Het muist graag, wat van katten komt.
Na den brand bleef Pieter eenige dagen thuis. De kloppartij, het
moeielijke en zware nachtwerk zonder avond-boterhammen in de maag,
het natte pak, dat hij zichzelven gegeven had en de vreeselijke hitte
boven op het pannendak waren hem niet te best bekomen. Hij was eerst
erg verkouden geworden en had toen de koorts gekregen, en in dien tijd
was het met de geneeskunde nog treurig gesteld, en een groot geluk, dat
toen over het algemeen de menschen wat sterker van lichaamsgestel waren
dan ze nu zijn. Ze konden beter tegen een stootje, en tegen een hard
stootje ook. Dat sterker zijn van onze voorouders was heel natuurlijk.
Een kind, dat zwak was, kon in de meeste gevallen niet blijven leven,
zoodat alleen de sterken overbleven. In dien tijd was de kindersterfte
heel groot, veel grooter althans dan tegenwoordig. Van versterkende
middelen wist men toen zoo goed, als niets, en zij, die als „dokters”
dienst deden, waren veel meer gebrekkige chirurgen, of liever kervers
en snijders, dan geneeskundigen. Barbiers in steden en op dorpen waren
toen meteen „dokters” voor de zieken en „dokters” voor de gewonden. Zij
trachtten de menschen zoowat op dezelfde manier te genezen, als nu op
de kleine dorpen sommige hoefsmeden de paarden en het rundvee probeeren
„op te knappen”. Alles ging geheel volgens een receptenboek, waarin
soms de vreemdste middelen werden opgegeven, gewoonlijk met de stellige
verzekering er bij, dat het voor deze of die ziekte, en voor dit en dat
gebrek, het heilzaamste middel was, dat er ooit gevonden werd.
Zoo had de barbier, om Pieters verkoudheid te verdrijven, hem eerst een
mengsel van vlier, kamillen en jeneverbessen laten slikken, met het
bevel er bij: „Twee dagen lang niet van onder vier dikke dekens komen!”
Er is wel eens wat vermakelijkere in de Hondsdagen dan achtenveertig
uren lang onder vier dekens te liggen met om het uur een’ paplepel van
dat keurige drankje in het lijf. Maar Pieter hield het die twee dagen
moedig uit, doch toen hij den derden dag opstond, waren zijne poriën
door het vreeselijk zweeten zóó geopend, dat hij, toen de deur even
openging, opnieuw eene koude vatte, die hem de derdendaagsche koorts
bezorgde. Toen begon het slikken andermaal. Eerst een mengsel van
pimpernel, salie, mosterd en azijn. Wel mocht het hem bekomen; maar
de koorts gaf er niet om en kwam terug. Toen moest hij bladeren van
brandnetels op zijne polsen leggen, en eindelijk om het half uur twee
paplepels vol van een drankje, dat gemaakt was van negen wortels van
weegbladen, negen roemers wijn en achttien roemers water. En toch bleef
de koorts niet weg.
„Weet-je wat, Moeder, die barbier weet precies zooveel van zieken
genezen, als de Turk van onzen Bijbel. Ik houd het er voor, dat Pieter
best beter zal worden, als hij maar begint met vasten!” zeide de oude
Heyn toen het hem begon te vervelen, dat hij iederen dag zulk een’
ziekenverknoeier over den vloer kreeg. Moeder vond het goed en de
koorts bleef eindelijk heelemaal weg.
„Ze is vanzelf weggegaan,” zeiden Pieters Ouders.
„Het mocht wat,” antwoordde de barbier, „het mocht wat! Ik zeg, het is
een gevolg van mijn laatste geneesmiddel! Dat verzeker ik, en ik wil je
groeten!”
