VIJFDE HOOFDSTUK

Den volgenden dag kwam Narcisse wanhopig aan Pierre vertellen, dat

zijn neef, monsignor Gamba del Zoppe, de geheime kamerheer, onder

voorwendsel, dat hij ziek was, twee of drie dagen tijd gevraagd had,

voor hij den jongen priester ontvangen en zich met zijn audiëntie

bezig houden kon. Pierre was dus tot niets doen veroordeeld, daar

hij niet langs een anderen weg een poging durfde wagen om den paus

te spreken, want men had hem zóó bang gemaakt, dat hij vreesde door

een onhandigen stap alles te zullen bederven. En daar hij toch iets

doen moest, om den tijd te dooden, begon hij Rome te bezichtigen.

Zijn eerste bezoek gold de ruïnes van den Palatinus. Reeds om acht

uur 's ochtends, bij een helderen hemel, ging hij alleen op weg en

begaf zich naar den in de Via Santo Teodoro gelegen ingang, een hek,

omgeven door de woningen der bewakers. Dadelijk kwam een van dezen

naar hem toe en bood zich als gids aan. Pierre had liever op goed

geluk af willen rondzwerven, maar hij vond het moeilijk het aanbod van

den man, die zeer vloeiend en met een vriendelijk glimlachje Fransch

sprak, te weigeren. Het was een klein, ineengedrongen mannetje, een

oud-soldaat van even boven de zestig, met een vierkant, opgeblazen,

door een dikke, grijze snor in tweeën gedeeld gezicht.

"Als mijnheer de abbé zoo goed wil zijn mij te volgen... Ik zie, dat

mijnheer de abbé een Franschman is. Ik ben een Piemontees en ken de

Franschen goed: ik heb aan hun zijde bij Solferino gevochten. Ja, ja,

men kan zeggen wat men wil, maar je vergeet het niet zoo gauw, wanneer

je wapenbroeders geweest bent... Hier rechtsaf, als het u blieft!"

Toen Pierre opkeek, zag hij de reeks cypressen, die het plateau

van den Palatinus omzoomen en die hij den dag van zijn aankomst van

af den Janiculus gezien had. In de zoo teerblauwe lucht maakte het

donkere groen van die boomen den indruk van zwarte franje. Behalve

deze zag men niets, de helling strekte zich kaal en naakt, vuil

stofgrijs uit, bestrooid met enkele kreupelboschjes, te midden waarvan

stukken van oude muren uitstaken. Het was de verwoesting, de vlekkige

troosteloosheid der opgravingen, waarvoor alleen de geleerden zich

kunnen opwinden.

"De paleizen van Tiberius, Caligula en der Flavii liggen daar in de

hoogte," ging de gids voort. "Maar die bewaren wij voor het laatst,

we zullen eerst een rondgang maken."

Toch ging hij wat links af en bleef voor een uitholling, een soort

grot in de helling van den berg, staan.

"Dit is het wolvenhol, waar de wolvin Romulus en Remus zoogde. Vroeger

was aan den ingang nog de vijgeboom Rominalis te zien, die de

tweelingen tegen regen en zon beschermde."

Pierre kon een glimlach niet onderdrukken, zoo eenvoudig en

vast overtuigd van de waarheid van wat hij zeide, gaf de man zijn

uitleggingen, zóó trotsch bovendien op al dien ouden roem, als ware

het de zijne. Maar toen de oud-soldaat hem bij de grot de sporen van

Roma quadrata gewezen had, overblijfselen van muren, die werkelijk uit

den tijd van Rome's stichting te stammen schenen, begon Pierre zich

te interesseeren, deed een eerste ontroering zijn hart kloppen. Dit

kwam natuurlijk niet, omdat het zoo'n wondermooi schouwspel was, want

het waren slechts enkele blokken gehouwen steen, die zonder cement of

kalk op elkaar gelegd waren, maar een verleden van zeven-en-twintig

eeuwen rees hier voor zijn geest op, en deze afgebrokkelde, zwart

geworden steenen, die een zoo machtig gebouw van pracht en almacht

gedragen hadden, kregen een buitengewone majesteit.

Zij zetten hun rondgang voort en liepen nu naar rechts, steeds langs

de helling van den berg. De annexen der paleizen moesten tot hier

geloopen hebben: overblijfselen van portieken, ingestorte zalen,

nog staande gebleven zuilen en friezen omzoomden het hobbelige pad,

dat tusschen kerkhofgrassen slingerde; de gids, die dat, wat hij

wist, zoo goed vertelde, omdat hij het nu al tien jaar lang iederen

dag herhaald had, bleef de onzekerste hypothesen ten beste geven,

terwijl hij aan iederen puinhoop een verhaal toevoegde.

"Het paleis van Augustus," zeide hij eindelijk met een gebaar van

zijn hand naar de aardophoopingen.

Ditmaal waagde Pierre, die absoluut niets zag, te vragen:

"Waar dan?"

"O, mijnheer de abbé, het schijnt, dat aan het einde van de vorige

eeuw de gevels nog stonden. Je kwam er van den anderen kant, van

de Sacra Via, in. Aan dezen kant was er een groot balkon, dat den

grooten Circus Maximus beheerschte, en vanwaar men de spelen zien

kon. Overigens is het paleis, zooals u constateeren kunt, nog bijna

geheel begraven onder dien grooten tuin boven, den grooten tuin van de

villa Mills. Wanneer men geld genoeg voor de opgravingen hebben zal,

zal men het terugvinden, dat is zeker, evenals den tempel van Apollo

en dien van Vesta, welke ernaast stonden."

Hij wendde zich nu naar links en ging het Stadium binnen, den kleinen

circus voor de wedloopen, die zich vlak langs de zijde van het paleis

van Augustus uitstrekte; nu begon ook de priester zich te interesseeren

en geestdriftig te worden. Niet dat zich hier een voldoende bewaard

gebleven ruïne, die een monumentalen aanblik opleverde, bevond;

geen zuil was op haar plaats gebleven en alleen de muren aan den

rechterkant stonden nog, maar men had het geheele plan teruggevonden,

de grenssteenen aan ieder einde, de zuilengang om de baan, de groote

loge van den keizer, die, nadat zij links in het paleis van Augustus

geweest was, vervolgens in het paleis van Septimius Severus ingemetseld

was en naar rechts uitkeek. En de gids liep nog steeds te midden van

die verstrooide puinhoopen, gaf uitvoerige en preciese uitleggingen,

verzekerde, dat de heeren der directie van de uitgravingen hun Stadium

tot in de kleinste bijzonderheden vastgesteld hadden, zoodat zij bezig

waren er een nauwkeurig plan van te maken met de juiste plaats der

zuilen, de standbeelden in hun nissen, het soort marmer, waarmede de

muren bedekt waren.

"O, de heeren zijn volkomen op hun gemak," eindigde hij zijn

uitlegging, terwijl hij zelf een gelukzalig gezicht trok. "De

Duitschers zullen geen aanmerking kunnen maken en hier niet alles

ondersteboven gooien, zooals zij op het Forum gedaan hebben, waar

je niet meer weet, waar je bent, sedert zij er met hun wetenschap

gekomen zijn."

Pierre glimlachte en zijn belangstelling nam nog toe, toen hij

langs gebroken trappen en over gaten geslagen houten bruggen in de

reusachtige ruïnes van het paleis van Septimius Severus gekomen

was. Het paleis verhief zich op de Zuidpunt van den Palatinus en

zag eindeloos ver uit op de Via Appia en de Campagna Romana. Alleen

de onderbouw ervan bestaat nog, de onderaardsche zalen, die onder de

bogen van het terras aangebracht zijn, waarmede men het te bekrompen

geworden plateau van den berg uitgebreid had. En deze blootgelegde

onderbouw was voldoende om een denkbeeld te geven van het prachtige

paleis, dat erop rustte, zoo reusachtig en machtig als deze in zijn

onverwoestbare massa gebleven is. Hier verhief zich het beroemde

Septizonium, de toren met zijn zeven verdiepingen, die eerst in

de veertiende eeuw verdwenen is. Hier bevindt zich nog een door

cyclopische arcaden gedragen terras, vanwaar men een schitterend

uitzicht heeft. Vervolgens komt niets dan een opeenhooping van dikke,

half ingestorte muren, gapende afgronden te midden van ingevallen

zolderingen, rijen van eindelooze gangen en reusachtige zalen, waarvan

de bestemming niet bekend is. Al deze door de nieuwe administratie goed

onderhouden, schoongeveegde en van onkruid bevrijde ruïnes hebben haar

romantische woestheid verloren, om een kale en sombere grootschheid aan

te nemen. Maar stralen van de levende zon verguldden de oude muren,

drongen door spleten tot achter in de donkere zalen door, brachten

met hun schitterend stof leven in de zwijgende droefgeestigheid van

deze doode majesteit, die uitgegraven was uit de aarde, waarin zij

sedert eeuwen geslapen had. Over de oude, roodachtige, van tegels

gemaakte en van hun prachtige marmerbekleeding beroofde muren legde

de purpermantel der zon opnieuw een vorstelijke glorie.

Pierre liep nu reeds bijna anderhalf uur rond en nog moest hij de

menigte voorste paleizen op het plateau zelf bezichtigen.

"Wij moeten teruggaan," zeide de gids. "Zooals u ziet, versperren

de tuinen der villa Mills en het klooster van Santa Bonaventura ons

den weg. We zullen er eerst door komen, wanneer de opgravingen hier

deze geheele zijde blootgelegd hebben. O, mijnheer de abbé, wanneer

u een kleine vijftig jaar geleden hier op den Palatinus gewandeld

hadt! Ik heb plattegronden uit dien tijd gezien. Het waren niets

dan wijngaarden, niets dan kleine, door heggen afgesloten tuinen,

een echte Campagna, een echte woestijn, waarin je geen levende ziel

ontmoette... En te moeten denken, dat al deze paleizen daaronder

sliepen!"

Pierre volgde hem, zij liepen weer langs het paleis van Augustus,

gingen naar boven en betraden het paleis der Flavii. Het was reusachtig

groot, nog half onder de villa ernaast verborgen en bestond uit een

menigte groote en kleine zalen, over de bestemming waarvan men het nog

steeds niet eens is. De troonzaal, de rechtzaal, de eetzaal en het

peristylium schijnen echter vast te staan. Doch voor het overige is

alles slechts phantasie, vooral wat de kleine particuliere vertrekken

betreft. Trouwens geen muur staat meer overeind; men zag niets dan

uitstekende fundamenten, afgebrokkelde grondmuren, die op den grond

het plan van het gebouw aangaven. De eenige als door een wonder

gespaard gebleven ruïne is het paleis, dat volgens de overlevering

aan Livia toebehoord zou hebben; in vergelijking met de reusachtige

paleizen ernaast is het opvallend klein, drie zalen zijn met haar nog

wonderlijk frissche muurschilderingen, mythologische tooneelen, bloemen

en vruchten, intact gebleven. Van het paleis van Tiberius is zelfs

geen steen zichtbaar, de overblijfselen ervan liggen verborgen onder

het prachtige openbare park, dat op het plateau een voortzetting van de

oude Farnesische tuinen vormt; en van het paleis van Tiberius ernaast,

boven het Forum, bestaat, evenals van het paleis van Septimius Severus,

niets meer dan een reusachtige onderbouw, steunmuren, op elkaar

geplakte verdiepingen, hooge booggewelven, die het paleis droegen,

kolossale keldergewelven, waarin het dienstpersoneel en de wachtposten

woonden en zich overgaven aan voortdurende drinkgelagen. Deze geheele,

de stad beheerschende hoogte had dus niets dan nauwlijks herkenbare

sporen, groote, grijze en kale, door het houweel doorstoken terreinen,

waaruit enkele brokstukken van muren opstaken; en er was een groote

geleerdenphantasie voor noodig om de oude keizerlijke pracht, die

hier geheerscht had, weer te construeeren.

De gids bleef desniettemin zijn explicaties geven met een rustige

overtuiging en naar het ledige wijzen, alsof de monumenten zich nog

voor hem oprichtten.

"Hier zijn wij op de piazza Palatina. Links is de gevel van het paleis

van Domitianus, rechts die van het paleis van Caligula, en wanneer u

zich omkeert, hebt u den tempel van Juppiter Stator tegenover u... De

Sacra Via liep tot dit plein en ging onder de Porta Mugonia door,

een der drie oude poorten van het oorspronkelijke Rome."

Hij hield op en wees met zijn hand naar de noordwestzijde van den berg.

