Vader Heyn heeft het rekenen afgeleerd.
Zes dagen later wierp de „Muskaatboom” het anker vlak voor de plaats,
die Marten den naam van Matecalo gegeven had, doch tot zijne groote
verwondering zag hij nergens de vlag van de Compagnie waaien, en ze
woei er toch lustig toen Joris van Spilbergen dit land verliet.
„Ben-je er wel zeker van, Marten?” vroeg Steven toen hij tevergeefs
uitgekeken had naar de vlag van de Compagnie, welke daar volgens
Martens zeggen, mooier wapperde en klapperde dan ergens elders. „Heeft
je memorie je niet in den steek gelaten, en is dat je zoogenaamd
Matecalo wel?”
„Verkeerd? Ik verkeerd? Als dat Matecalo niet is, dan ben ik wel een
onklaar roer, dat is zeker! Maar, stil, daar schiet me opeens wat te
binnen! Luister eens, schipper?”
„Wat is er, Marten?” vroeg Piet Heyn, die niet ver van de sprekers af
naar het land stond te kijken.
„Heeft u indertijd ook wel eens gehoord van schipper Sebald De Weert?”
„Genoeg! Dat moet een ruwe gast geweest zijn, die ten slotte de
rekening onder in den zak vond, maar waar, dat herinner ik mij niet!”
„Ik wel. Hij maakte het met zijn volk hier op Ceylon zoo van eieren,
dat ze hem en zijn volk hebben neergesabeld. Ik had er aan moeten
denken. Nu heb ik de „Muskaatboom” hier gebracht, en....”
„Kom, kom, Marten, geen ellende voor den tijd,” zeide koopman
Evertsz., die hem aangehoord had, en die alweer een beetje opgefleurd
was toen hij meende, dat er zaken te doen waren. „Wie de eieren wil,
moet het kakelen van de kippen kunnen verdragen. Wij zullen zien, wat
we doen kunnen, en is „Pas op je tellen” het wachtwoord, nu, dat is
schipper Heyn toevertrouwd. Hij is bij de pinken genoeg, dat weet ik!”
„Al te veel lof, Sinjeur, al te veel,” zeide Piet Heyn. „Aan de kat
komt een graatje toe, en onze Marten is nu de poes, die het graatje
krijgt eer wij wat nemen. Ik zal met hem raadplegen, en, vindt hij het
verstandig, dan zullen we morgenochtend eens met eene boot aan den wal
gaan. Vannacht moet er maar goed uitgekeken worden, dat ze ons schip
niet afloopen, want recht vertrouw ik de zaak niet!”
Spoedig werd alles in gereedheid gebracht om, desnoods, de
„Muskaatboom” tegen mogelijke aanvallen te verdedigen, en, zooals de
Oostindie-vaarder daar nu voor anker lag, was hij geen katje om zonder
handschoenen aan te pakken. Menig oorlogsschip zou hem stil laten
liggen met een: „Houd af van den dien! Hij kan bijten!”
Gedurende den nacht evenwel werd niets van eenige vijandelijkheid
ontdekt, en den volgenden morgen was men al vroeg in de weer met alles
in gereedheid te brengen, wat noodig was, voor een bezoek aan den wal.
