Trompetter en Trompet.
Den zesentwintigsten Maart van het jaar 1624 lag op de hoogte van het
eiland Sint-Vincent eene prachtige vloot van bijna dertig schepen.
Het was de vloot, die door de West-Indische Compagnie uitgezonden
was om, als het maar eenigszins mogelijk was, San-Salvador in te
nemen. Van den grooten top der „Zeelandia”, een schip bewapend met
zesendertig kanonnen, en bemand met honderddertien matrozen en honderd
soldaten, woei de Admiraals-vlag. Hier was dus Jacob Willekens aan
boord. Van den voortop der „Gelderland”, voorzien van acht en twintig
stukken geschut en bemand met honderdzevenentachtig matrozen, woei
de Vice-Admiraals-vlag. Hier voerde dus onze Piet Heyn het bevel en
aan boord van zijn schip vinden we ook nog drie bekenden, die Piet
Heyn in dienst van de West-Indische Compagnie gevolgd zijn. Door
voorspraak van Pieter werd zijn oude vriend Blokmaker, als Kapitein
van de „Gelderland” aangesteld, en Marten was er schipper op. Dat hij
geen Kapitein geworden was, lag niet aan de Heeren Bewindhebbers, die
hem wel, als zoodanig, hadden willen aanstellen, maar aan Marten zelf.
Met zijne lees- en schrijfkunst was het niet zoo best gesteld en onze
wakkere zeeman hield het ervoor, dat de betrekking van Kapitein te
gewichtig was om door een ongeletterd persoon vervuld te worden, hoewel
er in dien tijd menig Kapitein ter zee, en denkelijk ook wel bij het
leger, gevonden werd, die in het geheel niet lezen of schrijven kon.
Marten was echter met zijne betrekking van schipper zeer tevreden,
want deze gaf een vrij groot inkomen, en daar hij voor geen kinderen
en alleen maar voor zijne vrouw en zichzelf te zorgen had, meende hij,
dat het zoo al wel was. Een derde bekende was Steven, die nu eens
dienst genomen had, als trompetter. Deze betrekking was zeer gering,
doch Steven was wel wat onverschillig en had zelfs na de reis met de
„Muskaatboom” het land een poosje als soldaat gediend. Nog veel meer
dan Piet Heyn was Steven een Jantje Nergensrust, want toen het hem in
het leger niet beviel, liet hij het soldaatje-spelen bij één veldtocht
blijven, en werd hij te Rotterdam kaaigast, die het kostje desnoods
als wegwijzer wilde ophalen. Niet zoodra vernam hij, dat zijn oude
vriend Piet Heyn bij de West-Indische Compagnie tot Vice-Admiraal
benoemd was geworden, of hij besloot de Rotterdamsche kaden vaarwel
te zeggen, en zich alweer bij het zeevolk te laten aanmonsteren. Als
trompetter had hij in het leger gediend, en als trompetter wilde hij
met de vloot mede. Juist toen hij zich naar de Heeren Bewindhebbers van
de Rotterdamsche West-Indische Kamer wilde begeven, kwam hij Blokmaker
tegen, en niet zoodra wist deze, wat Steven’s voornemen was, of hij
zorgde er voor, dat Steven trompetter zou worden op Piet Heyn’s
Vice-Admiraalsschip. Zoo kwamen de vier oude kennissen op één schip.
„Waar is toch de wacht op, Kapitein?” vroeg op zekeren dag Marten,
nadat ze bij Sint-Vincent wel al veertien dagen stil gelegen hadden,
aan Blokmaker. „Dat hangen begint me te vervelen, zei de dief, en hij
sneed zijn’ strop af.”
„Nu, nu, geduld hebben, man! Weet-je wel, dat Admiraal Willekens hier
al ligt van den achtentwintigsten Januari? En van hangen is toch
zooveel sprake niet. Me dunkt, dat de luî genoeg in den wapenhandel
gedrild worden.”
„Daar weet ik van mee te praten,” viel Steven in, die naderbij gekomen
was, „mijne trompet is al schor van al het blazen.”