"U zult reeds opgemerkt hebben, dat aan die zijde de Caesars niet

gebouwd hebben. Blijkbaar moesten zij heel oude, nog uit den tijd

van vóór de stichting van Rome dateerende en door het volk vereerde

monumenten eerbiedigen. Daar bevonden zich de door Euander en zijn

Arcadiërs gebouwde tempel van Victoria, het wolvenhol, dat ik u heb

laten zien, de nederige, uit aarde en twijgen opgetrokken hut van

Romulus... Dat alles is teruggevonden, mijnheer de abbé, daar is geen

twijfel aan, wat de Duitschers ook beweren mogen."

Maar plotseling riep hij op een manier, alsof hij het interressantste

vergeten had:

"Ten slotte zullen we naar de onderaardsche gang gaan, waarin Caligula

vermoord is."

Zij daalden af in een lange, overdekte gang, waarin thans de zon

door scheuren vroolijke stralen werpt. Enkele pleisterversieringen

en mozaiekfiguren zijn nog over. Doch daardoor is de plek niet

minder melancholiek en eenzaam, als gemaakt voor afschuwelijke

tragiek. De stem van den oud-soldaat was gedempter gaan klinken;

hij vertelde hoe Caligula, van de Palatijnsche spelen terugkeerend,

de gril kreeg alleen in die gang af te dalen, om de heilige dansen te

zien, die jonge Aziaten daar dien dag repeteerden. Op die wijze kon

de leider der samenzweerders, Chereas, in het donker hem het eerst

in zijn buik steken. De keizer, brullend, wilde vluchten. Maar toen

stortten de moordenaars, zijn creaturen, zijn meest geliefde vrienden,

zich op hem, wierpen hem op den grond en doorhakten hem met steken,

terwijl hij, waanzinnig van woede en angst, de donkere gang vulde met

zijn geloei als van een dier, dat geslacht wordt. Toen hij dood was,

viel de stilte weer neer, en de moordenaars vluchtten vol ontzetting.

Het klassieke bezoek aan de ruïnes van den Palatinus was hiermede

geëindigd. Toen Pierre weer boven was, had hij nog slechts één wensch,

n.1. zich te bevrijden van zijn gids en alleen te blijven in dezen

stillen droomtuin, die den top van den Rome beheerschenden berg

besloeg. Drie uur liep hij nu rond, hoorde hij die zware, eentonige

stem in zijn ooren zoemen, zonder hem ook maar één enkelen steen

te sparen. Nu kwam de brave man weer terug op zijn vriendschap voor

Frankrijk en gaf een lang relaas over den slag bij Magenta. Met een

vriendelijken glimlach nam hij het zilverstuk, dat de priester hem gaf,

en begon dan aan den slag bij Solferino. Er dreigde geen einde aan

te komen, toen het toeval wilde, dat een dame een inlichting vragen

kwam. Dadelijk ging hij met haar mede.

"Goeden dag, mijnheer de abbé. U kunt door het paleis van Caligula

naar beneden komen. En u weet waarschijnlijk, dat een geheime, in den

grond uitgegraven trap van dat paleis naar de woning der Vestaalsche

Maagden op het Forum leidde. Men heeft haar nog niet teruggevonden,

maar zij moet er zijn."

Welk een heerlijke verlichting, toen Pierre, eindelijk alleen,

een oogenblik op een van de marmeren banken in den tuin kon gaan

zitten! Er waren daar slechts enkele boomgroepen, taxisboomen,

cypressen, palmen, maar de prachtige, steeneiken, waaronder de bank

stond, gaven een diepe, heerlijk frissche schaduw. Ook de droomerige

eenzaamheid had haar groote bekoring, de huiverende stilte, die van

dezen ouden bodem uitging, welke gedrenkt was door de geschiedenis,

de opzienbarendste, in de volle pracht van een bovenaardschen trots

schitterende geschiedenis. Eens hadden de Farnesische tuinen dit

deel van den berg in een heerlijk, met boschjes versierd lustplekje

veranderd; de sterk beschadigde gebouwen der villa bestaan nog,

en ongetwijfeld is een zekere bekoring gebleven; de ademtocht der

Renaissance strijkt nog steeds als een liefkoozing door het glanzende

loof der oude steeneiken. Men bevindt zich daar te midden van het

lichtgevleugelde volk der visioenen, onder den zwevenden adem van

tallooze generaties, die in de graszoden slapen.

Maar het in de verte, rondom dezen verheven top verstrooide Rome,

lokte Pierre zóó onweerstaanbaar, dat hij niet kon blijven zitten. Hij

stond op en ging naar de balustrade van een terras. Onder hem breidde

het Forum zich uit en aan het einde verrees de Monte Capitolino.

Het was niet meer dan een opeenhooping van grijze gebouwen, zonder

eenige voornaamheid of schoonheid. Men zag niets dan den achtergevel

van het Senatorenpaleis, een vlakken gevel met kleine ramen, bekroond

door een hoogen campanile. Deze groote, kale, roestkleurige muur

verborg de kerk Santa Maria di Aracoeli, den top, waarop de tempel van

Juppiter Capitolinus, goddelijke bescherming verleenend, in koninklijke

pracht geschitterd had. Verder links op de helling van den Monti

Caprino, waar in de Middeleeuwen geiten gegraasd hadden, verhieven

zich nu reeksen leelijke huizen, terwijl de enkele mooie boomen van

den palazzo Caffarelli, waarin het Duitsche gezantschap ondergebracht

was, met hun groen den top van de oude Tarpeïsche rots bedekten,

die thans, bijna onvindbaar, onder de stadsmuren verloren gaat. Dat

was dus die Monte Capitolino, de roemrijkste der zeven heuvelen, met

zijn vesting, met zijn tempel, waaraan de heerschappij van de wereld

beloofd was, de St. Pieter van het oude Rome!--deze aan de zijde van

het Forum steile, aan den kant van den Campus Martius loodrechte berg

met zijn vreeselijken aanblik, die berg, welken de bliksem bezocht,

dien het asylbosch met zijn heilige eiken tot in het verste verleden

geheimzinnig maakte en huiveren deed voor het grimmige onbekende.

Later had de Romeinsche grootheid hier haar tabularium, haar

staatsarchief. De triumphatoren beklommen hem, de keizers werden

er goden, hier stonden hun marmeren standbeelden. En thans, op

dit oogenblik vroeg het oog verwonderd hoe zooveel geschiedenis,

zooveel roem zich heeft kunnen ontwikkelen op zoo kleine ruimte,

op dit bergachtige, armzalige eilandje van armoedige daken, op een

molshoop, niet grooter en niet hooger dan een klein, tusschen twee

dalen in gelegen marktvlek.

Een tweede verrassing was voor Pierre het bij den Capitolinus

beginnende en zich langs den Palatinus uitstrekkende Forum: een eng,

tusschen de naburige heuvels ingeperst plein, een laagliggend terrein,

waarop het zich uitbreidende Rome, daar er gebrek aan ruimte was,

zijn gebouwen als het ware op elkaar had moeten zetten. Men heeft

diep moeten graven om, onder de vijftien meter hooge, door de eeuwen

aangebrachte alluviale lagen, den eerbiedwaardigen bodem der Republiek

terug te vinden. Thans ziet men niet meer dan een lange, witachtige,

goed onderhouden groeve zonder struiken of klimop, waarin brokstukken

van het plaveisel, onderstukken van zuilen, grondmuren te voorschijn

komen. De in haar geheel weer opgebouwde Basilica Julia is niet veel

meer dan de projectie van een architectonisch plan. Aan dezen kant

heeft slechts de Arcus van Septimius Severus zijn breedte ongeschonden

weten te bewaren, terwijl de enkele van den tempel van Vespasianus

overgebleven en door een wonder te midden van de ineenstortingen

staande gebleven zuilen een trotsche elegance, een majestueuse

koenheid van evenwicht aangenomen hebben en fijn en verguld in den

blauwen hemel opstijgen.

Ook de Phocas-zuil staat nog en van de rostra [6] ernaast ziet

men, wat daarvan met behulp van de in de omgeving gevonden stukken

gereconstrueerd is. Maar men moet verder gaan dan de twee of drie

zuilen van den tempel van Castor en Pollux, verder dan de sporen van

het paleis der Vestaalsche Maagden, verder dan den tempel van Faustina,

waarin de Christelijke San-Lorenzo-kerk het zich zoo gemakkelijk

gemaakt heeft, verder nog dan den ronden tempel van Romulus, om

de buitengewone gewaarwording van het enorme te ondergaan, die de

Basilica van Constantinus met haar drie reusachtige, gapende gewelven

geeft. Van den Palatinus af gezien zou men ze voor voorportalen kunnen

houden, die toegang geven tot een wereld van reuzen; zoo dik was het

metselwerk, dat een van de arcaden afgevallen stuk als een van een

berg losgeraakt blok op den grond ligt. En hier, op dat beroemde,

zoo enge en tevens zoo onbegrensde Forum heeft zich eeuwenlang

de geschiedenis afgespeeld van het grootste aller volkeren--vanaf

de legende der Sabijnsche Maagden, die de Romeinen met de Sabijnen

verzoenden, tot aan de afkondiging der volksrechten en volksvrijheden,

die de plebejers geleidelijk op de patriciërs hadden veroverd.

Was het niet tegelijk de Markt, de Beurs, het Gerechtshof, de

Zaal der politieke vergaderingen, open, in de vrije lucht? De

Gracchen verdedigden er de zaak der kleine luiden, Sulla plakte

er zijn proscriptielijsten aan, Cicero sprak er en zijn bloedend

hoofd werd er vastgespijkerd. Daarna verdonkerden de keizers zijn

ouden glans, begroeven de eeuwen de monumenten en de tempels onder

hun stof, zoodat de Middeleeuwen er slechts plaats vonden voor een

veemarkt. De eerbied is thans teruggekomen, een grafschennende eerbied,

een weetgierigheids- en wetenschapskoorts, die door hypothesen nog

aangewakkerd wordt en op dezen historischen bodem, waar geslachten

boven elkaar liggen, op een dwaalweg raakt en weifelt tusschen de

vijftien of twintig reconstructies, welke men van het Forum gemaakt

heeft en waarvan de eene even aannemelijk is als de ander. Voor een

eenvoudig voorbijganger, die noch een archaeoloog noch een geleerde

van beroep is, die niet den vorigen dag zijn Romeinsche Geschiedenis

nagelezen heeft, verdwijnen de bijzonderheden; hij ziet in dit in alle

richtingen doorgraven en doorzochte terrein niets dan een stadskerkhof,

waar de uitgegraven oude steenen verbleeken en waaruit de groote

melancholie van gestorven volkeren oprijst. Van plek tot plek zag

Pierre het door de wielen der wagens uitgeholde plaveisel van de Sacra

Via, die telkens weer verschijnt, zich kronkelt, daalt en stijgt; en

hij dacht aan den triumphus, den zegetocht van den triomphator, dien

zijn wagen zoo hard deed schokken op het ruwe plaveisel van den roem.

Maar naar het zuidoosten verbreedde zich de horizont en zag hij aan

gene zijde van den Titus- en van den Constantinusboog het groote

massief van het Colosseum. O, deze kolos, waarvan de eeuwen als met

een reusachtigen zwaai van een zeis nog slechts de helft afgerukt

hebben, blijft in zijn ontzaglijkheid, in zijn majesteit als steenen

kant bestaan met zijn honderden ledige, in het blauw des hemels

uitkijkende vensters.

Het is een wereld van voorportalen, trappen en gangen, een wereld,

waarin men te midden van de eenzaamheid in de stilte van den dood

verdwaalt. Binnenin gelijken de afgebrokkelde, door de lucht verweerde

trappen op de vormenlooze treden van een ouden uitgedoofden krater,

een soort natuurlijken circus, dien de macht der elementen in de

onverwoestbare rotsen uitgehouwen hebben. Maar de heete zonnen van

achttienhonderd jaren hebben deze ruïne verbrand en rood gemaakt,

die tot den natuurstaat teruggekeerd is, kaal en verguld is als een

berghelling, sedert zij van haar planten beroofd is, die dit hoekje

tot een stuk oerwoud maakten. En thans, welk een visioen, wanneer de

phantasie dit doode gebeente weer vleesch, bloed en leven teruggeeft,

den circus weer vult met de negentig duizend toeschouwers, die er een

plaats vinden konden, de spelen en gevechten weer doet plaats hebben

en een geheele beschaving vanaf den keizer en zijn Hof tot aan de

deining van het plebs in de beweging en schittering van een geheel,

door hartstocht ontvlamd volk onder den rooden weerschijn van het

reusachtige, purperen velum ophoopt!

