ZEVENDE HOOFDSTUK.

Pieter heeft weer stoppeltjes.

Onder behoorlijk geleide en een hernieuwd geschreeuw van straatbengels

werden schipper Zegers en zijne elf mannen aan boord van „de Lucera”

gebracht, waar zes banken voor hen waren leeggemaakt. De overige

roeiers, allen Spaansche boeven, ontvingen hunne makkers met

schimpschoten, gevloek en gelach, doch daar ze dat deden in hunne

platte, Spaansche boeventaal, zoo verstonden de onzen er niet alles

van, en dat was maar goed ook, want hun leed was al groot genoeg.

Galeislaaf zijn, wat was dat eigenlijk in dien tijd?

Een schip heeft om op zee voort te komen en in de goede richting te

varen, masten, zeilen, staand en loopend want, kortom, tuigage noodig.

Een roer is ook onmisbaar. Dit alles is een onderdeel van het schip,

en het wordt door de bemanning gebruikt op dezelfde manier, als een

timmerman zijn gereedschap. Maar alles is dood, levenloos, zonder

eenig gevoel. Het zijn machine’s. Welnu, de galeislaven waren niets

anders dan machine’s, en ze behoorden tot de tuigage van het schip,

tot de gevoellooze, doode tuigage. Men kon ze trappen, knijpen, slaan,

branden, schroeien, wat hinderde het? Tuigage is dood en voelt tóch

niets. Opdat de tuigage niet door wind of water verloren ga, is ze aan

het schip vast. Ook de tuigage, die uit galeislaven bestond, was aan

het schip vast. Met de ketenen, die ze aan de voeten hadden, werden ze

in het schip aan de roeibanken der galeien geketend. Moest de galei in

een’ storm in de diepte wegzinken, de tuigage: masten, roer, zeilen,

enz. zonk mee. Ook de slaven-tuigage, die vast aan het schip was,

verdween in de diepte. Toch was er onderscheid tusschen die slaven en

al de andere tuigage, die werkelijk uit levenlooze voorwerpen bestond.

Men beschouwde galeislaven wel als levenlooze tuigage, maar ze waren

niet levenloos. Ze leefden en hadden een’ wil, en die wil kwam wel

eens in verzet tegen den wil der bemanning. Als dat waar was, moest de

slavenzweep den slavenwil doen verdwijnen. Eten en drinken hadden die

slaven ook noodig, doch dat beduidde niets. Een zeil moest op zijn tijd

getaand, een kabel geteerd, een rad in de olie gezet worden. Zie, nu

weet ge wat in dien tijd galeislaven waren, of, neen, ge weet nog niet

alles.

Een troost is het vaak voor een lijdend mensch aan een ander mensch

zijn leed te klagen. Ook dát mochten de galeislaven niet. Ze moesten

stom naast elkander zitten en geen woord spreken. Gebeurde dat, zooals

nu gebeurd was toen de mannen van „de Maze” op de galei kwamen, en ze

door de slaven, die er al waren, vervloekt en uitgescholden werden,

dan vond de man met de zweep dit wel aardig, en dat spreken liet hij

lachend toe, doch ander spreken niet, en toen de eerste stuurman tot

Pieter zeide: „Wel, nu nog mooier! Je zult zien, Heyn, dat wij zelf

nu zullen moeten medewerken om onze landgenooten ook op de galeien te

brengen,” daalde de zweep neer en striemde de nauwelijks met wat vodden

bedekte huid van den arme, die het waagde een woord te spreken.

„Leelijke schildpad, mogen wij hier met elkander niet praten?” vroeg

Pieter op brutalen toon.

Een tweede zweepslag, heviger dan de eerste, doch nu op Pieters

schouders, was het eenige antwoord.

Pieter verkropte zijn leed zoo goed mogelijk en deed, alsof de slag hem

geen pijn gedaan had.

Ondertusschen hadden de schipper en Dirksz. al eens beproefd of ze, ter

stilling van den dorst, want nog altijd hadden ze geen druppel drinken

gehad, niet wat zeewater met de hand konden scheppen. Doch pas hadden

ze hiertoe pogingen aangewend, of er daalden op de handen, nog rood van

de koorden, waarmede ze gebonden waren geweest, ook zweepslagen neer.

