VIJFDE HOOFDSTUK.

Onder Moeders gebed naar zee.

Het ongewone van alweer te gaan leeren, maar bovenal zijne blijdschap,

dat hij binnenkort naar zee zou mogen gaan, had Pieter den nacht, die

op dit gewichtige besluit volgde, slechts eene korte rust vergund. Had

het lang geduurd eer hij den slaap vatten kon, toen deze eindelijk

kwam, kwamen droomen mede, en zoodra de stralen der morgenzon door het

dakvenstertje vielen, was hij wakker, en moede van het droomen, wilde

hij liever maar niet langer blijven liggen. Hij stond dus op, waschte

en kleedde zich. Voor het kleine dakvenster gekomen, deed hij dat open,

boog zich er door heen en keek naar de Maas, waarover een dunne nevel

lag. De masten der schepen werden zichtbaar, doch overal aan boord was

alles nog in rust. Alleen de mannen van de hondewacht, die om vier uur

zouden afgelost worden door de dagwacht, keken hier en daar droomerig

over de verschansing.

En daar, met de oogen naar het water en de schepen gekeerd, begon onze

Pieter te denken aan de zee,--aan zijne toekomst! Er ging veel om in

het hoofd van den knaap.

Dat hij bij het weinige, dat hij op school geleerd had, ook niets

aan de geschiedenis gedaan had, is duidelijk, maar zonder dat de

geschiedenis op school onderwezen werd, wist zelfs de geringste man in

de zeegewesten de gebeurtenissen van den dag mede te deelen.

Wanneer de bakker het deeg heeft gekneed, laat hij het eene poos in den

trog staan om het door gist te laten rijzen. Dan zet het deeg uit, en

wat een halfvolle trog was, wordt weldra een volle, en als hij er ten

laatste geen brood van ging bakken, dan zou het deeg over den trog heen

komen.

Zie, de Nederlanders der zeegewesten van dien tijd, waren als het

bakkersdeeg in den trog; er was werking in. Nog bijna onbewust hoe

het kwam, gevoelde het volk zich tot daden geprikkeld, op de groote

wateren, maar niet zoo zeer hier te lande. Althans de Hollanders,

Zeeuwen en Friezen hadden met dappere daden op het land weinig op. Er

stak een zeeman in hen, geen soldaat.

Leycester was een paar jaren geleden vertrokken en na diens vertrek had

men de oppermacht dezer landen niet aan een’ anderen Vorst aangeboden.

De Republiek was, als het ware, gevestigd, en met een’ Prins Maurits

aan het hoofd van het leger en een van Oldenbarnevelt in ’s Lands

raadzaal, begon de jonge Republiek al de kracht van hare jeugd te

gevoelen, en evenals een gezonde knaap, die vrij gekregen heeft, denkt:

„Wat zal ik toch nu eens doen? Ik moet, ik wil, ik zal wat doen,” zoo

spitsten ook zoo onze Voorouders in die dagen hun brein tot het zoeken

van alles, wat ze doen konden, doen, het liefst op zee en ver van honk.

Dat de jonge Pieter nu ook zoo dacht, is duidelijk. Wat zou hij aan

boord van het schip doen? Waar zou hij komen? Wat zou hij worden?

De Ridders van vroegere eeuwen waren er sinds lang niet meer; de

adellijke grondbezitters, mannen met aanzienlijke namen, waren er nog

wel in Holland, maar het ontzag, dat het volk vroeger voor hen gehad

had, bestond niet meer. Er was een andere aanzienlijke stand aan het

opkomen. Het was die der „Burgerkoningen van de Republiek” en deze

stand groeide op uit heel de burgerij, uit de armen zoowel als uit de

aanzienlijken en rijken. Het was, alsof iedereen gevoelde, dat hij het

ver in de wereld zou brengen, als hij maar van aanpakken wist. Die

geest van „willen aanpakken” bezielde duizenden van hoofdstraat tot

achterbuurt.

Was het nu wonder, dat de zoon van een’ matroos, die slechts ter

haringvangst voer, eerzuchtige droomen kreeg en met tal van voorbeelden

voor oogen, van zichzelven dacht: „Wat een ander kan, dat kan ik

ook!”--Immers reeds tegen het begin der zeventiende eeuw waren, vooral

in Holland en Zeeland mannen uit den minderen stand al heel wat

geworden in den lande!

