ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Een pleistertje op de wonde.

„Nu, Moeder Heyn, nu kom ik je misschien wat nieuws vertellen,” sprak

op een’ Aprilmorgen in 1626 eene buurvrouw, die bij Moeder Heyn in huis

trad.

„Zoo, buurvrouw? Als het maar goed nieuws is!”

„Goed nieuws? Of het! Weet-je het al van je zoon Piet?”

„Wat? Ik zie hem tegenwoordig zoo weinig.”

„Wel, de Heeren Bewindhebbers der West-Indische Compagnie hebben hem

tot Admiraal benoemd. Is dat geen goed nieuws? Wat belief-je?”

„Wat zal ik zeggen, buurvrouw? Toen ik nog een twintig jaar jonger

was, heb ik dikwijls gehoopt, dat hij het in den zeedienst ver brengen

zou. Ik heb mijn’ wensch verkregen, want Piet bracht het ver; hij werd

Vice-Admiraal. Maar nu ik zooveel ouder geworden ben, begeer ik niets

hoogers meer voor hem. Ik wilde wel, dat hij nu maar bij honk bleef.

Hij heeft genoeg oververdiend om rustig te kunnen leven, en moest nu

tevreden zijn. Hij heeft toch geen kinderen. Voor wie heeft hij anders

te zorgen dan voor Annetje en mij? En dat doet hij goed. De Heere

zegene hem!”

Juist op dat oogenblik kwam Piet binnen en vertelde met van blijdschap

stralende oogen aan zijne Moeder, dat hij tot Admiraal benoemd was.

„Een mensch zijn zin, een mensch zijn leven, jongen! Gij moet weten,

of ge er blij mee zijn moet, ja ofte neen. Ik zag u liever aan den wal

blijven. Na den dood van uw’ Vader, aan wien ik toch altijd nog eenig

gezelschap had, gevoel ik mij zoo verlaten, als ge zoo ver zijt.”

„Maar, Moeder, ik heb u al zoo vaak gezegd bij Annetje te komen

inwonen. Zij zelve heeft u toch ook dikwijls genoeg dit voorstel

gedaan.”

„Mijn jongen, ik weet, dat ge dit gaarne zien zoudt, en Annetje heb

ik lief, als mijn eigen kind. Maar mijn huisje verlaten? Voor geen

paleis, jongen, voor geen paleis! Ik ben hier geboren; ik ben er in

opgevoed; ik ben er oud in geworden; ze zullen mij er uitdragen naar

mijne laatste rustplaats. Praat dus daarover niet meer. En doet de

benoeming tot Admiraal u genoegen, welnu, jongen, ik wensch er u dan

geluk mee, en uit grond van mijn hart bidde ik, dat de Heere u moge

behoeden tot heil van het lieve vaderland!”

Deze ontvangst had Piet Heyn wel half verwacht, en het deed hem ook wel

leed, dat zijne Moeder en ook zijne vrouw beiden zoo veranderd waren en

met verdriet zagen, dat hij niet stilletjes thuis bleef; maar hij kon

niet anders. „Naar zee! Naar zee!” riep hem altijd eene stem van binnen

toe. Het was, alsof ze er hem met kabels heentrokken. Aan het bevel van

die stem moest hij ook gehoorzamen. Hij kón niet anders.

Zoo ook nu. Wat Moeder ook zeide, hoe zijne vrouw hem vriendelijk en

dringend noodigde om de benoeming niet aan te nemen, en als rustig en

welgezeten burger aan den wal te blijven, te vergeefs.

Naar zee! Naar zee!

Reeds den zesden Juli van het jaar 1626 was hij met eene vloot van

negen groote schepen en vijf jachten op de hoogte van Barbados. Hem

was bevolen zich te vereenigen met Boudewijn Hendriksz., teneinde met

vereenigde krachten de Spaansche Zilvervloot, die ieder jaar, op bijna

geregelde tijden, uit Amerika naar Spanje vertrok, als het kon, te

veroveren.

