Vooruit! Vooruit!
Piet Heyn mocht in deze wateren ook al minder bekend zijn, zulk een
vreemdeling op zee was hij toch niet om niet aan alles te zien, dat
er zwaar weder op til was. De horizon in het Oosten begon nevelig te
worden, en de hitte werd meer en meer onverdraaglijk. Hij had zich dus
alleen verwijderd om den schipper te wekken, want hij begreep, dat het
noodig was.
De schipper, die bijna altijd half gekleed ter kooi ging om gauw bij
de hand te zijn, stond dadelijk op, en nauwelijks was hij op het dek,
of hij voelde en zag, dat Pieter en de roerganger gelijk hadden.
Aanstonds werd al het volk aan dek geroepen. Oogenblikkelijk werden
alle zeilen ingenomen en vastgemaakt. Alleen de fok bleef op. Toen
dat gedaan was, moest men ook het roer buiten het schip, langs den
achtersteven, met sterke takels bezorgen. Vervolgens begon men in de
konstabelskamer de victualie-, boon- en rijsthokken met stutten te
verzekeren.
„We zullen een’ kwaden dobber hebben, Heyn! Dat zie ik al aankomen!”
zeide Rogiersz., toen alles zoo goed mogelijk in orde gebracht was
geworden om den storm weerstand te kunnen bieden.
„Ik heb het gezegd; ik heb het gezegd!” bromde de roerganger, en lachte
eens fijntjes, alsof hij blij was, dat hij, bij de anderen vergeleken,
zulk een Piet was.
Het ongelukkigste evenwel was, dat de wind nu juist uit een’ hoek ging
waaien, dat de „Muskaatboom” gedwongen werd langs den zoo voorspoedig
afgelegden weg terug te keeren, en dat wel met veel grooter snelheid
dan men tot hier gekomen was.
Stormweer kon men het nog niet noemen, doch naarmate het meer naar den
morgen liep, nam de wind steeds in kracht toe en zware wolken bedekten
langzamerhand den heelen hemel, zoodat men geen zon zag opkomen.
Toch vertelde de zandlooper, dat de zon al op moest zijn, doch de
zwarte wolken herschiepen den dag bijna in nacht. Het uitzicht over de
watervlakte werd bovendien door de hooggaande golven belemmerd, en waar
men was, wist niemand, want met zulk eene bewolkte lucht konden er geen
waarnemingen gedaan worden.
Na den middag gaf de schipper bevel, de groote ra te strijken en de
stengen te schieten om den storm minder windvang te bieden, doch welke
pogingen het wakkere zeevolk ook aanwendde, alle moeite was vergeefsch.
De touwen, al waren ze nóg zoo stevig, braken af, als verteerd koord,
en het schip werkte zoo zwaar, dat men alles maar moest laten zitten,
zooals het zat. Tegen den avond nam de storm in hevigheid toe, en
eene vreeselijke duisternis bedekte de woeste zee. Geen bevelen werden
gehoord, al werden ze door den scheepsroeper geschreeuwd. Het geraas
van de golven en het loeien van den storm waren de sterkste stem te
machtig.
Steeds hooger klom de nood, en scheen het nu en dan ook een oogenblik,
dat de storm ging liggen, kort daarop stak hij weer met nieuwe
hevigheid op.
Tegen den morgen had er ook weer zulk eene schijnbare vermindering
plaats.
„Daar fleurt een mensch van op! Ik hoop dat het nu gedaan zal zijn!”
sprak Steven tot Marten.
„Gedaan? Gedaan? Ei wat, boekenwijsheid en niemendal anders. Zeg,
heb-je wel eens krijgertje gespeeld en zóó, dat je heelemaal af was, en
een oogenblik moest uitrusten? Ja, zeker, zeker! Maar met dat uitrusten
wilde-je niet zeggen: „Nou houd ik op!” Wel neen, dat rusten diende
maar om weer met nieuwen moed te beginnen, alsof er nog niets gebeurd
was. Ik zeg, de wind is ook zulk een wispelturig krijgertje-speler.
