„Slaet opten trommele!”
Met het lossen van de lading had Piet Heyn al zeer weinig te maken,
want dat was meer het werk van de Compagnie, die zich repte om er mede
klaar te komen, zoodat het volk van de „Muskaatboom” naar huis kon,
doch toen het schip geheel en al ledig was, zag men zeer goed, dat het
in den storm, dien het had moeten doorstaan, te veel geleden had om zoo
alweer zee te kiezen. Op denzelfden dag echter, dat de „Muskaatboom”
aankwam, was er een prachtig nieuw schip, dat den naam van de „Breê
Veertien” droeg, afgeloopen, en de Oost-Indische Kamer van Rotterdam
aarzelde geen oogenblik om dit schip onder bevel van schipper Heyn, zoo
spoedig mogelijk te laten vertrekken, en reeds twee maanden na zijne
thuiskomst, lag de „Breê Veertien” gereed om uit te zeilen.
Onder de velen, die we aan boord terug konden vinden van de
„Muskaatboom”, waren ook Blokmaker, die er eerste stuurman, en Marten,
die er hoogbootsman op was. Koopman Evertsz. had in alles trouw
woord gehouden, ook in het verdeelen van den buit, dien men in het
Portugeesche schip gevonden had.
Hoe lang de reis duurde en waarheen de bestemming van de „Breê
Veertien” was, vond ik nergens aangeteekend, doch waarschijnlijk was
het weer Ceylon. Wel vermeld vindt men, dat schipper Heyn gelukkig
voer, en daardoor bij de Compagnie zeer hoog aangeschreven stond. Nu
eens was hij kort of lang thuis, dan weer kort of lang uit, en als
zijne Moeder of Annetje over dat steeds van honk zijn begonnen te
klagen, en de laatste er vooral op wees, dat ze geen kinderen hadden
en voor burgermenschen rijk genoemd konden worden, zoodat langer varen
volstrekt niet noodig was, dan lachte hij eens even en zei: „Hoor eens,
Annetje, gelijk heb-je, lieve ziel, maar ik kan niet anders. Ik heb
thuis geen rust, en dat komt, omdat Vader en Moeder me verkeerd heb
laten doopen. Iedereen noemt mij Pieter Pietersz. Heyn. Zoo teeken ik
mijn naam en zoo heet ik op de scheepsrol, maar mijn ware naam is Jan
Nergensrust. Je begrijpt nu wel, dat ik niet geboren ben om thuis onder
de schouw (den schoorsteen) te zitten.”
Schoonvader Claes de Reus was er niet tegen, dat Piet Heyn deed, als
een Jan Nergensrust en niet ging rentenieren. Volgens zijne meening
was Piet nog veel te jong om aan den wal te blijven en daar den tijd
door te brengen in ledigheid, en als Annetje hem zeî, dat hij aan den
wal toch wel wat doen kon, dan was Vaders antwoord bijna altijd: „Wat
zou hij doen? Een zeeman aan den wal is als een os op den preekstoel,
en gewoonlijk zoekt hij zijn verzet buitenshuis op plaatsen, waar de
drankflesch hem vergeten doet, dat hij aan den wal zich verveelt.
Waarom zou Piet anders zijn? Wees dus blijde, kind, dat je man er niet
aan denkt om stilletjes aan den wal te blijven.”
Gedurende den tijd dat Piet Heyn de Oost-Indische Compagnie menig
voordeel bezorgde, hadden aan den wal de mannen van wapenen rust gehad.
In 1609 had de Republiek met Spanje een’ wapenstilstand voor den tijd
van twaalf jaren gesloten, en daar die jaren om waren en Spanje er
nog niet toe te bewegen was, zich overwonnen te verklaren en een’
nadeeligen vrede te sluiten, zoo hadden de vijandelijkheden opnieuw
een aanvang genomen en hoorde men alweer allerwegen over krijgszaken
spreken.
