Een goed antwoord.
Intusschen had de Gouverneur van Havana, Don Lorenzo de Cabrera, de
Nederlandsche vloot wel ontdekt. Hij begreep zeer goed, wat zij in haar
schild voerde. Daarom zond hij eene bark in zee om den Admiraal der
Zilvervloot, Don Francisco de Buenavida, te waarschuwen, niet uit te
zeilen, wijl hij anders gevaar liep, overmeesterd te zullen worden. Den
achtentwintigsten Augustus was Piet Heyn na veel worstelens weer zoo
ver teruggekeerd, dat hij het eiland Cuba opnieuw in het gezicht kreeg.
Van vijandelijke schepen was evenwel niets te zien.
Den volgenden dag stonden Piet Heyn en Witte weer samen te beraadslagen
hoe men nu verder handelen zou, toen Marten, die maar altijd op den
loer lag of hij niets verdachts zag, weer op de beide Scheepshoofden
afkwam. Ditmaal dacht hij er evenwel aan, niet tot den Admiraal, maar
tot Witte te spreken.
„Kapitein,” zei hij, „ginder is een zeil!”
„Ik zie het niet,” antwoordde Witte.
„Ik ben zoo gelukkig hier aan boord de beste oogen te hebben, Kapitein!
Ik zie een zeil. Het is geen Hollander!”
Piet Heyn richtte nu ook zijn’ eenvoudigen scheepskijker in de
aangewezen richting en sprak: „De schipper heeft gelijk; het is eene
Spaansche bark.”
„Dan er op af,” riep Witte en aanstonds gaf hij bevel de bark na te
zetten.
Het bleek evenwel spoedig, dat dit niet ging. De bark scheen beter
zeiler dan het Hollandsche Admiraalsschip.
„Admiraal, laat mij een jacht nemen en het nazetten,” sprak Witte.
„Goed, Kapitein, doe dat!”
In een oogenblik was het jacht de „Vos”, bemand met een veertigtal
flinke gasten onder bevel van Witte Cornelisz. De With. Ook Marten
en Blokmaker waren, met goedvinden van Piet Heyn, aan boord van dat
scheepje gegaan. Zij wilden met dien Kapitein wel eens een kansje
wagen. En nu zagen ze met bewondering, welk een uitmuntend zeeman
hij ook in allerlei kleinigheden was, en later getuigden ze, dat
hij hen gedurig beschaamd zette; want menigmaal werd er zulk eene
beweging gemaakt, dat ze dachten: „Waar moet dat nu heen?” en een paar
oogenblikken later zagen ze, dat ze door die vreemde beweging weer een
heel eind op de bark gewonnen hadden. Hij wist van alles gebruik te
maken. Niets ontging zijn oog. Eindelijk hadden ze de bark binnen schot.
„Vuur,” beval Witte.
Het kanon brandde los;--de Spaansche bark streek de vlag.
„Ellendige lafaards,” schold Witte. „Wie geeft zich nu bij het eerste
schot het beste, over?”
Men kon zien, dat het hem speet, dat er geen tegenweer geboden werd,
en weldra was men de bark terzijde. Witte klom er aan dek en vroeg den
Kapitein: „Waarheen, Senor?”
„Ik heb van den Gouverneur van Havana bevel gekregen, den Admiraal der
Zilvervloot te waarschuwen, dat er kapers op de kust zijn,” gaf de
Spaansche Kapitein openhartig ten antwoord.
„Waar houdt die vloot zich op?”
„Ik heb al verscheidene dagen gekruist en ze nog niet gevonden,” luidde
het antwoord.
„Ook al goed! Gij zult alvast niet meer voor verklikker spelen. Gij
zijt mijn gevangene!”
„Dat begrijp ik wel. Het is mij geheel onverschillig. Zult ge ons ook
over de kling jagen?”
„Lafaards hangen we,” beet Witte hem toe. „Maar wees gerust, we zullen
niet aan uw leven komen.”
