de prelaten

achter hen blijven staan. De pauselijke troon bevindt zich op een lage

estrade rechts van het sober versierde altaar. Links is in den muur de

smalle voor de zangers bestemde loggia met een marmeren balkon. Maar

men moet eerst opkijken, men moet zijn blikken van de reusachtige

fresco, die het Laatste Oordeel voorstelt en den geheelen achterwand

inneemt, laten dwalen naar de zolder-schilderijen, die tusschen de

twaalf lichte ramen--zes aan iederen kant--tot aan de kroonlijsten

loopen, om plotseling te zien, dat alles uit elkaar schuift, en zich

tot in het oneindige verbreedt.

Er waren gelukkig slechts drie of vier stille toeristen. Pierre zag

onmiddellijk Narcisse Habert op een der kardinaalsbanken boven de

trede, waarop de sleepdragers zitten. Onbeweeglijk, het hoofd wat

achterover gebogen, scheen de jonge man in extase. Maar hij keek niet

naar het werk van Michelangelo. Zijn blikken waren als het ware niet

weg te krijgen van een der voorste fresco's onder de kroonlijst. Toen

hij den priester herkend had, prevelde hij slechts met tranen in

zijn oogen:

"O, lieve vriend, zie toch dien Botticelli!"

Dan viel hij weer in zijn extase terug.

Pierre was geheel en al verdiept in een aandachtige beschouwing van

Michelangelo's bovenmenschelijk genie. Al het andere verdween, daar

in de hoogte bevond zich als in een onbegrensden hemel niets dan deze

buitengewoone kunstschepping. In den beginne sloeg het onverwachte

hem met stomheid, dat de schilder de eenige schepper van dit werk had

willen zijn; hij had geen hulp willen hebben, noch voor het marmer,

noch voor het brons, noch voor het verguldsel. Het penseel van den

schilder was voldoende geweest voor de pilasters, voor de zuilen,

voor de marmeren kroonlijsten, voor de standbeelden en de bronzen

ornamentiek, voor de gouden bloemen en rosetten, voor deze ongehoorde

rijke versiering, welke de fresco's omlijstte. Hij stelde zich voor hoe

het op den dag geweest was, toen men hem het kale gewelf ter bewerking

gegeven had--niets dan kalk, niets dan den vlakken en witten muur, de

honderden vierkante meters, die te bedekken waren. En hij zag hem voor

deze reusachtige taak staan, zonder hulp te willen, de nieuwsgierigen

wegjagen, zich geheel alleen opsluitend met zijn reuzenwerk. Vier

en een half jaar was hij in grimmige eenzaamheid met het baren van

dezen kolos bezig geweest. O, dit ontzaglijke werk, geschapen om een

leven te vullen, dit werk, dat hij had moeten beginnen in een rustig

vertrouwen in zijn wil en in zijn kracht--het was een geheele wereld,

die hij in een voortdurenden drang van zijn scheppende manlijke kracht,

in de volle ontplooiing van zijn almacht uit zijn hersens getrokken

en daar neergeworpen had.

Dan echter doorrilde Pierre een siddering van bewondering, toen hij

deze door een zienersoog vergroote menschheid zag. Zij stroomde over

van een matelooze synthese, van een cyclopisch symbolisme. Als een

natuurlijke bloei lichtte iedere schoonheid op: koninklijke gratie

in koninklijken adel, verheven vrede in verheven geweld. En dan de

volkomen beheersching der stof, de meeste gewaagde verkortingen,

waarvan hij zeker was, dat zij slagen zouden, de voortdurende

overwinning op de technische moeilijkheden, die door de gewelfde

vlakken veroorzaakt werden! En vóór en boven alles de ongelooflijke

naïveteit en de aanwending der middelen: de stof bijna tot niets

teruggebracht, enkele kleuren rijkelijk gebruikt zonder eenig streven

naar het gekunstelde of naar praal! En dat was voldoende, het bloed

bruiste stormachtig, de spieren spanden zich onder de huid, de figuren

kregen leven en traden met zulk een krachtig élan uit de lijst te

voorschijn, dat daarboven over alles een vlam scheen te strijken,

die aan dat volk een bovenmenschelijk, onsterfelijk leven gaf. Ja, het

was het leven, het stralende, overwinnende leven--een ontzagwekkend,

woekerend leven, een levenswonder, dat een enkele hand verwezenlijkt

had; maar deze bezat dan ook de hoogste en verhevenste gave: eenvoud

en kracht.

Men heeft daarin een geheele philosophie gezien, men heeft daarin

het geheele menschenlot, de schepping der wereld, van den man

en van de vrouw, de zondenval, de straf, de verzoening en ten

slotte de gerechtigheid Gods bij het Laatste Oordeel willen zien,

maar daarbij kon Pierre bij die eerste aanschouwing, in de stomme

verbijstering, waarin een dergelijk werk hem bracht, zijn gedachten

niet bepalen. Doch welk een verheerlijking van het menschelijk lichaam,

van zijn schoonheid, van zijn gratie was dit alles! O, die Jehova, deze

koninklijke, geweldige en vaderlijke grijsaard, medegesleurd in den

orkaan van zijn schepping, met uitgestrekte armen werelden barend! En

die heerlijke Adam met zoo adellijke lijnen en de uitgestoken hand, en

dien Jehova, zonder hem aan te raken, met een bewonderenswaardig gebaar

met den vinger bezielt! Een geheiligde ruimte ligt tusschen dien vinger

van den Schepper en dien van het schepsel, een kleine ruimte, die

echter de oneindigheid van het onzichtbare en het mysterievolle bevat!

En deze machtige en aanbiddellijke Eva, deze Eva met haar krachtigen

schoot, die in staat is de toekomstige menschheid in zich te dragen,

met de trotsche, teere aanminnigheid der vrouw, die bemind zal willen

worden, al zou het tot haar verdoemenis leiden, de vrouw in haar

volheid met haar verleiding, haar vruchtbaarheid, haar macht. Zelfs de

in de vier hoeken der fresco's op pilasters zittende figuren vieren den

triomf van het vleesch: de over haar naaktheid gelukkige twintig jonge

mannen met hun prachtige torso's en hun bewonderenswaardige ledematen,

zoo vol leven, dat een waanzinnige zucht naar beweging hen medesleept,

buigt en in heldenhoudingen terugwerpt. En tusschen de vensters

troonden de reuzen, de Propheten en de Sibyllen, de goden geworden

man en vrouw, bovenmenschelijk in spierkracht en in hun intellectueele

uitdrukking: Jeremia met zijn elleboog op zijn knie en zijn kin in zijn

hand, verzonken in visioenen en droomen; de Sibylle van Erythrea met

het reine profiel en zoo jong in haar rijke schoonheid, een vinger

leggend op het open boek van het noodlot; Jesaja met den sterken

mond der waarheid, opgezwollen onder de gloeiende kolen, trotsch, het

gezicht half afgewend en een hand met bevelend gebaar omhoog geheven;

de Sibylle van Cumae, angstaanjagend door haar weten en haar ouderdom,

vast als een rots, met haar gerimpeld gezicht, haar roofvogelneus en

haar vierkante kin, die eigenzinnig vooruitsteekt; Jonas, uitgespuwd

door een walvisch en neergeworpen in een buitengewone verkorting,

den romp verrekt, de armen gekromd, het hoofd achterovergeworpen, den

grooten mond open en schreeuwend; en al de anderen, al de anderen,

allen van dezelfde groote en majestueuze familie, heerschend met de

souvereiniteit van eeuwige gezondheid en eeuwig intellect, den droom

van een onverwoestbare, grootere en hoogere menschheid verwezenlijkend.

Ook in de vensterbogen en in de luchtgaten ontstonden en verdrongen

zich gestalten vol schoonheid, macht en aanminnigheid; het zijn de

voorvaderen van den Christus, peinzend-droomende moeders met mooie

naakte kinderen, mannen met vooruitzienden, in de toekomst starenden

blik, het gestrafte, uitgeputte, naar den beloofden Heiland snakkende

ras, terwijl in de overhangende gewelfbogen der vier hoeken bijbelsche

tooneelen naar voren treden, de overwinningen van Israël op den geest

van het Kwade. En eindelijk de reusachtige fresco van den achtergrond,

het Laatste Oordeel met zijn wemelende gestalten, die zoo talloos zijn,

dat er dagen en dagen noodig zijn, om ze goed te zien, een razende,

door den brandenden adem van het leven voortgesleepte menigte,

vanaf de dooden, die door de woest bazuinende engelen der Apokalypse

gewekt worden, vanaf de verdoemden, die de duivelen in de hel storten,

tot den door apostelen en heiligen omgeven, richtenden Jezus, tot de

stralende uitverkorenen, die door engelen gedragen, omhoog stijgen,

terwijl nog hooger andere engelen met de instrumenten van het lijden

triompheeren in volle glorie. En toch bewaart de zoldering boven

deze reusachtige schildering, die dertig jaar later de kunstenaar in

de volle rijpheid van zijn kunnen maakte, haar zekere superioriteit,

want daarin heeft hij zijn ongerepte kracht, al zijn jeugd, het eerste

opvlammen van zijn genie gegeven.

Pierre kon geen woorden vinden. Michelangelo was het monster,

dat alles domineerde, alles terneer drukte. Om dat in te zien,

behoeft men slechts naast het geweldige van zijn werk de werken van

Perugino, Pinturicchio, Rosselli, Signorelli, Botticelli, al de andere

bewonderenswaardige fresco's te aanschouwen, die onder de kroonlijst

om de kapel loopen.

Narcisse had zijn oogen niet opgeslagen naar de verpletterende pracht

van de zoldering. Geheel in extase verzonken, had hij zijn oogen

niet afgewend van Botticelli, die hier drie fresco's heeft. Eindelijk

sprak hij op fluisterenden toon:

"O, Botticelli, Botticelli! De elegance en de gratie van den lijdenden

hartstocht, het diepe gevoel van de droefheid in de wellust! Hij heeft

onze geheele moderne ziel geraden en met de verleidelijkste bekoring

omgeven, die ooit van een kunstenaarsschepping is uitgegaan!"

