NEGENDE HOOFDSTUK.

Mensch of tijger?

„Weet-je, wat ik nu toch wel zou willen?” had Pieter een paar dagen

geleden aan Nelissen gevraagd toen ze, misschien voor de zesde of

zevende maal in eene week of drie tijds, de Vlaamsche en Fransche kust

weer in het gezicht kregen.

„Je kunt wel zooveel willen,” meende Nelissen. „Ik zou ook wel wat

willen.”

„En dat is?”

„Dat we een’ flinken koopvaarder onder de voeten hadden.”

„Valt de dienst je dan tegen?”

„De dienst niet!”

„Wat dan?”

„Vraag-je nog: wat dan? Vat-je dan niet dat het de vaart en alleen de

vaart is?”

„Ik snap het toch niet!”

„Ben jij dan een zeeman? Spring zoo gauw mogelijk in een’

komenijs-winkel en weeg stroop af! Is dat eene manier van doen zoo

dag aan dag, week uit, week in wat heen en weer kuieren, alsof er op

den heelen aardbol geen ander zout water is dan de Noordzee! Bah!

Dat is straatslijperswerk! Neen, duizendmaal liever hup, vooruit,

als een koopvaarder, desnoods met eene vermolmde kast over het

„Matrozen-kerkhof” om de Kaap! Dat is pas het echte zeemans-leven! Wat

zou jij dan willen?”

„Precies hetzelfde, maar eer ik dat deed, wat anders doen!”

„Wat anders doen? En wat zou dat zijn?”

„Vraag jij dat nog? Jij, Nelissen?”

„Ik, en geen mensch anders!”

„Welnu dan, eer ik met eene vermolmde kast naar je zoogenaamd

„Matrozen-kerkhof” ging, zou ik de „Lucera” met onzen beul eerst te

pakken willen gehad hebben!”

„Stel dat uit het hoofd! Zoover van honk kuiert die man niet. De

„Lucera” is geen galei voor de Noordzee.”

„Jawel, maar we zullen toch wel verder komen dan de Noordzee, denk ik.

Ik heb er ten minste zoo een paar woorden van opgevangen.”

„Och, het volk, dat zich evenzeer verveelt, als wij ons vervelen,

vertelt voor waarheid, wat het zoo gaarne gelooft!”

„Ik heb het niet van het volk. Ik hoorde het den Kapitein tot den

schipper zeggen. En als ik wel gehoord heb, dan is het heen en weer

kuieren op de Noordzee nu zelfs gedaan en gaan we al verder. Dat bevel

moet gisteren gekomen zijn van den Admiraal. Mij dunkt, ik zie nu

Duinkerken al liggen, en kijk, daar ginder ligt het Engelsche schip de

„Hope”, Kapitein Robert Mansel.”

Het duurde niet lang of er kwam een boot van de „Hope”, waarin de

Engelsche Kapitein zelf zat om Kapitein Sael te verzoeken, met hem en

nog een paar andere Engelsche en Hollandsche schepen de wacht te houden

op de Spaansche galeiën van Don Frederik Spinola. Admiraal Levison, die

bij hem aan boord was, had dit bevolen.

„Zie-je nu toch wel, Nelissen,” zeide Pieter, „dat de galeiën wel in

het Kanaal durven komen!”

„Dat ze het durven? Nu, als het er op aankomt, zou ik wel willen

vragen: „Wat durft de Spanjaard niet?” De Spanjaarden mogen

trotschaards zijn, doch laf zijn ze niet. Maar nu er dan toch Spaansche

galeiën hier zullen komen, zou ik wel willen om een’ zak vol dukaten,

als ik ze maar had, dat de „Lucera” er bij was. Jongen, Pieter, wat zou

ik hem van laken geven! De wol zou er afstuiven, reken er op!”

„Wie weet wat gebeurt. Maar ik ga nu ter kooi, want ik heb de

hondewacht. Gegroet! Als hij komt, je weet wel wien ik bedoel, dan

laten roepen, hoor! Samen geleden, samen afrekening houden! Dat klopt!”

„Slaap er gerust op, Pieter! Als hij komt, dan zullen we het er samen

van hebben. Den zegen, maat!”

Dien nacht was er evenwel nog niets van de Spanjaarden ontdekt, doch

tegen den middag zei Pieter opeens tot Nelissen: „Heb ik het wel,

dan komt ginder wat. De Engelschman schijnt ook wat in de doppen te

krijgen. Maar die mist, die mist! Er valt zoo goed als niets te zien,

en als wij niet heel goed op onze tellen passen, dan kuiert de Spanjool

ons zoo netjes voorbij, als je het nog nooit gezien hebt. Wij zullen er

dan niets van bemerken!”

