ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Een roerganger om voor te knielen.

Het is de tweeëntwintigste Augustus van het jaar 1628.

In de Florida-straat op de hoogte van Havana, de hoofdplaats van het

groote en schoone eiland Cuba, kruist eene vloot van omstreeks dertig

zeilen.

Het is eene Hollandsche vloot. Ziet men dat niet al aanstonds aan de

eigenaardige makelij der schepen, dan wijst de vlag dat duidelijk

genoeg aan.

De bewegingen dier vloot zijn voor iemand, die het doel niet weet, zeer

vreemd. Het is, alsof de Bevelhebber niet recht weet waarheen. Men

schijnt te zoeken en niet te kunnen vinden, wat men zoekt.

Wie zou die Bevelhebber van de vloot: „Ik weet niet wat en ik weet niet

hoe” toch zijn?

Daar staat hij.

Wat? Is dat de Bevelhebber, dát? Is dat dan niet Pieter Pietersz. Heyn,

de man, die steeds onverschrokken rechtuit op zijn doel afging? Heeft

voor het eerst in zijn leven de vrees hem verlamd, of laat zijn heldere

blik hem voor het eerst in het onzekere?

Wat al voorbarige vragen! Kom, laten we hem opzoeken, dan zullen wij

wellicht hooren, wat er van aan is.

[Illustratie: Bij den Admiraal staat een jong Kapitein. (Bladz. 204.)]

Bij den Admiraal staat een jong Kapitein met dunne lippen, scherpe

gelaatstrekken, flikkerende oogen en beweeglijke ledematen. Marten

noemt hem wel eens „Baas Kwikzilver van Vloekenburg”.

Het is Kapitein Witte Cornelisz. De With, de bekende vechtersbaas,

ruw in den mond, vreeselijk driftig, maar een held der helden en

zulk een trouw vereerder en verdediger van zijn Vaderland, als de

beste. De West-Indische Compagnie benoemde hem tot Kapitein op het

Admiraalsschip, wel wetende, dat hij den Admiraal in nood en dood zou

bijstaan.

„Hoe toch zoo ongeduldig, Kapitein?” hooren we Piet Heyn hem vragen.

„Och, laat mij, Admiraal, laat mij! Ik verveel me.”

„Nu ja, ik verveel mij ook. Ik wenschte ook wel van hier te kunnen

trekken; maar wij kunnen toch niet uit pure liefhebberij om te vechten

met de visschen gaan bakkeleien?”

„Ik weet het, Admiraal, ik weet het! Maar mij lokken die kantoorbezems

van de West-Indische Compagnie....”

„U meent de Heeren Bewindhebbers, niet waar?”

„Nu ja, noem ze, zooals u wil, ik noem ze kantoorbezems. Mij lokken

ze nooit weer aan boord van één hunner schepen! Is dat werk voor

een eerlijk zeeman? Als een gemeene roover op den loer liggen!

Eten, drinken, slapen, tijd verluieren! Bah, het is om zich dood te

kniezen! Neen, dàt is werk van een’ zeeman, dàt: te worstelen met

wind en stroom,--tegen den vijand opstaan, als een leeuw,--te midden

van kruitdamp, het gedonder van kartouwen, het geknal der musketten,

onder eene hagelbui van kogels, die links en rechts de kerels naast

je neersmijten, als boomen in den storm, vooruit, al maar vooruit,

neersabelend, wat je in den weg komt,--en eindelijk, naast het

wapperende vlaggedoek van de Vereenigde Gewesten, het vijandelijke

vaandel in flarden scheuren en de stukken den verslagene in het

aangezicht smijten! Dàt is mannenwerk! Dàt moest ons werk zijn,

Admiraal!”

Witte was bleek geworden van drift; geen enkel lid aan zijn lichaam

of het was in beweging; zijne oogen flikkerden; zijne dunne lippen

trilden; de neusgaten waren uitgezet, als van een hollend paard, en

de rechterhand klemde zich stuipachtig om het gevest van het groote

heupzwaard.