Jan Dirksz. gaf een’ gil van pijn, en toen Pieter eens even omkeek,

ontving hij weer een’ slag en ditmaal vlak over de wang. De tranen

sprongen hem uit de oogen, doch al zwol de wang ook op, al was de pijn

snerpend en fel, geen klacht kwam over zijne lippen.

Eindelijk werden eenige kruiken met drabbig water en een paar hompen

droog brood gebracht.

Als honger rauwe boonen zoet maakt, dan werd het hier bewezen; want de

arme mannen deden, na zooveel honger en dorst geleden te hebben, een

koningsmaal.

Men roeide dien dag gestadig heen en weer, en hoewel iedere slaaf zeer

goed aan de beweging der galei bemerkte, dat men niet meer in de haven,

maar in volle zee was, zoo kon hij toch niet ontdekken, waar ergens

hij zich bevond. De roeibanken waren veel te laag om in zee te kunnen

zien. Men vermoedde evenwel, dat Don Calliado op den uitkijk was of

hij nog niet een tweede Nederlandsch schip zag. Hij kruiste evenwel

tevergeefs rond en toen het avondschot, van een nabijgelegen fort aan

den wal, viel, roeiden ze de Taag op en werden ze, in de nabijheid van

het schip, in een hok gebracht om daar den nacht door te brengen, of te

wachten tot men hen riep om opnieuw de galei voort te roeien.

Gelukkig was dit hok veel grooter dan het andere, en het dak was voor

een gedeelte open, zoodat ze over gebrek aan versche lucht ook niet te

klagen zouden hebben. Eenige bossen stroo en riet lagen daar op den

kalen grond, en hierop konden zij zich uitstrekken om in den slaap te

vergeten, dat ze ellendige galei-slaven waren, en te droomen van ....

ja, waarvan zoo al? Eigenlijk van alles.

En ook Pieter had een’ droom. Hij zag zijne Moeder het huis uitgaan

en spoedig daarop terugkeeren met een’ vollen geldbuidel. Op dien zak

stond wat geschreven; maar wat, dat kon hij niet lezen. Zij lachte hem

vriendelijk tegen en kwam met een’ doek, met koud water bevochtigd, om

hem de gloeiende wang te verkoelen.

„Houd maar moed, mijn jongen,” dus hoorde hij haar zeggen, „over een

paar maanden ben-je vrij. Wij zullen je loskoopen!”

Toen ze dit gezegd had, keerde ze den zak hem zóó toe, dat hij lezen

kon, wat er opstond. Hij las: „Matroozen-troost.”

Pieter werd van blijdschap wakker en voelde nu, dat de regen, die door

de openingen van het dak viel, hem het gelaat verkoeld had. Dat was dan

de doek met koud water van zijne lieve Moeder geweest. Maar over dien

doek dacht hij niet meer. Hij dacht alleen aan „Matroozen-troost” en

aan het geld, dat in den zak was, om hem vrij te koopen.

Thans stond hem alles klaar voor den geest. Hoe dom was het van

hem geweest, dat hij er niet reeds dadelijk aan gedacht had, dat

hij lid was van eene vereeniging, die zich ten doel had gesteld,

gevangengenomen varensgezellen vrij te koopen! Ja, hij herinnerde

zich wel, dat er altijd gesproken was van gevangengenomen worden

door Duinkerksche kapers, maar hij meende, dat de hulp van

„Matroozen-troost” zich ook wel uitstrekken zou tot hen, die nu op de

Spaansche galeien zaten. Vol blijdschap en hoop, dat hij althans niet

gedoemd zou zijn, lang die martelingen te ondergaan, viel hij opnieuw

in slaap en werd eerst wakker toen zijn kameraad hem aanstootte en

zeide: „Als je soms nog wat te zeggen hebt, doe het dan nu! Als we

straks aan boord zijn, wordt ieder woord, dat wij spreken, met een’

zweepslag gestraft.”

Pieter vertelde hem thans zijn’ droom, en de hoop, die hij had,

vrijgekocht te zullen worden.

