ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Een schipper heeft ook oogen.

De beweging der landingstroepen dreigde aanvankelijk niet gunstig

te zullen slagen, want toen de Admiraal het sein gegeven had, dat

de troepen aan wal zouden gaan om het fort San-Antonio in te nemen,

toonden de soldaten daartoe niet veel lust te hebben. Het fort scheen

sterk en op zulk een fort was geen buit, maar wel een pak slaag te

bekomen, en het eerste wilden ze graag in ontvangst nemen, maar voor

het tweede waren ze niet thuis. Toch wist Majoor Schouten de landing te

volbrengen, en--pas waren de soldaten aan den wal, of de bezetting van

het fort sloeg op de vlucht naar de stad, achtervolgd door de onzen,

die nu niet bang meer waren.

Inmiddels werd de Majoor ook door de invallende duisternis gedwongen de

vervolging te staken. Hij liet derhalve zijne manschappen blijven, waar

ze waren en zeide hun, dat ze met het krieken van den dag verder zouden

gaan, en trachten de stad zelve te veroveren.

Doch wat gebeurde?

De inwoners van San-Salvador zich van twee zijden bedreigd ziende,

maakten van den donkeren nacht gebruik om de stad te verlaten en

in de bosschen, die daar in den omtrek gevonden werden, zich te

verschuilen. De Roomsche Geestelijkheid, die al te veel gehoord had van

de dolzinnige Watergeuzen, die het leven van geen enkelen Roomschen

Geestelijke, als ze hem in handen kregen, spaarden en de vreeselijkste

martelingen voor hem bedachten, hield de Nederlanders, die hier kwamen

voor geen ander volk dan Watergeuzen, en hoewel men in dien tijd niet

meer zoo wreed te werk ging, kon de Geestelijkheid van deze ruwe mannen

toch geen vriendelijke behandeling verwachten. Daarom, vreezende

dat deze mannen de stad veroveren zouden, gaf zij het sein tot deze

vlucht, en weldra was San-Salvador bijna geheel verlaten. Alleen de

Bevelhebber, een man met onverschrokken moed, en Dom Diego Furtado de

Mendoça geheeten, trachtte die schandelijke vlucht te beletten, en toen

dit hem niet gelukte, besloot hij met zijn gezin en eenige getrouwen te

blijven. Hij verkoos eene eervolle gevangenschap boven eene lafhartige

vlucht.

Zoodra de dag aangebroken was, begaven de landingstroepen zich verder

opweg. Die weg zou zeker niet gemakkelijk te vinden zijn geweest, zoo

er niet twee mannen geweest waren, die hier al meer hadden vertoefd,

en de boschrijke omstreken der stad dus eenigszins kenden. Deze twee

mannen waren Dirk Pietersz. Colver en Dirk De Ruyter.

San-Salvador, het tegenwoordige Bahia, bestond toen alleen uit de

Bovenstad en lag in eene verrukkelijk schoone landstreek, bijna

tusschen het geboomte verscholen, zoodat men haar wel uit de baai,

doch niet van het strand zien kon. De tegenwoordige Benedenstad, het

volkrijkste en drukste gedeelte van Bahia, bestond toen alleen uit

eenige gebouwen en gebouwtjes, die bij eene aanlegplaats noodig zijn,

doch bij de komst van onze vloot waren ze verlaten. Zoo kwam het, dat

het landings-legertje gidsen noodig had om bij de eigenlijke stad te

komen. Majoor Schouten liet zijn oog naar alle richtingen gaan om niet

onverhoeds aangegrepen te worden, wat stellig in het nadeel der onzen

zou afgeloopen zijn, want het volk gedroeg zich zeer wanordelijk en

de Bevelhebber scheen de kunst niet te verstaan, zijn gezag te laten

gehoorzamen. Niemand evenwel belette hun het voorttrekken, en eindelijk

kwamen ze voor de poorten der stad, welke ze geopend vonden.

„Gemakkelijker kan het niet,” zeide Hopman Helmont. „Wij hebben de

stad zoo maar in te trekken. Die Portugeezen zijn me ook helden, ja!

Geen wonder, dat Koning Filips II zijn leger, onder Alva, niet veel

meer dan moest laten zien om het heele land voor Spanje te veroveren!”