Piet Heyn meende voor alle zekerheid goed gewapend er te moeten
heengaan, doch Marten meende, dat dit juist oorzaak kon zijn, dat men
hen reeds als vijanden behandelen zou, eer men nog aan den wal was. Op
ons scheepshoofd evenwel rustte de verplichting voor schip, lading en
manschap zorg te dragen. De lastbrief: „in alles de voorzichtigheid
en de koopmanschap te betrachten,” welken schipper Rogiersz. van de
Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie medegekregen had, was nu
ook natuurlijk gericht aan den nieuwen schipper, die vast besloten
was, er zich aan te houden. Daarom zeide hij ook tot Marten, toen
deze zijne meening had te kennen gegeven: „Hoor eens, Marten, het
is hier de vraag niet, wie er bang is voor zijn leven. Als schipper
der Compagnie ben ik niet vrij te doen, wat ik wil. Ik dien dus
zoo goed, als mij dat mogelijk is, de belangen der Compagnie te
behartigen, en daarom moet ik niet doen, wat ik wel zou willen, maar
wat die belangen mij voorschrijven, en met het oog daarop acht ik
het raadzaam om gewapend aan den wal te gaan. We kunnen evenwel die
wapenen onder in de boot leggen, en die, welke daar bezwaarlijk liggen
kunnen, zóó onder onze kleederen verbergen, dat ze niet reeds uit
de verte zichtbaar zijn. Ikzelf blijf hier vooreerst aan boord, en
als Blokmaker er niets tegen heeft, zou ik hem wel willen verzoeken,
het bevel over de boot op zich te willen nemen, doch zich in alles
zooveel mogelijk te schikken naar de raadgevingen van u. Verder zullen
acht man de boot aan den wal brengen, en Blokmaker moet trachten den
Bevelhebber der stad te spreken, en hem dan vragen, of er gelegenheid
bestaat, hier voor geld en goede woorden eenige lading in te nemen. De
Bevelhebber zal de Portugeesche taal wel verstaan en Blokmaker heeft
net zoowel als ik,--de galeiën zijn ons dus niet in alles ten nadeele
geweest,--gelegenheid gehad om die taal te leeren. Gelukt de zending
ten deele, of worden er geen vijandelijkheden getoond, dan komt ge
zoo spoedig mogelijk terug om er mij verslag van te geven. Zijt ge
over twee uren niet terug, dan zal ik de geschutpoorten openen en het
er voor houden, dat ze u geweld hebben aangedaan. Het zou misschien
geen kwaad kunnen, dat ge het aantal kanonnen, dat we voeren, vergroot
of niet noemt, en dat ge den Bevelhebber dreigt, dat we zijne stad
plat zullen schieten, ingeval ge meent, dat men u en de anderen kwaad
doet. En, maar dit blijft voorloopig onder ons, ik zal u uit hunne
handen redden. Reken daarop. Maar, eerst als ge gedreigd wordt, hoort
ge, eerst dàn moogt ge ook beginnen te dreigen. Ik hoop, dat ge mij
begrepen hebt! Laat de kleine boot strijken, en ga!”
Spoedig waren de tien mannen in de sloep en roeiden ze naar den wal,
waar langzamerhand reeds vele bewoners een kijkje waren komen nemen.
Marten zag scherp uit, of hij onder al die gezichten er niet één vond,
dat hem bekend voorkwam, doch tot zijne spijt vond hij er geen.
Eindelijk kwam men bij de aanlegplaats en Blokmaker vroeg nu aan een
paar lieden, die het dichtst bij stonden, in de Portugeesche taal of er
wellicht ook eenige Hollanders in de stad waren.
„Hollanders, Hollanders, kop af, allemaal kop af!” antwoordde een uit
den hoop in gebrekkig Portugeesch.
„Dan is het goed, dat er andere lui komen, die nog koppen hebben,”
dacht Marten.
„Waar is de Bevelhebber der stad?” vroeg Blokmaker. „Ik verlang hem te
spreken.”
„Jij niet Portugeesch, spreek, ik versta wel jij spreek Hollandsch,”
zeide een, die de voornaamste scheen te zijn, in onze Vaderlandsche
taal.
„Wij willen kaneel en diamanten koopen,” sprak Blokmaker zoo beleefd
mogelijk, doch nu in zijne eigene taal.
„Jij koopen komt! Pfoe, jij stelen komt,” sprak de man.
„Neen, wij komen eerlijk koopen! Zeg ons maar waar de Bevelhebber is,
dan kunnen wij het hem vragen.”
„Ik die zelf ben!” luidde het antwoord. „Jij de Kapitein?”
„Neen, Heer, de Kapitein is aan boord,” luidde nu het antwoord, dat met
een’ deftigen groet vergezeld ging, terwijl hij het woord „schipper”
ook maar in „Kapitein” veranderde. En waarom ook niet? In alle andere
landen heette hij, die een schip commandeerde, geregeld „Kapitein”,
onverschillig of het schip ten oorlog voer, of een koopvaarder was.