Voordeelig ging het den onzen in den oorlog te land niet. De twaalf
jaren van rust hadden op het leger een’ zeer nadeeligen invloed
uitgeoefend. De oude, in den krijg zoozeer geoefende soldaten, waarmede
Prins Maurits, als de eerste Veldheer van Europa, den wapenroem der
jonge Republiek zoo menigmaal schitterend gehandhaafd had, waren
langzamerhand verdwenen, en het scheen wel, dat met hen ook moed,
dapperheid en kracht geweken waren. Ja, die twaalf jaren van rust
schenen ook een’ merkbaren invloed uitgeoefend te hebben op den
Aanvoerder zelven. De krijgsverrichtingen van Prins Maurits hadden
weinig te beduiden; hij was niet meer, als voorheen, de ondernemende
krijgsheld, die heel zijn leger wist te bezielen en tot kloeke daden
te prikkelen. Maar het was ook verre van rustig geweest in die twaalf
jaren. Godsdiensttwisten, die met Staatstwisten hand aan hand gingen,
hadden het land beroerd, ja, ze beroerden het nog. Oldenbarnevelt, de
grijze Staatsman, die het Vaderland als een „goed patriot” gediend
had, was op een schavot onthoofd; het „Delftsche Orakel”, de groote
Hugo De Groot, was veroordeeld geworden tot levenslange gevangenschap
in een’ ongezonden kerker. Wel was hij in eene boekenkist ontvlucht,
doch dat verminderde de hardheid van het vonnis niet. Bloedverwanten
van den onthoofden Advocaat peinsden op wraak, en de Remonstranten,
eens oppermachtig en nu machteloos, zagen slechts naar eene gelegenheid
uit om het verloren gezag te herwinnen. Het was verdeeldheid hier,
verdeeldheid daar, verdeeldheid overal in den lande.
En toch genoten deze gewesten, ondanks dien ellendigen staatkundigen
toestand en al die verdeeldheid, eene ongekende welvaart. De
Oost-Indische Compagnie bracht schatten in het land en gaf den
nijveren werkman handen vol arbeids. In de havenplaatsen ging op de
scheepstimmerwerven het hameren en kloppen dag aan dag door. Men
bouwde daar schepen van vierhonderd tot vijfhonderd lasten inhoud,
dikwijls bewapend met vierenveertig stukken geschut, terwijl de schepen
in dienst van het land niet veel meer dan driehonderd lasten inhoud
hadden. In 1625 telde het sterkst bewapende oorlogsschip van het
Gemeenebest slechts zesendertig stukken geschut. De groote voorspoed
van de Oost-Indische Compagnie had sommige kooplieden aangespoord
ook eene West-Indische Compagnie op te richten. Reeds in 1604 wendde
een zeker Antwerpenaar Willem Usselincx, die zich later te Amsterdam
nederzette, daartoe pogingen aan. Zijn voorstel, dat door den geleerden
Amsterdamschen Predikant Petrus Plancius, zeer aanbevolen werd, werd
door de Staten-Generaal gunstig ontvangen, en dezen beloofden de
ondernemers van Staatswege te steunen met één millioen gulden en
zestien oorlogsschepen. Men durfde evenwel niet toebijten, en zoo kwam
het, dat de West-Indische Compagnie eerst in 1621 werd opgericht. Al
heel spoedig scheen het, alsof zij hare oudere zuster in voorspoed
overtreffen zou; want reeds vier of vijf jaar na hare oprichting had
ze vier vloten in zee, die samen uit ongeveer tweeënzeventig schepen
bestonden, welke zoowel ter oorlogs- als koopvaardijvaart waren
ingericht. Die schepen hadden bijna dertienhonderd stukken geschut aan
boord, en waren bemand met een negenduizendtal zeelieden, stoere en
ondernemende gasten, die toen reeds het liedje van Heye tot waarheid
maakten:
„Een Hollandsch kind, dat is bekend,
Dat vindt in zee zijn element.”
