Een heele profeet.
In het voorjaar van 1608 lag op de Maas te Rotterdam de kloeke
koopvaarder de „Muskaatboom” gereed om uit te zeilen. Het was een
der schoonste schepen, die de Oost-Indische Compagnie, welke in 1602
opgericht was, in de vaart had. En op dat schoone schip was eene
bemanning, die genoemd mocht worden. Het was een uitgelezen manschap
van den schipper tot den pluimgraaf.
De schipper was een stevige veertiger, die Huygens had kunnen helpen om
dezen in zijne „Scheepspraet” de regels te geven:
„’k Hebb te veel gesnor van buyen
Over deuze muts sien gaen.
’k Selt hun lichtelick soo klaeren,
Dat ick vlaggen, schut en touw,
En de maets die met mij vaeren
Vryen sel van dutt en rouw.”
Hij heette Rogiersz., en had reeds twee reizen naar Amboina gemaakt en
telkens met bijzonder geluk.
De eerste stuurman was Pieter Pietersz. Heyn. Na zijn’ zeetocht onder
Admiraal van Obdam van Duyvenvoorde, had hij met Nelissen de vaart
ten oorlog vaarwel gezegd. En zulks niet zoo geheel ten onrechte. De
Oost-Indische Compagnie toch bood veel meer kansen van gewin aan,
dan de oorlogsvaart, en ieder matroos droeg in dien tijd, als hij
maar wilde, de verzekering met zich om, dat hij door moed en beleid
zeker schipper op een’ koopvaarder kon worden, zoo niet heel wat meer.
Wel had Pieter Heyn zoo tusschenbeide weer eens dienst gedaan op
verschillende oorlogsbodems, en had hij zelfs den zeeslag bij Gibraltar
nog mee helpen winnen, doch dat was dan ook maar bij die gelegenheden,
dat het Vaderland door den bedreigden handel, in gevaar gebracht werd,
en koopvaardij-bodems tijdelijk dienst doen moesten, als schepen van
oorlog. Zoo iets had dikwijls, nog heel lang na dezen tijd, plaats.
Er had met Pieter evenwel nog eene andere verandering plaats gegrepen.
Te Rotterdam had hij kennis gekregen met een’ zekeren Claes De Reus,
een’ schipper, die zeer gelukkig gevaren had, en die nu terwille van
zijne vrouw, die, evenals hij, bejaard begon te worden, den zuidwester
aan den kapstok gehangen had, om er hem niet meer af te nemen.
Deze Claes De Reus had slechts twee kinderen, beiden meisjes. Eene
van deze heette Annetje, en Pieter zag in haar zijne Moeder, zoo hij
meende, verjongd terug. Ze was stil, vlijtig, zuinig en vroom. Dit
laatste niet in schijn, zooals, ongelukkig genoeg, ook toen het geval
wel eens was, neen, ze was het inderdaad.
Onze Pieter bracht zijne Moeder eens in kennis met haar, en daar die
goede vrouw in Annetje werkelijk veel van zichzelve terugvond, zoo had
ze er niets tegen, dat heur Pieter haar tot vrouw nam.
En Vader Heyn dan? Deze had toch ook wel wat te zeggen in zulk eene
zaak?
Neen, Vader Heyn’s goed- of afkeuring vroeg men niet. Zoo langzamerhand
was hij lichamelijk gaan aftakelen, en kon hij zelfs niet meer uit
visschen gaan. Pieter was de aangewezen man om voor hem en zijne Moeder
te zorgen, want zijne broeders, die al gehuwd waren, hadden voor hun
eigen klein gezin het dagelijksch brood, doch meer ook niet.
Gelukkig had Piet ruime verdiensten en kon hij zijne Ouders best
onderhouden, doch zie, toen Vader aan den wal stilletjes kwam leven
en hij niet meer werkte, hield het aftakelen van het lichaam zoo
goed als op, terwijl de geestelijke vermogens verminderden, en vrij
sterk ook, zoodat hij ten laatste begon te suffen en alles best vond,
onverschillig, of het goed of kwaad was. Van de zee, eens zijn lust en
leven, scheen hij niets meer te weten.
