IV

De baai van Sandakan.--De haven van Davao.

20 Januari 1880.--het is onstuimig weer; de zee gaat hoog, en een koude

regen onttrekt aan ons oog de eilanden en riffen van den archipel van

Tawi-Tawi, die zich tusschen Soeloe en Borneo, van het noordoosten

naar het zuidwesten uitstrekt, en de zee van Mindoro van die van

Celebes scheidt. Tegen tien uren des avonds werpen wij het anker uit

in de baai van Soendakan, voor Elok Poera, hetgeen in het maleisch

zooveel beteekent als de schoone stad.

Zes maanden geleden stond er nog geene enkele hut op deze heuvelen,

voor welke nu waarschijnlijk eene schitterende toekomst is weggelegd:

Elok Poera is tegenwoordig de hoofdplaats van de _North British Borneo

Company_, die van de sultans van Soeloe en Broenei een grondgebied

van veertigduizend vierkante mijlen in het noorden van Borneo,

in vollen eigendom en met afstand van alle souvereiniteitsrechten,

ontvangen heeft.

De resident (directeur der Compagnie), de heer W. B. Pryer, ontvangt

ons met de grootste beleefdheid en dringt er op aan, dat wij onzen

intrek in zijne woning zullen nemen; zelf een entomoloog van naam,

beschouwt hij ons als collega's. Daar in zijn huis nog gewerkt wordt,

slaan wij zijn vriendelijk aanbod af; hij stelt daarop de nieuwste

hut van Elok Poera tot onze beschikking.

Nadat wij eenige dagen hadden doorgebracht met het maken van uitstapjes

in de omstreken van Elok Poera, vertrok ik naar de rivier de Sagalioed,

die zich in de golf van Sanbakan uitstort, achter Hadji Poeloe. Ik

wensch een bezoek te brengen aan de Buled Upih, een inlandschen

stam, die uit een anthropologisch oogpunt bijzonder de aandacht

verdient. Des avonds werpen wij het anker uit bij het dorp Timban,

dat door uitgewekenen uit Soeloe wordt bewoond.

Den zevenden Februari ging ik des morgens ten half zes op weg. De

kust daalt; de onzekere lijn van het strand, de toenemende

menigte wortelboomen _acicenna alba_, die het hoog opgaande hout

vervangen, alles kondigt aan dat wij de monding van de Sagalioed

naderen. Omstreeks half tien liep ik, bij lage zee, de monding binnen,

die door eene bank wordt versperd, waardoor een smal ondiep kanaal

loopt. Aan de andere zijde der bank bedraagt de diepte tusschen de

vijf en zeven el. De oevers zijn laag en geheel begroeid met riet en

wortelboomen, die langzamerhand plaats maken voor nipa. Eene menigte

beken storten zich hier in de Sagalioed uit; en nadat mijn gids

naar alle kanten heeft rondgekeken, verklaart hij niet te weten,

welke van al die wateren de eigenlijke rivier is. Het grootste

gedeelte van den dag gaat voorbij met zoeken en opsporen, alles

onder de stralen eener brandende zon. Eindelijk, in den namiddag,

gelukte het ons, uit te maken welke de rivier is en haar juisten

loop te bepalen. De nipa-palmen maken nu weldra op hunne beurt

plaats voor de hooge stammen en prachtige boomen van het tropische

oerwoud. Door den vloed geholpen, varen wij nu verder tusschen twee

hooge levende muren van ondoordringbaar gebladerte, waartusschen de

Sagalioed hare wateren voortstuwt, als in eene diepe kloof. Zelfs

mijne roeiers zijn blijkbaar onder den indruk van de overweldigende

majesteit dezer heerlijke trotsche natuur. Van tijd tot tijd wordt

de plechtige stilte dezer eenzaamheid verbroken door ruwe kreten en

gebrul. De takken en twijgen langs den oever worden eensklaps door eene

onzichtbare oorzaak in eene golvende beweging gebracht; wij hooren het

kraken van gebroken takken, van gescheurde lianen, een geruisch van

bladeren: dan sterft het geluid langzaam weg en verliest zich in de

verte. Behalve een aantal herten en wilde zwijnen, vindt men in deze

bosschen ook olifanten, rhinocerossen, orang-oetans en eene groote

menigte andere apen. Vergeefs tracht ik er nu en dan een te treffen:

het dicht gordijn van takken en gebladerte schudt en ruischt, maar

schijnt zelfs voor kogels ondoordringbaar: althans het blijkt niet,

dat mijn schot werkelijk getroffen heeft.

