Pieter heeft weer stoppeltjes.
Onder behoorlijk geleide en een hernieuwd geschreeuw van straatbengels
werden schipper Zegers en zijne elf mannen aan boord van „de Lucera”
gebracht, waar zes banken voor hen waren leeggemaakt. De overige
roeiers, allen Spaansche boeven, ontvingen hunne makkers met
schimpschoten, gevloek en gelach, doch daar ze dat deden in hunne
platte, Spaansche boeventaal, zoo verstonden de onzen er niet alles
van, en dat was maar goed ook, want hun leed was al groot genoeg.
Galeislaaf zijn, wat was dat eigenlijk in dien tijd?
Een schip heeft om op zee voort te komen en in de goede richting te
varen, masten, zeilen, staand en loopend want, kortom, tuigage noodig.
Een roer is ook onmisbaar. Dit alles is een onderdeel van het schip,
en het wordt door de bemanning gebruikt op dezelfde manier, als een
timmerman zijn gereedschap. Maar alles is dood, levenloos, zonder
eenig gevoel. Het zijn machine’s. Welnu, de galeislaven waren niets
anders dan machine’s, en ze behoorden tot de tuigage van het schip,
tot de gevoellooze, doode tuigage. Men kon ze trappen, knijpen, slaan,
branden, schroeien, wat hinderde het? Tuigage is dood en voelt tóch
niets. Opdat de tuigage niet door wind of water verloren ga, is ze aan
het schip vast. Ook de tuigage, die uit galeislaven bestond, was aan
het schip vast. Met de ketenen, die ze aan de voeten hadden, werden ze
in het schip aan de roeibanken der galeien geketend. Moest de galei in
een’ storm in de diepte wegzinken, de tuigage: masten, roer, zeilen,
enz. zonk mee. Ook de slaven-tuigage, die vast aan het schip was,
verdween in de diepte. Toch was er onderscheid tusschen die slaven en
al de andere tuigage, die werkelijk uit levenlooze voorwerpen bestond.
Men beschouwde galeislaven wel als levenlooze tuigage, maar ze waren
niet levenloos. Ze leefden en hadden een’ wil, en die wil kwam wel
eens in verzet tegen den wil der bemanning. Als dat waar was, moest de
slavenzweep den slavenwil doen verdwijnen. Eten en drinken hadden die
slaven ook noodig, doch dat beduidde niets. Een zeil moest op zijn tijd
getaand, een kabel geteerd, een rad in de olie gezet worden. Zie, nu
weet ge wat in dien tijd galeislaven waren, of, neen, ge weet nog niet
alles.
Een troost is het vaak voor een lijdend mensch aan een ander mensch
zijn leed te klagen. Ook dát mochten de galeislaven niet. Ze moesten
stom naast elkander zitten en geen woord spreken. Gebeurde dat, zooals
nu gebeurd was toen de mannen van „de Maze” op de galei kwamen, en ze
door de slaven, die er al waren, vervloekt en uitgescholden werden,
dan vond de man met de zweep dit wel aardig, en dat spreken liet hij
lachend toe, doch ander spreken niet, en toen de eerste stuurman tot
Pieter zeide: „Wel, nu nog mooier! Je zult zien, Heyn, dat wij zelf
nu zullen moeten medewerken om onze landgenooten ook op de galeien te
brengen,” daalde de zweep neer en striemde de nauwelijks met wat vodden
bedekte huid van den arme, die het waagde een woord te spreken.
„Leelijke schildpad, mogen wij hier met elkander niet praten?” vroeg
Pieter op brutalen toon.
Een tweede zweepslag, heviger dan de eerste, doch nu op Pieters
schouders, was het eenige antwoord.
Pieter verkropte zijn leed zoo goed mogelijk en deed, alsof de slag hem
geen pijn gedaan had.
Ondertusschen hadden de schipper en Dirksz. al eens beproefd of ze, ter
stilling van den dorst, want nog altijd hadden ze geen druppel drinken
gehad, niet wat zeewater met de hand konden scheppen. Doch pas hadden
ze hiertoe pogingen aangewend, of er daalden op de handen, nog rood van
de koorden, waarmede ze gebonden waren geweest, ook zweepslagen neer.