Ja, in de dertien jaren van haar bestaan, van 1623 tot 1639, zond
zij meer dan achthonderd schepen met zevenenzestigduizend zeelieden
en soldaten naar hare bezittingen, en er waren tijden, dat ze wel
vierentwintigduizend man in haar’ dienst had. Ze had dan ook hare
eigene Admiraals en Zee-officieren.
Zoo ik hoop, zullen deze paar bladzijden geschiedenis u niet te zeer
verveeld hebben. Ik achtte ze noodig om u eenig begrip te laten
verkrijgen van de betrekking, die de held van ons verhaal bij de
West-Indische Compagnie bekleedde. Nu we echter hieromtrent op de
hoogte gebracht zijn, keeren we tot onzen kloeken visscherszoon terug.
De verbazende vlucht, die de West-Indische Compagnie binnen korten tijd
maakte, scheen iedereen in den waan te brengen, dat de West voor de
Republiek veel meer worden zou dan de Oost. Er werden winsten behaald,
die aan het ongelooflijke grensden, en wat elken zeeman vooral aantrok
was, dat er voor het scheepsvolk, boven de hooge gage, zoo nu en dan
nogal eens een voordeeltje te behalen was door zelf in alle stilte op
eigen houtje te handelen. Het mocht wel niet, maar men deed het toch.
De groote winsten hadden de aandeelhouders van deze Compagnie brutaal
gemaakt. Alles durfden ze aan en bijna alle waagstukken gelukten ook.
Toen Piet Heyn weer eens uit de Oost thuis gekomen was, kwam hij in
aanraking met schippers, die op de West voeren, en dezen wisten de
zaak zoo smakelijk te maken, dat onze Piet, al ware het alleen om ook
eens in die Amerikaansche landen te komen en wat anders te zien en te
beleven, in dienst van de West-Indische Compagnie overging, en daar
hij, het geheele land door, als een ondernemend, verstandig, gelukkig
en dapper schipper bekend stond, namen de Heeren hem gaarne in hun’
dienst, en weldra was hij schipper of Kapitein op een der grootste en
schoonste schepen van die Maatschappij.
We gebruiken hier de uitdrukking „schipper of Kapitein” en dat
komt, omdat het woord schipper langzamerhand was gaan beduiden:
„gezagvoerder op geen heel groot schip”, en hierboven hebben we al
gezien welke groote schepen de West-Indische Compagnie in de vaart
had. Zoo de bemanning en de bewapening van een schip recht konden
geven op den titel van Kapitein, dan verdienden de gezagvoerders
van de West-Indische koopvaardij-schepen hem meer dan die van de
oorlogsschepen in ’s lands dienst, hoewel Kapitein op een oorlogsschip
nog altijd voor wat hoogers aangezien werd dan Kapitein op een’
koopvaarder. Toch zullen we Piet Heyn den titel van Kapitein geven tot
hij wat anders, wat meer geworden is.
Het eerste schip der West-Indische Compagnie, waarop hij, als Kapitein,
werd aangesteld, voerde niet minder dan achttien stukken geschut.
Voor een’ gewonen koopvaarder was niet alleen deze bewapening veel te
sterk, maar ook de bemanning was er te talrijk voor. Dit alles was
echter noodig en heel wat anders dan vertooning maken. Alles, wat de
Spanjaarden in Oost-Indië hadden, was hoofdzakelijk bezitting geweest
van Portugal, en nog altijd waren de Portugeezen in de Oost veel
talrijker dan de Spanjaarden, terwijl de Spaansche oorlogsschepen
er bijna niet gezien werden. Heel anders was dat in Amerika, want al
wat Amerika was, in het Noorden zoowel als in het Midden en Zuiden,
en op de Groote en Kleine Antillen, werd door de West-Indische
Compagnie bezocht, en daar waren de Spanjaarden de machtigsten. Uit
Amerika kreeg Spanje goud en zilver en daar had het vrij machtige
vloten en versterkingen. In heel veel gevallen moesten schepen van de
West-Indische Compagnie met vechten eene lading in krijgen, en van
ruilen en koopen, als in Oost-Indië, kwam daar niet veel in.
