EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Het avondschot is gevallen.

De Duinkerker kapers maakten de zee zeer onveilig en brachten in ’s

Lands vergaderzaal menigmaal de gemoederen in beweging.

„Weet ge het al, dat de Duinkerkers weer twee rijkgeladen

Oost-Indie-vaarders prijsgemaakt hebben?” klonk de vraag van een der

Edel Mogende Heeren aan een ander lid.

„Schande genoeg voor een land, dat in het verre Oosten en Westen

den Spanjaarden de wet voorschrijft, en de zee, die zijne stranden

bespoelt, door roovers onveilig doet maken,” antwoordde een ander.

„Hei, hei, de Oost-Indische Compagnie is de Republiek toch nog niet!”

„En de West-Indische ook niet; maar scheelt het veel?”

„Altijd genoeg om andere landen te doen begrijpen, dat wij toch

eigenlijk niet één zijn!”

„Wat zoudt ge dan willen?”

„Dat de Heeren Bewindhebbers der twee Compagnies de handen in elkaâr

sloegen, en die drieste roovers eens even terecht zett’en!”

„Dat is het werk van ons, van de Regeering! En daarom zou ik er vóór

zijn, dat we instede van Admiraal Willem van Nassau, Heer van de Lek,

die onlangs bij de belegering van Grol gesneuveld is, iemand anders

benoemden!”

„We hebben er drie: Wymer van Berkheim; Willebrand Kwast en Willem

Melkman, dus keus genoeg!”

„Goed, dan moet er een van die drie tot Opperbevelhebber benoemd

worden!”

„Wien kiest ge?”

„Weet gij er een? Noem hem; ik zal hem ook kiezen!”

„Zoo lichtvaardig mag men over de algemeene landsbelangen niet spreken.

Ik weet inderdaad niet, wie de geschiktste van die drie zou zijn.

Wel weet ik iemand, die bij mij en velen mijner vrienden ver boven

die drie staat! Als we dien konden benoemen, dan konden we met onzen

Admiraal voor den dag komen.”

„Wie is dat?”

„Pieter Pieterszoon Heyn! Kent ge een’ beteren, zoo noem hem!”

„Ik ken geen’ beteren. Wij, in Hollands achterhoek, bemoeien ons veel

minder met zeezaken, dan gijlieden in Amsterdam, Rotterdam, Dordrecht

en Den Haag! Welk belang hebben wij er bij? Maar daarover is al zooveel

gekibbeld, en het hielp niet. Ik zwijg er dus over. Maar wat ik wel van

Piet Heyn weet, is, dat hij tegenwoordig op zijne lauweren rust, en

dat hij voor de betrekking van Luitenant-Admiraal bij de West-Indische

Compagnie bedankt heeft!”

„Naar het algemeen verluidt, met reden, maar dat is nog geen bewijs,

dat hij bedanken zal, als wij hem aanbieden de plaats van Heer Willem

van Nassau te willen vervullen, niet in dienst van de eene of andere

Compagnie, maar rechtstreeks in dien van Holland!”

„Nu, als gijlieden meent, dat we het zonder Admiraal niet af kunnen,

stel hem dan aan de Vergadering voor; ik zal hem mijne stem geven!”

Dit geschiedde, en Piet Heyn werd in de Vergadering der Staten van

Holland benoemd tot Luitenant-Admiraal, in plaats van Heer Willem van

Nassau.

In een gemakkelijk huiskleed zat Piet Heyn recht gezellig te keuvelen

met Annetje en zijne Moeder, die eens voor een paar dagen overgekomen

was om het huis te zien, toen de meid binnenkwam en zeide, dat er drie

Heeren waren om den Admiraal te spreken.

„Laat ze binnenkomen, Mientje! Neen, blijf zitten, Moeder! Ik geloof

niet, dat de Heeren een afzonderlijk onderhoud met mij begeeren zullen!”

Moeder bleef zitten en keek onrustig naar de deur.

Het was, alsof zij gevoelde, dat men Piet alweer aan vrouw en Moeder

kwam ontnemen.