Nu sprak men in ons land alleen maar aan boord der oorlogsschepen van
„Kapitein”.
„Zoo! En jij geld hebt?”
„Zeg ja, en laat hem merken, dat we brandewijn ook hebben,” fluisterde
Marten.
Tot eenig antwoord evenwel sloeg Blokmaker op zijn’ zak en liet de
Hollandsche dukaten rammelen.
„Die De Weert ook geld had, toch kwam stelen,” bromde de Bevelhebber.
Thans sprong Marten vooruit en op zijne manier eene beleefde buiging
makende, zei hij: „Ik zal bij u blijven, Heer, en als één onzer steelt,
dan,--Sebald De Weert, denkt u, en pats, mij den kop af!”
De Bevelhebber lachte en zei: „Jij te veel eet. Ik niet hebben wil jij!”
„Ik zal mijn eigen potje doen, brood, vleesch en brandemoris, Heer!”
Dat woord „brandemoris” sprak Marten met voordacht langzaam uit, en
hij zag duidelijk, dat hij het spel terstond gewonnen zou hebben, als
hij den Bevelhebber nu en dan maar eens liet proeven, wat maar al te
zeer het geval was, en als wij er den Engelschen een verwijt van maken,
dat ze bij onbeschaafde volken zichzelf nog altijd bevoordeelen met
die menschen te laten proeven, dan moeten wij niet vergeten, dat wij
vroeger door de brandewijnflesch menig voordeel wisten te behalen. In
Amerika is de sterke drank ook de oorzaak geweest van den ondergang van
het krachtige, Indiaansche ras, meestal Roodhuiden genoemd.
„Roep uw’ Kapitein,” sprak het Opperhoofd. „Wij wel handelen willen,
als niet steelt jij!”
„Moet ik hier blijven?” vroeg Marten.
„Hebt gij brandemoris bij u?” vroeg het Opperhoofd, wiens gebroken
Nederlandsch we maar niet langer zullen trachten na te bootsen.
„Neen, Heer; maar aan boord wel.”
„Goed, haal dan den Kapitein, geld en brandemoris, dan zullen we zien.”
Weldra was de boot van den wal gestoken en uit de verte riep Piet Heyn
den terugkeerenden al toe: „Wel, zijn er zaken te doen?”
„Als we willen goede, schipper,” riep Marten.
Zoodra de mannen aan dek waren en Blokmaker alles verhaald had, wat hem
wedervaren was, bovenal hoe ze hem verteld hadden, dat de inboorlingen,
zooals hun Opperhoofd zelf bevestigde, Sebald De Weert en zijn volk
allen een hoofd kleiner gemaakt hadden, omdat ze niet eerlijk te
werk gingen, besloot Piet Heyn den weg op te gaan van elken goeden
koopman, en dus te trachten voor zoo weinig geld mogelijk, eene rijke
lading te krijgen. Hij ging in de kajuit, kleedde zich in een deftig
krijgsmanspak van schipper Rogiersz., hetwelk hem reeds eenige dagen
geleden, door een’ der matrozen, die het kleermaken verstond, zoo
eenigszins pasklaar gemaakt was, nam behalve geld, een paar kruiken
brandewijn en eenige alledaagsche voorwerpen mede, en stapte in de
boot. Hij liet nu Blokmaker op de „Muskaatboom” achter, met het bevel,
ook te doen, wat hij zou gedaan hebben, als zij niet terugkwamen. Hij
nam evenwel in plaats van twee nu vier uren, want daar koopman Evertsz.
niet te bewegen was om reeds mede aan den wal te gaan, meende Piet
Heyn, dat de zaken met zeer veel overleg en bedachtzaamheid moesten
behandeld worden, en daartoe was tijd noodig.
Dit tweede bezoek was er op ingericht, vertoon te maken. Zelfs de
matrozen hadden zich in hun beste pak gestoken.