Verbaasd keek Pierre hem aan. Dan waagde hij het te vragen:

"Maar komt u dan hier om Botticelli te zien?"

"Natuurlijk," antwoordde de jonge man met zijn gewone kalmte. "Iedere

week kom ik eenige uren hier alleen voor hem en ik zie niets anders dan

hem... Zie toch dat blad eens: Mozes en de dochters van Jethro. Heeft

menschelijke teederheid en melancholie ooit iets aandoenlijkers

geschapen?"

En met een zachte, vrome beving in zijn stem, als een priester, die

in de verrukkelijke en angstaanjagende huivering van het heiligdom

doordringt, ging hij voort:

"O, Botticelli, de vrouwen van Botticelli met haar lang, zinnelijk

en rein gezicht, met haar onder de dunne kleeding iets te veel naar

voren tredenden buik, met haar hoogopgerichte, soepele en zwevende

houding, waarin haar geheele lichaam zich overgeeft. De jonge

mannen, de engelen van Botticelli, die zoo echt en toch zoo mooi

als vrouwen zijn, van een niet met zekerheid uit te maken geslacht,

waarin zich de kracht der spieren paart aan de fijnheid der lijnen,

allen omhoog gedragen door een vlam van verlangen, die zelfs de

toeschouwers brandt. O, de monden van Botticelli, die zinnelijke,

als vruchten zoo vaste, ironische of pijnlijk vertrokken monden,

raadselachtig in hun plooien, zonder dat men kan zeggen of zij reine

of afschuwlijke dingen verzwijgen. O, de oogen van Botticelli,

die vleiende, hartstochtelijke, mystiek of wellustig zwijmelende

oogen, soms vol van een zoo diepe smart in hun vreugde, dat er in

de wereld geen ondoorgrondelijkere bestaan. O, de zoo zorgvuldig

bewerkte handen van Botticelli, die als het ware een eigen intens

leven bezitten, vrij spelen, zich met elkander vereenigen en met zulk

een gezochte gratie elkaar kussen en met elkander spreken, dat zij er

soms gemaniereerd door zijn, maar ieder met haar eigen uitdrukking,

alle uitdrukkingen van genot en lijden der aanraking. En toch is er

niets verweekelijkts noch iets leugenachtigs te zien; overal is een

soort manlijke fierheid, een hartstochtelijke, prachtige beweging,

die de figuren leven inblaast en medesleept, een volmaakt streven

naar waarheid, een nauwkeurige waarneming, de grootste nauwkeurigheid,

een echt realisme, dat gecorrigeerd en gematigd wordt door de geniale

zeldzaamheid van het gevoel en het karakter en dat aan de leelijkheid

zelve de onvergetelijke verheerlijking van den charme geeft!"

De verbazing van Pierre nam toe, terwijl hij luisterde naar Narcisse;

hij merkte voor het eerst diens ietwat bestudeerde distinctie op,

het gefriseerde, op Florentijnsche wijze geknipte haar, de blauwe,

bijna malvekleurige oogen, die in zijn enthousiasme nog lichter werden.

"Zeker," zeide ten slotte Pierre, "Botticelli is een schitterend

kunstenaar... Maar het komt me voor, dat hier Michelangelo..."

Met een bijna heftig gebaar viel Narcisse hem in de rede.

"Ach neen, neen, praat me niet van dezen! Hij heeft alles bedorven,

alles in den grond bedorven! Een man, die zich als een stier voor het

werk spande, die zijn kunst tot een ambacht verlaagde, zoo en zooveel

meter per dag! En een mensch zonder eenig begrip of gevoel voor het

mysterievolle of ongekende, die alles zoo grof zag, dat je een walg

krijgt van de schoonheid, mannenlichamen als boomstammen, vrouwen

als reusachtige slagerinnen, klompen gevoelloos vleesch, zonder dat

daarachter iets van een goddelijke of duivelsche ziel spreekt!... Een

metselaar, en als gij wilt, een kolossaal metselaar, maar meer niet!"

Onbewust kwam in dit verwarde, door de zucht naar het eigenaardige en

zeldzame verdorven ras van den moeden moderne de noodlottige haat tegen

gezondheid, kracht en flinkheid te voorschijn. Deze Michelangelo,

die zonder eenige moeite schiep, die het wondermooiste kunstwerk

achtergelaten heeft, ooit door een kunstenaar ter wereld gebracht,

was de booze vijand! Zijn misdaad bestond juist in dat scheppen,

dat leven geven, zoodat al die kleine kunstgewrochtjes der anderen,

zelfs de besten, in dezen overstroomenden vloed van levend in de zon

geworpen wezens verdronken en ondergingen.

"Waarachtig," zeide Pierre moedig; "ik kan het niet met u eens

zijn. Ik heb zoo juist geleerd, dat in de kunst het leven alles is en

dat alleen de scheppers de onsterfelijkheid verdienen. Het geval van

Michelangelo lijkt mij beslissend, want alleen door dat buitengewone

verwekken van levend en prachtig vleesch, waaraan uw verweekelijktheid

aanstoot neemt, is hij de bovenmenschelijke meester, het monster,

dat al de anderen dooddrukt. Laten de op buitenissigheid belusten,

de intellectueele scherpzinnigen maar spitsvondig het equivoque en

onzichtbare uitpluizen, laten zij het hoogste der kunst maar leggen

in de keuze van een gezochte behandeling en het halfdonker van het

symbool, Michelangelo blijft de Almachtige, de Schepper van menschen,

de Meester van het licht, den eenvoud en de gezondheid, hij blijft

eeuwig als het leven zelf."

Thans glimlachte Narcisse slechts met een medelijdend- en

hoffelijk-minachtend lachje. Och ja, niet iedereen ging uren lang in

de Sixtijnsche kapel voor een Botticelli zitten, zonder ooit zijn

blikken te richten naar de Michelangelo's. En kort brak hij het

gesprek af met de woorden:

"Maar het is elf uur. Mijn neef zou me hier laten waarschuwen, zoodra

hij ons ontvangen kon. Ik begrijp niet, dat ik nog niemand gezien

heb... Willen we zoolang naar de Raffaëlgalerij gaan?"

En boven in de galerij oordeelde hij weer heel helder en juist over

de werken; zijn onbevangen blik keerde terug, zoodra hij niet meer

bezeten werd door zijn haat tegen reusachtige werken en geniale decors.

Maar ongelukkig kwam Pierre uit de Sixtijnsche kapel; hij moest zich

eerst uit de omarming van het monster rukken, vergeten wat hij gezien

had, wennen aan wat hij daar zag, voor hij de reine schoonheid hiervan

genieten kon. Het was, alsof hij eerst een te koppigen wijn gedronken

had, die hem bedwelmde en belette dezen anderen lichteren, maar toch

ook geurigen wijn lekker te vinden. Hier treft de bewondering niet

als een bliksemstraal, maar werkt de betoovering met langzame, doch

onweerstaanbare macht. Het is als Racine vergeleken bij Corneille,

Lamartine bij Hugo--het eeuwige paar, wijfje en mannetje, in de

eeuwen van den roem. Bij Raffaël triompheeren de adel, de gratie,

de exquise, onberispelijke, goddelijk harmonische lijn; het is niet

alleen meer het lichamelijke symbool, zooals Michelangelo het zoo

prachtig neergeworpen heeft, maar tevens een in de schilderkunst

overgebrachte psychologische analyse van groote scherpzinnigheid. Bij

Raffaël is de mensch meer veredeld, meer geïdealiseerd, meer van binnen

uit gezien. En ook wanneer daar iets sentimenteels, iets vrouwelijks,

waarvan men de teedere huivering voelt, in ligt, toch heerscht hier

een krachtige, bewonderenswaardige, grondige en groote techniek.

Langzamerhand kwam Pierre onder de bekoring van deze hoogste

meesterschap; deze krachtige, elegante, jonge mannenschoonheid, deze

visie van de opperste schoonheid in de hoogste volmaaktheid roerde hem

tot in het diepst van zijn hart. Maar terwijl de vóór de schilderingen

in de Sixtijnsche kapel ontstane schilderijen "De Strijd om het Heilige

Sacrament" en "De School van Athene" hem de meesterwerken van Raffaël

toeschenen, voelde hij daarentegen, dat de kunstenaar in "De Brand

van den Borgo" en meer nog in "Heliodorus uit den tempel verjaagd" en

"Attila tegengehouden bij de poorten van Rome" den bloesem van zijn

goddelijke gratie verloren had, daar de verpletterende grootheid van

Michelangelo op hem inwerkte. Welk een inslaan als van den bliksem,

toen de Sixtijnsche kapel geopend werd en de rivalen binnentraden. Het

monster daar beneden had geschapen en zelfs de grootste onder de

stervelingen liet hier iets van zijn ziel, zonder dat hij zich ooit

meer van den onderganen invloed vrij maken kon.

Dan bracht Narcisse Pierre naar de loggia's, naar de zoo lichte, zoo

smaakvol ingerichte glazen galerij. Maar Raffaël was dood; de kartons,

die hij achtergelaten had, waren slechts het werk van leerlingen. Het

was een plotseling, volkomen verval. Nooit had Pierre beter begrepen,

dat het genie alles is, dat met zijn verdwijnen de geheele school

ineenstort. De geniale mensch is als het ware een samenvatting van

het tijdvak, geeft op een bepaald oogenblik der beschaving al het sap

van den socialen bodem, dat dan menigmaal gedurende eeuwen uitgeput

blijft. Het prachtige uitzicht, dat men van uit de loggia's heeft,

interesseerde hem nog te meer, toen hij merkte, dat hij aan de andere

zijde van den St. Damasiushof de door den paus bewoonde verdieping

zag. Beneden lag de hof met zijn zuilengaanderij, zijn fontein,

zijn wit plaveisel, fel en kaal in de zon te branden.

