Het eiland Soeloe.
Wij maakten ons gereed, het eiland Luçon te verlaten; maar hadden
nog de gelegenheid om vóór ons vertrek van Albay een feest bij te
wonen, waarvan het mij aangenaam is, mijne lezers getuigen te kunnen
doen zijn. De nieuwe _gobernadorcillo_, een rijke Bicol, wilde de
aanvaarding van zijn ambt inwijden met een schitterend feest, en had
daartoe een zondag uitgekozen, aan eene te Albay zeer geliefde heilige
gewijd. Sedert ruim een maand hield men zich met de toebereidselen
onledig: er zal door de jongelieden der stad een groot drama in
verzen worden vertoond, en ook aan verdere feestelijkheden zal het
niet ontbreken. Reeds des morgens vroeg worden wij gewekt door het
luiden der klokken, door muziek en het afschieten van zwermen; maar
de eigenlijke pret zou toch eerst 's avonds beginnen.
Des avonds dan werd er eerst een prachtig vuurwerk afgestoken; en toen
veranderde de pueblo geheel van voorkomen. De nieuwe gobernadorcillo
weet, voorwaar! hoe het hoort. Alle huizen zijn geïllumineerd; op
de hoeken der voornaamste straten, op de drukste punten verrijzen
triomfbogen, paleizen, obelisken van bamboe, van onder tot boven met
lampions bedekt en eene zee van licht uitstralende; de dicht belommerde
lanen prijken met eene dubbele rij van bontgekleurde lantarens. Bij
het schijnsel dezer fantastische, tooverachtige verlichting ziet men
van alle kanten, te voet, te paard of op buffels gezeten, de lieden
uit den omtrek toestroomen, die zich haasten om bij de vertooning
van het groote en hartroerende drama tegenwoordig te zijn.
De menigte staat dicht opeen gepakt, op een ruim veld, tegenover
het tooneel. Het theater zelf, in acht dagen opgeslagen, heeft
alleen ruimte voor de notabelen van den pueblo, die in twee loges
plaats moeten vinden. De autoriteiten zitten op het tooneel zelf,
evenals de groote heeren aan het hof van Lodewijk XIII in het hotel
van Bourgogne. Het orkest, dat wil zeggen, het trompetterskorps van
Albay, plaatst zich evenzeer op het tooneel, en blaast er dapper op
los, hoewel de muziekanten reeds sedert den vroegen morgen aan het
toeteren zijn.--De handeling, die zich voor onze oogen ontrolt, is
uiterst ingewikkeld; daarentegen is de tooneeltoestel vooral niet
minder eenvoudig dan in de dagen van Shakespeare. Naar men zegt,
werd toen aan het hof van Elisabeth de plaats van de tegenwoordige
coulissen ingenomen door een eenvoudig bordje, waarop stond vermeld
wat het tooneel moest voorstellen; en de verbeelding der toeschouwers
was levendig genoeg, om met deze aanwijzing tevreden te zijn. Hier
ontbreekt ook dit bordje: de spelers zelven helpen ons op den weg. Bij
het optreden roepen zij, bij voorbeeld: "Hoe akelig eenzaam is het
hier!"--of wel: "Ik breng sidderend Uwer Majesteit mijn groet!"--en
men zou al zeer stompzinnig of zeer onwelwillend moeten zijn, om
niet te begrijpen, dat wij ons dan in eene woestijn of wel aan het
hof bevinden. Op den achtergrond is het tooneel door een gordijn
afgesloten, en daarboven bevindt zich eene soort van estrade,
die nu eens als tribune, dan weer als troon, straks als bruidskamer
dienst doet; een ladder, die naar het dak voert, verbeeldt de bergen,
waarbij ge u verder de duistere afgronden kunt denken waarin geweldige
monsters huizen.
Juist toen wij binnentraden was de Prinses van Constantinopel, na
allerlei lotgevallen en verwikkelingen, aan het hof van haar vader
ontvoerd door een herder, die tevens een machtig toovenaar is, en die
de prinses naar ontoegankelijke bergtoppen heeft overgebracht, waar
zij door een leeuw en een slang van bordpapier wordt bewaakt. Toen
wij ons op het tooneel nederzetten, was de vader van de prinses, door
zijn gansche hof omgeven, bezig, op bitteren toon, zijn ongeluk te
bejammeren. Hij hield even op, om den gouverneur, die met ons mede
gekomen was, te groeten, terwijl de muziek het spaansche volkslied
aanhief, door de menigte luide toegejuicht.--Na dit incident ging de
vader weer voort. De ongelukkige monarch beveelt zijn hovelingen,
de jonge prinses te gaan opzoeken. Juist toen zij gaan vertrekken,
verschijnt een gezantschap van Moros, die ook mede willen gaan om de
prinses te zoeken; men beleedigt elkander: het komt tot scheldwoorden
en uitdagingen: de gezanten en de hovelingen vechten, al dansende,
met de sabel in de vuist. De dames van het hof grijpen ook naar
sabels, en er volgt een algemeen ballet. Bij herhaling komen, in den
loop van het stuk, Moros, dames en hovelingen aldus met elkander in
aanraking, en hunne samenspraak eindigt geregeld met zulk een ballet
of _moros-moros_, waaraan zelfs al deze stukken hun naam ontleenen.