Doch wat wil het geval?

Op zekeren morgen ziet Marten, die alweer met Blokmaker op de vloot

en op het Admiraalsschip was, een Hollandsch vaartuig, dat op de

vloot afkomt. Hij geeft hiervan tijding aan den Admiraal, en weldra

verneemt deze uit den mond van den Kapitein van dat schip, dat Admiraal

Boudewijn Hendriksz. te Havanna overleden, en dat zijne vloot naar het

Vaderland teruggekeerd is.

Dat was eene teleurstelling voor den wakkeren Heyn, die gehoopt had, nu

toch eens aan de lang gekoesterde hoop der Compagnie gevolg te zullen

kunnen geven en Spanje eens aan den zoogenaamden Zilveren pols te

voelen.

Wat te doen? Er zat niets anders op dan met eigen krachten dit te

beproeven, en in den omtrek te blijven kruisen.

Den zesden September kreeg men de bewuste vloot in het gezicht, doch

ten getale van veertig zeilen. Tegen deze groote overmacht rekende

Piet Heyn zich niet opgewassen. Toch belegde hij krijgsraad om het

verwijt te ontgaan, dat hij op eigen hand, misschien wel uit vrees, zoo

kostelijk een’ buit had laten ontsnappen. Al de Kapiteins waren evenwel

van hetzelfde gevoelen, als hun Admiraal en er werd besloten, de vloot

maar ongemoeid te laten doorzeilen. Doch, waar nu heen? Met ledige

handen thuiskomen en zeggen: „Hier zijn wij, Heeren! Wij komen met de

kous op het hoofd terug! Er viel buit noch roem te behalen,” dat kon

toch ook niet.

„Admiraal,” fluisterde Marten.

„Wat is er?” vroeg Piet Heyn, door teleurstelling, niet vrij van

boosheid en een weinig wrevelig.

„Denkt u nog wel eens aan San-Salvador? Gij hebt nog een kostelijk

appeltje met den Spanjool te schillen. Wie weet of het ons niet gelukt

de stad opnieuw in te nemen.”

„San-Salvador innemen? Tien tegen één, dat ik er de Compagnie een’ zeer

slechten dienst mee bewijs. Maar toch,--zeg er tegen niemand nog iets

van. Ik zal me eens bedenken.”

Nog dien eigen avond vertelde Blokmaker, als een groot nieuwtje, aan

Marten, dat het naar de Allerheiligen-baai ging. Niet om de stad in

te nemen, maar om onder het kanonvuur der stad, eenige rijk geladen

schepen te rooven.

„Het is misschien zoo beter ook,” antwoordde Marten, „want als wij

San-Salvador innamen, zouden wij die stad moeten bezetten, en daarvoor

hebben wij het volk niet aan boord.”

In de Allerheiligen-baai en voor San-Salvador te komen was

gemakkelijker gezegd dan gedaan. Eerst na maanden lang met stormen,

onweder, tegenwind en wat al meer, gekampt te hebben, kwam men pas den

eersten Maart van het volgende jaar op de bedoelde plaats aan.

En, nu was men er; maar er moest wat gekregen, wat genomen worden.

De baai was met Spaansche schepen goed bezet en ieder vijandelijk schip

was uitmuntend bewapend. Ten overvloede werd de vloot nog beschermd

door de stad, die door Don Frederik de Toledo in een’ geduchten staat

van tegenweer gebracht was.

Er was bovendien haast geen wind om vooruit te komen, en reeds begon

men den moeielijken tocht, als vruchteloos gedaan, te beschouwen toen

er een gunstig koeltje opstak.

Terstond gaf Piet Heyn het teeken tot den aanval.

„Een mooi, een kostelijk appeltje,” bromde Marten vergenoegd.

De Admiraal ging zelf het eerst op den vijand los, liet midden tusschen

de vijandelijke vloot het anker vallen en begon den vijand van bak- en

daarna van stuurboord de volle laag te geven.