Hier was beslist niets van de schaduw, van het gedempt-vrome

mysterievolle, waarvan de omgeving der oude Noordelijke kathedralen

hem hadden doen droomen. Rechts en links van het bordes, dat toegang

gaf tot de vertrekken van den paus en den kardinaal-secretaris, stonden

vijf rijtuigen, de koetsier rechtop op den bok, de paarden onbeweeglijk

in het felle licht. En geen levende ziel bracht leven in de woestijn

van den grooten, vierkanten hof met de drie verdiepingen loggia's,

die met haar groote ramen aan reusachtige broeikassen denken deden;

de flikkering der ruiten en de roodachtige afstraling der steenen

schenen de kaalheid van het plaveisel en van de gevels in een soort

ernstige majesteit te vergulden als een heidenschen, aan den zonnegod

gewijden tempel.

Maar nog meer trof Pierre het wondermooie panorama van Rome, dat zich

onder die ramen van het Vaticaan ontrolde. Hij had geen oogenblik

het vermoeden gehad, dat het zoo zijn zou, en plotseling maakte de

gedachte zich van hem meester, dat de paus van zijn ramen uit geheel

Rome voor zich uitgestrekt zag, samengedrongen, alsof hij slechts

zijn handen behoefde uit te steken, om het weer te nemen. Lang dronk

hij dat ongehoord-mooie schouwspel met zijn oogen en zijn hart in,

want hij wilde het met zich mede dragen, het bewaren.

Een geluid van stemmen stoorde hem in zijn overpeinzingen en deed hem

omkijken; hij zag, hoe een lakei in zwarte livrei, nadat hij Narcisse

zijn boodschap medegedeeld had, diep groette.

De jonge man kwam naar den priester toe.

"Mijn neef, monsignor Gamba del Zoppo laat mij weten, dat hij ons

vanochtend niet zal kunnen ontvangen. Het schijnt, dat hij onverwacht

dienst moet doen."

Maar zijn verlegenheid liet zien, dat hij niet aan dat excuus geloofde

en begon te vermoeden, dat zijn neef, gewaarschuwd en bang gemaakt

door een of andere goede ziel, er tegen opzag zich met deze zaak

in te laten. Dit hinderde hem, die zoo gaarne een ander een dienst

bewees en niet tegen moeite opzag. Maar hij glimlachte reeds weer,

toen hij eraan toevoegde:

"Luister, misschien is er wel een middel om toch toegang te

krijgen. Indien u uw middag vrij hebt, zullen wij samen dejeuneeren en

dan hier terugkomen, om de Galleria degl' antichi te bezichtigen. Het

zal mij dan wel gelukken mijn neef te vinden, afgezien nog van het

feit, dat wij door een gelukkig toeval den paus zelf kunnen ontmoeten,

als hij naar de tuinen gaat."

Bij het hooren, dat de audiëntie nogmaals uitgesteld was, had Pierre

eerst een zeer groote teleurstelling ondervonden. Hij nam dan ook,

daar hij over zijn geheelen dag beschikken kon, het aanbod van Narcisse

gaarne aan.

"Ik ben werkelijk bang, dat ik misbruik begin te maken van uw

vriendelijkheid... Ik dank u van ganscher harte."

Zij dejeuneerden tegenover de St. Pieter in een klein restaurant van

den Borgo, dat gewoonlijk alleen door pelgrims bezocht werd. Het eten

was er trouwens zeer slecht. Tegen twee uur liepen zij de Basilica

om over de piazza della Sagrestia en de piazza Santa Marta, om van

de achterzijde in de Galleria te komen. Het was een licht, verlaten

en warm stadsdeel, waar de jonge priester opnieuw en in veel sterker

mate het gevoel van kale, vale en als door de zon verbrande majesteit

kreeg, dat hij gehad had bij het zien van den St. Damasiushof. Toen

hij om de reusachtige apsis van den kolos heen liep, begreep hij

de ontzaglijkheid daarvan nog beter: een groote menigte gebouwen

is hier opgestapeld, die door de ledige ruimte van het plaveisel,

waarop een fijne grassoort groeit, omzoomd wordt. In die zwijgende

oneindigheid speelden slechts twee kinderen in de schaduw van een

muur. De oude Munt der pausen, de Zecca, die nu Italiaansch is en

door soldaten des konings bewaakt wordt, staat links van de naar de

Galleria leidende gang, terwijl rechts daartegenover zich een poort

van het Vaticaan bevindt, waar een schildwacht der Zwitsersche Garde

staat; door die poort komen de met twee paarden bespannen rijtuigen,

die volgens de etiquette de bezoekers van den kardinaal-secretaris

en van Zijn Heiligheid naar den St. Damasiushof brengen.

Zij volgden de lange gang, de straat, die tusschen een vleugel van

het paleis en den muur der pauselijke tuinen loopt. Eindelijk kwamen

zij aan de Galleria degl' antichi. O, deze groote, uit eindelooze

zalen gevormde Galleria, de Galieria, die eigenlijk drie musea bevat,

de zeer oude Galleria Pio-Clementino, de Galleria Chiaramonte en den

Braccio-Nuovo; het is een geheele wereld, die in de aarde teruggevonden

en uitgegraven is en in het felle zonlicht verheerlijkt wordt. Meer dan

twee uur liep de jonge priester er door, ging van de eene zaal naar de

andere, verblind door deze meesterwerken, bedwelmd door zooveel genie

en zooveel schoonheid. Niet alleen de beroemde stukken sloegen hem met

verbazing, zooals de Laokoon en de Apollo van Belvédère, ook niet de

Meleager of zelfs de torso van Hercules; meer nog werd hij getroffen

door het ensemble, door de ontelbare beelden van Venus, Bacchus,

vergoddelijkte keizers en keizerinnen, door dezen prachtigen opbloei

van mooie lichamen, die de onsterfelijkheid van het leven uitjubelden.

Drie dagen te voren had hij het museum van het Capitool bezocht, waar

hij de Venus, den Stervenden Galliër, de wondermooie, zwartmarmeren

Kentauren, de buitengewone verzameling busten bewonderd had. Maar hier

steeg door dezen onuitputtelijken rijkdom die bewondering tot stomme

verbijstering. En daar hij misschien nog meer naar leven dan naar

kunst zocht, bleef hij opnieuw in zelfvergetelheid voor de busten

staan, waarin zoo werkelijk en echt het historische Rome herleeft,

dat ongetwijfeld niet in staat was geweest zich op te werken tot de

ideale schoonheid van Griekenland, maar dat het leven schiep. Zij zijn

daar allen: de keizers, de wijsgeeren, de geleerden, de dichters,

zij herleven allen in een wonderbare intensiteit, zooals zij waren,

angstvallig door den kunstenaar bestudeerd en weergegeven met hun

mismaaktheden, hun gebreken, de kleinste bijzonderheden in hun trekken;

en uit dit overdreven streven naar waarheid kwam het karakter, een

herleving van onvergelijkelijke macht voort. Er bestaat niets hoogers;

het zijn de menschen zelf, die herleven, die de geschiedenis weer

doen opstaan, deze valsche geschiedenis, door het onderwijs waarvan

geslachten van leerlingen de oudheid verafschuwen. Maar hoe begrijpt

men haar, hoe gaat men sympathie ervoor voelen, als men dit alles

gezien heeft. En zoo kwam het, dat de kleinste marmeren brokstukken,

de afgebroken standbeelden, de verminkte bas-reliefs, een goddelijke

arm van een nymf, de gespierde dij van een satyr den glans van een

lichtende, groote en krachtige beschaving doen opleven.

Narcisse bracht Pierre terug naar de honderd meter lange Galleria

dei Candelabri, waar prachtige beeldhouwwerken te vinden zijn.

"Kijk eens, mijn waarde abbé, het is pas vier uur. Wij zullen hier een

oogenblik gaan zitten, want het gebeurt meermalen dat de Heilige Vader

hier door komt, om naar den tuin te gaan. Het zou een groot geluk zijn,

wanneer u hem zoudt kunnen zien, en wie weet misschien spreken!... In

ieder geval zult u wat uitrusten, want u zult wel doodmoe zijn..."

Alle suppoosten kenden hem, zijn verwantschap met monsignor Gamba del

Zoppo opende alle deuren van het Vaticaan voor hem, waar hij dikwijls

geheele dagen doorbracht. Er stonden twee stoelen, zij gingen erop

zitten en Narcisse begon onmiddellijk weer over kunst te spreken.

Welk een verwonderlijk lot, welk een verheven en geleende

koninklijkheid bezit Rome toch! Het schijnt een middelpunt te zijn,

waarin de geheele wereld samenkomt, maar waar niets uit den bodem zelf,

die van den beginne af met onvruchtbaarheid geslagen is, opschiet. De

kunsten moeten hier geacclimatiseerd, het genie van de omliggende

volkeren hierheen overgeplant worden; doch is dat eenmaal gedaan,

dan bloeien zij in volle pracht op. Onder de keizers, wanneer Rome

de koningin der aarde is, krijgt het van Griekenland de schoonheid

van zijn monumenten en beeldhouwwerken. Later, als het Christendom

ontstaat, is het in Rome nog geheel doordrenkt door het heidendom,

trouwens op een anderen bodem verwekt het de Gotische kunst, de

Christelijke kunst bij uitnemendheid. Nog later, in den tijd der

Renaissance, bloeit wel in Rome de eeuw van Julius II en Leo X, maar

deze beweging, welke het dien grooten opbloei bracht, werd voorbereid

door Toscaansche en Umbrische kunstenaars.

