Een schipper heeft ook oogen.
De beweging der landingstroepen dreigde aanvankelijk niet gunstig
te zullen slagen, want toen de Admiraal het sein gegeven had, dat
de troepen aan wal zouden gaan om het fort San-Antonio in te nemen,
toonden de soldaten daartoe niet veel lust te hebben. Het fort scheen
sterk en op zulk een fort was geen buit, maar wel een pak slaag te
bekomen, en het eerste wilden ze graag in ontvangst nemen, maar voor
het tweede waren ze niet thuis. Toch wist Majoor Schouten de landing te
volbrengen, en--pas waren de soldaten aan den wal, of de bezetting van
het fort sloeg op de vlucht naar de stad, achtervolgd door de onzen,
die nu niet bang meer waren.
Inmiddels werd de Majoor ook door de invallende duisternis gedwongen de
vervolging te staken. Hij liet derhalve zijne manschappen blijven, waar
ze waren en zeide hun, dat ze met het krieken van den dag verder zouden
gaan, en trachten de stad zelve te veroveren.
Doch wat gebeurde?
De inwoners van San-Salvador zich van twee zijden bedreigd ziende,
maakten van den donkeren nacht gebruik om de stad te verlaten en
in de bosschen, die daar in den omtrek gevonden werden, zich te
verschuilen. De Roomsche Geestelijkheid, die al te veel gehoord had van
de dolzinnige Watergeuzen, die het leven van geen enkelen Roomschen
Geestelijke, als ze hem in handen kregen, spaarden en de vreeselijkste
martelingen voor hem bedachten, hield de Nederlanders, die hier kwamen
voor geen ander volk dan Watergeuzen, en hoewel men in dien tijd niet
meer zoo wreed te werk ging, kon de Geestelijkheid van deze ruwe mannen
toch geen vriendelijke behandeling verwachten. Daarom, vreezende
dat deze mannen de stad veroveren zouden, gaf zij het sein tot deze
vlucht, en weldra was San-Salvador bijna geheel verlaten. Alleen de
Bevelhebber, een man met onverschrokken moed, en Dom Diego Furtado de
Mendoça geheeten, trachtte die schandelijke vlucht te beletten, en toen
dit hem niet gelukte, besloot hij met zijn gezin en eenige getrouwen te
blijven. Hij verkoos eene eervolle gevangenschap boven eene lafhartige
vlucht.
Zoodra de dag aangebroken was, begaven de landingstroepen zich verder
opweg. Die weg zou zeker niet gemakkelijk te vinden zijn geweest, zoo
er niet twee mannen geweest waren, die hier al meer hadden vertoefd,
en de boschrijke omstreken der stad dus eenigszins kenden. Deze twee
mannen waren Dirk Pietersz. Colver en Dirk De Ruyter.
San-Salvador, het tegenwoordige Bahia, bestond toen alleen uit de
Bovenstad en lag in eene verrukkelijk schoone landstreek, bijna
tusschen het geboomte verscholen, zoodat men haar wel uit de baai,
doch niet van het strand zien kon. De tegenwoordige Benedenstad, het
volkrijkste en drukste gedeelte van Bahia, bestond toen alleen uit
eenige gebouwen en gebouwtjes, die bij eene aanlegplaats noodig zijn,
doch bij de komst van onze vloot waren ze verlaten. Zoo kwam het, dat
het landings-legertje gidsen noodig had om bij de eigenlijke stad te
komen. Majoor Schouten liet zijn oog naar alle richtingen gaan om niet
onverhoeds aangegrepen te worden, wat stellig in het nadeel der onzen
zou afgeloopen zijn, want het volk gedroeg zich zeer wanordelijk en
de Bevelhebber scheen de kunst niet te verstaan, zijn gezag te laten
gehoorzamen. Niemand evenwel belette hun het voorttrekken, en eindelijk
kwamen ze voor de poorten der stad, welke ze geopend vonden.
„Gemakkelijker kan het niet,” zeide Hopman Helmont. „Wij hebben de
stad zoo maar in te trekken. Die Portugeezen zijn me ook helden, ja!
Geen wonder, dat Koning Filips II zijn leger, onder Alva, niet veel
meer dan moest laten zien om het heele land voor Spanje te veroveren!”
