ZESDE HOOFDSTUK.

Geketend en het hoofd geschoren.

Acht jaren lang had Pieter met wisselvallig geluk gevaren. Op

zijn’ eersten tocht leed hij met „de Westland” schipbreuk in de

Middellandsche Zee en kwam hij weer aan boord van een ander schip in

het Vaderland terug, arm en berooid. De uitrusting, waaraan zijne

lieve Moeder zooveel ten koste had gelegd, lag op den bodem der

zee, en alleen dat, wat in het pakje zat, hetwelk zij hem bij het

heengaan gegeven had, was behouden gebleven. Dat had hij, zelfs met

levensgevaar, nog uit het zinkende schip gehaald. Het was een tamelijk

versleten en beduimeld Bijbeltje, doch met geen enkele bladzijde te

weinig, al lagen er ook bladen los in.

Niet afgeschrikt door den ongelukkigen afloop van dien eersten tocht,

ging hij met schipper Zegers, die op een ander schip voor Rotterdam

was gaan varen, mede naar de Oostzee. Maar ook deze tocht was niet

gelukkig; want een zeer vroeg invallende winter sloot het schip met nog

enkele andere Hollandsche vaartuigen bijna vijf maanden in de haven

van Danzig op. Schipper Zegers, door dezen nieuwen tegenspoed erg

korzelig en onverschillig geworden, gaf onzen Pieter weinig of geen

les meer in stuurmanskunst en zeevaartkunde, hoewel er in die vijf

lange wintermaanden anders gelegenheid genoeg toe zou geweest zijn.

Boeken waren toen nog verre van algemeen, zoodat er aan boord ook geen

te vinden waren. De tijd werd dus doorgebracht met wat in de stad te

slenteren, wat op het verkeer- en dambord spelen, zingen, vertellen of

zich vervelen. Ter eere van Pieter moet evenwel gezegd worden, dat hij

geen dag voorbij liet gaan zonder een hoofdstuk uit zijn’ Bijbel, of

wat in een boek over zeevaartkunde gelezen te hebben.

Eerst half Mei kwam hij weder te Delftshaven aan en daar hij op dat

oogenblik geen schip krijgen kon, nam hij dienst op eene schuit voor de

vaart naar Antwerpen. Dat gedurig heen- en weervaren beviel hem echter

in het geheel niet, hoewel zijne Moeder het niet ongaarne zag. Zij had

hem dan om de veertien dagen zeker eenmaal thuis. Van de binnenvaart

ging hij op de haringvloot, en van de haringvloot alweer op een schip,

dat naar de Middellandsche Zee moest. En zoo ging het af en aan, nu

eens op dit, dan op dat schip. Nu eens op Spanje, dan op de Oostzee. In

1599 evenwel was hij zoo gelukkig, zich, als tweeden stuurman, te laten

aanmonsteren op de „Maze”. De schipper was zijn oude bekende, Zegers,

en behalve Willem Adriaensz. Blokmaker, die, als bootsman, dienst deed,

en Jan Dirksz. die voor kok aangenomen was geworden, bevonden zich

ook thans aan boord Govert en Steven, de neven van Meester Zegers.

Zij hadden zich als gewoon matroos laten aanmonsteren. De reis van de

„Maze” was naar Lissabon. Vroolijk en vol blijde verwachting ging

men het zeegat andermaal uit. Men zou toch eindelijk wel eens eene

gelukkige reis maken!

Maar onderwijl de reis voorspoedig werd voortgezet, gebeurde er iets in

Spanje, waarvan de bemanning van de „Maze” niets te weten kwam vóór het

te laat was.

Wat was het?