Voor de tweede maal krijgt het zijn kunst van buiten, die het de

heerschappij over de wereld geeft en daar een triomphantelijke grootte

aanneemt. Toen had het ontwaken der oudheid plaats: Apollo en Venus

worden tot nieuw leven gewekt en door de pausen zelf aangebeden,

die, na Nicolaas V droomen het pauselijke Rome gelijk te maken aan

het keizerlijke. Na de zoo oprechte, teere en sterke voorloopers,

Fra Angelico, Perugino, Botticelli, en zoovele anderen, verschijnen

twee majesteiten: Michelangelo en Raffaël, de bovenmenschelijke en de

goddelijke. Dan volgt een plotselinge val: honderdvijftig jaren moeten

verloopen om te komen tot Caravaggio, tot alles wat de schilderkunst,

bij gebrek aan genie, aan krachtige kleur en uitbeelding bereiken

kon. Dan duurt het verval voort tot Bernini, die de vervormer,

de werkelijke schepper van het Rome der tegenwoordige pausen is,

het wonderkind, dat van zijn achttiende jaar af een geheel geslacht

van marmeren dochters verwekt, de alles omvattende architect, wiens

verbazingwekkende werkzaamheid den gevel van de St. Pieter voltooid,

de zuilengang gebouwd, het inwendige van de basilica versierd,

tallooze fonteinen, kerken en paleizen opgericht heeft. En dit was

het einde van alles, want van af dat oogenblik is Rome langzamerhand

uit het leven verdwenen, heeft het zich iederen dag wat meer uit de

moderne wereld teruggetrokken, alsof deze stad, die altijd van andere

steden geleefd heeft, eraan ten gronde ging, dat zij haar niets meer

kon afnemen, om zichzelf daaruit nieuwen roem te scheppen.

"Bernini, o, die heerlijke Bernini!" ging Narcisse, in extase

wegzwijmelend, voort; "hij is zoo kráchtig en exquis, zijn

scherpzinnigheid is steeds wakker, hij bezit een vruchtbaarheid

vol gratie en pracht... En altijd weer komen zij aan met hun

Bramante, hun Bramante met zijn meesterwerk, zijn correcte en

koude Cancellaria! Nu, laten wij zeggen, dat hij de Michelangelo

en Raffaël van de architectuur is geweest, en verder niet over hem

praten!... Maar Bernini, de heerlijke Bernini, wiens zoogenaamde

slechte smaak uit meer fijnheid en verfijning bestaat dan de anderen

genie gelegd hebben in hun kolossaalheid en volmaaktheid. De rijke

en diepe ziel van Bernini, waarin onze tijd zich terugvinden moest,

is zoo triompheerend gezocht!... Kijk toch eens in de Villa Borghese

naar de Apollo en Daphné-groep, die hij op zijn achttiende jaar gemaakt

heeft, en vooral in de Santa Maria della Vittoria zijn Heilige Theresia

in extase! Ach, deze Heilige Theresia! Men ziet den hemel open, de

siddering, die het goddelijke genieten door het lichaam der vrouw

zendt, de tot krampen opgevoerde wellust van het geloof, het naar

adem snakkende schepsel, dat van overweldigende zaligheid in de armen

van haar God sterft!... Ik heb uren en uren voor haar doorgebracht,

zonder de kostbare, verterende oneindigheid van het symbool ooit te

hebben kunnen uitputten!"

Zijn stem stierf weg, en Pierre, die zich over zijn onbewusten haat

tegen gezondheid, eenvoud en kracht niet langer verwonderde, luisterde

nauwlijks naar hem, overweldigd als hij werd door de gedachte, die zich

meer en meer van hem meester maakte: het heidensche Rome ontwaakte

weer in het Christelijke Rome en maakte daarvan het Katholieke Rome,

het nieuwe politieke, gehiërarchiseerde en beheerschende centrum

van de regeering der volkeren. Was het, met uitzondering dan van

den oorspronkelijken katakombentijd, ooit Christelijk geweest? Deze

gedachten waren als het ware een voortzetting, een bevestiging van

die, welke hij op den Palatinus, op de Via Appia, in de St. Pieter

gehad had. En dezen zelfden ochtend in de Sixtijnsche kapel en in

de Stanza della Segnatura, in de bedwelming, waarin de bewondering

hem gebracht had, had hij het nieuwe bewijs, dat het genie hem

gaf, wel begrepen. Weliswaar kwam in Michelangelo en Raffaël

het heidendom slechts terug in een door den Christelijken geest

bewerkte vervorming. Maar lag het er niet aan ten grondslag? Kwamen

de reusachtige naaktfiguren van den eersten niet uit den vreeselijken

hemel van Jehova, dien hij door den Olympus heen gezien had? Lieten

de ideale figuren van den tweede niet onder den kuischen sluier der

Heilige Maagd de heerlijke en begeerlijke Venuslichamen zien? Nu

was Pierre zich daar ten volle van bewust, en bij de verbazing, die

hem overstelpte, voegde zich een gevoel van verlegenheid, want die

tallooze, mooie lichamen, deze naaktfiguren, die de hartstochtelijke

levenslust verheerlijkten, gingen in tegen den droom, dien hij in

zijn boek gedroomd had: het verjongd Christendom, dat vrede gaf aan

de wereld, de terugkeer tot den eenvoud, tot de reinheid der eerste

tijden.

Plotseling hoorde hij tot zijn verbazing hoe Narcisse, zonder dat hij

begrijpen kon door welken overgang van gedachten hij daartoe kwam,

hem bijzonderheden begon te vertellen over het dagelijksch leven van

Leo XIII.

"Ja, mijn waarde abbé, op zijn vier-en-tachtigste jaar is hij nog zoo

werkzaam als een jonge man, leidt hij een leven van wilskracht en

arbeid, zooals wij het geen van beiden gaarne leven zouden!... Om

zes uur staat hij al op, leest zijn mis in zijn particuliere

kapel en ontbijt dan met wat melk. Van acht tot twaalf uur is het

vervolgens een onafgebroken défilé van kardinalen, prelaten, alle

congregatie-aangelegenheden, die hem onder de oogen komen moeten,

en ik verzeker u, dat er geen meer ingewikkelde bestaan. Om twaalf

uur hebben de openbare en gemeenschappelijke audiënties plaats. Om

twee uur dineert hij. Dan volgt een siësta, die hij wel verdiend

heeft, of een wandeling in den tuin tot zes uur. Menigmaal houden de

particuliere audiënties hem dan nog een paar uur bezig. Om negen uur

soupeert hij, maar hij eet bijna niets, leeft van niets, en dan altijd

alleen aan een klein tafeltje... Wat zegt u wel van de etiquette,

die hem tot een dergelijke eenzaamheid verplicht? Stel u voor:

een mensch, die in geen achttien jaar een dischgenoot gehad heeft,

altijd alleen zit in zijn grootheid?... Om tien uur zondert hij

zich, nadat hij met zijn vertrouwden de Rozenkrans gebeden heeft,

af in zijn kamer. Maar ook al gaat hij naar bed, hij slaapt weinig;

meermalen wordt hij bezocht door slapeloosheid; dan staat hij weer

op, roept een secretaris, om dezen aanteekeningen of brieven te

dicteeren. Wanneer een belangrijke zaak hem bezighoudt, dan geeft hij

zich daar geheel aan, denkt er onophoudelijk aan. Dat is zijn leven,

daarin ligt het geheim van zijn gezondheid: een voortdurend wakkere,

bezige geest, een kracht, die behoefte heeft zich te uiten... U weet

natuurlijk ook, dat hij langen tijd met liefde de Latijnsche poëzie

beoefend heeft. Men beweert ook, dat hij in dagen van strijd een waren

hartstocht voor de journalistiek heeft, zoozeer zelfs, dat hij de

artikelen in de bladen, die hij steunt, inspireert, ja ook dicteert,

wanneer zijn liefste denkbeelden op het spel staan."

Er volgde een stilte. Ieder oogenblik keek Narcisse in deze groote,

verlaten en plechtige Galleria dei Candelabri te midden van de

roerlooze, spookachtig witte marmeren beelden, of het kleine gevolg

van den paus nog niet kwam, om zich naar den tuin te begeven.

"Het zal u wel bekend zijn," ging Narcisse voort, "dat men hem

op een lagen stoel naar beneden draagt, die zoo smal is, dat

hij door alle deuren heen kan. Het is een heele tocht! Bijna twee

kilometers door de loggia's, de Stanza di Raffaeli, de schilderijen-

en beeldhouwwerkengalerijen, ongerekend de talrijke trappen. In het

kort een eindelooze tocht, voor men hem beneden neerzet in een allée,

waar een rijtuig met twee paarden staat te wachten.--Het is prachtig

weer vanavond. Hij zal zeker komen. Heb nog maar even geduld!"

Terwijl Narcisse deze bijzonderheden vertelde, zag Pierre de

geheele geschiedenis voor zich herleven. Eerst kwamen de mondaine

en praallievende pausen der Renaissance, zij, die de Oudheid hadden

opgewekt en ervan droomden den Heiligen Stoel weer met het keizerlijk

purper te drapeeren: Paul II, de prachtlievende Venetiaan, die den

palazzo di Venezia had gebouwd; Sixtus V, wien wij de Sixtijnsche

kapel te danken hebben; Julius II en Leo X, die van Rome een stad

van theatralen pronk, van kostbare feesten, tournooien, balletten,

jachtpartijen, maskerades en festijnen maakten. Het pausdom had juist

onder den grond, in het stof der puinhoopen, den Olympus teruggevonden;

en als bedwelmd door den uit den ouden bodem opstijgenden levensstroom,

stichtte het de musea, maakte daarvan weer de prachtige, aan

den eeredienst der algemeene bewondering teruggegeven heidensche

tempels. Nooit had de Kerk zich nog in zoo'n doodsgevaar bevonden,

want al bleef men ook in de St. Pieter den Christus vereeren, zoo

troonden toch Juppiter en al de marmeren goden en godinnen met hun

triompheerende lichamen in de zalen van het Vaticaan.

