Het landje van Schep-op.
Niet lang nadat de „Muskaatboom” het onbekende eilandje verlaten had,
kreeg het schip opnieuw onstuimig weder.
Men vorderde bitter weinig, want wat men in de eene wacht won, verloor
men vaak dubbel in de volgende wacht.
Zoo lang wind en weer gediend hadden, was iedereen over het schip
tevreden geweest, maar nu de zee zich heel anders vertoonde, bleek het
dat de „Muskaatboom” heel wat te wenschen overliet. Het schip liet zich
slecht sturen en deed op het onstuimige water zoo nu en dan hetzelfde,
als eene eend, die langs het ijs loopt.
Op welk eene lengte en breedte men was, wist men wel, doch daar de
zeekaarten van dien tijd nog zeer gebrekkig waren, wist niemand in welk
land men ten laatste zou aankomen, als de wind niet veranderde en het
schip geen’ anderen koers nemen kon.
Tot overmaat van allerlei tegenspoeden was eenige dagen aaneen de lucht
sterk of geheel bewolkt, zoodat men des middags niet berekenen kon op
welk eene lengte of breedte men zich bevond.
Eens op een’ morgen evenwel riep de matroos, die in den mast op den
uitkijk zat: „Schip in lij!”
„Een schip in lij! Zeker weer een ponteschippersknecht, die daar op de
fokkera op den uitkijk staat, als een hengelaar naar zijn’ dobber,”
bromde Marten.
„En dat waarom, Marten?” vroeg Pieter Heyn.
„Wel, wat hij daar voor een schip aanziet, lijkt zooveel op een schip,
als een Dek-officier op eene straalkwal. Dat zeg ik!”
„En waarvoor houdt gij het dan?”
„Dat kan ik u nog niet zeggen. Wacht vijf minuten, Kapitein, zei de
kok, dan is de eierstruif gaar!” was Martens antwoord.
Pieter Heyn kende Marten te goed om hem deze manier van spreken ten
kwade te duiden, en daarom zeide hij dan ook: „Al goed, maat! Ik zal
vijf minuten wachten, dan weet ik het misschien ook!”
Marten lachte eens fijntjes, alsof hij zeggen wilde: „Kijk hij zichzelf
eens groot houden!”
Eer evenwel de vijf minuten om waren, kwam Marten al aan en zei:
„Gevonden, schipper! Gevonden!”
„En wat is het dan?”
„Wat die man daar boven ziet is geen schip; het is de top van de
Adamspiek op het eiland Ceylon.”
„Maar, Marten! Ceylon? Zouden we nu zoo ongelukkig zijn om zoo ver
afgedwaald te wezen?”
„Ongelukkig, schipper? Zeg dat zoo gauw niet! Admiraal van Spilbergen,
een vroom mensch en bovenst zeeman, had tot spreuk:
„Nu ’t soo is
En wesen moet,
Waerom ghequelt?
’t Is ghewis
Den Heere goet,
Die ’t al bestelt.”
„Maar ik kan het niet gelooven, dat we hier voor Ceylon zouden komen,”
zeide Piet Heyn, bij welken naam we hem maar zullen blijven noemen,
omdat hij ons daaronder het best bekend is.
„Ja, het geloof kan ik niet geven,” bromde Marten. „Maar ik zeg u, dat
ik gelijk heb. Dat is de Adamspiek en niets anders.”
„Maar, man, ben-je in deze streken dan vroeger ook al geweest?” vroeg
Piet Heyn verwonderd. „Ben-je dan hier bekend?”
„Hier bekend, schipper? Wel, nu nog fraaier! Ik ben hier in den omtrek
beter bekend dan thuis bij mijne vrouw, die viermaal in de week haar
huis met bezemen keert. Ik ben hier al geweest, laat eens kijken, o ja,
in het jaar der Compagnie, in ’2, met Admiraal Joris van Spilbergen.
