Wat oorlog is.
Toen Pieter eenige weken thuis was geweest, zag Moeder wel, dat
het haar’ man niet naar den zin was, dat een sterk jongmensch van
vierentwintig jaar, zonder iets ingebracht te hebben en zonder ook
iets te verdienen, zijn’ Ouders zoo lang tot last was. De voormalige
Watergeus toch, eens een man, die niet wist wat ziekten en gebreken
waren, begon af te takelen en kon niet meer doen, wat hij vroeger
deed. Hij bemerkte het aan alles: de ouderdom komt met gebreken.
En die gebreken zouden te dragen geweest zijn, als de verdiensten
er niet onder leden, doch dat was juist het geval. Wel kon hij nog
voor zichzelf en zijne vrouw den kost verdienen en waren Simon, Jacob
en Cornelis hem niet meer tot last, omdat dezen hun eigen kost en
kleeren konden betalen, maar Pieter scheen in Portugal uitgehongerd
te zijn of wel, hij had er, zooals de oude man wel eens spottend zeî:
den bodem van zijne maag laten liggen, en met hem in huis ging het
ophalen van het kostje niet zoo best meer. Jacob, Simon en Cornelis,
die nog alle drie thuis waren, ontdekten al heel spoedig, dat Moeder
Heyn vier zoons had, waarvan er één Pieter heette, welke Pieter nooit
uit hare gedachten was. Ze ging met Pieter naar bed; ze stond met
Pieter op; ze werkte met Pieter den heelen, lieven dag; kortom, Pieter
lag in haar hart opgesloten, als een edelsteen in gouden rand. Met
Jacob ging het op het timmeren vrij goed, en Simon en Cornelis, die
kaaigasten geworden waren, verdienden nu eens veel, dan eens weinig.
Dat hing geheel en al af van de meerdere of mindere scheepvaart. En
die scheepvaart was in de laatste jaren door de handelwijze van den
Spaanschen Koning niet zoo heel aanzienlijk geweest. Toch verdienden
ze altijd nog genoeg om zichzelf te onderhouden en Vader en Moeder zoo
nu en dan eens wat te helpen, maar ..... dan moest hunne Moeder ook
niet doen, alsof ze maar één’ zoon had. Voor haar en voor Vader wilden
ze wel werken, ze wilden dat ook wel doen voor broer Piet, want zijne
schuld was het niet, dat hij buiten de verdiensten was, maar ..... nu,
ge begrijpt me wel: ze wilden in Moeders hart dan ook hetzelfde aandeel
van het liefdeplaatsje hebben. Nu en dan lieten zij zich woorden
ontvallen, waaruit Moeder opmaken kon, hoe Piet’s drie jongere broeders
er over dachten. Ook Piet bemerkte dat heel goed, en het voornemen
om hierin verandering te brengen bestond reeds bij hem, doch om de
waarheid te zeggen: hij zag er tegen op om er over te beginnen.
Eens echter dat hij heel alleen in het kleine woonvertrek bij het raam
aan tafel zat, had hij een groot boek, een’ zoogenaamden foliant voor
zich.
Wie voorbij het raam ging en eens even naar binnen keek, zou zeggen:
„De jonge Pieter Heyn leest!”
Wie echter wat lang bleef kijken, zou al heel gauw zeggen: „Dat is raar
lezen! Ik zie geen bladen omslaan!”
Het was geen lezen en ook geen raar lezen, dat Pieter deed. Hij had wel
eene reisbeschrijving van Jan Huygen van Linschoten voor zich, maar hij
las in het geheel niet. Hij zag zelfs de groote, vette letters niet,
waarmede dat boek gedrukt was.
Hij zag, en dat zegt nòg meer, zelfs geen boek.
De jonge Pieter Heyn dacht aan hetgeen hij in den laatsten tijd zoo dag
aan dag hier in huis hoorde of waarnam. En hoe meer hij dacht, hoe meer
er iets kwam, dat hem in den weg ging zitten, want nu en dan liet hij
een wrevelig voetengeschuifel hooren, of schudde hij driftig het hoofd,
terwijl de vingers het dunne papier van het dikke boek verfrommelden.
Hij had geen vrede met zichzelf; want hij, de sterke, gezonde bul
van vier en twintig jaar,--hij, die krachtig geworden was tegen de
verdrukking en het lijden in,--hij, die er uitzag om heel alleen het
werk van drie of vier te doen,--hij leefde ten koste van anderen, die
minder konden dan hij.