„Tut-tut! Ongemerkt voorbijkomen? Een zeilschip mogelijk, maar eene

galei niet. Zoo’n groote honderd riemen maken daarvoor immers veel te

veel geweld, en....”

Hij zweeg eensklaps en hield de holle hand achter het rechteroor en

luisterde blijkbaar scherp.

„Wat is er te hooren?” vroeg Pieter.

Nelissen’s gezicht, dat er zoo ontevreden uitgezien had, helderde

op, en met oogen, die van blijdschap straalden, zeide hij: „Het zijn

galeien, die naderen. Ze zijn zelfs al dichtbij, maar om ons te pieren

hebben ze de roeidollen alweer met leder bekleed. Je kent dat kunstje

van ouds!”

„Wat te hooren, stuurman?” vroeg Kapitein Sael nu op Nelissen

toetredend.

„Spaansche galeiën, Kapitein! Ze zijn al dichtbij! Als de galei er nu

maar bij is, die ik bedoel!”

„Zoo? Zijn er galeiën waaraan je kennis hebt?”

„Of ik, Kapitein! Ik heb meer dan twee jaar op de „Lucera”, als

galei-slaaf, moeten roeien, en ik ben er met mijne makkers behandeld

geworden, als een dolle hond!”

„En denk-je, dat de „Lucera” er bij is?”

„Ik weet het niet zeker, Kapitein! Ik hoop het!”

„Ei, ei, liggen zijne boontjes in de week?”

„Of ze, Kapitein! Ik zal....”

„Stil, stuurman! Er komt een koeltje! Kijk de mist eens optrekken! Daar

zijn de galeiën!”

„Hoezee! Hoezee!” riep Nelissen, en naar Pieter loopende, die even

tusschendeks gegaan was, klonk het: „Pieter, onze bekende is er! Kom,

jongen, kom! Hoezee!”

Daarop liep hij weer naar het dek.

„Is de „Lucera” erbij, Nelissen?” vroeg de Kapitein. „Ik ken ze niet.”

„Ja, ja, Kapitein, die middelste is het. Ze zal immers onze partij

zijn, Kapitein?”

„Misschien, stuurman, misschien! Dat hangt van omstandigheden af.”

„En van den Engelschman?”

„Ook al!”

„Als die dan maar niet bang is!”

„Sir Mansel bang? Evenmin als de beste Hollander, stuurman! Reken er

op, als het van hem afhangt, dat we werk aan den winkel krijgen.”

„Het is te hopen! Mijne handen jeuken om aan den slag te gaan.”

„En de mijne ook,” liet Pieter zich hooren.

„Best, mannen, best! Maar, Nelissen, ga nu eens met die jeukende handen

aan het roer! Houd eene streek meer Noord, ééne streek is genoeg.”

Weldra was Nelissen aan het roer.

„Het gaat goed! Het gaat best,” sprak de Kapitein, die bij zijn’

eersten stuurman stond. „We steken den luî prachtig de loef af. Niets

beter toch dan een zeilschip, als er wind is. Wat beduidt zoo’n logge

galei dan? Hoort me die riemen eens slaan! Ze zetten het op alle haren

en snaren om het van ons te winnen!”

„Arme menschen,” zeide Pieter, die toch nu een oogenblik van medelijden

had, „elk voetje terug kost-je een zweepslag! Nu, stakkerds, je zult

gauw genoeg uit je lijden zijn! Rekent er op!”

„Een vreeselijk lot toch! Geketend aan de roeibanken, worden ze

eenvoudig, als onderdeelen van het schip beschouwd. Geen mensch, die

eene hand uitsteekt om hen te redden, als de schuit naar den kelder

gaat! Maar, daar gaat de Engelschman den Franschen wal halen. Goed

gedaan! Duinkerken is te dicht bij, en vijf minuten mist, hup, ze zijn

in veiligheid,” sprak de Kapitein.

„Mag ik raad geven, Kapitein?” vroeg Nelissen.

„Jawel! Wat zou-je willen?”

„Wat ik wil, Kapitein? Ik wil met de „Samson” die kast in den grond

zeilen. Ons schip heet niet voor niemendal naar dien ouden Richter van

Israël!”

„Doe wat je kunt! Ik geef vergunning! Ten minste zoo lang we den boêl

niet in de war sturen!”