„Jij, met je schorre trompet! Ik zou wel eens willen weten of een
trompetter eigenlijk zijn gort wel waard is. Een akelig baantje voor
een’ flinken borst. Maar voor iemand, die wat bang uitgevallen is....”
„Bang, schipper Marten, Bang? Bijlo, als het er op aankomt, zal ik
toonen, dat je met spek geschoten hebt, schipper! Onthoud dat! Maar
weet-je niet waarop eigenlijk de wacht is? Ik weet het.”
„Profeteert de koperen lawaai-schopper mogelijk?”
„Misschien wel, schipper! We wachten op het schip „Hollandia” waar
Kolonel van Dorth, de Bevelhebber van de landingstroepen, aan boord is.”
„Dan kan men wachten tot het zog het schip vooruit loopt. Als de
„Hollandia” niet naar de haaien is, dan ben ik wel een harpuislepel.
Dat schip had al lang hier moeten zijn, want het is nog afgevaren vóór
het onze.”
„Ik begin ook te gelooven dat de „Hollandia” naar den kabeljauwskelder
is,” sprak Blokmaker, „doch ik denk, dat we hier nu niet zoo heel lang
meer zullen liggen, want de Vice-Admiraal heeft me gelast, straks
een paar booten uit te zetten en op het eiland visch, bokkingen,
oranje-appelen en citroenen te gaan halen.”
„En waar gaat het dan op af?” vroeg Steven.
„Vraag het aan den bezaans-gaffel, die weet het misschien,” antwoordde
Blokmaker.
Pas was dit door Blokmaker gezegd, of het bevel van den Admiraal werd
door Piet Heyn aan boord van het dichtst bij liggend schip „Neptunus”
gebracht, om de ankers te lichten en onderzeil te gaan, daar men op
Kolonel van Dorth niet langer kon wachten. Het Admiraalsschip moest
maar gevolgd worden.
Half ontevreden, dat men nu nog niet wist waarheen de tocht was, ging
men onderzeil en stevende Zuid-zuid-west. Toen men op zes graden
Zuiderbreedte gekomen was, seinde de Admiraal alle Bevelhebbers bij
zich aan boord en toen dezen er waren, opende hij zijn’ lastbrief.
Een paar uren later wist ieder, die op de vloot was, dat de lastbrieven
van den Admiraal het bevel inhielden, om San-Salvador in Brazilië te
gaan veroveren. Dit land behoorde vroeger aan Portugal, doch was, na de
inlijving van dit land bij Spanje, natuurlijk eene Spaansche bezitting
geworden, hoewel bijna nog alles particulier eigendom van Portugeezen
was, zoodat land, stad, forten en baai ook bijna uitsluitend geheel
door Portugeezen verdedigd werden. Ook wist men, dat de Admiraal, in
plaats van Kolonel van Dorth, die denkelijk met zijn schip vergaan
was, tot Bevelhebber der landingstroepen aangesteld had: Majoor Allert
Schouten, een oud gediende uit het leger van Zijne Excellentie Prins
Maurits. Aan moed en dapperheid ontbrak het hem niet, doch hij was
honderdmaal beter om een gegeven bevel uit te voeren dan er een te
geven, dat zou later blijken. Of de Admiraal dat niet wist, is niet
bekend, doch als hij wist, kon hij toch moeielijk een ander benoemen,
want van al de Officieren van de landingstroepen, was hij de hoogst
geplaatste, en op zijn gedrag viel niet het minste aan te merken,
terwijl iedere soldaat van hem wist te vertellen, dat hij vechten kon,
als een leeuw.
Vol vroolijken moed werd de tocht nu voortgezet. Schepen aanvallen en
na plundering in brand steken, muren beschieten en bestormen, roem, eer
en buit behalen, wat kon iemand, die ten oorlog voer, meer verlangen?
Men was, dat wist ieder, voor zoo iets aangemonsterd!
Den achtsten Mei kreeg men de Allerheiligen-baai in het gezicht en
werden andermaal de Bevelhebbers geroepen om op de „Zeelandia” het plan
van aanval te bespreken, opdat alles met orde en regel geschieden zou,
wat zeer noodig was, daar een deel van het gevecht op het land en een
ander deel op het water zou gehouden worden, en de een op den ander
zou kunnen rekenen. Er werd besloten den vijand eerst van de zeezijde
aan te vallen, en dan, te midden van het gevecht, het landingsleger te
ontschepen.