„Witte, Witte, bedaar, mijn vriend! Wat helpt het, dat gij u al opwindt

en boosmaakt? Geloof me, ook ik zou veel liever op het oogenblik dwars

door een’ machtigen vijand heenslaan of een fort bestormen, dan hier

zoo gluiperig en katachtig rondsluipen. Geloof me, ook mij prikkelt

het hier van binnen vaak om wat te doen, zooals gij dat zoo gaarne

wilt; maar ik gebruik mijn verstand; ik bedwing mijn lust en denk: waar

niets te doen is, daar moet men wel rusten. En,--laat ik eerlijk zijn

en zeggen, dat ik al lang gehoopt heb, de Zilvervloot in te palmen,

doch nu ik er toe geroepen ben om het te beproeven, valt het werk mij

tegen en wenschte ik wel, er mij niet mede belast te hebben. Ik heb het

evenwel op mij genomen, dat werk, en nu zou ik aan mijn’ plicht te kort

doen, als ik niet trachtte, het doel te bereiken.”

„De vijand heeft hier toch bezittingen! Ginder ligt Havana! Laten we

daar zilver en goud halen!”

„Ge zoudt dus willen, dat we die sterkte gingen aantasten? Weet gij dan

niet, dat ik lastbrieven heb, die heel anders luiden? Men wil liever

geen vaste bezittingen. Ze kosten te veel aan onderhoud en verdediging!

Mijne lastbrieven moet ik derhalve gehoorzamen!”

„Lastbrieven! Laat er soep over koken! Wat weten die geldtellers, die

op muilen achter hun’ lessenaar zitten, van het werk eens zeemans?

Dat ze hun’ mosterdjongens bevelen geven, goed, daar zijn de luî

mosterdjongens voor om dat te dulden. Maar ik ben geen lakei, geen

page, geen knecht, geen buigend knipmes in een bont paljassenpak, geen

dienende, gluipende, geeuwende mosterdjongen! Dat zijt gij ook niet,

Admiraal! Weet ge, hoe lang we hier reeds als slakken voortkruipen

op bevel van die zoogenaamde Heeren, die meenen met eene handvol

goud alles te kunnen goedmaken, wat een eerlijk zeeman aan geweten

opgeofferd heeft? Bah, ik haat die geldzakken met een menschengezicht!”

„Kapitein,” sprak thans Piet Heyn met gefronsde wenkbrauwen, „mag ik u

verzoeken, u wat betamelijker uit te laten over onze Lastgevers? Door

in hun’ dienst te gaan, hebben we stilzwijgend op ons genomen, hunne

bevelen te gehoorzamen en hen, als onze Meesters te erkennen. Valt het

u tegen, best, ik zeide u reeds, dat dit werk mij ook tegenvalt, ja,

tegenstaat zelfs, doch het voegt ons te gehoorzamen. Zijn we eenmaal

in het Vaderland terug, welnu, er is ook eene landsvloot, we kunnen

van Meester verwisselen. Maar zoolang wij in dienst der West-Indische

Compagnie zijn, is gehoorzamen onze plicht. Gaarne zag ik, dat gij u

ook hieraan hieldt!”

„En als ik dat niet eens wil, Admiraal?”

„Gij moet willen, Kapitein! Gij moet, of....”

„Of? Ha, ha, vul niet aan, Admiraal, vul niet aan! Ik weet, wat ge

zeggen wilt. Gij zoudt mij straffen, misschien wel met den kogel, of

als een’ roover, en dat komt meer overeen met ons handwerk, met een’

strop!”

„Kapitein, dwing er mij niet toe! Ik zou het doen, bij mijne ziel, ik

zou het doen. Ik zou mijn gezag handhaven. Maar, als ik het gedaan had,

dan zou ik zijn, als een Vader, die zijn’ zoon ter dood geofferd had.

Witte, ik houd veel van u, maar .... rechtvaardigheid sluit de liefde

buiten. Bedenk dat, mijn vriend!”

Witte werd vreeselijk bleek, doch langzamerhand kwam hij tot bedaren.

Hij begon zelf in te zien, dat hij in het ongelijk was en Piet Heyn de

hand toestekende, zeide hij: „Admiraal, ik zàl gehoorzamen, hoe zwaar

het mij ook vallen moge!”

