Het eiland Luçon.
Den 21_sten_ Juli voeren wij de baai van Manilla binnen, die ten westen
wordt bestreken door de hoogten van de sierra de Marivelès. Twee uren
later bespeurden wij, te midden van het weelderige groen, de roode
daken van de hoofdstad der Philippijnen, schilderachtig rustende aan
den voet van blauwachtige bergen.
Nauwelijks heeft de _Panay_ het anker laten vallen, of onze landgenoot,
de heer Louis Génu, agent te Manilla van het huis Guichard en Zoon
te Parijs, van onze aankomst verwittigd, verschijnt op het dek en
neemt ons mede. Gedurende onze tweejarige reis zullen wij dikwijls
genoeg met den heer Génu in aanraking komen, en steeds zullen wij
in zijn huis hetzelfde vriendelijke en hartelijke onthaal vinden,
terwijl zijne grondige bekendheid met menschen en toestanden in het
vreemde land ons van onschatbaar nut zal zijn. Toen ik eindelijk ziek
bij hem terugkwam, vond ik daar eene zoo zorgvuldige verpleging,
dat ik ongetwijfeld mijne gezondheid zou hebben terug gekregen,
indien niet de door het tropische klimaat veroorzaakte krankheden,
zoodra zij zekeren graad van ontwikkeling bereikt hebben, den terugkeer
naar Europa volstrekt noodzakelijk maakten.
De stad Manilla gaat tegenwoordig snel vooruit; vroeger beperkt
binnen de wallen der oude vesting aan den linkeroever der rivier,
is de eigenlijke stad thans omringd door een gordel van zeer
aanzienlijke voorsteden, waarvan sommigen zich tot de naburige dorpen
uitstrekken. De bevolking der stad, de voorsteden daaronder begrepen,
bedraagt vijf-en-zeventigduizend zielen. Over het algemeen kan men
zeggen, dat de kolonie steeds in vrij bloeienden toestand verkeerd
heeft: natuurlijk met uitzondering van enkele minder gelukkige
tijdvakken, die trouwens in de geschiedenis van geen enkel land
worden gemist. Deze voorspoed is ongetwijfeld te danken aan de wijze
van bestuur, die reeds aanstonds door de koloniale regeering werd
ingevoerd en waarbij rekening werd gehouden met den volksaard en de
eigenaardigheden der inboorlingen.
De eer van de ontdekking der eilandengroep komt aan den onsterfelijken
Magelhaens toe; maar de groote zeevaarder had nauwelijks den tijd om
zijne ontdekking te overzien. Den 31_sten_ Maart 1521 stapte hij aan
wal in het noordoosten van Mindanao, nabij de uitmonding van de rivier
Agusan; en reeds den 26_sten_ April daaraanvolgende werd hij door de
inwoners van het kleine eiland Mactan vermoord. Zijn onderbevelhebber
keerde weldra naar Europa terug met het schip _Victoria_, het eerste
dat de reis om de wereld heeft volbracht.
In 1542 werd eene nieuwe expeditie uitgerust onder bevel van
Villalobos; door tegenwind opgehouden, bracht men het niet verder dan
tot in het gezicht van dezen archipel, waaraan de spaansche admiraal
den naam van de Philippijnen gaf, ter eere van den kroonprins,
den zoon van Karel V, die later als Philips II over de uitgestrekte
spaansche monarchie regeeren zou. Onder zijne regeering nam Spanje
voor goed van deze eilanden bezit. In 1564 landde Miguel Lopez de
Legaspi op het eiland Pojol, tusschen de eilanden Leyte en Cebu,
op welk laatste hij zich vestigde; in 1571 stichtte hij Manilla op
het eiland Luçon, het voornaamste van den geheelen archipel; in de
volgende jaren breidde de spaansche heerschappij zich langzamerhand
uit over Luçon en de groep der Bisayas-eilanden.
De bevolking van de Philippijnsche eilanden verschilde toen niet
wezenlijk van de tegenwoordige. De inboorlingen van maleisch ras, de
Tagalen, Bisayas enz., toen nog afgodendienaars, hadden het grootste
gedeelte van het land in bezit. De Negritos waren reeds naar de bergen
van het binnenland terug gedrongen; de mohammedaansche Maleiers,
sedert onder den naam van Moros bekend, waren op Soeloe, op Palawan
en eenige andere punten van den archipel gevestigd; zij hadden zelfs
te Manilla een eigen rijk gesticht, Tondo genaamd, dat al spoedig
voor de spaansche wapenen bezweek.
De onderwerping der Philippijnen vorderde niet veel tijd; ook duurde
het niet lang of de inboorlingen waren, door den ijver der spaansche
zendelingen, tot het Christendom bekeerd. De organisatie der nieuwe
kolonie was nu spoedig voltooid: de Spanjaarden schaften alleen de
slavernij af, maar waren voor het overige verstandig genoeg om de
bestaande hiërarchie in hare hoofdtrekken in stand te houden en de
aloude maatschappelijke inrichtingen te eerbiedigen. Het denkbeeld,
dat oostersche maatschappijen op dezelfde wijze en naar dezelfde
regelen moeten worden ingericht en geregeerd als onze westersche,
was toen nog in niemands hoofd opgekomen.