Zijn eerlijk en eergierig hart kwam daar tegen op!
Wat was hij blijde geweest alweer thuis te zijn, hij, die al gedacht
had, dat hij als „kaalhoofd” weldra een graf zou krijgen op den bodem
van den Oceaan!
Wat waren ze blijde, innig blijde geweest toen ze hem weer zagen,
Vader, Moeder, Jacob, Simon en Cornelis!
Moeder?
Ja, Moeder was nog blij, dat kon men haar zoo aanzien! Ze was zoo
gelukkig haar’ Piet, haar’ lieveling weer bij zich te hebben!
Had zij hem niet te veel lief? Deelde ze haar hart wel eerlijk uit
onder hare vier kinderen? Kreeg hij, Piet, niet een te groot deel en de
anderen een veel te klein?
En als die anderen er nu eens niet waren, of ze gingen de wijde wereld
in, ieder alleen om voor zichzelf te zorgen? Wat moest er dan van hem,
van den lieveling Piet, worden? Een hongerlijder!
Doch de broeders gingen niet de wijde wereld in! Ze bleven thuis om met
hunne verdiensten, zoo moeilijk bekomen en betaald met hun zweet, hunne
Ouders te steunen en--den nietsdoener te voeden!
Neen, neen, Jacob, Simon en Cornelis hadden geen ongelijk, en Vader,
die zeker ook dikwijls dacht, als die drie, had ook geen ongelijk.
Wat moest hij doen?
Hij wist het nog niet recht, maar dat hij verandering moest brengen,
dat wist hij zeker.
Stil, daar kwam Moeder! Zij mocht niet zien, dat er hem wat in den weg
zat, en daarom gedaan, alsof hij ijverig las!
Nu werden er bladen gekeerd en Moeder trad binnen.
„Wat lees-je daar, Pieter?” vroeg zij, terwijl ze met hare vingers hem
den gespierden nek streelde.
„Ik lees Jan Huygens boek, Moeder!”
„Zoo! Ik wenschte wel, dat we rijk waren, jongen!”
„Waarom, Moeder?”
„Wel, dan kon ik je ongestoord laten lezen! Ik zou je al de boeken
geven, die je hebben wildet!”
„Och, Moeder, in veel boeken zit het weten niet. Één goed boek, dat
gelezen en nog eens gelezen wordt, doet meer nut dan honderd boeken,
die zoo maar eens terloops doorbladerd of vlug en slecht gelezen
worden!”
„Ja, jongen, dat geloof ik ook wel. Maar als je nu zulk een boek leest,
Pieter, heb-je dan nog lust om naar zee te gaan, of vermindert die lust
er door?”
„Wel neen, Moeder, de lust vermindert er niet door; integendeel, de
lust wordt er door aangewakkerd om zoo spoedig mogelijk die verre
landen te gaan bezoeken.”
„Dus je hebt dan nog altijd lust om....”
Pieter liet zijne Moeder niet uitspreken. Hij sloot het boek en haar
aanziende, zeide hij: „Moeder, er zit u wat op het gemoed. Waarom
spreekt u niet open en rond met mij?”
„Wel, jongen, doe ik dat niet?”
„Neen, Moeder! Er is wat, dat niet in orde is, en ge durft het mij niet
ronduit zeggen!”
„Maar, Pieter!!”
„Ja, Moeder, doe maar zoo vreemd niet, alsof ik den bal geheel missla.
Er zit u wat onaangenaams in den weg, Moeder!”
„Och, jongen, dat verbeeldt gij uzelven maar!”
„Neen, Moeder! Ik ben geen kind meer! Ik heb met mijne oogen leeren
zien, en ik wil eens raden, wat ge op het hart hebt!”
„Dat kan-je toch niet! Zoo knap ben jij niet en is niemand.”
„Nu, we zullen zien! Omdat ik hier zit en geen’ penning in huis breng,
ben ik hier zooveel, als het vijfde wiel aan den wagen.”
„Pieter, zwijg!” riep Moeder, terwijl haar de tranen uit de oogen
sprongen.