Jan Dirksz. gaf een’ gil van pijn, en toen Pieter eens even omkeek,
ontving hij weer een’ slag en ditmaal vlak over de wang. De tranen
sprongen hem uit de oogen, doch al zwol de wang ook op, al was de pijn
snerpend en fel, geen klacht kwam over zijne lippen.
Eindelijk werden eenige kruiken met drabbig water en een paar hompen
droog brood gebracht.
Als honger rauwe boonen zoet maakt, dan werd het hier bewezen; want de
arme mannen deden, na zooveel honger en dorst geleden te hebben, een
koningsmaal.
Men roeide dien dag gestadig heen en weer, en hoewel iedere slaaf zeer
goed aan de beweging der galei bemerkte, dat men niet meer in de haven,
maar in volle zee was, zoo kon hij toch niet ontdekken, waar ergens
hij zich bevond. De roeibanken waren veel te laag om in zee te kunnen
zien. Men vermoedde evenwel, dat Don Calliado op den uitkijk was of
hij nog niet een tweede Nederlandsch schip zag. Hij kruiste evenwel
tevergeefs rond en toen het avondschot, van een nabijgelegen fort aan
den wal, viel, roeiden ze de Taag op en werden ze, in de nabijheid van
het schip, in een hok gebracht om daar den nacht door te brengen, of te
wachten tot men hen riep om opnieuw de galei voort te roeien.
Gelukkig was dit hok veel grooter dan het andere, en het dak was voor
een gedeelte open, zoodat ze over gebrek aan versche lucht ook niet te
klagen zouden hebben. Eenige bossen stroo en riet lagen daar op den
kalen grond, en hierop konden zij zich uitstrekken om in den slaap te
vergeten, dat ze ellendige galei-slaven waren, en te droomen van ....
ja, waarvan zoo al? Eigenlijk van alles.
En ook Pieter had een’ droom. Hij zag zijne Moeder het huis uitgaan
en spoedig daarop terugkeeren met een’ vollen geldbuidel. Op dien zak
stond wat geschreven; maar wat, dat kon hij niet lezen. Zij lachte hem
vriendelijk tegen en kwam met een’ doek, met koud water bevochtigd, om
hem de gloeiende wang te verkoelen.
„Houd maar moed, mijn jongen,” dus hoorde hij haar zeggen, „over een
paar maanden ben-je vrij. Wij zullen je loskoopen!”
Toen ze dit gezegd had, keerde ze den zak hem zóó toe, dat hij lezen
kon, wat er opstond. Hij las: „Matroozen-troost.”
Pieter werd van blijdschap wakker en voelde nu, dat de regen, die door
de openingen van het dak viel, hem het gelaat verkoeld had. Dat was dan
de doek met koud water van zijne lieve Moeder geweest. Maar over dien
doek dacht hij niet meer. Hij dacht alleen aan „Matroozen-troost” en
aan het geld, dat in den zak was, om hem vrij te koopen.
Thans stond hem alles klaar voor den geest. Hoe dom was het van
hem geweest, dat hij er niet reeds dadelijk aan gedacht had, dat
hij lid was van eene vereeniging, die zich ten doel had gesteld,
gevangengenomen varensgezellen vrij te koopen! Ja, hij herinnerde
zich wel, dat er altijd gesproken was van gevangengenomen worden
door Duinkerksche kapers, maar hij meende, dat de hulp van
„Matroozen-troost” zich ook wel uitstrekken zou tot hen, die nu op de
Spaansche galeien zaten. Vol blijdschap en hoop, dat hij althans niet
gedoemd zou zijn, lang die martelingen te ondergaan, viel hij opnieuw
in slaap en werd eerst wakker toen zijn kameraad hem aanstootte en
zeide: „Als je soms nog wat te zeggen hebt, doe het dan nu! Als we
straks aan boord zijn, wordt ieder woord, dat wij spreken, met een’
zweepslag gestraft.”
Pieter vertelde hem thans zijn’ droom, en de hoop, die hij had,
vrijgekocht te zullen worden.