Vervolgens rees een ander visioen voor Pierre op, dat der moderne

pausen vóór de Italiaansche occupatie, Pius IX vrij nog en zich

dikwijls bewegend in zijn geliefd Rome. De groote, roode en gouden

koets werd door zes paarden getrokken, omgeven door de Zwitsersche

garde, gevolgd door een peloton edelgarden. Op den Corso verliet de

paus meermalen zijn rijtuig en zette zijn wandelrit te voet voort;

dan galoppeerde een bereden garde vooruit, om te waarschuwen en alles

te doen stilstaan. Onmiddellijk schaarden de rijtuigen zich in een rij;

de mannen stapten uit, om op straat neer te knielen, terwijl de vrouwen

eenvoudig bleven staan en het hoofd eerbiedig bogen bij de nadering van

den Heiligen Vader, die, glimlachend en zegenend, met langzamen stap

tot aan de piazza del Popolo ging. En nu kwam Leo XIII, de vrijwillige

gevangene. Achttien jaar lang nu al in het Vaticaan opgesloten, had

hij achter deze dikke, zwijgende muren, in dat onbekende, waarin het

bescheiden leven van al zijn dagen wegvloot, een hoogere majesteit,

iets heilig en huiveringwekkend mysterievols gekregen.

O, deze paus, dien men niet meer ontmoet, dien men niet meer ziet,

die voor den gewonen mensch verborgen is als een dier vreeselijke

godheden, die alleen de priesters in het gelaat durven zien! Hij

heeft zich opgesloten in dat weelderige Capitool, dat zijn voorgangers

uit den Renaissance-tijd gebouwd en versierd hadden voor reusachtige

feesten; hij leeft daar, ver van de groote menigte, in een gevangenis,

met de mooie mannen en de mooie vrouwen van Michelangelo en Raffaël,

met de marmeren goden en godinnen, den schitterenden Olympus, die

den godsdienst van het licht en van het leven viert. Het geheele

pausdom baadt daar met hem in het paganisme. Welk een schouwspel,

wanneer deze tengere grijsaard met zijn sneeuwwitte haren, door

die zalen der Galleria degl' Antichi komt, om zich naar den tuin te

begeven. Rechts en links zien de standbeelden met al hun naakt vleesch

hem voorbijkomen: Juppiter en Apollo en Venus, de heerscheres, en Pan,

de universeele god, wiens lach de vreugden der aarde inluidt. Nereïden

baden zich in den doorzichtigen stroom, Bacchanten dartelen zonder

sluier in het warme gras. Kentauren dragen galoppeerend op hun

dampende flanken mooie, in wellust zwijmelende meisjes weg. Ariadne

wordt verrast door Bacchus, Ganymedes liefkoost den adelaar, Adonis

doet de paren in liefde ontvlammen.

En de witte grijsaard wordt op zijn lagen stoel door dit triompheerende

vleesch, die pronkende, pralende, verheerlijkte naaktheid, die de

almacht der natuur, het eeuwige mysterie verkondigt, gedragen. Sedert

men haar teruggevonden, uitgegraven en geëerd heeft, heerscht zij

daar opnieuw onvergankelijk; en vergeefs heeft men wijnrankbladeren

aan de standbeelden aangebracht, evenals men de grootsche figuren van

Michelangelo gekleed heeft: het geslacht vlamt, het leven schuimt over,

het zaad stroomt wild-bruisend door de aderen der wereld.

Dicht daarbij in de onvergelijkelijk rijke Vaticaansche Bibliotheek,

waarin het geheele menschelijke weten slaapt, zal het een nog

vreeselijker gevaar zijn, zal een ontploffing het Vaticaan en zelfs

de St. Pieter ten val brengen, wanneer ook die boeken eens ontwaken

en luide spreken, zooals de schoonheid der Venussen en de mannekracht

der Apollo's gesproken hebben. Maar de witte, zoo magere grijsaard

schijnt niets te zien, niets te hooren, en de Juppiterkoppen en de

Herculestorso's en de Antinoi met hun dubbelzinnige heupen, blijven

hem zwijgend voorbij zien gaan.

In zijn ongeduld vroeg Narcisse een suppoost, die hem verzekerde,

dat Zijne Heiligheid reeds in den tuin was. De meeste keeren namelijk

ging men, om den weg te bekorten, door een kleine overdekte galerij,

die voor de Munt uitkwam.

"We zullen ook gaan, als ge het goed vindt!" zeide hij tegen

Pierre. "Ik zal zien, dat we toegang tot de tuinen krijgen."

Beneden in den vestibule, waar een deur uitkwam op een breede laan,

begon hij weer te praten met een anderen suppoost, een voormalig

pauselijk soldaat, dien hij speciaal kende. Onmiddellijk liet deze

hem met Pierre doorgaan; maar hij kon niet zeker zeggen of monsignor

Gamba del Zoppo met Zijne Heiligheid was.

"Het komt er niet op aan," begon Narcisse weer, toen zij samen in de

allée waren; "ik geef nog steeds de hoop op een gelukkige ontmoeting

niet op... En nu zijn we in de beroemde tuinen van het Vaticaan."

Deze tuinen zijn zeer uitgestrekt. De paus kan, wanneer hij door de

alleeën en dan door de wijngaard en den moestuin gaat, vier kilometer

loopen. Zij beslaan het plateau van den Vaticaanschen heuvel, die aan

alle zijden nog door den ouden muur van Leo IV omgeven wordt, wat hen

van de omliggende kleine dalen scheidt. Vroeger liep de muur door tot

den Engelenburg, waar de zoogenaamde Leostad was. Er is geen plek,

vanwaar men in die tuinen zien kan, geen enkele nieuwsgierige blik

zou erin kunnen doordringen, behalve van den dom van de St. Pieter,

en slechts haar reusachtige schaduw valt op brandend heete dagen in de

tuinen. Zij vormen als het ware een wereld op zichzelf, een gevariëerd

en volkomen geheel, dat iedere paus getracht heeft mooier te maken:

een groot grasperk met geometrische gazons met twee mooie palmen

beplant en met citroen- en oranjeappelboomen in potten versierd;

een vrijere, schaduwrijker tuin, waarin zich tusschen diepe heggen

en lanen de Aquilone, de fontein van Giovanni Vesanzio en het oude

Casino van Pius IV bevinden; de boschjes met de prachtige steeneiken,

die door breede alleeën doorsneden worden en als uitlokken tot langzame

wandelingen; en eindelijk, na nog andere boomgroepen, de moestuin en

de goed onderhouden wijngaard.

Al loopend door de boschjes vertelde Narcisse aan Pierre bijzonderheden

over het leven van den Heiligen Vader in deze tuinen. Wanneer het

weer het toelaat, gaat hij er om den anderen dag wandelen. Vroeger

verhuisden de pausen in Mei van het Vaticaan naar het Quirinaal,

dat koeler en gezonder is, terwijl zij den tijd der grootste hitte

doorbrachten in Castel Gandolfo aan het Albaansche Meer. Tegenwoordig

heeft de Heilige Vader geen ander zomerverblijf dan de zoo goed als

ongedeerd gebleven toren van den ouden muur van Leo IV. Hij brengt

daar de warmste dagen door en heeft zelfs een soort paviljoen ernaast

laten bouwen voor zijn gevolg, om er langer verblijf te kunnen

houden. Narcisse, die hier bekend was, kon vrij naar binnen gaan

en Pierre een blik laten slaan in het eenige door Zijne Heiligheid

bewoonde vertrek, een groote ronde kamer met een half-kogelvormige

zoldering, waar de hemel op geschilderd is met de symbolische teekenen

der sterren, waarvan er een, de Leeuw, als oogen twee sterren heeft,

die door een bijzonder verlichtingssysteem 's nachts fonkelen. De muren

zijn zoo dik, dat men door een der ramen af te sluiten, in de nis een

soort kamer heeft kunnen maken, waarin zich een rustbed bevindt. Verder

bestond het meubilair uit een groote schrijftafel, een kleinere

eettafel en een grooten, geheel vergulden, koninklijken leunstoel,

een der geschenken ter gelegenheid van het bisschopsjubileum. En men

denkt aan de eenzame, stille dagen in deze lage torenkamer, koel als

een graf, wanneer de heete Juli- en Augustuszon in de verte op het

in slaap gevallen Rome brandt.

Dan nog verdere bijzonderheden. In een anderen, door een kleinen,

witten koepel bekroonden toren, dien men tusschen het groen ziet, is

een sterrenwacht opgericht. Ook is er onder de boomen een Zwitsersch

chalet, waarin Leo XIII gaarne uitrust. Hij gaat meermalen te voet

naar den moestuin en stelt vooral belang in den wijngaard, dien hij

dikwijls bezoekt, om te zien, of de druiven rijpen en de oogst goed

worden zal. Maar wat den jongen priester het meest verbaasde was

te hooren, dat de Heilige Vader, toen hij jonger en sterker was,

een hartstochtelijk jager geweest was. In het bijzonder was hij een

vriend van den "roccolo". Aan den rand van een boschje worden langs

een allée netten met groote, breede mazen gespannen, zoodat die allée

aan beide zijden afgesloten is. In het midden zet men op den grond

de kooien met lokvogels, wier zang al heel spoedig de vogels uit de

buurt, de roodborstjes, grasvinken, nachtegalen en allerlei soorten

vijgeneters lokt. Wanneer er dan veel bij elkaar waren, klapte Leo

XIII, die verscholen op den loer zat, in zijn handen en verschrikte

de vogels, die opvlogen en met hun vleugels in de mazen van het net

bleven hangen. Men behoefde ze dan nog slechts uit te zoeken en met

een lichten druk van den duim te wurgen. Gebraden vijgeneters vormen

een groote delicatesse.

Toen zij door het kreupelhout teruggingen, zag Pierre tot zijn groote

verbazing een kleine imitatie der Grot van Lourdes, die met behulp van

rotsjes en cementblokken gemaakt was. Zijn ontroering was zóó groot,

dat hij die voor Narcisse niet verbergen kon.

"Dus is het toch waar?... Men had het mij verteld, maar ik dacht,

dat de paus breeder van opvatting en los van dat lage bijgeloof was."

"O," antwoordde Narcisse, "ik geloof, dat de Grot uit den tijd van

Pius IX dateert, die voor Notre-Dame de Lourdes een dankbare vereering

had. In ieder geval is het een geschenk, en Leo XIII zorgt alleen maar,

dat de Grot niet in verval geraakt."