San-Salvador was voor eene verdediging zeer gunstig gelegen, doch het
fort San-Antonio, dat de haven of den ingang der baai moest beschermen,
lag veel te hoog om schepen, die reeds in de baai waren, te beschieten.
Hoewel er van het fort vreeselijk gevuurd werd, leden de onzen geen
schade, want de kogels vlogen boven de toppen der masten heen.
De Portugeezen van de stad konden evenwel meer kwaad doen, en de
oorlogsvloot, die in de baai lag, liet de Hollanders ook maar niet
ongestoord naderen. De ontvangst toonde, dat de Portugeezen, al
waren ze ook aan Spanje onderworpen, hun’ ouden heldenmoed nog niet
verloren hadden. Uit deze kleine mededeeling blijkt voldoende,
dat de Portugeezen geheel handelden als de Oost- en West-Indische
Compagnie bij ons deden. Evenmin als onze oorlogsschepen in dienst
van de Republiek waren, behoorde de oorlogsvloot der vijanden tot het
Spaansche Rijk. Zij was geheel en al eene oorlogsvloot van verbonden
Portugeesche kooplieden.
Die krachtige verdediging verbaasde niet een der onzen. Ze hadden
volstrekt niet verwacht, dat ze zonder slag of stoot zulk eene
belangrijke en sterke havenstad zouden innemen en ze hadden op een’
kloeken tegenstand gerekend. Dat de kogels van San-Antonio geen doel
troffen, was een meevallertje, maar uit de stad van het strand, en
vooral van het fort San-Marcello do Mar, dat midden in de baai op eene
rots van arduinsteen opgebouwd was, scheen men goed te willen maken,
wat San-Antonio te kort kwam.
„Dat gaat er dan zeker eens op zijn ouderwetsch op los, Admiraal,”
sprak Marten tot Piet Heyn, in wien de zeerob nog maar altijd niet een’
man kon zien, die in rang zoo ver boven hem stond.
„Ja, Marten, maar het gaat mij te langzaam! Blokmaker, ziet ge ginds
die vijftien vijandelijke schepen liggen?”
„Jawel, Admiraal!”
„Best, die zullen we met behulp van „de Neptunus,” „de Groningen” en
„de Nassau” voor onze rekening nemen!”
„Maar het fort, dat er achter ligt, zie ik ook, Admiraal,” zeide Marten
eenigszins schroomvallig.
„Het fort zie ik niet van al de schepen, Marten! Dat zullen we zien,
als we de schepen op de vlucht gejaagd, of vernield hebben,” antwoordde
Piet Heyn.
„Gansbloed, wat een kerel,” riep Marten, thans werkelijk den afstand
tusschen schipper en Vice-Admiraal geheel vergetende. „Gij zijt er een
uit de duizend, Piet! Mijn zuidwester zal in eene zeilkooi veranderen,
als we dat varkentje niet gewasschen krijgen. Een zwabberpaai ben ik,
als ik bakzeil inhaal.”
„Komaan, Steven, een Wilhelmusje, oude jongen,” zeide Blokmaker. „De
Portugees moet hooren met welk slag van volk hij te doen heeft.”
[Illustratie: De onzen waren ook kerels. (Bladz. 172).]
Vroolijk klonken de tonen van Steven’s trompet langs het water, doch
weldra werden ze geheel en al verdoofd door het gedonder der kanonnen.