Verder aan den horizont bevond zich nog een tweede cyclopische ruïne,

de thermen van Caracalla; ook zij zijn als een spoor van een van de

aarde verdwenen ras van reuzen achtergebleven: zalen van overdreven

en onverklaarbare grootte en hoogte, twee voorportalen, waarin men de

bevolking van een stad ontvangen kan; een frigidarium, welks bassin

vijfhonderd badenden tegelijk kon bevatten; een tepidarium en een

caldarium van gelijken omvang, alle ontstaan uit een zucht naar het

overweldigende! En het angstaanjagende massieve van het monument,

de dikte der zuilen en pilaren, zooals geen vesting die ooit gekend

heeft! Een oneindigheid, waarin de bezoekers eruit zien als verdwaalde

mieren! Het is een zoo buitengewoon zwelgen in cement en baksteenen,

dat men zich afvraagt, voor welke menschen, voor welke menigten dit

monsterachtige gebouw neergezet kan zijn! Thans zou men ze voor oude,

van een hoogte afgestorte rotsen houden, die hier opgehoopt liggen

voor den bouw van een titanenwoning...

Pierre werd door het onmatige verleden, waarin hij onderdompelde,

overweldigd. Aan alle kanten, aan de vier windstreken van den wijden

horizont herleefde de geschiedenis en steeg als een hooge golf naar

hem op. Die blauwachtige, onafzienbare vlakten daar in het Noorden en

Westen waren het oude Etrurië; in het Oosten teekenden de getande

toppen der Sabijnsche bergen zich tegen den gezichtseinder af,

terwijl in het Zuiden de Albaansche bergen en Latium zich onder

den goudregen der zon uitstrekten. Alba Longa lag daar en de met

eiken bekroonde Monte Cavo met zijn klooster, dat den ouden tempel

van Juppiter vervangen heeft. Dan aan zijn voeten, aan gene zijde

van het Forum en van den Capitolinus, breidde Rome zelf zich uit,

de Esquilinus recht tegenover hem, de Coelius en de Aventinus rechts,

de andere, die hij niet kon zien, de Quirinalis en de Viminalis links

van hem. Achter hem aan den oever van den Tiber de Janiculus. En de

stad kreeg een stem en vertelde hem haar doode grootheid.

Een onwillekeurige bezwering van het verleden, een opstanding

van het doode voltrok zich in hem. De Palatinus, dien hij zooeven

bezichtigd had, die grijze, melancholieke, als een verdoemde stad met

den grond gelijk gemaakte, met enkele instortende muren bestrooide

Palatinus, werd levend, bevolkt, rees opnieuw op met zijn paleizen

en tempels. Hier was de wieg zelf van Rome, Romulus had hier op

dezen top, die den Tiber beheerschte, zijn stad gesticht, terwijl

daartegenover de Sabijnen den Capitolinus bezetten. De zeven koningen

van de twee-en-een-halve eeuw geduurd hebbende monarchie hadden hem

zeker bewoond, ingesloten door hooge, sterke muren, waarin slechts

drie poorten gemaakt waren. Dan kwamen de vijf eeuwen der republiek,

de grootste, de roemrijkste, degene, die het Italiaansche schiereiland

en daarna de wereld aan Rome onderworpen hadden.

Gedurende die overwinnende jaren vol socialen strijd en oorlog, had

het grooter wordende Rome de zeven heuvelen bevolkt, was de Palatinus

nog slechts de eerbiedwaardige wieg gebleven met zijn legendarische

tempels, hoewel ook hier langzamerhand particuliere gebouwen

oprezen. Maar dan triompheerde Caesar, de belichaming der almacht

van het ras, na Gallië en Pharsalos, in den naam van het geheele

Romeinsche volk; hij was dictator, keizer, nadat hij het geweldige

werk verricht had, waaraan de vijf eeuwen van het keizerrijk in den

galop van hun losgelaten lusten zich te goed gingen doen. En Augustus

kon de macht in handen nemen, de roem van Rome stond op zijn toppunt;

de milliarden lagen in de provincies te wachten om gestolen te worden;

de keizerlijke pracht begon zich in de hoofdstad der wereld voor de

oogen der verre, verblinde en overwonnen volkeren te ontvouwen.

Hij was op den Palatinus geboren, en nadat de overwinning bij Actium

hem het keizerschap gegeven had, stelde hij er zijn eer en zijn trots

in om van dien heiligen, door het volk vereerden berg te regeeren. Hij

kocht er de particuliere huizen, bouwde er zijn paleis met een tot

nog toe ongekende weelde: een door vier pilasters en acht zuilen

gedragen atrium; een peristylium, dat door zes-en-vijftig Ionische

zuilen omgeven werd; particuliere vertrekken, geheel van marmer,

daaromheen; een verspilling van marmer, dat met groote kosten uit

het buitenland gehaald werd; de felste kleuren, schitterend als

edelgesteenten. En hij woonde met de goden samen: hij had naast zijn

paleis den grooten tempel van Apollo en een tempel van Vesta gebouwd,

om zich het eeuwige, goddelijke koningschap te verzekeren. Van nu af

was het zaad der keizerlijke paleizen uitgestrooid; zij groeiden en

woekerden en bedekten den geheelen Palatinus.

O, deze almacht van Augustus, die vier-en-veertig jaren van een

volkomen, absolute, bovenmenschelijke heerschappij, zooals geen ander

despoot, zelfs in den waanzin zijner droomen, die gekend heeft. Hij

liet zich alle titels geven, hij had in zijn persoon alle ambten

vereenigd. Als imperator en consul stond hij aan het hoofd der

legers, oefende hij het uitvoerend gezag uit; als pro-consul bezat

hij de suprematie in de provinciën; als levenslang censor en princeps

heerschte hij over den senaat; als tribunus was hij de meester van

het volk. En hij liet zich uitroepen tot Augustus; hij was heilig,

god onder de menschen, had zijn tempel, zijn priesters, werd tijdens

zijn leven aangebeden als een op aarde wandelende godheid. En ten

slotte werd hij pontifex maximus, zoodat hij de religieuse macht met de

staatkundige vereenigde. Daar de pontifex maximus geen particulier huis

mocht bewonen, had hij zijn paleis tot staatseigendom verklaard. Daar

de pontifex maximus zich niet mocht verwijderen van den tempel van

Vesta, had hij in zijn paleis een tempel voor die godin gebouwd en liet

hij de bewaking van het oude altaar aan den voet van den Capitolinus

over aan de Vestaalsche Maagden.

Niets was hem te duur, want hij voelde wel, dat in die in één persoon

vereenigde dubbele macht, in het tegelijk rex en pontifex, keizer en

paus zijn de menschelijke souvereiniteit, het in de hand houden van

de menschen en van de wereld lag. Al het levenssap van een krachtig

ras, al de opgehoopte overwinningen en al de nog verspreid liggende

rijkdommen ontplooiden zich bij Augustus in een éénige schittering,

zooals zij nooit meer in zulk een glans stralen zou. Hij was werkelijk

de meester der wereld; zijn voet rustte op het voorhoofd der veroverde

en tot vrede gedwongen volkeren; een onsterfelijke roem van kunst

en letterkunde omgaf hem. Het schijnt, dat op dat oogenblik in hem

de oude en gretig-begeerige eerzucht van zijn volk, de eeuwenlange

strijd, dien het gevoerd had, om het koningsvolk der aarde te zijn,

zijn bevrediging vond.

Het is het Romeinsche bloed, het is het bloed van Augustus, dat

eindelijk in keizerlijk purper in de zon rood òplicht. Het is het

bloed van Augustus, den goddelijken, triompheerenden, onbeperkten

heerscher over zielen en lichamen, het bloed van een man, in wien

de erfenis van zeven lange eeuwen van nationalen trots haar toppunt

bereikt, van wien een ontelbare en eindelooze nakomelingschap van

universeelen trots door de eeuwen heen uitgaan zal. Want nu was het

beslist: het bloed van Augustus zou in de aderen van alle heerschers

over Rome weder ontwaken en kloppen, hen vervolgen met den zich eeuwig

vernieuwenden droom der wereldheerschappij.

Eén oogenblik was deze droom werkelijkheid geworden. Augustus,

imperator en pontifex, heeft de menschheid bezeten, geheel, zonder

reserve, als een hem persoonlijk toebehoorend iets in zijn hand

gehouden. En later, na het verval, toen de macht zich gesplitst had

en weer tusschen rex en pontifex verdeeld was, hebben de pausen geen

anderen, hartstochtelijken wensch, geen andere, eeuwenlange politiek

gekend dan het staatkundig gezag, de wereldheerschappij weer terug

te veroveren. Het atavistische bloed, het roode, gretig-begeerige

bloed van den voorvader brandde in hun harten.

Dan--nadat Augustus gestorven en zijn paleis gesloten, geheiligd

en een tempel geworden was--zag Pierre het paleis van Tiberius uit

den grond oprijzen. Het stond op deze plek zelf, onder zijn voeten,

onder de mooie steeneiken, die hem beschutting gaven. Men voelde,

dat het stevig en groot moest zijn met binnenplaatsen, zuilengangen

en zalen--ondanks het sombre humeur van den keizer, die ver van Rome

leefde te midden van een volk van verklikkers en wellustelingen, wiens

hart en brein tot aan misdaad en tot aan de vreeselijkste aanvallen

van krankzinnigheid door de macht vergiftigd waren. Dan rees het

paleis van Caligula op, een uitbreiding van het paleis van Tiberius.

Men had booggewelven aangebracht om den bouw te kunnen vergrooten,

over het Forum een brug geslagen, die op den Capitolinus uitkwam,

daar de vorst in staat wilde zijn op zijn gemak met Juppiter te gaan

spreken, voor wiens zoon hij zich uitgaf. De troon had ook hem woest,

tot een tierenden, in zijn almacht ongebreidelden gek gemaakt. Dan,

na Claudius, Nero, die, alles overtreffend, den Palatinus niet

groot genoeg vond, een reusachtig paleis voor zichzelf eischte,

zich meester maakte van de heerlijke tuinen, welke tot aan den top

van den Esquilinus liepen, om daar zijn Gouden Paleis te bouwen, een

droom van ongekende weelde, dien hij niet ten volle verwezenlijken

kon en waarvan de puinhoopen weldra verdwenen tijdens de onlusten,

die op het leven en den dood van dit door hoogmoed krankzinnige

monster volgden. Dan vielen, binnen achttien maanden, Galba, Otho,

Vitellius op elkaar in de modder en in het bloed, nadat het purper ook

hen tot monsters en krankzinnigen gemaakt had, nadat ook zij zich aan

den keizerlijken trog als zwijnen met genietingen hadden volgestopt.

Dan komt met de Flavii in den beginne de rust van de menschelijke rede

en goedheid. Titus en Vespasianus bouwen weinig op den Palatinus, doch

dan begint met Domitianus weer de vreeselijke waanzin der almacht,

onder de heerschappij van vrees en verklikkerij, van dwaze gruwelen,

misdaden, onnatuurlijke uitspattingen. Bouwwerken van waanzinnige

ijdelheid rijzen op, wier weelde wedijverde met die van de tempels

der goden, zooals het paleis van Domitianus, dat door een steegje van

dat van Tiberius gescheiden was, zich verheffend als een geweldige

apotheose met zijn audiëntiezaal met den gouden troon en de zestien

zuilen van Phrygisch en Numidisch marmer, de acht met prachtige

beelden versierde nissen, met zijn rechtszaal, zijn groote eetzaal,

zijn peristylium, zijn appartementen, die vol stonden met graniet,

porphier en albaster, bewerkt door beroemde kunstenaars, om de wereld

te verblinden. Dan, jaren later, werd nog een laatste paleis aan de

geweldige massa andere toegevoegd, het paleis van Septimius Severus,

een trotsch bouwwerk nog: booggewelven, die hooge zalen droegen;

verdiepingen, die zich op terrassen verhieven; torens, die de daken

beheerschten; een Babylonische opeenhooping daar op de uiterste

spits van den berg, tegenover de Via Appia, opdat, naar men zeide,

de landslieden van den keizer, de uit Afrika, zijn geboorteland,

gekomen provincialen reeds van den horizont af zich zouden kunnen

verbazen over zijn geluk en hem aanbidden in zijn roem.