In 1580 had Koning Filips II door Alva Portugal laten veroveren, zoodat

dit kleine land met zijne uitgestrekte bezittingen in Oost en West,

vooral in Oost-Indië, ook tot het Spaansche rijk behoorde. Voor de

Indische voortbrengselen waren eerst Venetië en Genua de stapelplaatsen

geweest, doch toen de koene en ondernemende Portugeezen, om Kaap

de Goede Hoop heen, den weg naar Oost-Indië gevonden hadden, werd

Lissabon de stapelplaats van de Indische voortbrengselen, en voor heel

Europa kwam men ze hier uit de tweede hand koopen. Dat deden vooral

de Nederlanders, en hoewel Koning Filips II met zijne Nederlandsche

gewesten in oorlog was, en menigmaal op het punt gestaan had om de

Spaansche en Portugeesche havens voor de Nederlandsche schepen te

sluiten, hadden de kooplieden in Portugal en Spanje dat nog altijd

weten te voorkomen, want zij vreesden, dat de Nederlanders, als ze de

Indische waren niet meer in Portugal uit de tweede hand konden koopen,

niet rusten zouden, voor ze die uit de eerste hand in Oost-Indië zelve

zouden kunnen koopen. De Nederlanders wisten den weg wel niet om Kaap

de Goede Hoop heen, doch men kende hun’ ondernemingsgeest genoeg om

te begrijpen, dat zij zóó lang zoeken zouden, tot ze den weg gevonden

hadden, en dan zouden ze niet rusten voor ze ook vasten voet in de

Indiën hadden. Om dat zoeken en vinden van dien weg, met al wat er op

volgen zou, te voorkomen, wist men Koning Filips II te bewegen om den

Nederlanders de vrije handelsvaart op de Spaansche havens te blijven

toestaan. In 1598 stierf Koning Filips II, en onder den naam van Filips

III, volgde zijn zoon hem op. Deze luisterde niet naar de raadgevingen

en verzoeken van de Portugeesche kooplieden, en in het sluiten van

al de havens in zijn gebied voor de Nederlandsche schepen zag hij

juist het middel om de oproerige gewesten, die het Spaansche gezag

reeds afgezworen hadden, tot onderwerping te dwingen. Van dien kloeken

ondernemingsgeest der Nederlanders, om niet te rusten vóór ze den weg

naar de Oost-Indië gevonden hadden, geloofde hij, jammer genoeg voor

Portugal en Spanje, niets.

Hij wist, dat de Nederlanders niet al de goederen, die ze in Lissabon

of eene andere haven van het Spaansche grondgebied kochten, voor zich

zelven aanschaften, maar dat het grootste deel van die goederen alweer

door hen verkocht werd aan de bewoners van de Oostzee-landen, en dat

ze hiermede groote winsten wisten te behalen. Dat die winsten alweer

voor een groot deel besteed werden om er krijgsvolk voor te werven,

dat bestemd was om tegen de Spanjaarden te strijden, wist hij ook. Het

was genoeg bekend, dat de legers der oproerige Nederlanders voor het

grootste deel uit vreemde huurbenden bestonden. Nu meende Koning Filips

III, dat hij door het openlaten van de Spaansche havens zelf oorzaak

was, dat de Nederlanders den strijd tegen hem konden volhouden, en hij

redeneerde daarbij zoo ongeveer aldus:

„Hieraan moet, hoe eer hoe beter, voorgoed een einde komen. Ik wil niet

langer toestaan, dat die rebellen met hunne schepen in mijne havens

komen. Zij verrijken zich ten koste van mijne onderdanen, die eigenlijk

de vrachtvaarders op heel Europa moesten zijn! Voortaan worde elk

Nederlandsch schip, dat mijne havens binnenloopt, verbeurdverklaard

en de bemanning naar de galeiën gebracht. Als ik dat doe, snijdt het

mes aan twee kanten. Aan den eenen kant ga ik de vermeerdering der

rijkdommen van de oproerige kooplieden tegen, en aan den anderen kant

breng ik stilstand in den zeehandel, waardoor ginds honderden matrozen

zonder verdiensten zullen komen. Deze laatsten zullen met hun’ ledigen

tijd geen’ raad weten, en uit ontevredenheid over het gemis aan

verdiensten, oproer maken. „In troebel water is het goed visschen,”

zeggen de luiden daar! Best, ze zullen ondervinden, dat ik Hollandsche

spreekwoorden weet toe te passen.”