Na dien tijd gaf de barbier elken koortslijder, dien hij in zijne
macht kreeg, niets anders te drinken dan een aftreksel van weegbladen
in water en wijn. Stierven de zieken, dan was het: „Hun tijd was
er geweest! Verzet-je daar eens tegen! Voor den dood is geen kruid
gewassen!”--Herstelden ze, dan hoorde men: „Dacht-je dan, dat ik niet
weet, wat zieken noodig hebben om weer beter te worden? Zag-je me voor
zóó min aan?”
Door dat gedwongen thuisblijven had de schipper, bij wien Pieter, als
jongen, aan boord was, omdat hij niet wachten kon, een’ anderen knaap
genomen en Pieter moest maar zien, dat hij wat kreeg.
Eens op een’ avond in het begin van September zaten Pieters Ouders te
schemeren en de oude Heyn vertelde geschiedenissen van de Watergeuzen.
Midden in de vertelling werd er echter op de deur geklopt. Moeder deed
open en .... Meester Zegers trad binnen.
Meester, die de bespottelijke gewoonte had aangenomen om altijd
boekentaal te spreken, om zoo doende, naar hij meende, zijn’ scholieren
een exempel te geven, er niet aan denkend, dat juist dit gemaakte
spreken hem in den weg was om een plaatsje te vinden in het hart zijner
leerlingen, wat jammer genoeg was, want meester Zegers meende het zoo
goed, begon dadelijk met een: „Ik wensch ulieden een’ goeden avond!”
„Van hetzelfde, Meester! Ga zitten!” antwoordde Vader.
Pieter was niet op zijn gemak.
„Ik kom den vrede teekenen, oude Watergeus!” hervatte de Meester met
iets hartelijks in zijne stem.
„Den vrede teekenen? We leven, naar ik hoop, toch niet met elkander in
oorlog, is het wel?” dus liet de Vader zich hooren.
„Dat is te zeggen, Vader Heyn, met u leef ik niet in oorlog, maar
tusschen uw’ oudsten zoon en mij is de verhouding toch niet van zulk
een’ uitnemenden aard, zou ik denken. Wie weet hoe dikwijls onze maat
me al wat leelijks heeft toegewenscht!”
„Meester, daar is geen steek van aan,” riep Pieter, in zijne
platte jongenstaal en geraakt, uit. „Ik heb u nog nooit wat kwaads
toegewenscht, en dat mag u niet maar zoo zeggen. Ik heb u na dien dag,
u weet wel, nooit weer iets in den weg gelegd!”
„Dat weet ik, Pieter! Daarom, en ook nog om wat anders, kom ik vrede
met u maken!”
Ineens was Pieters drift over en vol verwondering riep hij: „Vrede
maken, Meester? Vrede maken met mij?”
„Ja, mijn jongen, ik kom vrede maken met u. Tot den zevenden Augustus
van het jaar onzes Heeren 1591, altijd Nieuwe Stijl, leefde ik met u
in vijandschap. Als ik tot dien tijd aan u dacht, o, jongeling, kreeg
ik geregeld pijn in het lichaamsdeel, dat de ongeletterde luiden
knieschijf noemen, doch hetwelk door de geleerden met den beteren naam
van „patella” wordt aangeduid.”
Gelukkig, dat het meer dan half donker in het vertrek en dat Meester
Zegers wat slecht van gezicht, misschien ook minder scherp van gehoor
was, want bij het noemen van „knieschijf” of „patella”, gingen vier
vingers te gelijk tusschen de tanden van vier jongens, om, door in
de vingers te bijten, het lachen te voorkomen. Zelfs Vader, maar
daar was hij dan ook een oude Watergeus toe, had de grootste moeite
om zijn verweerd gelaat in een’ effen plooi te houden, want van die
knieschijf-geschiedenis wist hij alles af, en hij had er altijd meer
vermakelijks dan ernstigs in gevonden. Alleen Moeder, die heel het
leven van den ernstigen kant bekeek, die nooit eens vroolijk lachte en
ten hoogste eens heel even een’ glimlach liet zien, omdat ze lachen
zonde noemde, had de halve duisternis niet noodig om haar gelaat te
verbergen, en zeide met een’ diepen zucht: „Het heeft mij diep gesmart,
Meester!”
