Mensch of tijger?
„Weet-je, wat ik nu toch wel zou willen?” had Pieter een paar dagen
geleden aan Nelissen gevraagd toen ze, misschien voor de zesde of
zevende maal in eene week of drie tijds, de Vlaamsche en Fransche kust
weer in het gezicht kregen.
„Je kunt wel zooveel willen,” meende Nelissen. „Ik zou ook wel wat
willen.”
„En dat is?”
„Dat we een’ flinken koopvaarder onder de voeten hadden.”
„Valt de dienst je dan tegen?”
„De dienst niet!”
„Wat dan?”
„Vraag-je nog: wat dan? Vat-je dan niet dat het de vaart en alleen de
vaart is?”
„Ik snap het toch niet!”
„Ben jij dan een zeeman? Spring zoo gauw mogelijk in een’
komenijs-winkel en weeg stroop af! Is dat eene manier van doen zoo
dag aan dag, week uit, week in wat heen en weer kuieren, alsof er op
den heelen aardbol geen ander zout water is dan de Noordzee! Bah!
Dat is straatslijperswerk! Neen, duizendmaal liever hup, vooruit,
als een koopvaarder, desnoods met eene vermolmde kast over het
„Matrozen-kerkhof” om de Kaap! Dat is pas het echte zeemans-leven! Wat
zou jij dan willen?”
„Precies hetzelfde, maar eer ik dat deed, wat anders doen!”
„Wat anders doen? En wat zou dat zijn?”
„Vraag jij dat nog? Jij, Nelissen?”
„Ik, en geen mensch anders!”
„Welnu dan, eer ik met eene vermolmde kast naar je zoogenaamd
„Matrozen-kerkhof” ging, zou ik de „Lucera” met onzen beul eerst te
pakken willen gehad hebben!”
„Stel dat uit het hoofd! Zoover van honk kuiert die man niet. De
„Lucera” is geen galei voor de Noordzee.”
„Jawel, maar we zullen toch wel verder komen dan de Noordzee, denk ik.
Ik heb er ten minste zoo een paar woorden van opgevangen.”
„Och, het volk, dat zich evenzeer verveelt, als wij ons vervelen,
vertelt voor waarheid, wat het zoo gaarne gelooft!”
„Ik heb het niet van het volk. Ik hoorde het den Kapitein tot den
schipper zeggen. En als ik wel gehoord heb, dan is het heen en weer
kuieren op de Noordzee nu zelfs gedaan en gaan we al verder. Dat bevel
moet gisteren gekomen zijn van den Admiraal. Mij dunkt, ik zie nu
Duinkerken al liggen, en kijk, daar ginder ligt het Engelsche schip de
„Hope”, Kapitein Robert Mansel.”
Het duurde niet lang of er kwam een boot van de „Hope”, waarin de
Engelsche Kapitein zelf zat om Kapitein Sael te verzoeken, met hem en
nog een paar andere Engelsche en Hollandsche schepen de wacht te houden
op de Spaansche galeiën van Don Frederik Spinola. Admiraal Levison, die
bij hem aan boord was, had dit bevolen.
„Zie-je nu toch wel, Nelissen,” zeide Pieter, „dat de galeiën wel in
het Kanaal durven komen!”
„Dat ze het durven? Nu, als het er op aankomt, zou ik wel willen
vragen: „Wat durft de Spanjaard niet?” De Spanjaarden mogen
trotschaards zijn, doch laf zijn ze niet. Maar nu er dan toch Spaansche
galeiën hier zullen komen, zou ik wel willen om een’ zak vol dukaten,
als ik ze maar had, dat de „Lucera” er bij was. Jongen, Pieter, wat zou
ik hem van laken geven! De wol zou er afstuiven, reken er op!”
„Wie weet wat gebeurt. Maar ik ga nu ter kooi, want ik heb de
hondewacht. Gegroet! Als hij komt, je weet wel wien ik bedoel, dan
laten roepen, hoor! Samen geleden, samen afrekening houden! Dat klopt!”
„Slaap er gerust op, Pieter! Als hij komt, dan zullen we het er samen
van hebben. Den zegen, maat!”
Dien nacht was er evenwel nog niets van de Spanjaarden ontdekt, doch
tegen den middag zei Pieter opeens tot Nelissen: „Heb ik het wel,
dan komt ginder wat. De Engelschman schijnt ook wat in de doppen te
krijgen. Maar die mist, die mist! Er valt zoo goed als niets te zien,
en als wij niet heel goed op onze tellen passen, dan kuiert de Spanjool
ons zoo netjes voorbij, als je het nog nooit gezien hebt. Wij zullen er
dan niets van bemerken!”
