TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Spanje’s zilveren pols goed gevoeld.

Nauwlijks was de dageraad aangebroken of er werd op het Admiraalsschip

krijgsraad gehouden, en toen alle Kapiteins bijeen waren, begon Piet

Heyn met te zeggen: „Mannen, wij weten het, dat we de lang gezochte

Zilvervloot voor ons hebben liggen in de vrij ondiepe baai van

Matanzas. Gaarne zou ik uw’ raad willen inwinnen, wat nu in deze te

doen om het tot een goed einde te brengen!”

Het eerst was het woord aan Loncq, den Vice-Admiraal, dan aan Claesz.,

den Schout-bij-nacht, en vervolgens aan de verschillende Kapiteins in

volgorde van hun’ ouderdom, doch toen allen gesproken en hunne meening

te kennen gegeven hadden, bleek het dat er niet één met hetzelfde

voorstel voor den dag was gekomen en was Piet Heyn genoodzaakt uit

de verschillende voorstellen het een en ander te nemen om een nieuw

voorstel te doen, hetwelk hierop neerkwam: „Van elk schip doe de helft

der bemanning een aanval op den vijand in booten en sloepen. De andere

helft blijft aan boord en doe onze schepen zoo dicht mogelijk naderen

om den aanval der booten en sloepen krachtig te ondersteunen!”

Dit voorstel werd aangenomen en thans repte men zich om het te gaan

uitvoeren, doch vooraf vroeg een der Kapiteins of men den vijand

kwartier moest geven, als hij er om vroeg, waarop Piet Heyn ten

antwoord gaf, dat dit afhing van den tegenstand, dien men ontmoeten

zou. Stelde de vijand zich dapper te weer, dan geen kwartier geven,

doch gaf hij zich gauw over, dan wel. Lafaards waren nooit te vreezen,

meende hij, ze mochten in het leven blijven.

„Dan krijgen ze allen kwartier!” zeide Witte lachende.

Zoodra alles besproken was, begaf ieder zich op zijn’ post en

nauwelijks was dat geschied, of de booten en sloepen werden uitgezet en

bemand.

Piet Heyn, Witte, Blokmaker en Marten voeren in twee booten naast

elkander.

„Naar het Admiraalsschip, schipper!” beval Piet Heyn.

„Goed, Admiraal, het zal zoo zijn!” sprak Marten.

In het eerst scheen het, dat de Spaansche Bevelhebber zich wilde

verweren, doch toen de onzen eenige musketschoten gelost hadden, hield

alle vertoon van tegenweer op en kwam men de reusachtige galei terzijde.

„Hier liggen we nu!” mompelde Piet Heyn, „maar hoe komen we er tegen

op?”

Daar viel Marten aan den boeg een afhangend touw in het oog.

„Ik ga touwen halen, Admiraal,” riep de oude schipper, en tot verbazing

van alle matrozen, die in de boot zaten, klauterde hij als een aap naar

boven.

Van deze stoute daad scheen de Spanjaard niets gezien te hebben, en

zoodra Marten aan dek der galei was, riep hij met al de kracht zijner

longen: „Hoezee voor Piet Heyn!”

Met behulp van Witte werden ras een paar touwen vlug vastgemaakt en

uitgeworpen, zoodat spoedig de eene Hollander na den anderen op het dek

sprong.

Het was of het: „Hoezee voor Piet Heyn!” van Marten de Spanjaarden met

machteloosheid geslagen had. Ze dachten er niet aan, eerst dien éénen

man en dan de enkele andere mannen neer te schieten of te verjagen.

Het woord „Piet Heyn” had hen verlamd. Den man, die dezen korten naam

droeg, kenden ze al te goed.

De een na den ander der onzen kwam op den Spanjaard, en toen Piet Heyn

zelf er ook was, gaf de Spaansche Admiraal zich, zoo goed als na geen

tegenstand, over.

De Spaansche vlag werd neergehaald en die van de West-Indische

Compagnie in top geheschen.

[Illustratie]

Het geroep van: „Piet Heyn!” klonk van het eene Spaansche schip tot

het andere, en overal bracht het schrik en sloeg er de vijand op eene

lafhartige vlucht. Wat niet vluchten kon, viel op de knieën en bad:

„Buena guerra! Buena guerra!” wat de Spaansche uitroep was voor:

„Genade! Spaar mijn leven!”