De Bevelhebber der Spaansche vloot, die aanvankelijk plan scheen te

hebben, met zijne overmacht zich op de Engelschen en Nederlanders

te werpen, gaf, het groote Engelsche Admiraalsschip ziende, last om

terstond de zeilen te geien, en begon tegen den wind in terug te

roeien, om vervolgens, onder begunstiging van het nachtelijk donker

of den mist, zich stil uit de voeten te maken en dan vervolgens te

trachten, de havens van Duinkerken of Nieuwpoort te bereiken. Sir

Levison, de Engelsche Opper-bevelhebber, die een ervaren zeeman was,

begreep evenwel terstond de bedoeling van Spinola, en gaf Kapitein

Jones van de „Advantage” last, naar Sluis te loopen en daar de

Staatsche schepen te waarschuwen voor de plannen, die de vijand

duidelijk toonde te hebben. Spinola scheen in het eerst niet te

vermoeden, dat men hem begrepen had, doch het gestadig vuren van het

Engelsche Admiraalsschip, zonder dat de kogels hem konden bereiken,

benevens de lantaarns, die Sir Levison in de stengetoppen voerde,

maakten het hem ten laatste duidelijk, dat dit alles slechts eene

waarschuwing voor andere vijandelijke schepen was, en dat het niet lang

zou duren, of hij zou zich tusschen twee vuren bevinden. Hij veranderde

derhalve van koers, en tegen den avond was hij zoo dicht onder de

Engelsche kust, dat verscheidene Turksche galei-slaven, na hunne boeien

doorgevijld te hebben, zich in zee wierpen en zwemmende den oever

bereikten.

Hadden al die arme mannen dat maar kunnen doen! Ingeval er gevochten

zou worden, waren zij immers geheel weerloos en werden door vriend noch

vijand ontzien.

Intusschen begon de wind te liggen. Dat was iets in het voordeel der

galeien, die er een goed gebruik van maakten ook.

Toch liep Spinola, die door het wijken van den Engelschen Admiraal naar

de Fransche kust in den waan gebracht was, dat men van het vervolgen

afgezien had, leelijk in de fuik, en de Engelsche en Nederlandsche

schepen, die bij Duins lagen, in den boeg. Deze ontvingen hem niet heel

malsch, zoodat Spinola genoodzaakt was, af te houden. Thans zou hij

mogelijk den dans ontkomen zijn, ware niet de wind opgestoken. Levison

maakte hiervan gebruik en sneed den Spanjaard den koers af. Het werd

aardedonker, en reeds meende Spinola op weg naar Sluis te zijn, toen

Levisons schip de „Hope,” hem ontdekte en de volle laag gaf. Hoewel

hoofdzakelijk op goed geluk af was gevuurd, werd van de vijandelijke

galei de groote ra afgeschoten en de schuit zelve, dat is de romp van

het schip, werd zoo doorboord, dat men de galei-slaven en de bemanning

om genade en hulp hoorde schreeuwen. Terwijl men deze galei naderde

en de gevangenen wilde overnemen, naderden de vijf andere galeiën. De

Engelschen lieten nu het gehavende schip aan zijn lot over en vielen de

overige vijandelijke vaartuigen aan, die schielijk ter zijde weken.

Om tien uren evenwel verdeelden zich de donkere wolken, die in het

Zuiden en Zuidoosten opeengepakt waren en de maan goot haar licht over

het watervlak.

„Daar is de „Lucera”! Daar is de „Lucera”!” juichte Pieter, die nu aan

het roer stond.

„Kijk, kijk, die beul Calliado staat bevelen uit te deelen,” riep

Blokmaker. „Ik herken hem! Hij is het, en geen mensch anders!”

De „Lucera” scheen op de „Samson” te winnen.

„Zet alle zeilen bij!” beval Kapitein Sael.

„Wil ik je helpen, Pieter, mijn jongen?” vroeg Nelissen.

„Dank-je! Kan het wel alleen af!” bromde Pieter en geloofde in alle

eenvoudigheid, dat God hem zijn’ beul in handen had geleverd, om hem de

wreede mishandelingen betaald te zetten.

Dat Pieter zijn’ Bijbel trouw las, wil ik gaarne gelooven; dat hij

zijn’ Bijbel begreep, betwijfel ik.