„Tut-tut! Ongemerkt voorbijkomen? Een zeilschip mogelijk, maar eene
galei niet. Zoo’n groote honderd riemen maken daarvoor immers veel te
veel geweld, en....”
Hij zweeg eensklaps en hield de holle hand achter het rechteroor en
luisterde blijkbaar scherp.
„Wat is er te hooren?” vroeg Pieter.
Nelissen’s gezicht, dat er zoo ontevreden uitgezien had, helderde
op, en met oogen, die van blijdschap straalden, zeide hij: „Het zijn
galeien, die naderen. Ze zijn zelfs al dichtbij, maar om ons te pieren
hebben ze de roeidollen alweer met leder bekleed. Je kent dat kunstje
van ouds!”
„Wat te hooren, stuurman?” vroeg Kapitein Sael nu op Nelissen
toetredend.
„Spaansche galeiën, Kapitein! Ze zijn al dichtbij! Als de galei er nu
maar bij is, die ik bedoel!”
„Zoo? Zijn er galeiën waaraan je kennis hebt?”
„Of ik, Kapitein! Ik heb meer dan twee jaar op de „Lucera”, als
galei-slaaf, moeten roeien, en ik ben er met mijne makkers behandeld
geworden, als een dolle hond!”
„En denk-je, dat de „Lucera” er bij is?”
„Ik weet het niet zeker, Kapitein! Ik hoop het!”
„Ei, ei, liggen zijne boontjes in de week?”
„Of ze, Kapitein! Ik zal....”
„Stil, stuurman! Er komt een koeltje! Kijk de mist eens optrekken! Daar
zijn de galeiën!”
„Hoezee! Hoezee!” riep Nelissen, en naar Pieter loopende, die even
tusschendeks gegaan was, klonk het: „Pieter, onze bekende is er! Kom,
jongen, kom! Hoezee!”
Daarop liep hij weer naar het dek.
„Is de „Lucera” erbij, Nelissen?” vroeg de Kapitein. „Ik ken ze niet.”
„Ja, ja, Kapitein, die middelste is het. Ze zal immers onze partij
zijn, Kapitein?”
„Misschien, stuurman, misschien! Dat hangt van omstandigheden af.”
„En van den Engelschman?”
„Ook al!”
„Als die dan maar niet bang is!”
„Sir Mansel bang? Evenmin als de beste Hollander, stuurman! Reken er
op, als het van hem afhangt, dat we werk aan den winkel krijgen.”
„Het is te hopen! Mijne handen jeuken om aan den slag te gaan.”
„En de mijne ook,” liet Pieter zich hooren.
„Best, mannen, best! Maar, Nelissen, ga nu eens met die jeukende handen
aan het roer! Houd eene streek meer Noord, ééne streek is genoeg.”
Weldra was Nelissen aan het roer.
„Het gaat goed! Het gaat best,” sprak de Kapitein, die bij zijn’
eersten stuurman stond. „We steken den luî prachtig de loef af. Niets
beter toch dan een zeilschip, als er wind is. Wat beduidt zoo’n logge
galei dan? Hoort me die riemen eens slaan! Ze zetten het op alle haren
en snaren om het van ons te winnen!”
„Arme menschen,” zeide Pieter, die toch nu een oogenblik van medelijden
had, „elk voetje terug kost-je een zweepslag! Nu, stakkerds, je zult
gauw genoeg uit je lijden zijn! Rekent er op!”
„Een vreeselijk lot toch! Geketend aan de roeibanken, worden ze
eenvoudig, als onderdeelen van het schip beschouwd. Geen mensch, die
eene hand uitsteekt om hen te redden, als de schuit naar den kelder
gaat! Maar, daar gaat de Engelschman den Franschen wal halen. Goed
gedaan! Duinkerken is te dicht bij, en vijf minuten mist, hup, ze zijn
in veiligheid,” sprak de Kapitein.
„Mag ik raad geven, Kapitein?” vroeg Nelissen.
„Jawel! Wat zou-je willen?”
„Wat ik wil, Kapitein? Ik wil met de „Samson” die kast in den grond
zeilen. Ons schip heet niet voor niemendal naar dien ouden Richter van
Israël!”
„Doe wat je kunt! Ik geef vergunning! Ten minste zoo lang we den boêl
niet in de war sturen!”