Witte ging thans met de bark op sleeptouw naar de vloot terug, en toen
Piet Heyn vernam, wat de Kapitein van de bark in last had, gaf hij
aanstonds bevel, dat het jacht de „Vos”, onder Witte’s aanvoering zou
blijven kruisen om te zien, of er nog meer van die vaartuigen waren.
De gevangen Kapitein had wel gezegd, dat hij alleen uitgezonden was,
doch men vertrouwde hem niet. De man scheen al te oprecht. Op het
Admiraalsschip werd Witte door Kapitein Blokmaker vervangen, zoodat de
drie oude vrienden weer samen bleven.
Ondertusschen was een gedeelte der vloot onder bevel van den
Vice-Admiraal Joost Banckers, nog altijd van de hoofdvloot gescheiden.
Dit hinderde Piet Heyn; men kon niet weten, hoe men hem noodig had. Zoo
werd het de achtste September.
„Twee zeilen! Twee zeilen!” riep de uitkijk opeens.
Iedereen zag het en spoedig werd men een Hollandsch schip gewaar, dat
een’ prijsgemaakten Spanjaard achter zich had. Toen het schip nader
kwam, zag men, dat het de „Witte Leeuw”, Kapitein Jan Jansz., van Hoorn
was.
Bij den Admiraal gekomen vroeg deze: „Welk schip hebt gij buitgemaakt?”
„Een verdwaald lam uit de groote schaapskooi, Admiraal! Volgens het
zeggen van den Spaanschen Kapitein moet de Zilvervloot niet ver meer af
zijn.”
Dat bericht was weldra over de geheele vloot verspreid en het
scheepsvolk vloog in het want om te zien, of de vloot nog niet in
aantocht was. Aller hart klopte van verwachting. Zelfs Piet Heyn, die
anders steeds zijne bedaardheid behield, kwam, of hij wilde of niet, in
eene hevige spanning.
„Dat die stroom nu toch niet wat verandert,” zeide Piet Heyn tot
Blokmaker. „Gij zult zien, dat ze ons nog ontsnappen, als dat zoo
blijft.”
„Dan maar naar de Allerheiligen-baai of naar Havana,” antwoordde
Blokmaker.
„Nu, met ledige handen zal ik niet thuiskomen, hoeveel het mij dan ook
spijten zou, als de kans alweer verkeken was. Ik wil wel zeggen, dat ik
nu zelf lust begin te krijgen in dien buit. Een paar dagen geleden had
Witte mij bijna er toe gebracht om die Zilvervloot te laten loopen.”
Hij zweeg een oogenblik, keek naar het water en riep toen: „Kijk, kijk
toch dien stroom eens! Hij gaat nog sterker dan zooeven.”
Piet Heyn stampvoette van kwaadheid.
Had hij eens geweten hoe diezelfde stroom, die hem zoo scheen te
tergen, juist de oorzaak zou zijn, dat ditmaal de kans voor hem
niet verkeken zou wezen; want, waar hij ~hier~ de Hollandsche vloot
tegenwerkte, deed hij wat verder een der vaartuigen der Zilvervloot
op eene klip stooten, ten gevolge waarvan het een lek bekwam. De
Bevelhebber, niet wetende, dat er eene Hollandsche vloot in de
nabijheid was, gaf bevel het vaartuig te lossen om het zoo te kunnen
kalfaten. Dit oponthoud deed de Zilvervloot in handen der Hollanders
vallen; want had het niet plaats gehad, ze zou den dans ontkomen zijn.
Eindelijk was het vaartuig hersteld; het werd weer geladen en den
achtsten September ging de rijk geladen vloot onderzeil.
Piet Heyn was nu op de hoogte van Matanzas, eene havenstad, eenige
mijlen ten Oosten van Havana gelegen, en de morgen van den negenden
September begon aan te breken.
„Schipper, kijk eens! Zijn dat er wel van de onzen?” vroeg de barbier,
die al ik weet niet hoeveel zenuwdrankjes geslikt had om niet zoo
gedurig te beven.
„Alle boeren en vischvrouwen, dat zijn Spanjolen,” riep Marten, en
zonder zich aan een’ uitval van den barbier te storen, liep hij de deur
van de Kapiteins-hut open en viel languit op den grond.