In de plaats van de sultans en andere souvereine vorsten trad de koning
van Spanje op, vertegenwoordigd door den gouverneur-generaal, die zijne
residentie te Manilla had. De _datos_, meer of minder onafhankelijke
hoofden en landheeren, werden _capitanes, gobernadorcillos_ of
_tenientes_, en werden gehandhaafd in hun rang als hoofden der dorpen
en vlekken, die naar gelang van hunne beteekenis den naam ontvingen
van _pueblos_ of _visitas_, of wel den ouden naam van _barangay_
behielden. Een zeker aantal dorpen of gehuchten vormden te zamen
een pueblo: eene administratieve indeeling, overeenkomende met ons
kanton, onze gemeente en onze parochie, want eene zelfde parochie
omvat dikwijls verschillende dorpen. Aan het hoofd der parochie staat
de pastoor (_padre cura_), wien de zorg voor de godsdienstige belangen
zijner parochianen is opgedragen, en die metterdaad eene zeer groote
macht uitoefent. De gobernadorcillos, bijgestaan door de tenientes
en door de notabelen of _cabezas_, nemen ongeveer dezelfde functiën
waar als bij ons de maires, de vrederechters en de ontvangers; zij
zijn verantwoordelijk voor de inning der belasting, die bij wijze
van hoofdgeld geheven wordt en den naam draagt van _tributo_.
Ziedaar in hoofdtrekken het stelsel van bestuur, dat reeds in de
eerste tijden na de verovering op de Philippijnen werd ingevoerd
en dat tot op den huidigen dag is gehandhaafd, tot groot voordeel
zoowel van de bevolking als van de spaansche regeering, wier gezag
nooit ernstig werd bedreigd. De massa der bevolking was al spoedig
gewonnen voor een gouvernement, dat de slavernij afschafte en in
de plaats van de willekeurige afpersingen en knevelarijen der datos
eene vaste belasting hief en bepaalde heerendiensten voorschreef. En
de hoofden zelven, van hun door niets beperkt gezag beroofd en door
hunne hoorigen in den steek gelaten, mochten zich nog gelukkig rekenen,
althans een deel van hunne macht en de aan hun rang verschuldigde eer
te behouden, hoewel hunne nieuwe functiën niet erfelijk waren, maar
zij telkens door het gouvernement werden benoemd. Uit den aard der
zaak echter bleven deze betrekkingen gedurende zeer langen tijd, in
zekeren zin, een familiegoed van de geslachten der vroegere hoofden;
men vindt nog tegenwoordig te Manilla afstammelingen van de oude
souvereinen des lands; deze familiën genieten de algemeene achting
en worden ook door de regeering, die weet niets van haar te vreezen
te hebben, met onderscheiding behandeld.
De lezer zal te beter dit stelsel van koloniaal bestuur kunnen
waardeeren, wanneer wij later de binnenlanden zullen bezoeken van
het groote eiland Mindanao, dat voor een deel nog onafhankelijk is,
maar waar het spaansch gezag zich voortdurend uitbreidt. Het stellen
van vaste regelen in de plaats van de willekeur der hoofden,
en het opdragen van de handhaving der wetten en reglementen
aan de aanzienlijken zelven, die daarvoor aan het gouvernement
verantwoordelijk zijn, was een verstandige maatregel, die op de
Philippijnen steeds proefhoudend is gebleken. Op die wijze worden de
belangen van het volk behartigd en wordt tevens de aristokratie niet
in haar rechten en in haar gevoel van waardigheid gekrenkt; bovendien
wordt ook het centrale gouvernement niet gemengd in alle bijzonderheden
van plaatselijk bestuur en huishouding, en is het ontheven van de
altijd onaangename taak om voor de inning der belasting te zorgen.
Het ligt niet in mijn plan om ditmaal over de stad Manilla
en hare omstreken te spreken; wellicht bestaat daartoe later
gelegenheid. Evenmin kan ik hier uitweiden over de hartelijke
en gastvrije ontvangst door hunne excellenciën, den betreurden
kapitein-generaal don Domingo Mariones y Morillo, en den
schout-bij-nacht don Rafael Rodriguez de Arias y Villavicencio;
en over de vriendelijkheid en voorkomendheid van alle Spanjaarden,
geestelijken, ambtenaren, partikulieren, met wie wij in aanraking
kwamen.
Den 31_sten_ Juli vertrokken wij naar Balanga, de hoofdstad
van de provincie Bataan, aan de westkust van de baai van Manilla
gelegen. Uithoofde van de banken en ondiepten, kunnen de booten niet
te Balanga zelf aanleggen, maar moeten op vrij grooten afstand van
de kust het anker uitwerpen. De heer Génu heeft echter een brief
geschreven aan een zijner vrienden te Balanga, don Cypriano del
Rosario, _escribano_, zooveel als griffier en notaris, die eene sloep
zal afzenden om ons af te halen.