„Hoop doet zelfs een’ galeislaaf leven,” antwoordde Nelissen, „maar

die hoop bestaat voor ons niet. „Matroozen-troost”, waarvan ik ook lid

ben, koopt alleen mannen vrij, die door Duinkerkers gevangengenomen

worden. Dat er ook zoo iets met onze matrozen in Spanje en Portugal

zou kunnen gebeuren, hieraan heeft men nooit gedacht en daarom is de

jaarlijksche bijdrage ook zoo laag. Een schat van geld zou er te kort

komen, als „Matroozen-troost” ook ons moest loskoopen. Voor mijzelven

heb ik dus hierop heelemaal geen hoop, en als ik ze toch nog heb,

dan is het om wat anders. Aan de Algerijnsche slavernij wist ik door

de vlucht te ontkomen en dat ook hier eens te kunnen doen, is mijn

eenige troost, hoewel de kansen veel geringer zijn, want vergeleken

bij de behandeling hier, hadden we in Algiers een prinsen-leventje.

Het kan evenwel zijn, dat Don Calliado de wreedste van alle Spaansche

Scheepskapiteins is, en dat we er later een’ krijgen, die minder tijger

en meer mensch heet, want ook onder de Spanjaarden zijn mannen met

edele harten. Denk maar eens aan den nobelen, dapperen, eerlijken en

braven Mondragon.”

„En als die Calliado nu hier blijft en we geen Mondragon krijgen?”

„Ja, dan is het eindje de dood. Maar misschien heeft je Moeder of je

Vader een’ vetten spaarpot of een’ vriend met eene goedgespekte beurs.

Als dat zoo is, ja, dan is er hoop om losgekocht te worden voor jou,

maar ook voor jou alleen!”

Pieter was ineens ternedergeslagen.

Wat had hij zich in die enkele oogenblikken niet al verheugd! En nu?

„Moeder heeft geen geld!” zeide hij met groote tranen in de oogen.

„Welnu, dan is je lot, evenals het onze, ook beslist! Dan blijf-je hier

tot aan je dood!”

„O, lieve Heer! Zóó lang! Zóó lang!” kermde Pieter.

„Welneen, vriend, niet lang! Of, laat ik vragen: wat noem-je wel lang?

Laat hooren!”

„Wat lang is? Wel, veertig jaar bijvoorbeeld!”

Stuurman Nelissen begon te lachen.

„Dus,” hervatte hij op eenigszins spottenden toon, „je denkt dat iemand

op de galeiën twee-en-zestig jaar oud wordt?”

„Gisteren zat er vlak voor ons één, die zeker ouder was!”

„Goed; maar wanneer is die man hier gekomen? Niet ieder wordt jong al

galeislaaf. Dat gaat hier als met den dood. De menschen sterven op alle

leeftijden; de galei-boeven komen hier met alle mogelijke jaren achter

den rug. Ik ben straks vijftig!”

Pieter ontroerde. Wat was die Nelissen vreeselijk hard en koud in zijn

spreken. Maar....

„Misschien heb-je in het geheel geen familie, dat je er zoo koud over

praten kunt!” sprak Pieter.

„Geen familie?” zeide Nelissen nu opeens bijna snikkend. „Geen familie?

Ik heb eene oude, lieve Moeder, die ik onderhoud. Ik heb eene vrouw en

vijf, nog jonge, kinderen. Heb ik geen familie?”

„Ja, Nelissen, dat heb-je, man! Maar hoe kan-je dan toch zoo

onverschillig spreken?”

„Dat is zoo mijne manier, Pieter! Maar nog altijd ben-je het antwoord

op mijne vraag schuldig gebleven. Wat noem-je lang?”

„Nu, dat heb ik gezegd: veertig jaren!”

„Veertig jaren? Pieter, Pieter, wat ben-je nog onnoozel! Eer we vier of

vijf jaar verder zijn, dan zijn we geen galeislaven meer! Dan is alle

leed, dan is alle smart vergeten! Dan zijn we dood!”