„Luister, Moeder! Ik heb nog niet alles gezegd. Als het van u afhing,
dan bleef ik mijn leven lang hier, al voerde ik geen slag werk uit. Dat
weet ik, Moedertje! En zoo er sprake is, dat ik hier te veel ben, dan
geldt dat u niet, dan geldt dat Vader en mijne broeders!”
„Uw Vader meent het zoo kwaad niet, jongen!”
„Dat weet ik wel, Moedertje, dat weet ik wel! En Jacob, Simon en
Cornelis meenen het óók zoo kwaad niet. Maar de verdiensten zijn
tegenwoordig zoo luttel, dat het hun wel ergeren moet, dat ik hier zit
en niets doe om ook een stuk brood thuis te brengen. Ik wil eerlijk
zijn en ronduit zeggen, dat ik als mijne broers zou doen, als één
van de drie in mijne en ik in zijne plaats was. Ik heb al lang en
breed gezien, hoe er gerekend en nog eens gerekend moet worden om den
schralen pot betaald te krijgen, en daarom, ik ga weer naar zee!”
„Heb-je dan een schip, en ga-je weer als tweede stuurman uit?”
„Een schip heb ik nog niet. Moeder! Het is hier alles doodstroom. Ik ga
ten oorlog varen!”
„Ten oorlog, jongen? Doe dat niet, neen, doe dat niet! Je kunt niet
beseffen, hoe ik in gestadige vreeze zal verkeeren, als ik weet hoe je
dan telkens in gevaar zijt, doodgeschoten te worden!”
„Gekheid, Moeder! Niets dan overdreven vreeze. Heb ik het dan niet
moeten ondervinden, dat iemand, die ter koopvaart uitgaat, zijn leven
en zijne vrijheid ook niet zeker is? Een koopvaarder, al kan deze zich
ook verweren, loopt altijd veel meer gevaar, in handen van den vijand
te vallen, dan een welbemand en goed uitgerust schip van oorlog.”
„Ja, jongen, dat weet ik wel. Maar wie ten oorlog vaart, is genoodzaakt
de gevaren op te zoeken. Een koopvaarder ontwijkt ze uit vrees voor de
lading!”
Moeder Heyn was in al hare eenvoudigheid toch uitgeslapen, en Pieter
zag geen kans dit tegen te spreken. Daarom zei hij dan ook: „Jawel,
Moeder, dat is zoo. Maar ik verveel mij hier aan den wal, en ik neem
maar, wat ik krijgen kan. Ik beloof u, dat ik, als ik anders kán, niet
ten oorlog zal blijven varen. Ik laat mij slechts aanmonsteren voor één
jaar, en is er dan een plaatsje op een’ koopvaarder, dan zal ik er naar
mededingen. Het is dus maar voor tijd en wijl.”
„Nu, Pieter, als je mij dát belooft, ja, dan! Want het is, zooals je
zegt, mijn jongen, de verdiensten zijn zoo gering, dat wij je niet dan
met opoffering van een en ander, dat we toch moeielijk missen kunnen,
voor niemendal den kost kunnen geven. Maar....”
Vrouw Heyn hield hare woorden eensklaps in, alsof ze vreesde iets te
zullen zeggen, dat haar’ oudsten minder aangenaam zou wezen.
„Nu, moeder, spreek gerust uit, wat gij te zeggen hebt en maak van uw
hart geen moordkuil, en al is het nu voor mij niet pleizierig om aan te
hooren, dat doet er niet toe. Ik weet immers, dat uw goed hart er geen
deel aan neemt?”
„Overhaast-je niet, meende ik te zeggen, doch .... een beetje haast
maken zou toch geen kwaad kunnen. Dat kon er moeielijk uit, maar nu is
het er uit. Je gelooft immers niet, dat Vader en--en--ik je wegjagen?”
„Wegjagen, Moeder? Wegjagen? Wat is dát voor praat? Gaat het dan aan,
dat ik het brood, dat een ander in het zweet zijns aanschijns verdient,
in luiheid help opeten? Ben ik niet vierentwintig jaar? Ben ik niet
sterk, niet gezond, niet kloek? Wees gerust, lieve Moeder! Mijn eigen
geweten jaagt mij de deur uit!”
„Zoo, Piet, zoo, mijn jongen! Nu ben ik gerust,” sprak Moeder en ze
viel haar’ lieveling om den hals.