Straks komt hij weer. Ik verwed er mijne oliejas tegen eene ton Zeeuwen
onder, dat hij terug.... Wat zullen we nou hebben? Berg-je, berg-je,
daar komt eene stortzee!”
Nauwelijks had de man dat gezegd, of eene vreeselijke golf sloeg met
zooveel geweld tegen het achterschip, dat het geheel van boven tot
beneden ingeslagen werd. De beelden, die aan den spiegel tot sieraad
aangebracht waren, en de galerijen, weg, alles op eens weg! De glazen
in de kajuit werden in duizenden stukken geslagen en de vensters
uitgerukt. De konstabelkamer werd opengebonsd en alles, wat niet
muurvast stond, werd door elkander gesmeten. Het was eene vreeselijke
verwoesting!
„O, Heere, Heere, red ons! Wij vergaan!” schreeuwde er hier een.
„Brandemoris! Brandemoris!” klonk het dáár met een’ akeligen kreet, en
een matroos snelde naar beneden om een brandewijnvat open te slaan en
zich dan dronken te drinken en dronken te sterven.
„Ja, brandemoris! brandemoris!” schreeuwden verscheidene matrozen hem
na, en daalden met zulk eene woestheid naar beneden, dat enkelen van de
trappen rolden en zich vreeselijk bezeerden.
Dat had Pieter Heyn gezien, en was hij ook al een van die „nieuwbakken
bollen, die het kielhaken niet waard waren,” zooals de oude Marten
zich eens had laten ontvallen, hij begreep er nu toch zóóveel van, dat
schip en manschap voor de haaien zouden zijn, als het volk zich aan
den brandewijn te buiten ging. In een oogenblik was hij in zijne hut,
haalde een pistool, dat altijd geladen bij zijne kooi hing, en snelde
er mede naar beneden.
„Halt, kerels! Ben-je dan krankzinnig, dat je allen op den brandemoris
aanvalt, als een hongerig varken op den gevulden trog? Terug, zeg ik!”
„Luistert niet naar hem, mannen! Tast toe! Wie dronken is, voelt er
niets van, als hij verdrinkt!” riep een breed geschouderde Zeeuw, en
gaf aan de anderen opnieuw het voorbeeld van drank inzwelgen.
„Bij den hemel, mannen, houdt op! Den eersten, die zich bukt om zich
een’ kroes te vullen, zal ik als een’ dollen hond neerschieten,” sprak
Pieter Heyn en legde het pistool op den Zeeuw aan.
„Dood is dood! Schiet maar toe!” riep deze en bukte zich andermaal.
Wat zou Heyn doen? Zou hij werkelijk aan zijne bedreiging gevolg geven?
Er was maar één schot te doen, en dan? Zouden de overigen zich dan niet
op hem werpen en hem misschien vermoorden? Kon hij niet wat anders
doen, dat meer afdoende hielp?
Hij behoefde niet lang na te denken. Hij had wat gevonden.
Opeens werd een hevige slag gehoord. Pieter had het pistool op den
grond gesmeten en dit was door den val afgegaan.
Het volk wist niet, wat het hoorde. Het stond een oogenblik bedremmeld.
Hiervan maakte Pieter gebruik. Met de snelheid van eene tijgerkat
sprong hij op den stoeren Zeeuw toe, wierp hem op den grond, en
eer deze nog op kon staan, had Pieter het kleine vaatje, dat men
opengebroken had, opgenomen en den heelen inhoud over het lichaam van
den gevallene ledig gegoten, terwijl hij hem toebulderde: „Slok dan,
zwijn! De draf is goed!”
„Hei, hop, jelui daar beneden!” schreeuwde Rogiersz. door het luik.
„Hei, hop, allemaal boven! Vijf of zes man kunnen den boêl niet klaren!
Er is hoop op behoud!”