„Maar dat meen-je toch niet?” riep Pieter, voor wien het leven nog

zooveel heerlijks had. „Neen, neen, dat is bangmakerij! Dat kan-je niet

meenen!”

„Volstrekt geen bangmakerij, mijn jongen! Ik meen het wel en ik ben er

van overtuigd, dat het zóó is en niet anders. Maar wat ik zeggen wil:

Ik heb zooeven verteld, dat „Matroozen-troost” hier niet helpt! Heb ik

niet?”

„Ja, en....”

„Maar ~troost~ is er voor arme ~matrozen~, die aan de galei-banken

geklonken zijn, toch.”

„O ja, de troost, dat hij ontvluchten kan. Wanneer zullen we dat eens

beproeven?”

„Zeker, dat is een troost, maar .... het is een schrale troost, mijn

jongen! Men ontvlucht, als er eene gunstige gelegenheid is, en die doet

zich maar zelden voor. Neen, als de zeeman op de baren rondzwalkt, te

midden van den storm, zonder roer, en ieder oogenblik in gevaar op

eene klip het schip te bersten zien stooten, dan blijft hem altijd nog

één troost over, en die is, dat de Groote Man daarboven,--neem me niet

kwalijk, dat ik Hem zoo noem; Hijzelf zal dat ook wel niet kwalijk

nemen,--dat de Groote Man daarboven ook een Vader is voor arme zeelui,

die in nood en in doodsangst verkeeren! En zoo, Pieter, denk ik er hier

ook maar over. Dat is nu mijn „Matroozen-troost”. Een mensch kan zijn

lot niet ontloopen, en dat lot te dragen, in het volle vertrouwen op

den Grooten Man, dat geeft kracht om in het leven te blijven, zoolang

men kan. Dat geeft lust om te hopen, zoolang men leeft!”

Pieter voelde zich door de woorden van den zeeman, die op het oog zoo

ruw en onverschillig leek, heel wat opgeruimder gestemd. En al ontving

hij dien dag ook bij slecht water en droog brood menigen onverdienden

zweepslag, hij bleef vrij kalm en gelaten in zijn lot.

Zoo gingen weken, ja, maanden voorbij.

De helft der manschappen had de roeispaan al voorgoed nedergelegd, met

andere woorden, was onder nameloos lijden bezweken. Tot dezen behoorden

Jan Dirkz., Govert en de schipper. Langzamerhand hadden al de Spaansche

galei-slaven plaats gemaakt voor gevangengenomen Nederlanders; maar al

duurde het ook nóg zoo lang, de tienduizend slagen van Don Calliado

schenen nooit uitgeteld te zijn. Dag aan dag daalden ze striemend neer;

dag aan dag was het drinkwater slecht en het brood bijna oneetbaar. De

dunne kleederen hingen er aan lappen en vellen bij, en de gevolgen van

de gedwongen onreinheid, neen, die verzwijg ik liever maar. Ze passen

niet voor een jong oor.

En geen berichten uit het lieve Vaderland! Hoe zouden die er ook komen?

De Nederlanders, die op „de Lucera” de Spanjaarden vervingen, waren

omstreeks denzelfden tijd als zij, gevangengenomen. Hun nieuws was dus

voor hen geen nieuws, maar wat ouds.

Hoorden ze maar eens wat! Het was wel niet nobel en goed, maar bijna

verlangden ze naar een andermans leed, en hoopten ze, dat er weer eens

een Nederlandsch schip zou genomen worden, en dat de bemanning dan hun

lot op „de Lucera” kwam deelen. Konden ze op de roeibanken ook al niet

met elkander spreken, des nachts was er toch wel gelegenheid voor.

Wie weet, wat men dan vernemen zou, want dat de zaak voor Spanje in

Nederland slecht stond, slechter dan toen ze het Vaderland verlieten,

dat stond bij allen zoo vast, als een paal boven water.

Maar--hunne hoop werd niet vervuld, want toen men in de Republiek wist,

wat er in Spanje met de Nederlandsche schepen en de bemanning gebeurde,

kwamen er geen schepen uit het Vaderland meer.

„Zouden Vader en Moeder Heyn, Simon, Jacob en Cornelis nog leven?”

dacht Pieter vaak.