Het valt mij niet gemakkelijk, den gang van het drama te volgen; maar
hier hebben wij het hoofdmoment, het tooneel dat pakt. De prinses
van Constantinopel heeft, ondanks al zijne listen en bedreigingen,
aan den snooden herder-toovenaar weerstand geboden; en terwijl hij
ergens elders vertoeft, zal zij, door hare deugd, die sterker is
dan al zijne bezweringen, ook wonderen doen. De prinses daalt langs
den ladder op het tooneel af, dat nu eene akelige woestijn moet
verbeelden, gevolgd door den leeuw en de slang, die niet vriendelijk
jegens haar gezind zijn; maar het bevallige jonge meisje voert zulk
een gracieusen dans uit en tikt daarbij de beide monsters met haar
staf zoo aardig op den neus, dat leeuw en slang geheel hun roeping
vergeten, de voeten der prinses komen lekken en zich tot haar slaven
verklaren. Nu verschijnt de dappere prins van Toskane, die smoorlijk
op de prinses verliefd is, en wien het eindelijk gelukt is haar spoor
te ontdekken. Het publiek, geheel betooverd, houdt den adem in, om
toch maar geen woord van de samenspraak te verliezen. De prins heeft
een groot gebrek: hij is een _moro_, dat wil zeggen een ongeloovige,
en de prinses is ijverig katholiek; zij moet dus zorgen, dat de
dappere ridder niet bespeurt, welken gunstigen indruk hij op haar
maakt en hoezeer zij zijn heldenmoed bewondert. De prins houdt aan;
hij werpt zich op de knieën en smeekt om de gunst der prinses. Deze is
half overwonnen. "Misschien," zegt zij, "zou ik naar uwe verleidelijke
woorden luisteren; maar zoo lang gij geen afstand hebt gedaan van uw
vervloekt ongeloof, hebt gij van mij geene liefde te hopen!"
Het publiek kan zijn geestdrift niet langer bedwingen, maar uit
zijne bewondering en ingenomenheid door op de maat te fluiten.
Het stuk eindigt met de bekeering van den prins van Toskane en zijn
huwelijk met de prinses.--Het is middernacht, en deze eerste feestdag
zal, als naar gewoonte, besloten worden met eene _catapusan_,
een woord, dat in het dialekt der Bicols, zoowel slot als bal
beteekent. Maar heden avond zullen er minstens een half dozijn bals
gegeven worden bij den gobernadorcillo en de voornaamste _cabezas_
van den pueblo. Dans en spel zullen tot laat in den nacht voortduren;
vooral het noodlottig spel, dat zoo vaak tot ongeregeldheden en
ongelukken aanleiding geeft, en dat dan ook de eenige keerzijde is
van dit recht prettige feest, waaraan de gansche bevolking met de
grootste opgewondenheid deel nam, en waarbij toch niets voorviel,
dat de tusschenkomst der overheid noodig maakte.
Den zes-en-twintigsten October waren wij weder te Manilla. Den
vijfden November gingen wij aan boord van de _Pasig_, die ons naar
het zuiden moet brengen. Wij hadden op deze vaart met ruw weer
en tegenwind te worstelen, waardoor onze reis niet onbelangrijke
vertraging ondervond. Eerst den vijftienden November, des avonds
ten zes uren, worpen wij het anker uit op de reede van de kleine,
eerst voor korten tijd gestichte spaansche stad op de noordwestkust
van het eiland Soeloe.
Soeloe, als centrum van den handel van belang, heeft niet minder
beteekenis uit een politiek en vooral uit een godsdienstig oogpunt:
men zou het in zekeren zin het Mekka van het uiterste Oosten kunnen
noemen. Het sultanaat van Soeloe is een der oudste mohammedaansche
staten in het noordelijk gedeelte van den Maleischen archipel;
ondanks veelvuldigen strijd, gevaren van allerlei aard en vaak
dreigenden ondergang, heeft dit rijk zich tot heden weten staande te
houden. De staatsinrichting is tegenwoordig nog dezelfde als vroeger;
het eigenlijke gezag is in handen eener oligarchie van _dalos_
(feodale baronnen), boven wie de sultan staat, wiens macht over de
vasallen, naar omstandigheden, meer of minder groot is. De eilanders
leggen zich op handel, maar vooral niet minder op zeerooverij toe:
welk laatste bedrijf hen herhaaldelijk in botsing bracht hetzij
met de Spanjaarden, hetzij met de Hollanders. Zeeroovers in merg
en been, bezochten deze eilanders telkens en telkens de kusten der
Bisayas-eilanden, verwoestten de pueblos en voerden de inlanders als
slaven weg. Nog niet lang geleden, had professor Semper, die zich
in het noordoosten van Mindanao bevond, het slechts aan een gelukkig
toeval te danken, dat hij niet door de zeeroovers werd opgelicht.
Herhaalde malen had Spanje expedities naar Soeloe gezonden; bijna
altijd keerden zij terug, na een aantal gevangenen te hebben bevrijd,
den vijand verslagen en den sultan gedwongen, een traktaat van
vrede en vriendschap te onderteekenen. Als hunne dorpen in brand
waren gestoken en hunne prauwen vernield, waren de datos, onder de
bedreiging der spaansche kanonnen, steeds gereed aan de eischen van
den overwinnaar toe te geven en onder eede alles te beloven wat van
hen gevraagd werd. Maar traktaten, beloften en eeden werden aanstonds
weer geschonden, zoodra het gevaar geweken was. In deze met klippen en
riffen bezaaide zeeën, waarvan nog geene goede kaarten bestaan, en waar
de europeesche kruisers in hunne bewegingen belemmerd worden door de
regelmatige passaatwinden, hebben de lichte prauwen, die zich zoowel
van zeilen als van roeiriemen bedienen, een groot voordeel. Zoodra de
Spanjaarden vertrokken waren, begon de zeerooverij op nieuw, met al den
ijver van eene industrie, die geleden verliezen moet trachten in te
halen. De sultans schenen, reeds sedert eenigen tijd, de meerderheid
van Spanje te gevoelen en te beseffen aan welke gevaren dit handhaven
van den zeeroof hen en het land blootstelde. Vermoedelijk zouden zij,
hadde het in hun macht gestaan, de bezworen traktaten getrouwer zijn
nagekomen: maar het stond juist niet in hunne macht. Hun gezag strekte
niet veel verder, dan de heffing van een derde van den buit door
hunne onderdanen behaald, eene schatting, waaraan allen zich zonder
tegenspraak onderwierpen; het was hun evenwel onmogelijk, de talrijke
schaar van datos op de honderd-vijftig eilanden en eilandjes, tot het
sultanaat behoorende, behoorlijk in bedwang te houden; bovendien rustte
het gezag van den sultan in de eerste plaats op de godsdienst, en het
voegde hem, als hoofd van een mohammedaanschen staat, al zeer slecht,
de rol op zich te nemen van beschermer der katholieke bevolking van
de Philippijnen. Deze geduchte alleenheerschers moesten metterdaad
buigen voor den wil van hunne vasallen; zij waren wel genoodzaakt,
de voortdurende geweldenarijen en plundertochten van de oppermachtige
datos door de vingers te zien, al konden zij zich ook niet ontveinzen,
welke daarvan in het eind de noodlottige gevolgen moesten zijn.