„We zullen evenwel wijs doen, als we handelen, alsof de poorten
gesloten waren. Wie geeft ons de verzekering, dat het geen list
is,” sprak de Majoor. Hij liet daarop terstond een paar veldstukken
voorbrengen, en reeds stond men gereed los te branden, toen zich een
Portugees met een wit vaandel in de hand op den wal vertoonde.
Deze verzocht den Hollandschen Bevelhebber te spreken, en toen de
Majoor verscheen, zeide de Portugees, dat de stad in den afgeloopen
nacht door het krijgsvolk en de burgers verlaten was.
„Wie zendt u?” vroeg Schouten.
„Mijn Meester, Dom Diego Furtado de Mendoça.”
„En wie is deze?”
„De Bevelhebber, Senor!”
„Is deze dan nog in de stad?”
„Mijn Meester is geen lafaard, Senor! Hij, zijn gezin en eenige
dapperen zijn gebleven.”
Thans gaf Schouten bevel, met de noodige voorzichtigheid binnen
de poorten te gaan, en zoodra men in de stad was, zag men, dat de
Portugees waarheid gesproken had. Nauwelijks was men, zonder ergens
tegenstand ontmoet te hebben, op de markt gekomen, of de soldaten
sloegen tot plundering over en hier was het, dat Majoor Schouten
toonde, dat hij geen goed Bevelhebber was, want, hoewel zelf niet
mee plunderende, liet hij het ruwe volk toch rustig zijn’ gang gaan.
Het huis van den Bevelhebber lag het eerst aan de beurt. Eenigen der
belhamels trapten de deur open en kwamen binnenstormen onder het
geschreeuw van: „Slaat dood! Slaat dood!”--Men liep eene zaal in en
.... daar stond men tegenover Dom Diego, die met waardige houding de
plunderaars en roovers afwachtte.
Wat was het, dat het woeste volk opeens tot staan dwong? Wie was
de toovenaar, die den arm, met de bijl om te dooden, onmachtig deed
nederdalen? Welke machtige geest deed eensklaps die roofzuchtige
tijgers in makke lammeren verkeeren?
[Illustratie: „Spaart mijn zoon!” (Bladz. 182).]
Die toovenaar was niemand anders dan Dom Diego. Hij was een kloek en
gezet man met hoog voorhoofd en kort gesneden haar. Zijne donkere oogen
staarden kalm, waardig en onverschrokken de plunderaars aan. Zijne
geheele gestalte was vorstelijk, en rustig sprak hij tot de woeste
rabauwen: „Komt gijlieden om mij te dooden? Spaart dan mijn’ zoon! Hij
is nog te jong om uw’ vijand te zijn!”
Die houding en die taal maakten een’ diepen indruk op de woeste mannen,
en toen Allert Schouten binnentrad, weken ze zelfs eerbiedig terzijde.
„Is u de Bevelhebber der stad?” vroeg Schouten beleefd.
„Die ben ik,” luidde het korte antwoord.
„Goed,” sprak Schouten, en zich tot zijn volk keerende, zeide hij:
„Schaamt gij u niet om u als roovers te gedragen? Met uw leven blijft
gij borg voor de veiligheid van dezen man. Hij is een held.”--Hierop
wendde hij zich weer tot Dom Diego en zeide: „Senor, men zal uw
leven eerbiedigen, en al wat ge hier om en bij u hebt, zal veilig
zijn. Straks kom ik terug. Ik moet de verdere plundering trachten te
beletten.”
Na dit gezegd te hebben, verwijderde hij zich; maar de plundering tegen
te gaan, dat was boven zijne macht. Met de meest mogelijke ruwheid brak
men alle woningen, pakhuizen en kantoren open, zocht er het beste uit
en liet het overige in de schromelijkste wanorde liggen.
Toen de Majoor zag, dat de soldaten niet tegen te houden waren, stuurde
hij Hopman Knijf naar den Admiraal om dezen te zeggen, dat men in de
stad was, en dat hij geen kans zag, zijn volk in bedwang te houden en
de plundering tegen te gaan. Zoodra Willekens deze tijding vernomen
had, zond hij Piet Heyn met eenige gewapende sloepen naar de stad om
de woeste soldaten tot hun’ plicht te brengen, want de rijkdommen der
stad dienden, als buit, aan de Compagnie terhand gesteld te worden.