Op hunne beurt stonden de Nederlanders over zooveel lafheid verslagen.

Waakten ze of droomden ze? Waren het geen spookschepen, die ze daar met

hunne fabelachtig rijke lading zonder slag of stoot veroverden?

Men dacht er niet lang over na en begon te plunderen.

Kisten en kasten werden opengebroken, en ofschoon men het niet in het

openbaar durfde doen, velen waren er toch, die in alle stilte zich

kostbare voorwerpen toeëigenden.

„Kijk eens, schipper! Een mes met gouden hecht en met briljanten

omzet!” fluisterde de bottelier en liet het Marten zien.

„Hoe kom-je daaraan?”

„Het is buit, man, het is buit! Maak dat je ook wat krijgt. Nu laat de

Admiraal het nog door de vingers zien. Straks is het uit! Toe, ga, er

is nog veel meer!”

„De Heeren Bewindhebbers zullen het wel goedmaken. Ik steel niet,”

sprak Marten en drukte vooral op steel.

„Bah, ze schepen ons af met koperen geldstukjes, dan kunnen de

kinderkens er mee spelen! Je zult het zien. Wij krijgen er vast niet

veel van!”

„Al kreeg ik niets! Ik wil mij niets toeëigenen, wat mij niet toekomt,”

klonk het norsch.

Werkelijk had Piet Heyn wel gezien, wat er voorviel, doch, hoe wrevelig

het hem stemde, hij zweeg.

„Admiraal, ziet ge wat er van ons scheepsvolk wordt, als ze voor een

ander roovertje spelen? Ze stelen zelf zoo hard als de raven,” sprak

Witte, en zijne dunne lippen plooiden zich tot een’ smadelijken lach.

„Och, Witte, zie dat een poosje door de vingers en zeg er nooit iets

van. Doe maar, alsof ge het niet ziet.”

„Ik zou het ook bezwaarlijk kunnen verbieden, Admiraal! Toch doet het

mij genoegen te zien, dat er nog zijn, die zich te goed houden om te

kapen. Marten en Blokmaker zijn een paar ferme kerels!”

„Dat zijn ze, Witte! Maar laat het sein tot vereenigen geven. Het is

het eenige middel om de plundering te doen ophouden.”

Witte deed het en spoedig kwamen de Kapiteins, de Vice-Admiraals en de

Schout-bij-nacht bij Heyn aan boord om hem geluk te wenschen met de

verovering, en te vragen, wat er nu gedaan moest worden.

„Nu alles zoo goed en spoedig is afgeloopen, moesten we terstond

beginnen met de galeiën te lossen en al wat ze bevatten voor een

deel over te brengen op onze schepen. De galeiën, die we vlot kunnen

krijgen, behoeven niet ledig gehaald te worden. Maar spoedig, de tijd

van het jaar dringt, en de Spaansche vloot kan ons overvallen eer we er

op bedacht zijn,” luidde het bevel van den Admiraal.

Vijf dagen was men onvermoeid met het lossen bezig.

„Nu weet ik, Kapitein, hoe het komt, dat de Spanjool geen’ weerstand

bood,” zeide aan het einde van den eersten dag Marten tot Witte.

„Ik ook, Marten! Al die schatten zijn van de Indianen gestolen. De

Spanjaarden zijn dieven. Van de tien zijn er negen laf. Je bent dat

zeker wel met mij eens. Wat anders. Met genoegen heb ik gezien, dat jij

geen dievenbloed hebt en Kapitein Blokmaker heeft het ook niet. Dat

lijkt me, en ik houd het ervoor, dat wij drieën het best met elkander

zullen kunnen vinden.”

Een warme handdruk bezegelde deze woorden, waarop evenwel terstond

volgde: „En nu aan het werk. Er is veel te doen en--we zijn nog niet

thuis!”

Met verbazing had Marten onzen Witte hooren spreken, en eene kist

beetpakkende, zeide hij: „Stille wateren hebben diepe gronden. Schijn

bedriegt. Hij is zoo kwaad niet als zijn mutsje wel staat! Zijn er

nog meer zulke spreekwoorden, pas ze dan op Witte Cornelisz. De With

toe, Marten, en je zult wel doen! Jammer maar, dat hij zoo driftig is

en dikwijls zoo ontzettend vloekt. In kalmte en vroomheid kan hij van

onzen wakkeren Admiraal een lesje nemen!”