Gedurende enkele minuten bleef Pierre roerloos en zwijgend

voor die nabootsing, voor dat kinderlijke, religieus

stuk speelgoed staan. Verscheidene bezoekers hadden uit

vromen ijver hun visitekaartjes in de spleten van het cement

achtergelaten. Teleurgesteld en droevig gestemd begon hij met

hangend hoofd en geheel verzonken in een troosteloos gepeins over de

jammerlijke dwaasheid der wereld, Narcisse weer te volgen.

Lieve God, hoe heerlijk was ondanks alles dit einde van een

mooien dag, welk een alles overwinnende bekoring steeg in dit

aanbiddelijke gedeelte der tuinen uit de aarde op! Meer dan onder

de flauwe schaduw van het kreupelhout, meer zelfs dan tusschen

de vruchtbare wijngaardranken voelde hij hier midden op dit kale,

verlaten, trotsche en brandende grasperk de volle kracht der machtige

natuur. In het dunne gras, dat regelmatig de geometrische afdeelingen,

die door de alleeën gevormd werden, sierde, zag men nauwlijks eenige

lage struiken, dwergrozen, aloës en half verdroogde bloemperkjes,

terwijl in den barokken smaak van vroeger enkele groene heestertjes

nog het wapen van Pius IX vormden.

Niets stoorde de warme stilte dan het zachte, kristallijnen

geruisch van de fontein in het midden, een regen van droppels, die

onophoudelijk uit een bekken vielen. Geheel Rome met zijn vurigen

hemel, zijn souvereine lieftalligheid, zijn veroverenden wellust scheen

dit vierkante mozaïek van groen te bezielen; half verwaarloosd en

geschroeid als het was, nam het in de oude huivering van een vlammenden

hartstocht, die nooit sterven kon, een zwaarmoedigen trots aan. Oude

vazen, oude standbeelden, naakt en wit in de ondergaande zon, stonden

om het grasperk heen. En sterker dan de geur der eucalyptussen en der

pijnboomen, sterker ook dan de geur der rijpende oranjeappelen steeg

de geur der groote taxisboomen op, zoo vol gulzig leven, dat hij als

de geur zelf der manlijke kracht van dezen ouden, door menschenstof

verzadigden bodem, de voorbijgangers als het ware bedwelmde.

"Het is werkelijk wonderlijk, dat wij Zijne Heiligheid niet gezien

hebben," zeide Narcisse. "Het rijtuig is zeker de andere allée

doorgereden, toen wij in den toren van Leo IV waren."

Hij begon nu over zijn neef, monsignor Gamba del Zoppo, en legde Pierre

uit, dat het ambt van "Copiere", van opperschenker, dat deze als een

der vier geheime kamerheeren moest vervullen, nog slechts een zuiver

eerebaantje was, vooral sedert de diplomatieke diners en de diners ter

eere van bisschopswijdingen gegeven werden bij den kardinaal-secretaris

in het staatssecretariaat. Monsignor Gamba del Zoppo, wiens blooheid

en onbeduidendheid spreekwoordelijk waren, scheen geen andere rol te

spelen dan Leo XIII, die hem om zijn voortdurende vleierijen en de

anecdotes, welke hij zoowel uit de zwarte als de witte kringen wist te

vertellen, gaarne mocht, op te vroolijken. Deze dikke, vriendelijke

en zelfs, wanneer zijn eigen belangen daardoor geen gevaar liepen,

dienstvaardige man, was een wandelende courant. Hij wist alles en

versmaadde zelfs keukenpraatjes niet. Op die wijze stevende hij kalm

op het kardinaalschap aan; hij was zeker van den kardinaalshoed,

zonder dat hij zich eenige andere moeite behoefde te geven dan op de

wandelingen nieuwtjes te vertellen. En God weet, dat hij daarvoor stof

genoeg vond in dat gesloten Vaticaan met zijn gewemel van prelaten

van alle soorten, onder dat pauselijk personeel, waarbij geen vrouwen

zijn en dat alleen uit oude jonggezellen in lange kleeren bestaat, die

slechts leven in matelooze eerzucht, in heimlijken en afschuwlijken

strijd en in woesten haat, welke, naar men zegt, soms nog wel grijpt

naar het goede, oude gif van vroeger tijden!

Plotseling bleef Narcisse staan.

"Kijk, ik wist het wel... Daar is de Heilige Vader... Maar wij

hebben geen geluk. Hij zal ons zelfs niet zien. Hij stapt weer in

zijn rijtuig."

Inderdaad was de koets tot den rand van het kreupelhout gereden en

de kleine stoet, die uit een smalle allée kwam, liep erheen.

Pierre had een schok in zijn hart gekregen. Onbeweeglijk stond

hij met Narcisse half verborgen achter den hoogen pot van een

citroenboom en kon slechts uit de verte den witten grijsaard,

zoo tenger in de fladderende plooien van zijn witte soutane, zeer

langzaam loopend met kleine pasjes, die over het zand schenen te

glijden, zien. Nauwlijks kon hij het magere, als uit oud, doorzichtig

ivoor gesneden gezicht, waarin vooral de groote neus boven de dunne

lippen opviel, onderscheiden. Maar de zeer donkere oogen glansden

nieuwsgierig glimlachend, terwijl hij zijn oor naar rechts gewend

hield, naar monsignor Gamba del Zoppo, die, dik en kort, met een bloem

in het knoopsgat en waardig, ongetwijfeld bezig was een verhaal te

vertellen. Aan de andere zijde liep een der edelgarden, terwijl twee

andere prelaten volgden.

Het was slechts een alledaagsch tooneeltje; reeds stapte Leo XIII in

de gesloten koets. En te midden van dien grooten, brandend heeten, met

geuren bezwangerden tuin vond Pierre weer dezelfde vreemde ontroering

terug, die zich in de Galleria dei Candelabri van hem meester gemaakt

had, toen hij zich voor den geest had geroepen, hoe de paus tusschen

de hun triomphantelijke naaktheid ten toon spreidende Venussen en

Apollo's gedragen werd. Daar vierde slechts de heidensche kunst de

eeuwigheid van het leven, de prachtige en almachtige krachten der

natuur. Hier echter zag hij hem baden in de natuur zelf, in de mooiste,

wellustigste, hartstochtelijkste natuur.

O, deze paus, deze witte grijsaard, die zijn God, den God van

smarten, ootmoed en verzaking, door de lanen van dezen liefdetuinen

leidde, wanneer na heete dagen mat de avond valt en de geuren van

pijnboomen en eucalyptussen, van rijpe oranjeappelen en taxisboomen

hem liefkoozen! Geheel en al omgaf Pan hem hier met de machtige

uitstroomingen van zijn manlijke kracht. Hoe heerlijk zou het zijn

daar te leven te midden van de pracht van den hemel en van de aarde,

de schoonheid van de vrouw er lief te hebben en zich te verblijden in

de algemeene vruchtbaarheid. Plotseling werd hij zich van de waarheid

bewust, dat uit het land van licht en vreugde slechts een wereldlijke,

op verovering en politieke macht beluste godsdienst kon ontsproten

zijn en niet de mystieke en lijdende godsdienst van het Noorden,

de religie der ziel.

Maar Narcisse liep met den jongen priester verder, terwijl hij hem

nog meer bijzonderheden vertelde: over de gulle eenvoudigheid van Leo

XIII, die dikwijls bleef staan om met de tuinlieden te praten en te

vragen naar den stand der boomen, naar den verkoop der oranjeappelen;

over de liefde, welke hij gehad had voor twee gazellen, die hij uit

Afrika ten geschenke gekregen had, mooie, teere dieren, die hij graag

streelde en bij wier dood hij geweend had. Maar Pierre luisterde niet

meer; en toen zij zich weer op het plein voor de St. Pieter bevonden,

keerde hij zich om en keek nogmaals naar het Vaticaan.

Zijn blikken vielen op de bronzen deur en hij herinnerde zich, hoe

hij zich 's ochtends afgevraagd had, wat er achter die metalen, met

groote spijkers beslagen spijlen verborgen was. Hij durfde zich nog

geen antwoord geven op die vraag; hij durfde nog niet te beslissen,

of de nieuwe, naar broederschap en gerechtigheid smachtende volkeren

er den door de toekomstige democratieën verwachten godsdienst

zouden vinden, want hij nam nog slechts een eersten indruk met zich

mede. Maar hoe sterk was die indruk en welk een beginnende ramp voor

zijn droom! Een bronzen deur--ja, het was een harde, onbedwingbare

deur, die het Vaticaan met haar oude paneelen dichtmetselde,

het zoo streng van de overige wereld scheidde, dat er sinds drie

eeuwen niets binnengekomen was. Zoo even had hij daarachter de

oude eeuwen, tot aan de zestiende toe, zien herleven. De tijd was

er als het ware stil blijven staan. Niets was er meer, dat leefde;

de uniformen zelfs der Zwitsersche garde, van de edelgarden, van de

prelaten waren niet veranderd; men vond er de wereld van driehonderd

jaar geleden terug met haar zelfde etiquette, haar zelfde kleeding,

haar zelfde denkbeelden. Want ook al sloten de pausen zich, als een

hautain protest, de laatste vijf-en-twintig jaar vrijwillig op, dat nam

niet weg, dat die inmetseling in het verleden, in de traditie van veel

langer geleden dateerde en een op andere wijze ernstig gevaar vormde.

Het geheele Katholicisme was er evenals zij opgesloten, hardnekkig

vasthoudend aan zijn dogma's, in zijn starre onbeweeglijkheid nog

slechts levend door zijn wijde hiërarchische organisatie. Kon dan het

Katholicisme ondanks zijn schijnbare soepelheid in niets toegeven

zonder gevaar te loopen geheel medegesleept te worden? En dan--wat

voor een vreeselijke wereld vol trots, vol eerzucht, vol haat en

strijd! En welk een vreemde gevangenis, welke vreemde toenaderingen

daar achter die sloten en grendels: de Christus in gezelschap van

Juppiter Capitolinus, de geheele Christelijke Oudheid verbroederd met

de Apostelen, de herder van het Evangelie, die in naam der armen en

eenvoudigen regeert, omgeven door de geheele pracht der Renaissance! Op

het plein voor de St. Pieter ging de zon onder, de zachte wellust

van den Romeinschen avond zonk neer van den helderen hemel; en de

jonge priester bleef wanhopig na dien mooien dag, doorgebracht met

Michelangelo, Raffaël, de Oudheid en den Paus in het grootste paleis

der wereld.