Piet Heyn zelf was er met Blokmaker en Marten spoedig, en weldra zag
hij, dat hij hier een’ moeielijken post had. Zoo de soldaten niet
dadelijk naar hem luisterden, zou hij genoodzaakt zijn om, als hun
vijand, tegen hen op te treden, en dat zou, voor het behoud van het
veroverde, zeer gevaarlijk zijn.
Blokmaker en Marten waren al vooruit geloopen naar een’ hoop
plunderaars.
„Wil-je met je lange vingers wel eens handig van dat goed blijven?”
riep Marten.
„Voor jou zeker?” antwoordde een ruw en breed geschouderd soldaat, die
blijkens zijn’ tongval, uit het Kleefsche kwam.
„Neen, voor onzen Vice-Admiraal Piet Heyn!”
„Voor Piet Heyn? Ha, ha! Krijgt die anders zijn aandeel niet in den
buit? Is hij bang, dat hij te kort komen zal? Al was hij de Koning van
Frankrijk, een’ soldaat de plundering te beletten, dat krijgt hij toch
niet gedaan!”
„Dan zal ik je mores leeren,” riep Marten, en op den reusachtigen
soldaat toeloopend, gaf hij hem zulk een’ vuistslag in het gelaat, dat
de reus suizebollend neerviel. Dat hielp voor een oogenblik, want het
bracht schrik, en eer deze over was, verscheen Piet Heyn aan het hoofd
van zijne gewapende matrozen, en het kostte hem nu niet zoo heel veel
moeite de plunderaars tot staan te brengen.
„Admiraal, een woordje, alsjeblieft,” sprak nu een ander soldaat. „Ik
wou u wat vragen.”
„Wat hebt gij te zeggen?” vroeg Piet Heyn.
„Is dan alles, wat wij hier vinden, niet de buit van de Heeren der
West-Indische Compagnie? Moeten wij nu voor hen stelen en rustig
toezien, dat zij den roof verdeelen zonder, dat wij er iets van
krijgen?”
„Ja, soldaat, dat moet gij toezien! Dat moet ik ook toezien. De
Compagnie heeft u gevraagd, of ge voor eene vastgestelde soldij in de
maand voor haar vechten wilt. Dat heeft ze mij ook gevraagd, en wij
beiden hebben het aangenomen. Was er geen stad te veroveren of geen
buit te behalen geweest, dan zouden we toch onze soldij ontvangen. Zijn
voor de Compagnie de mogelijke nadeelen, dan zijn voor haar ook de
mogelijke baten.”
„Admiraal, gij hebt gelijk! Wij zullen het plunderen staken, al zegt
men ook tot spreekwoord: de kat komt een graatje toe,” luidde het kalme
antwoord en men plunderde niet meer.
Terwijl dit in de stad voorviel, was, tot verbazing van de geheele
vloot, het schip „Hollandia” aangekomen. We weten, dat Kolonel van
Dorth hier aan boord was. Hij was bij de uitreis, door storm, voorbij
het eiland Sint-Vincent naar Sierra-Leona, meer dan honderd mijlen van
Kaap Verd geslagen, en was, na lang naar de vloot gezocht te hebben,
maar op goed geluk naar de Allerheiligen-baai gekomen, waar hij het
plan, de inneming van San-Salvador, volvoerd vond. Toch was zijne komst
niet overbodig; want al was het Piet Heyn nu ook al gelukt de oproerige
plunderaars te bedwingen, er heerschte onder de troepen zulk een geest
van weerspannigheid, dat er wel eene krachtige hand noodig was om hen
tot rede, plicht en gehoorzaamheid te dwingen.
Dat de soldaten zoo heel anders waren dan de matrozen, valt niet te
verwonderen. Slechts een zeer klein deel der troepen bestond uit
Nederlanders. De anderen waren allen huur-soldaten, mannen uit alle
landen van Europa, die soldaat-zijn hun ambacht noemden en hem dienden,
die het meest betaalde.