Och, kon hij hun maar eens wat, al was het nog zoo weinig, van zich

laten hooren! Hoe hard de slavernij ook ware, hij zou tevreden geweest

zijn.

Maar zij daar in het Vaderland, hoorden niets! Ze wisten niets, en ook

hij, hij hoorde niets en wist niets!

Arme menschen!

Zoo waren ze reeds meer dan twee jaren op de galeiën. Nog altijd bevond

stuurman Nelissen zich goed bij zijn’ „Troost der Matrozen”. Nog altijd

bleef hij hopen! En als Pieter eens dreigde moedeloos te worden, dan

zeide Nelissen: „Hoor eens, kompeer, je kunt lezen, en je Bijbeltje,

dat je nu al zóó lang en zóó handig voor het oog van de Spanjolen hebt

kunnen verbergen, geeft je, naar het schijnt, ook al niet veel. Ik heb

geen Bijbel en kan er dus des morgens niet in lezen, maar zonder Bijbel

breng ik het verder dan jij met een. Je leest zeker niet goed, anders

zou-je niet zoo neerslachtig en hopeloos wezen.”

„Wat valt er dan te hopen?” vroeg Pieter korzelig. „Het komt me voor,

dat jij het meer doet dan ik!”

„Wel, dat doe ik ook. Is er in de laatste dagen niet eene groote

verandering ten goede gekomen? Hebben we, als Capitano van de

nachtwacht, in Don Fernando niet iemand gekregen van het goede soort,

als Mondragon was? Mogen we ons niet iederen avond en morgen flink

wasschen? Kregen we geen beter stroo om op te slapen? Zorgt hij niet

dat ons brood goed en ons drinkwater zuiver en frisch is? Heeft hij ons

ooit onverdiend laten slaan? Moet hij ons den eersten snauw nog niet

geven? Toe, antwoord hier eens op!”

Misschien dat Pieter dit zou gedaan hebben, doch een vreemd geluid

buiten de deur in de gang deed niet alleen Pieter en Nelissen, maar ook

al de anderen opspringen, en een: „Wat zou dat zijn?” klonk uit aller

mond.

[Illustratie: „Hop, hop, mannen! Ik heb je wat goeds mede te deelen!”

(Bladz. 85).]

De deur werd geopend en vóór hen stond een Officier, een ander dan Don

Calliado, en deze riep: „Hop, hop, mannen! Hop, ik heb je allen, voor

zoover gij Nederlanders zijt, iets mede te deelen!”

Er waren onder deze galei-slaven geen andere dan Nederlanders, zoodat

allen op dat geroep voor hem kwamen staan, nieuwsgierig om te weten,

wat de Capitano, die er op het oog zoo grimmig en bar uitzag, doch

die innerlijk zulk een nobel en goedhartig man was, te zeggen had.

Hier was het werkelijk: „de schijn bedriegt.” Hoe vele Spanjaarden ook

al door deze arme Nederlanders verwenscht waren, hem hadden ze nog

nooit verwenscht, ja, als ze maar geen galei-slaven van de Spanjaarden

geweest waren, dan zouden ze hem inderdaad liefgehad hebben.

„Mannen,” dus begon hij, toen allen stonden, „ik heb u een heuglijk

nieuws mede te deelen. Gij allen zijt vrij!”

Tot zijne verwondering gaven de slaven geen enkel bewijs, dat zij er

verheugd over waren.

„Hoe nu? Wilt gij liever hier blijven dan dat gij naar uw Vaderland

wederkeert?” vroeg hij hartelijk.

„Wij kunnen het niet gelooven, Senor!” zeide Nelissen.

„Nu, ik kan u het geloof niet anders geven dan u nogmaals te zeggen:

„Gij zijt allen, allen, niet één uitgezonderd, vrij!”

„Senor,” hernam Nelissen, „wees niet boos, dat we u nog niet gelooven!

Zeg ons hoe het komt, dat we vrij zijn!”