Heel anders was het met Claes De Reus, doch deze was heel wat jaren
jonger dan de oude Heyn, die al half de veertig was eer hij aan
trouwen dacht. Dit was met De Reus het geval niet geweest en hij was
op pas twee en twintigjarigen leeftijd al gehuwd. Heel goed had hij
nog verscheidene jaren kunnen varen, doch daar hij zijne schaapjes op
het droge had en Annetje zijn eenig kind was, had hij, ter wille van
die twee, den zuidwester aan den kapstok gehangen en was hij bij honk
gebleven.
Bij honk, dat is, steeds thuis, dat was hij, maar met zijn hart en
al zijne gedachten was hij nog altijd op zee, en het verheugde hem,
dat een flink zeeman, als Pieter Pietersz. Heyn, om de hand van zijne
lieve Annetje vroeg. Ze werd hem dan ook niet geweigerd, en, eer de
„Muskaatboom” uitliep, waren Pieter en Annetje een paar geworden.
Toch had hij aan hare Moeder wat moeten beloven. En dat was, zóó zuinig
te leven, als hem mogelijk was; alle eerlijke middelen in het werk
te stellen om gauw schipper te worden, en dan een spaarpotje zien te
maken, dat groot genoeg was om zoo spoedig mogelijk ook zijn zeemanspak
in de kast te bergen.
Willem Adriaensz. Blokmaker was tweede stuurman en Steven, bootsman op
hetzelfde schip.
Aan boord van het schip bevond zich ook een koopman, Evertsz.
geheeten. Zulk een koopman ging meestal mede, als zaakgelastigde van
de Compagnie, en aan hem was het handeldrijven en het koopen der
lading toevertrouwd. Wilde hij bijvoorbeeld op de heen- en terugreis
nog andere plaatsen aandoen om daar het een of ander te koopen,
dan geschiedde dit, als de schipper het goed vond, want boven dezen
stond hij niet, en hij had aan boord zelfs niets te bevelen en moest
zich onderwerpen aan het gezag van den schipper, die hem dan ook
meer als passagier beschouwde, hoewel hij uit den aard der zaak, als
de verhouding tusschen beiden goed was, hem zeker nogal dikwijls
raadpleegde. Later echter kreeg zulk een koopman nogal wat voor het
zeggen.
De „Muskaatboom” was uitgerust met bestemming naar Amboina, op welk
eiland van den Molukschen Archipel, in dien tijd door de Compagnie de
voornaamste handel gedreven werd.
Op het oogenblik dat wij, in gedachten, op de „Muskaatboom” aan dek
stappen om, in gedachten, de reis mede te maken, vinden we er nog vele
vrouwen, die gereedstaan om van hare mannen afscheid te nemen. Onder
die vrouwen zijn ook Pieters vrouw en Moeder.
Schipper Rogiersz., die niet getrouwd was, en ook al sinds lang geen
Ouders meer had, kon niet begrijpen, dat groote mannen zoo klein konden
worden op het oogenblik, dat ze van vrouw, Moeder of Vader afscheid
namen, en daar de gelegenheid nu gunstig was om te vertrekken, zoo
naderde hij het afscheidnemende hoopje en zeide: „Gansbloed, zou men
niet zeggen, dat hier eene stortzee overdek geslagen is? Wat beduidt al
dat gehuil, al dat gelamenteer toch? Fij, en dat voor mannen! Komtaan,
gij daar met uwe witte huiven, den valreep af, of ik neem allen mee om
je in de Oost-Indiën tegen peper te verruilen.”
Hierop wenkte hij een’ sloeproeier, die, in de hoop van een vrachtje te
krijgen, met zijne jol aan den wal lag.
De man begreep dat wenken best, maakte de jol los en roeide ze naar de
„Muskaatboom”. Niet zoodra lag hij bij den nog uithangenden valreep,
of schipper Rogiersz. riep hem schaterlachend toe: „Krijn, een hoop
sliknatte, witte zeilen. Hallo, man, er is een mooie duit aan te
verdienen. Breng ze naar den wal, dan kunnen ze droog zijn tegen den
tijd, dat we terugkomen.”
De „witte zeilen” waarmede de vrouwen bedoeld werden, waren niet
zoo goed, of ze moesten in de jol overstappen, en nauwelijks was
dat geschied, of Pieter naderde den schipper, veegde zich met een’
zijner vuisten een paar tranen van de wang en sprak: „Tot uw’ dienst,
schipper! Ik ben klaar. Wat wil u?”