Den volgenden morgen kwam ik te Sagalioed, het armzalige dorp van de

Buled Upih, die mij vriendelijk on welwillend ontvangen. Deze Buled

Upih, wier gelaatstrekken bijna den europeeschen type vertoonen,

hebben, volgens mijne waarnemingen, eene gemiddelde lengte van 1.583

meter; hunne kleur is betrekkelijk licht. Zij zijn onverschrokken

jagers, en hoewel slechts gewapend met slechte versleten geweren,

tasten zij zelfs olifanten en rhinocerossen aan.

Nadat ik zoo ver mogelijk den loop der rivier had gevolgd en de

vereischte opmetingen gedaan, waarmede een tiental dagen gemoeid

waren, keerde ik naar Elok Poera terug, waar ik den heer Rey vond,

die eene mooie collectie had bijeengebracht, welke eerlang nog zal

verrijkt worden.

Wij bevinden ons in landstreken, waar krokodillen in menigte huizen:

oppervlakkig zou men zeggen dat wij reeds herhaaldelijk met die

dieren in aanraking moesten zijn gekomen, maar toch hebben wij er

nog geen enkel gezien. Alle Europeanen, met wie ik daarover spreek

en aan wie ik mijne verwondering te kennen geef, verklaren dat zij

niet gelukkiger zijn geweest dan wij. Thans zal deze ledige plaats in

onze verzameling worden aangevuld. Vier Soeloeneezen brengen ons een

levenden jongen krokodil, dien zij stevig gebonden hebben, zoodat hij

zich niet roeren kan. Het komt er nu op aan, het dier met de noodige

voorzorg te villen, zonder het geraamte te beschadigen. Daar ik nog

altijd lijdende ben ten gevolge van de beten der bloedzuigers in de

bosschen van de Sagalioed, draag ik die gewichtige taak op aan mijn

muchacho (jongen) Juan, die minder dan ik door deze afschuwelijke

dieren is gehavend. Juan, die mij dikwijls bij onze werkzaamheden

geholpen heeft, maar nog nooit zelf eene operatie heeft verricht, toont

zich zeer vereerd door het in hem gestelde vertrouwen, en tijgt met

grooten ijver aan den arbeid. Hij installeert zich met zijn kameraad,

den muchacho van den heer Rey, op zijn gemak onder de veranda; bindt

den krokodil op eene plank, en worgt hem met den klassieken strop;

vervolgens maakt hij met vaste hand eene insnijding in het vel van het

borstbeen. Op het eigen oogenblik doet een verschrikkelijk leven mij

van mijne mat opspringen. Juan en de muchacho van den heer Rey liggen

achterover op den grond, te midden van planken, instrumenten en kisten;

alles is in volslagen verwarring. De krokodil was niet dood: zoodra

hij het skalpeermes voelde, verbrak hij zijn boeien en sprong over

de balustrade van de veranda. Ik zag hoe hij zich over boomstammen

heen, dwars door de struiken, naar de rivier spoedde. In Elok Poera,

aan den voet van onzen heuvel gelegen, heeft men dit drama gezien:

aanstonds worden alle deuren gesloten, en de anders op dit uur zoo

drukke straat van het stedeke is in een oogenblik ledig. Beschaamd en

woedend over zijne mislukte operatie, snelt Juan den vluchteling na:

hij haalt den krokodil in, grijpt hem bij den staart en weet hem op

den rug te wentelen, zoodat hij zich niet meer verdedigen kan. Mijn

muchacho nam nu beter voorzorg, en het duurde niet lang, of het skelet

van den krokodil prijkte in onze collectie.

Evenals Juan, lijd ook ik aan koorts en aan de gevolgen van de

beten der bloedzuigers; ik moet dan ook in mijne hut blijven. De

meeste nachten breng ik slapeloos door, luisterende naar de niet

onwelluidende muziek van den koeling-tangang (een maleisch orkest),

die, ter gelegenheid van ik weet niet welk inlandsch feest, zich

elken avond laat hooren. Met ongeduld verwachten wij de komst

van een vaartuig, dat ons uit onze gevangenschap verlossen zal;

die verwachting is aanvankelijk vergeefsch, tot eindelijk, door

een gelukkig toeval, de _Kerguelen_, een kruiser behoorende tot ons

eskader in de Chineesche-zee, op de reede het anker laat vallen. De

gezagvoerder, de kapitein Mathieu, heeft de beleefdheid, om onzentwil

van zijn voorgeschreven weg af te wijken, en ons naar Soeloe terug

te brengen.

Wij moeten eene maand te Soeloe blijven, in afwachting van eene

gelegenheid om naar het zuid-oosten van Mindanao te vertrekken. Ik ben

al dien tijd genoodzaakt, het bed te houden; ik mag niet nalaten, met

innigen dank melding te maken van de hartelijke zorgen en toewijding

van den heer Rey en van den uitnemenden spaanschen officier van

gezondheid, don Manuel Rabadan, die zich een waar vriend toonde. Zoo

als trouwens altijd, kan ik niet dan met den meesten lof gewagen van

de voorkomende vriendelijkheid en hulpvaardigheid van alle Spanjaarden.