„We zullen evenwel wijs doen, als we handelen, alsof de poorten

gesloten waren. Wie geeft ons de verzekering, dat het geen list

is,” sprak de Majoor. Hij liet daarop terstond een paar veldstukken

voorbrengen, en reeds stond men gereed los te branden, toen zich een

Portugees met een wit vaandel in de hand op den wal vertoonde.

Deze verzocht den Hollandschen Bevelhebber te spreken, en toen de

Majoor verscheen, zeide de Portugees, dat de stad in den afgeloopen

nacht door het krijgsvolk en de burgers verlaten was.

„Wie zendt u?” vroeg Schouten.

„Mijn Meester, Dom Diego Furtado de Mendoça.”

„En wie is deze?”

„De Bevelhebber, Senor!”

„Is deze dan nog in de stad?”

„Mijn Meester is geen lafaard, Senor! Hij, zijn gezin en eenige

dapperen zijn gebleven.”

Thans gaf Schouten bevel, met de noodige voorzichtigheid binnen

de poorten te gaan, en zoodra men in de stad was, zag men, dat de

Portugees waarheid gesproken had. Nauwelijks was men, zonder ergens

tegenstand ontmoet te hebben, op de markt gekomen, of de soldaten

sloegen tot plundering over en hier was het, dat Majoor Schouten

toonde, dat hij geen goed Bevelhebber was, want, hoewel zelf niet

mee plunderende, liet hij het ruwe volk toch rustig zijn’ gang gaan.

Het huis van den Bevelhebber lag het eerst aan de beurt. Eenigen der

belhamels trapten de deur open en kwamen binnenstormen onder het

geschreeuw van: „Slaat dood! Slaat dood!”--Men liep eene zaal in en

.... daar stond men tegenover Dom Diego, die met waardige houding de

plunderaars en roovers afwachtte.

Wat was het, dat het woeste volk opeens tot staan dwong? Wie was

de toovenaar, die den arm, met de bijl om te dooden, onmachtig deed

nederdalen? Welke machtige geest deed eensklaps die roofzuchtige

tijgers in makke lammeren verkeeren?

[Illustratie: „Spaart mijn zoon!” (Bladz. 182).]

Die toovenaar was niemand anders dan Dom Diego. Hij was een kloek en

gezet man met hoog voorhoofd en kort gesneden haar. Zijne donkere oogen

staarden kalm, waardig en onverschrokken de plunderaars aan. Zijne

geheele gestalte was vorstelijk, en rustig sprak hij tot de woeste

rabauwen: „Komt gijlieden om mij te dooden? Spaart dan mijn’ zoon! Hij

is nog te jong om uw’ vijand te zijn!”

Die houding en die taal maakten een’ diepen indruk op de woeste mannen,

en toen Allert Schouten binnentrad, weken ze zelfs eerbiedig terzijde.

„Is u de Bevelhebber der stad?” vroeg Schouten beleefd.

„Die ben ik,” luidde het korte antwoord.

„Goed,” sprak Schouten, en zich tot zijn volk keerende, zeide hij:

„Schaamt gij u niet om u als roovers te gedragen? Met uw leven blijft

gij borg voor de veiligheid van dezen man. Hij is een held.”--Hierop

wendde hij zich weer tot Dom Diego en zeide: „Senor, men zal uw

leven eerbiedigen, en al wat ge hier om en bij u hebt, zal veilig

zijn. Straks kom ik terug. Ik moet de verdere plundering trachten te

beletten.”

Na dit gezegd te hebben, verwijderde hij zich; maar de plundering tegen

te gaan, dat was boven zijne macht. Met de meest mogelijke ruwheid brak

men alle woningen, pakhuizen en kantoren open, zocht er het beste uit

en liet het overige in de schromelijkste wanorde liggen.

Toen de Majoor zag, dat de soldaten niet tegen te houden waren, stuurde

hij Hopman Knijf naar den Admiraal om dezen te zeggen, dat men in de

stad was, en dat hij geen kans zag, zijn volk in bedwang te houden en

de plundering tegen te gaan. Zoodra Willekens deze tijding vernomen

had, zond hij Piet Heyn met eenige gewapende sloepen naar de stad om

de woeste soldaten tot hun’ plicht te brengen, want de rijkdommen der

stad dienden, als buit, aan de Compagnie terhand gesteld te worden.