Reeds lang had de West-Indische Compagnie het oog gehad op eene vaste
havenplaats in het rijke Brazilië, en haar oog was gevallen op San
Salvador bij de Allerheiligen-baai, of zooals die toen heette: „Bahia
de Todos los Santos.” Men rustte daartoe eene vloot van drieëntwintig
groote schepen en drie jachten uit. Het opperbevel over de zeemacht
werd toevertrouwd aan Jacob Willekens, die den titel kreeg van
Luitenant-Admiraal, en het bevel over de landmacht, die ook aan boord
was, werd opgedragen aan Kolonel Joan van Dordt. Maar behalve een
Luitenant Admiraal had de Compagnie ook een’ Vice-Admiraal noodig, en
voor die betrekking liet ze het oog vallen op onzen Pieter Pietersz.
Heyn. Daar men echter overal menschen vindt, die al het nieuws, dat
ze weten, aan iedereen vertellen, zoo was er besloten geworden, dat
men het gemaakte plan voor iedereen, zelfs voor den Admiraal en den
Vice-Admiraal geheim zou houden. Eerst wanneer de vloot op eene
bepaalde hoogte was, zou de Admiraal zijn’ lastbrief mogen openen. Men
ging hierbij zoo geheimzinnig te werk om te zorgen, dat de Spanjaard
van het doel der onderneming niets te weten kwam.
Op de eerste reis, die Piet Heyn met dat schip van achttien stukken
geschut naar Amerika gemaakt had, was het uitgekomen, dat hij een’ man
naar het hart der Bewindhebbers van de West-Indische Compagnie was.
Hij had bewezen te zijn een Kapitein, die op de zee door en door thuis
was, een man, die moed en beleid bezat, een gezagvoerder, die bij zijn
volk bemind was, en wat den Heeren misschien nog meer waard was, door
eene buitengewoon rijke lading in het Vaderland te brengen, had hij
ook getoond een uitstekend koopman te zijn. Zoo’n Kapitein, van alle
markten thuis, wilde men behouden en daardoor kwam het, dat men op hem
het oog liet vallen voor Vice-Admiraal.
Nog niet zoo heel lang van die eerste reis teruggekeerd, en nog niet
denkende om spoedig te vertrekken, zat Piet op een’ Augustusavond van
1623 aan zijne vrouw een en ander van zijne reizen te verhalen, toen
men den klopper op de deur liet vallen.
„Er wordt geklopt, Piet,” zei Annetje.
„Laat genoeg,” bromde Piet, die zich ongaarne in zijn verhaal gestoord
zag.
„Nu, ik zal wel eens opendoen,” sprak de oude De Reus.
„Neen, neen, blijf zitten, Vader! Dat kan ik ook wel,” hernam Annetje
en ging naar de deur.
„Wel, vrouwtje,” dus klonk eene stem, die aan alle huisgenooten vreemd
was, „wel, vrouwtje, is Kapitein Pieter Heyn ook thuis?”
„Jawel, Mijnheer, hij is binnen.”
„Wij wenschten hem wel eens te spreken,” zeide nu de ander. De Heeren
waren met hun beiden.
„Komt er dan in, Heeren! Is het eene geheime zaak?”
„Hoe dat, vrouwtje?”
„Dan zal ik u hier in de pronkkamer laten, anders....”
„Nu, wat „anders”?”
„Anders wil ik u uitnoodigen in de woonkamer te komen. Er is daar
niemand dan mijn man en mijne Ouders!”
„Ha, is u de vrouw van onzen wakkeren Kapitein? Vergeef ons onze
lompheid; wij kenden u niet!”
„Niets te vergeven, Heeren! Men zegt immers: In den donker zijn alle
katjes grauw?”
„Nu, als er dan niemand anders binnen is dan de lieden, die u genoemd
heeft, laat ons dan gerust in de woonkamer. Wij komen uw’ man een
vereerend aanbod doen.”
„Komt ge hem weer naar zee halen, Heeren?”