Den zesden April gingen wij aan boord van de _Pasig_, waarvan de

kommandant, don José Zavala, ons reeds van vroeger zeer gunstig bekend

was. De eerste dien wij aan boord ontmoeten, is de bataillonskommandant

don Joaquim Rajal y Larre, onlangs tot gouverneur van de provincie

Davao, in het zuid-oosten van Mindanao, benoemd; hij geeft ons

aanstonds de verzekering dat hij alles zal doen wat in zijn vermogen

is, om ons in de vervulling onzer taak behulpzaam te zijn en onze

nasporingen te vergemakkelijken.

Mindanao is, na Luçon, het grootste eiland van de Philippijnen; de

oppervlakte wordt geschat op 94,400 vierkante mijlen. Ten noorden ligt

Mindanao tegenover de Bisayas-eilanden; ten westen wordt het begrensd

door de zee van Mindoro, en ten oosten door den Stillen-oceaan. De

zuidkust, door de zee van Mindoro bespoeld, is rijk aan diepe baaien

of inhammen: onder anderen de baai Illana, de geliefde verblijf-

en schuilplaats van de zeeschuimers, wier voornaamste nederzetting

de Rio Grande beheerschte.

Het eiland wordt bestuurd door een gouverneur-generaal, die den rang

bekleedt van brigadier--een militaire rang tusschen dien van kolonel

en van veldmaarschalk--en te Zamboanga resideert; het is verdeeld in

vier provinciën of afzonderlijke gouvernementen, Cottabato en Davao in

het zuiden, Misamis en Suragao in het noorden. Alleen de kusten zijn

bekend, hoewel de hydrografische kaarten van deze streken, voor het

meerendeel, nog veel te wenschen overlaten. De hydrografische commissie

van de Philippijnen houdt zich nu juist onledig met de opneming van

dat gedeelte der kust van het eiland, dat in den laatsten tijd nog

niet bestudeerd was geworden.

Dit groote, vruchtbare eiland, waarvan het bergachtige binnenland

nog voor een goed deel onbekend en moeilijk te genaken is, wordt

door verschillende volksstammen bewoond, die in vier groepen kunnen

worden gesplitst:

1°. De Bisayas, allen katholiek en aan het gezag van Spanje

onderworpen; tot de Bisayas rekent men ook een aantal inlanders,

die sedert geruimen tijd onderworpen en tot het Christendom bekeerd

zijn. Men vindt de Bisayas bijna uitsluitend in de pueblos of vintas,

bijna allen langs de kust of in hare nabijheid gelegen. Het aantal

dezer inboorlingen wordt geschat op omstreeks honderd-vijftig-duizend

zielen.

2°. De Maleiers of Moros, allen Mohammedanen, vooral in het zuiden

gevestigd, in het stroomgebied van de Rio Grande en rondom sommige

meren van het binnenland.

3°. Een zeker aantal Chineezen, koelies en kooplieden, in de pueblos

gevestigd.

4°. De _Infieles_, inboorlingen van zeer verschillend ras, wilde

heidenen, die geheel onafhankelijk zijn en de binnenlanden van het

eiland bewonen.

De Moros en de Infieles worden te zamen op driehonderd-duizend

zielen geschat. Maar deze schatting kan hoegenaamd geene aanspraak

op juistheid maken, en is eigenlijk niet meer dan eene gissing,

daar deze bevolkingen voor een groot deel geheel onbekend zijn.

In den avond van den zevenden April voeren wij de straat van Sarangani

binnen, gevormd door de eilanden van denzelfden naam en de landpunt

Panguian. Een kanonschot weergalmt, en wij houden stil. Na verloop van

eenige minuten verschijnt bij ons aan boord de luitenant bij de marine

don Enrique de Ramos y Azcaraga, vergezeld van den dokter don Gabriel

Lopez y Martin. De heer de Ramos, kommandant van het maritieme station

van Davao, kruiste hier sedert eenige dagen met een zijner _faloas_,

kleine, weinig diepgaande kustvaartuigen, die zoowel door zeilen als

door riemen kunnen worden voortbewogen. Hij moest de langs de kust

gevestigde Moros in het oog houden en tevens de Sarangani-eilanden

in kaart brengen.

De heer de Ramos, van onze aanstaande komst verwittigd door een brief

van onzen consul Dudemaine, treedt ons te gemoet; hij verzekert ons

dat wij, ten behoeve van onze nasporingen en onderzoekingen, geen

gunstiger terrein kunnen kiezen dan de provincie Davao. Hij voegt

daarbij, dat wij in alles op hem kunnen rekenen en dat hij ons naar

vermogen behulpzaam zal zijn.