Piet Heyn zelf was er met Blokmaker en Marten spoedig, en weldra zag

hij, dat hij hier een’ moeielijken post had. Zoo de soldaten niet

dadelijk naar hem luisterden, zou hij genoodzaakt zijn om, als hun

vijand, tegen hen op te treden, en dat zou, voor het behoud van het

veroverde, zeer gevaarlijk zijn.

Blokmaker en Marten waren al vooruit geloopen naar een’ hoop

plunderaars.

„Wil-je met je lange vingers wel eens handig van dat goed blijven?”

riep Marten.

„Voor jou zeker?” antwoordde een ruw en breed geschouderd soldaat, die

blijkens zijn’ tongval, uit het Kleefsche kwam.

„Neen, voor onzen Vice-Admiraal Piet Heyn!”

„Voor Piet Heyn? Ha, ha! Krijgt die anders zijn aandeel niet in den

buit? Is hij bang, dat hij te kort komen zal? Al was hij de Koning van

Frankrijk, een’ soldaat de plundering te beletten, dat krijgt hij toch

niet gedaan!”

„Dan zal ik je mores leeren,” riep Marten, en op den reusachtigen

soldaat toeloopend, gaf hij hem zulk een’ vuistslag in het gelaat, dat

de reus suizebollend neerviel. Dat hielp voor een oogenblik, want het

bracht schrik, en eer deze over was, verscheen Piet Heyn aan het hoofd

van zijne gewapende matrozen, en het kostte hem nu niet zoo heel veel

moeite de plunderaars tot staan te brengen.

„Admiraal, een woordje, alsjeblieft,” sprak nu een ander soldaat. „Ik

wou u wat vragen.”

„Wat hebt gij te zeggen?” vroeg Piet Heyn.

„Is dan alles, wat wij hier vinden, niet de buit van de Heeren der

West-Indische Compagnie? Moeten wij nu voor hen stelen en rustig

toezien, dat zij den roof verdeelen zonder, dat wij er iets van

krijgen?”

„Ja, soldaat, dat moet gij toezien! Dat moet ik ook toezien. De

Compagnie heeft u gevraagd, of ge voor eene vastgestelde soldij in de

maand voor haar vechten wilt. Dat heeft ze mij ook gevraagd, en wij

beiden hebben het aangenomen. Was er geen stad te veroveren of geen

buit te behalen geweest, dan zouden we toch onze soldij ontvangen. Zijn

voor de Compagnie de mogelijke nadeelen, dan zijn voor haar ook de

mogelijke baten.”

„Admiraal, gij hebt gelijk! Wij zullen het plunderen staken, al zegt

men ook tot spreekwoord: de kat komt een graatje toe,” luidde het kalme

antwoord en men plunderde niet meer.

Terwijl dit in de stad voorviel, was, tot verbazing van de geheele

vloot, het schip „Hollandia” aangekomen. We weten, dat Kolonel van

Dorth hier aan boord was. Hij was bij de uitreis, door storm, voorbij

het eiland Sint-Vincent naar Sierra-Leona, meer dan honderd mijlen van

Kaap Verd geslagen, en was, na lang naar de vloot gezocht te hebben,

maar op goed geluk naar de Allerheiligen-baai gekomen, waar hij het

plan, de inneming van San-Salvador, volvoerd vond. Toch was zijne komst

niet overbodig; want al was het Piet Heyn nu ook al gelukt de oproerige

plunderaars te bedwingen, er heerschte onder de troepen zulk een geest

van weerspannigheid, dat er wel eene krachtige hand noodig was om hen

tot rede, plicht en gehoorzaamheid te dwingen.

Dat de soldaten zoo heel anders waren dan de matrozen, valt niet te

verwonderen. Slechts een zeer klein deel der troepen bestond uit

Nederlanders. De anderen waren allen huur-soldaten, mannen uit alle

landen van Europa, die soldaat-zijn hun ambacht noemden en hem dienden,

die het meest betaalde.