De Bevelhebber der Spaansche vloot, die aanvankelijk plan scheen te
hebben, met zijne overmacht zich op de Engelschen en Nederlanders
te werpen, gaf, het groote Engelsche Admiraalsschip ziende, last om
terstond de zeilen te geien, en begon tegen den wind in terug te
roeien, om vervolgens, onder begunstiging van het nachtelijk donker
of den mist, zich stil uit de voeten te maken en dan vervolgens te
trachten, de havens van Duinkerken of Nieuwpoort te bereiken. Sir
Levison, de Engelsche Opper-bevelhebber, die een ervaren zeeman was,
begreep evenwel terstond de bedoeling van Spinola, en gaf Kapitein
Jones van de „Advantage” last, naar Sluis te loopen en daar de
Staatsche schepen te waarschuwen voor de plannen, die de vijand
duidelijk toonde te hebben. Spinola scheen in het eerst niet te
vermoeden, dat men hem begrepen had, doch het gestadig vuren van het
Engelsche Admiraalsschip, zonder dat de kogels hem konden bereiken,
benevens de lantaarns, die Sir Levison in de stengetoppen voerde,
maakten het hem ten laatste duidelijk, dat dit alles slechts eene
waarschuwing voor andere vijandelijke schepen was, en dat het niet lang
zou duren, of hij zou zich tusschen twee vuren bevinden. Hij veranderde
derhalve van koers, en tegen den avond was hij zoo dicht onder de
Engelsche kust, dat verscheidene Turksche galei-slaven, na hunne boeien
doorgevijld te hebben, zich in zee wierpen en zwemmende den oever
bereikten.
Hadden al die arme mannen dat maar kunnen doen! Ingeval er gevochten
zou worden, waren zij immers geheel weerloos en werden door vriend noch
vijand ontzien.
Intusschen begon de wind te liggen. Dat was iets in het voordeel der
galeien, die er een goed gebruik van maakten ook.
Toch liep Spinola, die door het wijken van den Engelschen Admiraal naar
de Fransche kust in den waan gebracht was, dat men van het vervolgen
afgezien had, leelijk in de fuik, en de Engelsche en Nederlandsche
schepen, die bij Duins lagen, in den boeg. Deze ontvingen hem niet heel
malsch, zoodat Spinola genoodzaakt was, af te houden. Thans zou hij
mogelijk den dans ontkomen zijn, ware niet de wind opgestoken. Levison
maakte hiervan gebruik en sneed den Spanjaard den koers af. Het werd
aardedonker, en reeds meende Spinola op weg naar Sluis te zijn, toen
Levisons schip de „Hope,” hem ontdekte en de volle laag gaf. Hoewel
hoofdzakelijk op goed geluk af was gevuurd, werd van de vijandelijke
galei de groote ra afgeschoten en de schuit zelve, dat is de romp van
het schip, werd zoo doorboord, dat men de galei-slaven en de bemanning
om genade en hulp hoorde schreeuwen. Terwijl men deze galei naderde
en de gevangenen wilde overnemen, naderden de vijf andere galeiën. De
Engelschen lieten nu het gehavende schip aan zijn lot over en vielen de
overige vijandelijke vaartuigen aan, die schielijk ter zijde weken.
Om tien uren evenwel verdeelden zich de donkere wolken, die in het
Zuiden en Zuidoosten opeengepakt waren en de maan goot haar licht over
het watervlak.
„Daar is de „Lucera”! Daar is de „Lucera”!” juichte Pieter, die nu aan
het roer stond.
„Kijk, kijk, die beul Calliado staat bevelen uit te deelen,” riep
Blokmaker. „Ik herken hem! Hij is het, en geen mensch anders!”
De „Lucera” scheen op de „Samson” te winnen.
„Zet alle zeilen bij!” beval Kapitein Sael.
„Wil ik je helpen, Pieter, mijn jongen?” vroeg Nelissen.
„Dank-je! Kan het wel alleen af!” bromde Pieter en geloofde in alle
eenvoudigheid, dat God hem zijn’ beul in handen had geleverd, om hem de
wreede mishandelingen betaald te zetten.
Dat Pieter zijn’ Bijbel trouw las, wil ik gaarne gelooven; dat hij
zijn’ Bijbel begreep, betwijfel ik.