„Wel, Heeren, komt binnen en neemt plaats,” riep Piet Heyn den

binnenkomenden hartelijk toe. „De Admiraal in ruste geniet van het

huiselijk leven. Vrouw, haal eens wat bier! De Heeren zullen misschien

wel wat willen gebruiken!”

„Gaarne! We komen zoo uit Den Haag en lusten wel een’ dronk! Maar eerst

onze boodschap. We zijn Leden van de Edel Mogende Heeren van Holland en

in hare vergadering van heden hebben ze ons vereerd met eene gewichtige

boodschap aan u!”

„Zoo, Edel Mogenden, mag ik ook weten welke die boodschap is?”

„Wel zeker! Gij zijt heden benoemd tot Luitenant-Admiraal van Holland,

in plaats van Heer Willem van Nassau, die onlangs bij het beleg van

Grol gesneuveld is!”

„Ei, en is er op het oogenblik wat te doen? Is er soms eenig gevaar?”

„Gevaar nu juist niet. Maar de Duinkerker kapers maken het wel wat

bont!”

Piet Heyn glimlachte even en merkte aan: „Toch zoo erg niet, als de

Nederlandsche kapers in de baai van Matanzas, zou Witte Cornelisz. de

With zeggen!”

„Kapitein De With is een lomperd, die evenveel ontzag voor ons Edel

Mogenden, als voor kale bedelaars heeft. Hij is nu gelukkig voor een’

langen tijd het zeegat uit! Een lastig mensch,” merkte een der Heeren

aan.

„Och, Edel Mogende, wat zal ik u zeggen? Toen ik nog ter koopvaardij

voer, had ik een’ grooten hond, dien iedereen lastig noemde, omdat

hij wel eens beet. Voor mij was hij niet lastig, integendeel, hij was

gehoorzaam en trouw; ik hield veel van hem. Zoo is het met Kapitein De

With ook. Als ge hem tevriend houdt, Heeren, dan zal hij u met zijn

leven dienen!”

„Wij houden niet van vleien,” sprak de jongste der Heeren.

„Neemt het mij niet kwalijk, Edel Mogende, maar met vleien moet ge ook

niet bij hem aankomen. Hij is een man uit één stuk, die weet, dat hij

wat waard is!”

„Mij dunkt, dat dit laatste juist niet in zijn voordeel spreekt. Dat is

verwaandheid.”

„Ik houd het er voor, dat gij u vergist, Heeren! Iemand, die zichzelf

niet acht, is tot alle lage handelingen in staat. Hij kan verrader

en moordenaar worden, al wat ge van hem maken wilt! Maar dat tot

daartoe! Waarom benoemt gij niet Willem Melkman, Wijmer van Berkheim of

Hillebrand Kwast?”

Thans sprak hij, die bijzonder deftig was en tot nu nog geen’ mond open

gedaan had: „Wat zijn Willem Melkman, Wijmer van Berkheim of Hillebrand

Kwast, vergeleken bij u, veroveraar der Nieuwe Wereld, die de macht des

Spaanschen Konings geknot hebt door de schatten van Peru en Terra Firma

uit zijne in onze handen over te brengen?”

„Ei, hoort nu eens aan,” viel Piet Heyn in. „Uw mede-afgevaardigde

heeft gezegd, dat vleien zijne manier niet is, en u doet meer. Gij

begint me te bewierooken in eene taal, die mij inderdaad allesbehalve

aangenaam in de ooren klinkt, Edel Mogende!”

„Ge zult ons toch moeten toegeven, Admiraal, dat uw naam alleen eene

halve vloot waard is. Door het nemen der Zilvervloot toch....”

„Och, zwijg, wat ik u bidden mag van die Zilvervloot, die mij aan

het baantje van Roover-kapitein ter zee doet denken. Wilt ge mij zoo

prijzen, dat ik niet schaamrood word, noem dan de Allerheiligen-baai,

daar heb ik wat gedaan, waarop ik trotsch mag zijn!”

„Nu, nu,” hernam de eerste spreker, „laten we hierover niet twisten.