Het was aan Pieters gelaat te zien, dat zijn vurig hart van eerzucht

klopte, en naarmate de nevelen op de Maas meer verdwenen, naarmate

de zonnestralen alles meer in gloed zett’en en naarmate alles, op de

rivier en in de havenbuurt, meer tot leven kwam, naar diezelfde mate

stegen zijne eerzuchtige plannen, en wie weet hoe hoog ze wel gestegen

waren, als Vader, die niet wist dat Pieter al lang en breed op was,

beneden aan de trap niet geroepen had: „Jongens, jongens, het is

halfzes! Er uit, jongens!”

Jacob, Simon en Cornelis rekten zich uit en riepen: „Ja, Vader!”

waarna ze opstonden. Onder het aankleeden vertelde Pieter hun, wat hij

dien morgen zoo al op de Maas gezien en welke mooie plannen hij voor

zichzelven gemaakt had.

Na het ontbijt, dat steeds te zes uren gehouden werd, begaf Pieter

zich naar zijn’ ouden Meester, en des middags ging hij vol blijden

levensmoed naar Rotterdam om bij schipper Zegers de eerste lessen te

nemen in de stuurmanskunst.

Zoo ging het den eenen dag na den anderen bijna twee maanden lang. Zoo

traag in het leeren Pieter vroeger geweest was, zoo ijverig was hij nu.

De tijd vloog hem om. Maar ook voor Moeder vlogen de dagen te schielijk

voorbij. Ze was wel arm, en het geld moest uit alle hoekjes en gaatjes

opgezocht, ja, op een paar boterhammen en een stukje kaas minder,

uitgewonnen worden; maar ze wilde toch niet hebben, dat haar oudste

jongen als een schooier aan boord zou komen. Oude spulletjes waren het,

zeker, dat viel niet tegen te spreken. Op een koopje, van oud nieuw

gemaakt, ieder zag het! Maar was dat schande? Zet eens eene vuist als

ge geen hand hebt, en koop eens spiksplinternieuwe en mooie kleeren,

als er zelfs niet genoeg voor oude is! Eene Moeder kan veel, maar zulke

wonderen verrichten, dat gaat niet, dat kan niet. En dan, behalve die

uitrusting was er nog meer noodig.

In 1580 was te Delftshaven eene vereeniging tot stand gekomen, die

den naam droeg van: „Matroozen-troost”. Die vereeniging bestond uit

zeelieden, die eenig geld bij elkander brachten, hetwelk door drie

Regenten beheerd werd. Viel nu een der matrozen, die lid van die

vereeniging was, in handen van Duinkerksche kapers, dan werd hij met

geld van de bijeengebrachte som vrijgekocht. Dat lidmaatschap kostte nu

wel veel geld, veel althans voor menschen, die met schrale verdiensten

moesten rondkomen, maar Moeder had besloten, dat haar jongen ook lid

zou worden, het mocht kosten wat het wilde. Wanneer hij in handen van

die woeste zeeschuimers, niet veel beter, misschien wel erger, dan de

Watergeuzen, viel, dan zou hij in harde gevangenschap moeten blijven

zuchten, en wie weet of ze hem zelfs niet om het leven zouden brengen.

Dus, Pieter moest lid worden van „Matroozen-troost”.

En onder die velerlei beschikkingen brak eindelijk de dag aan, dat

Pieter zou vertrekken. Het schip, „de Westland” geheeten, en voor

rekening van eenige Delftsche kooplieden uitgerust, lag zeilreê in

Delftshaven.

Slechts een paar uren nog en dan zou het de haven verlaten. Wie wist

voor hoe lang!

Pieter was nog aan boord; hij had echter geen afscheid genomen en mocht

dat nog gauw gaan doen. Zijn Vader was niet thuis; deze was op de

vischvangst, en hem had Pieter al vaarwel gezegd. Jacob was bij een’

timmerman te Delft in de leer, en Cornelis en Simon waren in school.

Moeder was dus alleen, heel alleen thuis.

„Nu, jongens, een half uurtje, hoor, niet langer,” zeide de schipper,

aan wien gevraagd werd om thuis afscheid te gaan nemen.

Hierop liepen drie jongens van boord de Haven op.

Wie dat waren?

Dat waren Willem Adriaensz. Blokmaker,--Jan Dirksz. en onze Pieter.