Den negen-en-twintigsten Februari 1876 verscheen het spaansche leger,
dat zeven dagen te voren bij Paticolo was ontscheept, voor de wallen
van Tianggi. Het eskader lag op de reede. Des avonds wapperde de
spaansche vlag op de veroverde bolwerken, en werd de stad, door haar
verdedigers verlaten, aan de vlammen prijs gegeven.
Van deze oude stad, die door het bombardement werd vernield, is
tegenwoordig geen spoor meer over. De spaansche genie-officieren
hebben de heuvelen achter de oude stad gedeeltelijk afgegraven,
daarmede de moerassen en poelen gedempt, en door aanplemping van een
gedeelte der zee een terrein gewonnen, waarop zich aan den voet van
boschrijke bergen ter hoogte van zeven- tot achthonderd el, de nieuwe
stad verheft, die nog wel klein is, maar toch neiging toont om zich
uit te breiden.
Al deze werken van de genie werden door inlandsche veroordeelden
uitgevoerd, die tot drie kategoriën behooren: de veroordeelde
militairen, die strafkompagnieën vormen en militaire dienst verrichten,
terwijl zij tevens gebruikt worden voor verschillende werken; de
_deportados_, die krachtens maatregelen van het administratief gezag
hunne vrijheid verloren hebben; en de _presidiarios_, de eigenlijke
galeiboeven of kettinggangers.
Het garnizoen is ongeveer vijfhonderd man sterk en bestaat uit
inlandsche genie- en infanteriesoldaten; de officieren zijn bijna
zonder uitzondering Spanjaarden.
Toen wij te Soeloe aan land stapten, was het gansch niet gemakkelijk,
in de nog zoo jeugdige stad, die nog in de eerste periode harer
ontwikkeling verkeerde, een onderkomen te vinden. Eindelijk gelukte
dit toch, dank zij de welwillende tusschenkomst van den kolonel don
Lopez Ventura Nuño, waarnemend gouverneur, en de eerwaarde paters
Frederico Vila en Juan Carreras, aalmoezeniers van het garnizoen. De
half bebouwde straten zijn buitengewoon druk en levendig; de winkels
van de chineesche kooplui zijn opgevuld met nieuwsgierigen, die komen
hooren of er ook tijdingen zijn; en bij elken voetstap ontmoet men
schildwachten met geladen geweren.
Men verwacht de _juramentados_.
De sultan van Soeloe heeft het spaansche protektoraat erkend;
misschien geeft hij wel aan het rustige en gemakkelijke leven, dat
hij thans geniet, de voorkeur boven eene souvereiniteit, die niet
veel meer dan in naam bestond en hem telkens werd betwist. Maar de
datos, die daardoor vrij wat meer in hunne belangen worden gekrenkt,
kunnen bezwaarlijk vrede hebben met een gezag, dat een einde maakte
aan de zeerooverij en hen daardoor van een zeer voornaam deel hunner
inkomsten beroofde. Hunne ontevredenheid en hun verzet vindt een
machtigen steun bij de _panditas_, (mohammedaansche priesters),
die natuurlijk de verklaarde vijanden zijn van Spanje en van de
katholieke missionarissen. De datos kunnen dus niet besluiten, zich
aan het spaansche oppergezag te onderwerpen, en zij ontzien geen
middel om daartegen in verzet te komen. Zij kunnen daarbij rekenen op
hunne onderhoorigen, onrustig en krijgshaftig van aard, en daarbij van
alle tijden gewoon, onvoorwaardelijk aan de bevelen hunner hoofden te
gehoorzamen. De oude wetten van Soeloe begunstigen daarenboven zeer de
aanwerving van mannen, die tot alles bereid zijn. Volgens de wet toch
behoort de schuldenaar, die niet aan zijne verplichtingen voldoen
kan, met zijne geheele familie, als slaaf aan den schuldeischer;
en de zorgelooze onnadenkendheid van deze Maleiers is zoo groot,
dat het niet veel moeite kost, hen schulden te laten aangaan, die
zij nimmer zullen kunnen afbetalen. De ongelukkige schuldenaar is
nu zijne vrijheid kwijt; zijne familie kan, zoo de meester dat wil,
wijd en zijd verstrooid worden. Dikwijls wordt hem dan de gelegenheid
geboden, om zijne familie los te koopen, door, met opoffering meestal
van zijn eigen leven, zoo veel Christenen te dooden als hij kan. De
schuldenaar neemt dat aanbod aan; hij verbindt zich bij plechtigen eed,
en wordt nu _sabil_ of _juramentado_.
De juramentados weten zeer goed, dat ook als het hun gelukt, bij
verrassing in de spaansche stad door te dringen, alle kans op een
veiligen terugtocht voor hen verloren is. Er bevinden zich altijd op
de reede eenige adviesjachten en kanonneerbooten; en op het eerste
sein, begeeft zich de bemanning naar den wal. Aan de landzijde wordt
de toegang verdedigd door een toren en twee forten, die eene hooge
en stevige palissade bestrijken, waarvan de zeer weinige poorten
zorgvuldig worden bewaakt; bovendien zijn nog langs de palissade,
op twintig schreden afstands van elkander, groote schilderhuizen
geplaatst, waarin vier soldaten met geladen geweren de wacht houden.