Meester bleef den jongen Pieter aanzien en zonder gelet te hebben op
dat, wat de Moeder zeide, vervolgde hij: „Maar na den nacht van den
negenden Augusti is al mijn wrok tegen u over, mijn jongen! Gij hebt
toen in een enkel oogenblik heel Delftshavens hart en ook het mijne
gestolen. Nu gevoel ik er behoefte aan, o, jongmensch, u te zeggen: bij
de vele vrienden, die gij door uw manhaftig gedrag hier te Delftshaven
verworven hebt, behoor ook ik. Alles is vergeten en vergeven! Ziedaar
mijne hand erop, jeugdige vriend!”
„Van harte gaarne, Meester! Daar is mijne hand!” sprak Pieter nu zonder
lachen, en stak Meester Zegers de rechterhand toe.
Nadat de oude man de hand van den knaap gedrukt had, zeide hij: „En
raadt gijlieden nu eens, wat ik nog meer kom doen?”
Ja, daar was moeielijk naar te raden; dat kon men zoo maar niet weten.
„Welnu,” sprak Meester Zegers, nadat Vader, Moeder en Pieter
vergeefsche pogingen aangewend hadden om de oorzaak van Meesters komst
te weten, „welnu, ik kom vragen of onze Pieter de grimmige wateren van
den woesten Oceaan mag gaan beploegen.”
De beeldspraak voor wat het volk eenvoudig noemt: „het zeegat uit,”
ging wel wat diep, doch Moeder, die door het lezen van den Bijbel en
andere ernstige boeken, zoowel als door het aanhooren van geleerde en
deftige preeken, veel beter dan al de overigen in staat was om achter
de beteekenis van beeldspraak te komen, begreep hem, en bijna ontsteld
riep ze uit: „Maar, Meester! Mijn oudste jongen naar zee? Hij naar
zee!?”
Meester Zegers wist hoe zwart de Watergeuzen bij vrouw Heyn stonden
aangeschreven, en daarom zeide hij terstond op geruststellenden toon:
„Zooals gij zegt, Moeder, naar zee! Maar niet als Watergeus om te
stroopen, te moorden en te branden; neen, als eerlijk matroos ter
koopvaart!”
„Ja, dat is wat anders, maar toch....” zuchtte Moeder.
„Stil, vrouw Heyn, stil,” hervatte Meester. „Ik weet wel, wat ge
eigenlijk wilt! Gij zoudt zoo graag zien, dat Pieter den stiel van uw’
braven Vader leerde en met allerlei gereedschappen het ruwe hout tot
nuttige voorwerpen ging vervormen!”
„Ja, Meester, dat zou ik zeker graag zien. De zee is zulk een
gevaarlijk element, en boven op zolder staan nog al de stukken
gereedschap van mijn’ lieven Vader, zaliger, zonder één roestvlekje
erop!”
Vader Heyn, die er al lang geleden over gedacht had om zijn’ oudsten
jongen, matroos op een zeeschip te laten worden, tikte zijne vrouw even
op den schouder en sprak: „Er zijn nóg drie jongens buiten Pieter,
vrouw!”
„Laat mij met haar redeneeren, vriend Heyn,” sprak Meester, en haalde
een pennemes in een lederen kokertje uit zijn’ zak, en dit bij Moeder
Heyn leggende, vervolgde hij: „Maak van dit pennemes eens eene stoof of
eenig ander voorwerp, Moeder Heyn!”
De Moeder zag Meester vreemd lachend aan en zeide op wel wat spijtigen
en snibbigen toon: „Ik en ben geen tooverkol of heks, Meester, en
bezondigde mij nooit aan de zwarte kunst. Houdt gij me nu voor den mal,
of .... of .... of hoe heb ik het met u?”