Kolonel van Dorth, die zeer goed begreep, dat het behoud der stad

geheel afhangen zou van de soldaten, daar dezen bleven, ook als

de vloot vertrok, trachtte op kalme en bezadigde wijze de orde te

herstellen, wat hem ook gelukte, tot groote verwondering van Majoor

Schouten, die dit tevergeefs beproefd had.

Onderwijl dit geschiedde brachten de matrozen den rijken buit aan

boord. De Compagnie zou tevreden zijn; want het gevondene was meer

dan voldoende om het onderhoud der vloot te bestrijden, terwijl ze nu

bovendien nog in het bezit was van de hoofdplaats van Brazilië, en

daardoor in de gelegenheid een’ meer dan voordeeligen handel op deze

gewesten te drijven. En terwijl men zoo bezig was, alles op orde te

brengen, kwamen er van tijd tot tijd nog eenige Portugeesche schepen

binnen, welke van de verovering niets wisten, en deze schepen, hoewel

niet rijk geladen, want men moest de lading te San-Salvador innemen,

vielen zonder slag of stoot in onze handen.

Maar te midden van al deze bedrijven sneuvelde Kolonel van Dorth bij

gelegenheid, dat hij een’ verkenningstocht om de stad deed. Het land

verloor in hem een uitstekend Aanvoerder en de nieuwe West-Indische

bezetting een onmisbaar man. Wel werd hij opgevolgd door den moedigen,

maar veel minder geschikten Majoor Allert Schouten, die echter kort

daarna ziek werd en overleed. Nu was Allert’s broeder Willem de

Bevelhebber, doch deze, hoe dapper ook, was voor die taak nog veel

minder berekend dan zijn broeder. Het gevolg hiervan was dan ook,

dat San-Salvador reeds een jaar later door de Spanjaarden, onder

Don Frederik de Toledo, heroverd was. Dit geschiedde alleen door de

lafhartigheid van den toenmaligen Bevelhebber Knijf, die den afgezetten

Willem Schouten was opgevolgd.

Doch keeren we tot onzen Piet Heyn terug.

Admiraal Jacob Willekens was reeds den acht-en-twintigsten Juli

vertrokken, Piet Heyn achterlatende om nog eenige zaken te beredderen.

Deze was hiermede den vijfden Augustus klaar en stond juist gereed, de

ankers te lichten en de baai te verlaten, toen Marten op hem afkwam.

„Wel, wat hadt ge, goede vriend?” vroeg Piet Heyn.

„Ja, Admiraal, ge zult me vervelend noemen; maar ik heb wat op het

hart.”

„En dat is?”

„Wel, toen Jan Pietersz. Koen Jacatra veroverd had, stichtte hij op de

puinhoopen eene nieuwe stad en liet die Batavia noemen.”

„Dat weet ik; maar wat zou dat?”

„En hoe heet de plaats, die wij hier voor de West-Indische Compagnie

veroverd hebben?”

„Wel man, suft ge, of hoe heb ik het met u? Ze heet San-Salvador, dat

weet ge toch?”

„Juist, en hoe heette ze vóór de inneming?”

„San Salvador, hoe anders?”

„Juist, Admiraal, Portugeesch of Spaansch was ze, toen we haar namen;

Portugeesch of Spaansch blijft ze, als ze zoo blijft heeten. Geef haar

een’ anderen naam! Noem haar Delftshaven, dat is een echt Hollandsche

naam.”

„Dat is het; maar wat dan?”

„Doe dan, alsof ge hier thuis waart, Admiraal, en blijf hier; want ik

voorzie er in, dat die mooie heeren aan den wal de stad zoo netjes weer

in handen van den Spanjaard zullen spelen, als ge ooit gezien hebt.”

„Dat geloof ik ook, Marten! Edoch, ik kreeg het bevel terug te keeren,

en een Vice-Admiraal moet aan zijne minderen steeds een voorbeeld van

gehoorzaamheid geven!”

„Admiraal, als de Heeren Bewindhebbers hier waren....”

„Ze zijn hier niet, goede vriend! Ze zijn ver van ons!”