Marten en Blokmaker dansten schier van pret, dat het er zoo wakker van

langs ging.

„Kijk, kijk,” riep Blokmaker, „daar strijkt er al vast een de vlag!”

„Ginder nog één, kijk, kijk, nog één! Hoezee! Hoezee!” schreeuwden de

matrozen.

„Daar gaat de vijandelijke Vice-Admiraal naar de grondvergadering!”

joelde men op eene andere plaats.

„Ik sterf!” steunde een oud matroos, wien door een’ kogel de beenen

afgeschoten werden, doch te midden van de opgewonden vreugde hoorde

niemand naar deze woorden.

„Houdt moed, jongens, houdt moed!” liet Piet Heyn zich hooren. „Aan ons

de eer! Den Spanjaard de schande! Houdt moed!”

„Wat zal er nu gebeuren?” vroeg Blokmaker aan Piet Heyn. „Wat moet er

nu gedaan, Admiraal?”

„In de booten!” beval Piet Heyn. „We zullen aan zijn eigen boord den

Spanjaard een bezoek brengen.”

Het was eene gewaagde, eene stoutmoedige onderneming, meende men.

Maar Piet Heyn was niet alleen dapper; hij was ook verstandig. Hij had

gezien hoe bij het zinken van het Vice-Admiraalschip, waarvan er geen

tien aan den dood ontkwamen, de moed der Spanjaarden aan het wankelen

sloeg en hiervan moest gebruik gemaakt worden.

„In de booten, Marten! Snel als de wind in de booten!” had hij onzen

schipper toegeroepen, en de oude zeerob, wiens hart in het lijf van

vreugde opsprong, had niet gemard.

Ziet, daar gaan ze rechtuit op den vijand af.

Ja, San-Salvador, laat uw geschut maar donderen! De onzen kennen

slechts één wachtwoord; „Vooruit!”

Onder eene hagelbui van kogels komen de rappe gasten bij de Spaansche

schepen aan. Elk afhangend touw wordt aangegrepen. Ze klimmen als apen,

en klauteren als katten naar boven.

„Valt aan! Valt aan!” klinkt het hier.

„Vlucht! Vlucht!” klinkt het daar.

In de grootste verwarring denken de Spanjaarden er niet meer aan om

tegenweer te bieden. Ze springen over boord om zich het leven te

redden, of vallen op de knieën en smeeken genade.

De Bevelhebber der stad, dol van woede over zulk eene schandelijke

lafhartigheid zijner zeelieden, vuurde als een bezetene.

„De Admiraal is gewond,” hoorde men eensklaps een matroos schreeuwen.

„Houd den mond, kerel! Zoolang het hoofd er nog opstaat en de beenen

me onder het lijf blijven, is er geen gevaar. Valt aan! Vooruit!” riep

Piet Heyn, die een’ musketkogel door den linkerarm gekregen had.

„Ja, ja, vooruit! De Admiraal heeft gelijk! Leve Piet Heyn,” was

Blokmakers uitroep.

Drie uren had het gevecht geduurd en andermaal liep het gerucht van:

„De Admiraal is gewond!”

„Wij willen tevreden zijn met de tweeëntwintig schepen, die we

buitgemaakt hebben,” sprak Piet Heyn, die door een stuk hout aan het

been opnieuw gewond was. „Maar roei naar boord terug, Marten, en dan,

de Admiraalsvlag hoog in top met zooveel vlaggen er bij, als we hebben.

De onzen moeten zien, dat ik nog leef en de vijand mag mijnentwege

zichzelf doodgrijnen, als hij ziet, wat de Hollandsche jongens durven

en kunnen.”