Iedere juramentado, die den aanval waagt, gaat dus een wissen dood
te gemoet; en misschien is er meer dan een onder hen, die over zijne
onvoorzichtige belofte spijt gevoelt en zich gaarne zou terugtrekken,
maar men heeft dit geval voorzien en zijne maatregelen genomen. Zoodra
men een zeker aantal van deze ongelukkigen bij elkaar heeft, worden
zij aan de leiding toevertrouwd van ervaren panditas, die hen op
geregelde tijden laten vasten, met hen strooptochten door de bosschen
ondernemen en ter bedevaart trekken naar de graven der gesneuvelde
juramentados, om daar te bidden. De aldus gewekte geestdrift wordt nog
meer aangevuurd door lange predikatiën bij het betooverend maanlicht,
en hartstochtelijke, wegsleepende schilderingen van de genietingen
van het mohammedaansche paradijs. Is dan ten slotte de vereischte
graad van opwinding en razernij verkregen, dan wordt tot den aanval
op de spaansche stad besloten.
Zulk een komplot, waarbij zoo veler belangen betrokken zijn en dat
zoo lange voorbereiding vordert, kan onmogelijk geheim blijven: de
geldzucht, somwijlen nog machtiger dan het fanatisme, ontboeit steeds
veler tong. De gouverneur van Soeloe is bijna altijd gewaarschuwd
voor het dreigende gevaar; alleen kan men hem niet met juistheid
zeggen, wanneer de aanval zal plaats hebben, want dat weten de
juramentados zelven niet. Toen wij te Soeloe kwamen, werd juist zulk
een aanval verwacht. Een mijner buren, een dappere kapitein, die reeds
herhaaldelijk met de juramentados in aanraking was geweest, deelde
mij dit een en ander mede, en voegde er de waarschuwing bij, dat wij
op onze hoede moesten zijn. "Ga niet op straat zonder een revolver,
zeide hij tot mij; en waag u vooral niet buiten de palissade."
Inmiddels gingen er eenige dagen voorbij, zonder dat er iets gebeurde,
en reeds begon ik te gelooven dat men zich zonder reden ongerust
had gemaakt. Maar in den morgen van den drie-en-twintigsten November,
toen ik mij op de markt bevond, hoorde ik eenige geweerschoten, gevolgd
door verwarde kreten; toen werd het weer stil. In een oogenblik was de
markt geheel ledig; ik stond alleen op het verlaten plein, op korten
afstand van twee schildwachten, die hun geweer laadden. Op het eigen
oogenblik snelt eene vrouw aan, gevolgd door een onbeschrijfelijk
smerigen inlander, wiens gelaat bijna vaal groen is, en die een
kris in de hand houdt, druipende van bloed. De vrouw schreeuwt: _los
juramentados!_ en loopt mij in dolle vaart omver; twee geweerschoten
knallen boven mijn hoofd; ik richt mij op en zie den juramentado,
in de borst getroffen, vallen, maar aanstonds weer opstaan en met
opgeheven kris op de schildwachten losstormen; de eene soldaat stoot
hem zijne bajonet in de borst; nog wendt hij wanhopige pogingen
aan om zijn vijand te treffen, tot eindelijk de andere soldaat den
razende neerschiet.
Van alle kanten knallen geweerschoten; in de voornaamste straat zie
ik eenige mannen in een grooten bloedplas liggen; midden op den
weg gaan drie juramentados, met opgeheven kris en onverschrokken
doodsverachting, een peloton soldaten te gemoet. De geweren worden
aangelegd; en als de rook wegtrekt, liggen daar de drie juramentados
naast elkander voorover op den grond. Eindelijk zijn wij van onze
aanvallers verlost.
Ik wist wat mij als geneesheer te doen stond. Wij spoeden ons naar
het hospitaal, en ontmoeten onderweg den gouverneur, den dapperen
kolonel don Ventura Lopez Nuño, kalm en ernstig, hoewel zijn donkere
oogen flikkeren van toorn. In het hospitaal vinden wij werk genoeg. De
juramentados hebben, aan dooden en gewonden, vijftien slachtoffers
gemaakt. En welke wonden! Hier is een lijk, waarvan het hoofd is
afgehouwen; dat daar is bijna in twee stukken gekloofd. De eerste
gewonde, dien ik in behandeling neem, is een soldaat van het derde
regiment, die de wacht had bij de poort, waardoor de aanvallers zijn
binnengedrongen. Zijn linkerarm is op drie plaatsen gebroken; zijn
schouder en borst zijn letterlijk gekerfd. Terwijl ik hem verbind,
verhaalt hij mij hoe de aanval begon. De aan de schildwachten gegeven
bevelen werden nauwkeurig opgevolgd. Ieder Soeloenees, man of vrouw,
die de poort wilde doorgaan, werd onderzocht en aangehouden, wanneer
men eenig wapen bij hem vond. De juramentados, ten getale van elf,
hadden zich in drie groepen verdeeld, die elkander op weinige
schreden afstands volgden; zij droegen bossen rijst en _cañas_
(uitgeholde stukken bamboe om water mede te putten), waarin zij hunne
wapens verborgen hadden. Twee hunner kwamen eerst aan de poort;
op het oogenblik toen de schildwachten zich bukten om de cañas te
onderzoeken, trokken al de juramentados te gelijk hunne krissen: een
der schildwachten werd dadelijk overhoop gestoken; zijn kameraad, hoe
ook gewond, heeft nog de noodige kracht om zijn geweer af te schieten;
hij doodt een der aanvallers, maar de anderen stormen over hem heen, en
verspreiden zich in de stad, die geen hunner meer levend zou verlaten.
Den volgenden dag was men weer van den schrik bekomen. Te Soeloe is
men aan dergelijke verrassingen tamelijk gewend; en bovendien kan
men er nu zeker van zijn, dat vooreerst de aanval niet zal worden
herhaald. Wij kunnen dus onze onderzoekingen hervatten, en doen
telkens grootere uitstapjes in het binnenland en langs de kust.