„Wat ik wil? Bij mijne ziel, vraag-je dat nog? Ik wil onderzeil! Hoe
eer hoe liever!”
„Goed, schipper!” luidde het antwoord, en onze wakkere eerste stuurman
liet alles in orde brengen, en toen dit geschied was, werd de
„Muskaatboom” van zijne ankers losgemaakt en--vooruit ging ze!
Aan den wal stonden nog vrouwen. Zij wuifden met handen en zakdoeken.
Pieter Heyn wuifde terug, wischte nog tersluiks een’ traan weg, en
.... klaar was hij. Van top tot teen was hij een zeeman, even als zijn
schipper.
Aanvankelijk kon een man, als Rogiersz. was, moeielijk gelooven, dat
iemand, die bij het afscheid nemen van vrouw of Moeder zich zijne
tranen niet schaamde, een flink zeeman was. Hij meende, dat zoo iemand
aan boord al heel gauw door een soort van heimwee zou overvallen
worden, en dat hij in tijd van nood te week- en te flauwhartig zou
zijn om flink aan te pakken. Het was dus geen wonder, dat hij van
Piet Heyn en al dat ander „tuig van tranenknijpers” al heel weinig
verwachting had, en spijt gevoelde, dat hij bij de aanmonstering van
het volk er niet op gelet had, of het was als hij, zonder Ouders, vrouw
of kinderen. Heel vriendelijk werden Piet Heyn en zijne teerhartige
vrienden in den beginne door den schipper dus niet behandeld. Deze
tegenzin in die „tranenknijpers” duurde echter niet zoo heel lang, want
zijn scherpziend oog zag gauw genoeg, dat mannen met harten ook mannen
van flinke daden konden zijn, en toen hij dat eenmaal gezien had, dacht
hij er heel anders over en toonde hij voor al zijn volk een uitnemend
schipper te zijn.
Reeds aanstonds bewees Pieter, dat hij nog wat meer kon dan
tranenknijpen, want met vaste hand bestuurde hij de roergangers, zoodat
de „Muskaatboom”, onder het lossen van een paar kanonschoten tot
afscheid, statig en met vasten gang de rivier afzakte.
„Goede reis!” klonk het in alle stilte van den wal uit den mond des
koopmans, en dat beduidde: „Maak maar goede zaken!”
„God behoede u!” fluisterden vrouwen en Moeders, terwijl ze bij den
ingang der straat nog even naar de toppen der masten zagen, en men
dacht er bij: „Wat zullen we blij zijn, als je weer terugkomt!”
„Vaartwel, vaart allen wel!” was de laatste uitroep van den matroos,
die deze woorden uitsprak in het gebulder van het geschut, en hij
verlangde al de vreugdeschoten te hooren bij de terugkomst. Die schoten
klonken mooier, vond hij.
Na eene voorspoedige reis van vier dagen zeilde de „Muskaatboom”
het Kanaal uit, en den Atlantischen Oceaan in, en heel de bemanning
wenschte, dat die aanvankelijk gelukkige en voordeelige tocht eene
voorspelling mocht zijn van een goed einde.
Maar, niets veranderlijker dan het weder, en niets zoo wispelturig als
de wind.
Men mocht wenschen, wat men wilde, er zou gebeuren, wat gebeuren moest.
„Wel, stuurman, als we zóó in de Oost komen, dan mag dat wel met een
krijtje aan den balk geschreven worden,” zeide koopman Evertsz. op
zekeren avond, terwijl hij zich op het achterschip bij Pieter neerzette.
„Ja, koopman, dat geloof ik ook. Wij zijn de Linie al gepasseerd en
naar ik van den ouden Marten gehoord heb, gebeurt het vaak, dat een
schip daar soms weken lang ronddrijft zonder maar wat vooruit te komen.”
„Geloof niet alles, wat die oude zeerob vertelt. Hij krijgt de gebreken
van den ouden dag en ziet altijd leeuwen op den weg,” luidde de
opmerking des koopmans, die genoemden Marten, een’ ouden zeerob, die
niet heel veel ontzag en eerbied had voor een’ koopman aan boord, ja,
hem maar al te vaak als een „sta-in-den-weg” beschouwde, niet goed
lijden kon.