Wij zetten nu de vaart voort langs de westelijke kust van de golf

van Davao, waarvan de hooge bergen, de bosschen en velden hetzelfde

karakter vertoonen, dat wij reeds aan de zuidkust van het eiland

hebben leeren kennen. Boven deze bergen verrijst, aan den westelijken

gezichteinder, de Malutun, aan welks voet de Rio Grande vloeit. Dicht

bij Davao en aan de kust verheft zich, met indrukwekkende majesteit, de

Apó, de groote vulkaan, wiens boschrijke hellingen en diepe valleien,

nog nimmer door den voet van een Europeaan betreden, ons reeds dadelijk

na onze aankomst uitlokken tot eene bestijging.

In den namiddag van den tienden April werpt de _Pasig_ het anker uit

op anderhalve mijl afstands van de kleine rio van Davao, waarvan de

monding door eene bank wordt versperd. Aan land gegaan, worden wij met

de meeste hartelijkheid ontvangen door den eerwaarden pater Minovès,

pastoor van Davao, die er op aandringt dat wij onder zijn dak zullen

inkeeren. Vreezende hem overlast te zullen aandoen, nemen wij onzen

intrek in twee aan elkander grenzende huizen in de stad, waar wij ons

installeeren en weldra, dank zij de hulpvaardigheid der Spanjaarden,

van alles wat wij noodig hebben zijn voorzien. Wij nemen muchachos in

onzen dienst, huren een rijtuig en koopen paarden, zoodat wij overal

in den omtrek uitstapjes kunnen maken.