„Hoop doet zelfs een’ galeislaaf leven,” antwoordde Nelissen, „maar
die hoop bestaat voor ons niet. „Matroozen-troost”, waarvan ik ook lid
ben, koopt alleen mannen vrij, die door Duinkerkers gevangengenomen
worden. Dat er ook zoo iets met onze matrozen in Spanje en Portugal
zou kunnen gebeuren, hieraan heeft men nooit gedacht en daarom is de
jaarlijksche bijdrage ook zoo laag. Een schat van geld zou er te kort
komen, als „Matroozen-troost” ook ons moest loskoopen. Voor mijzelven
heb ik dus hierop heelemaal geen hoop, en als ik ze toch nog heb,
dan is het om wat anders. Aan de Algerijnsche slavernij wist ik door
de vlucht te ontkomen en dat ook hier eens te kunnen doen, is mijn
eenige troost, hoewel de kansen veel geringer zijn, want vergeleken
bij de behandeling hier, hadden we in Algiers een prinsen-leventje.
Het kan evenwel zijn, dat Don Calliado de wreedste van alle Spaansche
Scheepskapiteins is, en dat we er later een’ krijgen, die minder tijger
en meer mensch heet, want ook onder de Spanjaarden zijn mannen met
edele harten. Denk maar eens aan den nobelen, dapperen, eerlijken en
braven Mondragon.”
„En als die Calliado nu hier blijft en we geen Mondragon krijgen?”
„Ja, dan is het eindje de dood. Maar misschien heeft je Moeder of je
Vader een’ vetten spaarpot of een’ vriend met eene goedgespekte beurs.
Als dat zoo is, ja, dan is er hoop om losgekocht te worden voor jou,
maar ook voor jou alleen!”
Pieter was ineens ternedergeslagen.
Wat had hij zich in die enkele oogenblikken niet al verheugd! En nu?
„Moeder heeft geen geld!” zeide hij met groote tranen in de oogen.
„Welnu, dan is je lot, evenals het onze, ook beslist! Dan blijf-je hier
tot aan je dood!”
„O, lieve Heer! Zóó lang! Zóó lang!” kermde Pieter.
„Welneen, vriend, niet lang! Of, laat ik vragen: wat noem-je wel lang?
Laat hooren!”
„Wat lang is? Wel, veertig jaar bijvoorbeeld!”
Stuurman Nelissen begon te lachen.
„Dus,” hervatte hij op eenigszins spottenden toon, „je denkt dat iemand
op de galeiën twee-en-zestig jaar oud wordt?”
„Gisteren zat er vlak voor ons één, die zeker ouder was!”
„Goed; maar wanneer is die man hier gekomen? Niet ieder wordt jong al
galeislaaf. Dat gaat hier als met den dood. De menschen sterven op alle
leeftijden; de galei-boeven komen hier met alle mogelijke jaren achter
den rug. Ik ben straks vijftig!”
Pieter ontroerde. Wat was die Nelissen vreeselijk hard en koud in zijn
spreken. Maar....
„Misschien heb-je in het geheel geen familie, dat je er zoo koud over
praten kunt!” sprak Pieter.
„Geen familie?” zeide Nelissen nu opeens bijna snikkend. „Geen familie?
Ik heb eene oude, lieve Moeder, die ik onderhoud. Ik heb eene vrouw en
vijf, nog jonge, kinderen. Heb ik geen familie?”
„Ja, Nelissen, dat heb-je, man! Maar hoe kan-je dan toch zoo
onverschillig spreken?”
„Dat is zoo mijne manier, Pieter! Maar nog altijd ben-je het antwoord
op mijne vraag schuldig gebleven. Wat noem-je lang?”
„Nu, dat heb ik gezegd: veertig jaren!”
„Veertig jaren? Pieter, Pieter, wat ben-je nog onnoozel! Eer we vier of
vijf jaar verder zijn, dan zijn we geen galeislaven meer! Dan is alle
leed, dan is alle smart vergeten! Dan zijn we dood!”