En nu zag Pierre al deze in het zonlicht opgeroepen en opgestane

paleizen hoog en schitterend om en voor zich staan. Zij waren als

het ware aan elkaar gesoldeerd, sommige slechts door kleine steegjes

gescheiden. Door den wensch der bewoners om geen duimbreed terrein

te verliezen op dien heiligen top, waren zij in een compacte massa

opgeschoten als een monsterachtige bloei van matelooze kracht en macht

en trots; slechts millioenen waren voor hen voldoende, de wereld moest

voor het genot van één enkeling bloeden. In werkelijkheid was het

slechts één paleis, dat steeds weer grooter werd als de gestorven

keizer god geworden was en de nieuwe keizer, de heilige woning,

die een tempel werd, waarin de schim van den doode hem misschien

angst aanjoeg, verlatend, de dringende behoefte voelde om een eigen

paleis te bouwen, om in de eeuwigheid van den steen de onverwoestbare

herinnering aan zijn regeering te houwen. Allen hadden die bouwwoede

bezeten; zij scheen onverbrekelijk verbonden te zijn met den bodem,

met den troon, waarop zij zaten, zij herleefde in ieder hunner met

steeds toenemende heftigheid, verteerde hen met den drang om elkaar

door steeds dikkere en hoogere muren, door nog grooter opeenstapelingen

van marmer, zuilen en beelden, te overtreffen.

Allen beheerschte dezelfde gedachte aan een roemrijk overleven, om

aan het verbijsterde nageslacht het bewijs van hun grootheid na te

laten, om zich te vereeuwigen in onvergankelijke wonderwerken, om

voor altijd met het geheele gewicht van die kolossen op de aarde te

drukken, wanneer de wind reeds lang hun lichte asch verstrooid zou

hebben. Zoo was het plateau van den Palatinus niets meer geweest

dan de eerbiedwaardige ondergrond van een wonderbaar monument,

een dichte vegetatie van naast elkaar geplaatste en op elkaar

gestapelde gebouwen, waarin ieder nieuw woonhuis als een vulkanische

uitbarsting van hoogmoedskoorts was en wier geheele massa met haar

sneeuwschittering van wit marmer, met haar levendige tinten van het

gekleurde marmer, Rome en de geheele wereld gekroond had met het

ontzaglijkste en onbeschaamdste heerscherspaleis, woning, tempel,

basilica of kathedraal, dat zich ooit in den hemel heeft opgericht.

Maar in deze buitensporige kracht, in dezen buitensporigen roem

lag de dood. Zeven-en-een-halve eeuw monarchie en republiek hadden

Rome groot gemaakt, en in de vijf eeuwen van het keizerrijk zou het

koningsvolk tot aan de laatste spier verteerd worden. Het ontzaglijke

territorium, de verst gelegen provinciën, werden langzamerhand

geplunderd en uitgeput; de fiscus verslond alles, groef den afgrond van

het onvermijdelijke bankroet; het volk ontaardde, gevoed als het werd

met het gif der spelen, en verviel tot het nietsdoen vol uitspattingen

der Caesars, terwijl huurlingen vochten en den grond bebouwden.

Sedert Constantijn heeft Rome een mededinger, Byzantium. De

verbrokkeling begint met Honorius, en na hem zijn twaalf keizers

voldoende, om het vernietigingswerk te voltooien, de stervende

prooi te verscheuren, tot aan Romulus Augustulus, den laatsten,

den jammerlijken zwakkeling, wiens naam als het ware een bespotting

van de roemrijke geschiedenis, een dubbele hoon aan den stichter

van Rome en aan den stichter van het keizerrijk is. Op den verlaten

Palatinus triompheerde nog steeds de geweldige opstapeling van muren,

verdiepingen, terrassen en hooge daken. Toch had men er reeds sieraden

afgerukt, standbeelden verwijderd, om ze naar Byzantium te brengen. Het

Christelijk geworden keizerrijk sloot dan de tempels, doofde het vuur

van Vesta uit, maar eerbiedigde nog het oude palladium, het gouden

beeld van Victoria, het symbool van het eeuwige Rome, dat vroom in de

kamer van den keizer zelf bewaard werd. Tot in de vierde eeuw behield

het zijn eeredienst. Maar in de vijfde eeuw storten de Barbaren zich

op Rome, plunderen het, steken het in brand, nemen met karren vol den

door de vlammen gespaarden buit mede. Zoolang de stad van Byzantium

afhankelijk was, had een opper-intendant in de keizerlijke paleizen

gewoond en den Palatinus bewaakt. Dan gaat alles ten onder, verdwijnt

in den nacht der Middeleeuwen.

Het schijnt, dat van dat oogenblik af de pausen langzamerhand de

plaats der Caesars ingenomen hebben, hun opvolgers geworden zijn in hun

verlaten marmeren huizen en in hun steeds levende heerschzucht. Zeker

hebben zij het paleis van Septimius Severus bewoond, is een concilie

gehouden in het Septizonium, evenals later paus Gelasius II in een

naburig klooster op dien vergoddelijkten berg gekozen is. Weer was

het Augustus, die uit het graf opstond, weer was hij het met zijn

Heilig College, die den Romeinschen Senaat tot nieuw leven wekte. In de

twaalfde eeuw behoorde het Septizonium aan Camaldulische monniken, die

het afstonden aan de machtige familie Frangipani, welke het versterkte,

zooals zij het Colosseum, de bogen van Constantinus en Titus versterkt

hadden tot een reusachtige vesting, die den eerbiedwaardigen berg, de

wieg, bijna in zijn geheel innam. De geweldenarijen der burgeroorlogen,

de verwoestingen der invasies woedden erover als orkanen, vernietigden

de muren, maakten de paleizen en de torens met den grond gelijk. Later

kwamen er generaties, die zich van de ruïnen meester maakten, en

zich met het recht van den vinder en van den veroveraar vestigden,

er kelders, zolders, stallen van maakten.

Op de puinhoopen, die de mozaïekvloeren der keizerlijke paleizen

bedekten, werden moestuinen en wijngaarden aangelegd. Van alle kanten

schoten brandnetels en struiken op, die den toegang tot deze eenzame

velden versperden; de klimop vrat de reeds op den grond liggende

zuilenrijen weg. En er kwam een dag, waarop de reusachtige opeenhooping

van paleizen en tempels, waarop de triomphantelijke woning der Caesars,

die het marmer had moeten vereeuwigen, in het stof der aarde scheen

terug te keeren en onder den deinenden bodem in de vegetatie, welke

de gevoellooze Natuur erover heen stortte, verdwenen. In de brandende

zon was tusschen de wilde bloemen niets te zien dan dikke, gonzende

vliegen, terwijl troepen geiten vrij rondzwierven in de troonzaal

van Domitianus en het ingestorte heiligdom van Apollo.

Pierre voelde een huivering door zich gaan. Zooveel kracht en

trots, zooveel grootheid!--en zoo spoedig vervallen en voor altijd

weggejaagd! Welke nieuwe, barbaarsche, wrekende adem had over die

schitterende beschaving moeten blazen, om haar aldus uit te dooven;

in welk een verkwikkenden slaap, in welke kinderlijke onwetendheid

moest zij gevallen zijn, om zoo plotseling met haar pracht en haar

meesterwerken onder te gaan. Hij vroeg zich af hoe het mogelijk was,

dat geheele paleizen met hun bewonderenswaardig beeldhouwwerk, hun

zuilen en standbeelden langzamerhand inzakken en verdwijnen konden,

zonder dat iemand op het denkbeeld kwam ze te beschermen.

Deze meesterwerken, die men later onder een algemeenen kreet van

bewondering opgroef, waren niet door een catastrophe verzwolgen;

neen, zij waren als verdronken, door den stijgenden vloed om hun

voeten, dan om hun middel, eindelijk om hun hals gegrepen, totdat

eindelijk op een dag het hoofd wegzonk. Hoe is het te verklaren,

dat heele generaties het lijdelijk aanzagen, geen hand tot redding

uitstaken? Het schijnt, dat een zwart gordijn plotseling over de

aarde getrokken is: een nieuwe menschheid begint met een nieuw

brein, dat nieuw gevormd en uitgerust moet worden. Rome was als het

ware leeggeloopen; wat vuur en zwaard beschadigd hadden, werd niet

hersteld, een onbegrijpelijke onverschilligheid liet de te groote,

nutteloos geworden gebouwen instorten, ongerekend nog, dat de nieuwe

godsdienst den ouden vervolgde, hem zijn tempels ontstal, zijn goden

vernietigde. Ten slotte voltooiden ophoopingen en aanplempingen die

ramp, want de bodem steeg steeds meer, de alluviale lagen der jonge

Christelijke wereld bedekten en nivelleerden de oude, heidensche

maatschappij. En nadat men de tempels, de bronzen daken, de marmeren

zuilen gestolen had, werden uit het Colosseum en het theater van

Marcellus ook nog de steenen weggerukt, de beelden en bas-reliefs

met hamerslagen vernietigd en in den oven geworpen, om de kalk voor

de nieuwe monumenten van het Katholieke Rome te maken.

Het was bijna een uur en Pierre ontwaakte als uit een droom. De zon

viel als een goudregen door het glanzende loof der steeneiken, Rome

was aan zijn voeten in de groote hitte ingesluimerd. Hij besloot den

tuin te verlaten; nog vervolgd door verblindende visioenen, liep hij

moeilijk over het ongelijke plaveisel der Via Triumphalis. Om den dag

vol te maken had hij zich voorgenomen des middags de oude Via Appia

te bezichtigen. Daar hij niet naar de Via Giulia terugkeeren wilde,

dejeuneerde hij in een restauratie in de voorstad in een groote,

half donkere zaal, waar hij geheel alleen, te midden van de zoemende

bromvliegen, meer dan twee uur bleef zitten wachten op het dalen

der zon.

O, deze Via Appia, deze oude Koningin der wegen, die de Campagna in

een lange, rechte lijn met de dubbele rij van haar trotsche graven

doorsnijdt, was voor hem niets dan de triomphantelijke voortzetting

van den Palatinus! Dezelfde drang naar pracht en heerschappij,

dezelfde wil om in het marmer de herinnering aan de Romeinsche

grootheid te vereeuwigen. De vergetelheid was overwonnen, de dooden

wilden niets van rust weten, bleven aan beide zijden van dezen door

menschen uit de geheele wereld betreden weg tusschen de levenden

staan. De vergoddelijkte beelden van hen, die niet meer dan stof

waren, keken nog heden de voorbijgangers met hun ledige oogen aan;

de opschriften spraken nog, zeiden luid de namen en de titels. Van af

het graf van Caecilia Metella tot aan het graf Casale Rotondo strekte

zich vroeger die dubbele rij, onafgebroken, kilometers ver langs dien

vlakken, rechten weg uit; het was een soort in de lengte aangelegd

dubbelkerkhof, waarin de ijdelheid der rijken en machtigen met

elkaar wedijverde, wie het grootste, met de weelderigste verspilling

ingerichte mausoleum nalaten zou.

Dit verlangen naar blijven leven, deze pronkachtige zucht naar

onsterfelijkheid, deze behoefte om den dood, door hem in tempels onder

te brengen, te vergoddelijken is blijven bestaan in de tegenwoordige

pracht van den Campo Santo in Genua en den Campo Verano in Rome

met hun monumentale graftomben. Welk een visioen van mateloos

groote graven links en rechts van den roemrijken weg, waarover de

Romeinsche legioenen bij haar terugkeer van de verovering der wereld

stampten. Daar het graf van Caecilia Metella met zijn reusachtige

klokken, zijn muren, die zoo dik waren, dat de Middeleeuwen er

een met tinnen gekroonden vestingtoren van gemaakt hebben. Dan alle

volgende moderne bouwwerken, die opgericht werden om de in de omgeving

gevonden marmeren fragmenten weer op hun oorspronkelijke plaats terug

te brengen, oude van hun beeldhouwwerken beroofde pilasters van cement

en baksteen, die als half-weggevreten rotsen zijn blijven staan, kale

blokken, die nog vormen aangeven, huisjes in den vorm van tempels,

cippen, [7] op sokkels rustende sarkophagen. Een wonderbare rij

van reliëfs stelde de portretten der dooden in groepen van drie of

vijf voor; staande beelden lieten de dooden in een apotheose opnieuw

herleven; in de nissen stonden banken, waarop de wandelaars konden

gaan zitten en de gastvrijheid der dooden prijzen; grafschriften

loofden de dooden, de bekende en de onbekende, de kinderen van Sextus

Pompeius Justus, Marcus Servilius Quartus, Hilarius Fuscus, Rabirius

Hermodorus, afgezien van de graven, die op goed geluk af aan Seneca,

de Horatii en Curiatii toegeschreven werden. En eindelijk, aan het

einde lag het meest bijzondere, het reusachtigste van alle graven,

de zoogenaamde Casale Rotondo. Het is zóó groot, dat men een hoeve

met een olijvenboschje heeft kunnen maken op den onderbouw, die een

dubbele, met Korinthische zuilen, groote kandelabers en tooneelmaskers

versierde rotonde droeg.

