BESLUIT.

In den nacht tusschen den achtsten en negenden Januari 1868 had het

sterk gesneeuwd. Drie mannen, inwoners van Delftshaven, waren eensklaps

op het denkbeeld gekomen om in het Plantsoen, recht vóór de Kerkstraat,

eene sneeuwpop te maken. Het was maar eene gewone aardigheid, doch toen

men het voetstuk ter hoogte van anderhalven Meter, neergezet had, begon

men er een beeld op te plaatsen, en dat beeld stelde nu eens niemand

minder voor, dan den beroemden Delftshavenaar, Pieter Pieterszoon Heyn.

De kop was zelfs voortreffelijk geslaagd, en wie ooit eene beeltenis

van den dapperen Admiraal gezien had, herkende terstond in dat

aangezicht het mannelijk gelaat van onzen Piet Heyn.

Nauwelijks was men dan ook des morgens ontwaakt of de een riep den

ander toe: „Zeg, heb-je Piet Heyn al gezien?”

„Piet Heyn? Wat bedoel-je toch?”

„Wel, zijn standbeeld in sneeuw. Het staat in het Plantsoen tegenover

de Kerkstraat!”

„Gunst, neen, hoe kan ik dat weten? Hebt jij het gezien?”

„Ja, ik kom er juist vandaan! Het is keurig mooi!”

Langzamerhand begon men het beeld met vlaggen te omringen en iedereen

was er mee ingenomen.

Op het voetstuk las men het volgende versje:

„De groote held Piet Heyn

Wil altijd needrig zijn,

En niet als zijn gelijken,

In marmer of metaal.

Met vorstelijke praal

Op markt of plein staan prijken.

De roem van dezen held,

Ofschoon hier min geteld,

Zal nimmer toch verkwijnen;

Al moog’, nà korten tijd,

Dit beeld aan hem gewijd,

Ook door de zon verdwijnen!”

Des avonds was het feest daar in den omtrek. Men maakte er muziek, en

verlichtte het beeld à giorno, dat is: eene verlichting met gekleurde

papieren lantaarns. De volgende dagen kwam men van Rotterdam en

Schiedam in menigte om het sneeuwen standbeeld te zien, en zeker zou

het aantal bezoekers nog veel grooter geweest zijn, als niet vijf dagen

later de dooi ingevallen was en het beeld daardoor verdween. Toen liet

iemand, die zich alleen met eene R onderteekende, het volgende versje

verspreiden:

„Ach, wáár is Piet Heyn gebleven?

Stond hij daar niet in ’t Plantsoen,

Neêrlands zeeheld, fier en koen?

Moest hij nu alweder sneven?

Ja, maar niet door ’s vijands lood;

Thans stierf hij een zachter dood.

Tweemaal is hij dus verschenen;

Maar komt Piet ten derden maal,

Dan in ’t harnas, dan in ’t staal;

Stevig op zijn visschersbeenen;

Dan als vlootvoogd, wijs en stout,

Groet hij ons dan, minder koud.

O, dan wordt hij warm door ’t schallen

Van zijn dankbaar, edel kroost,

Dat rondom zijn Eerzuil poost;

Ja, dan rijst van duizendtallen

Lof en dank tot God, die leeft,

Die, als ’t nijpt, ons Helden geeft!”

Na het lezen van dit versje begon men weer eens te denken aan de

„Piet-Heyns-pijpen-rookerij” van 1828. Toen toch hadden eenige heeren

zich vereenigd om op den tweehonderdsten gedenkdag van het nemen der

Zilvervloot, een gedenkteeken ter eere van Piet Heyn op te richten.

Men had berekend, dat een en ander vijfduizend gulden kosten zou en

er kwam nauwlijks vijftienhonderd gulden in. De tijdsomstandigheden

waren dan ook niet zoo heel gunstig. Het gevolg hiervan was, dat de

geheele feestviering op niet veel meer dan op niemendal uitliep. Men

stelde zich tevreden met een vermaak, dat bijna alleen door Hollanders

kan gesmaakt worden. Een ondernemend pijpen-fabrikant te Gouda liet

voor deze gelegenheid eene bijzondere soort van pijpen maken, waarop

zoo goed en zoo kwaad dit ging, het beeld van Piet Heyn, een schip en

het wapen van Delftshaven afgebeeld waren. Ook droegen ze het jaartal

1828. En uit deze pijpen rookende, vierden onze goede Hollanders het

tweehonderdjarige feest van Piet Heyns meest bekende daad.

Ja, van zijne meest bekende daad. Men weet van Piet Heyn, dat hij

de Zilvervloot won en een’ kleinen naam had, veel meer niet! Maar,

dat hij door zijne verstandige bepalingen, besluiten en voorwaarden

aan de Regeering, gedurende den korten tijd, dat hij in dienst van

Holland was, den grondslag gelegd heeft van Neerlands macht ter zee,

dat weet men zoo niet, ja, velen weten er niemendal van. En toch, die

bepalingen, voorwaarden en instellingen behooren tot de voornaamste van

zijne daden! Zijn wapenroem, als dapper Vlootvoogd, staat er naast;

maar het nemen van de Zilvervloot moet wel het laatst genoemd worden.

Hij zelf getuigde er immers van, dat hij er weinig voor gedaan had?