„Toch niet, Moeder Heyn, mijne vraag lijkt wel dwaas, maar toch is ze
ernstig gemeend. Er steekt heel geen jokkernij en nog veel minder ars
atracia of zwarte kunst achter. Ik verzoek u alleen om van dit pennemes
eene stoof of zoo iets te maken.”
„Maar, Meester, dat kan immers niet? Men maakt geen hout uit staal!”
„En dat wilt gij toch, vrouwtje!”
„Ik, Meester? Ik?”
„Ja, gij, vrouw Heyn! Gij wilt uit uw’ Pieter een’ timmerman maken.
Maar evenmin, als ge uit een pennemes eene stoof kunt maken, evenmin
maakt ge uit dezen knaap een’ timmerman, of, zooals uw echtgenoot zoude
zeggen: eene „landrot”! De zinnen van dien jongen, vrouw Heyn, staan
nu eenmaal op varen. Houd hem aan den wal, ja, leg hem vast aan nieuwe
touwen, waarmede nog geen’ arbeid verricht is, of bind hem met versche
boogsnaren, die nog niet verdroogd zijn,--als een tweede zoon van
Manoach, als een tweede Simson, zal hij zich losrukken van dezelve, en
naar zee gaan!”
„De banden der liefde, Meester, zijn sterker dan boogsnaren of nieuwe
touwen!” antwoordde Moeder bedaard.
Meester Zegers was getroffen door de schoone woorden, die daar eene
eenvoudige vrouw uit de volksklasse sprak, waar ze zich Moeder
gevoelde. Maar de oude man liet zich niet zoo heel gauw uit het veld
slaan, en vervolgde: „Zeker, Moeder Heyn, de banden der liefde zijn
sterker dan boogsnaren en nieuwe touwen! Met die banden der liefde
zoudt gij hem ook aan den wal binden, maar uw jongen zou vergaan als
sneeuw voor de zon. De landziekte zou hem al zijne krachten ontnemen en
oud en zwak doen worden voor zijn’ tijd!”
„Vrouw, Meester Zegers spreekt als Dominee Jansz.! Zeg er eens wat
tegen, als gij kunt?” riep Vader Heyn opgetogen van ingenomenheid bij
het hooren van woorden, die hem, als het ware, uit het hart gegrepen
waren.
Moeder Heyn zweeg en Meester zag, dat hij overwonnen had, hoewel ze nog
aarzelde, toe te geven. Maar daar kwam opeens de jonge Pieter naar haar
toe en haar om den hals vallende, zei hij: „Och toe, Moedertje, laat
me maar naar zee gaan! Ik zal goed oppassen, Moedertje lief! Ik zal
stellig geen Watergeus worden, maar een eerlijk zeeman blijven.”
„Hebt gij het dan bij ons zoo kwaad, Pieter?” vroeg Moeder snikkend.
„Neen, Moedertje, neen, ik heb het hier niet kwaad; maar ik verlang
naar zee! Och, toe, laat me toch maar gaan! Ik zal inderdaad goed
oppassen, en ik kan hier zoo maar niet in huis meeleven en niemendal
doen. Ik moet den kost toch helpen verdienen.”
„Nu, jongen, als je de zinnen zóó op de zee gezet hebt, ga dan! Ik
zal u niet langer tegenhouden,” sprak Moeder, doch men behoefde geen
toovenaar te zijn om uit de wijze, waarop ze dat zeide, af te leiden,
hoeveel het haar kostte om haar’ oudsten jongen naar zee te laten gaan.
„Gij zijt een braaf, lief, best, goed Moedertje,” riep Pieter en kuste
haar de tranen van de wangen, en zich hierop van haar losmakende, ging
hij naar Meester Zegers en zei: „Heeft u het gehoord, Meester, ik mag,
ja, ik mag! Heerlijk!”
„Zoo, wildzang, vindt gij dat zoo heerlijk? Maar wie het doel wil, moet
ook de middelen willen, die tot dat doel leiden, en .... die middelen
zijn nu juist niet zoo gemakkelijk, vooral niet voor een’ knaap, die
als gij, de schooljaren al achter den rug heeft. Gij hebt echter in uwe
schooljaren al bitter weinig geleerd, Pieter, bitter weinig!”