„Dat wist ik wel, Witte, dat wist ik wel! En gaarne wil ik u ten

gevalle zijn. Zoodra er wat te doen komt, zult gij niet vergeten

worden, dat beloof ik u. Alleen dwing mij nu niet, mijne lastbrieven te

buiten te gaan, of tegen de visschen te gaan vechten.”

„Admiraal,” sprak op dat oogenblik Marten, die de twee genaderd was,

„Admiraal, ziet u wel, dat er verandering in de lucht is?”

„Laat den Admiraal met vrede! Ik ben je Kapitein. Je moet het mij

zeggen. Ik zal daarna den Admiraal raadplegen,” sprak Witte.

Marten stond beteuterd daar, doch Piet Heyn zei: „Duid het den schipper

niet euvel, Kapitein! Hij kent mij al zoo lang, en hij is altijd gewoon

zich rechtstreeks tot mij te wenden!”

„Verkeerde gewoonten moeten afgeleerd worden,” zeide Witte en

verwijderde zich met Piet Heyn naar het achterschip.

„Wel, zoo’n vloekbeest, zoo’n matrozenplaag, die pas komt kijken,”

bromde Marten.

„Een’ uitbrander of afjakker gehad?” vroeg Kapitein Blokmaker, die

het bevel over een ander schip had en slechts hier gekomen was om den

Admiraal te raadplegen.

„Ja, maar ik wacht zoo iets niet meer van hem af. Wat verbeeldt de

driftige gek zich wel?”

„Alles afwachten, Marten, alles, van stukje tot beetje. Daar zit niets

anders op.”

„Gemakkelijk zeggen. Maar ik ben niet gewoon te dansen naar de pijpen

van den eersten den besten windbuil, die bij ongeluk hier, als

Kapitein, is komen aanwaaien.”

„Hei, hei, een windbuil is hij niet. Als we eens aan den slag gaan, dan

wed ik, dat diezelfde windbuil wonderen van dapperheid verrichten zal.

En weet ge, wat ik al lang opgemerkt heb?”

„Nu, zeg op, wat hebt gij opgemerkt?”

„Dit: wie Witte Cornelisz. de With tot Kapitein heeft moet maar op zijn

tellen passen. Weinig praten en veel doen, dat staat bij hem op den

voorgrond. En geeft hij onverdiend een’ afjakker, och, zwijg en duld,

over een kwartier is hij het vergeten. En reken er op, dat hij wel

zorgen zal, dat de paarden, die de haver verdienen, die ook krijgen.

Hij is een driftige gek, dat geef ik toe; maar de grond van zijn hart

is goed. Wat anders! Wij zullen hier zoo heel lang niet meer blijven.

Het weer zal spoediger veranderen dan wij denken. Ik wed, dat we storm

krijgen en heelemaal van den koers geslagen worden.”

„En hoe in dat geval met de Zilvervloot?”

„Wel, daar kunnen we dan naar fluiten! Als de Admiraal, evenals bij

vorige gelegenheden, er niet wat anders voor in ruil neemt, dan komen

we zoo mooi platzak thuis, als je ooit gezien hebt!”

Blokmaker had goed geoordeeld.

Het is twee dagen later en Blokmaker, die Piet Heyn bericht was

komen brengen, dat er van zijn schip, waarmede hij op den uitkijk

geweest was, nog niets van de Zilvervloot te zien was, is weer op het

Admiraalsschip.

De vloot, die zoo doelloos ronddreef, komt in beweging. Op alle

schepen is ieder in de weer. Er zal een storm komen, zooals er in deze

streken zoo vaak een verderf en vernieling brengt. De tempeesten bij de

Groote en Kleine Antillen zijn bij al wat zeeman heet, berucht. De wind

uit het Oosten wakkert aan.

Piet Heyn staat op de kampanje van zijn schip. Zijn gelaat is betrokken.

„Er komt werk, Kapitein, maar ander werk dan we gewenscht hebben! Het

is, alsof het ons nooit gelukken zal die Zilvervloot te krijgen,” sprak

hij tot Witte.