Zeg ons liever, Admiraal, of ge de eervolle benoeming aanneemt!”

Piet Heyn zag vrouw en Moeder maar niet aan. Hij wist wel wat er in

hare blikken zou te lezen zijn. Hij bleef dus de Heeren aanzien en

zeide: „Nu, ik ben nog wel zoo oud niet, doch ik heb lang genoeg een

onrustig leven geleid om thans op mijn gemak in den huiselijken kring

te blijven. Ik ben er echter van overtuigd, dat de Duinkerkers een

lesje verdiend hebben, en, omdat het nu niet zoo heel ver van honk is,

neem ik voorloopig de benoeming aan!”

Moeder Heyn stond op en ging, gevolgd door Annetje, naar eene andere

kamer. Die vreemde Heeren behoefden niet te zien, dat de tranen haar

langs de wangen rolden, wijl hij, de goede echtgenoot en brave zoon,

alweer het woelige zeeleven koos voor het gezellige, huiselijke

leven, en dat nog wel, waar hij nog niet eens uitgerust was van de

vermoeienissen van den laatsten zeetocht.

Een uur later waren de Heeren vertrokken en trad Piet de kamer in, waar

de beide vrouwen zaten.

„Waarom zijn de wangen zoo nat, vrouw? En bij u ook, Moeder?” dus vroeg

hij.

„Kind, kind,” zeide Moeder Heyn, in hevig gesnik uitbarstende, „wie

jaagt u toch telkens van de zijde uwer lieve vrouw het huis uit en de

zee op?”

Piet zweeg.

„Is er hier iets, dat niet naar uw’ zin is?”

„Neen, Moeder!”

„Doet Annetje niet al wat zij kan om u genoegen te geven?”

„Ik verlang het niet beter, Moeder!”

„Ben ik u dan soms in den weg? Kom ik misschien te veel bij u aan huis?”

„Moeder!” riep Piet, terwijl zijne heldere oogen zich met tranen

vulden, „Moeder, hoe kunt ge dat vragen? Dat weet ge immers wel beter!”

„Wat is het dán, jongen? Zie, gij kunt toch ruimschoots leven ook

zonder eenige betrekking! De honger, die harde eischen stellen kan,

kwelt u niet. Wat is het dan toch, jongen?”

„Och, zwijg, Moeder! Ik weet niet, wat het is. Altijd en altijd klinkt

daar eene stem in mijn binnenste: „Naar zee! Naar zee!”--Als ik slaap,

dan droom ik van de zee!--Als ik waak, dan leef ik op de zee!--En de

Heere vergeve mij de zonden, maar als ik in de kerk ben, hoe schoon

en dierbaar Dominee Sprankhuysen dan ook preeken moge, het overkomt

mij vaak, dat ik onder de preek aan de zee denk.--In de tonen van het

orgel bromt het: „Naar zee!”--Door de boomen ruischt de wind: „Naar

zee!”--In alles, alles hoor ik: „Naar zee! Naar zee!”--Moeder, lieve,

beste Moeder, goede Annetje, ik kan niet voortdurend aan den wal

blijven, ik kan niet!”

„Piet,” hernam Moeder Heyn diep bewogen, „ik geloof u! Ga dan naar zee,

mijn jongen! Maar inmiddels zal ik den Heere bidden, dat Hij uw harte

naar den wal keere! Het is de stem van den Booze, die u in zijne netten

gevangen houdt! Ga: Piet! Ik hoop, dat het de laatste maal moge zijn!”

„Moeder, Moeder, houd op!” riep opeens Annetje, „gij weet niet wat gij

wenscht! O, God, als eens een kogel hem het leven ontnam, dan ware

uw wensch ook vervuld, dan zou het ook voor den laatsten keer zijn!

Moeder, wensch wat anders, wat anders, Moeder!”