Pierre, die zich in een rijtuig tot het graf van Caecilia Metella

had laten brengen, zette zijn wandeling te voet voort, liep langzaam

tot den Casale Rotondo. Hier en daar kwam het oude plaveisel nog

te voorschijn, groote platte steenen, lavastukken, die door den

tijd krom getrokken waren, en zelfs voor de best veerende wagens

hard waren. Rechts en links strekken zich twee randen gras uit,

die de ruïnes der graven omzoomen; verwaarloosd, door de zomerzon

verbrand kerkhofgras en met dikke lila distels en hooge, gele fenkel

bestrooid. Een klein, zonder cement opgetrokken muurtje, zóó laag,

dat men er met zijn arm op leunen kan, sluit aan beide zijden deze

rosachtige ruimten, waarin de krekels tsjirpen, af; en aan de andere

zijde daarvan strekt onafzienbaar de eindelooze, kale Campagna

Romana zich uit. Nauwlijks ziet men aan de randen hier en daar op

groote tusschenruimten een piniepijn, een eucalyptus, van stof witte

olijf- en vijgeboomen. Links steken de overblijfselen van de Acqua

Claudia zich met hun booggewelven roestkleurig af tegen de weiden;

onvruchtbare velden, wijngaarden met kleine hoeven, strekken zich in

de verte uit tot de Sabijnsche en de violet-blauwe Albaansche bergen,

waarin de lichte vlekken van Frascati, Rocca di Papa en Albano steeds

grooter en witter worden naar mate men er dichter bij komt. Rechts

daarentegen, aan den zeekant, verbreedt de vlakte zich en zet zich in

reusachtige, golvende lijnen voort, zonder één huis, zonder één boom,

in een eenvoudige, buitengewone grootschheid. Zij vormt één enkele

lijn, een oceaanachtigen horizont, dien een rechte lijn van het

eene einde naar het andere van den hemel scheidt. In het hartje van

den zomer brandt alles, vlamt de grenzenlooze prairie in een valen

gloed. Van af September begint deze oceaan van gras groen te worden

en verliest zich in de verte, in rose en mauve, in het verblindende,

met goud doorschoten blauw der mooie zonsondergangen.

Zijn droomen verder spinnend, liep Pierre langzaam den eindeloozen

vlakken weg, welks melancholieke majesteit uit eenzaamheid en stilte

bestaat, af. Hij strekt zich, volkomen kaal, in een geheel rechte

lijn tot in het oneindige uit, in de oneindigheid der Campagna. In

hem herhaalde zich de opstanding van den Palatinus, richtten aan

beide zijden van den weg de graven zich weer op in den verblindenden

glans van hun marmer. Had men niet hier aan den voet van dezen

baksteenpilaster, die den zeldzamen vorm van een groote vaas heeft,

onder overblijfselen van enorme sphinxen het hoofd van een reusachtig

beeld gevonden? En hij zag het kolossale beeld weer tusschen de

enorme neergehurkte sphinxen staan. Verderop had men in de kleine

cel van een graftombe een mooi, hoofdloos vrouwenbeeld gevonden;

hij zag het nu weer in zijn geheel voor zich met een het leven vol

kracht en aanminnigheid toelachend gezicht. Van het eene einde naar

het andere vulden de opschriften elkander aan, hij las ze, begreep

ze zonder veel moeite, voelde zich als broeder met die twee duizend

jaar geleden gestorvenen herleven. Ook de weg werd weder bevolkt,

de wagens rolden dreunend voort, legerscharen trokken met zwaren

stap voorbij, het volk uit het naburige Rome verdrong zich in de

koortsachtige opwinding van groote steden.

Onder de Flavii, de Antonini, in de groote jaren van het Keizerrijk

bereikte de Via Appia het toppunt van weelde in haar als tempels

gebeeldhouwde en vergulde reuzengraven. Welk een monumentale straat

van den dood, welk een monumentale entree was deze rechte weg,

waarop de groote dooden u met de buitengewone praal van hun de asch

overlevenden trots begroetten, u geleidden naar de levenden! Bij welk

groot, de wereld beheerschend volk moest men komen, dat het zijn dooden

de opdracht gegeven had den vreemdeling te zeggen, dat niets bij hen

een einde nam, zelfs de dooden niet, die in overgroote monumenten

glorievol vereeuwigd werden? Grondmuren als voor een citadel, een

toren van twintig meter middellijn om er een vrouw in te begraven!

Pierre keerde zich om en zag duidelijk geheel aan het einde van den

prachtigen, verblindenden, door het marmer van zijn doodspaleizen

omzoomden weg den zich in de verte verheffenden Palatinus met het

glanzende marmer der keizerspaleizen, de enorme opeenstapeling der

paleizen, wier almacht de aarde beheerschte.

Maar hij kreeg een kleine huivering: twee carabinieri, die hij in

deze woestijn niet gezien had, verschenen tusschen de puinhoopen. De

streek werd onveilig gemaakt, de autoriteiten zorgden daarom, zelfs

midden op den dag, discreet voor de veiligheid der toeristen. Iets

verder had hij een andere ontmoeting, die hem ontroerde. Het was een

geestelijke, een groote grijsaard met een zwarte soutane met rooden

zoom en rooden gordel, in wien hij tot zijn groote verbazing kardinaal

Boccanera herkende. Hij had den weg verlaten en liep langzaam in den

grasrand tusschen hooge fenkelplanten en groote distels; hij hield

zijn hoofd gebogen en was tusschen de grafruïnes, waarlangs zijn voet

streek, zóó in gedachten verzonken, dat hij den jongen priester zelfs

niet zag. Beleefd wendde deze zich af, verbaasd hem zoo alleen en

zoo ver van Rome aan te treffen. Maar hij begreep het onmiddellijk,

toen hij achter een groot gebouw een zwaren, met twee zwarte paarden

bespannen karos zag staan, waarnaast roerloos een lakei in donkere

livrei stond te wachten, terwijl de koetsier zelfs zijn plaats op den

bok niet verlaten had; hij herinnerde zich, dat de kardinalen, die

in Rome niet te voet mochten gaan, naar de Campagna moesten rijden,

als zij eenige lichaamsbeweging wilden nemen.

Maar welk een trotsche triestheid, welke een eenzame en als het ware

afgezonderde grootschheid omgaf dezen grooten, peinzenden grijsaard,

die, een vorst voor God en voor de menschen, verplicht was naar de

woestijn, naar de graven te gaan, om een weinig frissche avondlucht

in te ademen.

Pierre had reeds lange uren tusschen de graven doorgebracht,

de schemering viel en hij was nog getuige van een prachtigen

zonsondergang. Links van hem nam de door de roestkleurige

waterleidingbuizen doorsneden en in de verte door de in rose

nevels vervluchtigende Albaansche bergen afgesloten Campagna een

leisteenkleurige tint aan; rechts daarentegen, aan de zeezijde ging de

dagvorstin onder tusschen kleine wolkjes, een geheelen archipel van

goud in een oceaan van uitstervenden gloed. En niets anders, niets

dan die saphieren met robijnen bestrooide hemel over de eindelooze,

vlakke lijn der Campagna! Niets anders: geen heuveltje, geen kudde,

geen boom. Niets tusschen de graven dan de donkere silhouet van

kardinaal Boccanera, die zich groot tegen het laatste purper van de

zon afteekende.

Den volgenden ochtend vroeg ging Pierre, aangegrepen door een koorts

om alles te zien, naar de Via Appia terug, om de katakomben van

St. Calixtus te bezichtigen. Het is het grootste en merkwaardigste

der christelijke kerkhoven, dat, waar verscheidene der eerste pausen

begraven zijn. Men gaat tusschen olijfboomen en cypressen een door de

zon half verbranden tuin door, komt aan een uit planken en pleisterwerk

opgetrokken hut, een armzalig winkeltje, waarin religieuse artikelen

verkocht worden, en staat dan voor een moderne, vrij makkelijke trap,

waarlangs men naar beneden gaat. Pierre vond hier tot zijn blijdschap

Fransche Trappisten, die deze katakomben bewaken en de touristen

rondleiden moesten.

Juist stond een frater op het punt met twee dames, Françaises, moeder

en dochter, naar beneden te gaan. De dochter was bekoorlijk jong, de

moeder nog een knappe vrouw. Beiden glimlachten, hoewel zij toch wel

wat bang waren, toen de frater de dunne lange kaarsen aanstak. Hij had

een voorhoofd met vele deuken, de breede, krachtige jukbeenderen van

een streng geloovige; zijn lichte heldere oogen verrieden de onschuld

van zijn ziel.

"Zoo, mijnheer de abbé, u komt juist op tijd... Als de dames het

goed vinden, kunt u u bij ons aansluiten, want drie fraters zijn

reeds beneden en u zoudt lang moeten wachten. We zitten midden in

het reisseizoen."

De dames knikten hoffelijk en hij gaf den priester een der kleine

dunne kaarsen. Moeder en dochter schenen geen van beiden vroom te

zijn, want zij hadden een schuinschen blik op de soutane van Pierre

geworpen en waren plotseling angstig geworden. Ze gingen naar beneden

en kwamen bij een soort nauwe gang.

"Past op, dames," zeide de frater telkens weer, terwijl hij den bodem

met zijn kaars verlichtte; "loopt langzaam, want er zijn hier heuvels

en dalen."

En dan begon hij met een heldere stem en de kracht van een buitengewone

zekerheid zijn explicatie. Pierre was zwijgend afgedwaald, hij

had een gevoel, alsof er een prop in zijn keel zat, en zijn hart

klopte van opwinding. O, hoe dikwijls had hij in den onschuldigen

seminarietijd gedroomd van deze katakomben der eerste Christenen, deze

toevluchtsoorden van het oorspronkelijke geloof! En hoe dikwijls had

hij er kort geleden, toen hij zijn boek schreef, nog aan gedacht als

aan het oudste en eerbiedwaardigste spoor van de gemeente der armen en

eenvoudigen, welker terugkeer hij predikte! Maar zijn geest was geheel

vervuld van de schilderijen der dichters, de groote prozaschrijvers,

die de katakomben beschreven hadden. Hij zag ze door het vergrootglas

der phantasie, stelde ze zich groot voor, als onderaardsche steden

met breede avenuen en reusachtige zalen, die vele menschen bevatten

kunnen. En in welk een armzalige en nederige werkelijkheid kwam

hij terecht!

"Ach ja," antwoordde de frater op de vragen van moeder en dochter,

"het is niet breeder dan een meter, twee menschen kunnen niet naast

elkaar loopen... En hoe men het gegraven heeft? O, dat is heel

eenvoudig. Een familie, een begrafenisvereeniging wilde een graf

hebben, niet waar? Welnu, dan groef zij met een houweel de eerste

gang in die zoogenaamde tufsteenlaag: een roodachtige, weeke en toch

taaie substantie, zooals u ziet, die makkelijk te bewerken en volkomen

waterdicht is; in het kort een grondsoort, die voor dit doel als het

ware geschapen is en de lijken prachtig geconserveerd heeft."

Hij hield even op en liet bij het zwakke licht van zijn kaars de

rechts en links in de wanden gegraven nissen zien.

"Kijk, dat zijn de loculi... Zij groeven dus een onderaardsche

gang, waarin zij aan beide kanten deze boven elkaar liggende nissen

aanbrachten, en legden daarin de meestal alleen in een doodskleed

gewikkelde lijken. Dan sloten zij de opening met een marmeren plaat af,

die zorgvuldig met cement vastgemaakt werd... Nu is alles duidelijk,

niet waar? Wanneer andere families zich bij de eerste aansloten,

wanneer de vereenigingen zich uitbreidden, maakten zij de gang,

naarmate deze vol raakte, grooter, groeven andere naar links en naar

rechts, ja zelfs legden zij een dieper gelegen tweede verdieping

aan. Kijk, hier zijn wij in een gang, die ruim vier meter hoog is. Nu

zult u vragen, hoe men de lijken zoo hoog krijgen kon. Welnu, zij

heschen de lijken niet in de hoogte, maar lieten ze juist zakken,

daar men steeds dieper graven ging, zoodra de onderste nissen vol

waren... Zoo hebben ze op deze plek bijvoorbeeld in nog geen vier

eeuwen gangen van zestien kilometer gegraven, waarin meer dan een

millioen Christenen begraven moeten zijn. En nu bestaan er dozijnen

van zulke katakomben, de geheele Campagna romana is op deze wijze

ondergraven. Denkt daar eens goed over na en maakt dan zelf uw

berekening maar!"