De verstandig denkende Spanjaarden en Portugeezen, die aan het Hof

verkeerden en wisten, wat de Koning van plan was, trachtten hem wel

duidelijk te maken, dat hij zichzelf en zijne onderdanen met dat aan

twee kanten snijdende mes het eerst wonden en hevig wonden zou ook,

maar Koning Filips III meende de wijsheid in pacht te hebben, en

luisterde niet naar den goeden raad, zoodat hij den domsten streek

beging, dien een Vorst maar begaan kon, en oorzaak zou zijn van

Spanje’s ondergang en de opkomst van eene Republiek, die eens zoo

machtig worden zou, dat Spanje zich in een bondgenootschap met haar

verheugen zou. Van de voorspelde wonden, die de Koning zichzelf en zijn

land toebrengen zou, zullen we in dit verhaal nog genoeg te weten komen

en te zien krijgen. Keeren we daarom terug aan boord van de „Maze”, die

we voor dit uitstapje in de geschiedenis een oogenblik verlaten hebben.

Terstond, na het nemen van dit besluit, werden ijlboden naar alle

Spaansche en Portugeesche kuststeden afgezonden, met het bevel aan de

bestuurders dier plaatsen, dat men alle Nederlandsche schepen, die er

binnenvielen, prijs verklaren en het volk ervan, als slaven, naar de

galeiën zenden zou.

Voor den mond van de Taag kruiste de Spaansche oorlogsgalei „de Lucera”.

De Kapitein van dat schip heette Don Calliado. Hij was een tiran

voor zijne eigen landslieden en altijd even grimmig als een Noorsche

beer. De roeiers van zijne galei, allen veroordeelden, werden door

hem nog erger dan wilde dieren behandeld, en als er een paar onder de

martelingen bezweken, zei hij: „O, er is in Spanje nog meer van dat

tuig te vinden!”

Met scherpen en geoefenden zeemansblik zag hij uit, of hij in de verte

geen zeil zag naderen. Hij toch ook had het bevel van Koning Filips

ontvangen, en hij verheugde zich al bij voorbaat in de kwellingen, die

hij den Nederlanders zou aandoen, en genoot in gedachten al van het

voordeel, dat het nemen van een Nederlandsch schip hem aanbrengen zou.

Eindelijk ontdekte hij een zeil; maar het was nog te ver om te zien

welke landsman het was. Met een goed gezeilden wind naderde het evenwel

spoedig, en kwam het zóó dichtbij, dat men op de „Lucera” alles

onderscheiden kon.

Calliado lachte; het was een Hollander.

„Daar kruist eene oorlogsgalei voor de rivier, schipper!” zeide Pieter.

„Dat zie ik ook!” was het antwoord.

„Liggen hier altijd oorlogsbodems?” vroeg Willem Blokmaker.

„Nooit gezien! Maar waarom?”

„Wel, schipper, ze konden het wel eens op ons verzien hebben. Men kan

het niet weten.”

„Ben-je mal? Waarom zouden ze dat? We zijn nu wel met Spanje in oorlog,

maar zelfs ten tijde van Alva kwamen wij hier rustig aan. Na Alva zijn

de zaken heel wat veranderd, en Filips III is Filips II niet!”

„Ze zeggen, dat hij dom is!” waagde Pieter zoo terloops aan te merken.

„Zou het waar zijn?”

„Nu ja, het buskruit zou hij nooit uitgevonden hebben. Maar wat geeft

dat? Mij dunkt, dat is juist in ons voordeel!”

„Of in ons nadeel, schipper! Hoewel Spanje en Portugal veel voordeel

trekken uit onzen handel op hunne havens, kon de nieuwe Koning er wel

eens anders over denken. Domme menschen doen soms domme dingen!”

„Ei, Pieter Pietersz. Heyn, de tweede stuurman op de „Maze” begint zoo

wat aan de regeerderij te doen? Een slecht baantje, vriendlief! Voor

een’ zeeman geldt het in de eerste plaats: „Schoenmaker, blijf bij uwe

leest!”

Pieter en Willem zwegen. Ze dorsten niet langer voortgaan met ook

maar met een enkel woord, den schipper, die nooit eenige tegenspraak

verdragen kon, uit zijn humeur te brengen.

Ondertusschen kwam de oorlogsgalei wat nader, en het was duidelijk, dat

ze iets met de „Maze” te maken had.

„Hoe vreemd toch, dat die galei ons zoo tegemoet komt,” zeide Pieter

tot Willem.