Weldra was men op het Admiraalsschip de „Hollandia” terug, doch

onderwijl het zich uit de voeten trachtte te maken, bleef het

vastzitten, in welk lot ook de „Gelderland” deelde. Met veel moeite

werd de „Gelderland” vlot gemaakt, doch met het Admiraalsschip mocht

dit niet gelukken. Het werd dan ook verlaten en toen men het den

volgenden morgen weer bezocht, bevond men, dat de Spanjaarden het

gedurende den nacht zoo beschoten hadden, dat het onmogelijk meer zee

kon kiezen, al kreeg men het ook vlot. Het schieten uit de stad had ook

nog niet opgehouden, en toen de „Oranjeboom” door eigen kruit in de

lucht vloog, zoodat er van de bemanning maar veertien overbleven, en de

andere schepen veel te verduren hadden, gaf Piet Heyn bevel, zich met

de prijzen zoover van de stad te verwijderen, dat men de geleden schade

herstellen kon. Toen men hiermede klaar was, werd de buitgemaakte

lading, die uit katoen, verfwaren, tabak en drieduizend kisten suiker

bestond, naar het Vaderland gezonden. Piet Heyn verliet de baai om

met de Bevelhebbers te overleggen, wat er nu gedaan moest worden. Er

werd besloten, de kleine vloot in drie deelen te verdeelen. Een deel

zou gaan kruisen voor de baai van Rio-Janeiro, een ander deel moest de

Rio-la-Plata afsluiten en Piet Heyn zelf zou met zijne schepen alweer

de Allerheiligen-baai een bezoek brengen.

Bij den ingang der baai vernam hij van gevangengenomen Portugeezen,

dat er vijf of zes rijk geladen schepen aan den mond der rivier

Patinga lagen, en terstond besloot Piet Heyn er heen te zeilen. Toen

men er evenwel aankwam, vond men slechts één schip, en daarom beval de

Admiraal de rivier, die aan haar’ mond tamelijk breed en diep was, op

te zeilen. Nu beging onze wakkere Vlootvoogd evenwel eene fout door het

eerste schip, dat ze vermeesterd hadden, daar te laten liggen zonder

het te vernielen. Al spoedig ontdekte men verscheidene vijandelijke

vaartuigen, die, na eerst beproefd te hebben om te vluchten, doch

hierin teleurgesteld werden, thans wakker vuur gaven.

De afgezonden booten keerden terug.

„Het kan niet, Admiraal,” zeide Blokmaker, „de vijand is te sterk en de

onzen hebben te weinig moed, als....”

„Wat bedoelt ge toch?” vroeg Piet Heyn.

„Welnu, Admiraal, als u er niet bij is, dan zakt hun het hart in de

schoenen.”

„Al wel, Kapitein, ik zal voorgaan! Nog eens er op af! Maar nu is het

te laat daartoe. Morgenochtend in de vroegte, zorg dat ge gereed zijt.”

Nog was de zon niet op, of Piet Heyn zat al in eene der booten en

stuurde rechtstreeks op het vijandelijke Vice-Admiraalsschip af.

„Weet ge wie daar bevel voert?” vroeg Marten aan Blokmaker.

„Neen, wie dan?”

„De moordenaar van Kolonel van Dorth. Ik heb hem gisteren herkend. Het

is de wreede Padilla.”

„Geen kwartier dan! Alles over de kling! Mannen, ge hebt in den vijand

den laaghartigen sluipmoordenaar van Kolonel van Dorth te wreken. Valt

aan! Geen genade!” Zóó luidde weldra bij de aanvallende macht de kreet,

waarmede men de vijandelijke schepen aantastte.

Met de meeste onversaagdheid viel men aan, en dat moest ook wel; want

Padilla, die van den Gouverneur der stad honderdvijftig man versterking

gekregen had, weerde zich dapper. Toch kon zijne dapperheid niets

baten; want de onzen vielen als leeuwen aan, en vochten als verwonde

stieren. Weldra was dan ook het gevecht beslist. De geheele bemanning,

benevens de versterking uit de stad, werd afgemaakt. Slechts drie

jongens bleven gespaard. De overwinning was volkomen, en het schip,

zoowel als twee andere, die in de nabijheid lagen, werd prijs verklaard.