Pierre luisterde met de grootste aandacht. Vroeger had hij in België

een kolenmijn bezocht, en hij vond hier dezelfde nauwe gangen,

dezelfde verstikkende zware lucht, een niets dan donkerte en zwijgen

terug. Slechts de kleine kaarsen flikkerden in de dichte duisternis,

die zij echter niet verlichtten. En nu begreep hij eindelijk den

arbeid van deze doodgraverstermieten, deze op goed geluk afgegraven

muizengaten, verder open gemaakt naar gelang van de behoeften, zonder

eenige kunst, zonder symmetrie, daar waar het houweel toevallig in den

grond gezet werd. De hobbelige bodem daalde en steeg bij iederen pas,

de wanden liepen scheef, er was in het geheel niet met een waterpas

of een schietlood gewerkt. Het was slechts een werk van noodzaak en

naastenliefde van naïeve, vrijwillige doodgravers, van onontwikkelde

werklieden, die in de onbeholpenheid der decadence vervallen waren. Dat

alles bleek vooral duidelijk uit de op de marmeren platen aangebrachte

opschriften en emblemen, die men voor kinderlijke teekeningen had

kunnen houden, zooals straatjongens die op muren maken.

"Zooals u ziet," ging de trappist voort, "meestal is het slechts een

naam; dikwijls nog niet eens een naam, doch alleen maar de woorden in

pace... Een enkele maal vindt men een embleem: de duif der reinheid,

de palm van den martelaar, of wel de visch, waarvan het Grieksche

woord [8] uit vijf letters bestaat, die de initialen zijn der vijf

Grieksche woorden: Jezus Christus, zoon van God, redder der menschen."

Weer bracht hij het kleine vlammetje dicht bij de wanden, en zij zagen

de palm, een enkele streep in het midden, waartegen kleinere streepjes

stelselmatig gezet waren, de duif of de visch, in een contour gevormd,

terwijl de staart voorgesteld werd door een zigzaglijn en het oog door

een ronde punt. De letters der korte opschriften waren scheef, ongelijk

en zonder vormen, het plompe schrift van onwetenden en eenvoudigen.

Maar thans waren zij bij een krypt gekomen, een soort kleine zaal,

waarin men de graven van verscheidene pausen teruggevonden had,

o. a. van paus Sixtus II, een heiligen martelaar, ter eere van wien

paus Damasius een prachtig, metrisch opschrift had laten aanbrengen,

dat nog te lezen is. Verder liet men in een even kleine zaal ernaast,

een familiegraf, dat later met naïeve muurschilderingen was versierd,

de plek zien, waar men het lijk van de Heilige Caecilia gevonden

had. De trappist ging met zijn explicaties voort, gaf toelichtingen

bij de schilderijen, leidde daar de onweerlegbare bevestiging uit af

van alle sacramenten en van alle dogma's, den doop, het Avondmaal,

de opstanding, de opwekking van Lazarus, Jonas uitgespuwd door den

walvisch, Daniël in den leeuwenkuil, Mozes, die water uit de rotsen

sloeg, den wonderdoenden baardeloozen Christus van de eerste eeuwen.

"U ziet," zeide hij telkens; "alles is er, er is niets van te voren

bedacht, alles is even authentiek."

Op een vraag van Pierre, wiens verwondering steeds grooter werd,

erkende hij, dat de katakomben oorspronkelijke eenvoudige kerkhoven

waren en dat er geen enkele godsdienstige ceremonie gehouden

werd. Later eerst, in de vierde eeuw, toen men de martelaren vereerde,

gebruikte men de krypt voor den eeredienst. Eveneens werden zij

pas een toevluchtsoord tijdens de vervolgingen, in den tijd, dat

de Christenen genoodzaakt waren de toegangen te verbergen en te

maskeeren; tot op dat oogenblik hadden zij vrij en wettelijk open

gestaan. De ware geschiedenis was dus als volgt: vier eeuwen waren

zij kerkhoven, werden dan gedurende de troebelen toevluchtsoorden

en verwoest, vervolgens tot in de achtste eeuw vereerd, dan van hun

heilige reliquieën beroofd, om ten slotte gedurende meer dan zeven

eeuwen in vergetelheid te geraken, door de aarde verstopt en begraven

te zijn, zoodat de eerste opgravingen in de vijftiende eeuw ze als

een buitengewone vondst aan het licht brachten, als een historisch

probleem, waarover eerst in onze dagen het laatste woord gesproken is.

"Weest zoo goed even te bukken, dames," ging de pater welwillend

en dienstvaardig voort. "Hier in deze nis bevindt zich een skelet,

dat men nog niet aangeraakt heeft. Het ligt hier nu zestien- of

zeventienhonderd jaar. U kunt dus wel begrijpen hoe zorgvuldig men

de lijken neerlegde. De geleerden zeggen, dat het een vrouw is,

ongetwijfeld een jong meisje... Het geraamte was verleden jaar

nog geheel ongeschonden, maar thans is de schedel ingevallen. Een

Amerikaan heeft er met een stok op geslagen, om zich te vergewissen,

dat het hoofd niet valsch was."

De dames hadden zich voorover gebogen en haar bleeke gezichten drukten

in het zwakke dansende licht een met ontzetting vermengd medelijden

uit. Het jonge meisje vooral met haar rooden mond en haar groote,

donkere oogen scheen een oogenblik met medelijdende smart te zijn

vervuld. Dan viel alles weer in het donker terug; de kaarsen richtten

zich op en zetten in de diepe duisternis haar tocht door de gangen

voort. Een uur nog duurde het bezoek, want de gids spaarde hun geen

enkele bijzonderheid; zijn ijver dreef hem voort, als was hij werkzaam

voor het zieleheil van de touristen.

Pierre liep nog steeds voort en een groote verandering voltrok zich in

hem. Langzamerhand, naarmate hij meer zag en begreep, veranderde zijn

eerste verbazing, dat hij de werkelijkheid zoo geheel verschillend

vond van wat de vertellers en dichters erover geschreven hadden,

zijn desillusie terecht te komen in deze zoo onbeholpen en ruw in

die roodachtige aarde gegraven mollegangen, in een broederlijke

ontroering, in een verteedering, die zijn hart week maakte. En dat

kwam niet door de gedachte aan de vijftienhonderd martelaren, wier

heilige gebeenten daar gerust hadden; neen, maar welk een zachte,

berustende en in den dood door hoop gewiegde menschheid lag daar!

Voor de Christenen waren deze lage, donkere gangen slechts een

tijdelijke slaapplaats. Dat zij de lijken niet verbrandden, zooals de

heidenen dat deden, maar ze begroeven, was een gevolg van het feit,

dat zij van de Joden het geloof aan de opstanding des vleesches

overgenomen hadden; en die gelukkige gedachte aan een sluimeren, aan

een goede rust na een rechtvaardig leven in afwachting van de hemelsche

belooning, maakte den oneindigen vrede, de eindelooze bekoring van deze

diepe onderaardsche stad uit. Alles daarin sprak van een donkeren en

stillen nacht, alles sliep er in een verheerlijkte onbeweeglijkheid,

alles oefende er geduld tot het nog verre ontwaken. Kon men iets

ontroerenders denken dan die platen van terracotta of marmer, die

zelfs geen naam droegen, doch waarin alleen de woorden in pace, in

vrede, gegraveerd waren? Eindelijk in vrede zijn, in vrede slapen,

in vrede hopen op den toekomstigen hemel na volbrachte taak! En

deze vrede scheen te heerlijker, omdat hij in diepen ootmoed genoten

werd! Ongetwijfeld was iedere kunst hier verdwenen, de doodgravers

groeven op goed geluk af met de onregelmatigheid van onbeholpen

werklieden, de kunstenaars konden geen naam meer graveeren, geen palm

of geen visch meer beitelen.

Doch welk een heldere stem van een jonge menschheid steeg uit deze

armzaligheid en deze onwetendheid op! Armen, eenvoudigen, onwetenden

rustten hier, sliepen hier onder de aarde, terwijl de zon daarboven

haar werk voortzette. Welk een naastenliefde, welk een broederschap

in den dood! Echtgenoot en echtgenoote lagen dikwijls bij elkaar met

het kind aan hun voeten; in den overstroomenden vloed der onbekenden

verdwenen de persoonlijkheid, de bisschop, de martelaar: de meest

ontroerende gelijkheid, die der bescheidenheid, heerschte onder in

al dat stof, in deze nissen, op deze platen. Dezelfde naïveteit,

dezelfde bescheidenheid deed de eindelooze rijen der sluimerende

hoofden één worden. Nauwlijks veroorloofden de opschriften zich een

lofprijzing, en dan nog hoe voorzichtig, hoe teergevoelig! De mannen

zijn zeer waardig, zeer vroom, de vrouwen zijn zeer zacht, zeer mooi,

zeer kuisch. Een geur van kindsheid stijgt hier op, een onbegrensde

en zoo echt menschelijke teederheid, de dood der eerste Christelijke

gemeente, die dood, welke zich verborg, om weer te herleven, en niet

meer droomde van het rijk van deze wereld.

En plotseling zag Pierre in zijn herinnering de graven, die hij

den vorigen dag gezien had, weer voor zich oprijzen, die weelderige

graven, die hij zich aan beide kanten van de Via Appia voor den geest

geroepen had, die in het volle zonlicht den heerscherstrots over een

geheel volk ten toon spreidden. Met hun reusachtige afmetingen, hun

opeenstapeling van marmersoorten, hun onbescheiden inscripties, hun

meesterwerken van beeldhouwers, hun friezen, bas-reliefs en beelden

straalden zij in pralende pracht. O, welk een schril contrast vormde

die luisterrijke avenue van den dood midden in de vlakke Campagna

Romana, die als een triomfweg naar de koninklijke, eeuwige stad

voerde, met de onderaardsche stad der Christenen, die verborgen,

zachte, mooie, kuische doodenstad! Hier was niets meer dan slaap,

dan een gewilde en aanvaarde nacht, een verheven berusting, die

zich in de hoop op de zaligheid des hemels gaarne toevertrouwde

aan de goede rust in de duisternis; en alles, tot aan het stervend,

zijn schoonheid verliezend heidendom, tot aan de onbeholpenheid der

werklieden toe, verhoogde de bekoring van deze armoedige, ver van de

zon, in den nacht der aarde gegraven kerkhoven.

Millioenen wezens hadden zich ootmoedig in deze als door voorzichtige

mieren doorboorde aarde ter ruste gelegd, hadden er eeuwen lang hun

slaap geslapen, zouden dien er nog slapen, gewiegd door de stilte en de

duisternis, wanneer niet de menschen hun begeerte naar vergetelheid

waren komen storen, vóór de bazuinen van het Jongste Gericht de

opstanding hadden verkondigd. De dood had nu van het leven gesproken;

er was niets, dat meer, dat intenser, dat aandoenlijker leefde dan deze

begraven steden van naamlooze, onbekende en ontelbare dooden. Eens was

een diepe ademtocht uit haar opgerezen--de ademtocht van een nieuwe

menschheid, die de wereld zou hernieuwen. Met den ootmoed, met de

minachting van het vleesch, met den angstigen haat tegen de natuur,

met het opgeven van aardsche genietingen, met het hartstochtelijk

verlangen naar den dood, die bevrijdt en het paradijs opent, begon

een andere wereld. En het bloed van Augustus, zoo trotsch in zijn

purper, zoo schitterend in zijn hoogste heerschappij, scheen een

oogenblik te verdwijnen, alsof de nieuwe aarde het had opgezogen in

haar donkere graven.

De frater stond erop den dames de trap van Diocletianus te laten zien

en vertelde haar de legende daarvan.

"Ja, een wonder... Onder dien keizer vervolgden de soldaten de

Christenen, die in deze katakomben een schuilplaats zochten; en toen

de soldaten hen daarin volgen wilden, brak de trap en stortten allen

naar beneden... De treden zijn thans nog gebroken. Gaat u maar kijken,

het is maar een paar stappen."