„Zijt gij bezeten, kerel? Wie zijt gij?” riep Blokmaker, die niet zag,
wie daar voorover in zijne kajuit viel.
„Wel tien Spaansche schepen zijn ons in het gezicht. Ik geloof, dat ze
onze lichten voor die van Spaansche schepen hebben aangezien,” zeide
Marten.
Maar Blokmaker was al op het dek en verstond de laatste woorden van
zijn’ schipper niet. Hij liet terstond Piet Heyn roepen en toen deze
verschenen was, gaf hij oogenblikkelijk bevel, daar er niet genoeg wind
was om te zeilen, de booten en sloepen te bemannen en er jacht op te
maken. Als het wat lichter werd, zouden de vijanden hunne vergissing
wel ontdekken. Dus: „Voort, voort! Haast je! Rept je!”
In een omzien waren de booten en sloepen in zee en de Spanjaarden
ziende, dat ze in het net geloopen waren, zett’en alle zeilen bij om
te ontvluchten. Maar dit belette hun de windstilte. Aangevuurd door
den driftigen Witte, die gemaakt had, dat hij er met de „Vos” bij was,
viel men de tien schepen aan en, tot ergernis alweder van „Kapitein
Kwikzilver”, de Spanjaarden gaven zich bijna zonder slag of stoot over.
Slechts één schip ontkwam.
Men was in de wolken van vreugde! De Zilvervloot nu al in handen, en
dat zoo gemakkelijk! Het was niet te gelooven! Men brak de luiken open.
Ieder wilde den schat, den gemakkelijk verkregen buit, zien!
Eilaci, hoe vond men zich bedrogen! Geen goud, geen zilver,
geen paarlen, geen diamanten! Bah, alleen huiden, meel, brood,
Campèche-hout, indigo, tabak, suiker en cochenille! Had men daarop
zoolang geloerd? Was dàt nu de vloot, die Peru’s schatten naar Spanje
bracht?
Maar stil, wat wordt daar gefluisterd? Zegt men daar niet, dat dit de
Zilvervloot niet is? Zou deze dan waarlijk den dans ontsprongen zijn?
„Neen, niet ontsnapt! Ze moet nog komen,” bevestigt er dadelijk
een, en zoo klonk het over en weer, tot het bevel gegeven werd, de
prijsgemaakte bodems terstond naar de vloot te brengen.
Het viel Piet Heyn ook tegen; maar hij troostte zich met de
gedachte: beter een half ei dan een ledige dop. Hij naderde een der
gevangengenomen Spaansche Bevelhebbers, en vroeg: „Senor, is de
Zilvervloot het ontkomen?”
„Neen! Ze is opweg om u even gemakkelijk in handen te vallen, als wij,”
luidde het gulle antwoord.
„Waar is ze?”
„Eer het avond is, zult ge haar te loefwaart zien. Ze zou u evenwel
zeker ontkomen zijn, als we geen oponthoud gehad hadden.”
„Hoe kwam dat?”
„De stroom, die ons tegen was, deed een der vaartuigen lek stooten en
de Bevelhebber liet het lossen om het te kunnen kalfaten.”
„Wat zijn wij, menschen, toch kortzichtig,” zeide Piet Heyn tot
Blokmaker. „Juist de stroom, dien we zoo verwenschten, zal ons de
Zilvervloot in handen spelen!”
Toch liep het al tegen den middag eer andermaal het geroep klonk van:
„Zeilen! Zeilen in ’t zicht!”
„Welke schepen zijn dat?” vroeg Piet Heyn aan denzelfden Spaanschen
Kapitein.
„Dat zijn galeien der onzen!”
„Waarmede geladen?”
„Onbekend, Senor! Wij waren bij het laden niet tegenwoordig. Wij
behooren niet tot de Zilvervloot!”
„Is dat dan de Zilvervloot?”
„Dat is ze!”
Een goed opmerker had niet meer te vragen of de Spanjaard wel waarheid
sprak; want nauwelijks hadden de Spaansche galeien de Hollandsche vloot
gezien, of ze zett’en het, onder begunstiging van het stijve koeltje,
op de vlucht.