Een mooi land, dat Ceylon, een mooi land! Het is daar vetpot en
botertje tot den boôm. Ik heb toen zelfs de Keizerin van Kandy,--zoo
heet een deel van Ceylon,--gezien, met mijne eigene oogen gezien.
Donna Cataryna heette ze, en ze ging heelemaal op haar Portugeesch
gekleed. Een knap stel van een zeeschip was ze ook, en ze hield er
eene prachtige tuigage op na, òf ze! Zij heeft een’ neus als eene
bramzaling, oogen als botters, en vingers als breeuwhamers. Hare huid
is bruiner dan de bruinste kastanje, en als ze lacht, laat ze al hare
bijters en malers, die bruin als roet zijn, zien, precies alsof ze
zeggen wil: Maatjan is mijn broertje!”
„Hoort hem, hoort hem! Dat heeft zóó lang gevaren en dat zegt nog:
„Maatjan”! Zeg, oude zeekoe, weet-je dan niet, dat het Janmaat en niet
Maatjan is?” riep op luiden, spotachtigen toon een matroos uit, die het
minder prettig vond, dat Marten, al was hij ook nóg zoo bevaren, altijd
zoo op hunne onervarenheid schimpte.
Marten keerde zich even om en den lacher in het aangezicht ziende,
zeide hij: „Beunhaas, wat praat-je mee? Ik spreek niet van Janmaat, ik
spreek van „Maatjan”, en dat is zooveel als „tijger”, zie je! En als je
nou niet te eigenwijs bent om tenminste nog wat te leeren, dan zal-je
op je honderdste jaar zooveel van het Maleisch verstaan, dat je weet,
dat ze in die taal een tijger „matian” noemen! En nu, ga uit mijne
kombuis! Je bederft mijne vracht!”
„Ho, ho, niet al te boud, man! Gerrit meent het zoo kwaad niet,” sprak
Piet Heyn vergoêlijkend.
„Het is waar, schipper, het is waar! Ik, oude zeebonk, vergeet telkens,
dat kleine broekmannekens gauw beginnen te huilen en om Moetje
roepen!” sprak Marten op zoogenaamd vriendelijken, doch eigenlijk
sarrenden toon, en het scheelde niet veel, of Gerrit had getoond, dat
broekmannekens, als hij, toch ook al vuisten hadden.
„Dat is heelemaal buiten koers, schipper,” sprak op half fluisterenden
toon Blokmaker, die in Pieters plaats eerste stuurman geworden was en
gehoord had, waar ergens ze waren.
„Ja, en wat het gekste is, hier in deze streken waait van November tot
April de Zuidoost-moesson. We loopen dus veel gevaar hier in den omtrek
eene maand of drie te moeten doorbrengen! Mijne vrouw ziet me spoediger
schipper dan ze gedacht had; maar of ik een schipper zal zijn, die een
vet potje maakt, dat staat te bezien!”
Terwijl Piet Heyn en Blokmaker zoo met elkander stonden te praten, was
Marten wat terzijde gegaan, doch aan zijn meesmuilen te zien, scheen
het wel, alsof hij het geheele gesprek van a tot z verstond. En dat
was ook zoo; want toen Piet Heyn zeide, dat hij met hier drie maanden
stil te liggen geen vet potje maken zou, keerde hij zich plotseling
om, ging op Piet Heyn af en zei, op zijne manier zoo beleefd mogelijk:
„Schipper, een woordje, alsjeblief!”
„Wel tien, Marten, als het maar gezonde zijn; wat had-je, maat?”
„Ik wilde zeggen, schipper, dat onze vorige „Ouwe”, met uw verlof, ik
meen schipper Rogiersz., heel anders zou gesproken hebben, als hij hier
verzeild was!”
„Zoo? En wat zou hij dan gezegd hebben?” vroeg Piet Heyn, wel een
weinig ontevreden over het halve verwijt, dat hij niet zoo knap was als
Rogiersz.
„Wel, schipper, hij zou gezegd hebben: „Voor het middelmootje kregen
we, door den storm, het neusje van den zalm.” Ik ben een opgelapte
pomphaak, als hij dat niet gezegd zou hebben.”