Als man van ondervinding was Marten ook alweer mede gegaan, en in zijn
eenvoud meende hij, dat het welslagen van alles eigenlijk nu geheel van
hem afhing en vergat hij wat al te veel den afstand, die tusschen hem
en den schipper bestond.
Ze waren nog niet aan den wal toen hij begon met te zeggen: „Ik zal
maar dadelijk vragen of Keizer Vinna Ladarma Soria, of zooals ze hem
ook wel noemden: „Dom Joao” nog leeft.”
Geen antwoord.
„En dan zal ik ook vragen of zijne Gemalin Dona Kataryna, die zulk een
prachtig zeeschip was, nog altijd frisch en gezond is.”
„Ik zou je aanraden het woord aan mij over te laten, Marten,” klonk
het op wel wat al te hoogen toon uit Pieters mond. „Mij dunkt, ik ben
mans genoeg om het woord te voeren, hetzij in het Portugeesch of het
Hollandsch.”
Verschrikt en onthutst keek Marten den jongen schipper aan. Men kon
zien, dat zoo’n afjakker uit dien mond hem leed deed. Piet Heyn zag het
ook, en overtuigd dat de eerlijke zeerob dat niet verdiend had, vroeg
hij hem, maar veel vriendelijker: „Waarom zou je dat vragen?”
„Och, zoo maar,” was het wrevelige antwoord, „zoo maar, schipper! Domme
onverstanden begaan altijd domme dingen, en zoo’n dom onverstand ben ik
ook maar.”
Toen nu Piet Heyn bij dit vrij onbeleefde antwoord van den geraakten
zeerob, op zijne beurt, het anders zoo gulle en vroolijke gelaat
ontevreden plooide, kreeg Marten ook berouw en daarom zei hij: „Bij
Keizer Vinna Ladarma Soria zijn wij met van Spilbergen aan het Hof
geweest. Misschien, dat hij, ondanks het gebeurde met Sebald De Weert,
ons nu weer vriendelijk ontvangt en wij daardoor weer zulke goede zaken
maken.”
„Wees maar niet boos, Marten! Ik beloof je, dat ik er naar vragen zal.
Mij dunkt toch ook, dat het geen kwaad zal doen. Doe nu dat ontevreden
gezicht maar gauw achter slot en grendel,” zeide Piet Heyn, die
hiermede weer alles bij Marten goed maakte.
Kort daarop stapte men aan den wal, waar Piet Heyn door den
Bevelhebber, die zich in dien tusschentijd ook heel deftig had
aangekleed, zoo wat op Europeesche wijze ontvangen werd.
„Wij willen hier eerlijken handel drijven,” dus begon Piet Heyn hem te
vertellen, nadat de wederzijdsche plichtplegingen afgeloopen waren.
De Bevelhebber knikte, maar zeide niets.
„En daarom,” zoo vervolgde Piet Heyn, „wilden wij gaarne weten, of we
in dezelfde gunsten bij Keizer Vinna Ladarma Soria mogen deelen, als
vroeger mijn broeder Joris van Spilbergen.”
„Keizer Dom Joao is dood. Van Spilbergen was een man. Sebald De Weert
een zwijn,” klonk het kort terug, en ten bewijze hoe hij Sebald De
Weert en de zijnen verachtte, spuwde hij op den grond, in welke
verachtende handelwijze hij door zijn gevolg werd nagedaan.
„We hopen dan in den nieuwen Keizer een’ vriend te vinden. Hoe heet
Zijne Majesteit?”
„Camapati Mahapasjyn.”
„Zijne Majesteit Camapati Mahapasjyn is een wijs Vorst, wiens naam in
het verre Noorden met eere genoemd zal worden. Hij zal in mij geen
Sebald De Weert, maar een’ Joris van Spilbergen vinden.”
De Bevelhebber zette nu een vriendelijk gelaat. Die vleierij deed
den Hoveling goed, en daarom sprak hij op wat beleefder toon: „Zijne
Majesteit is nog slechts eene halve dagreize van de stad. Zij hebben
te Kandy uw schip gezien, en men komt thans hier onderzoeken, wat
gijlieden wilt.”
„En vóór dien tijd?”