"En nu moet ik mij verder excuseeren, mijn waarde abbé!" zeide

Narcisse. "Ik wil u niet verhelen, dat ik bang ben, dat mijn dappere

neef zich niet in uw zaak wil compromitteeren... Ik zal nog wel eens

naar hem toe gaan, maar u zult verstandig doen niet te veel meer op

hem te rekenen."

Het was bijna zes uur toen Pierre in den palazzo Boccanera

terugkwam. Gewoonlijk ging hij bescheiden door het steegje en liep

hij de kleine trap op, waarvan hij een sleutel had. Maar hij had

dien ochtend een brief van vicomte Philibert de la Choue ontvangen,

waarvan hij den inhoud aan Benedetta wilde mededeelen. Dus ging hij

de groote trap op. Tot zijn verwondering vond hij echter niemand in

de antichambre. Op gewone dagen ging Victorine, wanneer Giacomo uit

moest, daar aan een handwerkje zitten naaien. Haar stoel stond er wel,

hij zag zelfs op een tafeltje het linnen, dat zij aan het verstellen

was, liggen, zij was dus ongetwijfeld weggegaan. Hij nam de vrijheid

den eersten salon binnen te gaan. Het was er bijna reeds donker,

de schemering stierf er zacht weg. De priester bleef staan, durfde

niet verder gaan, toen hij uit den salon ernaast, den grooten gelen

salon, een stemmengeruisch, geritsel, bonsen hoorde. Eerst klonk een

dringend smeeken, dan woedend gebrom. Plotseling aarzelde hij niet

meer; hij werd ondanks zichzelf als medegesleept door de zekerheid,

dat iemand zich in dat vertrek verdedigde en op het punt stond het

onderspit te delven.

Toen hij het vertrek binnenvloog, zag hij daar tot zijn groote

verbijstering Dario als dol, in een uitbarsting van wilden hartstocht,

waarin het ongebreidelde bloed der Boccanera's, ondanks de elegante

uitputting van het ras, weer boven kwam: hij hield Benedetta bij

haar schouders, had haar achterover op een canapé geworpen, wilde

haar met geweld bezitten, terwijl hij haar gezicht met zijn heete

woorden verzengde.

"Om Gods wil, lieveling... Om Gods wil, als je niet wilt, dat ik en

jij sterven... Je zegt het toch zelf... het is uit... dat huwlijk zal

nooit vernietigd worden... Laten we toch niet langer ongelukkig zijn,

heb mij lief zooals ik jou liefheb... en laat mij je liefhebben,

laat mij je liefhebben!"

Maar weenend, met een gelaat vol onuitsprekelijke liefde en

onuitsprekelijke smart stootte de contessina hem met haar uitgestrekte

armen van zich af.

"Neen, neen, ik heb je lief, ik wil niet, ik wil niet!"

Op dat oogenblik had Dario, terwijl hij een wanhopig gebrom uitstiet,

het gevoel, dat iemand binnenkwam. Hij richtte zich heftig op en

keek Pierre met een waanzinnig-starenden blik aan, zonder hem goed

te herkennen. Dan streek hij met zijn handen over zijn gezicht, over

zijn door tranen overstroomde wangen, over zijn met bloed doorloopen

oogen en vluchtte, terwijl hij een vreeselijk: "Ach" uitbrulde,

waarin zijn bedwongen begeerte nog in tranen en berouw streed.

Benedetta was hijgend op den canapé blijven zitten; haar moed en

haar kracht waren gebroken. Maar toen Pierre, verlegen met zijn rol

en geen woorden kunnende vinden, zich ook wilde verwijderen, vroeg

zij hem met een stem, die al kalmer begon te worden:

"Neen, neen, mijnheer de abbé, ga niet weg... Neem plaats wat ik u

smeeken mag, ik wou graag even met u praten."

Hij meende zich echter voor zijn plotseling binnenkomen te moeten

verontschuldigen, zeide haar, dat de deur van den eersten salon half

open stond en hij in de antichambre alleen maar het verstelgoed van

Victorine gezien had.

"Dat is waar!" riep de contessina uit; "Victorine moest er zijn, ik

heb haar zooeven nog gezien. Toen mijn arme Dario zijn zelfbeheersching

verloor, heb ik haar geroepen. Waarom is zij niet gekomen?"

Dan voegde zij in een opwelling van vertrouwelijkheid, terwijl haar

gezicht nog brandde van den strijd, eraan toe:

"Luister eens, mijnheer de abbé, ik zal u alles vertellen, want ik

wil niet, dat u een te laag idee van mijn armen Dario krijgt. Dat

zou me veel leed doen... Kijk u eens, wat er zooeven hier gebeurd is,

is ook eenigszins mijn eigen schuld. Gisteravond heeft hij mij om een

onderhoud in deze kamer gevraagd, om eens rustig en kalm te kunnen

praten; en daar ik wist, dat mijn tante op dit uur niet thuis zou

zijn, heb ik hem gezegd te komen... Het is heel natuurlijk, niet

waar, dat wij na het groote verdriet, dat het bericht, dat mijn

huwlijk ongetwijfeld nooit vernietigd zal worden, ons veroorzaakt

heeft, elkaar even spreken wilden? Wij lijden te veel, er moet een

besluit genomen worden... En toen hij kwam, begonnen wij te huilen,

hebben wij lang in elkaars armen gelegen, elkaar geliefkoosd en onze

tranen vermengd. Ik heb hem wel duizendmaal gekust en hem gezegd,

dat ik hem aanbad, dat ik er wanhopig onder was hem zoo ongelukkig

te maken, dat ik zeker aan mijn verdriet hem zoo ongelukkig te zien,

sterven zou. Misschien heeft hij daarin een aanmoediging gezien,

en bovendien hij is toch ook geen engel, ik had hem niet zoo lang

aan mijn hart moeten drukken... U begrijpt, mijnheer de abbé, ten

slotte is hij als dol geworden en heeft hij datgene gewild wat ik

aan de Heilige Maagd gezworen heb alleen aan mijn echtgenoot te geven."

Zij zeide het kalm, eenvoudig, zonder eenige verlegenheid. Een flauw

glimlachje speelde om haar lippen, toen zij voortging:

"O, ik ken mijn armen Dario heel goed. Maar dat belet niet, dat ik hem

liefheb, integendeel. Hij ziet er teer, ja zelfs een beetje ziekelijk

uit, maar in den grond der zaak is hij hartstochtelijk, moet hij zijn

zinnen bevredigen. Ja, het oude bloed bruist nog in hem, en ik weet wat

dat zeggen wil, want als klein meisje had ik soms aanvallen van woede,

waarin ik op den grond lag te stampen; en ook nu nog moet ik, wanneer

ik dergelijke aanvallen krijg, tegen me zelf strijden, me pijnigen,

om niet de grootst mogelijke dwaasheden uit te halen... Mijn arme

Dario! Hij kàn zoo moeilijk leed verdragen! Hij is precies een klein

kind, dat zijn luimen dadelijk ingewilligd zien wil; maar in den grond

der zaak is hij toch ook heel verstandig, wacht hij op mij, omdat

hij begrijpt, dat het ware geluk voor hem bij mij is, die hem aanbid."

Nu kreeg Pierre een helder inzicht in het karakter van den jongen

prins, dat hij tot nog toe niet volkomen begrepen had. Hoewel

hij doodelijk veel van zijn nicht hield, had hij toch steeds door

elders zijn vermaken gezocht. Een volmaakte egoïst, maar toch een

vriendelijke, aardige jongen. Vooral was hij niet in staat leed te

verdragen, had hij een afschuw van lijden, leelijkheid en armoede,

zoowel bij hem als bij anderen. Met hart en ziel was hij voor vreugde,

schittering, uiterlijken schijn en leven in de open, vrije lucht. En

bovendien was hij uitgeput, bezat hij nog slechts kracht voor dit

leven van niets doen, kan hij zelfs niet meer denken of willen,

zoodat het nooit zelfs in hem opgekomen was zich aan te sluiten bij

het nieuwe regime. Daarbij kwam nog de matelooze Romeinsche trots,

een met scherpzinnigheid en een steeds levendig, praktisch begrip

der werkelijkheid verbonden luiheid, en bij de zachte lieftalligheid

van zijn eindigend geslacht, bij zijn voortdurende behoefte aan een

vrouw, aanvallen van woedende begeerte, een dierlijke, menigmaal

losbarstende zinnelijkheid.

"Mijn arme Dario! Laat hij naar een andere vrouw gaan, ik neem het

hem niet kwalijk," voegde Benedetta er met haar mooi glimlachje zacht

aan toe. "Je moet niet het onmogelijke aan een man vragen, niet waar?"

Toen Pierre, wiens denkbeelden omtrent Italiaansche jaloezie geheel

geschokt werden, haar verbaasd aankeek, riep zij, brandend van

hartstochtelijke aanbidding:

"Neen, neen, daar ben ik niet jaloersch op. Hij vindt er genot in

en mij hindert het niet. Ik weet heel goed, dat hij steeds tot mij

zal terugkeeren, dat hij alleen nog maar aan mij zal toebehooren,

wanneer ik dat willen, wanneer ik dat kunnen zal."

Er volgde een stilte. De salon begon zich in duisternis te hullen,

het goud aan de groote wandtafeltjes doofde uit, een eindelooze

droefgeestigheid viel van de hooge, donkere zoldering en het oude gele

behang met zijn herfsttinten. Spoedig daarna trad door een toevallige

belichting een schilderij boven den canapé, waarop de contessina

zat, uit de duisternis te voorschijn: het portret van het jonge,

mooie meisje, van Cassia Boccanera, die in haar liefde gerechtigheid

geoefend had. Weer trof hem de gelijkenis en hij dacht hardop:

"De verzoeking is sterker dan de menschen, er komt altijd een

oogenblik, waarop men bezwijkt. Als ik daareven niet binnengekomen

was..."