„Stil, stil, Annetje!” sprak Piet Heyn en hij greep de hand zijner

vrouw. „Ons leven is in de hand des Heeren; zonder Zijn’ heiligen wil

wordt geen haar op ons hoofd gekrenkt! Mocht ik komen te vallen, gij

weet het, ons testament, dat nog pas geleden veranderd is, berust

in handen van Notaris Jan Fransz. Bruyning tot Amsterdam. Het voegt

iederen mensch ten allen tijde bereid te zijn, het leven af te leggen!”

„Waarheen zult gij gezonden worden, Piet?” vroeg Annetje thans. „Ik heb

niet alles verstaan, wat de Heeren zeiden.”

„Net ver weg, beste! Niet verder dan tot Duinkerken! Ik twijfel niet of

dat varkentje zal wel gauw gewasschen zijn. In alle gevallen, nu ik in

’s Lands dienst ben, zal ik vaker aan den wal zijn!”

Dit laatste: „vaker aan den wal” scheen Moeder en Annetje troost te

geven. Althans Moeder Heyn stond op en haar’ zoon omhelzende, zei ze:

„Kind, wees gerust! Gedurende uwe afwezigheid zal ik mij gedragen als

de Moeder van een’ zeeheld, van wien de geheele wereld gewaagt!”

„En ik zal mij gedragen als de vrouw van een’ liefhebber van zijn

Vaderland, Piet! Laat het nu uit zijn. Wanneer vertrekt ge?”

„Denkelijk in het begin van Juni, vrouw! We hebben dus nog een veertien

dagen den tijd!”

Die veertien dagen werden bijna vier weken, want de schepen, waarmede

de tocht ondernomen moest worden, waren nog niet klaar. Er ontbrak veel

aan om in die dagen de vloot van het Land goed te noemen.

Piet Heyn, dit vernemende, begaf zich naar Den Haag en verscheen in de

vergadering van de Staten van Holland.

„Hoe is het, Admiraal, nog niet uitgezeild?” vroeg een der leden hem

eenigszins uit de hoogte.

Piet Heyn fronste het voorhoofd en sprak: „Nog niet uitgezeild? De

Heeren duiden het mij niet ten kwade, als ik hierop antwoord, dat er

van geen uitzeilen sprake kan zijn. De vloot van het Land verkeert in

een’ deerlijken staat van verval!”

„Hei, hei, zacht wat, Admiraal! Dat ze niet is, zooals ze wezen

moet, ja, dat weten wij ook wel; maar, dat ze zoo slecht is, als gij

vermoedt, dat kunnen, ja, dat mogen wij niet gelooven,” sprak een ander.

[Illustratie: „Zóó wil ik geen Luitenant-Admiraal zijn!” (Bladz. 234).]

„Schade genoeg, Edel Mogende! Maar dan moet ik u zeggen, dat ik, als

de vloot niet in een’ beteren toestand gebracht wordt, mijne belofte

intrek en de benoeming niet aanneem. Zóó wil ik geen Luitenant-Admiraal

zijn!”

„En wat zou er dan naar uwe meening moeten gedaan worden?” klonk de

vraag van den Voorzitter.

„Veel, Edel Mogende, veel, zeer veel!”

„Bepaal u dan tot zaken en zeg wat,” sprak de Raadpensionaris barsch.

„Zoo komen we niet verder.”

„Welnu, als gij mij daartoe dwingt, dan zal ik het u zeggen: De

krijgstucht is vervallen!”

„Gij hebt het in uwe macht die te herstellen!”

„Ja, met meer en uitgestrekter macht dan de vorige Luitenant-Admiraals

bezeten hebben!”

„Wat rekent gij tot die uitgestrekte macht?”

„Vooreerst deze. Zoo een Kapitein zijn’ plicht verzaakt, dan moet de

Admiraal hem kunnen afzetten en een’ anderen in zijne plaats benoemen!”

„Dit wordt u toegestaan. Wat meer?”

„Vóór dezen waren er uitmuntende voorschriften en verordeningen in

gebruik; ze zijn in verval geraakt en moeten opnieuw ingevoerd en

gehandhaafd worden!”

„Hiertegen kan geenerlei bezwaar ingebracht worden, dunkt me. Wat nog

meer?”