De eerste twee gingen met „de Westland” als licht-matrozen mede, en

Pieter, als bootsmans-leerling.

„Tot straks,” klonk het thans, en de drie knapen liepen ieder naar hun

eigen huis.

Maar weldra vertraagde Pieter zijne schreden. Hij wilde wel hard

loopen; maar hij kon niet. Er was iets, dat hem hinderde, en hoe

dichter hij bij huis kwam, des te vreemder gevoelde hij zich. Het

was in zijne keel, alsof daar een stuk droog brood zat, dat hij wel

doorslikken wilde, maar niet doorslikken kon.

Eindelijk kwam hij, ondanks zijne vertraagde schreden, toch thuis.

Hij deed de deur open, trad binnen en ging naar zijne Moeder, die bezig

was om met de tang het vuur wat op te rakelen. Zij keerde zich om toen

zij iemand hoorde binnenkomen, en Pieter in het vertrek ziende, zag ze

hem verstoord aan en zeide: „Blijf staan! Wat is dát?”

Pieter stond onthutst stil en vroeg: „Wat, Moeder?”

„Vraag-je nog „wat”, jongen?”

„Ja, Moeder, ik weet niet....”

„Zoo, weet gij altemet niet, waarom daar voor de deur eene voetmat

ligt?”

Pieter lachte even en zei: „Maar, Moeder! Ik....”

„Houd dat „maar” toch eindelijk voor je! Doe als altijd!”

Pieter keerde terug en veegde de lage zeemansschoenen, die niet vuil

waren, aan het matje af. Hij had dat voor het eerst van zijn leven

vergeten.

„Genoeg,” sprak thans Moeder, „zeg mij nu vaarwel!”

Pieter deed het; maar, koel. Moeder deed ook zoo raar!

[Illustratie: „Vergeet--je--Moeder--niet!” (Bladz. 62).]

„Hoor eens, jongen,” begon Moeder terwijl ze hem de armen om den hals

bleef houden, „ik weet dat je mij al heel vreemd vindt. Goed, vind dat.

Maar nu we op het punt staan, van elkander te scheiden, heb ik je nog

wat ernstigs te zeggen. Tot heden heb-je altijd ons, uw’ Ouders, moeten

gehoorzamen, en als je het niet deedt, dan wachtte je straf. Nu ga-je

naar zee. De zee maakt een’ mensch lichtelijk vrij en ongebonden, ja,

soms woest, hardvochtig en onverschillig. Zoo ze jou dat óók maakt, dan

zou ik liever hebben, dat je nimmer weer een’ voet over dezen drempel

zettet. Ik wil van mijne kinderen gehoorzaamheid, al werden ze zoo hoog

geplaatst, dat er tusschen hen en Zijne Excellentie Prince Maurits,

dien God behoede, slechts ééne schrede afstands was. Ik heb je geleerd,

God en uw’ Ouders te gehoorzamen. Als ik je wederzie, moet dat nóg zoo

zijn. En gehoorzaamheid zit niet enkel in het groote,--gehoorzaamheid

zit ook in het kleine. Wie, als hij binnen de deur komt, begint met

de voeten niet op de mat af te vegen, ofschoon hij weet, dat dit orde

en regel is, die eindigt met zelfs God niet te gehoorzamen en te

leven als een heiden. En nu, mijn jongen, denk altijd, je heele leven

lang, in Noord of Zuid, in Oost of West, nu of over veertig jaar, als

bootsmans-leerling, als schipper of als Kapitein, denk altijd aan deze

ure. Vergeet je Moeder nooit, dan vergeet je ook de lessen niet, die

zij je gegeven heeft; dan vergeet je den Lieven Heer niet; dan zal mijn

gebed voor je welzijn niet onverhoord blijven! En nu, Pieter, lieve

beste Pieter, ga, ga met God! Vergeet .... je--je Moeder---je Moeder

niet!”

Hier moest de strenge Moeder opeens zwijgen. Zij had zich geweld

aangedaan om kalm te blijven; ze wilde tot op het laatste oogenblik

den schijn aannemen, alsof er in dat kloppende en zwoegende hart geen

teedere liefde te vinden was. Maar de strenge Moeder moest in dien

fellen strijd voor de teedere Moeder onderdoen. Ze wierp de tang neer

en krampachtig snikkend sloeg ze de armen, de trouwe Moederarmen, om

den hals van haar’ oudsten en drukte hem aan het Moederhart, het trouwe

Moederhart, dat zóó hevig klopte, dat Pieter de slagen wel tellen kon.