Overal vind ik sporen van den oorlog: verwoeste woningen, plantages en
tuinen, die weer tot een wildernis waren geworden. Somwijlen wierpen
enkele inlanders, voormalige zeeroovers, nu gedwongen den grond te
bebouwen, mij alles behalve vriendelijke blikken toe. Maar ik was
op mijne hoede en altijd goed gewapend.--Op zekeren dag, vermoeid
van mijn vruchteloos zoeken naar kruiden en van de gloeiende hitte,
zet ik mij neder in de schaduw van een reusachtigen mangoustan,
op de grens van eene plantage. Twee inlanders zijn op hun uiterste
gemak bezig met het omspitten van den grond; ik roep hen, laat hun
een handvol klein geld zien, en noodig hen uit, voor mij een of ander
insekt of kruipend gedierte op te zoeken. Zij kijken mij met een half
verachtelijken glimlach aan; daarop vat een hunner mij bij de hand,
legt den vinger op den mond, en brengt mij bij een koffiestruik. Goed
ziende bespeur ik eene prachtige lansslang (_Tropidoloemus Hombroni_),
haar groene kleur maakt haar bijna onzichtbaar tusschen het gebladerte,
maar haar oogen vonkelen als robijnen.
"Pak haar aan", zeg ik tot den Soeloenees, die in plaats daarvan
achteruit springt. Er is geen tijd te verliezen: met mijn stok werp ik
de slang op den grond en daarna weer vijftien voet hoog in de lucht;
als zij weer op den grond valt, zet ik, eer het verblufte dier tot zich
zelf is gekomen, mijn stok op haar nek en houd dien met mijn voet vast,
zoodat de slang haar kop niet bewegen kan. Het valt nu gemakkelijk
haar met een touwtje aan een stok vast te binden, waarna zij levend
op sterk water zal worden gezet: alleen op die wijze behoudt zij ook
na den dood haar fraaie kleuren.
Blijkbaar heb ik door deze vangst de achting van den Soeloenees
gewonnen. Hij brengt mij naar zijne hut, die ruim en zeer goed
onderhouden is; hij is een der weinige grondbezitters, die, hoewel
niet tot de kaste der datos behoorende, toch niet door den oorlog
en de onderdrukking der zeerooverij te gronde is gericht. Ik vind
in zijne woning eene gansche kolonie: oude lieden, zuigelingen,
een aantal slaven van allerlei leeftijd, benevens eene menigte
vrouwen. Al deze lieden zijn meer dan half naakt. Op Soeloe, zooals
trouwens in alle mohammedaansche landen van den archipel, wordt met de
voorschriften van den Koran zeer vrij omgesprongen; het klimaat maakt
hier bovendien het dragen van dichte sluiers, die het gelaat omhullen,
onmogelijk. Als in de spaansche stad mohammedaansche vrouwen een
Europeaan ontmoeten, maken zij eene beweging als wilden zij met haar
sjerp het gelaat bedekken; maar in de hutten blijft ook die beweging
achterwege, en wordt bijna alle kleeding afgelegd.--Mijn gastheer
stelt mij zijn gezin voor, en laat mij zijne woning bewonderen. Zijne
hut vormt eigenlijk slechts een groot vertrek, dat door een soort
van beschot in twee ongelijke helften is verdeeld; kleine koffers,
waarin elke Soeloenees zijne fortuin bewaart, wijzen de plaats aan,
waar ieder zich des nachts te rusten legt. Het meubilair bestaat verder
uit eenige gongs, eenige vazen en potten van chineesch porcelein,
een aantal lansen en krissen van allerlei vorm, en een oud verroest
vuursteengeweer, dat zeker voor niemand gevaarlijker zou zijn dan
voor hem, die het zou willen gebruiken.
Er worden vruchten gehaald; zoowel mannen als vrouwen schijnen
bijzonderen smaak te hebben in de kokosmelk, sterk vermengd met rhum,
dien ik in eene flesch bij mij droeg. De huisheer vooral was blijkbaar
op dien drank verzot, en ontzag zich niet, mijn voorraad duchtig
aan te spreken. Het gesprek wordt levendig en algemeen; op den grond
neergehurkt of op eene ruime estrade van bamboe neergevlijd, nemen
meesters en slaven daaraan gelijkelijk deel. Trouwens tusschen hen
heerscht eene groote mate van gemeenzaamheid. Men moet billijk zijn,
zelfs tegenover zeeroovers: noch de Soeloeneezen, noch de andere
mohammedaansche Maleiers van de Philippijnen, noch zelfs de wilde
rassen op de eilanden van den archipel, hebben ooit hunne slaven zoo
stelselmatig geëxploiteerd of met zoo verfijnde wreedheid behandeld,
als bij voorbeeld de christelijke Yankees. Over het algemeen worden de
slaven op Soeloe behoorlijk gevoed, en behoeven zij geen al te zwaren
arbeid te verrichten, althans wanneer zij niet gebruikt worden voor
de parelvisscherij; straffen zijn zeldzaam en missen die wreedheid,
die men anders bij deze volksstammen zoo dikwerf aantreft. Doorgaans
is het den slaaf, na eenigen tijd, vergund te huwen en een gezin te
grondvesten.--Maar wee het gezin van den vrijen Soeloenees, die door
zijne schulden tot slavernij vervalt; wee de gezinnen van zijne slaven;
wee het gezin van den voortvluchtigen slaaf! In al deze gevallen is
de wet onverbiddelijk: de vrouwen en kinderen, welke ook hun leeftijd
moge zijn, worden door den schuldeischer of den beleedigden meester
verkocht, en het gezin reddeloos vernietigd. Daarom aarzelen zoo
vele christelijke gevangenen van de Philippijnen om te vluchten en
bescherming te zoeken bij de Spanjaarden, wier vlag zich overal in
de wateren van Soeloe vertoont.
Wij mochten niet verzuimen, een bezoek af te leggen bij den
sultan. Mohammed Yamaloel Alam heeft thans zijne residentie gevestigd
te Maïbun, een groot dorp aan de zuidkust van het eiland. Ik heb hem
een brief in de maleische taal geschreven; maar de dagen verloopen,
en ik krijg geen antwoord.