Tot zeven uren hield men het gevecht vol, toen Piet Heyn, nadat „de
Groningen” buiten staat geraakt was, den strijd voort te zetten,
eensklaps drie sloepen, elk met twintig matrozen bemand, op den vijand
afzond. Het is bijna ongeloofelijk, dat de Portugeezen zich hierdoor
zoo bevreesd lieten maken, dat ze haast niet wisten, wat te doen. Maar
de onzen waren ook kerels. Ze klommen aan boord van het grootste schip,
doch vonden dit reeds verlaten en in brand gestoken. Drie andere
schepen vatt’en mede vuur en thans werd de vlucht algemeen. Piet Heyn
meende, dat men, van den schrik onder de vijanden gebruik makende,
ook meteen het lastige arduinsteenen fort wel bemachtigen kon. Hij
liet aan den Admiraal verlof vragen om dit te mogen doen, en deze was
met dit voorstel zeer ingenomen. De wakkere Vice-Admiraal talmde niet
lang. Hij liet veertien booten uitzetten. In elke boot namen twintig
mannen plaats, terwijl hijzelf wel zorgde, er één van te zijn. Met den
trompetter Steven bevond hij zich in de voorste boot. De onderneming
was gewaagd genoeg, en zelfs Marten, die in de tweede boot was, noemde
het een „gevaarlijk karweitje”, want men was te weten gekomen, dat de
bezetting uit zeshonderd man bestond.
Maar de brutale regeert de halve wereld, en hoe men ook van het fort
schoot, weldra lag Piet Heyn met zijne boot tegen den muur, en Marten
volgde met de andere bijna op hetzelfde oogenblik.
„Houd-je goed, schipper,” riep Steven, die in de eene hand een zwaard
hield, en de andere gebruikte om de trompet vast te houden. „Houd-je
goed, man! Volg mijn voorbeeld maar, dan kan-je jezelven overtuigen of
iemand, die eene schorre trompet blaast, ook bang uitgevallen is.”
„Akelige toetermajoor, belast den hond en blaf zelf,” antwoordde Marten
geraakt. Toch stond hij op, maar niet, omdat Steven hem dit beval, doch
om zelf naar boven te klauteren. Hij sloeg zijn’ bootshaak in den muur
en....
„Ben-je nou heelemaal van Lotje getikt, kerel?” schreeuwde eensklaps
Marten tot Steven, die tegen hem opklom om zoo op de borstwering te
komen. Steven stoorde er zich evenwel niet aan, maar was al boven,
en eer Marten zich wat verplaatsen kon, stond Piet Heyn al op zijne
schouders en sprong ook op het bolwerk.
Steven was de eerste van allen, die in de sterkte was, en, alsof
zijne trompet moest scheuren, zoo blies hij het krachtige en geliefde
„Wilhelmus”.
„Ha, Steven, ben-je daar, jongen?” riep Piet Heyn, die de tweede was.
„Dat is een goed begin! Valt aan! Valt aan! Slaat dood! Geen genade!
Hoezee!”
De Portugeezen stonden verbluft en gingen op de vlucht. Weldra waren
al de booten aangekomen en het fort was genomen. De laatste, die op
de borstwering stapte, was Marten. Hij ging regelrecht naar Steven
toe, die nog maar uit al zijne macht stond te blazen, en hem bij de
schouders schuddende, schreeuwde hij: „Zeg ereis, droge gruttenteller,
jij moet me nog eens voor ladder gebruiken, als je het hart hebt.
Dan zal ik je met je magere spillebeenen en je bolle wangen, als een
gerezen papbeschuit, zoo mooi koppetje onder doen duikelen, als je ooit
gezien hebt, waterhoen, die je bent! Wat heb-je mijn tuig onklaar te
maken, als....”
Daar vloog hem de wollen muts van het hoofd en kreeg hij een’
musketkogel door de pijp van zijne wijde broek.
„Dat heb-je voor je razen, oude scholker,” zei Steven lachende, daar
hij onder het schudden van Marten onmogelijk had kunnen blazen.
De kogels, die Marten bijna het hachje hadden doen inschieten, kwamen
van den vijand, die het veroverde fort eenige kogels toezond, doch het
dan stil liet liggen, om later alweer te gaan vuren.