„Tot hiertoe werden de schepen op eene zeer slechte manier van

levensmiddelen voorzien. Het gevolg hiervan is vaak geweest, dat

sommige bodems op zeer ongelegen tijden eene haven moesten binnenloopen

om levensvoorraad in te nemen!”

„Maar zeg mij, Admiraal, hoe komt het toch, dat gij dit alles

niet bedongen hebt, vóór gij de benoeming aannaamt?” vroeg de

Raadpensionaris.

„Ik wist het toen niet zóó goed, als ik het nu weet, Mijnheer!”

„Ei, en wie heeft u dan van dat alles zoo goed op de hoogte gebracht?”

„Om dat te weten te komen, heb ik niemand noodig. Als een Admiraal dat

alles niet onderzoeken kan, dan deugt hij niet voor zijne betrekking!”

„Ik twijfel niet, of men zal u in alles terwille zijn. Van avond nog

zult ge hieromtrent het besluit der Edel Mogenden vernemen,” sprak de

Voorzitter.

„Het zal mij zeer aangenaam zijn, Edel Mogende! Maar ik heb nóg meer te

bedingen!”

„Wat! Nog al meer? Mij dunkt, dat gij veel noten op uw’ zang hebt,

Admiraal!”

Piet Heyn fronste andermaal het hooge voorhoofd en zich fier

verheffende, sprak hij op kalmen, maar snijdenden toon: „Dat vonden de

Spanjaarden en Portugeezen in de Allerheiligen-baai ook, Edel Mogende!”

Een onderdrukt getrappel met de voeten werd gehoord, en menigeen knikte

den Admiraal goedkeurend toe. De ondervrager zag zich dus genoodzaakt

zijn’ toon wat lager te stemmen. Hij voelde, dat hij valsch speelde,

en daarom zeide hij wat minder kort: „Ik wilde u niet beleedigen,

Admiraal! Mag ik weten, wat u dan nog heeft?”

„De soldijen der matrozen zijn te laag en worden niet geregeld

uitbetaald. Het gevolg hiervan is, dat men alleen het uitschot van de

Oost- en West-Indische Compagnie op de vloot krijgt. Een Admiraal moet

op zijn volk kunnen vertrouwen!”

„Dit laatste ontstond meer uit den berooiden toestand van ’s Lands

kas. Hierin is in den laatsten tijd eene kleine verandering te goede

gekomen. Wij hopen, dat die gunstiger toestand zal blijven voortduren,

en dan vervalt vanzelf uwe laatste zwarigheid. Nu hadt ge toch zeker

niets meer?”

„Het spijt mij, als het u tegenvalt, zoo ik ja zeg; maar nu ik a,

b en c heb gezegd, wil ik uitspreken, al kwam ik tot z. Ik sta er

op, dat iedere Kapitein eene instructie hebbe, opdat er meerdere

overeenstemming besta omtrent het handhaven der orde. Verder

wenschte ik wel, dat er schrijvers benoemd werden om op elk schip de

dag-registers goed bij te houden, rollen te maken, scheepslijsten te

vervaardigen en het uitbetalen van het scheepsvolk te regelen. Dan

wenschte ik ook nog door eene wet bepaald te zien, dat het recht van

voetspoelen op strenge straffe verboden wordt. Den vijand moet men

eeren, als hij zich manhaftig verdedigt!”

Hier zweeg Piet Heyn.

„Hebt ge nu alles gezegd, Admiraal?” werd er gevraagd.

„Zoo omtrent, Edel Mogende! Later kunnen we zien, of er nog meer

gebreken zijn. Want meent niet, Edel Mogenden, dat ik alleen om de

voordeelen, die aan het Admiraalschap verbonden zijn, de eervolle

benoeming heb aangenomen. Ik heb dat gedaan tegen den zin van mijne

goede vrouw en mijne lieve Moeder, omdat ik mijn Vaderland liefheb.

En zooveel Latijn heb ik van mijn’ goeden Meester Zegers nog geleerd,

dat ik mijne zinspreuk: „Argentum aura, utrumque virtuti cedit”

verdietschen kan in deze woorden: „Zilver is geringer dan goud; maar

beide moeten voor de deugd wijken!”