Een duitsch planter, de heer Schuck, die zeer met den sultan bevriend
is, biedt zich aan, om mij aan den vorst voor te stellen. Reeds voor
de bezetting van het eiland door de Spanjaarden, was de heer Schuck
dikwijls in betrekking geweest met de Soeloeneezen; het is dan ook
algemeen bekend dat hij geen _Castila_ (Spanjaard) is, hetgeen voor
zijne veiligheid en voor het welslagen zijner landbouwonderneming van
groot gewicht is. Hij is volkomen bereid nu te onzen gunste gebruik
te maken van zijn invloed en zijn gezag bij de Soeloeneezen, en heeft
zich daardoor alleszins aanspraak op onzen dank verworven.
Er was overeengekomen dat wij den heer Schuck zouden afhalen, om
dan met hem naar Maïbun te gaan. Toen wij bij zijne woning kwamen,
herkenden wij die niet meer: zij was geheel veranderd. De galerijen
en trappen, die naar de veranda voerden, zijn verdwenen; de woning
is omringd door eene stevige heining van palen en rotang. Den
vorigen nacht had eene bende stroopers onverwacht een aanval op
de hacienda gedaan; de heer Schuck, door het gerucht ontwaakt,
had een der aanvallers, die reeds in zijne kamer was doorgedrongen,
overhoop gestoken, en vervolgens in allerijl de deuren en vensters
gebarrikadeerd. De woning werd nu formeel belegerd; men wierp brandende
pijlen op het dak van nipa; maar door eene hevige onweersbui, van
stortregen vergezeld, was dit dak gelukkig zoo nat geworden dat het
geen vuur vatte. De heer Schuck schoot op goed geluk, bij het licht
der bliksemstralen. Eindelijk, bij het aanbreken van den dag, trokken
de aanvallers af, drie dooden en een gewonde achterlatende. Over het
lot van dezen laatste zal de sultan uitspraak doen.
De weg, die het eiland van het noorden naar het zuiden, van de
spaansche nederzetting tot Maïbun, doorsnijdt, biedt nergens ernstige
moeilijkheden aan; men bemerkt zelfs duidelijk, dat hij voor den
oorlog, toen er op het eiland slaven in overvloed waren, zeer goed
moet zijn geweest; tegenwoordig moet men de beken doorwaden, want de
boomstammen, die weleer als bruggen dienden, zijn vergaan. De weg
loopt eerst door een woud, tusschen de bergen But-Dato en But-Tulah
aan de eene, en den Tuman-Tangis aan de andere zijde; dan loopt de
weg met kleine krommingen langs de flauw glooiende berghellingen,
die naar het zuiden afdalen. Op dien geheelen tocht ziet men niets dan
eenige verwoeste en verlaten hutten, in de schaduw van kokospalmen en
mangoustans, waarin groote troepen apen springen en dartelen. Eerst
in de onmiddellijke nabijheid van Maïbun vindt men eenige ellendige
hutten, die bewoond zijn.
Na opnieuw eene beek te hebben doorwaad, komen wij in een groot
weiland, waar wij met geregelde tusschenpoozen geweerschoten hooren
knallen. Wij bevinden ons op het schietterrein van den sultan, die
steeds zijn namiddagen doorbrengt met het kijken naar schijfschieten;
het paleis, een uitgestrekt, maar uiterst landelijk gebouw, van bamboe
en riet opgetrokken, verrijst tegenover ons; ter linkerhand wordt het
weiland begrensd door eene diepe beek; aan de overzijde van die beek
ligt het dorp Maïbun, dat zich tot aan de zee uitstrekt. Wij stijgen
van onze paarden en begeven ons naar Mohammed Yamaloel Alam. De sultan,
door zijne hovelingen omringd, zit in een prachtigen leuningstoel,
onder eene vrij armzalige kiosk van nipa. Naast hem staat zijn zoon,
Brahamuddin, die er verstandig en slim uitziet. De sultan en de prins
zijn beiden op het rijkst uitgedost in prachtgewaden van chineesch
satijn; hunne krissen en ringen schitteren van edelgesteenten. De
heeren van het hof zijn veel eenvoudiger gekleed; maar hunne krissen,
waarvan de fijn geciseleerde greep met paarlen, diamanten en robijnen
is versierd, zijn niet minder prachtig. Deze heeren zagen ons met niet
zeer vriendelijke blikken aan; de sultan bewaart eene kalme waardigheid
en beantwoordt welwillend onzen groet; op zijn bevel worden stoelen
voor ons gebracht; wij zetten ons neder en de hovelingen gaan voort
met schieten.
De sultan zelf schiet nooit: hij beoordeelt alleen het schot der
anderen. Men gebruikt oude geweren, van Borneo afkomstig, zeer rijk
versierd en vreeselijk zwaar, en die bovendien in niet al te besten
staat verkeeren. Twee slaven laden de geweren en leggen die vervolgens
op een soort van vorken, die in den grond gestoken worden. Ik knoop een
gesprek aan met den sultan, die zeer goed maleisch spreekt, en zich in
die taal met gemak en sierlijkheid uitdrukt. Hij verontschuldigt zich,
dat hij wegens ongesteldheid niet op mijnen brief heeft geantwoord;
de ware reden is, dat hij dien brief niet heeft kunnen lezen, want
ik had, volgens maleisch gebruik, zonder accenten geschreven: de
arabische letters, waarvan de Soeloeneezen zich bedienen, vereischen
echter noodwendig accenten, die de Maleiers nooit gebruiken.
De avond valt, en de sultan keert naar het paleis terug, waarheen
hij ons uitnoodigt hem te volgen.
De buitengewoon groote hut, die den weidschen naam van paleis
draagt, rust, als alle woningen op deze eilanden, op palen, waaraan
buffels en paarden zijn vastgebonden, die in een stinkenden mestpoel
staan. Men klimt langs een ladder naar het paleis; gaat dan een soort
van vestibule door, en treedt vervolgens de audiëntiezaal binnen,
die de geheele lengte en de halve breedte van het gebouw inneemt. Ter
linkerzijde wordt deze zaal van den harem gescheiden door gordijnen en
eene breede estrade van bamboe; rechts loopt langs den wand eene bank,
waarvoor de slaven neerhurken en ook alle Soeloeneezen, die wenschen
binnen te treden: want op dit uur staat het paleis voor ieder open,
en kan ieder, slaven zoowel als vrijen, voor den sultan verschijnen
en hem zijne belangen voordragen.