„Maar dat meen-je toch niet?” riep Pieter, voor wien het leven nog
zooveel heerlijks had. „Neen, neen, dat is bangmakerij! Dat kan-je niet
meenen!”
„Volstrekt geen bangmakerij, mijn jongen! Ik meen het wel en ik ben er
van overtuigd, dat het zóó is en niet anders. Maar wat ik zeggen wil:
Ik heb zooeven verteld, dat „Matroozen-troost” hier niet helpt! Heb ik
niet?”
„Ja, en....”
„Maar ~troost~ is er voor arme ~matrozen~, die aan de galei-banken
geklonken zijn, toch.”
„O ja, de troost, dat hij ontvluchten kan. Wanneer zullen we dat eens
beproeven?”
„Zeker, dat is een troost, maar .... het is een schrale troost, mijn
jongen! Men ontvlucht, als er eene gunstige gelegenheid is, en die doet
zich maar zelden voor. Neen, als de zeeman op de baren rondzwalkt, te
midden van den storm, zonder roer, en ieder oogenblik in gevaar op
eene klip het schip te bersten zien stooten, dan blijft hem altijd nog
één troost over, en die is, dat de Groote Man daarboven,--neem me niet
kwalijk, dat ik Hem zoo noem; Hijzelf zal dat ook wel niet kwalijk
nemen,--dat de Groote Man daarboven ook een Vader is voor arme zeelui,
die in nood en in doodsangst verkeeren! En zoo, Pieter, denk ik er hier
ook maar over. Dat is nu mijn „Matroozen-troost”. Een mensch kan zijn
lot niet ontloopen, en dat lot te dragen, in het volle vertrouwen op
den Grooten Man, dat geeft kracht om in het leven te blijven, zoolang
men kan. Dat geeft lust om te hopen, zoolang men leeft!”
Pieter voelde zich door de woorden van den zeeman, die op het oog zoo
ruw en onverschillig leek, heel wat opgeruimder gestemd. En al ontving
hij dien dag ook bij slecht water en droog brood menigen onverdienden
zweepslag, hij bleef vrij kalm en gelaten in zijn lot.
Zoo gingen weken, ja, maanden voorbij.
De helft der manschappen had de roeispaan al voorgoed nedergelegd, met
andere woorden, was onder nameloos lijden bezweken. Tot dezen behoorden
Jan Dirkz., Govert en de schipper. Langzamerhand hadden al de Spaansche
galei-slaven plaats gemaakt voor gevangengenomen Nederlanders; maar al
duurde het ook nóg zoo lang, de tienduizend slagen van Don Calliado
schenen nooit uitgeteld te zijn. Dag aan dag daalden ze striemend neer;
dag aan dag was het drinkwater slecht en het brood bijna oneetbaar. De
dunne kleederen hingen er aan lappen en vellen bij, en de gevolgen van
de gedwongen onreinheid, neen, die verzwijg ik liever maar. Ze passen
niet voor een jong oor.
En geen berichten uit het lieve Vaderland! Hoe zouden die er ook komen?
De Nederlanders, die op „de Lucera” de Spanjaarden vervingen, waren
omstreeks denzelfden tijd als zij, gevangengenomen. Hun nieuws was dus
voor hen geen nieuws, maar wat ouds.
Hoorden ze maar eens wat! Het was wel niet nobel en goed, maar bijna
verlangden ze naar een andermans leed, en hoopten ze, dat er weer eens
een Nederlandsch schip zou genomen worden, en dat de bemanning dan hun
lot op „de Lucera” kwam deelen. Konden ze op de roeibanken ook al niet
met elkander spreken, des nachts was er toch wel gelegenheid voor.
Wie weet, wat men dan vernemen zou, want dat de zaak voor Spanje in
Nederland slecht stond, slechter dan toen ze het Vaderland verlieten,
dat stond bij allen zoo vast, als een paal boven water.
Maar--hunne hoop werd niet vervuld, want toen men in de Republiek wist,
wat er in Spanje met de Nederlandsche schepen en de bemanning gebeurde,
kwamen er geen schepen uit het Vaderland meer.
„Zouden Vader en Moeder Heyn, Simon, Jacob en Cornelis nog leven?”
dacht Pieter vaak.