Onze Piet had een paar brutale kijkers in het hoofd, en er moest heel
wat gebeuren, als hij ze neersloeg. Nu evenwel schenen die kijkers
opeens al hun’ overmoed afgelegd te hebben, want hij sloeg ze neer, en
een hoog schaamrood vloog hem over de verbruinde wangen.
Meester Zegers scheen het niet te zien of wilde het niet zien, en
vervolgde op denzelfden deftigen toon: „Gij hebt den kostbaren tijd van
uwe leerjaren vermorst, en als ik op het zwarte bord de woorden van
mijn’ vriend Valcoogh, schoolmeester tot Barsigherhorn, geschreven had:
„Ghy jonge kynders wilt op mijn leer mercken,
Verlaet rabbouwen ende boose wercken,”
dan staakt gij er den draak mede, o, jongeling!”
Vader knikte met het hoofd en bromde, toen de jonge Pieter nog meer
verlegen werd: „Pieter, mijn jongen, Meester verstaat de kunst om
iemand ongezouten de waarheid te zeggen.”
De waardige schoolmeester scheen dat nu ook niet te hooren, of er geen
aandacht aan te verleenen, en ging op denzelfden preektoon voort: „Een
zeeman, die wat meer wil worden dan matroos, moet wat in het hoofd
hebben. Een, die ter nauwernood lezen en schrijven kan, zooals gij,
Pieter, en die van de stuurmanskunst zooveel weet, als een Heiden van
den Bijbel, gaat, als jong-matroos naar zee, en als hij niet vóór
dien tijd sterft, als oud-matroos het graf in! Weet gij dat wel, o,
jongeling? Verstaat gij mijne tale, jeugdige vriend?”
„Ja, Meester, ik voel wel, wat u zeggen wil,” antwoordde Pieter. „Een
zeeman, die niet meer weet dan ik, komt niet vooruit. Wat hij is, als
hij aan boord komt, dat is hij zestig jaar later nog, als hij het boord
verlaat.”
„Juist, juist,” vervolgde Meester, tevreden, dat Piet hem zoo goed
begrepen had. „Het is nu de vraag, de groote vraag maar, of gij lust
hebt om aan boord heel uw leven lang matroos te blijven, dan wel of ge
vooruitkomen wilt!”
Thans pas scheen de jonge Pieter wat op dreef te komen. De schaamteblos
maakte op de wangen voor jongensvuur plaats, en eenigszins gejaagd kwam
er uit: „Ik zou niet graag op zee altijd de oude knecht blijven. Ik zou
willen vooruitkomen, Meester! En ik zou er mijn best voor doen ook om
wat meer te worden dan matroos. En als ik wil, kan ik wel!”
„Dat is een goed voornemen, jonge vriend, maar, niet ten onrechte
heeft iemand eens gezegd: „Met goede voornemens is de weg naar de hel
geplaveid.” Ik hoop dat voornemens bij u daden zullen worden, en dat
zult ge veel gauwer kunnen bewijzen dan gij denkt. Luister naar het
plan, dat ik gemaakt heb. Ik heb een’ broeder, die schipper is geweest
op een’ Levantvaarder. Hij krijgt nu een nieuw schip, dat over een
paar maanden klaar zal zijn. Dan gaat hij er mede naar Lissabon en
Venetië. Die broeder is een zeer knap zeeman, die de stuurmanskunst
en de zeevaartkunde uitmuntend verstaat. Hij woont te Rotterdam in de
Hoogstraat, en zoo lang, als hij nu nog niet uitgezeild is, gaat gij
iederen dag, behalve op Zon- en feestdagen, des middags om drie uur
naar hem toe, dan zal hij u de stuurmanskunst en zeevaartkunde leeren.
Wilt gij dat?”