De plankenvloer is doorzichtig; het ameublement schittert door zijne
afwezigheid; langs de wanden hangen eenige gongs; ettelijke bougies,
op glazen kandelaars geplaatst, verspreiden een vrij voldoend licht. Op
den achtergrond, onder een troonhemel van veelkleurig katoen, staat
de troon, of liever bevindt zich de estrade, waarop de sultan plaats
neemt; hij zit op turksche wijze en leunt tegen prachtig geborduurde
kussens. De vermoedelijke troonopvolger zet zich nevens hem; een weinig
meer achterwaarts zit een _hadji,_ een pandita uit Afghanistan, die,
na velerlei lotgevallen, eindelijk aan het hof van Soeloe is terecht
gekomen; hij is de vertrouwde raadsman van den sultan. De datos staan
in de nabijheid van den troon, de rechterhand geleund op den greep
van hun kris.
Men brengt voor ons leuningstoelen en eene tafel; men presenteert ons
eerst zeer slechte chocolade, en kort daarna verschillende gerechten
met fijne, maar brandend heete sausen en specerijen toebereid.
De etiquette van het hof is niet zeer streng. Iedereen, de sultan
daaronder begrepen, rookt of kauwt betel; de bedienden, de vrouwen
loopen heen en weer, en buigen zich over ons heen om ons te zien
eten. Maar, wanneer men tot den sultan het woord richt, geschiedt
dat toch op een toon van diepen eerbied; wie hem het een of ander
aanbiedt, doet dat steeds met beide handen en in gebogen houding,
als bracht men een offer.
Toen onze maaltijd was afgeloopen, schorste de sultan de behandeling
van staatszaken en knoopte een gesprek met ons aan. Hij is bereid,
zich te laten photografeeren; er wordt bepaald, dat wij met dat
doel over eenige dagen zullen terugkomen, en dat wij dan in een
der huizen van den sultan te Maïbun zullen logeeren; op ons verzoek
om ons een escorte te geven naar het meer van Panamaut, dat uit een
zoölogisch oogpunt zeer merkwaardig moet zijn, volgt eene beleefde,
maar stellige weigering. De sultan is beducht voor alles wat zijne
rust zou kunnen verstoren. Hij geeft vrij duidelijk te kennen, dat
hij ons gaarne overal in zijne staten zou laten rondtrekken; maar dat
hij onmogelijk voor onze veiligheid kan instaan, tenzij hij ons een
leger als escorte medegaf. Hij wenscht zich niet bloot te stellen
aan de onaangename gevolgen, die het voor hem zou kunnen hebben,
indien ons een ongeluk overkwam.--Wij blijven, te midden van den
sigarendamp, lang met den sultan praten, die ons allerlei inlichtingen
vraagt omtrent den toestand en de wederzijdsche machtsverhoudingen
van de verschillende europeesche staten, met name van Spanje. Hij
heeft een eigen stoomboot, die geregeld tusschen Maïbun, Laboean en
Singapore vaart; maar toch schijnt hij niet op de gedachte te komen,
om zich engelsche en spaansche dagbladen te verschaffen, die hij
toch gemakkelijk zou kunnen laten vertalen, hetzij door personen aan
boord van zijne boot, hetzij door weggeloopen inlandsche soldaten
of kettinggangers, die hij in het geheim aan zijn hof ontvangt.
De sultan maakt dus zeer gaarne van de vrij zeldzame gelegenheid
gebruik, om europeesche reizigers te ondervragen. Zijne vragen getuigen
overigens van nadenken en verstand. Hij tracht zich op de hoogte te
stellen van de militaire hulpmiddelen, vooral van de zeemacht van
iederen staat, en verzoekt mij telkens de cijfers te herhalen van de
manschappen, schepen en kanonnen, die hij maar niet schijnt te kunnen
onthouden. Verder vroeg hij naar allerlei bijzonderheden omtrent de
reis van den Shah van Perzië naar Europa, waarin hij zeer veel belang
scheen te stellen. Om deze vragen van den sultan niet onbeantwoord te
laten, moest ik de toevlucht nemen tot mijne fantazie, ten einde aan
te vullen wat mij aan juiste wetenschap ontbrak. Weer kwam toen het
gesprek op de legers en vloten der europeesche staten, en ten slotte
ook op de regeeringsvormen: ik beproefde evenwel geene poging om den
sultan eenig begrip te geven van de tegenwoordige staatsinrichting
van Frankrijk.
Dit gesprek duurde zeer lang: Rey en ik konden bijna de oogen niet
meer openhouden. De sultan bespeurde het, en noodigde ons uit, te gaan
slapen, terwijl hij nog voortging met audiëntie te verleenen. Wij
haastten ons aan die uitnoodiging gevolg te geven, en strekten
ons uit op eene met matten belegde estrade tusschen den troon en
den harem. Weldra sliepen wij in, ondanks het aanhoudend gepraat;
maar in den loop van den nacht werden wij zeker tienmaal gewekt door
eene slavin, die, op haar teenen loopende, op een boven onze hoofden
hangenden gong kwam slaan. Zoodra zij dit gedaan had, trok zij zich
haastig in den harem terug; bij het oplichten van het gordijn, zagen
wij, bij het wemelend licht van eenige walmende lampen een aantal
vrouwen en kinderen, te midden van een verwarden rommel van kistjes,
koffers en kussens.