„Misschien denken ze wel, dat we de kinderpokjes of eene andere ziekte

aan boord hebben, en dat wij de besmetting in Lissabon brengen zullen!”

„Kwamen ze daarnaar vroeger ook onderzoek doen?”

„Weet ik het? Ik ben hier voor den eersten keer!”

Nu werd er eene roeiboot van de galei uitgezet en deze legde aan

bakboordszijde aan.

„Aan stuurboord, man aan het roer!” riep schipper Zegers. „Nobel

gezelschap ontvangen we nooit aan bakboord. Dat is alleen voor de

kadraaiers en uitventers van vruchten.”[3]

[3] Deze uitdrukking van schipper Zegers zal denkelijk voor velen

eenige opheldering behoeven. Wanneer men op het dek van een schip staat

met den rug naar het roer en dus met het gelaat naar den boeg, dan heet

dat deel van den scheepswand, hetwelk men aan de rechterhand heeft,

„stuurboord”. Het deel, dat links ligt, draagt den naam van „bakboord”.

En evenals ieder wellevend mensch zijn meerdere of oudere aan zijne

rechterzijde laat loopen, zoo laat men ook aan boord van schepen

menschen, die men eeren wil, aan stuurboordszij op het schip komen.

Met stoombooten, die aanleggen, kan dat niet in acht genomen worden,

omdat men dan vaak zou moeten wenden en dat houdt niet alleen op, maar

valt voor een’ steiger ook niet altijd zoo gemakkelijk te doen. Dat

eerbewijs van iemand aan stuurboordszij aan boord nemen geldt dan ook

meer voor een schip in volle zee.

De Spaansche Bevelhebber scheen zich evenwel niet aan deze woorden te

storen en klom, gevolgd door een tiental matrozen, tegen den valreep

van de „Maze” op en betrad het dek.

Schipper Zegers en de manschappen, voor zoover deze op het dek waren,

stonden verwonderd op te kijken, en wisten niet, wat zij van dat

vreemde bezoek maken moesten.

„Wie is de schipper?” vroeg Calliado, die in persoon met de boot

medegegaan was, voorwaarts tredende.

„Die ben ik, Senor!” antwoordde Schipper Zegers beleefd, en ook in het

Spaansch.

„Welnu, dan! In naam van Z. M. den Koning van Spanje, Heer der

Nederlanden en Oppermachtig gebieder van Amerika verklaar ik dezen

bodem prijs en de bemanning gevangen!” Schipper Zegers, zoowel als al

de schepelingen, stonden op dat bericht geheel verslagen.

Eindelijk vatte de schipper moed en zei: „Maar dat is schenden van alle

volkenrecht!”

„Als je dat denkt, zeg het dan den Koning zelf, als je hem ooit in je

leven te spreken krijgt. Ik denk er anders over!”

Tot op dit oogenblik hadden de matrozen geen woord gesproken, doch

plotseling trad één hunner vooruit en riep: „Op, mannen, zullen we ons

door deze Spaansche bloedhonden, als slachtvee, laten knevelen? Op, op,

slaat ze dood! Slaat ze dood!”

En de daad bij het woord voegend, greep hij eene bijl en vloog op Don

Calliado en zijne manschappen in. De overigen volgden dit voorbeeld,

en zeker zouden de Spanjaarden het onderspit gedolven hebben, als er

niet twee sloepen van de galei hulp gebracht hadden.

[Illustratie: Schipper Zegers en al de zijnen werden gekneveld.

(Bladz. 73).]

Nu werden schipper Zegers en al de zijnen gekneveld, en op den matroos,

die het eerst aangevallen was, toetredende, zeide Don Calliado, op eene

buil aan het hoofd wijzende, hem door een’ vuistslag toegebracht: „Ééne

buil heb-je mij toegebracht, oproerig gespuis, tienduizend zal ik er je

allen teruggeven. Don Calliado heeft altijd woord gehouden! Reken er

dus op, dat de tienduizend meer dan vol zullen gemaakt worden! Mannen,

voert hen weg!”