„Dat weet ik, Admiraal, maar ~als~ ze hier waren en ze zagen, wat wij

van die bende landroovers zien, dan zouden ze zeker zeggen: „Admiraal,

blijf met uwe schepen voor San-Salvador! Gij zijt er hard noodig!”

„Ge meent het goed, Marten! Ik voorzie ook niet veel goeds; maar ik

weet zeker, dat de Compagnie weer terstond eene nieuwe vloot in zee

zenden zal. Wie weet of we, eer het jaar om is, weer niet hier zijn.”

„Om toch te laat te komen, Admiraal,” antwoordde Marten knorrig en ging

aan zijne bezigheden.

Een uur later was het smaldeel, bestaande uit drie schepen en een

jacht, onderzeil.

Piet Heyn kreeg onderweg geen tegenbevel om terug te keeren, zooals

hij gehoopt had, en tegen November was hij weer te Rotterdam, om eene

poos bij vrouw en Ouders van de doorgestane gevaren en vermoeienissen

uit te rusten. Hij was nog niet lang binnen, of hij hoorde, dat de

voormalige Bevelhebber van San-Salvador te Rotterdam in de herberg

Sint-Lucas gevangen gehouden werd. Piet Heyn had, als man van moed,

eerbied voor Dom Diego en daarom besloot hij op zekeren morgen hem eens

te gaan opzoeken. Zoodra Piet Heyn zijn’ naam had laten noemen, werd

hij oogenblikkelijk toegelaten.

De Vice-Admiraal werd door den armen gevangene hartelijk ontvangen. Ook

hij had eerbied voor een’ man, als Piet Heyn, van wiens heldenmoed hij

getuige geweest was.

„Wees welkom in mijne residentie, Heer Admiraal,” sprak hij,

met treurigen glimlach. „Mag ik u mijn gevolg voorstellen? Dom

Columbo,--Dom Barthelomeo en Domna Lucretia.”

Piet Heyn lachte. De drie voorgestelden waren drie honden, die Dom

Diego in zijne gevangenschap tot het maken van allerlei kunstjes

afgericht had.

Weldra kwam het gesprek op San-Salvador, en toen Piet Heyn veel verteld

had van het groote belang, dat de Compagnie er bij had, dat deze stad

ingenomen werd, viel Dom Diego hem in de rede met te zeggen: „Zeker,

daar had de Compagnie groot belang bij. Dat heb ik dadelijk begrepen.

Maar ze heeft een belang, dat nog veel grooter is dan het nemen van de

stad, het land, de forten en de baai!”

Piet Heyn keek verbaasd op en vroeg, of hij ook mocht weten welk belang

dan nog grooter was.

„Welzeker, Senor, welzeker! Dat grootere belang van de Compagnie is: te

behouden, wat ze heeft laten nemen!”

„Nu, dat zal ze wel ook.”

„Ja, op hare manier; maar dat is de rechte niet.”

„Welke is dan toch wel hare manier, Senor? Ik begrijp u niet. En hoe

kunt gij hare manier kennen? Ze heeft u toch van hare plannen niet

onderricht?”

„Zij bemoeit zich niet met een’ wegkwijnenden, gevangen vijand, en toch

doorgrond ik hare plannen volkomen. Haar eenig doel, haar opstaan,

haar zitten, haar naar bed gaan, haar eten, drinken, slapen, ja, haar

droomen is: goede zaken maken, geld verdienen. Geld, geld, allemaal

geld! Eerst de beurzen tot overloopens toe gevuld, en dan eenige

pogingen aangewend om met het geld, dat uit de beurzen rolt, de stad

te verdedigen. De Compagnie houdt San-Salvador niet. Plunderaars zijn

slechte oorlogsvoerders. Ge vraagt hoe ik dit weet? Door ondervinding,

Senor, door ondervinding! Te veel voorspoed maakt zorgeloos. Het

rijke Spanje is hiervan het bewijs. Eens zal er een tijd komen, dat

dit groote gebied, nu nog het rijkste land der wereld, een’ gelapten

schoudermantel bedelen zal om zijne, door den honger vermagerde, leden

te bedekken.”

„Dat geloof ik ook, Senor!”