En als ge dit verhaal tot het einde gelezen hebt, zult ge ook moeten

zeggen: „Dat nemen van de Zilvervloot was meer geluk dan wijsheid! De

stroom, die Piet Heyn tegen zijn’ zin ophield, was de onmiddellijke

oorzaak, dat er ruim elf millioen gulden aan buit in het land kon

gebracht worden.”

In 1870 evenwel werd er, als een gevolg van de beweging, door het

sneeuwen standbeeld ontstaan, door de ijverige bemoeiingen van den

toenmaligen Burgemeester van Delftshaven, den Heer J. W. Rösener

Manz, en eenige andere Heeren, een standbeeld van den held, uit

Udelsfangersteen gehouwen, opgericht. Het beeld stelt den Admiraal

voor op het oogenblik, dat hij het teeken geeft tot het voor hem zoo

noodlottig gevecht tegen de Duinkerker kapers. Bij de onthulling, die

plaats greep den zeventienden October van het genoemde jaar, waren Z.

M. de Koning en Z. K. H. Prins Hendrik tegenwoordig, een bewijs, dat de

zonen uit het Huis van Oranje één zijn met het Nederlandsche volk.

Gaarne zou ik hier ook, naast den naam van den Heer J. W. Rösener Manz,

nog vele namen afschrijven van mannen die al gedaan hebben, wat in hun

vermogen was, om een beeld voor onzen held te doen verrijzen, of die

met al hunne krachten medegewerkt hebben om den beroemden Admiraal

te verheerlijken. Er zouden dan echter zooveel namen genoemd moeten

worden, dat ge er zeker in verwarren zoudt. Misschien ook zoudt ge

zeggen: „Wat hebben we er aan? We kennen die menschen toch niet!” En

daarom ook laat ik het na. Maar één naam moet ik u toch noemen.

De goede Meester Jacob Zegers heeft zeker nooit gedacht, dat de

eenvoudige visschersknaap, die bij hem het A B C leerde, eenmaal zulk

een beroemd man zou worden. Maar heeft hij hiervan mogelijk wel eens

gedroomd, dan zal hij er toch nooit aan gedacht hebben, dat meer dan

tweehonderdvijftig jaar later, een zijner opvolgers, een lied zou

dichten, dat door den heer C. C. A. De Vliegh op muziek gebracht,

uitgevoerd zou worden bij de oprichting van het standbeeld van zijn’

woeligen leerling! Dat deed de Heer F. Bezemer, toen Hoofd eener

openbare school te Delftshaven, dat tegenwoordig een deel uitmaakt van

de gemeente Rotterdam. Hier is het.

„Heft aan! heft aan! een lied ter eere

Van Hollandsch meest bekenden held,

Wiens roem der dicht’ren lier besnaarde,

Dien iedre kindermond vermeldt.

Een schrik der zee, des Spanjaards vreeze,

Waar plicht hem riep, ten strijd gereed,

Wiens naam alleen den vijand vlieden

En Spanje’s vorsten siddren deed.

Daar rijst zijn beeld, nabij de stede,

Waar eens zijn schamel kluiske stond,

Om aan den nazaat te verkonden,

Hoe deugd en moed zijn loon hier vond.

Een zoon uit ’t volk, heel ’t land ten zegen,

Niet door de schatten, die hij bracht,

Maar door zijn voorbeeld, dat blijft spreken

Van burgertrouw en heldenkracht.

Hoezee! het Vaderland ter eere,

Dat zulk een held, als zoon begroet,

En eeuwen na zijn roemrijk sneven

Hem nog een eerzuil rijzen doet.

Het blijve ons lief in Nassau’s hoede,

Het vinde ons wakker in den nood,

Om, mocht een vijand het belagen,

Als Heyn te strijden tot den dood.

Wilhelmus van Nassouwen

Was onzer Vaad’ren zang,

Het strijdlied onzer dapp’ren

Trots elken vreemden dwang,

Het zegelied te velde

Zoowel als op de Zee,

Weerkaatste ’t Hollands glorie

Tot aan de verste reê.

Wilhelmus van Nassouwen

Is nog het Neêrlandsch lied,

Wien heugt, waar hij ’t hoort schallen,

Der Vaad’ren grootheid niet?

Zoo was en zij ’t voor immer

Een lied der Profecy:

Ook Neêrland, groot door deugden,

En met Oranje, vrij!”

Blijve dat zoo door alle tijden heen: ons Land zal er wèl bij varen.

Maar om dat zóó te doen blijven, is het noodig, dat ge in de

geschiedenis van uw Land geen vreemdeling zijt. Een volk, dat de

geschiedenis van zijne wording, van zijn’ strijd, van zijn lief,

van zijn leed niet acht, is rijp om door den eersten den besten

overweldiger te worden ingelijfd. Maar een volk, dat uit de lange

geschiedenis van zijn voorgeslacht zichzelf, als het ware, ziet geboren

worden, zulk een volk blijft vrij en geen macht ter wereld kan het,

na het overweldigd te hebben, op den duur in haar geweld houden:

het worstelt zich los en maakt zich onafhankelijk van elke vreemde

overheersching!

Jong- en Oud Nederland, weest gij dat laatste volk!

Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn · 第 31 / 36 题