Nog dien eigen middag zocht Piet stuurman Nelissen op. Hij vond hem
thuis.
„Zoo, Heyn, ben-je daar, jongen? Ik zie je tegenwoordig in het geheel
niet! Is er averij aan boord, dat je mij komt praaien? Kom aan, leg
dan aan stuurboordszij aan. Mijn bakboord is door de slagen van den
Spanjool onklaar gemaakt!”
De Spanjaarden hadden onzen Nelissen zoo mishandeld, dat hij met
het linkeroor niet al te best hooren kon. Kwam dus iemand aan dien
kant zitten, dan verzocht hij zulk een, als hij ten minste op zijn
gezelschap gesteld was, van plaats te veranderen en aan zijne
rechterzijde te komen.
Pieter voldeed er dus ook aan en zette zich aan zijne rechterzijde neer.
„Verbeeld u, Moeder,” dus begon Nelissen tot eene oude vrouw, die zich
ook in het vertrek bevond, „verbeeld u, dat deze jonkman met een’
haarbos als een leeuw, een half jaar geleden nog een kaal hoofd had.”
De stokoude vrouw, die wel van Nelissen alles van die galeien had
hooren vertellen, doch die erg vergeetachtig was, lachte en vroeg of
hij dan eene ziekte gehad had.
„Neen, Moeder, neen! Dat hebben de Spanjolen ons gebakken. Hebben we
daar niet meer dan twee jaar met een kaal hoofd gezeten? Telkens als er
een haartje te zien was, kwam er zoo een knul en begon ons hoofd te
scheren. Ik geloof, dat ze van ons haar kabels gemaakt hebben, waaraan
de heele Spaansche vloot voor jaren genoeg heeft. Maar alle gekheid
terzijde, Heyn, dat lange haar staat je heel niet netjes. Je mag den
barbier wel eens een paar duiten laten verdienen, anders gaan alle
Delftshavensche meisjes voor je aan den haal, als ze je in de verte
maar zien aankomen.”
„Dat is minder, Stuur! Ik heb nu heel wat anders in het hoofd om er aan
te denken. Stel-je gerust! En zoodra ik weer een scheepsdek onder de
voeten voel, laat ik weer stoppeltjes maken!”
„Een goed voornemen, maar, heb-je dan een schip?”
„Nu nog niet, maar, als het maar een beetje wil, zal ik er toch een
hebben eer het avond is!”
„Papperlepap, wat eene verbeelding! Denk-je, dat de schepen
tegenwoordig zoo maar voor het oprapen of grijpen liggen? Als dat waar
was, dan zat ik hier niet als een baliekluiver bij moeder de vrouw. Je
zult lang kunnen zoeken, eer je een schip hebt, maat!”
„Toch niet; ik ga ten oorlog varen. De verdiensten zijn er thuis niet
naar om nog langer den luibak te spelen. Ik moet er uit, ten oorlog of
ter koopvaart.”
„Jongen, je zegt daar zoo wat! Wacht even, ik ga mijne vrouw roepen; ze
staat bij buurvrouw aan de waschkuip.”
Nelissen stond op en kwam een oogenblik later met zijne vrouw terug.
„Ga zitten, vrouw, ga zitten,” sprak Nelissen, en toen ze dat gedaan
had, hernam hij: „Het is maar voor een oogenblik. Ik ga weer naar zee!”
„Heb-je dan een gelukje gehad en ben-je weer aangemonsterd?”
„Neen, vrouw, nog niet! Maar hier, mijn makker Pieter, gaat zich
voor één’ zeetocht ten oorlog verhuren. Dat ga ik ook doen! Ja, trek
nu maar geen gezicht, alsof je een stuk van den zwabber in de gort
vindt. Ik zeg maar, Pieter heeft gelijk. Beter blauwe boonen geblazen
en messenvet uit te deelen, dan hier als een dooddoener van een’
slampamper aan den wal armoede en gebrek lijden. Dat had ik te zeggen,
vrouw! We gaan samen naar Rotterdam en van avond komen we thuis, als
mannen van oorlog.”
„Is je dat nu heusch ernst, man?” klonk de verwonderde vraag: „Ik kan
het niet gelooven!”
„Waarom niet, wijfke? Denk-je, dat het mij niet hindert, als ik zie,
dat je bij anderen uit het werken gaat om niet alleen onzen kinderen en
onze oude Moeder, maar ook mij den kost te geven?”