Kolonel van Dorth, die zeer goed begreep, dat het behoud der stad
geheel afhangen zou van de soldaten, daar dezen bleven, ook als
de vloot vertrok, trachtte op kalme en bezadigde wijze de orde te
herstellen, wat hem ook gelukte, tot groote verwondering van Majoor
Schouten, die dit tevergeefs beproefd had.
Onderwijl dit geschiedde brachten de matrozen den rijken buit aan
boord. De Compagnie zou tevreden zijn; want het gevondene was meer
dan voldoende om het onderhoud der vloot te bestrijden, terwijl ze nu
bovendien nog in het bezit was van de hoofdplaats van Brazilië, en
daardoor in de gelegenheid een’ meer dan voordeeligen handel op deze
gewesten te drijven. En terwijl men zoo bezig was, alles op orde te
brengen, kwamen er van tijd tot tijd nog eenige Portugeesche schepen
binnen, welke van de verovering niets wisten, en deze schepen, hoewel
niet rijk geladen, want men moest de lading te San-Salvador innemen,
vielen zonder slag of stoot in onze handen.
Maar te midden van al deze bedrijven sneuvelde Kolonel van Dorth bij
gelegenheid, dat hij een’ verkenningstocht om de stad deed. Het land
verloor in hem een uitstekend Aanvoerder en de nieuwe West-Indische
bezetting een onmisbaar man. Wel werd hij opgevolgd door den moedigen,
maar veel minder geschikten Majoor Allert Schouten, die echter kort
daarna ziek werd en overleed. Nu was Allert’s broeder Willem de
Bevelhebber, doch deze, hoe dapper ook, was voor die taak nog veel
minder berekend dan zijn broeder. Het gevolg hiervan was dan ook,
dat San-Salvador reeds een jaar later door de Spanjaarden, onder
Don Frederik de Toledo, heroverd was. Dit geschiedde alleen door de
lafhartigheid van den toenmaligen Bevelhebber Knijf, die den afgezetten
Willem Schouten was opgevolgd.
Doch keeren we tot onzen Piet Heyn terug.
Admiraal Jacob Willekens was reeds den acht-en-twintigsten Juli
vertrokken, Piet Heyn achterlatende om nog eenige zaken te beredderen.
Deze was hiermede den vijfden Augustus klaar en stond juist gereed, de
ankers te lichten en de baai te verlaten, toen Marten op hem afkwam.
„Wel, wat hadt ge, goede vriend?” vroeg Piet Heyn.
„Ja, Admiraal, ge zult me vervelend noemen; maar ik heb wat op het
hart.”
„En dat is?”
„Wel, toen Jan Pietersz. Koen Jacatra veroverd had, stichtte hij op de
puinhoopen eene nieuwe stad en liet die Batavia noemen.”
„Dat weet ik; maar wat zou dat?”
„En hoe heet de plaats, die wij hier voor de West-Indische Compagnie
veroverd hebben?”
„Wel man, suft ge, of hoe heb ik het met u? Ze heet San-Salvador, dat
weet ge toch?”
„Juist, en hoe heette ze vóór de inneming?”
„San Salvador, hoe anders?”
„Juist, Admiraal, Portugeesch of Spaansch was ze, toen we haar namen;
Portugeesch of Spaansch blijft ze, als ze zoo blijft heeten. Geef haar
een’ anderen naam! Noem haar Delftshaven, dat is een echt Hollandsche
naam.”
„Dat is het; maar wat dan?”
„Doe dan, alsof ge hier thuis waart, Admiraal, en blijf hier; want ik
voorzie er in, dat die mooie heeren aan den wal de stad zoo netjes weer
in handen van den Spanjaard zullen spelen, als ge ooit gezien hebt.”
„Dat geloof ik ook, Marten! Edoch, ik kreeg het bevel terug te keeren,
en een Vice-Admiraal moet aan zijne minderen steeds een voorbeeld van
gehoorzaamheid geven!”
„Admiraal, als de Heeren Bewindhebbers hier waren....”
„Ze zijn hier niet, goede vriend! Ze zijn ver van ons!”