„Ja! Niet goed?”
„Och, wat zal ik zeggen? Eene zeemansvrouw is een ongelukkig wezen.
Maar, komt er in, komt er in! Ze zullen daar binnen anders denken, dat
er allerlei zaken verhandeld worden.”
[Illustratie: De twee heeren traden binnen. (Bladz. 160).]
De twee heeren, door vrouw Heyn voorgegaan, traden binnen. Blijkbaar
behoorden ze tot de aanzienlijkste burgers van Rotterdam; want hunne
kleeding was, hoe eenvoudig ook, toch van dure en keurig fijne stof.
Zoodra ze binnentraden stond Piet Heyn op en wenschte hun goeden avond.
„Goeden avond, Kapitein,” sprak hij, die de oudste was. „Zoo genoeglijk
aan den huiselijken haard?”
„Zooals ge ziet, Heeren! En ofschoon ik de eer niet heb u te kennen,
zag ik toch gaarne, dat ge daar niet bleeft staan, maar eene gewone
burgermans-zitting voor lief wildet nemen!”
De twee heeren gingen zitten en nauwelijks was dat geschied, of
de oudste zeide weer: „Ge kent ons niet, zegt ge. Welnu, we zijn
Bewindhebbers van de Kamer van de Maze der West-Indische Compagnie. Op
de vergadering, kortelings te Amsterdam gehouden, is besloten, dat de
Compagnie eene vloot zou uitzenden om hiermede den Spanjaard in eene
van zijne Amerikaansche bezittingen aan te tasten. Welke die bezitting
is, moet geheim blijven. De Admiraal krijgt een’ lastbrief mede, welken
hij pas op eene bepaalde hoogte in zee openen mag. Daar de heele
onderneming van het hoogste gewicht is, zoo is geheimhouding een der
voornaamste middelen om te slagen. De Spanjaard moet verrast worden.”
„Eene schoone onderneming, Heeren,” sprak Pieter.
„Ja, maar toch ook nog iets anders dan eene schoone. Het is eene
gewichtige, moeilijke, ja, gevaarlijke onderneming. Zoo ze slaagt, dan
zal het, voorwaar, niet lang duren, of wij zijn onze oudere zuster de
Oost-Indische Compagnie boven het hoofd gewassen. Slaagt ze niet, dan
loopen we veel gevaar er geheel onder te geraken.”
„Er is maar één weg, Heeren, om te zorgen, dat de onderneming gelukt!”
„En deze is?”
„Eene flinke vloot met een landingsleger er heen te zenden. Als de
vloot onder een wakker Admiraal staat en de landingstroepen worden door
een moedig en beleidvol Overste aangevoerd, dan zou de wind al uit een’
vreemden hoek moeten waaien, als het schip van zijne ankers weggeslagen
werd en zijne bestemming niet bereikte.”
„Dat wil zeggen?”
„Dat wil zeggen, dat er dan al heel vreemde dingen zouden moeten
gebeuren, als het doel niet ten volle bereikt werd. Maar zoowel de
vloot als het leger moet uitstekend zijn.”
„Daar houden wij het ook voor!”
„En als ik nu den Heeren een’ goeden raad mocht geven, dan zou ik hun
een’ besten Admiraal kunnen noemen. Het hangt bijna geheel van hem af,
of het plan gelukken zal, ja ofte neen!”
„Let op,” fluisterde de jongste Bewindhebber en stootte den oudsten
aan, „hij zal zichzelf noemen!”
Piet Heyn scheen echter een scherp gehoor te hebben; want eensklaps
schoten zijne oogen, als het ware, vlammen en zich half uit zijn’ stoel
oprichtende, sprak hij met kwalijk ingehouden woede: „Ik behoef mij,
den Heere zij dank, nog niet bij de Heeren Bewindhebbers van de eene
of andere Compagnie op te dringen om een baantje te krijgen. Pieter
Pietersz. Heyn is mans genoeg om geen baantjes-bedelaar te worden!”