Het stadje Davao, ook onder den naam van Vergara bekend, is de

hoofdplaats van de provincie Nueva Guipuzcoa, die het zuid-oostelijk

gedeelte van Mindanao omvat; langs de zuidelijke kust van het groote

eiland strekt zich deze provincie uit van de baai van Sarangani, waar

zij aan de provincie Cottabato grenst, tot de baai van Maijo, aan den

Stillen-oceaan; de noordelijke grens is onbepaald, want het binnenland

is nog meer of min onafhankelijk. In dat binnenland, tusschen de met

dichte wouden bedekte vulkanische bergen, leven in wilden toestand, de

tot verschillende stammen behoorende, zoogenaamde _Infieles_ langs de

kusten, voornamelijk aan de mondingen der riviertjes en beken, hebben

zich de Moros gevestigd, wier onophoudelijke rooftochten eindelijk

de rechtstreeksche tusschenkomst van de spaansche regeering en de

vestiging van haar gezag in deze streken hebben uitgelokt. In 1847

verkreeg Oyanguren, een officier van beproefde dapperheid en zeldzame

energie, van de regeering te Manilla vergunning, om voor eigen risico,

eene expeditie te ondernemen tegen de Moros van Davao. Hij kreeg van

het gouvernement niet meer dan eenige wapenen en ammunitie, benevens

verlof om eene compagnie vrijwilligers aan te werven. De laatste

der _conquistadores_ vertrok op een kleine brik, liep te Caraga aan

den Stillen-oceaan binnen, wierf daar tweehonderd vrijwilligers aan,

en begaf zich met die kleine macht naar Davao, dat hij zonder slag

of stoot bemachtigde; vervolgens breidde hij al spoedig zijn gezag

uit over de geheele kuststreek, die nog tegenwoordig de provincie

vormt. Sedert dien tijd had de spaansche heerschappij geen ernstigen

aanval meer te doorstaan; de woede en verbittering der Moros uitte

zich in moordaanslagen en rooverijen, die nu in den laatsten tijd,

na de vestiging van een marietiem station te Davao, met kracht worden

onderdrukt. Dit station, waarover het bevel is opgedragen aan een

luitenant ter zee, bestaat uit drie faloas, bemand met vijf-en-zeventig

inlandsche matrozen, en een klein arsenaal, waarvan de werklieden, dank

zij de uitnemende vriendelijkheid van den heer de Ramos, ons de beste

diensten bewijzen. Het bestuur over de provincie is opgedragen aan

een bataillonskommandant, die eene kompagnie van ongeveer tweehonderd

inlandsche soldaten onder zijne bevelen heeft. Deze krijgsmacht is

voldoende om in de kuststreek rust en orde te handhaven. Spanje heeft

wijselijk geene pogingen aangewend tot gewelddadige onderwerwerping van

het binnenland: militaire expeditiën van dien aard, in bijna onbekende,

half bewoonde bosch- en berglanden, te midden van vijandige stammen,

eischen offers van geld en menschenlevens, die meestal in geene

verhouding staan tot de verkregen, en daarbij nog altijd onzekere

uitkomst. De spaansche regering heeft zich voor goed op de kust

gevestigd en wacht nu den verderen loop der gebeurtenissen af: de

ondervinding van de laatste tijden heeft reeds bij herhaling bewezen,

dat deze politiek, met vastheid en beleid gevoerd, onder alle opzichten

de beste is. De provincie Davao is gezond, zelfs langs de kust,

behalve op de plaatsen waar wortelboomen groeien, en waar de inzakking

van den grond moerassen heeft gevormd: deze laatsten zijn echter

gelukkig zeldzaam. De heerschende ziekten zijn diarrhee, dysenterie en

derdendaagsche koorts; de inlanders zijn daaraan vooral onderhevig;

het is niets vreemds, Bisayas te ontmoeten, die jaren achtereen, nu

en dan, soms maanden lang met de koorts sukkelen. Europeanen worden

minder dikwijls door die koortsen aangetast; maar geschiedt dit,

dan woedt de ziekte bij hen in veel heviger graad. Mits zij zich

aan een zeer strengen leefregel houden, kunnen de Europeanen hier

gezond blijven. Dit geldt natuurlijk alleen van volwassen mannen:

zoowel hier als elders, werkt het tropische klimaat bepaald nadeelig

op geheel het organisme van blanke vrouwen en kinderen.

Mijn reisgenoot en medehelper, de heer Rey, ondervindt in het eind

ook de onvermijdelijke gevolgen onzer levenswijze. Tot dus ver had

hij slechts met lichte, voorbijgaande ongesteldheden te kampen; nu

is zijne gezondheid in zoo hevige mate geschokt, dat hij zijn werk

niet langer kan voortzetten, en een onverwijlde terugkeer naar Europa

voor hem noodzakelijk is. Met diep leedwezen neem ik afscheid van mijn

vriend, met wien ik nu ruim een jaar heb gereisd, zonder dat ooit de

goede verstandhouding tusschen ons in het minst werd verstoord. Ik

vergezel den heer Rey aan boord van de _Pasig_, en neem met een

hartelijken handdruk van hem afscheid: moge de zeereis hem goed doen.

Met dezelfde boot vertrok de kommandant don Faustino Villa Abrille

y Alvarez, gouverneur van Davao, die zijn ambt heeft overgedragen

aan den kommandant Rajal. Sedert wij hier zijn, hebben de oude en de

nieuwe gouverneur ons om strijd met de meeste voorkomendheid bejegend

en alles gedaan wat in hun vermogen was, om ons de vervulling onzer

taak gemakkelijk te maken.

Vijf maanden lang hield ik mij te Davao op, waar ik mijn hoofdkwartier

heb gevestigd en van waar uit ik in steeds wijder kring uitstapjes

in den omtrek maak. De Infieles van deze streek, de Bagobos vooral,

bezitten uitmuntende paarden; iedereen, mannen, vrouwen en kinderen,

rijdt in deze bergachtige streken te paard; en deze dieren worden hier

met niet minder zorg behandeld en verpleegd dan in Algerië. Maar

ondanks hunne reputatie als ruiters, zitten deze inboorlingen

toch niet stevig in den zadel: door den eigenaardigen vorm van den

stijgbeugel kunnen zij hunne knieën niet goed gebruiken en moeten

zich dus in evenwicht houden: van daar dat een val van het paard

volstrekt geene zeldzaamheid is, vooral bij de groote bewegelijkheid

der ruiters. Daar komt bij dat zij, ook te paard zittende, steeds een

lans in de hand hebben, waardoor de kansen om een ongeluk te krijgen,

aanmerkelijk vermeerderd worden. Onlangs was ik met twee opperhoofden

uit den omtrek van Davao op de herten- en zwijnenjacht. Wij bevonden

ons aan den zoom van een uitgestrekt, zacht golvend weiland, rondom

door bosschen omgeven; achter ons waren eene menigte _sacopes_ en

slaven bezig, met groot geschreeuw, het wild op te jagen en naar

het weiland te drijven. Weldra schoot een hert uit het bosch te

voorschijn; wij jagen het dier na, dwars door het hooge gras, dat

een aantal kuilen en greppels voor hot oog verbergt; de inlandsche

paarden weten met merkwaardig instinkt die gevaarlijke plekken te

vermijden: zij voelen aan de weekheid van den bodem, dat een poel

of greppel in de nabijheid is en springen er over heen. Ditmaal had

een der paarden zijn sprong niet goed berekend en viel. De ruiter

werd natuurlijk over den kop van het paard heen geslingerd, en kwam

op zijne lans terecht, die ongelukkig in den grond was gedrongen,

met de punt naar boven. Gelukkig was de wond niet doodelijk; door

eene zorgvuldige behandeling mocht het mij gelukken, hem te genezen;

maar de ongelukkige dato zal zijn leven lang eene belemmering in de

ademhaling behouden en hij zal van de drijfjacht moeten afzien.