„Er is hoop op behoud!” Deze woorden van den ervaren zeeman werkten
honderdmaal meer uit dan de daad van Pieter Heyn, die het volk wel
voor een klein oogenblik tot bedaren bracht, doch niet instaat was, de
andere brandewijnvaten te sparen.
„Er is hoop op behoud!” Niet één, die bij de woorden van den schipper
niet honderdmaal meer moed vatte, dan door het drinken van eenige
kroezen brandemoris, door het zeevolk heel dikwijls, uit spot of uit
ernst, „courage-water” genoemd.
„Er is hoop op behoud!” Bijna even vlug waren ze nu op, als zooeven
onder dek.
Doch nauwelijks waren ze, waar ze wezen moesten, of ze kregen half
berouw over hunne lichtgeloovigheid. De storm woei even fel; de golven
gingen even hoog; het zwerk was even loodblauw.
„Ik ga terug!” riep de Zeeuw, die bijna niet op zijne beenen staan kon,
omdat het zoo woei en, omdat hij zoo dronken was.
Doch nauwelijks had hij dat gezegd, of Pieter pakte hem andermaal beet,
gooide hem van de trap af in het ruim en riep: „Je bent er al! Het naar
beneden klimmen gaat je te langzaam, hazenhart, dat je bent!”
„En nu aan het werk, mannen!” hernam de schipper. „Ik heb je gezegd: er
is hoop op behoud! Ik loog niet! Helpt allen het achterschip stutten.
Hier, vier aan de pompen! Zoo je geen zeewater lust, dan wakker aan
den slag! Vier man deze oude raas, die stengen en dit waarloos hout
op gelijke afstanden doorgezaagd, zooals de meester timmerman dat
aanwijzen zal. Drie man bij de konstabelskamer en de vier timmerlui
daar geholpen! De kok, de bootsman, de barbier en de stuurlui een
waarloos zeil of wat naar boven gesjord! Moed, mannen, aan het werk!
Aan het werk! Onder den arbeid een „Vader Ons” gepreveld! Wie niet
geleerd heeft een kort, maar ernstig gebed uit te spreken, heeft nooit
leeren varen! Op, op! De handen uit de mouwen! Wie zichzelf helpt, dien
helpt God! Een dubbele oorlam, als het werk gelukt! Eene halve maand
gage voor ieder, als we in de eene of andere haven behouden aankomen!
Op, op! Ik doe ook mee, zoo goed als elk ander.”
Op dit oogenblik kwam de groote Zeeuw weer naar boven. De schrik van
den val, die, wonder boven wonder, niet zoo heel hard aangekomen was,
had hem bijna ontnuchterd.
„Schipper,” sprak hij op Rogiersz. toetredend, „waar ben ik noodig?
Voor varken spelen bevalt me niet!”
„Help zeilen halen, kerel! Je hebt kracht voor vier!” was het antwoord.
Daar kwamen ze met het waarlooze grootzeil aansjorren; het ging
moeielijk voort.
„Alles vergeten en vergeven, Stuur! Ik was een kwajongen! Geef hier
een’ hoek van dat zeil!” klonk het Pieter in de ooren.
Zóó sprak de man, die bij alle andere gelegenheden steeds getoond had,
een „kerel-van-wat-ben-je-me” te zijn, en, door zijne reuzenkrachten
geholpen, kwamen ze met het zeil op het achterschip, dat, al was het
ook nog zoo gebrekkig hersteld, een heel ander aanzien gekregen had.
„We moeten trachten het zeil achter het schip te krijgen. Als ons dat
gelukt, zal het water niet zoo indringen!” sprak de schipper.
„Alle man aan het werk! Ho-hop!” klonk de stem van den bootsman, en
weldra was het zeil, hoewel het heel veel moeite en behendigheid gekost
had, aan den achterkant van het gebrekkige timmerwerk gehecht.
Nu rustte men een oogenblik, en wie kon, trachtte een stuk rauw spek
met eene scheepsbeschuit, zoo goed en kwaad dat ging uitgedeeld, naar
binnen te werken.
En nog nam de storm in hevigheid toe.