De jonge Bewindhebber was bij het aanhooren dezer woorden niet op zijn
gemak. Hij trachtte zich te verontschuldigen door te zeggen: „Fij, fij,
wat zijt ge oploopend! Ik meende dat zóó niet; het was slechts eene
aardigheid!”
Piet Heyn scheen evenwel, en met recht, van zulke aardigheden niet
gediend, althans hij vroeg zeer kortaf: „Mag ik derhalve weten, wat de
Heeren hier komen zoeken?”
„We zullen u dat gaarne zeggen, Kapitein! Eerst evenwel wilden wij
van u den naam van den Admiraal hooren, die, naar ge meent, voor deze
onderneming het meest geschikt is!”
Piet Heyn zweeg in het eerst, doch eindelijk zeide hij: „Als de Heeren
kans willen hebben, dat hunne onderneming slaagt, dan moeten ze niemand
anders nemen dan Jacob Willekens. Dát is de aangewezen man!”
„Dien hebben we reeds gekozen en hij heeft de benoeming aangenomen,”
antwoordde de oudste.
„Dan hebben de Heeren goed gekozen!”
„Ziet ge wel, dat we toch ook wel iets kunnen doen dat goed is?” zeide
hij, die het eerst gesproken had. „Maar we hebben aan een’ Admiraal
niet genoeg. Des menschen leven is in des Allerhoogsten hand. Hem zou
iets menschelijks kunnen overkomen, en in dat geval is het noodig,
dat er reeds vooraf iemand is aangewezen, die hem vervangt. Voor die
betrekking hopen we in uwe oogen ook een zeer geschikt man gekozen te
hebben.”
„Misschien wel,” antwoordde Piet Heyn, nog altijd een weinig geraakt,
„doch de Heeren zullen niet gekomen zijn om mij te vertellen, wat
ze zoo al gedaan hebben om de West-Indische Compagnie voordeel te
bezorgen, daar dit iets is, wat mij niet aangaat, want ik heb geen
enkel aandeel in die Compagnie. Mag ik derhalve weten, wat u in den
laten avond herwaarts voert?”
„Welzeker, Kapitein! De vergadering koos u tot Vice-Admiraal en
vaardigde ons af om u te vragen of ge lust hebt, onze Compagnie, als
vlootvoogd, te dienen.”
Piet Heyn stond verslagen en zijne vrouw de handen in elkander slaande,
riep uit: „Wel, groote deugd! Piet Vice-Admiraal! Wat eene eer voor een
eenvoudig Koopvaardij-kapitein! Vice-Admiraal!”
„Ik zal u in de volgende week antwoord geven, Heeren,” antwoordde
Piet Heyn, die met deze benoeming niet zooveel op scheen te hebben,
misschien wel, omdat de Heeren zich als wat al te voornaam goedhartig
voordeden.
„Het spijt mij u te moeten zeggen,” hernam de woordvoerder, „dat wij u
dit uitstel niet kunnen toestaan. Wat wij van plan zijn te laten doen,
moet zoo spoedig mogelijk geschieden, en als u nu die waardigheid niet
aanneemt, dan dienen we naar een’ anderen Vice-Admiraal om te zien,
en deze is niet zoo gemakkelijk te vinden, want mannen, die voor deze
gewichtige taak geschikt zijn, liggen maar niet voor het grijpen. Zeg
dus kortaf, ja of neen!”
„Neen, Heeren, ik zeg neen!”
„Maar, Piet!” riep Annetje, die blijkbaar wel de vrouw van een’
Vice-Admiraal wilde zijn. „Als gij weigert, slaat gij uwe eigen glazen
in! Bedenk het, man, bedenk het, Vice-Admiraal, wat eene eer! Wat zegt
gij, Vader?”
Claes De Reus, die tot dit oogenblik gezwegen had, stond op en zeide:
„Jongen, neem niet aan! Men meent immers, dat ge lamlendig kerel genoeg
zijt der Compagnie gunsten te vragen? Een Kapitein, als gij zijt,
behoeft niet met den honigpot te loopen.”