„Dat weet ik, Admiraal, maar ~als~ ze hier waren en ze zagen, wat wij
van die bende landroovers zien, dan zouden ze zeker zeggen: „Admiraal,
blijf met uwe schepen voor San-Salvador! Gij zijt er hard noodig!”
„Ge meent het goed, Marten! Ik voorzie ook niet veel goeds; maar ik
weet zeker, dat de Compagnie weer terstond eene nieuwe vloot in zee
zenden zal. Wie weet of we, eer het jaar om is, weer niet hier zijn.”
„Om toch te laat te komen, Admiraal,” antwoordde Marten knorrig en ging
aan zijne bezigheden.
Een uur later was het smaldeel, bestaande uit drie schepen en een
jacht, onderzeil.
Piet Heyn kreeg onderweg geen tegenbevel om terug te keeren, zooals
hij gehoopt had, en tegen November was hij weer te Rotterdam, om eene
poos bij vrouw en Ouders van de doorgestane gevaren en vermoeienissen
uit te rusten. Hij was nog niet lang binnen, of hij hoorde, dat de
voormalige Bevelhebber van San-Salvador te Rotterdam in de herberg
Sint-Lucas gevangen gehouden werd. Piet Heyn had, als man van moed,
eerbied voor Dom Diego en daarom besloot hij op zekeren morgen hem eens
te gaan opzoeken. Zoodra Piet Heyn zijn’ naam had laten noemen, werd
hij oogenblikkelijk toegelaten.
De Vice-Admiraal werd door den armen gevangene hartelijk ontvangen. Ook
hij had eerbied voor een’ man, als Piet Heyn, van wiens heldenmoed hij
getuige geweest was.
„Wees welkom in mijne residentie, Heer Admiraal,” sprak hij,
met treurigen glimlach. „Mag ik u mijn gevolg voorstellen? Dom
Columbo,--Dom Barthelomeo en Domna Lucretia.”
Piet Heyn lachte. De drie voorgestelden waren drie honden, die Dom
Diego in zijne gevangenschap tot het maken van allerlei kunstjes
afgericht had.
Weldra kwam het gesprek op San-Salvador, en toen Piet Heyn veel verteld
had van het groote belang, dat de Compagnie er bij had, dat deze stad
ingenomen werd, viel Dom Diego hem in de rede met te zeggen: „Zeker,
daar had de Compagnie groot belang bij. Dat heb ik dadelijk begrepen.
Maar ze heeft een belang, dat nog veel grooter is dan het nemen van de
stad, het land, de forten en de baai!”
Piet Heyn keek verbaasd op en vroeg, of hij ook mocht weten welk belang
dan nog grooter was.
„Welzeker, Senor, welzeker! Dat grootere belang van de Compagnie is: te
behouden, wat ze heeft laten nemen!”
„Nu, dat zal ze wel ook.”
„Ja, op hare manier; maar dat is de rechte niet.”
„Welke is dan toch wel hare manier, Senor? Ik begrijp u niet. En hoe
kunt gij hare manier kennen? Ze heeft u toch van hare plannen niet
onderricht?”
„Zij bemoeit zich niet met een’ wegkwijnenden, gevangen vijand, en toch
doorgrond ik hare plannen volkomen. Haar eenig doel, haar opstaan,
haar zitten, haar naar bed gaan, haar eten, drinken, slapen, ja, haar
droomen is: goede zaken maken, geld verdienen. Geld, geld, allemaal
geld! Eerst de beurzen tot overloopens toe gevuld, en dan eenige
pogingen aangewend om met het geld, dat uit de beurzen rolt, de stad
te verdedigen. De Compagnie houdt San-Salvador niet. Plunderaars zijn
slechte oorlogsvoerders. Ge vraagt hoe ik dit weet? Door ondervinding,
Senor, door ondervinding! Te veel voorspoed maakt zorgeloos. Het
rijke Spanje is hiervan het bewijs. Eens zal er een tijd komen, dat
dit groote gebied, nu nog het rijkste land der wereld, een’ gelapten
schoudermantel bedelen zal om zijne, door den honger vermagerde, leden
te bedekken.”
„Dat geloof ik ook, Senor!”