Men vindt in den omtrek van Davao verschillende inlandsche stammen,

die zich zeer wezenlijk van elkander onderscheiden.

De Bisayas geven den naam van Atas aan de Negritos, die ik tot dusver

nog enkel als slaven heb ontmoet, en ook aan andere stammen, die ten

noordwesten van den Apó leven. Deze laatsten hebben betrekkelijk een

vrij hoogen trap van beschaving bereikt en vormen een geordende

maatschappij; zij zijn de eenigen, die zich met de Moros durven

meten, aan wie zij een onverzoenlijken haat gezworen hebben; en hunne

stoutmoedigheid wordt niet zelden met goeden uitslag bekroond.

De Tagabawas, die in zeden en levenswijze niet veel van de Atas

verschillen, schijnen echter meer vredelievend en tot toenadering

gezind. Hunne kleeding bepaalt zich in den regel tot het hoogst

noodige; maar bij feestelijke gelegenheden behangen zij zich letterlijk

met halskettingen en allerlei soort van sieraden.

De Guiangas, de Samals, de Tagacaolos en nog een paar andere, min of

meer talrijke stammen, leven in halve barbaarschheid en voor een deel

ook in onophoudelijke vijandschap, zoowel met de blanken, als vooral

met de mohammedaansche Maleiers of Moros, die zich langs de kusten

hebben gevestigd, en die ook geene gelegenheid laten voorbijgaan

om de Infieles te bedriegen en op de meest schaamtelooze wijze te

exploiteeren.

V

Beklimming van den vulkaan Apó.

October 1880.--Bij mijn terugkomst te Davao, verneem ik van den

gouverneur Rajal, dat hij een onderhoud heeft gehad met den dato Mani,

het opperhoofd van een der talrijkste en machtigste stammen, die

de oostelijke hellingen van den vulkaan Apó bewonen, en den toegang

tot den berg, die in hunne oogen eene heilige plaats is, zoowel aan

de Spanjaarden als aan de Infieles ontzeggen. Deze dato Mani hield

zich overtuigd, dat zijn gebied voor de Spanjaarden onbereikbaar was:

die overtuiging was hoogst waarschijnlijk gegrond op den ongelukkigen

afloop van enkele pogingen tot beklimming van den Apó. Maar daar hij

voor Davao een zeer lastige nabuur was, nam de vorige gouverneur, op

een zekeren morgen, twintig soldaten met zich en omsingelde Mani met

zijn geheele kamp; hij onderwierp zich en verkreeg vergiffenis. De

kommandant Rajal heeft nu van Mani stellige toezeggingen verkregen:

de dato zal zich niet verzetten tegen de bestijging van den vulkaan;

meer nog, hij zal zelf onze gids zijn en zal ook geen slaaf offeren

om den toorn van zijn god te bezweren.

De vriendelijke gouverneur, die den tocht zoo spoedig mogelijk

ondernemen wil, noodigt mij uit, hem te vergezellen; welke uitnoodiging

ik met graagte aanneem. Met onze toebereidselen zijn wij spoedig

gereed. Wij zullen eenige muchachos medenemen; de gouverneur zal zich

bovendien doen vergezellen door acht soldaten, met remmington-geweren

gewapend, die ons als geleide en tevens als dragers zullen dienen. Het

komt er vooral op aan, zoo nauwkeurig mogelijk de hoogte te bepalen van

den Apó, die nog nooit is bestegen geworden. De zoo bij uitnemendheid

beleefde en hulpvaardige kommandant van het maritieme station van

Davao, don Enrique de Ramos, is dadelijk bereid, mij zijne hulp te

verleenen. Zes maal per dag, op bepaalde uren, zal hij den barometer,

den thermometer en den hygrometer van het station raadplegen; van

dezelfde instrumenten voorzien, zal ik gedurende de beklimming,

zooveel mogelijk op dezelfde uren, mijnerzijds waarnemingen doen;

uit de vergelijking onzer aanteekeningen zullen wij dan de hoogte

trachten op te maken.

5 October.--Reeds den vorigen avond zijn de inlandsche soldaten,

onder kommando van een europeeschen sergeant, over zee naar Sibulan

vertrokken. Ten zes uren in den morgen stijgen wij te paard; de Apó,

waarvan de top half door den morgennevel omsluierd is, verdwijnt

weldra geheel uit ons oog, want wij bevinden ons in de dichte bosschen,

die zich langs zijn voet uitstrekken en zijne hellingen bedekken.