Maar men valle den jongen man niet te hard. Het is gemakkelijk

gezegd: „Men mag geen kwaad met kwaad vergelden,” als men niet in de

gelegenheid komt om zich te wreken. Maar komt die gelegenheid, nu,

de groote Spreukschrijver zeide het al: „Wie zichzelven overwint, is

sterker dan hij, die steden verwoest.” Bovendien was Pieter niet alleen

baas. Al had hijzelf het schip eene andere richting willen geven om

zijn’ vijand te laten ontkomen, het volk zou hem het roer uit de handen

gerukt hebben, en trots zijn tegenstreven, wraak hebben uitgeoefend.

Maar Pieter behoefde de manschappen niet aan te vuren, en er was geen

oogenblik sprake van om hem het roer uit de handen te rukken. Hijzelf

wilde wraak nemen en hij knarsetandde van woede en spijt, als hij zag,

dat de „Lucera” ook maar iets op de „Samson” won. Zonder twijfel werden

de arme galei-slaven met vreeselijke slagen aangedreven, zoo krachtig

te roeien, als slechts in hunne macht was.

Maar zweepslagen belett’en den wind niet, te doen, wat deze kan. Zie,

de zeilen van de „Samson” zwellen weer!

„Hoezee, dat gaat er op los! Hoezee!”

Het daverend gejuich der rauwe, Hollandsche varensgezellen wordt op de

„Lucera” gehoord.

Hoort die zweepslagen eens neerkomen!

Hoort die riemen zich met verbazende snelheid in het water bewegen!

Het leder springt door de krachtige wrijving uit de dollen!

Men hoort op den Hollander de slagen, die op de ruggen, vol bloedige

wonden, nederdalen, striemend neerkomen. Men hoort het brullen van

pijn en van woede, dat de weerlooze, geketende kaalhoofden na elken

zweepslag laten hooren.

Eigen schuld, dat ze die duldelooze pijnen op den vermagerden en

gekorven rug, of op welk ander lichaamsdeel ook, zoo voelen! Waarom

willen ze maar niet begrijpen, dat ze geen levende wezens meer zijn?

Zullen ze dan ook nooit leeren inzien, dat ze van hout of van ijzer

zijn en dat hout en ijzer geen pijn voelen? Dat wil Don Calliado immers?

O, domme, domme kaalhoofden! Uw drilmeester Don Calliado spant toch

zijne uiterste krachten zoo in om u zoo knap te maken, dat gij niets

meer voelt, niets, niets meer!

Hij is zoo’n edele beul, die Don Calliado!

Maar weg met alle gedachten! Daar is de werkelijkheid!

De Hollanders winnen den afstand; ze winnen den wind.

Nog één, één oogenblik!

Men heeft de „Lucera” bereikt!

Een gil, een akelige gil van zoogenaamde vreugde wordt aan het roer

gehoord. Pieter stoot dien uit: hij kan zich niet langer bedwingen.

Het Hollandsche bootsvolk schreeuwt mede.

Nog één oogenblik, nog twee seconden!

Nog één!

Een vreeselijk gekraak wordt vernomen en het angstgeschreeuw der

arme galei-slaven klinkt akelig uit het schip. De „Samson” is met

volle vaart de „Lucera” tegen bakboordszij geloopen. De riemen zijn

verbrijzeld; het achterschip en de koker van het roer zijn stuk

geslagen, en de gehavende galei helt zóó over, dat de arme slaven tot

hun middel in het water zitten.

Maar het werk der wraak is nog niet voltooid.

Als razenden loopen de Hollanders naar de kanonnen en vuren deze

tweemaal af.

„Misericordia! Misericordia!” roepen de Spanjaarden.

En beneden uit het schip klinkt uit andere monden, maar nog veel

rauwer, huilender en angstiger: „Misericordia! Misericordia!”

Nelissen en Pieter behoeven niet te vragen wie dat vreeselijk

hulpgeroep letterlijk uitbrullen! Zij weten het goed, al te goed, en

toch .... toch geen medelijden, geen deernis!

Kapitein Sael kan het moeielijk langer aanhooren. Redden wil hij niet,

maar moorden, zóó moorden, neen, dat wil hij toch ook niet; hij kan het

niet ook. Daarom: „Afhouden!”

Ze houden af, maar dat baat de „Lucera” niet, want ze wordt door andere

Hollanders aangevallen. De Spanjaarden houden stand. Don Calliado weet

van geen wijken of zich overgeven. Hij verdedigt zich tot hij van al

zijn volk alleen overschiet. Daar treft hem een kogel en stervend valt

hij neer.

