Spanje’s zilveren pols goed gevoeld.
Nauwlijks was de dageraad aangebroken of er werd op het Admiraalsschip
krijgsraad gehouden, en toen alle Kapiteins bijeen waren, begon Piet
Heyn met te zeggen: „Mannen, wij weten het, dat we de lang gezochte
Zilvervloot voor ons hebben liggen in de vrij ondiepe baai van
Matanzas. Gaarne zou ik uw’ raad willen inwinnen, wat nu in deze te
doen om het tot een goed einde te brengen!”
Het eerst was het woord aan Loncq, den Vice-Admiraal, dan aan Claesz.,
den Schout-bij-nacht, en vervolgens aan de verschillende Kapiteins in
volgorde van hun’ ouderdom, doch toen allen gesproken en hunne meening
te kennen gegeven hadden, bleek het dat er niet één met hetzelfde
voorstel voor den dag was gekomen en was Piet Heyn genoodzaakt uit
de verschillende voorstellen het een en ander te nemen om een nieuw
voorstel te doen, hetwelk hierop neerkwam: „Van elk schip doe de helft
der bemanning een aanval op den vijand in booten en sloepen. De andere
helft blijft aan boord en doe onze schepen zoo dicht mogelijk naderen
om den aanval der booten en sloepen krachtig te ondersteunen!”
Dit voorstel werd aangenomen en thans repte men zich om het te gaan
uitvoeren, doch vooraf vroeg een der Kapiteins of men den vijand
kwartier moest geven, als hij er om vroeg, waarop Piet Heyn ten
antwoord gaf, dat dit afhing van den tegenstand, dien men ontmoeten
zou. Stelde de vijand zich dapper te weer, dan geen kwartier geven,
doch gaf hij zich gauw over, dan wel. Lafaards waren nooit te vreezen,
meende hij, ze mochten in het leven blijven.
„Dan krijgen ze allen kwartier!” zeide Witte lachende.
Zoodra alles besproken was, begaf ieder zich op zijn’ post en
nauwelijks was dat geschied, of de booten en sloepen werden uitgezet en
bemand.
Piet Heyn, Witte, Blokmaker en Marten voeren in twee booten naast
elkander.
„Naar het Admiraalsschip, schipper!” beval Piet Heyn.
„Goed, Admiraal, het zal zoo zijn!” sprak Marten.
In het eerst scheen het, dat de Spaansche Bevelhebber zich wilde
verweren, doch toen de onzen eenige musketschoten gelost hadden, hield
alle vertoon van tegenweer op en kwam men de reusachtige galei terzijde.
„Hier liggen we nu!” mompelde Piet Heyn, „maar hoe komen we er tegen
op?”
Daar viel Marten aan den boeg een afhangend touw in het oog.
„Ik ga touwen halen, Admiraal,” riep de oude schipper, en tot verbazing
van alle matrozen, die in de boot zaten, klauterde hij als een aap naar
boven.
Van deze stoute daad scheen de Spanjaard niets gezien te hebben, en
zoodra Marten aan dek der galei was, riep hij met al de kracht zijner
longen: „Hoezee voor Piet Heyn!”
Met behulp van Witte werden ras een paar touwen vlug vastgemaakt en
uitgeworpen, zoodat spoedig de eene Hollander na den anderen op het dek
sprong.
Het was of het: „Hoezee voor Piet Heyn!” van Marten de Spanjaarden met
machteloosheid geslagen had. Ze dachten er niet aan, eerst dien éénen
man en dan de enkele andere mannen neer te schieten of te verjagen.
Het woord „Piet Heyn” had hen verlamd. Den man, die dezen korten naam
droeg, kenden ze al te goed.
De een na den ander der onzen kwam op den Spanjaard, en toen Piet Heyn
zelf er ook was, gaf de Spaansche Admiraal zich, zoo goed als na geen
tegenstand, over.
De Spaansche vlag werd neergehaald en die van de West-Indische
Compagnie in top geheschen.
[Illustratie]
Het geroep van: „Piet Heyn!” klonk van het eene Spaansche schip tot
het andere, en overal bracht het schrik en sloeg er de vijand op eene
lafhartige vlucht. Wat niet vluchten kon, viel op de knieën en bad:
„Buena guerra! Buena guerra!” wat de Spaansche uitroep was voor:
„Genade! Spaar mijn leven!”