„Het moge zijn, dat Marten te veel zwarigheden ziet,” hernam Pieter,
„maar hij is veel meer dan wij een man van ondervinding. Op eene leugen
heb ik hem nooit betrapt.”
„Hoe zou-je dat ook kunnen? Je bent toch, om zoo te zeggen, nog groen,
want het is immers je eerste groote reis?” antwoordde de koopman.
„Geloof me, ik, als koopman van de Compagnie, kan meepraten, want alle
scheeps-journalen kreeg ik in handen. Ik zeg, dat Marten een groote
spekschieter is, die zich verbeeldt de wijsheid in pacht te hebben,
omdat hij al meer reizen naar de Oost gedaan heeft. Mij kan hij althans
niets wijsmaken; ik ben gelukkig wat meer belezen en zoo dom niet
uitgevallen.”
Terwijl koopman Evertsz. zoo aan het grootspreken was, stond de man,
over wien hij het had, tegen het achterschip, dat volgens den bouwtrant
van die dagen veel hooger was dan het gewone scheepsdek. Op dat hoogere
gedeelte van het schip, dat men de „Campagne” noemt, mogen alleen de
Officieren komen, en aan boord van de koopvaardij-schepen behoorden
stuurman en koopman daar ook bij. De mindere man mocht er alleen
komen om schoon dek te maken, of als het hem bevolen werd, er werk
te verrichten, en natuurlijk kwamen daar ook de roergangers, die den
stuurman aan het roer moesten helpen, want sturen op zee is een veel te
zwaar werk voor één’ man, vooral bij zware zeeën en als het schip de
ruimte niet heeft, zoodat het veel moet uitwijken, evenals een rijtuig
op een’ weg, waarop veel verkeer is.
Nu had Marten de wacht en stond dicht onder de campagne, zoodat hij
alles hooren kon, wat de koopman zeide.
„Zoo’n blaaskaak,” mompelde hij. „Of hij den stuurman aan zijne zijde
krijgen zal? Ik denk van neen, want die Pieter Heyn lijkt mij een flink
zeeman.”
Pieter had op de grootspraak van koopman Evertsz. met geen enkel woord
laten hooren, wat hij dacht.
Dat viel Evertsz. tegen en daarom zeide deze nu: „Ik hoop niet, dat gij
zoo gek zult zijn als de schipper!”
„De schipper gek?” vroeg Pieter verstoord en driftig.
„Nu, gek! Ik bedoel niet, dat het hem in de bovenkamer hapert, dat
niet. Ik wou hem alleen maar een beetje verstandiger en minder
lichtgeloovig hebben. Ik houd het er zoo voor, dat de Compagnie eene
betere keus had kunnen doen, en dat ze met hem wel wat bekocht is.”
„Maar, koopman,” riep Pieter nijdig en verontwaardigd uit, „hoe kan
u zoo iets van schipper Rogiersz. vertellen? Hij te lichtgeloovig en
te weinig verstandig! Hoe komt u er toch aan om dat te meenen? Maar
aangenomen, dat hij die groote gebreken heeft, waarom heeft u het dan
niet aan de Heeren der Compagnie gezegd vóór ze hem benoemden?”
„Nu, dat is vrij duidelijk. Toen wist ik het nog niet!”
„En weet gij het dan nu?”
„Ja! Hij luistert naar het geleuter van Marten! En wie een paar heldere
oogen in een verstandig hoofd heeft, die zal het met mij eens zijn, dat
Rogiersz. eigenlijk een groote sukkel is en niet verdient schipper van
de „Muskaatboom” te zijn.”
„Maar, koopman, dat....”
Pieter hield zich eensklaps in.
„Nu, wat wildet gij zeggen?” vroeg Evertsz. „Ik houd van een rond en
openhartig woord.”
„Welnu, als gij het dan weten wilt, hoor dan! Schipper Rogiersz.
staat veel te hoog bij mij aangeschreven om te dulden, dat iemand, al
was hij Zijne Excellentie Prince Maurits in persoon, hem minacht en
minachtend over hem spreken durft. Evenals ik, doet gij voor de eerste
maal de reis naar de Oost, maar zee zonder land zag ik toch dikwijls,
en u nooit. Als zeeman heb ik dus recht om van schipper Rogiersz. te
zeggen, dat ik zijne eerste dwaze en onverstandige daad nog zien moet.