Maar men valle den jongen man niet te hard. Het is gemakkelijk
gezegd: „Men mag geen kwaad met kwaad vergelden,” als men niet in de
gelegenheid komt om zich te wreken. Maar komt die gelegenheid, nu,
de groote Spreukschrijver zeide het al: „Wie zichzelven overwint, is
sterker dan hij, die steden verwoest.” Bovendien was Pieter niet alleen
baas. Al had hijzelf het schip eene andere richting willen geven om
zijn’ vijand te laten ontkomen, het volk zou hem het roer uit de handen
gerukt hebben, en trots zijn tegenstreven, wraak hebben uitgeoefend.
Maar Pieter behoefde de manschappen niet aan te vuren, en er was geen
oogenblik sprake van om hem het roer uit de handen te rukken. Hijzelf
wilde wraak nemen en hij knarsetandde van woede en spijt, als hij zag,
dat de „Lucera” ook maar iets op de „Samson” won. Zonder twijfel werden
de arme galei-slaven met vreeselijke slagen aangedreven, zoo krachtig
te roeien, als slechts in hunne macht was.
Maar zweepslagen belett’en den wind niet, te doen, wat deze kan. Zie,
de zeilen van de „Samson” zwellen weer!
„Hoezee, dat gaat er op los! Hoezee!”
Het daverend gejuich der rauwe, Hollandsche varensgezellen wordt op de
„Lucera” gehoord.
Hoort die zweepslagen eens neerkomen!
Hoort die riemen zich met verbazende snelheid in het water bewegen!
Het leder springt door de krachtige wrijving uit de dollen!
Men hoort op den Hollander de slagen, die op de ruggen, vol bloedige
wonden, nederdalen, striemend neerkomen. Men hoort het brullen van
pijn en van woede, dat de weerlooze, geketende kaalhoofden na elken
zweepslag laten hooren.
Eigen schuld, dat ze die duldelooze pijnen op den vermagerden en
gekorven rug, of op welk ander lichaamsdeel ook, zoo voelen! Waarom
willen ze maar niet begrijpen, dat ze geen levende wezens meer zijn?
Zullen ze dan ook nooit leeren inzien, dat ze van hout of van ijzer
zijn en dat hout en ijzer geen pijn voelen? Dat wil Don Calliado immers?
O, domme, domme kaalhoofden! Uw drilmeester Don Calliado spant toch
zijne uiterste krachten zoo in om u zoo knap te maken, dat gij niets
meer voelt, niets, niets meer!
Hij is zoo’n edele beul, die Don Calliado!
Maar weg met alle gedachten! Daar is de werkelijkheid!
De Hollanders winnen den afstand; ze winnen den wind.
Nog één, één oogenblik!
Men heeft de „Lucera” bereikt!
Een gil, een akelige gil van zoogenaamde vreugde wordt aan het roer
gehoord. Pieter stoot dien uit: hij kan zich niet langer bedwingen.
Het Hollandsche bootsvolk schreeuwt mede.
Nog één oogenblik, nog twee seconden!
Nog één!
Een vreeselijk gekraak wordt vernomen en het angstgeschreeuw der
arme galei-slaven klinkt akelig uit het schip. De „Samson” is met
volle vaart de „Lucera” tegen bakboordszij geloopen. De riemen zijn
verbrijzeld; het achterschip en de koker van het roer zijn stuk
geslagen, en de gehavende galei helt zóó over, dat de arme slaven tot
hun middel in het water zitten.
Maar het werk der wraak is nog niet voltooid.
Als razenden loopen de Hollanders naar de kanonnen en vuren deze
tweemaal af.
„Misericordia! Misericordia!” roepen de Spanjaarden.
En beneden uit het schip klinkt uit andere monden, maar nog veel
rauwer, huilender en angstiger: „Misericordia! Misericordia!”
Nelissen en Pieter behoeven niet te vragen wie dat vreeselijk
hulpgeroep letterlijk uitbrullen! Zij weten het goed, al te goed, en
toch .... toch geen medelijden, geen deernis!
Kapitein Sael kan het moeielijk langer aanhooren. Redden wil hij niet,
maar moorden, zóó moorden, neen, dat wil hij toch ook niet; hij kan het
niet ook. Daarom: „Afhouden!”
Ze houden af, maar dat baat de „Lucera” niet, want ze wordt door andere
Hollanders aangevallen. De Spanjaarden houden stand. Don Calliado weet
van geen wijken of zich overgeven. Hij verdedigt zich tot hij van al
zijn volk alleen overschiet. Daar treft hem een kogel en stervend valt
hij neer.