Op hunne beurt stonden de Nederlanders over zooveel lafheid verslagen.
Waakten ze of droomden ze? Waren het geen spookschepen, die ze daar met
hunne fabelachtig rijke lading zonder slag of stoot veroverden?
Men dacht er niet lang over na en begon te plunderen.
Kisten en kasten werden opengebroken, en ofschoon men het niet in het
openbaar durfde doen, velen waren er toch, die in alle stilte zich
kostbare voorwerpen toeëigenden.
„Kijk eens, schipper! Een mes met gouden hecht en met briljanten
omzet!” fluisterde de bottelier en liet het Marten zien.
„Hoe kom-je daaraan?”
„Het is buit, man, het is buit! Maak dat je ook wat krijgt. Nu laat de
Admiraal het nog door de vingers zien. Straks is het uit! Toe, ga, er
is nog veel meer!”
„De Heeren Bewindhebbers zullen het wel goedmaken. Ik steel niet,”
sprak Marten en drukte vooral op steel.
„Bah, ze schepen ons af met koperen geldstukjes, dan kunnen de
kinderkens er mee spelen! Je zult het zien. Wij krijgen er vast niet
veel van!”
„Al kreeg ik niets! Ik wil mij niets toeëigenen, wat mij niet toekomt,”
klonk het norsch.
Werkelijk had Piet Heyn wel gezien, wat er voorviel, doch, hoe wrevelig
het hem stemde, hij zweeg.
„Admiraal, ziet ge wat er van ons scheepsvolk wordt, als ze voor een
ander roovertje spelen? Ze stelen zelf zoo hard als de raven,” sprak
Witte, en zijne dunne lippen plooiden zich tot een’ smadelijken lach.
„Och, Witte, zie dat een poosje door de vingers en zeg er nooit iets
van. Doe maar, alsof ge het niet ziet.”
„Ik zou het ook bezwaarlijk kunnen verbieden, Admiraal! Toch doet het
mij genoegen te zien, dat er nog zijn, die zich te goed houden om te
kapen. Marten en Blokmaker zijn een paar ferme kerels!”
„Dat zijn ze, Witte! Maar laat het sein tot vereenigen geven. Het is
het eenige middel om de plundering te doen ophouden.”
Witte deed het en spoedig kwamen de Kapiteins, de Vice-Admiraals en de
Schout-bij-nacht bij Heyn aan boord om hem geluk te wenschen met de
verovering, en te vragen, wat er nu gedaan moest worden.
„Nu alles zoo goed en spoedig is afgeloopen, moesten we terstond
beginnen met de galeiën te lossen en al wat ze bevatten voor een
deel over te brengen op onze schepen. De galeiën, die we vlot kunnen
krijgen, behoeven niet ledig gehaald te worden. Maar spoedig, de tijd
van het jaar dringt, en de Spaansche vloot kan ons overvallen eer we er
op bedacht zijn,” luidde het bevel van den Admiraal.
Vijf dagen was men onvermoeid met het lossen bezig.
„Nu weet ik, Kapitein, hoe het komt, dat de Spanjool geen’ weerstand
bood,” zeide aan het einde van den eersten dag Marten tot Witte.
„Ik ook, Marten! Al die schatten zijn van de Indianen gestolen. De
Spanjaarden zijn dieven. Van de tien zijn er negen laf. Je bent dat
zeker wel met mij eens. Wat anders. Met genoegen heb ik gezien, dat jij
geen dievenbloed hebt en Kapitein Blokmaker heeft het ook niet. Dat
lijkt me, en ik houd het ervoor, dat wij drieën het best met elkander
zullen kunnen vinden.”
Een warme handdruk bezegelde deze woorden, waarop evenwel terstond
volgde: „En nu aan het werk. Er is veel te doen en--we zijn nog niet
thuis!”
Met verbazing had Marten onzen Witte hooren spreken, en eene kist
beetpakkende, zeide hij: „Stille wateren hebben diepe gronden. Schijn
bedriegt. Hij is zoo kwaad niet als zijn mutsje wel staat! Zijn er
nog meer zulke spreekwoorden, pas ze dan op Witte Cornelisz. De With
toe, Marten, en je zult wel doen! Jammer maar, dat hij zoo driftig is
en dikwijls zoo ontzettend vloekt. In kalmte en vroomheid kan hij van
onzen wakkeren Admiraal een lesje nemen!”