„Deedt ge wijs naar uw schip terug te keeren. De Keizer heeft den
handel met de mannen van Hollandsche schepen verboden. Wij zullen u
laten roepen, als Zijne Majesteit u spreken wil.”
Piet Heyn begreep wel, dat hij niet verder moest aandringen, doch daar
hij den Bevelhebber gaarne te vriend wilde houden, bood hij hem en zijn
gevolg een paar kleine geschenken, benevens twee kruikjes brandewijn
aan.
Den heelen middag stond men nu aan dek van de „Muskaatboom” op den
uitkijk, doch op raad van Piet Heyn deed men het zoo, dat er aan
den wal niets van gezien werd, anders zou men daar begrijpen, dat
men verlangend was om eenig antwoord te bekomen, en dat zou door de
inboorlingen, die blijkbaar uitgeslapen waren, gebruikt worden om er
voordeel uit te halen.
Hoe men echter ook uitkeek, men zag wel bedrijvig heen en weer loopen,
doch aanstalten maken om eene boodschap naar de „Muskaatboom” te
zenden, zag men niet, en zelfs een groot gedeelte van den volgenden
voormiddag verliep zonder dat men aan den wal wat bijzonders zag
gebeuren.
Piet Heyn liep ongeduldig heen en weer.
„Schipper,” zei Marten en trad Piet Heyn terzijde.
„Wat is het?”
„Ze laten u lang wachten, schipper!”
„Dat behoeft ge me waarlijk niet te zeggen, Marten!”
„Neen, dat behoeft ook niet, schipper! Maar u kan er een einde aan
maken.”
„Aan wal roeien en vermoord worden?”
„Neen, doen, alsof we het wachten moede zijn en onder zeil willen gaan.”
„En dan?”
„Dan zullen ze daarginder eieren voor hun geld kiezen en wel boe of ba
laten hooren.”
Piet Heyn bedacht zich een oogenblik en vond Martens raad zeer
verstandig, want zeer goed had hij gezien, dat ze, als het op een
vechten aankwam, bijna stellig en zeker het onderspit zouden moeten
delven, want hij had meer dan een duizendtal vrij goed gewapenden
gezien. Met geweld was dus niets te winnen dan een pak slaag of het
leven te verliezen. Hier moest Marten’s: „Wie niet sterk is, moet slim
zijn,” het eenige middel worden om zaken te doen. Hij besloot daarom
terstond aan Marten’s raad gevolg te geven. De zeilen werden weer
uitgehangen, het anker werd gewonden en er kwam beweging in het schip.
„Kijk, kijk,” riep de koopman, die, nu er van zaken doen sprake was,
zijne ongesteldheid en zijn verlangen naar huis geheel vergeten scheen
te hebben, „daar steekt al eene boot van den wal af. Al hielden zij
zich dom, ze keken toch even hard uit als wij. Je kent je volkje,
Marten! Je hadt koopman moeten worden in plaats van zeeman!”
Recht in zijne nopjes, dat hij had kunnen toonen, dat het hem niet aan
slimheid mangelde, wreef Marten van pret in de handen, en zei: „Doen,
alsof we er niets van zien! Doorvaren, schipper, met een beetje zeil
op, doorvaren, dan halen ze ons wel in. Kijk ze eens pagaaien om er te
komen.”
„Er steken nog meer booten af,” zeide de koopman, die nu geheel wakker
was.
„Dat zie ik,” bromde Piet Heyn, die de zaken niet vertrouwde en al naar
de kanonnen uitkeek. „Als ze nu maar geen plan hebben om ons schip af
te loopen.”
Marten lachte ondeugend en zeî: „Ik geloof zoo, dat ze bij schipper
Piet Heyn aan eene heel verkeerde deur zouden kloppen, als ze dat
probeerden. Hier op de „Muskaatboom” zijn wij baas. Aan den wal niet,
en dat weet gij ook wel, schipper! Van gevaar is dus geen sprake, al
kwamen er vijftig sloepen te gelijk! En als u geen lafaard is, ik ben
het niet en geen van al het volk is het. We weten het allen, schipper,
dat we onder zoo iets, als een broertje van Reinier Claessens varen, en
we zijn er content mee. Dus van, als lafaards, aan den haal gaan of ons
schip laten afloopen, is geen sprake.”