Nu evenwel rees de jonge Bewindhebber van zijne zitplaats op en naar
Piet Heyn gaande, sprak hij: „Ik zelf heb u in de algemeene vergadering
voorgesteld! Gelooft ge nu nog, dat ik u een’ bedelaar acht? Kom,
vergeet dat ongelukkige woord, dat ik mij inderdaad uit eene aardigheid
liet ontvallen. Ik gevoel het, dat het u moest beleedigen, en dat lag
niet in mijn voornemen. Daarvoor acht ik u te hoog. Laat ik nu, die u
voorgesteld heb, de eerste zijn, die uit uw’ mond verneem, dat gij der
Compagnie met uwe diensten genoegen en voordeel wilt doen. Niet gij
bedelt, de ~Compagnie~ bedelt!”
„Als de vork zóó in den steel zit, dan heb ik er vrede meê,” zeide De
Reus en stak doodbedaard zijn pijpje aan.
„Ik zou het aannemen, Piet! Wat zal uwe Moeder in haar’ schik zijn, als
ze dat hoort,” fluisterde Annetje hem in.
„Wat zal uwe Moeder in haar’ schik zijn,” dat woord maakte indruk op
den forschen zeeman, die zoo gevoelig was, zelfs voor de kleinste
beleediging.
„Nu dan, Heeren,” antwoordde hij na eene poos nadenkens, „ter wille van
Moeder en Vrouw neem ik de benoeming aan. Wanneer en waar aan boord?”
„Ja, de vloot is nog niet geheel klaar. We zouden evenwel gaarne
willen, dat de laatste schepen nog in Januari uitliepen. Admiraal
Willekens zal met de eerste schepen vooruitgaan en al de andere bij
Sint-Vincent, een der Kaap-Verdische eilanden, afwachten. Wij noodigen
u daarom uit, eens naar Middelburg en naar Enkhuizen te gaan om den
bouw der schepen te bespoedigen en in gereedheid te helpen brengen.”
„Het zal geschieden, Heeren!”
„Dank u! En nu we hier onze boodschap verricht hebben, zult ge het
ons wel niet euvel duiden, dat we u verlaten. Tijdens ons verblijf te
Amsterdam is al ons werk blijven liggen. We hebben het zeer druk. Mag
ik u verzoeken, dat ge zelf ook uw besluit aan de Kamer van Amsterdam
bekendmaakt?”
„Zeker, zeker, Heeren!”
„Nu, dan wenschen we u allen een’ goeden avond! Wel te rusten, samen!”
De heeren gingen heen en lieten Piet Heyn met zijne familie achter om
in alle stilte zich te verheugen over den loop der gebeurtenissen, die
van hem, eenvoudig visscherszoon, een’ Vice-Admiraal maakten.
Reeds een paar dagen later kwam Moeder Heyn uit Delftshaven naar
Rotterdam om te vernemen, of het waar was, wat ze had hooren vertellen.
Ze vond haar’ Pieter niet meer thuis, maar reeds op reis naar
Enkhuizen. Het woord van hare schoondochter was haar evenwel voldoende.
Vol vreugde strompelde de oude naar Delftshaven terug, en....
„Kijk vrouw Heyn haar huisje eens laten opknappen,” zeiden de buren den
anderen morgen.
En dat ze dit riepen was niet zonder grond; want timmerman en metselaar
begonnen het eenigszins vervallen gebouwtje op te knappen, en toen dit
geschied was, kwam de verver, en tooverde met rood en groen zóó mooi,
dat het huisje wel nieuw scheen.
„Wel, buurtje, eene erfenis gehad?” vroeg vrouw Blokmaker, die van
Pieters benoeming nog niets gehoord had.
„Neen, Trui, neen, geen erfenis. Maar mijn Pieter, o, God, wat eene
vreugde voor eene oude Moeder zulk een’ zoon te hebben!”
„Wat is er dan met Pieter gebeurd?”