„Dat doet me genoegen; maar geloof dat ook van uwe West-Indische

Compagnie! Ik zal den val van Spanje en de vrijwording van Portugal,

dat mijn Vaderland is, niet beleven en den ondergang van uwe Compagnie

niet zien. De koude lucht in dit vochtige klimaat doet mij nu al

voelen, dat ik weldra aan waterzucht sterven zal. Maar gij zijt nog

jong, ten minste, betrekkelijk jong. Gij zijt ook krachtig, een zoon

van dit land en tegen zijn klimaat bestand. Gij zult het misschien

nog beleven. En als ge dan den ondergang van Spanje of van uwe

West-Indische Compagnie ziet, herinner u dan dat Dom Diego Furtado

de Mendoça Kruisheer, en door Koning Filips genade,”--hij grimlachte

bij deze woorden--„Grande van Spanje, en eenmaal Bevelhebber van

San-Salvador, thans een arm berooid gevangene, die zijn’ tijd tusschen

zijn’ zoon en zijne hondjes verdeelt, dit eenmaal gezegd heeft. Laten

wij thans over andere onderwerpen spreken.”

Toen Piet Heyn een paar uren later de deur van de herberg Sint-Lukas

dichtsloot, en hij zich door het gewoel van de toenmaals reeds drukke

Hoogstraat heen gewerkt had, kwam hij voorbij de West-Indische

pakhuizen, waaruit men bezig was de kisten suiker te dragen, welke bij

San-Salvador buitgemaakt waren.

„Schipper en Kruisheer profeteeren hetzelfde,” bromde hij, „doch dat de

Compagnie karig is om geld uit te geven om te trachten te behouden, wat

ze heeft, dat is niet waar.”

„Nu nog eens de Spaansche Zilvervloot, Admiraal!” zeide iemand, hem op

de schouders tikkende.

Piet Heyn zag om en herkende den oudsten van de Bewindhebbers

der Compagnie, die bij hem gekomen was om hem de betrekking van

Vice-Admiraal op de West-Indische vloot aan te bieden.

„Ja, maar deze zal niet zoo gemakkelijk te nemen zijn, als San-Salvador

met de Allerheiligen-baai er bij, Mijnheer!”

„Gemakkelijk, gemakkelijk, daar vragen wij niet naar. Maar zulk eene

vloot zou beter zijn dan eene stad, als San-Salvador. Dat is zoo klaar

als de dag.”

„Mag ik u vragen waarom, Mijnheer? Eene vaste bezitting geeft niet

alles opeens, maar is op den duur toch voordeeliger.”

„Papperlepap, men kan wel hooren, dat gij geen aandeelhouder zijt. Ge

vergeet het onderhoud en de verdediging eener vaste bezitting. Eene

Zilvervloot wordt genomen en daarmee uit. Alles is winst. Maar tusschen

twee haakjes, weet gij wel, dat San-Salvador ernstig bedreigd wordt?”

„Ja, onlangs gehoord, Mijnheer!”

„Men vreest, dat ze daarginds zich te spoedig zullen overgeven, en

daarom heeft men het jacht de „Haese” er heen gezonden om te zeggen,

dat er spoedig hulp zal komen. Ja, ja, San-Salvador heeft hier veel

buit doen binnenkomen; maar het zal een bijleggertje worden. Let op

mijne woorden. Goeden morgen!”

De Bewindhebber ging aan zijne bezigheden en Piet Heyn vervolgde zijn’

weg, thans geheel overtuigd, dat de profetie van schipper en Kruisheer,

van vriend en vijand, binnen korten tijd reeds vervuld zou worden.

In het begin van Juli kwam de tijding: „San-Salvador heeft zich op

eerlijke voorwaarden overgegeven aan Don Frederik de Toledo.”

„Wat heb ik u gezegd, Admiraal?” vroeg Marten onzen Piet een paar dagen

later.

„Je hebt goed gezien, schipper! Heel goed!”

„Och, ja, Admiraal, een eenvoudig mensch heeft oogen om te zien, en

een schipper heeft ook oogen, weet u!” luidde Martens antwoord en hij

voegde er nog bij: „Binnen kort zullen we weer wel voor een ander

karweitje geroepen worden. Tot ziens, Admiraal!”

Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn · 第 25 / 36 题