Piet Heyn greep de hand van den hooghartigen Marten en zeide:
„Lafaards? Neen, dat zijn we geen van allen. We zullen niet op den loop
gaan, of ons overgeven. Maar wat zullen wij doen, als ze ons op zijde
komen?”
„Dan geeft ge hun de boodschap, dat wij eerlijke kooplieden zijn en
niet gerekend willen worden tot die galgenstroppen van Portugeezen, die
alleen komen om te stelen. Een weinig hooghartigheid en wat voorname
„h’ms, h’ms,” kunnen op hun’ tijd toch geen kwaad, schipper!”
„Ik zal uw’ raad volgen. Je bent een verstandig man,” sprak Piet Heyn,
en koopman Evertsz. gaf zulke driftige toestemmende hoofdknikken,
dat hij bijna onderstboven tuimelde, want de goede man had het
lichaamsgebrek van eenigszins topzwaar te zijn.
De „Muskaatboom” vorderde slechts zeer langzaam en spoedig was
de voorste sloep haar dan ook ter zijde. In deze zat de bekende
Bevelhebber, en deze riep al heel spoedig: „Zijne Majesteit de Keizer
laat u vragen, waarom gij vertrekken wilt?”
„Zeg uw’ Keizer,” dus antwoordde Pieter, „dat wij geen roovers zijn, en
het wachten moede, dáár zullen gaan, waar men ons als eerlijke dienaren
van de Compagnie behandelen wil. Ceylon-alleen is de wereld niet!”
„Ik zal Zijner Majesteit uwe woorden overbrengen, doch keer dan terug
en anker weer,” hernam de Bevelhebber op vriendelijken toon.
„Neen, wij keeren niet terug. We zeilen door, zooals nu. Heeft de
Keizer zich bedacht, dan kunt ge ons opnieuw volgen, en gelukt het u
niet ons in te halen, laat Zijne Majesteit dan den inhoud van zijne
magazijnen, die vol kaneel en peper zitten, aan de Portugeezen voor
een’ appel en een ei overdoen. Het is mijn laatste woord. Ga, zeg dat
uw’ Keizer!”
De Bevelhebber vertrok, en om zijn hooghartig antwoord wat meer kracht
bij te zetten, liet Piet Heyn de geschutpoorten openen, zoodat men zien
kon, dat de Compagnie schepen zond, die wat meer te beteekenen hadden
dan de vroegere onder Joris van Spilbergen en den onverstandigen Sebald
De Weert.
Om nu evenwel niet door al te groote drift het doel, tegen wil en dank,
geheel mis te loopen, stuurde Blokmaker de „Muskaatboom” zóó, dat ze
hoegenaamd geen voordeel van den wind had, en daardoor kwam het, dat
weldra de sloep van den Bevelhebber hen andermaal inhaalde, en hun nu
uit naam van Zijne Majesteit Dom Camapati uitnoodigde, terug te keeren,
om vervolgens bij Zijne Majesteit ten bezoek toegelaten te worden.
De „Muskaatboom” keerde thans tot hare ankerplaats terug, en Piet Heyn
stak zich andermaal in zijne beste kleeding, terwijl hij bovendien
gelastte, dat Blokmaker, die hem nu ook vergezellen zou, zorg moest
dragen, dat hij en de koopman zich zoo kleeden en wapenen moesten, dat
ze meer op Edellieden dan op eenvoudige varensgezellen geleken.
[Illustratie: Zoo uitgedost kwam men alweer bij de aanlegplaats.
(Bladz. 147).]
Zoo uitgedost kwam men alweer bij de aanlegplaats, waar reeds
verscheidene hovelingen in eerbiedige houding gereedstonden, de
voorname dienaren van de Compagnie te ontvangen.
Door honderden, die door eenige gewapenden in toom werden gehouden,
gevolgd, kwam men bij een tamelijk groot steenen huis, dat blijken
droeg van door de Portugeezen gebouwd te zijn.