„Ze zullen de baai van Matanzas binnenloopen, Admiraal!” sprak Witte,
die op het Admiraalsschip gekomen was om daar verdere bevelen te
vernemen.
„We zullen ze nazetten. De baai is, vooral aan het begin, te ondiep
voor galeien van zulk een’ diepgang en die zoo geladen zijn. Ze zullen
aan den grond raken. Maar eer ze daar zijn, moet een schip der onzen
er wezen. De „Vos” is een uitstekend zeiler. Aan u, Kapitein Witte, de
eer, om met dat jacht den Spanjaard voor te zijn.”
„Ik zal hen voor zijn, Admiraal,” antwoordde Witte en in een’
ongelooflijk korten tijd was hij op zijn snelzeilend jacht en zette hij
den vijand na, terwijl Piet Heyn intusschen de heele vloot voor den
wind liet loopen.
Dit geschiedde terstond, doch het bracht de andere schepen van de vloot
in twijfel omtrent de bedoeling van den Admiraal. Men wist niet of het
hem te doen was om de zes galeien, die loefwaarts lagen, of om de zes
andere van den wal te houden. Spoedig evenwel zag Piet Heyn, dat zijne
pogingen vruchteloos waren. De galeien bereikten vóór hem de baai. Dit
bracht evenwel den Spanjaarden geen uitkomst. Aan verdedigen werd niet
gedacht. Wel gaven de Bevelhebbers last, de schepen, die aan den grond
geraakt waren, vlot te helpen maken, doch bij dit werk raakten ze alle
vast.
„Breng de lading aan den wal!” klonk het bevel van den Spaanschen
Admiraal.
Maar bevelen krijgen en bevelen uitvoeren waren voor de verslagen
Spaansche matrozen verschillende zaken. Het scheen, dat de angst en
de schrik hunne armen verlamd, hunne gedachten zoek gemaakt hadden.
Hier kwam er een met een vaatje spijkers aanzeulen. Daar viel er een,
door de duisternis van den nacht, die ondertusschen ingevallen was,
misleid, van de loopplank in het water. Ginds trachtte een derde zijn
eigen boeltje aan den wal in veiligheid te brengen. De Admiraal werd
half razend van nijd, en zou misschien zelf nog aan den arbeid gegaan
zijn, zoo een der Onderbevelhebbers hem niet, als zijne meening gezegd
had, dat ze hier wel aan den grond zaten, doch tegelijkertijd veilig.
De Hollandsche schepen konden hier toch ook niet komen, en hen met
booten en sloepen aanvallen, dat was te dol, om dat ook maar een enkel
oogenblik te veronderstellen.
De Admiraal had echter genoeg van de Nederlanders gehoord, om het
gevoelen van dien Kapitein niet toegedaan te zijn, doch zoodra hadden
de manschappen niet gehoord, dat een der Kapiteins, als zeker verteld
had, dat ze hier volkomen veilig waren, of ze deden nog minder dan vóór
dien tijd, en zij, die dit zoo vast en zeker niet geloofden, werkten
zóó traag en zóó onhandig, dat de nacht verliep zonder dat er iets van
belang aan den wal in veiligheid gebracht was.
De onzen durfden in de duisternis niet onder den wal komen om niet
hetzelfde lot te deelen van de vijandelijke schepen en omhoog te varen.
Op het oogenblik viel er dus niets te doen dan de baai afsluiten, om
loskomenden Spanjaarden het uitloopen te beletten.
Piet Heyn zag met een verstoord gelaat de Spaansche schepen, waarop hij
al zoo lang had gewacht, liggen, en bromde: „Daar zijn ze nu, jawel,
maar hoe krijgen wij ze?”
Ondeugend lachend kwam Marten hem nader, en alsof hij wist welke vraag
de Admiraal zichzelf gedaan had, zeide de wakkere schipper niets anders
dan: „San-Marcello do Mar, Admiraal!”
Piet Heyn had een goed antwoord gekregen.