Och, kon hij hun maar eens wat, al was het nog zoo weinig, van zich
laten hooren! Hoe hard de slavernij ook ware, hij zou tevreden geweest
zijn.
Maar zij daar in het Vaderland, hoorden niets! Ze wisten niets, en ook
hij, hij hoorde niets en wist niets!
Arme menschen!
Zoo waren ze reeds meer dan twee jaren op de galeiën. Nog altijd bevond
stuurman Nelissen zich goed bij zijn’ „Troost der Matrozen”. Nog altijd
bleef hij hopen! En als Pieter eens dreigde moedeloos te worden, dan
zeide Nelissen: „Hoor eens, kompeer, je kunt lezen, en je Bijbeltje,
dat je nu al zóó lang en zóó handig voor het oog van de Spanjolen hebt
kunnen verbergen, geeft je, naar het schijnt, ook al niet veel. Ik heb
geen Bijbel en kan er dus des morgens niet in lezen, maar zonder Bijbel
breng ik het verder dan jij met een. Je leest zeker niet goed, anders
zou-je niet zoo neerslachtig en hopeloos wezen.”
„Wat valt er dan te hopen?” vroeg Pieter korzelig. „Het komt me voor,
dat jij het meer doet dan ik!”
„Wel, dat doe ik ook. Is er in de laatste dagen niet eene groote
verandering ten goede gekomen? Hebben we, als Capitano van de
nachtwacht, in Don Fernando niet iemand gekregen van het goede soort,
als Mondragon was? Mogen we ons niet iederen avond en morgen flink
wasschen? Kregen we geen beter stroo om op te slapen? Zorgt hij niet
dat ons brood goed en ons drinkwater zuiver en frisch is? Heeft hij ons
ooit onverdiend laten slaan? Moet hij ons den eersten snauw nog niet
geven? Toe, antwoord hier eens op!”
Misschien dat Pieter dit zou gedaan hebben, doch een vreemd geluid
buiten de deur in de gang deed niet alleen Pieter en Nelissen, maar ook
al de anderen opspringen, en een: „Wat zou dat zijn?” klonk uit aller
mond.
[Illustratie: „Hop, hop, mannen! Ik heb je wat goeds mede te deelen!”
(Bladz. 85).]
De deur werd geopend en vóór hen stond een Officier, een ander dan Don
Calliado, en deze riep: „Hop, hop, mannen! Hop, ik heb je allen, voor
zoover gij Nederlanders zijt, iets mede te deelen!”
Er waren onder deze galei-slaven geen andere dan Nederlanders, zoodat
allen op dat geroep voor hem kwamen staan, nieuwsgierig om te weten,
wat de Capitano, die er op het oog zoo grimmig en bar uitzag, doch
die innerlijk zulk een nobel en goedhartig man was, te zeggen had.
Hier was het werkelijk: „de schijn bedriegt.” Hoe vele Spanjaarden ook
al door deze arme Nederlanders verwenscht waren, hem hadden ze nog
nooit verwenscht, ja, als ze maar geen galei-slaven van de Spanjaarden
geweest waren, dan zouden ze hem inderdaad liefgehad hebben.
„Mannen,” dus begon hij, toen allen stonden, „ik heb u een heuglijk
nieuws mede te deelen. Gij allen zijt vrij!”
Tot zijne verwondering gaven de slaven geen enkel bewijs, dat zij er
verheugd over waren.
„Hoe nu? Wilt gij liever hier blijven dan dat gij naar uw Vaderland
wederkeert?” vroeg hij hartelijk.
„Wij kunnen het niet gelooven, Senor!” zeide Nelissen.
„Nu, ik kan u het geloof niet anders geven dan u nogmaals te zeggen:
„Gij zijt allen, allen, niet één uitgezonderd, vrij!”
„Senor,” hernam Nelissen, „wees niet boos, dat we u nog niet gelooven!
Zeg ons hoe het komt, dat we vrij zijn!”