„Wat er mee gebeurd is? Met Pieter vraagt ge? Mensch, mensch, ze hebben
hem tot Vice-Admiraal van de West-Indische Compagnie benoemd!”
„Wat!? Pieter Vice-Admiraal!? Pieter daartoe benoemd!?”
„Ja, mijn goede mensch, tot Vice-Admiraal! En nu begrijpt gij, moet
ik óók wat doen. Als eene Moeder zulk een voornaam personage tot zoon
heeft, kan ze toch niet in een armoedig huisje wonen. En daarom zei ik
tot mijn’ man, die nog niet zóó suft of hij begrijpt mij wel: „Vader,
onze Piet is tot Vice-Admiraal benoemd.”
„Is dat wat?” vroeg hij.
Hoe kon hij dat vragen, zulk een oude Watergeus! Maar zooals ik
zei: hij suft toch wat, en toen heb ik zelve de handen aan het werk
geslagen. Gij weet zoo goed als ik, want geheel Delftshaven weet het,
dat wij door Pieters goedheid in ons eigen huisje leven, en hij heeft
ons nu al jaren lang iedere week zóó ruim van geld voorzien, dat we
iedere week nog wat konden overhouden. En nu dacht ik, dat geld kan
niet beter gebruikt worden.”
Zoo ratelde de oude maar voort, en wie haar over de onderdeur had zien
staan, zou zeker niet geweten hebben, wie er prettiger uitzag, de
geverfde en opgeknapte gevel, of het blijde gelaat der gelukkige Moeder.
Eenige dagen later trad Piet Heyn in de kleeding van Vice-Admiraal
binnen.
„Dag, jongen! Dag, Piet!” riep ze en viel hem aan de breede borst.
„Dag, beste Moeder!” antwoordde Piet. „Wat hebt ge ons huisje netjes
gemaakt!”
„Ja? En vindt gij het nu niet mooi, zeg?”
„Zeker, zeker, Moeder! Het is mooi, maar mijn gelukkig Moedertje vind
ik duizendmaal mooier,” klonk het op zachten en vriendelijken toon.
Terwijl Moeder en zoon zoo met elkander gelukkig waren, zat de oude
Piet bij den brandenden haard met de tang in het vuur te poken, en zoo
op het oog zou men gezegd hebben, dat hij niets begreep van al wat er
gebeurd was. Wie hem echter nauwlettend gadegeslagen had, zou gezien
hebben, dat er leven kwam in die doffe oogen, en dat de herinnering,
als het ware, uit een’ diepen slaap ontwaakte.
Eensklaps keek hij Piet aan en zei toen: „Ver gebracht, jongen! Ver
gebracht! Het is mooi! Mooi! Mooi!”
En de tang opnemende, liet hij ze op de ijzeren haardplaat in de
maat op en neer dansen, en met schorre stem begon hij het oude
Geuzenliedeken te zingen:
„Wilt nu tsaem vreught bedrijven,
Ghy Steden in Hollant,
In Zeelandt mans en wijven
Bedryft vreught aen elcken kant.”
Opeens wierp hij de tang op de haardplaat, strompelde op Piet toe,
greep zijne beide handen en zei: „Vice-Admiraal, dat snap ik nog,
mijn jongen! Ver gebracht! ’k Wensch-je er zegen mee, Piet! Een goed
baantje! Hi-hi-hi! Een goed baantje!”
Hij liet Piets handen los, ging op zijn plaatsje bij het vuur zitten en
de tang weer grijpend liet hij deze, onder het zingen van:
„Slaet opten trommele, van dirredomdeyne!
Slaet opten trommele, van dirredomdoes!”
op de ijzeren vuurplaat in de maat dansen.
De arme, kindsche man! Wát scheen hij van het gebeurde te begrijpen,
doch het was toch maar weinig, en op het laatst hoorden Moeder en zoon
van hem niets anders dan het stampen met de tang en zijn tot in het
oneindige met eene schorre stem herhaald: „Slaet opten trommele! Slaet
opten trommele!”