Don Fernando lachte en zei: „Waarom zou ik boos zijn, man? Ik wil u met

alle genoegen uitleg geven. Verleden jaar heeft Prins Maurits,--een

kranig veldoverste, dat moet ik bekennen,--eene schitterende

overwinning op de onzen behaald bij zeker stedeke Nieuwpoort, in

Vlaanderen. Tot hen, die gevangengenomen zijn geworden, behoorden vele

aanzienlijke mannen. De aanzienlijkste van allen evenwel is de Admirant

van Aragon, onze dappere en knappe Mendoza. Hij is tegen u allen in de

schaal gelegd, en weegt zooveel als gijlieden te zamen. Ge wordt tegen

hem uitgewisseld!”

Thans steeg er een oorverdoovend gejuich onder de gevangenen op, en

toen ze van hunne voetboeien bevrijd waren, begonnen sommigen van

louter blijdschap zich aan te stellen, als halve krankzinnigen.

Pieter stond van vreugde in een’ hoek te weenen. Toen kwam Nelissen bij

hem en fluisterde hem in het oor: „Wel, is de „Troost der Matrozen”

goed of niet? Wat zegt gij nu van dien Grooten Man daarboven?”

„Dat ik Hem mijn leven lang dankbaar zal zijn, Nelissen, voor Zijne

hulp in nood! Dat zàl ik!”

„Goed, en .... dat ge voortaan ook op Hem vertrouwen wilt, nietwaar?

Niets maakt een mensch in ongeluk, in leed en in ramp zóó sterk, als

dat vertrouwen op den goeden God. Wij zijn altijd en overal Zijne

kinderen,” zeide Nelissen, waarop beiden de anderen volgden, die onder

geleide van Don Fernando naar de haven gebracht werden, waar men hun

op zijn bevel, misschien wel op zijne kosten, niet alleen van eten en

drinken, maar ook van geschikte kleederen voorzag. Een tegenvaller

was het echter, dat er geen schip lag, dat hen naar het Vaderland

kon brengen, zoodat ze meer dan eene maand lang geduldig moesten

wachten. Gelukkig bleef Don Fernando uitstekend voor hen zorgen, dat

ze aan niets gebrek leden, en in een der vertrekken van het arsenaal

door niemand werden lastig gevallen. Trouwens, de Portugeezen waren

zoo kwaad niet, want ze waren ook geen vrienden van de Spanjaarden

en hoopten maar, dat zij eens zoo gelukkig zouden wezen, als de

Nederlanders, die hun Vaderland van de Spaansche overheersching

hadden bevrijd. De Portugeezen ondervonden ook hoe zwaar de Spaansche

verdrukking woog.

Eindelijk, na meer dan eene maand wachtens, kwam er een Antwerpensche

koopvaarder, die, na lading ingenomen te hebben, ook de Nederlandsche

vrijverklaarden aan boord nam.

„Eén geluk, maat,” zeide Piet, terwijl hij met de hand langs zijn hoofd

streek, „ik kan weer stoppeltjes aanpakken. Ik zou verlegen geweest

zijn om met zulk een’ vollemaans-knikkerbol in Delftshaven te komen.

Wie weet welk een’ leelijken bijnaam ik zou gekregen hebben.”

Hij streek hierop met de hand langs het hoofd en vervolgde: „Het is nog

wel geen wildernis, zooals Moeder het wel eens noemde, maar ik kan toch

alweer stoppeltjes voelen, weet-je!”

In den Herfst van het jaar 1601 werden al de voormalige galei-slaven

te Vlissingen aan den wal gebracht en ieder repte zich om zoo spoedig

mogelijk tot de zijnen terug te keeren. Stuurman Nelissen vond Moeder,

vrouw en kinderen wel doodarm, doch gelukkig gezond weder. Ook

Pieter was even gelukkig, en toen de eerste vreugde over de behouden

terugkomst wat over was, en Pieter in korte woorden zijn lijden verteld

had, streek Moeder hem de hand over het hoofd en zeide lachend: „Kind,

dat korte haar staat je vrij wat beter dan het verwaaide vlasveld van

vroeger.”

Misschien meende Pieter dat ook wel, want wie een zijner portretten

ziet, zal bemerken, dat hij zeer kort haar droeg.

Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn · 第 16 / 36 题