Des morgens ten acht uren vertrekken wij van Manilla. Onze stoomboot,
die tweemaal per week langs de noord- en de noordwestkust van de
baai vaart, is zeer klein, en er gaat eene sterke branding. Wij zijn
bijna de eenige passagiers van de eerste klasse; de boot is verder
opgevuld met chineesche kooplui en met Tagalen, vergezeld van hunne
onafscheidelijke pupillen, de voor de openbare gevechten afgerichte
hanen. Menschen en beesten hebben allen te lijden van de zeeziekte,
waardoor wij althans verschoond blijven van het oorverdoovend gekraai,
dat de hanen laten hooren, zoodra zij een mededinger in het oog
krijgen.
Wij houden stil tegenover de rio de Orani, op ongeveer vier mijlen van
de kust. De banca, prauw, van don Cypriano is ter plaatse tegenwoordig;
wij herkennen haar dadelijk, te midden der andere vaartuigen, aan
de vele driekleurige vlaggen, waarmede haar eigenaar haar te onzer
eere versierd heeft. De overscheping gaat niet gemakkelijk, want
de branding is nog sterker geworden, en wij verstaan geen woord van
hetgeen de schipper ons aan het verstand wil brengen. Eindelijk zijn
wij dan toch in de prauw en zetten koers naar het strand. Onze twaalf
roeiers, wien het zweet langs het lichaam druppelt, hebben eene zware
taak; de lange prauw, door de golven omhoog getild, zweeft telkens
ter helfte in de ledige ruimte, en schijnt op het punt van te breken;
dan wipt zij voorover en dompelt zich eensklaps in de holte der golf,
waarbij een wolk van schuim de roeiers overspat, die daarop met
gillende kreten antwoorden. Onder den wal gekomen, roeien wij midden
door den doolhof der _corrals_, paalwerken, van de visscherijen; en
bereiken eindelijk, na herhaaldelijk te hebben vastgezeten, de rio
de Balanga, die ter wederzijde is omzoomd door hutten, van gelijke
gedaante als die der Maleiers te Malakka, maar veel zindelijker. Don
Cypriano wacht ons met zijn rijtuig, en brengt ons door het vroolijke,
volkrijke vlek. In de woning van onzen gastheer worden wij door zijne
echtgenoote ontvangen met de gebruikelijke begroeting: _Han tomado
Ustedes posesion de su casa_. Uwe Edelheid heeft bezit genomen van haar
huis. Die woorden zijn intusschen meer dan eene ijdele formule; zij
zijn oprecht gemeend, en de spaansche ridderlijkheid en gastvrijheid
verloochent zich ook op de Philippijnen geen oogenblik.
Ons bezoek aan de provincie Balanga had, gelijk trouwens onze missie
in het algemeen, voornamelijk een ethnografisch doel. De reiziger,
die op zijne zwerftochten door den grooten Indischen archipel, van
Luçon naar Java en van Sumatra naar de Molukken, niet anders ziet dan
de kusten en de riviermonden, vervalt lichtelijk in de dwaling, dat
al deze eilanden door hetzelfde menschenras worden bewoond, en dat men
overal enkel Maleiers, meer of minder gewijzigd, ontmoet. Deze Maleiers
behooren echter slechts tot het krijgshaftige, veroverende ras, dat
zich eerst later op die eilanden gevestigd heeft; door vermenging met
andere rassen is hun oorspronkelijke type in meerdere of mindere mate
dikwijls gewijzigd, maar de hoofdtrekken bleven behouden, en daaraan
kan men nog overal de Maleiers herkennen. In de berg- en boschachtige
streken der binnenlanden wonen echter andere rassen, die onderling
verschillen en reeds lang voor de komst der maleische veroveraars
in het land gevestigd waren. Reeds te Malakka maakten wij op dit
verschijnsel opmerkzaam, dat wij overal zullen aantreffen. De Tagalen
of Tagalocs vormen de massa der bevolking van Manilla; wij zullen hen
ook ontmoeten in de provincie Bataan of Balanga, en zouden hen ook
in andere provinciën kunnen vinden. Even als andere verwante stammen,
de Bicols, de Bisayas enz., onderscheiden zij zich alleen van de
zuidelijke Maleiers door de sterkere vermenging met geel of zwart
bloed. Sedert de vestiging der Spanjaarden zijn zij Katholieken en
hebben geheel de vormen der europeesche beschaving overgenomen; zij
bezitten grooten aanleg niet alleen voor werktuigkunde, maar vooral
ook voor teekenen en muziek. Onder leiding van een opmerkzamen,
energieken chef, zijn zij, als werklieden of landbouwers, vlijtig
en werkzaam; als soldaten of matrozen, dapper en geduldig. Maar aan
zich zelven overgelaten, is de verzoeking tot traagheid, die hun in
het bloed zit, hun te machtig; onder meer dan een opzicht, doen zij
u denken aan de voormalige lazzaroni te Napels, wier geslacht nu ook
uitgestorven is. Toen de Spanjaarden in den archipel verschenen, was
niet lang te voren de Islam daar ingevoerd; zonder de tusschenkomst
der Europeanen zou hij ongetwijfeld binnen korten tijd deze vadsige,
vreedzame, lijdelijke bevolking hebben onderworpen, en zouden de
Philippijnen thans in de macht zijn van de mohammedaansche Maleiers
van Soeloe en Mindanao.