Maar behalve dat, gij moogt zoo niet over hem spreken, want dat is
niets minder dan rebellie. Ik mag die taal ook niet aanhooren, want
ook ik ben verantwoordelijk ervoor, dat het gezag van den schipper
door ieder, van mij af tot den pluimgraaf, gehandhaafd wordt. En
wat den ouden Marten betreft, eerlijk beken ik, dat ik dikwijls de
schouders ophaal, als hij wat zegt, maar dat is geen spotten, dat is
bekennen, dat ik het niet weet, en voor mogelijk houden, als ik zijne
ondervinding heb, dat ik het óók voor waarheid houd. En nu heb ik het
gezegd, zooals ik het meen met ronde en openhartige woorden, die ge
zelf wildet. Euvel duiden zult gij ze mij dus niet! Ik wensch u goeden
avond, koopman! Mijn werk wacht me!”
Pieter stond op en ging bij den man aan het roer om de noodige
aanwijzingen te geven, doch Marten stond beneden bij de campagne van
pret in de handen te wrijven, mompelend: „Die Heyn is een man naar mijn
hart! Hij verstaat de kunst om iemand de volle laag te geven!”
De koopman had geen pret. Nijdig stond hij op om naar zijne hut te
gaan, terwijl hij bromde: „Met zulk dom en betwijs zeevolk is de
Compagnie over een paar jaren naar de maan!”
„Koopman,” riep Marten, die nu voor den dag kwam, „als u nog meer zulk
moois van mij en den „Ouwen” weet, zoek dan een’ anderen winkel op om
het kwijt te raken.”
„Je bent een brutale vent, en ik zal je op staanden voet aanklagen,”
zeide Evertsz.
„Bij den „grooten sukkel” zeker?” sarde Marten.
Evertsz. bromde zoo iets, dat het tegenovergestelde was van iemand wat
goeds toewenschen en trad zijne hut binnen. En als hij nu dagen aaneen
maar heel weinig aan dek kwam, en dan bijna niemand te woord stond,
gniffelde Marten: „Hij is zeker leelijk te haring gevaren en de graten
zitten hem in de keel.”
Met ongekenden voorspoed ging alles tot ze zoo ongeveer op twintig
graden Zuiderbreedte tusschen de eilanden Mauritius en Madagascar
gekomen waren. Hoewel deze eilanden op de heenreis gewoonlijk nooit
aangedaan werden, had de schipper besloten één dezer twee, ja, als het
kon, beide aan te doen, in de hoop er wel iets te vinden, dat van
hunne gading zijn zou. Het eiland Mauritius zelf was onder dien naam
toen nog niet zoo bekend, doch de eilandengroep, waartoe het behoorde,
kende men wel.
Het was nacht en daar het nieuwe maan was, vrij donker. Men stelle
zich zulk een’ nacht evenwel niet voor als een’ van onze nachten. De
lucht is in die streken veel helderder. In Perzië kunnen de nachten,
waarin de maan niet schijnt, nog zóó helder zijn, dat men niet al te
kleine letters zeer goed, enkel bij het licht der sterren, lezen kan,
en hoewel het op zee, door de vele dampen, die opstijgen, nu niet zóó
helder is, als in Perzië, toch zijn de nachten tusschen de Keerkringen,
ook op den Oceaan, in den regel veel minder duister dan bij ons.
Pieter had de wacht en stond wat te praten met den roerganger, die
ditmaal onze Marten was. Het gesprek scheen echter niet al te best
te willen vlotten en dit bevreemdde Pieter, want Marten was een echt
praatvaartje.
„Praktizeer-je over wat?” vroeg Pieter eindelijk.
„Ja, Stuur! Ik praktizeer zoo een beetje over het weer. Er zit wat
in de lucht, dat niet goed is. Het schip werkt meer en de zee begint
hol te staan. Ik vertrouw het zaakje niet!” Met dat „werken van het
schip” bedoelde de oude matroos, dat hij de onderscheidene deelen van
het schip, ten gevolge van de beweging der zee, tegen elkander hoorde
wrijven. De uitdrukking: „het schip werkt,” wordt nog altijd in dien
zin gebruikt.
„Het is ook drukkend heet! Er kon wel eens een stoker op til zijn.”