[Illustratie: Eene tweede stortzee sloeg alles aan stukken. (Bladz.
125).]
Eene tweede stortzee sloeg opnieuw alles op het achterschip aan
stukken. Het zeil vloog met vreeselijk geraas aan flarden.
„Er is nog één middel, één enkel middel om niet te vergaan, Kapitein!”
fluisterde Marten den „Ouwe” in de ooren.
„Ik weet het, Marten! Ik weet het. Je bedoelt.....”
„Met den kop in den wind!”
„Behoeft me niet te zeggen. Weet het! Kan hier niet! Onmogelijk!” gaf
Rogiersz. met korte en afgebroken woorden te verstaan.
„Zóó houden we het geen vijf minuten, schipper!”
„Ik weet het, man! Dat is geen nieuws!”
„Dan is het gedaan, schipper! En, als de dood met deze proef gemoeid
is, welnu, vijf minuten vroeger of later, wat geeft dat?”
Rogiersz. bedacht zich een oogenblik;--de wind bedaarde iets, en....
„Het zàl gebeuren, het zal, Marten! God sta ons bij!” sprak de schipper
op vast besloten toon.
In een omzien was het onder al het volk bekend, welke gevaarlijke
proef men ging ondernemen. Midden in den storm keeren! Als het schip
dwarszees lag, maar ééne enkele seconde te lang--maar ééne stortzee er
tegen, dan.....
„Mannen, er op, of er onder! Het schip moet met den kop in den wind, of
.... het is gedaan! Op, nog eens, nog eens! Misschien voor het laatst!
Bootsman, op post! Mannen, aangevat! Op, op! Ieder kent zijne plaats!
Al klaar?”
De bootsman knikte.
„Almachtige God! Vader in den Hemel, help, o help ons!” bad schipper
Rogiersz. met zulk eene krachtige stem, dat het wel een uitgeschreeuwd
gebed mocht heeten. Doch hij moest door allen verstaan worden. De storm
floot en bulderde; de golven raasden; de donderslagen rommelden en
kletterden zoo ontzettend hard!
„Amen!” stamelden zij, die zijne woorden gehoord hadden, en zij, die er
te ver afstonden en zelfs geen enkel woord gehoord hadden, zij bewogen
toch ook hunne lippen, en....
Het gebed van den zeeman in nood is kort. Schipper Rogiersz. had het
immers ook al gezegd?
Het schip draaide, draaide en draaide!
Daar kwam eene golf aan, eene golf als een berg.
„Te laat, te laat!” schreeuwde Rogiersz.
„God lof! We zijn er! We zijn er! We liggen met den kop in den wind!”
juichte Pieter.
„Een wonderwerk des Almachtigen Gods,” prevelde Rogiersz. „Zijn naam
zij geloofd van nu af tot in alle eeuwigheid!”
Met donderend geweld sloeg de stortzee, die de schipper had zien
aankomen, als met reuzenhamers tegen het voorschip!
De „Muskaatboom” was aanvankelijk behouden.
Wat blijde gezichten! Wat dankbare woorden! Wat al stille dankgebeden
aan Hem, die in de ure des gevaars hun zoo wondervol was nabij geweest!
Rogiersz. ging naar het achterschip om opnieuw bevel te geven, te
herstellen, wat te herstellen was. Maar eensklaps gleed hij uit; de
stuk geslagen verschansing kon hem in zijn’ val niet tegenhouden. Hij
werd in zee geworpen.
„Man overboord! Man overboord!” schreeuwde de bootsman.
„In de boot! Eene dreg!” klonk het van vele kanten.
„In de boot?” Onmogelijk! Er was geen denken aan.
Eene uitgeworpen dreg kwam niet ver genoeg.
Daar zagen ze hem nog even. Hij stak eene hand uit.
„O, God, hij groet ons vaarwel,” riep Marten, wien op dat gezicht de
tranen uit de oogen sprongen.
Nog eens werd de dreg uitgeworpen. Tevergeefs! Er was niets meer van
hem te ontdekken.