[Illustratie]
Er kwam een oogenblik van rust, wat ieder welkom was, want men had zich
in het zweet gevochten. Piet Heyn wuifde zich met den zakdoek koelte
toe, en riep: „Mannen, op het fort gedurende den nacht overblijven,
zullen wij niet, want de schepen zijn te zwak bemand en zouden gevaar
loopen, zoo niet genomen, dan toch in brand gestoken te worden. Beter
het fort verlaten en dat mogelijk weer prijs gegeven dan de schepen
kwijt. Maar, eer wij de stukken vernagelen en alles vernielen, een paar
kanonskogels tot afscheid aan het volk daar aan het strand. Het kan ons
nog te veel kwaad brouwen. Hebben wij die luî daar op den loop gejaagd
en hier alles onbruikbaar gemaakt, dan keeren wij naar boord terug.
Komtaan, over een half uur moet San-Marcello do Mar niemendal meer
zijn, en ieder onzer het scheepsdek onder de voeten hebben. Na gedaan
werk is het goed rusten.”
Aan dit bevel werd ten spoedigste voldaan, want die Portugeezen daar
op het strand, konden met hun schieten het den Hollanders al te lastig
maken, en af en toe zag men een der onzen door een’ welgemikten
musket-kogel doodelijk gewond of getroffen neervallen.
„Vuur!” commandeerde Piet Heyn toen zijne mannen een paar kanonnen naar
het strand gericht hadden.
De Portugeezen hielden eenigen tijd wakker stand, doch namen eindelijk,
toen het aantal hunner dooden te groot werd, de vlucht.
Nu werden de vijandelijke kanonnen vernageld en de dapperen keerden
naar hunne schepen terug.
Toen ze weer op de „Gelderland” waren, klopte Piet Heyn zijn’ schipper
op den schouder en zeide: „Zie-je wel, Marten, eerst konden we het
fort zelfs van buiten niet zien, en nu hebben we het van binnen
bekeken. Hoe bevalt je dat?”
„Best, Admiraal, best! Maar als we weer eens zulk een kattebelletje te
verrekenen hebben, mag ik lijden, dat u en het volk een’ bril opzet om
een fatsoenlijk schipper niet aan te zien voor eene ladder, weet u!
Alles behalve pleizierig zulk eene vracht op den nek!”
„Nu, nu, je bent er toch ook nog aan den slag geweest, dat heb ik best
gezien. En kwam-je, tegen je wil, ook wat laat om van leer te trekken,
troost-je dan met de gedachte, dat je een’ volgenden keer de eerste
zult wezen,” zeide Piet Heyn, ondeugend lachende, waarna hij zijne
kajuit binnenging en den schipper alleen liet brommen.
„Zeg, Marten,” riep eensklaps Blokmaker, „zeg, waar is Steven toch? Ik
zie hem nergens!”
„Steven? Wel, aan boord, waar anders?”
„Neen, niet aan boord. We missen hem.”
„Wat? Is hij er niet? Weet gij het zeker?”
„Zoo zeker, als ik weet, dat tweemaal twee vier is.”
„Dan is hij nog op het fort. Ik ga hem halen. Wie gaat er mede?” riep
Marten.
Aanstonds verklaarden zich tien wakkere gasten daartoe bereid. Zonder
tegenstand te ontmoeten beklom men, toen de duisternis reeds ingevallen
was, de gehavende muren, en begon men onder de gesneuvelde Portugeezen
naar Steven te zoeken.
„Wacht,” zei Marten, „hier heb ik gestaan toen ik, even vóór we het
fort verlieten, met hem praatte. Komt eens hier met eene lantaarn!”
Men kwam en zocht, doch tevergeefs.
Eindelijk ontdekte men een veertig schreden verder eenige beweging. Men
ging er heen en....
„Ben-je daar, Marten?” vroeg iemand met zwakke stem.
Marten herkende de stem van Steven en zeide: „Maar, Steven, hoe lig-je
daar zoo? Kom, sta op! Hier is je hangmat toch niet, kameraad!”
„Laat me maar liggen, Marten! Ik zal het zoolang--niet meer--maken.”
„Wat blief-je?”
„Ik--was de eerste--op--het fort;--ik wilde--de
laatste--zijn.--Jelui--waart al--in de--b-boot,--er stonden
nog--een--veertig van de „Groningen”--toen--een k--kogel;--ik
weet--niet--wat er--met--me gebeurd is.--De--borst--doet
me--pijn.--Zal-je moeder--goe--den dag--zeg--zeggen en--en--Piet
Hey--Heyn,--den--den--Admi--Admiraal!--W--wel--te--r--rus....”