Don Fernando lachte en zei: „Waarom zou ik boos zijn, man? Ik wil u met
alle genoegen uitleg geven. Verleden jaar heeft Prins Maurits,--een
kranig veldoverste, dat moet ik bekennen,--eene schitterende
overwinning op de onzen behaald bij zeker stedeke Nieuwpoort, in
Vlaanderen. Tot hen, die gevangengenomen zijn geworden, behoorden vele
aanzienlijke mannen. De aanzienlijkste van allen evenwel is de Admirant
van Aragon, onze dappere en knappe Mendoza. Hij is tegen u allen in de
schaal gelegd, en weegt zooveel als gijlieden te zamen. Ge wordt tegen
hem uitgewisseld!”
Thans steeg er een oorverdoovend gejuich onder de gevangenen op, en
toen ze van hunne voetboeien bevrijd waren, begonnen sommigen van
louter blijdschap zich aan te stellen, als halve krankzinnigen.
Pieter stond van vreugde in een’ hoek te weenen. Toen kwam Nelissen bij
hem en fluisterde hem in het oor: „Wel, is de „Troost der Matrozen”
goed of niet? Wat zegt gij nu van dien Grooten Man daarboven?”
„Dat ik Hem mijn leven lang dankbaar zal zijn, Nelissen, voor Zijne
hulp in nood! Dat zàl ik!”
„Goed, en .... dat ge voortaan ook op Hem vertrouwen wilt, nietwaar?
Niets maakt een mensch in ongeluk, in leed en in ramp zóó sterk, als
dat vertrouwen op den goeden God. Wij zijn altijd en overal Zijne
kinderen,” zeide Nelissen, waarop beiden de anderen volgden, die onder
geleide van Don Fernando naar de haven gebracht werden, waar men hun
op zijn bevel, misschien wel op zijne kosten, niet alleen van eten en
drinken, maar ook van geschikte kleederen voorzag. Een tegenvaller
was het echter, dat er geen schip lag, dat hen naar het Vaderland
kon brengen, zoodat ze meer dan eene maand lang geduldig moesten
wachten. Gelukkig bleef Don Fernando uitstekend voor hen zorgen, dat
ze aan niets gebrek leden, en in een der vertrekken van het arsenaal
door niemand werden lastig gevallen. Trouwens, de Portugeezen waren
zoo kwaad niet, want ze waren ook geen vrienden van de Spanjaarden
en hoopten maar, dat zij eens zoo gelukkig zouden wezen, als de
Nederlanders, die hun Vaderland van de Spaansche overheersching
hadden bevrijd. De Portugeezen ondervonden ook hoe zwaar de Spaansche
verdrukking woog.
Eindelijk, na meer dan eene maand wachtens, kwam er een Antwerpensche
koopvaarder, die, na lading ingenomen te hebben, ook de Nederlandsche
vrijverklaarden aan boord nam.
„Eén geluk, maat,” zeide Piet, terwijl hij met de hand langs zijn hoofd
streek, „ik kan weer stoppeltjes aanpakken. Ik zou verlegen geweest
zijn om met zulk een’ vollemaans-knikkerbol in Delftshaven te komen.
Wie weet welk een’ leelijken bijnaam ik zou gekregen hebben.”
Hij streek hierop met de hand langs het hoofd en vervolgde: „Het is nog
wel geen wildernis, zooals Moeder het wel eens noemde, maar ik kan toch
alweer stoppeltjes voelen, weet-je!”
In den Herfst van het jaar 1601 werden al de voormalige galei-slaven
te Vlissingen aan den wal gebracht en ieder repte zich om zoo spoedig
mogelijk tot de zijnen terug te keeren. Stuurman Nelissen vond Moeder,
vrouw en kinderen wel doodarm, doch gelukkig gezond weder. Ook
Pieter was even gelukkig, en toen de eerste vreugde over de behouden
terugkomst wat over was, en Pieter in korte woorden zijn lijden verteld
had, streek Moeder hem de hand over het hoofd en zeide lachend: „Kind,
dat korte haar staat je vrij wat beter dan het verwaaide vlasveld van
vroeger.”
Misschien meende Pieter dat ook wel, want wie een zijner portretten
ziet, zal bemerken, dat hij zeer kort haar droeg.