De man, die zich zoo wakker, zoo kloek gedragen had, de schipper door
het volk de „abele, goeie Ouwe” genoemd, hij had een zeemansgraf
gevonden, juist toen hij de anderen gered had.
Thans was onze Pieter de wettige Gezagvoerder op de „Muskaatboom.”
Hij had op dit oogenblik geen’ tijd om na te denken over het gewichtig
werk, waartoe hij zoo onverwachts geroepen was. Hij begon terstond
zijne bevelen uit te deelen en het volk gehoorzaamde hem.
Nog twee volle dagen hield de storm, doch in zeer langzaam afnemende
kracht aan. Niemand wist, waar hij was. Door den betrokken hemel had
men in al dien tijd geen waarnemingen kunnen doen. Maar dat wisten
allen: men was ver, zeer ver uit den koers geraakt, en ieder haakte
naar het oogenblik, dat men zou weten, waar men zich bevond.
Eindelijk bedaarde het noodweer. De wolken verdunden zich; de sterren
werden zichtbaar en, plotseling liep de wind naar het Zuiden. Dit
gebeurde in den nanacht, en ofschoon al het volk afgebeuld was, geen
bleef toch tusschendeks toen het van boven klonk: „De zon komt op!”
Niemand had gedacht die lieve zon weer te zien. Toch was het daar, dat
vroolijke, vriendelijke licht!
Wat al blijdschap! Wat al dankbaarheid!
„Mannen,” riep de nieuwe schipper, „God is met ons geweest! Dies zij
tot in alle eeuwigheid Zijn naam geloofd! Amen.”
Het volk sprak zacht die woorden na, doch Marten steunde: „Mijn abele,
goede „Ouwe” is er niet bij. Wel te rusten, maat! God hebbe uwe goede
ziel!”
In den loop van den dag kwam men bij een onbekend eiland waar een schip
op strand lag.
Pieter gaf bevel om met eene welgewapende boot aan den wal te gaan
en te onderzoeken, of het eiland ook bewoond was. Na verloop van een
groot uur keerde men terug met de tijding, dat het slechts een klein,
rotsachtig eiland, en dat het schip een verlaten Portugeesch wrak was.
Heyn begreep hiermede zijn voordeel te kunnen doen. Hij liet zich naar
het wrak roeien en bevond, dat er alles aan boord was, wat zij in den
storm verspeeld hadden. Een kwartier verder vond hij eene veilige
baai. Daar liet hij het anker vallen om het zwaar gehavende schip te
herstellen, drinkwater in te nemen, levensvoorraad van den Portugees te
laten halen, en den kostbaren schat van specerijen en goud, welken deze
aan boord had, in het ruim van de „Muskaatboom” te doen overbrengen.
Hoe lang de Portugees daar gelegen had, was wel niet juist te zeggen,
maar de schipbreuk kon toch maar pas eenige dagen geleden hebben
plaats gehad, want van den levensvoorraad was niets bedorven, en zelfs
het drinkwater in de leggers was nog volkomen goed. Van de lading
was slechts een zeer klein gedeelte door het binnengekomen zeewater
beschadigd. De hevige storm, die zooveel averij bracht, die een
menschenleven eischte en de „Muskaatboom” ver uit den koers sloeg, was
nu toch oorzaak, dat men op eene goedkoope wijze eene kostbare lading
kon innemen. Al brachten ze anders niets naar Nederland, dan zou de
reis toch eene zeer voordeelige zijn. Aan terugkeeren dacht de nieuwe
schipper echter in het geheel niet. De „Muskaatboom” was veel grooter
dan de Portugees, zoodat men in de Oost nog heel wat laden kon, en daar
alles, wat men hier vond, geen gekochte koopmansgoederen waren, zoo
kon men het als buit beschouwen. Koopman Evertsz., die gedurende den
storm gelegenheid in overvloed gehad had om te weten te komen, dat de
Compagnie met zulk volk heel wat anders dan te gronde zou gaan, vroeg,
kort voor het vertrek van het eiland, aan den nieuwen schipper of hij
de bemanning eens mocht toespreken. Pieter, die sinds eenige dagen
gezien had, dat Evertsz. een ander mensch scheen geworden te zijn, had
er niets tegen, en liet de heele bemanning aan dek komen, en toen ze
daar was, zeide Evertsz.:
[Illustratie: „Mannen, ik heb wel eens leelijke gedachten van u allen
gehad.” (Bladz. 130)]
„Mannen, ik heb wel eens leelijke gedachten van u allen gehad. Ik
meende, dat de „Muskaatboom” het al zeer ongelukkig getroffen, en van
schipper Rogiersz. af tot aan den pluimgraaf, onbevaren volk aan boord
had. De storm heeft mij heel anders doen denken, mannen! Ik weet nu,
dat de Compagnie met zulke varensgezellen eene schoone toekomst heeft.