„Zoo, zoo! En wat is er dan aan dat neusje van den zalm wel te vinden?”
„Neem eene schalie (lei), schipper, en schrijf op, wat ik u zeg, anders
vergeet ge het, als ik aan het opnoemen ga van alles, wat er op dit
eiland, een soort van Paradijs, te vinden is.”
„Te vinden is,--ei, ei! Maar te koopen, man?”
„Te koopen ook, schipper en wel voor een schuifje, als men maar bij de
pinken is. De Portugeezen hebben daar zoo veel als uitgediend, en wij
hebben er het hecht in handen. De inboorlingen zien ons aan voor de
beste menschen, die er op twee beenen loopen. En als u wil, dan krijgt
ge voor zooveel, als niemendal, de schuit propvol!”
„Met niemendal, zeker?” vroeg Steven spottend.
„Och, duik naar katvisch, komkommerkerel,” zeide Marten boos. „Neen,
de heele schuit vol met wat Ceylon eêls oplevert. Als daar te vinden
is,--denk om de schalie, schipper,--hoenders, herten, pauwen, duiven,
wilde zwijnen, olifanten, ossen, buffels en vreemde vogels. Verder
goud, zilver, edelgesteenten, granaat-appelen, meloenen, druiven,
suiker, lange peper, uien, gember, zijde, katoen, honig, melk, rijst
en, ja, het beste komt achteraan, en kaneel. Er zijn daar heele wouden
van kaneelboomen, en het is een lieve lust om daarin eens rond te
dwalen, als ge maanden achtereen planken onder de voeten hebt gehad.
Kent ge soms een’ oranjeboom? Nu, daar lijkt de kaneelboom wel wát
op, maar hij is fijner van takken en van stam. Hij groeit zoo recht,
als de groote mast, en zijne bladeren gelijken veel op die van den
laurierboom. Als de boomen vol witte bloesems staan, dan houdt men
zijn’ neus ook liever in zulk een kaneelboombosch dan over een’ legger
met bedorven drinkwater. En nu vraag ik onzen schipper, of er voor ons
in de drie maanden wat te verdienen zou vallen?”
Piet Heyn had aandachtig toegeluisterd en nauwelijks zweeg Marten, of
Piet sprak: „Marten, je bent hier meer geweest. Je moet mijn loods
zijn. Zeg nu zelf maar waar de beste boter gevonden wordt.”
„Die is overal best, schipper! Maar ik weet niet overal den rechten
koers. Onder Joris van Spilbergen kwamen we te Matecalo aan; daar weet
ik den weg!”
„Best, Marten, als koopman Evertsz. het goedvindt, dan gaan wij naar
Matecalo.”
Onze koopman had in de laatste dagen weer veel zijne hut gehouden.
Hij gevoelde zich niet wel en de barbier, die met behulp van een
recepten-boek, ook de zieken onder de bemanning genezen moest, had
reeds alle medicamenten uit zijne kleine apotheek gebruikt om den man,
die niet ziek en toch ziek was, te genezen.
Evertsz. leed echter aan heimwee en tegen deze ziekte stond in het
recepten-boek geen enkel middel. Men had deze ziekte vergeten, of wel,
men wist er geen geneesmiddel voor.
Toen Piet Heyn nu bij hem in de hut kwam en vertelde dat ze in de
nabijheid van Ceylon waren, zeide hij eenvoudig: „Zoo!” en toen Piet
vroeg, of hij het goedvond, dat men naar Matecalo zou gaan om daar
handel te drijven, luidde het antwoord: „Och ja, dat is goed!”
Piet Heyn ging heen en zeide tot Marten en enkele anderen: „We zullen
de mooie Keizerin een bezoek brengen.”
„En goede zaken doen,” vulde Marten aan, terwijl hij binnensmonds
mompelde: „De inboorlingen noemen het eiland Singhala, en ik wed, dat
dit niets anders beteekent dan: „Het landje van Schep-op.”