De geknevelde Hollanders werden nu onder het gejuich der straatjongens

van Lissabon, als een troep slachtvee naar een’ donkeren kelder van

de gevangenis gebracht. De deur werd gesloten, doch aan het losmaken

der banden en touwen werd niet gedacht. Heel den tijd, dat ze in dat

donkere hol zaten, hoe lang wisten ze niet, liep er een schildwacht

voor de deur met eentonigen tred op en neder.

„Schipper, waar is u?” riep Pieter na eenigen tijd.

„Hier ben ik. Wat moet gij van mij hebben?”

„Hoe lang moeten we hier blijven?”

„Weet ik het, jongmensch? Heb ik het bevel gegeven om ons te laten

opsluiten en behandelen als honden?”

„Ik heb ergen dorst!” klaagde Jan Dirksz.

„Jongen, als je ons niet allen razend wilt maken, spreek dan niet van

dorst, van water, of van wijn! Hoe meer men daarover praat, hoe meer

men den dorst opwekt,” sprak de eerste stuurman.

Op dit bevel zwegen allen, hoewel de vijf kameraads elkander hadden

opgezocht om, ware het dan ook maar fluisterend, malkander hun’ nood te

klagen.

En er was nood! Het hok was te nauw voor één’ man om er, zonder toevoer

van versche lucht, vierentwintig uren in opgesloten te blijven, hoe

veel te nauw was het dan niet voor de twaalf personen, waaruit de

bemanning van de „Maze” bestaan had!

Het werd er snikheet, en naarmate de hitte toenam, begonnen de meesten

ook woelig te worden, niettegenstaande de eerste stuurman, die nog

eens in Algiers gevangengezeten had, en er dus alles van wist, hen

aanmaande, toch zoo bedaard mogelijk te blijven.

„O, eer de dag een uur ouder is, ben ik toch al van de hitte gestorven!

Een half uur later of vroeger doet er niets aan af of toe,” klaagde

Govert.

„Zwijg, lummel, gij moogt niet met uw leven spotten! Wie weet of er

niet binnen het uur redding opdaagt. Ik voor mij denk altijd nog, dat

het eene vergissing geweest is, en dat we weldra allen zoo vrij zullen

zijn, als een vogel in de lucht,” hernam de stuurman.

„Vrij zijn!” Hoe weinig men ook aan zijne woorden geloofde, men hoopte

er toch op.

Maar de tijd ging voorbij, liever, de tijd kroop voort.

Ééne minuut in dit akelige hol scheen een uur.

De hitte en de benauwdheid namen hand over hand toe.

„Water! Water!” klaagde Steven, die nu onmogelijk langer zwijgen kon,

daar hem de tong aan het gehemelte kleefde van dorst.

Nauwelijks had één dat geroep laten hooren, of „Water! Water!” werd van

alle kanten geroepen.

Maar geen vriendelijke hand opende een luik om versche lucht te

brengen. Geen vriendelijke hand kwam en bood den gemartelden mannen

één’ dronk waters!

Alleen het eentonig: „stap stap,” van den schildwacht en het klagend

gesteun van de opgeslotenen werd gehoord, meer niet.

De ellende werd onbeschrijflijk.

„Pieter, Pieter, waar ben-je?” klonk nu op eenmaal eene zwakke stem.

Het was die van Jan Dirksz.

Pieter kroop op het geluid toe en een’ arm grijpende, vroeg hij: „Is

dat de arm van Jan Dirksz.?”

„Dat is de arm van mij, van schipper Zegers, jongmensch! Wat wil-je van

mij hebben?”

„Ik zoek Jan Dirksz. Hij heeft mij geroepen!”

„Er ligt hier wat op den grond; misschien is hij dat wel, dien je

zoekt!”

Pieter, die toch werkelijk geen jongen meer was, stoorde zich op dit

oogenblik niet aan dat barsche „jongmensch” van den schipper, die hem

heel dikwijls zoo toesprak, meer uit gewoonte, omdat hij hem als knaap

gekend had, dan met eenig oogmerk om Pieter te beleedigen.

„Ben-je hier, Jan?” vroeg Pieter nu, terwijl hij zich bukte en met de

halfvrije hand rondtastte.

„Ja,” klonk het zwak, „hier ben ik! O, ik ga sterven! Wat wa-water,

Pieter! Vraag, vraag het eens aan den schild-schildwacht!”