In de bergen die de baai van Manilla omzoomen, van San-Mateo tot de
sierra de Marivelès, en op nog een aantal andere plaatsen en eilanden,
vindt men een menschenras, ten eenemale verschillend van de Tagalen, de
Bisayas en van alle stammen, die tot het groote gele ras behooren. Dat
zijn de Negritos, die uit een anthropologisch oogpunt ten zeerste de
aandacht verdienen, omdat zij buiten kijf de oorspronkelijke bewoners
dezer eilanden zijn. Zij leven in bijna volkomen onafhankelijkheid,
als wilden, meer of minder gemakkelijk te naderen, naar gelang van
de wijze waarop de omwonende bevolking hen behandelt. Verschillende
overwegingen brachten ons tot het besluit dat de Negritos van de
sierra de Marivelès, in de provincie Bataan, het gemakkelijkst te
naderen en te bestudeeren zouden zijn: ziedaar de reden, waarom wij
naar Balanga zijn gegaan.
De uitkomst overtrof onze verwachtingen. Die ongelukkige Negritos,
de eerste bezitters van den grond, zijn door de Tagalen van de oevers
der zee en der rivieren en uit de vlakten verdreven; daarmede nog
niet voldaan, hebben de veroveraars ook den goeden naam van hun
slachtoffers in discrediet gebracht: volgens hen zijn de Negritos
dieven, moordenaars en brandstichters. De feiten, waarop men zich
tot staving van deze beschuldigingen beroept, zijn doorgaans niet te
loochenen; maar de Tagalen vertellen er niet bij, dat de aanvallen
en geweldenarijen der Negritos meestal niet anders zijn dan daden
van weerwraak.
Onder het verlicht en rechtvaardig bestuur van den tegenwoordigen
_alcade_ (gouverneur) van de provincie Bataan, leven de Negritos in
goede verstandhouding met de Tagalocs, en geven geene aanleiding tot
eenige klacht. Het zal ons geene moeite behoeven te kosten, hen te
Balanga zelf te bestudeeren, waar zij gewillig komen, en ook in hunne
bergen, die wij zonder eenig gevaar kunnen bezoeken.
Inmiddels kleeden wij ons in den afschuwelijken zwarten rok, met
witte das en wat verder tot het ideaal-smakelooze moderne galakostuum
behoort, om, vergezeld van don Cypriano, onze opwachting te gaan maken
bij den gouverneur. Het is echter nog te vroeg, en wij hebben al den
tijd om eerst een wandelrit te maken. Wij volgen den weg van Abucay,
die midden door de vlakte tusschen de zee en de eerste uitloopers
van de sierra de Marivelès loopt. Deze geheele vlakte is bedekt met
rijstvelden, afgewisseld door moerassen, waaruit de buffels hunne
zware donkere koppen opsteken tusschen de groene lotusstengels en
het dichte riet; talrijke groepen van arbeiders komen, in hun wit
of kleurig gewaad, schilderachtig uit tegen den bruinen grond; op
den achtergrond verrijst de berg van Abucay, tot den top met zwaar
geboomte begroeid. De hemel is bewolkt en een zacht getemperd licht
beschijnt het geheele fraaie, kalme landschap.
Het is reeds laat in den namiddag; wij zetten onze kleine paarden
in draf en keeren naar Balanga terug. De alcade, don Estanislao
Chaves, ontvangt ons met de grootste hartelijkheid, evenals de heer
Perez,_promotor fiscal_, zooveel als procureur-generaal, die zich
juist in de _Casa Real_, het gouvernementshuis, bevindt. De heer Chaves
noodigt ons allen te dineeren, en wij brengen een prettigen avond door,
pratende over de Philippijnen, die al deze heeren door en door kennen.
Reeds den volgenden morgen, dank zij de bemoeiingen van den gouverneur
en van don Cypriano, meldt zich een gezelschap Negritos bij ons
aan. Deze wilden stellen een onbepaald vertrouwen in den heer Chaves,
die hen, langs bedaarden, verstandigen weg en zonder dwang, heeft
weten te bewegen om het spaansche gezag te erkennen, zonder van hen
de belasting te vorderen, die zij niet in staat zijn op te brengen.
De Negritos, die ons komen bezoeken, zijn naakt, met uitzondering
van hun opperhoofd, die wel geen pantalon, maar daarentegen een rok
naar de mode van het jaar '30 draagt, benevens een zwarten hoed,
waarvan de zijde naar den verkeerden kant is geborsteld. Hoewel zij
in het minst geene vrees koesteren, hebben deze arme drommels toch
in hun voorkomen en houding iets van de honden van akrobaten, die
geduldig het oogenblik afwachten, waarop een zweepslag hun het teeken
geeft om door een hoepel te springen. Wij bieden hun verschillende
geschenken aan; terwijl mevrouw del Rosario hun een stevigen maaltijd
laat voorzetten en vriendelijk met hen praat. Weldra is nu het ijs
gebroken; het opperhoofd zegt dat wij, zoowel hier als in de bergen,
met hem en zijn stam kunnen doen wat wij verkiezen: van de vrienden
van den alcade en den escribano heeft hij geen kwaad te vreezen.