In gezelschap van onzen vriendelijken gids brengen wij ook een bezoek
aan het dorp Maïbun, waarvan de op palen gebouwde hutten zoowel uit-
als inwendig zich onderscheiden door verregaande onreinheid. Midden in
zee, op hooge palen rustende, verheffen zich de ruime magazijnen van de
chineesche kooplieden, die den geheelen in- en uitvoerhandel van Maïbun
in handen hebben. Deze handel is belangrijk: de uitvoer beslaat uit
pareloesters (_montiara_, _tipay_), die wel zelden parelen bevatten,
maar waarvan de schelpen het zeer gewaardeerde parelmoer opleveren;
voorts uit gutta-pertsja en verschillende soorten van hars, _trepang_,
koffie en andere gewassen. Het voornaamste invoerartikel is gekleurd
katoen, dat door de duitsche huizen te Singapore wordt geleverd. De
duitsche fabrikanten weten de door de Maleiers meest geliefde kleuren
en patronen vrij goed na te bootsen; de inlandsche stoffen, die met
groote zorg uit de hand bewerkt worden, winnen het natuurlijk zeer
verre in kwaliteit; maar de geringe prijs van het fabriekwerk maakt
dat dit, jammer en schande genoeg! overal aftrek vindt. De Chineezen
te Maïbun voeren ook wapenen, ammunitie, krissen en staal in. Ook
wordt er een levendige handel in slaven gedreven.
Terwijl onze gids zijne zaken afdoet met een chineesch koopman, is
de vrouw van den koopman, eene Maleische van het zuiverste ras,
bezig met het borduren van een prachtigen tulband: het werk is
een waar kunststuk, maar vordert zeer langzaam. Zoowat om de vijf
minuten roept de borduurster eene slavin, die haar eene aangestoken
cigarette brengt en een klein kind, dat zij telkens de borst geeft. Is
de cigarette uitgerookt, dan neemt zij de naald weer ter hand, steeds
betel kauwende. De slavin rookt en pruimt afwisselend. Dit is de gewone
manier van leven der soeloeneesche vrouwen van den gegoeden stand.
In het paleis teruggekeerd, worden wij door den sultan ontvangen,
die ons tegen den volgenden maandag ontbiedt voor het maken van
zijn portret, en die den gevangene van den heer Schuck ter dood
veroordeelt. Wij stijgen te paard en keeren naar Tianggi, zoo als de
eilanders de spaansche stad noemen, terug.
Ik weet niet wat er van den ongelukkigen veroordeelde is geworden;
heeft hij de doodstraf moeten ondergaan, dan is het voor hem toch
maar beter geweest dat hij niet te Maïbun is terecht gesteld. De
strafbepalingen van den Korân worden hier zelden toegepast, maar de
strafwet van Soeloe is vooral niet minder streng: eigenlijk kent zij
maar ééne straf, de doodstraf. En hoe wordt die voltrokken? Nu eens
dient de veroordeelde, aan een paal vastgebonden, tot schietschijf
voor de hovelingen; dan weer beproeft een dato zijn revolver op
hem; een ander maal wordt hij aan een boom gebonden, en heeft ieder
Soeloenees het recht, hem met zijn kris een steek toe te brengen,
zoodat de rampzalige letterlijk gekorven wordt.
Een paar dagen later vertrokken de heer Rey en ik op nieuw naar Maïbun,
om het portret van den sultan te maken. Wij bevonden dat daar inderdaad
eene vrij groote hut tot onze beschikking was gesteld; deze hut was
nieuw en dus tamelijk zindelijk, maar zij bevatte hoegenaamd niets
dan een ledigen ketel, benevens een ouden slaaf die ons bedienen
moest. Maar wij hebben levensmiddelen medegebracht; wij maken onzen
maaltijd gereed en strekken ons op den planken vloer uit om te slapen.
Den volgenden morgen ontvingen wij het bezoek van een dato, een
aanzienlijk heer, die ons uit naam van den sultan kwam begroeten. Op
zijne onbeschaamde vraag, of wij ook nog iets noodig hadden,
gaven wij maar geen antwoord, ten einde geene onaangenaamheden uit
te lokken.--Wij begeven ons naar het paleis, waar de sultan ons
vriendelijk ontvangt. Echter is hij blijkbaar niet op zijn gemak;
vermoedelijk heeft men hem allerlei dingen wijsgemaakt ten aanzien
van zijn portret. Zijne omgeving slaat ons met onverholen achterdocht
gade, ongeveer op de manier van een hond, die een verdacht bezoeker bij
zijn meester aantreft. Echter verzoekt Mohammed ons, den volgenden dag
terug te komen; in den morgen zullen wij onzen toestel gereed maken,
en 's namiddags het portret van Zijne Hoogheid photografeeren.
Den volgenden dag laat de sultan weten dat hij ongesteld is en ons niet
ontvangen kan. Wij worden onophoudelijk lastig gevallen door allerlei
bezoekers, die ons de ongerijmdste vragen doen, en ons duidelijk te
kennen geven, dat zij ons voor toovenaars houden, die onder voorwendsel
van, langs onnatuurlijken weg, het portret van den sultan te maken,
hem willen dooden, of althans zijne beeltenis wegvoeren.--Zoo gaan
een paar dagen voorbij, en nog steeds blijft de sultan opgesloten
in zijn harem. Eindelijk maken wij ons gereed om te vertrekken, en
laten de loods afbreken, die wij voor het paleis hadden opgeslagen;
eensklaps verschijnt nu de prins Brahamuddin, half naakt, en bidt ons
niet heen te gaan, daar zijn vader ons den volgenden dag zal ontvangen.
Dien dag verschijnt de sultan dan ook, bleek, maar prachtig gekleed,
omringd door al de heeren van zijn hof, wier kleederen en wapenen
schitteren en vonkelen in de zonnestralen. De toestel wordt in
gereedheid gebracht, de afstand bepaald; maar op het noodlottig
oogenblik treedt de sultan terug en stelt zijn zoon in zijne
plaats. Eene doodsche stilte heerscht in het ronde. De toestel wordt
geopend en gesloten; en na verloop van eenige oogenblikken, kan ik
het welgeslaagde portret van den prins aan den verbaasde omstanders
vertoonen. De sultan is nu buiten zich zelven van verrukking; hij
legt zijn hovelingen het zwijgen op, en laat zich in verschillende
houdingen, zittende, staande, alleen en door anderen omgeven,
photografeeren; hij zou nu wel iedereen willen nopen, zijn portret
te laten maken.
Den 18_den_ Januari 1880 namen wij afscheid van al onze vrienden op
Soeloe, en gingen aan boord van de _Royalist_, die ons naar Sandakan,
op de noordoost kust van Borneo, moet brengen.