„Wij danken u, Admiraal,” sprak thans de Voorzitter. „Wij beloven u van

avond nog antwoord te zullen zenden!”

Piet Heyn ging heen, en waren enkele Heeren ook wel een weinig gebelgd

over den stouten toon, dien Piet Heyn deed hooren, Zijne Excellentie

Prins Frederik Hendrik stelde den ronden zeeman volkomen in het gelijk,

en wist te bewerken, dat hem in alles zijn’ zin gegeven werd.

Nu nam Piet Heyn de benoeming ook terstond en voorgoed aan en stak

veertien dagen later in zee.

Te Duinkerken aangekomen begon hij dadelijk de haven in te sluiten,

doch door de duisternis van den nacht begunstigd, wisten drie groote

kaperschepen buiten te geraken. Niet zoodra echter had Piet Heyn dat

ontdekt, of hij zette hen na en plaatste zich tusschen de twee schepen

van den vijand. In een oogenblik was het gevecht aan den gang, doch de

Duinkerkers, bevreesd dat Piet Heyn, zoo hij overwinnaar werd, ook op

hen het recht van voetspoelen zou uitoefenen, vochten als leeuwen en

lieten geen enkel schot onbeantwoord.

„Geef u niet zoo bloot, Admiraal,” sprak Marten Harpertsz. Tromp, die

Kapitein op het Admiraalsschip was.

„Ik moet toch in het rond zien om het gevecht te besturen, Kapitein,”

luidde het antwoord.

„Dat weet ik, Admiraal, maar gij geeft u te veel bloot!”

Pas waren deze woorden gesproken of een kogel trof Piet Heyn even

beneden den linkerschouder; hij stortte neer en stamelde nog even:

„Vaar-wel, Tromp! houd--m--moed!”

Piet Heyn was niet meer.

Dit noodlottig schot viel den twintigsten Juni van het jaar 1629.

Vreeselijk was de woede van het scheepsvolk toen het zijn’ dapperen

Admiraal zag vallen.

Tromp had hun bevolen: „Laat de andere schepen niet bemerken, wat er

gebeurd is. Houdt u of onze Admiraal u nog door woord en daad aanvuurt!

Houdt moed, jongens! Er flink op los gebrand! Den dood van den

gevallene moet op den vijand zeventig maal zevenmaal gewroken worden!”

De schepen van den vijandelijken Admiraal en Schout-bij-nacht

werden geënterd en bijna de geheele bemanning werd doodgeschoten of

neergesabeld.

Zoodra Michiel Rombouts, de Vice-Admiraal der Duinkerkers, dit zag,

zocht hij zijn heil in de vlucht. Dit mocht hem evenwel niet baten. Hij

werd achterhaald en moest na een fel gevecht zich overgeven.

Duinkerken was gestraft; maar het verlies, dat Nederland door deze

overwinning leed, woog niet op tegen de voordeelen, die er uit

voortvloeiden.

Zoodra men hier te lande den dood van den grooten held vernam, was de

verslagenheid algemeen.

En wie er het meest leden?

Och, is dat geen vragen naar den bekenden weg?

Zoodra Moeder Heyn den dood van haar’ Piet, haar’ lieveling, vernam,

begaf de stok-oude vrouw zich naar Delft, wierp zich in de armen van

hare schoondochter en zeide onder bange snikken: „Piet is toch voor den

laatsten keer naar zee geweest, Annetje! De Heere deed, wat goed was in

Zijne oogen!”

Den vierden Juli werd het lijk van den gevierden en dapperen Admiraal

met ongemeene pracht te Delft begraven.

Vóór het lijk gingen twee vaandels burgers in diepen rouw. Over hunne

kolders hingen zwarte banden, de vaandels waren met zwarte linten

opgebonden, de trommels met zwart laken bekleed en de pieken werden

sleepende, de musketten onder den arm gedragen.

[Illustratie: De lijkkist, gedekt met een zwart kleed. (Bladz. 239).]