Heftig viel zij hem in de rede:

"Ik, ik!... O, u kent mij niet. Ik zou liever gestorven zijn."

En in een vreemde, vrome exaltatie, geheel opgeheven door haar liefde

en als had het bijgeloof den hartstocht tot extase opgevoerd, voegde

zij eraan toe:

"Ik heb de Madonna gezworen mijn maagdelijkheid te geven aan den man,

dien ik liefheb, doch eerst op den dag, dat hij mijn man zal zijn;

en dien eed heb ik gehouden ten koste van mijn geluk, en ik zal hem

houden ten koste van mijn leven, als het moet... Ja, Dario en ik

zullen desnoods sterven, maar de Heilige Maagd heeft mijn woord en

de engelen in den hemel zullen niet weenen."

Zij gaf zich geheel in al haar oprechtheid, met een eenvoud, die

eerst ingewikkeld, onverklaarbaar schijnen kon. Ongetwijfeld werd

zij beheerscht door die zonderlinge voorstelling van menschelijken

adel, welke het Christendom gelegd heeft in verzaking en reinheid,

die een protest is tegen de eeuwige materie, de krachten der natuur,

de oneindige vruchtbaarheid van het leven. Maar in haar was het nog

iets meer: voor haar had de maagdelijkheid een onschatbare waarde,

was zij een kostbaar goddelijk geschenk, dat zij aan den door haar

hart uitverkoren geliefde geven wilde, die, zoodra God hen verbonden

zou hebben, ook de meester van haar lichaam was. Voor haar bestond

er buiten het door den priester gewijde huwlijk slechts doodzonde

en gruwel. Dat alles verklaarde haar langen tegenstand aan Prada,

dien zij niet liefhad; haar wanhopigen, pijnlijken tegenstand aan

Dario, dien zij aanbad, maar aan wien zij zich slechts geven wilde in

een wettig huwlijk. Welk een marteling moest het voor die in liefde

ontvlamde ziel zijn weerstand te bieden aan die liefde! Welk een niet

eindigende strijd van haar plichtsgevoel en haar eed aan de Heilige

Maagd met den hartstocht, dien hartstocht van haar geslacht, welke

soms, zooals zij zelf bekende, in haar woedde als een storm!

Pierre keek haar in de wegstervende schemering aan en het was hem,

alsof hij haar nu voor het eerst zag, voor het eerst begreep. Haar

dualiteit verried zich in haar eenigszins krachtige en zinnelijke

lippen, in haar groote, zwarte, ondoorgrondelijke oogen, in haar

zoo kalm, zoo verstandig, zoo kinderlijk-teer gezicht. Achter deze

vurige oogen, onder die lelie-reine huid raadde men de innerlijke

spankracht van de bijgeloovige, trotsche en eigenzinnige vrouw,

die zich hardnekkig bewaarde voor haar liefde, die slechts werkte,

om daarvan te genieten en er in haar beredeneerde bedachtzaamheid

steeds op voorbereid was, dat een hartstochtelijke dwaasheid haar

mede zou kunnen sleepen. O, hoe kon hij zich nu begrijpen, dat men

haar liefhad! Hoe voelde hij, dat een zoo aanbiddelijk wezen met haar

heerlijke oprechtheid, haar onstuimige terughouding, om zich beter

te kunnen geven, het leven van een man vervullen kon! Zij kwam hem

voor als de jongere zuster van die liefelijke en tragische Cassia,

die met haar voortaan nuttelooze maagdelijkheid niet langer leven

wilde en zich in den Tiber geworpen had, terwijl zij haar broeder

Ercolo en het lijk van Flavio, haar geliefde, met zich trok!

In een liefdevolle opwelling greep Benedetta de beide handen van

Pierre.

"Mijnheer de abbé, u bent nu een veertien dagen hier, en ik heb

al een groote genegenheid voor u opgevat, omdat ik voel, dat u een

vriend bent. Indien u ons niet dadelijk begrijpt, moet u toch niet

te slecht over ons oordeelen. Ik zweer u, dat ik, hoe onwetend ik

ook ben, altijd tracht zoo goed mogelijk te handelen."

Hij werd diep geroerd door haar beminlijkheid en hij dankte haar

daarvoor, terwijl hij een oogenblik haar mooie handen in de zijne nam,

want ook hij had een groote genegenheid voor haar opgevat. Weer sleepte

een droom hem mede: haar opvoeder zijn, als hij den tijd daarvoor had,

in ieder geval niet weer te vertrekken, zonder deze ziel gewonnen te

hebben voor de denkbeelden van naastenliefde en broederschap, die

de zijne waren. Was dit bewonderenswaardige, indolente, onwetende,

niets omhanden hebbende schepseltje, dat slechts haar liefde

wist te verdedigen, niet het Italië van gisteren? Het zoo mooie,

sluimerende Italië van gisteren met haar uitstervende lieftalligheid,

zoo betooverend in haar sluimering, in wier diepe, donkere,

hartstochtelijk brandende oogen nog zoo veel ongekends verborgen

lag? Welk een heerlijke taak haar te wekken, haar te onderrichten,

haar te veroveren voor de waarheid, het volk der lijdenden en der

armen, het verjongde Italië van morgen, zooals hij zich dat droomde!

In dat rampzalige huwlijk met graaf Prada, in dien breuk met

hem, wilde hij zelfs een eerste mislukte poging zien: het moderne

Noord-Italië ging te vlug te werk, was te ruw in zijn poging om het

zachte, achtergebleven, nog groote en trage Rome lief te hebben en te

hervormen! Maar kon hij de taak niet opnieuw opvatten, had hij niet

gemerkt, dat zijn boek na de verbazing, die de eerste lezing in haar

gewekt had, in de leegte van haar slechts door haar verdriet gevulde

dagen, haar gedachten bezig gehouden had, haar belang inboezemde. Wat,

zich voor anderen, zich voor de minderen dezer wereld, voor het geluk

der ongelukkigen te interesseeren? Was het mogelijk, dat daarin een

verzachting van eigen leed lag? Zij was reeds ontroerd; en hij nam

zich voor haar tranen te doen vloeien, terwijl hij zelf naast haar

beefde bij de gedachte aan de eindelooze liefde, die zij geven zou,

wanneer zij zou liefhebben.

De nacht was geheel gevallen en Benedetta stond op om een lamp te

vragen. Toen Pierre afscheid nam, hield zij hem nog even terug in de

donkerte. Hij zag haar niet meer, hoorde haar nog slechts met haar

ernstige stem zeggen:

"U zult toch geen al te slechte opinie van ons meenemen, mijnheer de

abbé? Dario en ik hebben elkaar lief, en dat is geen zonde, wanneer

men verstandig is. Ja zeker, ik heb hem al zoo lang lief! Stel u voor,

ik was nauwlijks dertien en hij achttien, toen we al zoo heel veel van

elkaar hielden in dien grooten tuin van de villa Montefiori, welken

men heelemaal verwoest heeft... O, wat voor dagen hebben wij daar

doorgebracht--heele middagen onder de boomen, uren lang in onvindbare

schuilhoekjes--en wat hebben wij elkaar als cherubijnen gekust! Wanneer

de tijd kwam, dat de oranjeappelen rijp werden, bedwelmde ons de geur

der vruchten. En de groote taxisboomen, wat omhulden ze ons met hun

geur, die onze harten sneller deed kloppen! Thans kan ik dien niet

meer inademen, zonder duizelig te worden."

Giacomo bracht de lamp en Pierre ging naar zijn kamer. Op de kleine

trap vond hij Victorine, die even schrok, alsof zij daar was gaan

staan, om hem op te wachten, als hij uit den salon kwam. Zij volgde

hem, praatte, hoorde hem uit. En plotseling ging de priester een

licht op.

"Waarom ben je niet gekomen, toen je meesteres je riep? Je zat toch

in de antichambre te naaien?"

Eerst wilde zij verbaasde oogen opzetten, zeggen, dat zij niets

gehoord had. Maar haar open, gul gezicht kon niet liegen, lachte

ondanks alles. Ten slotte bekende zij dapper en vroolijk.

"Wat ging mij dat aan? Waarom moest ik tusschenbeide komen? En

bovendien voelde ik mij heel rustig, ik weet, dat de prins veel te

veel van haar houdt, om mijn kleine Benedetta kwaad te doen."

In werkelijkheid had zij, begrijpend waar het om ging, bij den

eersten hulproep haar werk op de tafel neergelegd en was zoo zacht

mogelijk weggeslopen, om de lieve kinderen, zooals zij ze noemde,

niet te moeten storen.

"De arme kleine," begon zij weer, "hoe dom van haar om zich om het

hiernamaals zoo te kwellen. Groote God, wat voor kwaad zou erin

steken, wanneer zij elkaar wat geluk gaven, daar zij elkaar toch

liefhebben? Zoo lollig is het leven toch niet! En wat een wroeging

later, wanneer het te laat zou zijn!"

Toen Pierre alleen in zijn kamer was, voelde hij zich duizelig

worden. De groote taxisboomen! Evenals hij, had zij bij hun scherpen,

krachtigen geur gehuiverd. En zij kwamen terug en riepen hem dien der

pauselijke tuinen in herinnering, de wellustige, verlaten en in de

hoogstaande zon brandende, Romeinsche tuinen. De beteekenis van den

geheelen dag werd hem nu duidelijk. Het was de vruchtbare ontwaking,

het eeuwige protest van de natuur en van het leven, de Venus en

de Hercules, die men gedurende eeuwen in den grond heeft kunnen

begraven, maar die er toch eens weer uit oprijzen; die men diep in

het heerschzuchtige, starre en koppige Vaticaan kan willen opsluiten,

maar die zelf daar regeeren en onbeperkt de wereld beheerschen.

De drie steden: Rome · 第 14 / 27 题