De Negritos zijn zwart-bruin van kleur en hebben daardoor, zoowel als
door hun wollig kroes-haar, veel overeenkomst met de negers van Afrika
en ook met de bewoners van Nieuw-Guinea, waarvan zij toch ook weder
in belangrijke punten verschillen. De vorm van hun schedel is breed;
hunne gestalte is buitengewoon klein: volgens onze waarnemingen,
is de gemiddelde grootte bij de mannen 1.48 M. en bij de vrouwen 1.46
M. Hun smalle borst, hun magere beenen zonder kuiten en hun naar binnen
gebogen voeten geven hun een voorkomen van zwakte en onbeholpenheid;
zij zien er echter in het minst niet terugstootend uit en zijn niet
veel onzindelijker dan de inboorlingen op het schiereiland Malakka. Dat
zijn de voornaamste kenmerken van deze vroegere bezitters van den
grond, die weleer al de Philippijnen bevolkten en wier gebied zich
vermoedelijk nog veel verder uitstrekte, daar de heeren de Quatrefages
en Hamy de eigenaardige kenmerken van hun ras hebben terug gevonden bij
sommige schedels in Indië en in Japan. Om hunne levenswijze en hunne
gebruiken te leeren kennen, zullen wij hen in hunne bergen opzoeken.
Na een langen rit midden door de rijstvelden, komen wij aan den voet
van den berg Samat, een uitlooper van de sierra de Marivelès, ten
westen van Balanga. Wij laten onze paarden achter in eene hacienda,
die aan don Cypriano behoort, en beginnen den berg te beklimmen. Onze
tocht wordt bemoeilijkt door de rijstvelden, die tot eene aanmerkelijke
hoogte reiken en een veel minder overvloedigen, maar wat het gehalte
aangaat veel beteren oogst opleveren dan die in de vlakte. Ieder veld
is omringd door een corral (palissade), hetgeen noodig is om de wilde
zwijnen af te weren; maar wij zijn telkens genoodzaakt over die hekken
heen te klimmen, wat op den duur vreeselijk vermoeiend is. Na verloop
van eenigen tijd bereiken wij de grens van de plantages der Tagalocs,
en steeds klimmende, komen wij aan het gebied der Negritos. Op den
top van een terp, te midden van een pas ontgonnen plek, waar men
nog de overblijfselen der omgehouwen en half verbrande boomstammen
ziet, staat de kleine, maar vrij zindelijke hut van het opperhoofd,
in vorm en bouw geheel overeenkomende met de hutten der Tagalocs. Van
deze hoogte heeft men een prachtig uitzicht: wij overzien de geheele
baai van Manilla, omlijst door een amphitheater van blauwe bergen;
voor onze voeten strekt zich tusschen de zee en de eerste heuvelen, de
bebouwde vlakte uit, een bloeiende tuin, gevormd door de regelmatige
vierkanten der rijstvelden, afgewisseld door sierlijke boomgroepen
en doorsneden met talrijke beken. Achter ons verheffen zich hooge
bergen, met ondoordringbare wouden bedekt. In de nabijheid, op de
andere hoogten, ziet men de kleine akkers en hutten van de overige
leden van den stam.
Het opperhoofd, die bij onze komst geheel naakt was, haast zich
den mooien rok aan te trekken, waarop hij niet weinig trotsch is;
hij en zijne vrouw beginnen nu uit alle macht te schreeuwen om hunne
onderdanen bijeen te roepen; hun geschreeuw klinkt als een echo van
hut tot hut, en weldra is de geheele stam, een twaalftal mannen en
ongeveer evenveel vrouwen, rondom ons vergaderd.
Terwijl deze arme lieden hun hart ophalen aan de levensmiddelen, die
wij hebben medegebracht, nemen wij de woning van hun opperhoofd wat
nader in oogenschouw. Daartoe is niet veel tijd noodig, want de hut
bevat letterlijk niets dan twee bogen, vijf of zes pijlen en een half
dozijn borden, de hemel mag weten tot welken prijs in den naburigen
pueblo ingeruild. Hoe uiterst eenvoudig de levenswijze der Negritos
ook moge zijn, toch heeft de aanraking met de Tagalocs althans
eenige behoeften bij hen gewekt: zij begeeren tabak, wat katoen,
ijzer voor de punten hunner pijlen; in ruil daarvoor geven zij rijst,
harst en honig uit de bosschen. In den regel worden zij gruwelijk
beet genomen en bestolen, want zij hebben niet het flauwste begrip
van het spaansche geld, en ook de knapste koppen onder hen raken de
klus kwijt als zij verder dan vier of vijf moeten tellen.
Na afloop van den maaltijd laten wij hun eenige flesschen _anisado_
(ongesuikerde anisette) en een kistje sigaren geven, van welk een en
ander zoowel de vrouwen als de mannen haar deel nemen. Eenige stukken
katoen, enkele halskettingen en messen, zijn meer dan voldoende om de
gunst der wilden te winnen, die, om hunne dankbaarheid te toonen, een
dans uitvoeren, welke ondanks zijn min of meer krijgshaftig karakter,
toch tot de plechtigheden behoort, waarmede het huwelijksfeest wordt
opgeluisterd.