Doch de dames waren doodmoe en bovendien gaven deze donkerte en al die

doodenverhalen haar een zoo onbehagelijk gevoel, dat zij erop stonden

dadelijk weer naar boven te gaan. Trouwens de dunne kaarsen waren

bijna opgebrand; en allen werden verblind, toen zij eindelijk weer

in het zonlicht voor het kleine winkeltje met religieuse artikelen

stonden. Het jonge meisje kocht een presse-papier, een stuk marmer,

waarin de visch gebeiteld was, het symbool van Jezus Christus, den

Zoon Gods, den Redder der menschen.

Den namiddag van dienzelfden dag bezocht Pierre de Basilica van de

St. Pieter. Hij kende er nog niets van dan het groote plein met

zijn obelisk en zijn twee fonteinen, waar hij eens over gereden

was. De reusachtige lijst der zuilengang van Bernini, deze uit

zuilen en pilasters bestaande vierhoek, omgeeft het met een gordel

van monumentale majesteit. Op den achtergrond verheft zich de door

haar gevel gedrukte en zwaar gemaakte Basilica, wier verheven dom

den hemel vult.

Onder de brandende zon strekten zich de met kiezelzand bestrooide,

eenzame hellingen uit, de eene lage, versleten en verbleekte trede

volgde op de andere. Geheel aan het einde trad Pierre binnen. Het

was drie uur; breede zonnestralen vielen door de hooge, vierkante

ramen; links in de Cappella Clementina begon een godsdienstoefening,

de vesper ongetwijfeld. Maar hij hoorde niets; slechts de ontzaglijke

grootte van het schip viel hem op. Met langzame stappen doorliep hij,

omhoog kijkend, de matelooze afmetingen. Daar waren dadelijk bij den

ingang de groote wijwaterbakken met hun Engelen, die zoo dik als Amors

waren; daar was het middenschip, het geweldige, met vakken versierde,

halfcirkelvormige gewelf; daar waren bij het kruis de vier cyclopische

pijlers, die den dom steunden; daar waren de kruisbeuken en de apsis,

die ieder afzonderlijk zoo groot zijn als een van onze kerken. Ook

de trotsche praal, de verblindende, neerdrukkende pracht trof hem:

de koepel, die als een ster schitterde in de levendige tinten en

het goud van zijn mozaïeken; de prachtige baldakijn, waarvan het

brons uit het Pantheon genomen is, en die het hoofdaltaar kroont,

dat over het graf van den Heiligen Petrus staat, waarheen de dubbele

trap der Confessie leidt, die door zeven-en-tachtig eeuwig brandende

lampen verlicht wordt; de marmersoorten ten slotte, een verkwisting

en verspilling van de zeldzaamste witte en gekleurde marmersoorten

naast en boven elkaar.

O, dat polychrome marmer, waarin Bernini zwelgde! Uit marmer bestaat

de heerlijke vloer, waarin het geheele gebouw zich weerspiegelt;

van marmer is de bekleeding der pijlers, die versierd zijn met de

medaillons der pausen, afwisselend met de tiara en de sleutels, die

bolwangige Engelen dragen; van marmer zijn de met gecompliceerde

zinnebeelden overladen muren, waarop men telkens weer de duif

van Innocentius X terugvindt; van marmer zijn de nissen met haar

reusachtige beelden in barokstijl; van marmer de loggia's en haar

balkons; van marmer de dubbele trap der Confessie; van marmer de rijke

altaren en de nog rijkere graftomben! Alles, het groote middenschip, de

zijbeuken, de kruisbeuken, de apsis, alles was van marmer, schitterde

in rijkdom van marmer, zonder dat men een hoekje vinden kon, zoo groot

als de palm van een hand, dat niet de overmoedige pralerij van het

marmer toonde. En zoo triompheerde de Basilica, onbestreden erkend

en bewonderd als de grootste en rijkste kerk der wereld.

Pierre liep maar steeds; hij dwaalde door de schepen, keek, zonder

echter iets te kunnen onderscheiden. Hij bleef een oogenblik voor

den bronzen Heiligen Petrus staan, die in zijn stijve, hiëratische

houding op zijn marmeren sokkel stond. Enkele geloovigen kwamen

den grooten teen van den rechtervoet kussen; sommigen veegden die,

alvorens haar te kussen af; anderen deden het, zonder haar af te

vegen, drukten er dan hun voorhoofd op, om haar vervolgens nogmaals

te kussen. Dan keerde hij naar de linker kruisbeuk terug, waarin zich

de biechtstoelen bevonden. Hier zitten steeds priesters gereed, om in

alle talen de biecht af te nemen. Anderen wachten, met een lang stokje

gewapend, en slaan zachtjes daarmede op het hoofd van de nederknielende

zondaars, die daarmede een aflaat van dertig dagen krijgen. Doch er

waren slechts weinig menschen; de priesters verdreven in hun kleine

houten kastjes de verveling van het wachten door, alsof ze thuis waren,

lezen of schrijven.

En weer stond hij voor de Confessie, waar de zeven-en-tachtig als

sterren fonkelende lampen hem zoo imponeerden. Het hoofdaltaar, waarop

alleen de paus mag celebreeren, stond met den trotschen weemoed der

eenzaamheid onder den reusachtigen, met bloemen versierden baldakijn,

welks bewerking en vergulding meer dan een half millioen gekost

hebben. Dan herinnerde hij zich de ceremonie, die in de Cappella

Clementina gecelebreerd werd, en hij verwonderde zich in het geheel

niets meer te hooren. Hij vermoedde, dat zij reeds afgeloopen was, en

wilde zich daarvan overtuigen. Maar hoe dichter hij bij de kapel kwam,

des te sterker drong een geluid, dat aan verre tonen van een fluit

denken deed, tot zijn oor door. Hij hoorde het steeds duidelijker,

doch eerst toen hij voor de kapel zelf stond, herkende hij de

orgeltonen. Roode gordijnen, die voor de ramen getrokken waren,

dempten het zonlicht; zoo werd de kapel geheel door een helderen,

rooden vuurgloed en de diepe klanken van een ernstige muziek

vervuld. Maar hoe klein was zij, hoe ging zij als het ware verloren

in de reuzenruimte van het schip, dat men op zestig passen afstands

noch de stemmen noch het dreunen van het orgel onderscheiden kon!

Bij het binnentreden had Pierre gedacht, dat de ontzaglijke kerk leeg

en dood was. Daarna had hij echter in de verte eenige wezens opgemerkt

Er waren menschen, maar zóó weinig en op zulke groote afstanden, dat

het den indruk maakte, alsof zij er niet waren. Toeristen slenterden

met hun reisgids in hun hand met moede beenen rond. In het midden van

het groote schip was een schilder aan zijn ezel bezig een gedeelte van

de kerk op het doek te brengen. Dan kwam een geheel Fransch seminarie

voorbij onder leiding van een prelaat, die een explicatie gaf omtrent

de graftomben. Maar die vijftig, die honderd personen telden niet,

maakten in de groote ruimte nauwlijks den indruk van enkele verdwaalde

zwarte mieren, die angstig den weg zoeken.

Van dat oogenblik af had hij het duidelijke gevoel, dat hij zich

in een reuzengalazaal bevond, in de voorzaal van een onmatig

groot ontvangpaleis. De breede zonnestralen, die door de hooge,

vierkante ramen zonder gordijnen binnenvielen, wierpen in de kerk

een verblindend licht, vervulden haar in haar geheele ruimte als

met een glorie. Geen bank, geen stoel was te zien, niets dan de

prachtige, kale, eindelooze vloer, een vloer als in een museum,

die den dansenden regen der stralen weerkaatste. Nergens een hoekje

voor stille overpeinzing, nergens een mysterievol, donker hoekje

om neer te knielen en te bidden. Overal het felle licht, de glans,

de majesteit en de pracht van het volle daglicht.

En in deze verlaten, in goud en purper vlammende operazaal kwam hij,

die slechts de huivering van onze Gotische kathedralen kende, waarin

in het donker onbestemde menigten snikken in het woud der pilasters;

hij, die de smartelijke herinnering aan de uitgeteerde architectuur en

beeldhouwkunst der Middeleeuwen, welke geheel ziel is, met zich bracht,

kwam nu midden in deze pronkende majesteit, in deze reusachtige,

leege praal, welke niets dan lichaam is! Vergeefs zocht hij naar een

arme, knielende vrouw, naar een geloovig of lijdend wezen, dat zich

in een halfdonker toevertrouwde aan den Ongekende, met gesloten mond

sprak met den Onzienlijke. Hij zag hier niets dan het moede komen en

gaan van toeristen, het gewichtige druk-doen van de prelaten, die de

jonge priesters naar de voorgeschreven staties brengen, terwijl in

de kapel links de vesper voortgezet werd, zonder dat één geluid tot

de ooren der bezoekers doordrong.

Pierre begreep, dat dit het geraamte was van een monumentalen kolos,

uit wien het leven langzaam wegvlood. Om hem te vullen, om hem zijn

werkelijke ziel in te blazen, was de geheele pracht van de religieuse

praal noodig; waren de tachtig duizend geloovigen noodig, die het

schip kon bevatten, de groote pauselijke ceremoniën, de schittering

der Kerst- en Paaschfeesten, de optochten, die in een decor en

mise-en-scène van een grand opéra hun heilige luxe ontvouwen. En hij

riep zich voor den geest wat hij van deze pracht wist: een aanbiddende

menigte overstroomde de Basilica, de bovenmenschelijke stoet bewoog

zich te midden van de ter aarde gebogen hoofden, het kruis en het

zwaard openden de processie, de kardinalen schreden twee aan twee

voort als de goden der pleïade, gekleed in het kanten koorhemd, het

priesterkleed en den mantel van rood moiré, waarvan de sleep door

de sleepdragers vastgehouden werd. En eindelijk kwam de paus. Hij

zat als een machtige Juppiter op een schild van rood fluweel in een

leunstoel van rood fluweel en goud en was gekleed in wit fluweel met

den gouden koorrok, de gouden stola en de gouden tiara. De dragers

van de sedia gestatoria fonkelden in hun roode, met goud bestikte

tunica's, de flabelli bewogen boven het hoofd van den eenigen,

souvereinen pontifex de groote veeren waaiers, die men vroeger voor

de afgodsbeelden van het oude Rome zwaaide.

En welk een verblindend en glorierijk Hof om dezen triomfzetel

heen! Het geheele pauselijke personeel, de stroom van assisteerende

prelaten, de patriarchen, de aartsbisschoppen en bisschoppen,

allen in gouden ornaat en met mijters! De geheime kamerheeren in

violette zijde, de werkelijke kamerheeren in zwart fluweel met den

gouden halskraag en ketting! Het ontelbare geestelijke en wereldlijke

gevolg, wier opsomming honderd bladzijden der Gerarchia zou beslaan,

de protonotarii, de kapelaans, de prelaten van alle klassen en alle

rangen, afgezien nog van het Militair Huis, de gendarmes met hun

berenmutsen, de Palatijnsche garden in blauwe broek en zwarte tunica,

de Zwitsersche garden in hun geel, zwart en rood gestreepte harnassen

van zilver, de garden der edelen, die in hun hooge laarzen, hun witte

broeken, hun roode, met goud bestikte mantels, hun gouden epauletten

en hun gouden helmen een schitterenden aanblik opleverden.

Maar sedert Rome de hoofdstad van Italië was, werden de vleugeldeuren

niet meer wijd geopend, integendeel men hield ze zorgvuldig gesloten,

en de enkele malen, dat de paus de mis nog kwam celebreeren, zich

kwam vertoonen als de hoogste uitverkorene, als de belichaming Gods

op aarde, vulde de kerk zich slechts met genoodigden, moest men

een kaart hebben, om toegang te verkrijgen. Het was niet meer het

volk, de vijftig-, zestigduizend Christenen, die samenstroomden en

zich verdrongen, neen, het waren bevriende toeschouwers, die voor

particuliere en gesloten plechtigheden in het bijzonder uitgezocht

werden. En zelfs wanneer men erin slaagde er eenige duizenden bijeen

te krijgen, dan was het nog steeds een beperkt, tot een gala-concert

genoodigd publiek.