Nu was Pieter niet klein meer; nu waren zijne wangen niet schaamrood
meer! Neen, het vuur der blijdschap straalde uit zijne oogen en vol
geestdrift riep hij uit: „Of ik wil, Meester? O, graag, heel graag! U
zal zien, dat ik wil!”
„Best, best, knaap! Maar wij zijn nog niet ten einde! Gij kunt slecht
lezen en schrijven, en dat moet ook niet zoo wezen. Daarom komt gij
iederen morgen tusschen zeven en acht uren bij mij aan huis om ook dat
te leeren. Hebt ge het verstaan?”
„Maar, Meester,” zeide eindelijk de oude Heyn, „wij zijn geen
vermogende lieden. Wij hebben geen penning om al dat onderwijs te
bekostigen!”
[Illustratie: „Wie spreekt er van geld?” (Bladz. 56).]
„Wie spreekt er van geld? Ik immers niet? Mijn broeder doet het om
Godswil en ik ook. Maar als Pieter later opklimt en iemand wordt, die
het betalen kan, dan zal hij aan ons, of, als wij dan niet meer in
leven mochten zijn, aan de armen vergoeden, wat wij aan hem ten koste
gelegd hebben!”
„Nu, als het zóó is, dan heb ik er vrede meê. Dan zal het schip wel in
eene goede haven komen, zooals onze Watergeuzen-hopman Dirk Duivel, een
man van zessen klaar, gewoon was te zeggen, als het hem naar den zin
ging,” zeide Vader Pieter.
Thans scheen Moeder ook uit hare verbazing te bekomen, want opstaande
ging ze naar Meester Zegers en zeide: „Meester, gij slaat wonden, maar
gij heelt ze ook! Hoe komt het toch, dat u zooveel voor onzen Pieter,
die u eens zoo mishandeld heeft, doen wilt?”
„Wel, vrouw Heyn, dat is gauw gezegd. Pieters gedrag bij den
verschrikkelijken brand verdient nog meer loon, dan hij reeds kreeg.
Het eerste loon kreeg hij van den goeden God, die zegenend op hem
nederzag. Het tweede loon ontving hij van zijne Ouders, die vol vreugde
en trots op hun’ oudsten jongen wijzen. Het derde loon kreeg hij in
een dankbaar hart van de lieden, wier huizen en bezittingen hij hielp
beschermen. Het vierde loon vond hij in alle Delftshavenaars, die na
dien tijd met lof van hem spreken. Ik kom hem, omdat mijn hart voor
zulke jongens warm klopt, het vijfde loon brengen, en dat vijfde loon
zal zijn, hem te helpen om in de wereld vooruit te komen. Die begeerte
om hem te beloonen, heeft al lang bij mij bestaan. Toen ik hem daar
zoo zag boven op dat pannendak, te midden van de vlammen, die naar
alle kanten uitsloegen, en hem zelfs de haren zengden, vergaf ik hem
terstond de pijn en de schande, die hij mij eenmaal in eene booze bui
aandeed, en ik besloot al mijne zwakke krachten in te spannen ten einde
hem iets voor zijn’ moed te geven. Ziet ge, daarom en dáárom alleen is
het, dat ik uw’ Pieter helpen wil, opdat er iets meer uit hem groeie
dan een simpel matroos. En nu ik mijne boodschap gedaan heb, en alles
naar genoegen is afgeloopen, zoo wensch ik u allen een’ goeden avond en
wel te rusten! Pieter, morgenochtend om zeven uren in de Groenendaal,
hoort ge?”
Zoodra Meester Zegers vertrokken was, raakten alle banden der tongen
los. Wat al gepraat en gesnap! Men zou dit; men zou dat; men wilde
hier; men wilde daar! Ieder had wat te zeggen en Pieter wel het meest.
Alleen Moeder zweeg en dacht stil voor zichzelve na, terwijl Vader
vergenoegd de handen wreef en maar ieder oogenblik mompelde: „Ja, ja,
het is waarheid: Het muist graag, wat van katten komt.”