De mannen scharen zich in een kring: ieder legt zijne linkerhand
op de heup van zijn voorman en zwaait met de rechterhand zijn
boog en pijlen. Zoo draaien zij langzaam, met afgemeten passen, in
het rond, daarbij telkens den hiel van den linker voet met kracht
nederzettende. In het midden van den kring staan drie vrouwen, die
zoo luid mogelijk een lied zingen, waarvan de melodie niet veel meer
is dan één aanhoudend gegil. Een jonge Negrito, die van tijd tot tijd
op een tamboerijn slaat, dringt haastig in den kring door, draait om
de vrouwen heen, verwijdert zich, komt weer terug en is onophoudelijk
in beweging, juist als een dief die op een of ander voorwerp loert,
maar bang is om betrapt te worden. Onze tolk zegt ons, dat die knaap
den duivel moet verbeelden, of ten minste den Tagaloc, die in de
oogen der Negritos met den booze gelijk staat; het is ons evenwel
niet mogen gelukken nadere inlichtingen in te winnen omtrent dit zoo
belangrijk personage, wiens tegenwoordigheid alleen voldoende is om
het bewijs te leveren dat ook bij de Negritos het besef van en het
geloof aan het bovennatuurlijke bestaat. Trouwens, hoe zou het ook
anders mogelijk zijn: dit besef toch behoort tot het innigste wezen
van den mensch en openbaart zich dan ook overal en ten allen tijde.
De dansers worden beloond met nog een paar flesschen anisado en
sigaren; vervolgens noodigen wij hen uit, met den boog te schieten. Wat
wij vermoed hadden, bleek waarheid te zijn: de Negritos zijn zeer
onhandige schutters. Dit is mede een der redenen van den voortdurenden
achteruitgang van hun ras. Onophoudelijk vervolgd en gekweld door
andere wilde stammen, die hun meerderen zijn, kunnen de Negritos ter
nauwernood eenige bananen en andere planten kweeken, en zijn zij voor
hun levensonderhoud in de eerste plaats afhankelijk van de jacht;
maar door hunne onhandigheid en onbeholpenheid is dit een hoogst
onzeker middel van bestaan. De Negritos van de provincie Bataan zijn
in dat opzicht bevoorrecht boven velen van hun stamgenooten. Zij leven
in vrede, zonder door iemand bemoeilijkt te worden; wij hebben dan
ook alle gelegenheid om ons geheel op de hoogte te stellen van hunne
levenswijze en gebruiken, te meer daar zij hieromtrent volstrekt niet
achterhoudend zijn.
Het opperhoofd is natuurlijk tevens de hoogste rechter: hij doet
uitspraak in alle geschillen en vonnist over alle misdrijven. Zijn
er grijsaards in den stam, dan is hij verplicht, ook hun raad in te
winnen. Zij kennen maar ééne straf, de doodstraf, die niet alleen
op moord, maar ook op diefstal en overspel en bijna alle andere
misdrijven staat. Echter komen, uit den aard der zaak, zulke gevallen
zeldzaam voor. Het gedrag van de jonge meisjes laat doorgaans niets
te wenschen over: het minste vermoeden van het tegendeel zou haar alle
kans doen verliezen om een echtgenoot te vinden. De Negrito koopt zijne
vrouw niet, zoo als men verwachten zou dat het geval was; hij geeft
slechts een klein geschenk aan zijn aanstaanden schoonvader, die in
ruil daarvoor, bij wijze van uitzet, aan zijne dochter eenige dingen
ten geschenke geeft, welke haar persoonlijk eigendom blijven. Het
huwelijk gaat met groote feestelijkheden gepaard; de bruid en de
bruidegom moeten in twee dicht bij elkaar staande, zeer buigzame
jonge boomen klimmen; het opperhoofd buigt die boomen tot elkander,
en wanneer de voorhoofden der jonge lieden elkander hebben aangeraakt,
is het huwelijk voltrokken.
De eigendom is behoorlijk geregeld. De akker is het eigendom van
dengeen, die den grond heeft ontgonnen, en van zijne erfgenamen. Als
bij den dood van het hoofd des gezins de moeder nog leeft, wordt de
nalatenschap in twee gelijke deelen verdeeld: de eene helft komt aan
de moeder toe, de andere aan de kinderen, die hun portie onderling
deelen. De liefde der ouders voor hunne kinderen is zeer groot, en de
kinderen betoonen hun ouders den verschuldigden eerbied. Uit de zorg,
die men voor de graven draagt, blijkt dat de wederkeerige genegenheid
niet met den dood ophoudt. Tot mijn leedwezen is het mij niet mogen
gelukken, met juistheid te weten te komen, welke voorstellingen de
Negritos zich maken omtrent het leven aan genezijde des grafs.