Den zeventienden September was alles gereed en gaf Piet Heyn bevel tot
den terugtocht. Inmiddels had hij de jachten „de Ooievaar” en „de Vos”
met Witte naar het Vaderland gezonden om daar den gunstigen uitslag van
den tocht bekend te maken. „De Ooievaar” kwam den vijftienden November
gelukkig aan. Schipper Salomon Willemsz. begaf zich terstond naar Den
Haag om aan Zijne Excellentie Prins Frederik Hendrik de heugelijke
tijding mede te deelen. Voor dit bericht ontving hij van den Prins een
gouden keten. Op de vraag evenwel hoe groot vermoedelijk de buit was,
kon hij echter geen antwoord geven. Geen wonder derhalve, dat men de
terugkomst van de geheele vloot met het grootste verlangen te gemoet
zag. De „toebackdrinckers” zaten tot diep in den nacht te midden van
den rook, als haringen in eene bokkingkeet te praten over Piet Heyn en
over de Zilvervloot.
Maar hoe ongeduldig de „toebackdrinkers” ook werden, ze moesten even
goed geduld leeren oefenen, als de Heeren Bewindhebbers der Compagnie
zelf. Eerst den zeven- en achtentwintigsten November kwamen er vijf
schepen aan, en eene maand later nog drie. Toevallig hadden deze de
keur van de lading niet in, zoodat velen al begonnen te roepen: „Nu,
hier zal het wel zijn: veel geschreeuw en weinig wol!”
De oorzaak dezer vertraging lag niet aan den wakkeren Vlootvoogd; het
was geheel buiten zijn toedoen.
Men had op de terugreis met veel tegenspoeden te kampen, en daar de
meeste ververschingen op de vloot ontbraken, kwam er een groot getal
zieken. Ja, de vloot was zóó verzwakt, dat het Piet Heyn alleen met de
grootste moeite gelukte, zich door eenige Spaansche schepen, die op
wacht lagen, heen te slaan en de havens van Plymouth en Falmouth binnen
te loopen. Hij kon het niet tot Nederland brengen door de menigte
zieken, die op alle schepen waren. Het gevolg hiervan was, dat hij zelf
pas in het begin van Januari van het jaar 1629 in het Vaderland aankwam
met de schepen, die den schat bevatten, en nu eerst hoorde men uit den
mond van Piet Heyn hoe groot de vermoedelijke waarde van den buit, ten
ruwste berekend, was. Piet Heyn schatte haar op acht à negen millioen.
Als een loopend vuurtje ging het nieuws door het land en overal waar
Piet Heyn kwam, werd hij door het volk, door jong en oud, door rijk en
arm, met het grootste gejuich ingehaald. Het loopen was hem onmogelijk.
Dat geschreeuw en gejoel, dat geroep van: „Leve Piet Heyn!” begon hem
in het einde zoo te vervelen, dat hij gramstorig uitriep: „Siet hoe het
volck nu raest, omdat ik zoo grooten schat thuis brenge, daer weijnich
voor hebbe gedaen ende tevoren, als ick der voor hadde gevochten, ende
verre grooter daden gedaen, als dese, en heeft men sich nauwlijx aen
mij ghekeert!”
Zoodra alle schepen in behouden haven lagen, kon de West-Indische
Compagnie zelve aan het werk gaan en uit eene vluchtige begrooting,
waarbij nog heel wat aan maat en strijkstok bleef hangen, bleek het,
dat de buit op niet minder dan elf millioen gulden kon geschat worden.
Het was eene som, die nu misschien wel een kapitaal van vijftig
millioen gulden zou uitmaken.
En al die schatten waren voor de aandeelhouders der jonge Compagnie,
die hierdoor opeens in rijkdom verre boven hare oudere zuster, de
Oost-Indische Compagnie kwam te staan, doch niet in haar voordeel,
want de aandeelhouders der West-Indische Compagnie waren zoo tuk op
de gemakkelijk verkregen schatten, dat ze niet luisterden naar den
verstandigen raad van de Bewindhebbers om een groot gedeelte van den
buit te bewaren, als een appeltje voor den dorst. Men eischte eene
ruime uitdeeling en stelde zich met niet minder dan vijftig percent
tevreden.