Eindelijk, na zijn gelaat met kussen overdekt te hebben, maakte zij

zich los, en een klein pakje, dat op de tafel lag, in de hand nemende,

reikte zij het hem over en zeide: „Aan boord eerst te openen,” kuste

hem nogmaals en nogmaals, en .... beval hem heen te gaan, omdat zijn

tijd verstreken was.

„Een half uurtje, hoor!” had de schipper gezegd.

Het was bijna een uur geworden.

Voort, Pieter, voort! Niet begonnen met nu al te kort te doen aan

zeemansplichten!

Pieter toonde thans, dat hij nog loopen kon. Den weg, waarover hij

wel tien minuten gedaan had, toen hij naar zijne Moeder ging, werd nu

in minder dan de helft afgelegd. Hij kwam evenwel volgens het bevel te

laat, maar toch won hij het nog van zijne beide makkers, Willem en Jan.

Zoodra hij nu aan boord trad, vond hij daar Meester Zegers en zijne

broeders Cornelis en Simon om afscheid te nemen, en hoewel Meester hem

niet zoo weekhartig maakte, als Moeder, toch vond Pieter, dat de oude

man hartelijk was, als weinig anderen. Maar eindelijk, toen Willem en

Jan ook aan boord waren gekomen, verzocht de schipper zijn’ broeder

vriendelijk om henen te gaan. Hij kon er op rekenen, vast en stellig,

dat hij voor den jongen Pieter Pietersz. Heyn zorgen zou, alsof hij

zijn eigen kind was.

Meester ging met Piets broeders aan den wal. De loopplank werd

ingehaald en toen, evenals eenige jaren geleden waarin onze goede Dr.

Heye zong, was het:

„De kabels los, de zeilen op,

Dat gaat er op een varen:

Al waren wij Sinjeurs aan wal,

Ons hart lag in de baren;

Een Hollandsch kind, dat is bekend,

Dat vindt in zee zijn element!

Hoezee dan, jongens, in het want!

De handen uit de mouwen!

Laat Duitscher, Noor of Engelschman

Niet klimmen in je touwen!

Dàn kan je varen zonder peil,

Al blies de Nikker in het zeil.”

Pieter keek naar alle kanten uit, of hij zijne Moeder nog niet eens

zou zien. Hier stond een groepje mannen en vrouwen; zij was er niet

bij.--Daar stonden eenige nieuwsgierigen, die van alles, wat er

gebeurt, het naadje van de kous willen weten; vrouw Heyn was er niet

bij. Ginds liepen eenige luierende manspersonen met een dergelijk

slag van vrouwen, den tijd dooden met kallen en snappen over allerlei

onbeteekenende dingen, soms ook wel over hunne buren; ook daar was ze

niet bij.

Maar bij de Sluis, ja, daar bij Gerrit, den sluiswachter, die uit de

Kolk verdreven werd door den brand, en die nu bijna aan het einde van

de haven in een nieuw huisje woonde, daar stonden een paar vrouwen door

de ruiten te kijken.

De eene was de Moeder van Mietje en Jantje.

De andere?

Zou Pieter dat nog behoeven te vragen? Neen, hij herkende haar

terstond, al was haar gelaat, door eene huive gedekt, nauw zichtbaar.

Die andere was zijne Moeder.

Hij wuifde met de wollen muts, deed het nog eens en nog eens, en zij,

die daar binnen stond en wie die laatste groet gold, knikte hem zoo

lang vriendelijk tegen, tot ze voor elkander verdwenen....

En de wind, die de zeilen van de „Westland” deed zwellen, en haar langs

het gerimpelde watervlak der Maas naar zee bracht, diezelfde wind sloeg

het deurtje van Moeders huisje toe, toen zij er intrad om nog eens

in alle stilte, door niemand gezien en door Één slechts gehoord, te

stamelen: „Goede God, bewaar mijn’ jongen! Behoed mijn’ zoon, mijn’

oudste.”

Een Delftshavensche Kwajongen of Het Leven van Luitenant-Admiraal Piet Heyn · 第 14 / 36 题