„Dat doet me genoegen; maar geloof dat ook van uwe West-Indische
Compagnie! Ik zal den val van Spanje en de vrijwording van Portugal,
dat mijn Vaderland is, niet beleven en den ondergang van uwe Compagnie
niet zien. De koude lucht in dit vochtige klimaat doet mij nu al
voelen, dat ik weldra aan waterzucht sterven zal. Maar gij zijt nog
jong, ten minste, betrekkelijk jong. Gij zijt ook krachtig, een zoon
van dit land en tegen zijn klimaat bestand. Gij zult het misschien
nog beleven. En als ge dan den ondergang van Spanje of van uwe
West-Indische Compagnie ziet, herinner u dan dat Dom Diego Furtado
de Mendoça Kruisheer, en door Koning Filips genade,”--hij grimlachte
bij deze woorden--„Grande van Spanje, en eenmaal Bevelhebber van
San-Salvador, thans een arm berooid gevangene, die zijn’ tijd tusschen
zijn’ zoon en zijne hondjes verdeelt, dit eenmaal gezegd heeft. Laten
wij thans over andere onderwerpen spreken.”
Toen Piet Heyn een paar uren later de deur van de herberg Sint-Lukas
dichtsloot, en hij zich door het gewoel van de toenmaals reeds drukke
Hoogstraat heen gewerkt had, kwam hij voorbij de West-Indische
pakhuizen, waaruit men bezig was de kisten suiker te dragen, welke bij
San-Salvador buitgemaakt waren.
„Schipper en Kruisheer profeteeren hetzelfde,” bromde hij, „doch dat de
Compagnie karig is om geld uit te geven om te trachten te behouden, wat
ze heeft, dat is niet waar.”
„Nu nog eens de Spaansche Zilvervloot, Admiraal!” zeide iemand, hem op
de schouders tikkende.
Piet Heyn zag om en herkende den oudsten van de Bewindhebbers
der Compagnie, die bij hem gekomen was om hem de betrekking van
Vice-Admiraal op de West-Indische vloot aan te bieden.
„Ja, maar deze zal niet zoo gemakkelijk te nemen zijn, als San-Salvador
met de Allerheiligen-baai er bij, Mijnheer!”
„Gemakkelijk, gemakkelijk, daar vragen wij niet naar. Maar zulk eene
vloot zou beter zijn dan eene stad, als San-Salvador. Dat is zoo klaar
als de dag.”
„Mag ik u vragen waarom, Mijnheer? Eene vaste bezitting geeft niet
alles opeens, maar is op den duur toch voordeeliger.”
„Papperlepap, men kan wel hooren, dat gij geen aandeelhouder zijt. Ge
vergeet het onderhoud en de verdediging eener vaste bezitting. Eene
Zilvervloot wordt genomen en daarmee uit. Alles is winst. Maar tusschen
twee haakjes, weet gij wel, dat San-Salvador ernstig bedreigd wordt?”
„Ja, onlangs gehoord, Mijnheer!”
„Men vreest, dat ze daarginds zich te spoedig zullen overgeven, en
daarom heeft men het jacht de „Haese” er heen gezonden om te zeggen,
dat er spoedig hulp zal komen. Ja, ja, San-Salvador heeft hier veel
buit doen binnenkomen; maar het zal een bijleggertje worden. Let op
mijne woorden. Goeden morgen!”
De Bewindhebber ging aan zijne bezigheden en Piet Heyn vervolgde zijn’
weg, thans geheel overtuigd, dat de profetie van schipper en Kruisheer,
van vriend en vijand, binnen korten tijd reeds vervuld zou worden.
In het begin van Juli kwam de tijding: „San-Salvador heeft zich op
eerlijke voorwaarden overgegeven aan Don Frederik de Toledo.”
„Wat heb ik u gezegd, Admiraal?” vroeg Marten onzen Piet een paar dagen
later.
„Je hebt goed gezien, schipper! Heel goed!”
„Och, ja, Admiraal, een eenvoudig mensch heeft oogen om te zien, en
een schipper heeft ook oogen, weet u!” luidde Martens antwoord en hij
voegde er nog bij: „Binnen kort zullen we weer wel voor een ander
karweitje geroepen worden. Tot ziens, Admiraal!”