„Die geeft het toch niet!”

„Dat- weet- je- niet! Vr-aag ma-maar!”

Pieter stond op en zocht de plek, waar de deur moest zijn. Zien kon hij

haar niet; maar de schildwacht liep er voor. Zoodra hij meende de deur

gevonden te hebben, klopte hij er tegen.

„Wat wilst doe?” vroeg de soldaat in vrij goed verstaanbaar

Nederlandsch.

„Och, als je een landsman van ons bent, geef ons dan wat water!”

schreeuwde Pieter, zoo hard hij kon, om goed gehoord te worden.

„Ikkik ’eb keen waoter, neen ik. Waor zou ik het ’aolen, jao? Ikkik kan

ook niet van main’ post. De koegel zit er op jao, als ikkik main’ post

verlaot. Maor ’ebbe gai maor patientie, jao! Over een uurken komen ze,

en dan gaot ge allemaol naor de galaien. Ebbe maar patientie, zegge ik

oe,” antwoordde de soldaat, die blijkbaar een Vlaming in Spaanschen

dienst was.

„Vraag eens hoe laat het is, Pieter!” zei Steven.

Pieter deed dat en het antwoord was: „Het is nog geen vier uren in den

naonoen! Bel neen, ikkik zegge oe, het is nog zoo ’eel laot niet!”

Opnieuw wilde Pieter wat vragen, doch opeens fluisterde de schildwacht

door het sleutelgat: „Stille, wees stille, zegge ik oe; want daor komt

onze Kapitaono Don Calliado. Het en is mai niet toegestaon met oe te

praoten. Zwaig en ’oude oe koest!”

Pieter zweeg en ieder luisterde of Don Calliado ook in de gang komen

zou, en zoo ja, dan moest men weten wat hij zei.

Maar in plaats van één’ man te hooren aankomen, hoorden ze er meer dan

één’, benevens het rammelen van kettingen.

„Let op,” sprak de eerste stuurman; „ze gaan ons opschikken. We krijgen

kettingen aan de voeten!”

De deur ging open en bij het daglicht, dat in de gang viel, zag men uit

den kelder een’ damp opstijgen, alsof van een’ grooten ketel met kokend

water het deksel even opgelicht werd.

Twee mannen traden binnen en begonnen onze zeelieden twee aan twee, de

voeten aan elkander te ketenen.

Pieter werd gekoppeld met den eersten stuurman, en hoewel hij liever

gezien had, dat Jan Dirksz., Willem Blokmaker, Govert of Steven zijn

makker ware geweest, toch dacht hij, dat er misschien nu meer kans op

ontvluchten zijn zou. Hij kende Nelissen, den stuurman, en meende zeker

te weten, dat hij vroeg of laat wel pogingen zou aanwenden, vrij te

komen. Hij was immers in Algiers ook wel ontvlucht! En dan ging hij,

Pieter, zeker mee. Waarheen?

Eenige soldaten en andere mannen traden binnen en brachten de

schepelingen in een grooter vertrek, waar men hen tot op het ondergoed

ontkleedde en een’ dunnen boevenkiel en een soort van broek aantrok.

Kousen en schoenen werden hun ook uitgetrokken, doch hiervoor kregen ze

niets anders in de plaats. Ze zouden blootsvoets moeten loopen.

En nog waren alle vernederingen niet geleden.

Een ruwe kerel knipte hun de haren af en toen dat gedaan was, kwam er

een ander, die met een scheermes hun het hoofd geheel kaal schoor. Geen

haartje was op hun hoofd of gelaat te zien.

Nog, neen, nog was alles niet geleden.

Men sleepte voetboeien, zware kettingen, aan en hiermede werden ze,

twee aan twee aan elkander gekoppeld.

Dat er zelfs bij de ruwsten onder de bemanning der prijsverklaarde

„de Maze” tranen langs de wangen biggelden, wie is er, die dat niet

begrijpt? Wie, die dit niet gevoelt?

Ze waren nu klaar voor het werk, dat hen wachtte!

De galeiboeven waren in hunne uniform gestoken!

Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn · 第 15 / 36 题