„Heel best, Admiraal! Kunnen we niet met den Spanjaard aan het kloppen

gaan, dan maar gevochten met de elementen. Liever zoo dan anders!”

„Jawel, maar de Zilvervloot!”

„Och, Admiraal, dat is niemendal! Ik ken een’ Admiraal, die zoolang nog

niet geleden, ook op de Zilvervloot uitging. Hij liep ze mis; maar niet

gewoon om thuis te komen zonder de boterham verdiend te hebben, maakte

hij in de Allerheiligen-baai een twintig prachtig geladen schepen

prijs, en dat niet zoo maar op zijne slofjes, doch met de tanden te

laten zien en toe te bijten. Wij moeten het voorbeeld van dien Admiraal

maar volgen. Dat is in alle gevallen iets beters ook.”

Piet Heyn begreep natuurlijk, dat Witte hem bedoelde. Hij liet dat

evenwel niet blijken en zeide: „Ik geloof, dat ge denkt, dat we, als we

de Zilvervloot mochten ontmoeten, die zoo maar voor het nemen zullen

hebben! Ge kunt u wel eens vergissen, Kapitein!”

„Mijnentwege graag: maar ik verwed er ik weet niet wat onder, dat er in

dat geval, al bitter weinig te vechten zal vallen!”

„Hei, hei, de Spanjaard zal toch zoo laf niet zijn, dat hij zich met

zijne kostbare lading zoo maar zonder slag of stoot overgeeft?”

„Och, Admiraal, ik heb eerbied voor de dapperheid van den Spanjaard.

Er zijn flinke kerels onder, en wat flinke ook! Maar wat hebben die

luî aan al de schatten, die ze naar Spanje brengen moeten? Als ze daar

aankomen, krijgen ze geen duit ter belooning, en al het zilver en goud

wordt in de schatkist,--precies een vat zonder bodem,--gestort. Ze

verdedigen hun’ eigendom niet, en dan is men niet veel meer dan een

huurling, die een’ vreemden Vorst dient. Komt het op een vechten aan,

dan kiezen ze het hazenpad. Men raakt niet aan hunne koude kleeren en

nog veel minder komt men aan hun leven. Al dat zilver en goud bederft

ieder karakter en dat van den flinken zeeman ook. Als een matroos van

duiten hield, dan zouden er in de Republiek duizenden spaarpotjes meer

zijn!”

„Ge kunt gelijk hebben, Kapitein!”

„En let op! Als wij de Zilveren vloot mochten nemen, dan zullen onze

matrozen, als er gevaar bestaat, dat de vijand dien buit terughalen

zal, het geroofde verdedigen met moed en bloed, doch worden ze

andermaal uitgezonden om eene nieuwe Zilvervloot te kapen, dan, bij de

eerste gelegenheid de beste, dat ze aangevallen worden, geven ze zich

over, zonder de hand uitgestoken te hebben om te bewaren, wat ze in

lading hebben.”

„Dat geloof ik nog zoo gauw niet!”

„Ik wel. Als we den buit binnenbrengen, dan is daar bij ons ook een

bodemloos vat, en het volk, met eene bedelaarsfooi naar huis gestuurd,

zal een heel ander volk geworden zijn! Admiraal, ik heb zoo mijne

manier van denken! We zullen zien wie er gelijk heeft, ik of u.”

Misschien zou dit gesprek nog verder voortgezet zijn, als het onweer

niet plotseling begonnen was in al zijne vreeselijkheid uit te barsten.

Er was nu geen tijd om gesprekken te voeren, want de tempeesten in

de Amerikaansche wateren waren nog veel gevaarlijker dan de beruchte

stormen aan Kaap de Goede Hoop, waar men aan een deel der zee daarom

den naam van „Matrozen-kerkhof” gegeven had. Zeker zijn er in de

wateren der Antillen veel meer zeemanslevens verloren gegaan dan in den

Oceaan ten Zuiden van de Kaap.