„Wat zal er met die drie schepen gedaan worden, Admiraal?” vroeg

Blokmaker.

„Ze moeten de rivier afgesleept worden, dat spreekt!”

„En hoe zullen wij de rivier afkomen, Admiraal?”

„Waar zit uw hart, Kapitein?” vroeg Piet Heyn verstoord.

„Op de rechte plaats, Admiraal! Lag het schip, dat we aan den mond der

rivier lieten liggen, voor ons ook maar zoo goed op de rechte plaats!”

„Wat is er dan meê gebeurd?”

„De Spanjaard heeft het midden voor de monding laten zinken en aan

weerszijden van de rivier is eene afdeeling Spaansche soldaten.”

„Ze willen ons dus den terugtocht afsnijden?”

„Ja, zoo is het, Admiraal!”

„Dom dat ik dat schip ongemoeid liet liggen, maar er gaat hier eene

sterke eb, vindt gij niet?”

„Eene heel sterke, Admiraal!”

„Ze komt ons te pas, want wij zullen ons met de eb laten afdrijven.

Het gezonken schip zal wel voor een deel boven water liggen, zoodat we

het zien kunnen. Gij gaat met twintig man in eene boot en legt er drie

vaatjes buskruit in. Ge slaat ze open en legt er eene lont bij, die

vijf minuten noodig heeft om tot bij het kruit af te branden, zoodat

gij in veiligheid kunt zijn, als het schip in de lucht vliegt. Voor de

mannen op de oevers zullen wij zorgen. Begrepen?”

„Jawel, Admiraal!”

„Best, maar help nu eerst die twee prijzen afbrengen. Een ligt er al

vast en we zullen nu geen tijd zoek brengen met pogingen aan te wenden,

het er af te krijgen.”

Blokmaker gehoorzaamde het laatste bevel, en het eerste volbracht hij

een uur later met het gunstigste gevolg tot groote teleurstelling van

de Spanjaarden, die meenden, dat de brutale Hollanders zoo leelijk in

de fuik geloopen waren.

Piet Heyn liet op zijne schepen alles met buitgemaakte ossenhuiden

behangen en zakte, hoewel zeer langzaam en zich dreggende, de rivier

af. Van beide kanten werden onze schepen met een hevig musketvuur

begroet, doch de kogels drongen niet door de huiden heen en ongedeerd

kwam men met de prijsgemaakte schepen in de baai en vlak voor de

stad, waar Piet Heyn de lading der genomen schepen op de zijne liet

overladen. Dat was een hard gelag voor de bewoners van San-Salvador, te

moeten toezien, zonder het te kunnen beletten, dat hunne eigendommen,

bestaande uit eenige duizenden groote kisten suiker, heele stapels

ossenhuiden, prachtig meubelmakershout, beste tabak, wijn en nog veel

meer, overgingen in handen van mannen, die met kanons- en musketkogels

of sabelhouwen betaalden.

De behaalde buit was zóó aanzienlijk, dat men in de jaarboeken van

de West-Indische Compagnie deze gebeurtenis de overwinning op de

~Suikervloot~ noemde.

Ook Marten was tevreden.

„Zeg, bottelier, heb-je nog van dien „rooden baai”, dien we in het

schip van Padilla vonden?” vroeg hij.

„Jawel, schipper, in overvloed. Waarom vraagt ge dat?”

„Wel, me dunkt, dat er een flinke dronk op staan kan.”

„Dat kan het ook; maar gaf de Admiraal u volmacht om een vat open te

laten slaan?”

„Neen, maar nu ik weet, dat er overvloed is, zal ik het hem gaan

vragen.”

„Mijnentwege zegt hij ja. Ik heb ook trek in wat fijns om den kruitdamp

weg te spoelen.”

Met gepaste vrijmoedigheid begaf Marten zich hierop naar Piet Heyn, die

met Blokmaker stond te praten.