Den zeventienden September was alles gereed en gaf Piet Heyn bevel tot

den terugtocht. Inmiddels had hij de jachten „de Ooievaar” en „de Vos”

met Witte naar het Vaderland gezonden om daar den gunstigen uitslag van

den tocht bekend te maken. „De Ooievaar” kwam den vijftienden November

gelukkig aan. Schipper Salomon Willemsz. begaf zich terstond naar Den

Haag om aan Zijne Excellentie Prins Frederik Hendrik de heugelijke

tijding mede te deelen. Voor dit bericht ontving hij van den Prins een

gouden keten. Op de vraag evenwel hoe groot vermoedelijk de buit was,

kon hij echter geen antwoord geven. Geen wonder derhalve, dat men de

terugkomst van de geheele vloot met het grootste verlangen te gemoet

zag. De „toebackdrinckers” zaten tot diep in den nacht te midden van

den rook, als haringen in eene bokkingkeet te praten over Piet Heyn en

over de Zilvervloot.

Maar hoe ongeduldig de „toebackdrinkers” ook werden, ze moesten even

goed geduld leeren oefenen, als de Heeren Bewindhebbers der Compagnie

zelf. Eerst den zeven- en achtentwintigsten November kwamen er vijf

schepen aan, en eene maand later nog drie. Toevallig hadden deze de

keur van de lading niet in, zoodat velen al begonnen te roepen: „Nu,

hier zal het wel zijn: veel geschreeuw en weinig wol!”

De oorzaak dezer vertraging lag niet aan den wakkeren Vlootvoogd; het

was geheel buiten zijn toedoen.

Men had op de terugreis met veel tegenspoeden te kampen, en daar de

meeste ververschingen op de vloot ontbraken, kwam er een groot getal

zieken. Ja, de vloot was zóó verzwakt, dat het Piet Heyn alleen met de

grootste moeite gelukte, zich door eenige Spaansche schepen, die op

wacht lagen, heen te slaan en de havens van Plymouth en Falmouth binnen

te loopen. Hij kon het niet tot Nederland brengen door de menigte

zieken, die op alle schepen waren. Het gevolg hiervan was, dat hij zelf

pas in het begin van Januari van het jaar 1629 in het Vaderland aankwam

met de schepen, die den schat bevatten, en nu eerst hoorde men uit den

mond van Piet Heyn hoe groot de vermoedelijke waarde van den buit, ten

ruwste berekend, was. Piet Heyn schatte haar op acht à negen millioen.

Als een loopend vuurtje ging het nieuws door het land en overal waar

Piet Heyn kwam, werd hij door het volk, door jong en oud, door rijk en

arm, met het grootste gejuich ingehaald. Het loopen was hem onmogelijk.

Dat geschreeuw en gejoel, dat geroep van: „Leve Piet Heyn!” begon hem

in het einde zoo te vervelen, dat hij gramstorig uitriep: „Siet hoe het

volck nu raest, omdat ik zoo grooten schat thuis brenge, daer weijnich

voor hebbe gedaen ende tevoren, als ick der voor hadde gevochten, ende

verre grooter daden gedaen, als dese, en heeft men sich nauwlijx aen

mij ghekeert!”

Zoodra alle schepen in behouden haven lagen, kon de West-Indische

Compagnie zelve aan het werk gaan en uit eene vluchtige begrooting,

waarbij nog heel wat aan maat en strijkstok bleef hangen, bleek het,

dat de buit op niet minder dan elf millioen gulden kon geschat worden.

Het was eene som, die nu misschien wel een kapitaal van vijftig

millioen gulden zou uitmaken.

En al die schatten waren voor de aandeelhouders der jonge Compagnie,

die hierdoor opeens in rijkdom verre boven hare oudere zuster, de

Oost-Indische Compagnie kwam te staan, doch niet in haar voordeel,

want de aandeelhouders der West-Indische Compagnie waren zoo tuk op

de gemakkelijk verkregen schatten, dat ze niet luisterden naar den

verstandigen raad van de Bewindhebbers om een groot gedeelte van den

buit te bewaren, als een appeltje voor den dorst. Men eischte eene

ruime uitdeeling en stelde zich met niet minder dan vijftig percent

tevreden.