Hoe langer Pierre door dit in den harden glans van het marmer

flikkerende, koude en majestueuse museum wandelde, des te meer werd

hij doordrongen van het gevoel, dat hij zich in een heidenschen tempel

bevond, opgericht ter eere van den god van licht en praal. Een groote

tempel van het oude Rome had er ongetwijfeld evenzoo uitgezien met

dezelfde met polychroom marmer bekleede muren, dezelfde kostbare

zuilen, dezelfde gewelven met vergulde vakken. Datzelfde gevoel

zou hij nog sterker krijgen bij het bezoeken van andere basilica's,

die ten slotte hem tot de kennis der onbetwistbare waarheid brengen

zouden. Daar was in de eerste plaats de Christelijke kerk, die het zich

in alle kalmte en vermetelheid makkelijk maakte in den heidenschen

tempel: zooals bijvoorbeeld San Lorenzo in Miranda, die zich in den

tempel van Antoninus en Faustina thuis voelde als in zijn eigen huis en

de zeldzame porticus van cipoline [9] en de mooie lijst van wit marmer

behouden had; of wel de Christelijke kerk, die uit den gevelden stam,

het oude verwoeste gebouw weer opgewassen was, zooals de tegenwoordige

San Clemente bijvoorbeeld, waaronder eeuwen van tegenstrijdige

godsdiensten lagen, een zeer oud monument uit den tijd der Republiek,

een ander uit den keizertijd, waarin men een Mithratempel herkend

heeft, en ten slotte een oud-Christelijke basilica. Vervolgens had

men de Christelijke kerk, zooals de Santa Agnese fuori le Mura,

die geheel naar het voorbeeld van de staatsbasilica der Romeinen,

het Gerechtshof of de Beurs, gebouwd was. Ten slotte en vooral had

men de Christelijke kerken, die met de uit in puinhoopen liggende

tempels gestolen materialen opgetrokken waren.

Zoo bijvoorbeeld de zestien prachtige zuilen uit diezelfde Santa

Agnese fuori le Mura van verschillende marmersoorten, die blijkbaar

aan verschillende goden ontstolen waren; de een-en-twintig zuilen van

Santa Maria dei Trastevere, die uit een tempel van Isis en Serapis

afkomstig waren, wier afbeeldingen zich nog op de kapiteelen bevinden;

de zes-en-dertig wit marmeren Ionische zuilen van de Santa Maria

Maggiore, die uit den tempel van Juno Lucina komen, de twee-en-twintig

in materiaal, hoogte en bewerking geheel verschillende zuilen van Santa

Maria d'Aracoeli, waarvan de legende zegt, dat enkele aan Juppiter

zelf ontstolen zijn uit den tempel van Juppiter Capitolinus, die zich

op dezelfde plaats op den heiligen top verhief. Heden nog herleven

de tempels van het rijke keizertijdperk in de prachtige basilieken

van San Giovanni de Laterano en San Paolo fuori le Mura. Was niet de

basilica van San Giovanni, de Moeder en het Hoofd van alle kerken, met

haar vijf, door vier zuilenrijen gescheiden schepen, met haar twaalf

reusachtige Apostelbeelden, die als een dubbele rij van goden naar

den Heer der Goden voerden, met haar bas-reliefs, haar friesen, haar

lijsten, het eerepaleis van een heidensche godheid, wier koninkrijk

van deze wereld is? En vindt men niet in de pas voltooide San Paolo

in den glans van het nieuwe marmer de woning der Onsterfelijken van

den Olympus terug?

Het is de typische tempel met de majestueuse zuilengaanderij onder het

vlakke, met vergulde vakken versierde gewelf, de marmeren vloer van

onvergelijkelijk mooi materiaal en onvergelijkelijk mooie bewerking,

de zuilen met de violette voeten en de witte kapiteelen, de witte

lijsten met violette friesen, de overal terugkeerende vermenging van

deze beide kleuren, die zulk een goddelijk vleeschelijke harmonie

vormen, welke denken doet aan de verheven, door den dageraad gebade

lichamen der groote godinnen. Nergens, evenmin als in de St. Pieter

een donker, een mysterievol voor den Onzienlijke geopend plekje.

En toch bleef de St. Pieter, krachtens haar recht als kolos, nog het

grootste van deze groote monsters. Zij is het levende bewijs van dat,

wat de zucht naar het monsterachtig-groote vermag, wanneer de mensch

in zijn trotschen overmoed met behulp van verspilde en weggegooide

millioenen God onderbrengen wil in de te groote en te rijke woning

van steenen, waarin de mensch in Zijn naam triompheert.

Tot dezen pronkkolos had dus na zoovele eeuwen de vrome ijver

van het oorspronkelijke geloof geleid. Men vond er het sap van den

Romeinschen bodem in terug, dat te allen tijd in onredelijke monumenten

is opgeschoten. Het schijnt, dat de onbeperkte heerschers, die er

achtereenvolgens geregeerd hebben, dien hartstocht voor cyclopischen

bouw met zich mede brachten, dien putten uit den geboortegrond, waarop

zij groot geworden zijn, want zij hebben dien zonder onderbreking

van beschaving op beschaving aan elkaar overgeleverd. Het is een

onophoudelijk opbloeien der menschelijke ijdelheid: allen hadden den

drang om hun naam op een muur te schrijven, om, nadat zij meesters

der wereld geweest zijn, het tastbare bewijs van hun ééndaagschen

roem achter te laten, het eeuwige gebouw van brons en marmer, dat

tot aan het einde der dagen van hen getuigen zal.

In den grond van de zaak ligt daarin slechts de veroveringsgeest, de

trotsche eerzucht van het ras, dat steeds om de wereldheerschappij

strijdt; en wanneer alles ineen gestort is, wanneer een nieuwe

maatschappij uit de puinhoopen opstaat, en men meent, dat deze van

den hoogmoed genezen en tot den ootmoed teruggekeerd is, dan blijkt

dat opnieuw een dwaling te zijn; het oude bloed bruist in haar aderen,

zij geeft opnieuw toe aan den overmoedigen waanzin van haar voorouders

en wordt, zoodra zij groot en sterk geworden is, een prooi van al

de overgeërfde heftigheid. Er is geen beroemde paus, die niet heeft

willen bouwen, die niet de traditie der Caesars opgevat heeft, die

hun regeering in steen vereeuwigden, bij hun dood tempels voor zich

lieten oprichten, om over te gaan in de rij der goden.

Dezelfde zorg voor aardsche onsterfelijkheid openbaart zich weer,

het is een wedijver, wie het grootste, het stevigste, het mooiste

monument zal achterlaten; en de ziekte is zoo hevig, dat de minder

rijken, die niet bouwen konden, zich tevreden hebben moeten stellen

met herstellingen, er een behagen in schepten de herinnering aan hun

bescheiden werken aan het nageslacht achter te laten door marmeren

tafels met praalzieke inscripties aan te brengen. Vandaar, dat men

steeds weer die tafels aantreft; geen muur heeft nieuwe fundamenten

gekregen of de paus heeft daarop zijn wapens gedrukt; geen ruïne is

hersteld, geen paleis weer in goeden staat gebracht, geen fontein

schoongemaakt, zonder dat de regeerende paus het werk teekent met

zijn Romeinschen titel Pontifex Maximus.

Het is een nachtmerrie, een onvrijwillige uitspatting, de

onvermijdelijke opbloei uit deze sedert meer dan twee duizend jaar

uit puinhoopen gevormde humus. Onophoudelijk rijzen monumenten op

uit dit stof van monumenten. En men vraagt zich af, of Rome ooit

Christelijk geweest is. Rome in zijn verdorvenheid, waarmede de oude

Romeinsche bodem bijna dadelijk de leer van Jezus bevlekt heeft,

met zijn heerschzucht, zijn hartstochtelijk verlangen naar aardschen

roem, die, zonder acht te slaan op de zwakken en de reinen, op de

liefderijken en eenvoudigen van het oorspronkelijke Christendom,

den triomf van het Katholicisme bewerkt hebben.

Toen, in een plotselinge ingeving, zag Pierre in een hooger licht de

waarheid stralen. Het was op het oogenblik, dat hij voor de tweede

maal door de reusachtige basilica liep en de graftomben der pausen

bewonderde. O, die graftomben! Daarginds in de vlakke Campagna, in

het volle zonlicht, aan beide zijden van de Via Appia, die was als een

triomphantelijk entree, welke den vreemdeling naar den verheven, door

een kroon van paleizen omgorden Palatinus leidde, daarginds verhieven

zich de gigantische graven der machtigen en rijken in een glans en

in een schittering, in een onvergelijkelijke pracht, die den trots

van een sterk, wereldbeheerschend ras in marmer vereeuwigde. Dan,

dicht daarbij, onder de aarde, in den donkeren, stillen nacht, onder

in armzalige molsgaten verborgen zich de andere graven, de kleinen,

de armen, de lijdenden, zonder kunst of rijkdom, wier bescheidenheid

verkondigde, dat een ademtocht van teederheid en berusting over

de aarde gestreken was, dat een mensch broederschap en liefde,

het opgeven van aardsche goederen voor de eeuwige vreugde van het

toekomstige leven was komen prediken en aan de nieuwe aarde het zaad

van zijn Evangelie toevertrouwd, de verjongde menschheid gezaaid had,

die de oude wereld zou hervormen.

En nu waren uit dat eeuwen in den grond begraven zaad, nu waren uit die

zoo nederige, zoo onbekende graven, waarin de martelaars hun zachten

slaap sliepen, nu waren daaruit weer nieuwe graven opgeschoten,

even reusachtig, even praalvol als de verwoeste oude graven der

afgodendienaars. Hun marmer verhief zich in de heidensche pracht van

een tempel en verkondigde denzelfden bovenmenschelijken trots, dezelfde

waanzinnige zucht naar wereldoverheersching. In de Renaissance wordt

Rome weer heidensch, komt het oude keizerlijke bloed weer boven en

sleept het Christendom mede in den heftigsten aanval, dien het ooit te

doorstaan heeft gehad. O, die graven der pausen in de St. Pieter met

hun overmoedig-onbeschaamde verheerlijking, met hun zinnelijke praal,

hoe dagen zij den dood uit en willen zij de onsterfelijkheid op aarde

brengen! Het zijn reuzengroote pausen van brons, het zijn allegorische

figuren, het zijn dubbelzinnige engelen, mooi als mooie meisjes,

als begeerlijke vrouwen met heupen en boezems als van godinnen.

Paulus III zit op een hoogen piedestal met de Gerechtigheid en de

Wijsheid half liggend aan zijn voeten; Urbanus VIII zit tusschen de

Wijsheid en den Godsdienst, Innocentius IX tusschen den Godsdienst

en de Gerechtigheid, Innocentius XII tusschen de Gerechtigheid

en de Naastenliefde, Gregorius XIII tusschen den Godsdienst en de

Kracht. De knielende Alexander VII heeft naast zich de Wijsheid en de

Gerechtigheid, voor zich de Naastenliefde en de Waarheid; daarnaast

staat een geraamte met een ledigen zandlooper. De eveneens knielende

Clemens XIII triompheert op een monumentalen sarkophaag, waarop de

Godsdienst, die een kruis draagt, steunt, terwijl onder den rechts zich

bevindenden Genius van den Dood twee reusachtige leeuwen liggen, het

symbool der almacht. Het brons verkondigde de eeuwigheid der figuren,

het witte marmer glansde als mooi, rijp vleesch, het polychrome

marmer viel neer in rijke draperieën en verhieven in het felle,

vergulde licht der reusachtige schepen de monumenten tot een apotheose.

Pierre ging van de eene tombe naar de andere, steeds voortloopend in

de bezonde, trotsche, eenzame basilica. Ja, deze graven sloten zich

met keizerlijke praal bij die van de Via Appia aan.

Het was ongetwijfeld Rome--de bodem van Rome, de bodem, waaruit

trots en heerschzucht opschoten als het gras uit de velden, de bodem,

die van het oorspronkelijke Christendom het overwinnend Katholicisme

gemaakt had den bondgenoot der machtigen en rijken, de reusachtige

regeeringsmachine, opgericht voor de verovering der volkeren. In de

pausen waren de Caesars weder ontwaakt. De herediteit werkte, het

bloed van Augustus was weer boven gekomen, bruiste door hun aderen,

verteerde hun brein met bovenmenschelijke eerzucht. Alleen Augustus

had de wereldheerschappij kunnen verwezenlijken, Augustus, imperator

en pontifex maximus, meester van lichamen en zielen. Vandaar de eeuwige

droom der pausen, die wanhopig zijn, omdat zij slechts het geestelijke

behouden kunnen en niets van het wereldlijke willen afstaan, want

zij koesteren nog steeds de eeuwenoude, nooit opgegeven hoop, dat de

droom zich nog eens verwezenlijken en van het Vaticaan een tweeden

Palatinus maken zal, vanwaaruit zij, als onbeperkte despoten, over

de veroverde volkeren heerschen zullen.

De drie steden: Rome · 第 13 / 27 题