„Is het schipper Marten vergund, den Admiraal Piet Heyn wat te vragen,

of liever voor te stellen?” begon hij heel deftig.

„Zeker,” zeide Piet Heyn. „Wat heb-je op je gemoed, schipper?”

„Het volk heeft vandaag nog wat meer gedaan dan zijn best, Admiraal!”

„Ik zal de laatste zijn, die het tegenspreekt, schipper!”

„De laatste, Admiraal? Neen, al zette men u het mes op de keel, gij

zult toch niet de ~laatste~ zijn. Gij spreekt het nooit tegen, want gij

weet het beter. Maar nu ons volk zooveel lekkers uit Padilla’s schip

gesleept en hier aan boord gebracht heeft, zonder te doen, als die

plunderzieke rabauwen van Majoor Schouten, wilde ik u voorstellen, te

denken aan ons oude spreekwoord: „Aan de kat komt een graatje toe!”

„Het spijt me, dat je het komt vragen, schipper,” zeide Piet Heyn,

„want ik had juist mijn plan om eene extra-uitdeeling op al de schepen

te houden aan de verschillende Kapiteins laten mededeelen. Wees dus

gerust: de katjes zullen hare graatjes hebben en een beetje visch zal

er ook nog wel af te kluiven vallen.”

„We krijgen wat extra’s, hoor,” zoo fluisterde Marten den bottelier

in het oor. „De Admiraal zal over al de schepen eene uitdeeling laten

houden!”

Wat de bottelier nu wist, dat wisten al de manschappen niet veel later,

en dit bericht deed menigen juichkreet opstijgen. Het was rechtstreeks

in het voordeel van de Compagnie ook, want Piet Heyn mocht nu ook al

zeggen: „De lui hebben wel wat verdiend; laat hen ook eens vroolijk

zijn,” zijne manschappen redeneerden anders. Dat kon men des avonds

overal hooren en daar we alleen op het Admiraalsschip onze kennissen

hebben, willen we eens even een kijkje op het voorschip nemen om een en

ander af te luisteren.

„Een lekker wijntje,” zeide er een.

„Ja, maar het Admiraaltje is beter,” meende een ander.

„Zeg, afgedroogde, twintigmaal in het rond gedraaide zwabber, zeg

gerust de Admiraal! Is hij niet flink uit de kluiten gewassen? En doet

hij, als het op bakkeleien aankomt, voor één onzer onder?” riep een

derde in vervoering uit.

„Jawel, dat weet ik zoo goed, als dat ik weet, dat iemand, die het op

de borst heeft, slecht berekend is voor het werk van omroeper. Ik

bedoel, dat hij een Admiraal van het bovenste plankje is,” hernam de

tweede.

„Druk-je dan beter uit, en laat een fatsoenlijk zeeman niet gelooven,

dat je het over een’ schiebout hebt, als er eene enterdreg bedoeld

wordt,” was het pruttelend antwoord.

„Hoort eens, geen ruzie aan den bak,” riep Marten. „Ik zeg: Piet Heyn

is een Admiraal, zooals heel de Republiek er geen’ tweeden heeft. Zeg

eens wat kwaads van hem, als je durft.” Deze laatste woorden golden den

ziekentrooster, die door Marten heen en weer geschud werd.

„Wel, goede vriend schipper, schud me niet zoo door mekaar, alsof ik

een koortsdrankje met zwaar bezinksel ben. Er is geen haar op mijn

hoofd, dat er aan denkt om kwaad van den Admiraal te spreken, want

dat hij gisteren van drift met de hak van zijne zware zeelaars mijne

rechter groote teen zoo plat als een duit getrapt heeft, had ik hem

al vergeven vóór ik gisteren avond naar de kooi ging,” was het lange

antwoord van den zieketrooster, waarvan niemand bijna een enkel woord

verstond, omdat Marten hem maar bleef heen en weer schudden.