De levenswijze der Tagalocs is natuurlijk veel minder eenvoudig; maar
zoowel hier als in de andere provinciën werden wij getroffen door de
goede verstandhouding, die bij hen tusschen meesters en dienstboden,
tusschen patroons en werklieden bestaat. Gedurende ons verblijf
te Balanga, hebben wij bij herhaling den avond doorgebracht bij de
aanzienlijkste inwoners en bij den gobernadorcillo. Als men binnenkomt,
is het bijna onmogelijk, de heeren van de dienstboden te onderscheiden:
beiden gaan barrevoets en dragen dezelfde kleeding, beiden groeten op
dezelfde wijze en kauwen betel. Eerst als wij gezeten zijn, verlaten
de talrijke dienstboden de kamer; zij blijven dan doorgaans voor de
steeds geopende deur staan, want het gebeurt niet zoo heel dikwijls
dat zij een Europeaan ontmoeten, met uitzondering van priesters en
ambtenaren. Hunne houding is vrijmoedig en tevens eerbiedig; blijkbaar
scheppen ook zij groot behagen in de tonen van de piano en van de harp
of guitaar, die nooit op eene tertullia, soireetje, bij de Tagalen
mogen ontbreken. Het ameublement van deze woningen, zelfs bij de
meest gegoeden, is hoogst eenvoudig. Behalve de muziekinstrumenten,
zooals de uit Parijs of Madrid afkomstige en dus zeer dure piano's,
ziet men niets dan eenige zeer ordinaire meubelen: stoelen van rotting
in allerlei vorm, eenvoudige tafels, godsdienstige platen tegen de
wanden, somtijds ook een godsdienstig boek, in de laatste jaren te
Manilla gedrukt en dat, door papier en druk, herinnert aan de boeken
der zeventiende eeuw. Somwijlen ziet men ook, onder eene glazen stolp,
eenige beeldjes, die een of ander tafreel uit de gewijde geschiedenis
voorstellen. Deze beeldjes, die te Manilla vervaardigd worden, zijn
in den regel van ivoor en zeer goed bewerkt: de kleederen der figuren
prijken met ornamenten van massief goud.
Over het algemeen is alles wat tot de eeredienst betrekking heeft
op grootschen voet ingericht. De kerken, de torens en _conventos_
(pastoriën) zijn de eenige gebouwen, die geheel van steen worden
opgetrokken. Als men des avonds door de stille, sluimerende pueblos
gaat, wordt de aandacht aanstonds getrokken door eene groote helder
verlichte nis in den steenen voorgevel der kerk; in die nis prijkt
het gekleurde beeld van den heiligen schutspatroon, onder wiens
hoede de geloovigen veilig rusten.
Natuurlijk heeft hunne bekeering tot het Christendom niet alle sporen
van hun vroeger bijgeloof uitgewischt. Slechts een enkel staaltje
daarvan. Toen wij op zekeren avond langs een boschje van bamboe gingen,
verhaalde onze gids ons, dat 's nachts, bij lichte maan, reusachtige
witte ruiters, door honden gevolgd, door dit boschje rondrijden, onder
luid gezang en geblaf der honden; de ontmoeting van deze spookgestalten
is altijd noodlottig: hij die deze bovenaardsche ruiters ziet, begint
te kwijnen en sterft na verloop van korten tijd. Hebben wij in dit
sprookje eene min of meer gewijzigde lezing te herkennen van het bij
ons in Europa zoo bekende verhaal van den Wilden Jager? Den 15_den_
Augustus vertrokken wij van Balanga en keerden naar Manilla terug, van
waar wij, een paar weken later, ons naar de provincie Albay begaven.
Ook deze reis ging aanvankelijk over zee. Onze vriend, de heer Génu,
brengt ons aan boord van de _Cébu_, en stelt ons voor aan den kapitein,
don Liborio de Tremoya, die zich aanstonds, met echt castiliaansche
hoffelijkheid, te onzer beschikking stelde.
De kust van Luçon volgende, kwamen wij den volgenden dag, 3 September,
op de hoogte van het eiland Marinduque, dat zeer bevolkt en uitnemend
bebouwd is, vooral in het westelijk gedeelte. Het groote eiland
Mindoro, meer naar het zuidwesten gelegen, was vroeger de korenschuur
der Philippijnen. Mindoro was ontgonnen en gekoloniseerd door paters
Jezuïeten en bereikte onder hunne leiding en bestuur een hoogen trap
van welvaart. De opheffing der Orde, in de vorige eeuw, die onder
zoo menig opzicht verderfelijke gevolgen na zich sleepte, bracht
ook aan het eiland Mindoro een doodelijken slag toe. De razzias der
Moros--de mohammedaansche Maleiers van Palawan, Mindanao, Soeloe,
Borneo en andere eilanden,--voltooiden den ondergang van het eens
zoo bloeiende gewest. De zeer geslonken tagaalsche bevolking heeft
zich bijna uitsluitend aan de kust teruggetrokken. Eenige half wilde
Manguianen zwerven door de dichte wouden van het binnenland, waar de
vergeten ruïnen sluimeren der vroeger volkrijke en welvarende pueblos.