„Toch hindert het mij, man! Er wordt ter koopvaart altijd meer
verdiend!”
„Dat weet ik wel, maar als men nu maar niet op een’ koopvaarder klaar
kan komen, dan zeg ik toch: beter wat dan niemendal. Verdien ik niet
genoeg om het huisgezin te onderhouden, welnu, ga dan twee, desnoods
drie dagen in de week uit werken. Als ik je van de zeven dagen er maar
vier in huis houd, dan ben ik tevreden. Moeder kan ook niet goed meer
weg, en alles doen, wat noodig is. Bovendien, als de Moeder niet thuis
is, zijn de kinderen niet gelukkig. Dus, afgesproken. Na den noen ga ik
naar Rotterdam en laat mij op een oorlogsschip aanmonsteren.”
Nelissen en Pieter begaven zich des middags samen op weg en toen ze
hun’ ouden kameraad Willem Adriaansz. Blokmaker ontmoetten, haalden ze
ook dezen over om dienst op de oorlogsvloot te nemen.
Nog voor het vallen van den avond kwamen ze thuis. Nelissen was eerste,
Pieter tweede stuurman en Willem Blokmaker bootsman op „de Samson”, een
schip van twintig stukken. De Kapitein van dien bodem was Gerbrandt
Jansz. Sael, een wakker burger van Hoorn. Eene week later waren ze
reeds aan boord, en eer men het jaar 1602 telde, kruisten ze al op
de Noordzee, met het oogmerk, Spaansche oorlogsbodems op te pikken.
Ieder oogenblik toch was Spanje genoodzaakt nieuwe manschappen naar de
Nederlanden te zenden, en niet alleen de Staten, maar ook Engeland,
trachtten dit zooveel mogelijk te beletten. Engeland deed dit niet,
omdat het zooveel van de Republiek hield, maar omdat het er belang
bij had, dat Spanje door den oorlog met de Nederlandsche gewesten
steeds van zijne macht verloor. De Engelschen konden toen ook al
rekenen. Nu liep er bovendien opnieuw een gerucht, dat in Spanje eene
groote vloot uitgerust werd om het doel van de „Onoverwinlijke vloot”
beter te bereiken dan deze gedaan had. Wat hiervan aan was, zegt de
geschiedenis niet rechtstreeks, maar wel is het waar, dat Koningin
Elizabeth van Engeland op grond van gemaakte overeenkomsten, de Staten
uitnoodigde, ook eene vloot in zee te zenden om bij mogelijk gevaar
niet overvallen te worden, maar bij de hand te zijn, evenals in 1588.
De Staten voldeden hieraan, en zoo geschiedde het, dat omstreeks
half April van het jaar 1602, Admiraal van Obdam van Duyvenvoorde
met een tiental oorlogsbodems zich naar Engeland begaf en te Duins
tweehonderd Staatsche soldaten ten dienste der Koningin aan wal zette.
De „Samson” kreeg met andere schepen van de vloot, die onder van
Duyvenvoorde stond, eene andere bestemming, doch de Admiraal zette
met de hoofdvloot koers naar Spanje en vereenigde zich daar met de
Engelsche vloot, onder bevel van Admiraal Levison. In het gezicht van
Lissabon werd de Spaansche vloot onverschrokken aangetast, zoodat de
Spanjaarden genoodzaakt waren, hun heil in de vlucht te zoeken. Zes
Spaansche galeien onder bevel van Don Frederik Spinola wisten echter
te ontsnappen naar het Kanaal, en reeds waren ze in de Noordzee, niet
ver van Duinkerken, waar ze in veiligheid zouden zijn, toen ze stuitten
op eene andere Engelsch-Nederlandsche vloot van zeven schepen. Een
dezer zeven schepen was de „Samson” met volk aan boord, waarvan enkelen
belust waren en hunkerden om met den Spanjaard een appeltje te schillen.
Dus, zooveel als wraak nemen?
Ja! Wat anders?
Dat is slecht!
Best mogelijk, dat het niet goed is, doch wat doet hij, die een den
oorlog verklaart, ooit anders dan wraak nemen. Oog om oog, tand om
tand, wonde om wonde, buile om buile, dat is oorlog nu, dat was hij,
dat zal hij zijn en blijven.