De Hollanders springen vlug op het zinkende schip. De plundering
begint. Als of ze geboren roovers en niets anders zijn, breken ze alles
open en reppen zich om met hun’ roof te ontkomen, als ze bemerken, dat
de „Lucera” steeds dieper zinkt, want .... verdrinken willen de roovers
niet. Verdrinken mogen zij, de boeven daar beneden op de galei-banken.
[Illustratie]
Daar komt de „Samson” weer aan.
Wie heeft er berouw gekregen, dat de bodem niet geheel en al vernietigd
werd?
Pieter soms? Of Nelissen? Of Kapitein Sael? Blokmaker?
Wie weet het?
Bons! Een nieuwe stoot treft het ontredderde schip.
Sneller begint nu de „Lucera” te zinken.
Sael ligt in hare onmiddellijke nabijheid, doch geen mensch, die de
hand tot redden der arme slaven uitsteekt.
Hoort, hoort, wat verschrikkelijke kreten stijgen uit het hol van het
vaartuig op!
Het zijn de arme kaalhoofden, die aan de roeibanken vastgeketend zijn.
Het zijn de niet levenlooze onderdeelen van het schip, die deze kreten
laten hooren.
Hoort, hoort, Pieter, Nelissen, Blokmaker! Hoort, mannen! Eens waart ge
als zij! Als gij daar nog eens op die banken geklonken waart!
Erbarming! Erbarming! O, hebt gij dan een Don Calliado’s hart? Een
koud, ijskoud steenen hart soms, als de man uit het sprookje?
„Hebt uwe vijanden lief! Zegent hen, die u vloeken! Bidt voor hen, die
u geweld aandoen!” Gij leest het in uw’ Bijbel, die u, zooals gij zegt,
zoo dierbaar is!
En die arme kaalhoofden zijn uwe vijanden niet eens! Zij haten u niet!
Zij deden u nooit geweld aan!
Hebt medelijden, o, hebt medelijden! Slaat hunne ketenen stuk! Neemt ze
op, die mannen! Draagt ze aan boord! Kleedt en voedt ze!
Harten van menschen, die u Christenen noemt, hebt lief, o, hebt lief!
Redt, redt die armen! Eens waart gij als zij!
Tevergeefs! Men hoort niet. Het medelijden is doof.
Mannen, mannen dan! Wie weet, hebben die arme slaven geen vrouwen, die
langs het heerlijke Oosterstrand troosteloos zullen uitzien naar de
terugkomst van hare echtgenooten, van wie ze niet weten, waar zij zijn!
Wie weet hoeveel arme kindertjes daar ginds aan het strand der zee
staan om aan de stoeiende golfjes te vragen: „Wanneer brengt gij ons
lief Vadertje weer? Wij verlangen zoo naar hem! Ons hartje vraagt zoo
telkens naar hem! Zegt, golfjes, wanneer? Wanneer?”
Tevergeefs! Geen traan rolt langs de wangen dier geharde zeelieden,
als de laatste flauwe kreet gesmoord wordt door de golven, waarin de
„Lucera” thans verdwijnt.
Het is stil aan boord van de „Samson”.
„De rekening is betaald met den interest er bij!” zegt Pieter tot
Nelissen.
Doch zie, het was alsof op het eigen oogenblik Moeder Heyn hem terzijde
trad en hem in het oor fluisterde: „Pieter, mijn jongen, de rekening
was met den dood van Don Calliado immers al vereffend? Wat hadden die
ongelukkige galei-slaven u dan toch misdaan? Zeg, jongen?”
De stem van Kapitein Sael roept weer tot den arbeid. De stilte is
voorbij. Er valt nog veel meer te doen.
De Spaansche vloot werd verslagen, en alleen Spinola was zoo gelukkig,
na door de Staatschen tot voorbij Westkapelle gejaagd te zijn,
eindelijk te Duinkerken binnen te loopen. Hij redde hierdoor voor
Spanje eene waarde van tweemaal honderdduizend dukaten van goud en
zilver, eene groote som voor dien tijd. Maar dat was alles, wat van de
Spaansche vloot overgebleven was.
De Nederlandsche schepen keerden naar hunne havens weder, en voor het
volk, dat er op diende, was voor dat jaar het gewerk gedaan.
Nelissen, Pieter Heyn, Blokmaker, en al gij anderen van de „Samson”, de
handen op het hart en met de geroemde zeemans-rondheid antwoord gegeven
op de vragen: „Zijt gij tevreden over uw werk? En zegt, wat waart gij
daar op zee: Mensch of tijger?”