Het was nu stellig middag, en toch werd het zoo verbazend donker, dat

men tusschendeks bijna niets zien kon. Vreeselijke bliksemstralen

doorkruisten het loodblauwe zwerk en de donderslagen volgden elkander

zoo schielijk op, dat ze in één, in één ontzaglijk geluid samensmolten.

Steeds nam de storm in hevigheid toe en zelfs de stoutste matrozen

stonden ontzet. Zoo hadden ze het nog nooit bijgewoond. Het werd een

orkaan, die met reuzenkrachten alles voor zich uitjoeg, wat hem in den

weg kwam. Ook Marten en Blokmaker, welke laatste geen tijd meer had

kunnen vinden om naar zijn eigen schip terug te keeren, zoo ontzettend

snel was het noodweer opgekomen, herinnerden zich niet, ooit zulk een’

storm bijgewoond te hebben.

„Kijk hem eens,” schreeuwde Marten zijn’ vriend Blokmaker in het oor,

en hij wees naar het achterschip waar de roerganger stond.

Blokmaker stond als verslagen toen hij zag, wie daar het zware werk van

den roerganger deed.

Het was Kapitein Witte Cornelisz. de With!

Marten, die zoo op hem gescholden had, werd bleek van aandoening

en zijne oogen al wijder en wijder geopend, werden één groot stuk

bewondering. Hij had voor dien man wel willen knielen, ja, diep knielen

voor dien orkaan-held!

Eene prachtige figuur was hij. De oude Grieken en Romeinen zouden hun

Oppergod Jupiter zoo in beeld gehouwen hebben!

Het was een lust hem aan te zien, zooals hij daar zelf het roer

gegrepen had. Nu had hij een heel ander voorkomen. Hij geleek een’

Ridder, die een’ draak ging bestrijden. Rustig, mannelijk, fier,

vastbesloten, onwrikbaar stond hij daar! De hoed was hem van het hoofd

gewaaid. De lange haren fladderden, als een bos dunne draden, in den

wind. Zijne oogen stonden als altijd. Geen spier van zijn gelaat gaf

het geringste teeken van vrees te kennen. Alles, alles was leeuwenmoed

in en aan hem. Zóó, zóó moest men hem gezien hebben, dan zou men voor

hem door een vlammend vuur loopen.

„Een man om voor te knielen,” fluisterde Marten. „Ja, ja, knielen! En

ik, vernagelde goteling, die ik ben, ik durfde hem „windbuil” schelden!

Hem! Hem!”

„Wie op heel de vloot doet hem dat na? Wie? Wie?” vroeg Blokmaker

zichzelf af.

Hij daar aan het roer lette niet op Marten, niet op Blokmaker, niet op

al de matrozen, die in stomme bewondering hem aanstaarden, hem, dien ze

al zoo vaak verwenscht hadden!

Hij zag zelfs zijn’ Admiraal Piet Heyn niet, die met schitterende en

flikkerende oogen hem aanstaarde!

Hij zag niets anders dan wat hij zien moest, het kompas en de

neertuimelende en weer omhoogstijgende waterbergen voor zich. Dat hij

een held der helden was, hieraan dacht hij niet. Hij dacht alleen aan

het behoud van den bodem, die aan zijne handen toevertrouwd was.

Lang echter stond hij daar niet, want zoo vreeselijk als het tempeest

was, zoo kort was het ook. Toen de avondzon aan de verstrooide en van

elkander geslagen schepen haar’ nachtgroet toezond, waren storm en zee

bedaard, en later bleek het, dat er slechts één schip bij verloren

gegaan was. Het was dat van Kapitein Blokmaker, die nu Kapitein zonder

schip was.

Van Havana was evenwel niets meer te zien en, hoewel de storm uitgewoed

was, zoo kon Piet Heyn, door den stroom en den wind tegengewerkt,

onmogelijk naar de plaats, vanwaar de vloot weggeslagen was,

terugkeeren.

Wat geen wacht had, ging ter kooi. Ook schipper Marten kon dat doen,

doch wie hem beluisterd had toen hij daar lag, had hem kunnen hooren

mompelen: „Een roerganger om voor te knielen!”

Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn · 第 27 / 36 题