Op de hoogte van Marinduque begint de kust van Luçon van karakter te
veranderen: de bosschen en wouden worden nu telkens afgebroken door
uitgestrekte velden met _cogon_ beplant, eene grassoort die in den
geheelen archipel onafzienbare terreinen bedekt. Doorgaans woekert
zij welig voort op verlaten akkers en plantages; zij is van weinig
nut, en wordt somwijlen gebruikt als dakbedekking voor de hutten der
inlanders. Bij gebrek van ander voedsel, geeft men de jonge plantjes
ook wel aan buffels en paarden. Hoe verder wij komen, hoe woester en
eenzamer de kust wordt: de boschrijke heuvelen worden, naar men zegt,
alleen door enkele _remontados_ bewoond, wier ongunstige reputatie
vrij wel overeenkomt met die der bandieten van de Abruzzen. Ik begrijp
niet, hoe het iemand kan invallen, in deze onbewoonde wildernissen
het beroep van roover te gaan uitoefenen.
In den vroegen morgen van den 5_den_ September varen wij de golf van
Albay binnen, en houden ons dicht onder den noordelijken wal, om de
talrijke banken te vermijden, die zich langs de zuidkust, ver in zee
uitstrekken. Ter wederzijde van de golf verheft zich eene keten van
boschrijke bergen. Tegenover ons, op den achtergrond, verrijst de
trotsche Mayon, de groote vulkaan van Albay, ruim zeven-en-twintig
honderd meters hoog; de onderste helft van den regelmatig gevormden
berg is geheel begroeid; de eigenlijke kegel is met asch en lava
bedekt, waarin de geweldige tropische regenvloeden diepe sporen
hebben gegraven.
Omstreeks half zeven liet de _Cébu_ het anker vallen voor het stadje
Legaspi, op ongeveer twee mijlen afstands van Albay, de hoofdstad
der provincie, gelegen. Wij vertrekken aanstonds met het rijtuig
van een spaansch koopman, don José Ortiz, naar Albay, en ontmoeten
onderweg den beminnelijken gouverneur der provincie, den alcade don
Juan Alvarez Guerra, aan wien wij door onze landgenooten, de heeren
Grénu en Dudemaine, zijn aanbevolen. De alcade zegt aanstonds dat wij
ons als zijne gasten hebben te beschouwen; en de daad bij het woord
voegende, geeft hij ons logies in de Casa real, het gouvernementshuis.
De heer Guerra brengt ons weldra in aanraking met de verschillende
leden der europeesche, en ook met de voornaamste vertegenwoordigers
der ook hier zeer talrijke chineesche kolonie. Te Albay vindt men een
aantal chineesche handelshuizen, die zeer belangrijke zaken doen; en
in de pueblos worden bijna alle handwerken en beroepen door Chineezen
uitgeoefend, de overal meer en meer de inlanders verdringen en in
economischen zin van zich afhankelijk maken. Deze chineesche bevolking,
wier aantal van jaar tot jaar groeit en de Philippijnen dreigt te
overstroomen, bevat zeer verschillende elementen; ongetwijfeld vindt
men onder die scharen van landverhuizers een zeker aantal schurken
en bandieten, die vroeg of laat in den kerker terecht komen; maar
verreweg de meesten, slim, vol overleg, matig, onvermoeid, maken hun
fortuin. Daar komt bij dat zij elkander trouw helpen; bijna iedere
Chinees, die te Manilla aankomt, heeft eene aanbeveling bij zich
aan een of anderen landgenoot, die hem aanstonds met raad en daad
bijstaat. Zij, die zoodanige aanbeveling missen en bijna naakt aan wal
stappen, pakken letterlijk alles aan wat hun voor de hand komt. Door
de zonnestralen geblakerd of druipende van den regen, zwoegt de
Chinees van den morgen tot den avond: hij is sjouwer, straatveger,
boodschaplooper, al wat ge wilt; hij voedt zich met wat vruchten en
betel, en vast dikwijls genoeg; zijne gansche kleeding bestaat uit een
soort van zwembroekje, waarin hij zijne beurs bergt. Die beurs bevat
zijne geheele fortuin en zijne toekomst; gaandeweg vult zij zich; wel
slinkt soms eensklaps zijn schat door verliezen bij de hanengevechten,
bij het kaartspel of in de loterij, maar in den regel komt hij die
verliezen spoedig te boven; en na verloop van korten tijd zit de vuile
koelie, in een fijne tuniek gekleed, met blanke handen en een kunstig
gevlochten staart, in een winkel of kantoor, of doet hij zaken als
makelaar. Heeft hij het zoo ver gebracht, dan doet de Chinees twee
dingen, die hem aanvankelijk veel geld kosten: hij laat zich doopen
en kiest daarbij tot peter een Europeaan, wiens invloed hem voordeelig
kan zijn; en hij trouwt, meestal met een inlandsch meisje. Laten zijne
middelen hem dat toe, dan houdt hij er, behalve zijne wettige vrouw,
nog eenige anderen op na. Van nu af wordt hij steeds rijker en breidt
hij zijn werkkring voortdurend uit. Somwijlen door heimwee gedreven,
maakt hij stilletjes al zijne bezittingen te gelde en vertrekt naar
Canton, met achterlating van vrouw en kinderen; meestal echter sterft
hij op de Philippijnen, een schaar van nakomelingen--_sangleyes_,
mestiezen van Chineezen en inlandsche vrouwen--achterlatende, die
zijne schatten erven en zijne voetstappen drukken.