Ons kleine gezelschap bestaat uit den eerwaarden pater Mateo Grisbert,

aan de missie van Davao verbonden, uit de heeren don Ramon Lon y

Al-bareda, tweeden luitenant bij de infanterie, don Ramon Cordero,

don José Maria Campo, en don Rafael Martinez.

Na een vrij langen rit door het bosch, komen wij weder op het strand;

het fijne, vochtige zand is eene uitkomst voor de paarden, die weldra

in vliegenden galop voortstuiven. Omstreeks drie uren in den namiddag

komen wij te Binogao, eene groote hut op het strand van Sibulan,

waar wij onze soldaten vinden en den dato Mani, vergezeld van een

honderdtal Bagobos te voet en te paard, allen gewapend met een bolo

(kris) en eene lans. Mani beweert, dat hij om ons eer te bewijzen

een zoo talrijk gevolg heeft medegebracht, en wij houden ons maar

of wij hem gelooven. Na eene korte rust begeven wij ons op weg;

wij keeren der zee den rug toe en beginnen den berg te beklimmen,

daarbij het pad volgende, dat naar de rancheria van Mani voert,

waar wij des avonds ten zeven uren aankomen.

Deze rancheria, die zeshonderd-dertien el boven de zee ligt, is zeer

groot, en omringd door eenige kleinere hutten en door eene vrij groote

uitgestrektheid bouwland: alles omsloten door het dichte woud. Al deze

hutten zijn vrij hoog boven den grond verheven en rusten op stammen

van boomachtige varens; de groote merkwaardigheid van deze rancheria

is eene kleine smidse, voorzien van een aanbeeld, dat door de Infieles

en Moros uit den omtrek met naijverige en begeerige blikken wordt

aangezien; in deze smidse worden, ondanks de gebrekkige werktuigen,

door de inlanders zeer goede bolos vervaardigd.

De vrouwen en de vader van Mani ontvangen ons boven aan de trap of

ladder, die toegang geeft tot het adellijk kasteel. De vader van Mani,

een meer dan tachtigjarige blinde grijsaard, houdt zich steeds vast

aan zijne laatste vrouw, eene jonge Bagoba van veertien jaar.

Den volgenden morgen blijkt ons escorte van inlandsche lansiers met

eenige manschappen verminderd, want de Infieles beginnen te begrijpen

dat zij een gedeelte van onzen voorraad zullen hebben te dragen. Mani,

schijnbaar zoo dienstvaardig mogelijk, stookt onder de hand zijn volk

op, dat zij weigeren eenigen last te dragen. Toch is het noodig, dat

wij althans eenige mondbehoeften medenemen. Dit gehaspel veroorzaakt

vertraging, zoodat wij eerst tegen den middag vertrekken kunnen.

Nadat wij, niet zonder moeite, door eene diepe beek zijn getrokken,

komen wij op eene vlakte, die met hooge boomen is begroeid, welke

gaandeweg vervangen worden door groote bosschages van bamboe, waarvan

de krachtvolle stengels eene hoogte bereiken van dertig tot veertig

voet. Een tropische plasregen, van hevige windvlagen vergezeld,

noodzaakt ons, gedurende eenigen tijd stil te houden; als wij onzen

tocht hervatten, bevinden wij ons weldra aan den rand van een diep

ravijn, waarvan de wanden loodrecht afdalen; zeer tot onze spijt,

moeten wij hier van onze paarden afscheid nemen. De soldaten krijgen

nog iets meer te dragen, en wij beginnen langs de steile, boschrijke

helling af te dalen, tot wij eindelijk aan den oever komen van de rio

Tagulaya, een breeden en diepen bergstroom, die nu, door de regens

gezwollen, met onstuimig geweld door zijne nauwe bedding schiet.

Op zekere hoogte boven de rivier is een enkele bamboestengel van de

eene rots naar de andere gespannen; de Bagobos gaan, met hunne bloote

voeten, met het grootste gemak over deze meer dan eenvoudige brug;

voor ons heeft dat meer moeite in. Aan de overzijde stuit de brug

tegen een hoogen, gladden rotswand, waarlangs een liane gespannen is;

ons aan die liane vastklemmende, klauteren wij met levensgevaar naar

beneden, elk oogenblik dreigende in de bruisende wateren te storten

van de Tagulaya, die dertig voet beneden ons, schuimend en kokend,

zich een weg baant over en tusschen puntige rotsen. Het is mij

onverklaarbaar, hoe onze soldaten, met hunne wapenen en onze bagage

beladen, zonder ongeval beneden komen. Als wij eindelijk allen op

eene smalle landtong zijn aangekomen, slaan wij daar ons bivouak

op, tusschen de eerste boomachtige varens. De plek is wonderschoon;

wij brengen daar een kalmen nacht door, in slaap gewiegd door het

harmonisch geruisch der wateren.