„O, God! Steven, wat doe-je? Ben-je dood? Steven, zeg, jongen! Zeg, dat
het niet waar is! Steven, hei, hei, word wakker! Een „Wilhelmusje”, toe
dan, kerel,” riep Marten bijna krankzinnig van schrik en smart.
Men naderde van de stad.
„Mee, schipper, mee! De vijand schijnt te komen. Haast u, gauw wat,”
riepen de matrozen.
„Niet zonder hem. Hij zal op de „Gelderland” wel tot zijn verhaal
komen,” antwoordde Marten en nam den trompetter op. De anderen hielpen
hem, en juist bijtijds was men in de boot en in het duister van den
nacht verdwenen, toen de Portugeezen aankwamen. Eenige musketschoten
werden door hen op goed geluk gelost, doch kwetsten niemand.
Ook Piet Heyn had vernomen, dat Steven niet teruggekeerd was en stond
nu, nieuwsgierig naar den afloop der zaak, over de verschansing in zee
te kijken.
„Wel, mannen, hebt gij het verdwaalde schaap gevonden?” riep hij den
terugkeerenden toe, toen hij hen gewaar werd.
„Jawel, Admiraal, gevonden wel, maar dood,” antwoordde een der matrozen.
„Neen, hij kan niet dood zijn,” liet Marten zich hooren. „Hij heeft
zich overblazen; hij zal wel bijkomen. Hier, helpt hem voorzichtig naar
boven! Maar voorzichtig, hoor-je! Zijne borst doet hem pijn, heeft hij
me gezegd.”
Steven werd op het dek neergelegd en de scheepsbarbier verklaarde,
nadat hij hem den pols gevoeld en overal betast had: „Dood!”
Op dat woord barstte Marten in een hevig geween los. Hij viel op
Steven’s lijk en zijne eigenaardige zeemans-uitdrukkingen niet kunnende
veranderen, riep bij op bijna gillenden toon: „Steven, Steven, jongen,
vergeef me, dat ik je uitgescholden heb. Wakkere maat, moest jij alleen
nu door zoo’n blauwe boon het licht uitgeblazen worden? En dat nog al
zonder van mij gehoord te hebben, dat je woord gehouden en getoond
hebt, zooals je bij Sint-Vincent zei, dat je, als het er opaan kwam,
zoudt laten zien, dat je de gort waard was? Arme maat! Arme maat!”
De matrozen namen Marten, die, na de hevige opwinding, stom van smart
geworden was, van het lijk af.
„Blokmaker,” zeide Piet Heyn, „waar is Steven’s trompet gebleven?”
„Ze ligt naast hem, Admiraal!”
„Bind ze hem op de borst eer de zeilmaker zijn werk doet,” sprak Piet
Heyn. „De arme jongen en zijne trompet waren onafscheidelijk één. Ze
moeten één blijven, ook daar in de diepte.”
Getroffen door zulk een fijn gevoel bond Blokmaker de trompet op
dat plekje van de borst, waar Steven pijn gevoeld had. Toen kwam de
zeilmaker met een lap schoon zeildoek, wikkelde Steven’s lijk er in, en
de timmerman bond dat aan eene plank, die aan het voeteinde met kogels
bezwaard was, vast.
Toen dat alles gedaan was, trad Piet Heyn nader. Eerbiedig deed hij het
gebed.
Na het „Amen!” klonk het bootsmansfluitje en een paar matrozen schoven
de plank met haar’ treurigen last half over boord.
„Een-twee-drie! In Godsnaam!” zeide Piet Heyn.
Weer klonk het bootsmans-fluitje en de plank met haar’ last verdween in
de diepte.
Uit een afgelegen hoekje keek Marten toe, en met dikke tranen op de
wangen snikte hij: „Goed gevoeld van Piet, goed gevoeld! Geen ander
mocht op die trompet meer blazen. Ze waren één die twee: Trompetter en
Trompet!”