De hovelingen brachten Piet Heyn en de zijnen in eene vrij groote
zaal, die geheel op Europeesche wijze gemeubileerd en met kostbare
tapijten behangen was. Op een’ stoel van kunstig bewerkt hout zat Zijne
Majesteit Dom Camapati, met een gezicht „als een bevrozen oester”,
zooals Marten fluisterde, hen op te wachten.
[Illustratie: Zijne Majesteit Dom Camapati. (Bladz. 148).]
Piet Heyn groette hem op Europeesche wijze en wachtte de vergunning af,
te mogen spreken.
„Wie zijt gij en wat komt ge hier doen?” klonk het eindelijk uit den
mond van den Keizer.
„Wij zijn mannen van de Compagnie en komen hier, niet alleen om
eerlijken handel te drijven, maar ook om zoo mogelijk de oude
verbintenissen, met Heer Joris van Spilbergen aangegaan, te hernieuwen,
en als een bewijs, dat de Compagnie hare vrienden weet te waardeeren,
biedt zij u, door ons deze geschenken aan.”
Allereerst bood men nu den Keizer een geweer aan, zooals Prins Maurits
begonnen was in het leger te gebruiken, en dit geschenk trok den
machtigen Heerscher zóó aan, dat hij voor al de andere geschenken bijna
geen oog had. Doch toen ten laatste in een vaatje, heel sierlijk met
koperen hoepeltjes beslagen, de brandewijn voor den dag kwam, wist
de goede man niet, wat het meest te bewonderen, het geweer of den
brandewijn. Onder de hovelingen deelde men allerlei andere kleinigheden
uit. Het was goed dezen ook te vriend te houden.
Toen al de geschenken bezichtigd waren, noodigde de Keizer zijne gasten
ten maaltijd, en ook deze was geheel op Portugeesche wijze aangerecht.
Na afloop ervan gaf de gastheer zijn’ gasten te verstaan, dat hij hun
toestond handel te drijven zooveel ze wilden, doch toen Piet Heyn het
waagde, weer over het hernieuwen der oude verbintenissen te spreken,
zeide de Keizer: „Ik ga met de Compagnie geen verbond aan. Komt er een
van Spilbergen of een broeder van hem, dan handelen wij. Komt er een
De Weert of een broeder van hem, dan sabelen wij hem neer. Ik wil vrij
zijn. U beschouw ik, als een’ broeder van Joris van Spilbergen. Zoolang
gij eerlijk handelt, zal ik u beschermen. Gij kunt gaan.”
„Wel, Kapitein,” zeide Marten onder het heengaan, „die Ceylonsche apen
beginnen zoo slim te worden, als menschen. Vindt gij dat ook niet?”
„Maar ik zal hem wel tot een nieuw verbond bewegen,” antwoordde Piet
Heyn.
„Dat geloof ik zoo gauw nog niet. Als Donna Kataryne er niet was, dan
misschien wel.”
„Regeert _zij_ dan?”
„Half, Kapitein, half! Door Portugeezen grootgebracht, in het
Katholieke geloof opgevoed, en nog altijd onder den invloed van die
opvoeding, zal ze al doen, wat ze kan om onze oude verbintenissen in
het vergeetboek te brengen.”
„Jawel, Marten, maar de invloed en de macht der Portugeezen zijn toch
ook niet groot, anders zouden zij wel verbintenissen met den Keizer
hebben aangegaan?”
„Als dat waar was, dan zou zij heelemaal regeeren, Kapitein! De halve
macht van den Keizer bestaat daarin, dat hij geen verbond sluiten wil
met de Portugeezen, en hare halve macht weet te bewerken, dat hij ook
geen verbond sluit met de Compagnie!”
„Marten, je praat als een Advocaat van den lande. Ik geloof, dat je
gelijk hebt,” sprak Piet Heyn lachende, en stapte met de zijnen in de
sloep om zich aan boord te laten roeien.