Hierop volgden Kapiteins ter zee, die de wapenen van den gesneuvelden

held droegen, en onmiddellijk hierop volgde de lijkkist, gedekt met

een zwart kleed, welks slippen mede door Kapiteins ter zee gedragen

werden. Achter het lijk ging, als naaste bloedverwant, het zoontje van

eene zuster zijner vrouw. Zijne broeders leefden denkelijk dus niet

meer, of bevonden zich elders. Enkele verre bloedverwanten, die achter

het knaapje liepen, werden gevolgd door Bewindhebbers van de Oost-

en West-Indische Compagnie, Gedeputeerden der Admiraliteit en andere

voorname personen. In het geheel bestond de stoet uit meer dan duizend

menschen.

Hij werd in de Oude Kerk begraven en later werd er op ’s Lands kosten

eene prachtige graftombe voor hem opgericht.

* * * * *

Eene week na de begrafenis traden twee zeelieden in diepen rouw de Oude

Kerk binnen.

„Hier ligt hij, Blokmaker,” sprak de oudste, terwijl dikke tranen langs

zijne perkamentachtige wangen vloeiden. „Zijn avondschot is gevallen!”

„Mijn Admiraal slaapt, Marten! En ik heb zijne oogen niet toegedrukt.

Dat we beiden nu juist er niet bij waren, na zóó lang samen te zijn

geweest!”

„Ja, vriend, ik geloof, dat ik dit verlies niet lang overleven zal.

Zijn avondschot zal spoedig door het mijne gevolgd worden!”

„En nu mijn Admiraal slaapt, wordt het waken mij lastig! Kom, ga mee,

Marten, en laten we samen het zeeleven vaarwel zeggen, en als goede

vrienden samenwonen! Wij zijn zuinig geweest; we kunnen het wel tot ons

eindje brengen!”

„Stil, Willem, stil! Als hij, die hier onder ligt, dit hoorde, hoe

hij zeggen zou: „Wreekt mijn’ dood en treurt niet!” Neen, zoolang ik

nog kracht in mijne oude knuisten heb, zoolang ik mijne beenen nog

gebruiken kan om te loopen, zoolang de Edel Mogenden meenen, dat ik den

kost waard ben, zoolang wil ik het Vaderland mijne krachten wijden! En

gij?”

„Waar gij heengaat, Marten, daar ga ik ook heen! Wij zijn één. Wij

verlaten elkander niet!”

„Is dat je laatste woord? Is dat oprecht gemeend?”

„Mijn laatste woord en oprecht gemeend, Marten! Ik geloof toch ook,

dat we te lang gevaren hebben om het op den duur aan den wal te kunnen

vinden. Dat was ook zoo met onzen Admiraal, en ik weet het van zijne

vrouw zelve, dat hij alleen om haar en zijne oude Moeder pleizier te

doen wel aan den wal gebleven zou zijn, als hij den drang naar het

ruime sop maar had kunnen weerstaan. Maar hij kon niet. Met de wijde

zee in zijn hoofd stond hij op, liep hij den heelen dag rond, ging hij

des avonds naar bed en droomde hij des nachts. De zee was zijn alles,

zij was zijn element.”

„Ze is ook het onze, Kapitein!”

„Niet zoo deftig! Onder ons zijn we jij en jou, Willem en Marten.

Blijve dat zoo! Maar wat nu?”

„Wat nu? Wel, veeg weg die waterlanders! Houd-je ferm! Wij gaan weer op

ons oud schip, dat te Rotterdam op ons wacht!”

Na dit gezegd te hebben keerde hij zich nogmaals naar het graf van Piet

Heyn en stamelde, alsof het een gebed was: „Wel te rusten, maat! Slaap

zacht onder uw steenen dek!”

„Slaap zacht!” sprak Blokmaker zijn’ vriend na en diep geroerd gingen

beiden de kerk uit.

Twee jaren later viel in het zeegevecht op „Het Slaak” voor Marten het

avondschot. Voor Blokmaker viel het eerst in 1639 bij Duins.

Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn · 第 30 / 36 题