De Hollanders springen vlug op het zinkende schip. De plundering

begint. Als of ze geboren roovers en niets anders zijn, breken ze alles

open en reppen zich om met hun’ roof te ontkomen, als ze bemerken, dat

de „Lucera” steeds dieper zinkt, want .... verdrinken willen de roovers

niet. Verdrinken mogen zij, de boeven daar beneden op de galei-banken.

[Illustratie]

Daar komt de „Samson” weer aan.

Wie heeft er berouw gekregen, dat de bodem niet geheel en al vernietigd

werd?

Pieter soms? Of Nelissen? Of Kapitein Sael? Blokmaker?

Wie weet het?

Bons! Een nieuwe stoot treft het ontredderde schip.

Sneller begint nu de „Lucera” te zinken.

Sael ligt in hare onmiddellijke nabijheid, doch geen mensch, die de

hand tot redden der arme slaven uitsteekt.

Hoort, hoort, wat verschrikkelijke kreten stijgen uit het hol van het

vaartuig op!

Het zijn de arme kaalhoofden, die aan de roeibanken vastgeketend zijn.

Het zijn de niet levenlooze onderdeelen van het schip, die deze kreten

laten hooren.

Hoort, hoort, Pieter, Nelissen, Blokmaker! Hoort, mannen! Eens waart ge

als zij! Als gij daar nog eens op die banken geklonken waart!

Erbarming! Erbarming! O, hebt gij dan een Don Calliado’s hart? Een

koud, ijskoud steenen hart soms, als de man uit het sprookje?

„Hebt uwe vijanden lief! Zegent hen, die u vloeken! Bidt voor hen, die

u geweld aandoen!” Gij leest het in uw’ Bijbel, die u, zooals gij zegt,

zoo dierbaar is!

En die arme kaalhoofden zijn uwe vijanden niet eens! Zij haten u niet!

Zij deden u nooit geweld aan!

Hebt medelijden, o, hebt medelijden! Slaat hunne ketenen stuk! Neemt ze

op, die mannen! Draagt ze aan boord! Kleedt en voedt ze!

Harten van menschen, die u Christenen noemt, hebt lief, o, hebt lief!

Redt, redt die armen! Eens waart gij als zij!

Tevergeefs! Men hoort niet. Het medelijden is doof.

Mannen, mannen dan! Wie weet, hebben die arme slaven geen vrouwen, die

langs het heerlijke Oosterstrand troosteloos zullen uitzien naar de

terugkomst van hare echtgenooten, van wie ze niet weten, waar zij zijn!

Wie weet hoeveel arme kindertjes daar ginds aan het strand der zee

staan om aan de stoeiende golfjes te vragen: „Wanneer brengt gij ons

lief Vadertje weer? Wij verlangen zoo naar hem! Ons hartje vraagt zoo

telkens naar hem! Zegt, golfjes, wanneer? Wanneer?”

Tevergeefs! Geen traan rolt langs de wangen dier geharde zeelieden,

als de laatste flauwe kreet gesmoord wordt door de golven, waarin de

„Lucera” thans verdwijnt.

Het is stil aan boord van de „Samson”.

„De rekening is betaald met den interest er bij!” zegt Pieter tot

Nelissen.

Doch zie, het was alsof op het eigen oogenblik Moeder Heyn hem terzijde

trad en hem in het oor fluisterde: „Pieter, mijn jongen, de rekening

was met den dood van Don Calliado immers al vereffend? Wat hadden die

ongelukkige galei-slaven u dan toch misdaan? Zeg, jongen?”

De stem van Kapitein Sael roept weer tot den arbeid. De stilte is

voorbij. Er valt nog veel meer te doen.

De Spaansche vloot werd verslagen, en alleen Spinola was zoo gelukkig,

na door de Staatschen tot voorbij Westkapelle gejaagd te zijn,

eindelijk te Duinkerken binnen te loopen. Hij redde hierdoor voor

Spanje eene waarde van tweemaal honderdduizend dukaten van goud en

zilver, eene groote som voor dien tijd. Maar dat was alles, wat van de

Spaansche vloot overgebleven was.

De Nederlandsche schepen keerden naar hunne havens weder, en voor het

volk, dat er op diende, was voor dat jaar het gewerk gedaan.

Nelissen, Pieter Heyn, Blokmaker, en al gij anderen van de „Samson”, de

handen op het hart en met de geroemde zeemans-rondheid antwoord gegeven

op de vragen: „Zijt gij tevreden over uw werk? En zegt, wat waart gij

daar op zee: Mensch of tijger?”

Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn · 第 18 / 36 题