De Bewindhebbers waren wel genoodzaakt toe te geven, doch wisten
evenwel te bewerken, dat zij, die zulk een’ schat in het Vaderland
gebracht hadden, toch eenigszins beloond werden. Piet Heyn kreeg
zevenduizend gulden en de matrozen ontvingen ieder zeventien maanden
soldij. Later werd Piet Heyn door Hunne Hoogmogenden eene gouden keten
ter waarde van dertienhonderdvijftig gulden, Loncq eene van zes- en
Banckers eene van vierhonderd gulden vereerd. Er werden gedenkpenningen
geslagen, en over het geheele land werd, op bevel der Regeering, een
dankdag gehouden.
Piet Heyn kocht voor zijn aandeel in den buit een huis te Delft. Hij
was den dienst in de Compagnie moede. Het had den ronden en flinken
zeeman tegen de borst gestuit, dat men de matrozen niet wat ruimer
bedacht had, want ze waren toch meer dan de helft van dien tijd in
dienst der Compagnie geweest. Hij bekeek de zaken met een heel ander
oog dan vroeger. De matrozen hadden oproer gemaakt toen ze zagen, dat
bijna alles in de geldkisten der Compagnie verzonk, die er goede sier
van maakte. Dat oproer had men zelfs met troepenmacht moeten dempen.
Dit hinderde den Admiraal niet weinig en hij zag nu, dat zijn Kapitein
Witte Cornelisz. de With niet zoo geheel ten onrechte tegen het nemen
der Zilvervloot ingenomen was. Het was waar: het scheepsvolk had iets
rooverachtigs over zich gekregen. En daarbij, de Compagnie scheen met
het beloonen der manschappen al zeer zonderling te werk gegaan te zijn.
Kapitein Witte Cornelisz. de With kreeg, hoe Piet Heyn er zich ook voor
inspande, niets, en toch was het Witte geweest, die door het nemen van
de eerste bark, de hoofdoorzaak was, dat de Zilvervloot in onze handen
viel. Best mogelijk kan het evenwel zijn, dat men hem niet vergeten
had, doch dat hij voor elke belooning bedankte. Hij was er de man voor
om dat te doen.
De Compagnie, die meende al heel scheutig geweest te zijn, keek vreemd
op toen Piet Heyn zijn ontslag uit haar’ dienst vroeg, doch ieder, die
hem kende, kon niet anders dan die daad goedkeuren.
„Zeg, Marten, nu pas heb ik achting en eerbied voor Admiraal Piet
Heyn,” zeide op zekeren dag Witte tot Marten, dien hij op eene der
Amsterdamsche grachten ontmoette.
„Waarom, Kapitein?”
„Omdat hij er feestelijk voor bedankt heeft langer in dienst der
Compagnie te zijn. Dat bewijst, dat hij het hart op de rechte plaats
heeft. Zeg het hem bij gelegenheid. En nu, tot ziens! De groeten aan
je vriend Blokmaker. Maar ja, dat is waar ook, als je soms weer als
schipper uit wilt, dan heb ik een plaatsje voor je op mijn schip,
hoor! Ik ben in dienst van het Land, en hartelijk hoop ik weldra in de
gelegenheid te zijn te staan tegenover een’ vijand, die mij toeroept:
„Kom op, als je durft!” Dat voelen aan dien zoogenaamden zilveren pols
van een’ lafaard is geen werk voor je Admiraal, voor Blokmaker niet,
voor jou niet en voor mij nog minder! Hadie!”
En hoe was het met Moeder Heyn?
Och, haar had al dat gejuich over haar’ zoon meer verdriet dan genoegen
gedaan. Maar toen hij haar in heure eenvoudige woning opzocht, ja, toen
was zij hem toch vol vreugde in de armen gevallen en had zij hem: „goed
kind” genoemd. Maar blijder was ze, toen ze hoorde, dat hij in Delft
een huis gekocht had en nu voortaan, als een stil burger, aan de zijde
van zijne vrouw en in de nabijheid van zijne Moeder zou gaan leven.
Wat was ze gelukkig! Bleef hij dan nu aan den wal en--voorgoed aan den
wal? Zij hoopte het; het was Moeder Heyns innigste wensch.