Marten verstond hem echter wel en zei: „Geen kwaad van den Admiraal

spreken? Het is je maar geraden ook; want als je maar één klein

woordje kwaads van hem kikte, wel man, dan maalde ik je tusschen mijne

vuisten zoo fijn als kippengrutjes. Ik zeg: Piet Heyn is de schrik

van den Spanjool; de geldkistvuller van de West-Indische Compagnie en

de Vader van zijne manschappen! Die daar geen ja en amen op zegt, mag

mijnentwege naar Axel gaan om Zeeuwsche mossels te eten.”

„Ja, vrienden,” sprak nu de barbier, „dat is zoo. En daarom een

boordevolletje op zijn lang leven!”

Ieder stemde hierin mee, en had Piet Heyn die gehechtheid van zijn volk

gehoord, dan zou het hem zeker wèl gedaan hebben. Nu hoorde hij het

evenwel niet; want terwijl het volk zich zoo vroolijk maakte, zat hij

moederziel alleen in de kajuit te bedenken hoe hij het nu toch eens

moest aanleggen om een’ volgenden keer de Zilvervloot binnengaats te

krijgen. Hij toch beschouwde dezen tocht maar half gelukt, en hoewel

hij vooruit wist, dat de Compagnie dubbel en dwars tevreden zou zijn

over de gemaakte prijzen, hij was het niet over zichzelf.

De ~Zilvervloot~ en geen ~Suikervloot~ speelde hem dag en nacht door

het hoofd. Hij wist, dat het geldgebrek in Holland groot was, en dat

men er, niettegenstaande vele kooplieden schatrijk geworden, en de

burgers zelven zeer welvarend waren, niet wist hoe den oorlog tegen

Spanje met kracht voort te zetten. Het geld van de burgers was niet

het eigendom van den Staat. Kon men nu de Zilvervloot veroveren,

dan zou men een mesje hebben verkregen, dat aan twee kanten sneed.

Spanje toch kon zónder de jaarlijksche opbrengsten dier vloot zoo goed

als niets doen. Het moest er zijne groote huurlegers mede betalen.

Werden de soldaten niet betaald, dan verliep het leger, en al kwamen

al de schatten van de Zilvervloot nu ook in de geldkisten van de

aandeelhouders der West-Indische Compagnie, toch had de heele Republiek

er dan voordeel bij door het verloopen van het Spaansche leger.

Vast besloten, hetzij vandaag of morgen, den nog altijd gehaten

Spanjool zoo aan den Zilveren pols te voelen, begaf Piet Heyn zich ter

ruste.

Ook het volk sliep weldra in en droomde misschien wel van een’

Admiraal, die met een suikerschip in eene wijnzee voer, en zijne

manschappen onthaalde op het heerlijkste, dat er in een denkbeeldig

Luilekkerland te vinden was.

In het Vaderland aangekomen, waren de Heeren Bewindhebbers der

Compagnie zóó tevreden, dat ze Piet Heyn, als een bewijs hunner

tevredenheid, eene zware gouden halsketen vereerden. Het scheepsvolk

echter, dat zich toch ook zoo wakker gehouden had en wel wat extra’s

verdiende, bekwam niet veel meer dan het bedongen loon.

En Annetje en Moeder? Och, ze vergaten al haar leed toen ze, den

eersten Zondag den besten, samen met hem naar de kerk gingen en alle

menschen hem zóó beleefd groetten, alsof hij een broertje van den

Stadhouder was. Men kon het Annetje en Moeder aanzien, dat ze trotsch

waren op den Admiraal met den gouden ketting om den hals, en toen ze

alweer thuis kwamen, kon Moeder niet nalaten Annetje in het oor te

fluisteren: „Al die eere, zie-je, kind, en dan die prachtige gouden

ketting is een pleistertje op de wonde.” En Annetje was het met Moeder

eens, vooral omdat ze het maar een pleistertje en niet eene pleister

noemde.

Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn · 第 26 / 36 题