„Ja, Stuur, ik heb al gezegd: als we zóó in de Indiën komen, dan is
dat wel een soort van wereldwonder. Het gaat waarlijk wat àl te mooi!
En nu zegt Blokmaker wel: „Je lijkt wel een stormvogel en je bent een
ongelukskraaier, die den boer en zijne varkens voor Oom Joost en gevolg
aanziet,” maar ik laat hem kallen. Zulk een onbevaren brasem heeft geen
kennis van deze wateren.”
Blokmaker, de tweede stuurman, die de wacht niet had, was een half
uurtje geleden ook aan dek gekomen, omdat de snikheete lucht daar
beneden hem het slapen belette. Toen hij nu Marten weer zoo echt op
zijn ouderwetsch hoorde doorslaan, riep hij hem toe: „Komaan, onze oude
baas zit weer op zijn praatstoeltje! Verder, maat, verder, dat frischt
een mensch op!”
„Een mensch, ja, maar ongelukkig ben je er geen,” spotte Marten.
„Alével zal ik maar net doen, alsof je er een bent. Luister dan, want
het is tot je bestwil. Zie-je, maat, ik zeg altijd maar: het is hier
de Noordzee niet, waar zulk een baaivanger een’ blauwen Maandag of wat
heeft liggen zwalpen, als eene kubboot in de deining!”
„Nu ja,” antwoordde Pieter, die eigenlijk niet wist hoe hij aan den
uitval van den praatzieken, ouden matroos een einde zou maken, „nu ja,
maar Blokmaker meent het zoo kwaad niet!”
„Niet kwaad meenen! dat zou er ook nog bij moeten komen, zei grootje,
en ze stak bijna haar’ vinger uit de heete asch in kokend water om
hem een beetje af te koelen. Dat zou er nog bij moeten komen! Hoor
eens, stuurmannetje, de goede niet te na gesproken, de schepen van de
Compagnie hebben meestal een raar soepzoodje van bemanning aan boord.
Wilde daar gisteren die Steven, de bootsman, me niet met het leukste
gezicht van de wereld wijsmaken, dat men de konste van ter zee te varen
zoowel uit boeken leeren moet, als op zee zelf? En al zeg ik al: man
je schiet met spek, als eene kat met peperbollen, dat leutert maar
toe, als doove Neel, die meende, dat ze stommetje speelde, omdat ze
zichzelve niet verstond, en haar mond ging als een klappermolen in den
kerseboomgaard, van Zondagmorgen twaalf uur tot Zaterdagnacht twaalf
uur. Praat me niet van die gotelingen, die meenen, dat ze een kanon
zijn, en ze zijn nog niet eens eene klakkerbos, waarmee de jongskens
proppen schieten. Maar wat de heeren wijzen, moeten de gekken prijzen,
zeg ik. Ik stoor er mij niet aan. Ik zet mijne muts over mijne ooren
en ik denk: Snapt en kalt maar voort, vriendjes, het eindje zal den
last dragen. Maar wat ik zeggen wil, er komt verandering, dat zeg ik.
Je mocht den „Ouwe” wel eens laten roepen, anders loopen we gevaar,
eer het morgen is, in de maag van een’ haai te kijken, of er ook smout
in is om onze laarzen in het vet te zetten, of om op onze beschuit te
smeren, en onszelven dan te verbeelden, dat we versch wittebrood met
Delftsche grasboter eten!”
„Doe nu zoo gek niet, meen-je het inderdaad?” vroeg Blokmaker, zich
keerend naar de plek, waar zooeven Pieter nog stond, doch die er nu
niet meer was.
„Mijn neus mag in een’ pompstok en mijn rug in eene provoost-lantaarn
veranderen, als het niet waar is. Toe, help me maar aan het roer, want
ik kan het alleen niet meer af!”
„Jawel, maar je bent altijd zoo’n soort van halven nar,” spotte
Blokmaker ongeloovig.
„Pak ân! Help!” riep Marten, die het werk inderdaad niet zonder hulp
af kon. „Wat ik anders ben, komt nu niet te pas! Ik ben nu een heele
profeet, vat-je!”
Blokmaker schoot toe om te helpen en bemerkte al dadelijk, dat Marten
nu niet voor nar gespeeld had.