Van dien dag af begon de handel, die hoofdzakelijk in ruilen bestond,
en hoewel onze mannen hoog opgegeven hadden van hunne eerlijkheid, toch
zorgden zij wel, dat ze vijf, zes, ja, tienmaal de waarde terugkregen
van hetgeen zij gaven, en, om er op te roemen is het niet, al te veel
werd hier van het bekende:
„Als de wijn is in den man,
Is de wijsheid in de kan,”
door de onzen, met behulp van brandemoris, een al te vlijtig gebruik
gemaakt. Het duurde dan ook niet lang of de „Muskaatboom” had zulk
eene rijke lading in, dat er niets meer kon gestuwd worden, zoodat
zelfs koopman Evertsz. voorstelde om niet aan den last van de Heeren
Bewindhebbers der Compagnie te voldoen, en dus Amboina niet, als
het doel van den tocht, te beschouwen. Men kon letterlijk niets
meer laden, want het heele schip zat propvol, en dat wel met zulke
kostbare goederen tegen haast geen geld bekomen, dat geen enkel der
andere schepen, die te gelijk met hen uitgezeild waren, zulk een’
schat zou thuisbrengen. Derhalve was zijn raad: „Niet naar Amboina,
maar naar huis.” Piet Heyn en zijn volk vonden dat best, doch eer de
„Muskaatboom” onder zeil ging, wilde onze wakkere Heyn eerst nog
eene poging wagen bij den Keizer om de Compagnie door een verbond met
hem te bevoordeelen; maar al zijne pogingen leidden tot niets. Ook
ried Marten hem af, nog langer aan te houden. Men moest zich ditmaal
maar met de rijke lading tevredenstellen en hopen, dat later wel zou
verkregen worden, wat men nu tevergeefs tot stand trachtte te brengen.
Pieter gaf eindelijk toe, liet het anker lichten, en van den gunstigen
wind gebruik makende, keerde hij naar het Vaderland weer, waar hij, na
eene afwezigheid van ruim twintig maanden, aankwam. De „Muskaatboom”
was het eerste schip van de acht, die samen uitgezeild waren, dat
terugkwam, en de Heeren Bewindhebbers der Compagnie hadden redenen in
overvloed om meer dan tevreden te zijn, dat Piet Heyn niet aan hun’
last voldaan had, en van zijn’ tegenspoed zulk een prachtig gebruik
had gemaakt, want, althans voor dien tijd, had de reis buitengewoon
kort geduurd en leverde zij voor de Compagnie toch verbazend groote
voordeelen op. Een schip kon moeielijk met rijker lading wederkeeren,
terwijl men bovendien hoopte, dat de Keizer van Ceylon nu alweer wel
tot een verbond met de Compagnie zou te bewegen zijn, als er maar meer
schippers kwamen, zoo uitgeslapen als onze Delftshavenaar was.
Geen wonder dus, dat men er van de Compagnie niet aan dacht om Piet
Heyn voortaan weer als stuurman te laten varen. Zulk een schipper,
die getoond had niet alleen een goed zeeman, maar ook een voorzichtig
handelaar te zijn, kon men gebruiken.
Dat onze Piet Heyn welkom was bij zijne vrouw en ook welkom was bij
zijne Moeder, dat spreekt. De broeders keken hem nu ook met andere
oogen aan, want nu was Piet een man, die wat bracht en heel wat ook.
Ze konden het gebruiken en namen het dan ook dankbaar en graag aan. De
oude Piet Heyn zeide niet veel. Naarmate zijne jaren klommen werd hij
suffer en onverschilliger, en zeer welkom was aan Moeder het voorstel
van Piet om, op korting van zijne gage, iedere week eenig geld bij
de Heeren van de Compagnie te laten halen. De goede ziel was er door
geholpen nu haar man niet meer in staat was om wat te verdienen, en
toch zijn „natje en zijn droogje” meer begeerde te hebben dan vroeger,
hoewel hij had kunnen weten, dat haar spaarpotje, hoe goed ook voor
een burgermensch voorzien, niet groot genoeg was om hem te laten
rentenieren. Vader Heyn kon echter niet meer rekenen; hij had het
heelemaal afgeleerd.