De Bewindhebbers waren wel genoodzaakt toe te geven, doch wisten

evenwel te bewerken, dat zij, die zulk een’ schat in het Vaderland

gebracht hadden, toch eenigszins beloond werden. Piet Heyn kreeg

zevenduizend gulden en de matrozen ontvingen ieder zeventien maanden

soldij. Later werd Piet Heyn door Hunne Hoogmogenden eene gouden keten

ter waarde van dertienhonderdvijftig gulden, Loncq eene van zes- en

Banckers eene van vierhonderd gulden vereerd. Er werden gedenkpenningen

geslagen, en over het geheele land werd, op bevel der Regeering, een

dankdag gehouden.

Piet Heyn kocht voor zijn aandeel in den buit een huis te Delft. Hij

was den dienst in de Compagnie moede. Het had den ronden en flinken

zeeman tegen de borst gestuit, dat men de matrozen niet wat ruimer

bedacht had, want ze waren toch meer dan de helft van dien tijd in

dienst der Compagnie geweest. Hij bekeek de zaken met een heel ander

oog dan vroeger. De matrozen hadden oproer gemaakt toen ze zagen, dat

bijna alles in de geldkisten der Compagnie verzonk, die er goede sier

van maakte. Dat oproer had men zelfs met troepenmacht moeten dempen.

Dit hinderde den Admiraal niet weinig en hij zag nu, dat zijn Kapitein

Witte Cornelisz. de With niet zoo geheel ten onrechte tegen het nemen

der Zilvervloot ingenomen was. Het was waar: het scheepsvolk had iets

rooverachtigs over zich gekregen. En daarbij, de Compagnie scheen met

het beloonen der manschappen al zeer zonderling te werk gegaan te zijn.

Kapitein Witte Cornelisz. de With kreeg, hoe Piet Heyn er zich ook voor

inspande, niets, en toch was het Witte geweest, die door het nemen van

de eerste bark, de hoofdoorzaak was, dat de Zilvervloot in onze handen

viel. Best mogelijk kan het evenwel zijn, dat men hem niet vergeten

had, doch dat hij voor elke belooning bedankte. Hij was er de man voor

om dat te doen.

De Compagnie, die meende al heel scheutig geweest te zijn, keek vreemd

op toen Piet Heyn zijn ontslag uit haar’ dienst vroeg, doch ieder, die

hem kende, kon niet anders dan die daad goedkeuren.

„Zeg, Marten, nu pas heb ik achting en eerbied voor Admiraal Piet

Heyn,” zeide op zekeren dag Witte tot Marten, dien hij op eene der

Amsterdamsche grachten ontmoette.

„Waarom, Kapitein?”

„Omdat hij er feestelijk voor bedankt heeft langer in dienst der

Compagnie te zijn. Dat bewijst, dat hij het hart op de rechte plaats

heeft. Zeg het hem bij gelegenheid. En nu, tot ziens! De groeten aan

je vriend Blokmaker. Maar ja, dat is waar ook, als je soms weer als

schipper uit wilt, dan heb ik een plaatsje voor je op mijn schip,

hoor! Ik ben in dienst van het Land, en hartelijk hoop ik weldra in de

gelegenheid te zijn te staan tegenover een’ vijand, die mij toeroept:

„Kom op, als je durft!” Dat voelen aan dien zoogenaamden zilveren pols

van een’ lafaard is geen werk voor je Admiraal, voor Blokmaker niet,

voor jou niet en voor mij nog minder! Hadie!”

En hoe was het met Moeder Heyn?

Och, haar had al dat gejuich over haar’ zoon meer verdriet dan genoegen

gedaan. Maar toen hij haar in heure eenvoudige woning opzocht, ja, toen

was zij hem toch vol vreugde in de armen gevallen en had zij hem: „goed

kind” genoemd. Maar blijder was ze, toen ze hoorde, dat hij in Delft

een huis gekocht had en nu voortaan, als een stil burger, aan de zijde

van zijne vrouw en in de nabijheid van zijne Moeder zou gaan leven.

Wat was ze gelukkig! Bleef hij dan nu aan den wal en--voorgoed aan den

wal? Zij hoopte het; het was Moeder Heyns innigste wensch.

Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn · 第 29 / 36 题