Gij allen hebt u als helden gedragen, en aan de Compagnie is het, u
daarvoor te beloonen. Ik sta hier in de plaats der Compagnie, en zal
den nieuwen schipper een bewijs geven, dat de helft der goederen,
die we uit het Portugeesche schip haalden, voor u allen is, om de
opbrengst onder elkander te verdeelen. Ik zal eene nauwkeurige lijst
opmaken van alles, wat wij uit dat schip gehaald hebben. Gaarne zou ik
den onversaagden schipper Rogiersz. vergeving willen vragen voor mijn
wantrouwen. Ik kan het, helaas, niet! Maar één man is er toch, dien ik
nog meer miskende dan den ouden schipper, en dat is Marten.”
Hierop trad hij op Marten toe, bood hem de hand en zeide: „Marten, gij
zijt die man, dat weet ge ook wel. Wees niet boos, ouwentje! Van dit
oogenblik af zal-je gage hebben als hoogbootsman, en zoodra op een van
de schepen die betrekking vrij komt, zal jij ze bekleeden. Is het nu
goed?”
Of Marten het goed vond! Vurig drukte hij de hand van Evertsz. en
zeide: „Ik zal zoolang ik krachten heb, de Compagnie trouw dienen. Maar
u vergeven kan ik niet, daar ik niets te vergeven heb. Ik wist wel, dat
u, eer we te Amboina waren, anders denken zou. U is de eerste niet, die
door ondervinding geleerd heeft, u zal de laatste niet zijn ook. Maar,
koopman, u heeft mij beloond boven allen, doch mijne maats hebt gij ook
beloond. Uit hun’ naam zeg ik u daarvoor dank. Hoezee! Hoezee! Leve de
Compagnie! Leve koopman Evertsz.!”
Uit volle borst riepen al de mannen dat Marten na, en van dat oogenblik
af was Evertsz. bij niemand meer te veel aan boord.
Niet maar zoo goed mogelijk, maar geheel hersteld, verliet de
„Muskaatboom” na een verblijf van veertien dagen het eenzame eiland en
zette opnieuw koers naar Amboina.
Vooruit, wakkere mannen! Vooruit, stoere, kloeke zonen der zeventiende
eeuw! Met levensgevaar haalt ge de schatten uit Oost en West, om die
in uw Vaderland aan de voeten van uwe landslieden neer te leggen. En
die verzamelde schatten zullen de Republiek groot en machtig maken;--ze
zullen de milde voorraadschuur worden van zoovele kostbare waterwerken
der komende eeuw. Aan uw’ moed en uwe geestkracht danken we ons bestaan
en onze welvaart! Wij zullen u niet vergeten! Wij zullen u volgen!
Vooruit! Vooruit!
En gij, eenvoudig, goed Moedertje te Delftshaven, die uw’ jongen met
een gebed vaarwel kniktet, en die sedert nooit opgehouden hebt om elken
morgen en elken avond voor hem te bidden, houd moed, Moedertje! Uw zoon
is nu schipper van de „Muskaatboom”, en hij zal wel zorgen, dat hij
schipper blijft. De Compagnie kan geen beteren krijgen.