7 October.--Ten zeven uren des morgens bevinden wij ons midden in

de Tagulaya, die met groot gerucht door een bochtig dal stroomt;

de oevers zijn loodrecht; wij zijn dus genoodzaakt de bedding der

rivier te houden. Mani verzekert ons, dat wij spoedig een beteren weg

zullen vinden; ik houd mij overtuigd dat de valsche dato, die niet

durfde weigeren ons naar den vulkaan te geleiden, nu met opzet den

tocht zoo bezwaarlijk mogelijk maakt, in de hoop ons daardoor af te

schrikken. Vijf uren lang worstelen wij stroomopwaarts, te midden

der schuimende wateren, telkens uitglijdende op de gladde rotsen;

twaalf malen zijn wij genoodzaakt, dwars door woedende draaikolken,

den ziedenden stroom te doorwaden om eene begaanbare plek te vinden;

dikwijls reikt het koude water ons tot aan de schouders. Overigens

is het landschap betooverend schoon: ter wederzijde stijgen tot eene

hoogte van vijftig tot honderd el de donkere rotswanden omhoog,

waarlangs kristallen watervallen naar beneden ruischen. Dichte

gordijnen van lianen en orchideeën hangen tot op het water af, en

verhullen zoo halverwege den ingang van ruime grotten en spelonken,

die wij gaarne zouden onderzoeken, indien het mogelijk ware, op dezen

weg te blijven stilstaan. Boven onze hoofden vormen de dooreengeweven

takken van reusachtige varens en aurentaceën een dicht gewelf, waardoor

de zonnestralen met moeite heendringen en de schoonste spelingen van

licht en schaduw tooveren op de snelvlietende schuimende wateren. Onze

Bagobos, alleen met een glanzend broekje gekleed, met de lans in de

vuist, overal over de rotsen verspreid, vormen te midden van deze

romantische omgeving, eene fantastische stoffage; waren we niet tot

op het gebeente doorweekt, uitgeput van vermoeienis en gekneusd en

gehavend, dan zouden wij kunnen meenen te droomen.

Wij verlaten eindelijk de bedding dezer beek, waarvan ik de ellende

en de schoonheid niet licht vergeten zal; wij klauteren langs steile

bergwanden omhoog en komen eindelijk, half dood van vermoeienis,

omstreeks den middag, aan eenige hutten, door kleine maisvelden

omringd: dat is de rancheria van Tagaydaya, die aan den dato Bitil

behoort, een bondgenoot van Mani. De Bagobos van Tagaydaya hebben nog

nooit Europeanen gezien; in den beginne schijnen zij zeer wantrouwend,

maar allengs meer op hun gemak komende, geven zij ons volgaarne de

weinige levensmiddelen die zij missen kunnen. Een mijner muchachos

ruilt vijf kippen in tegen eenige glaskoralen, die niet meer dan

vijftien centen waard zijn.

Den volgenden morgen was een onzer reisgezellen, waarschijnlijk ten

gevolge van de inspanning van den vorigen dag, ongesteld; een hevige

aanval van koorts belet hem, de reis te vervolgen. Ongelukkig laat

het zich niet aanzien dat hij spoedig beter zal zijn; wij kunnen hier

niet vertoeven en zijn dus genoodzaakt, den kranke te Tagaydaya achter

te laten, met den noodigen voorraad chinine, onder de hoede van een

zijner vrienden en van twee inlandsche soldaten.

Den negenden vervolgen wij onzen tocht, en beklimmen den berg Pupuq,

die op eene hoogte van omstreeks duizend meters een uitgestrekt plateau

vormt, dat met lianen en struikgewas is bedekt. De temperatuur van den

grond wordt merkbaar hooger, en de lucht is vervuld met zwavelachtige

dampen. Aan den voet van de noordelijke helling van den berg Pupuq

ontspringt een der bronnen van de rio Tagulaya. Aan de overzijde van

deze beek verandert de vegetatie eensklaps van karakter. De boomen

en planten, die tot dusver den berg bedekken, maken plaats voor

een woud van boomvarens, tusschen de tien en twintig ellen hoog;

de stammen zijn, evenals de grond, geheel overdekt met een dichten

mantel van mosch en klimop; de vochtigheid is buitengewoon, en overal,

op den grond, op de bladeren, langs de stammen, vloeit en druppelt het

water. Omstreeks twee uur in den namiddag begint de helling minder

steil te worden, en betreden wij de bijna uitgedroogde bedding van

een bergstroom, die na den regen eene opeenvolging van bruisende

watervallen moet vormen. Gelukkig heeft de beek nu zoo goed als geen

water; maar toch kost het geweldige inspanning, om de reusachtige

steenblokken en steile rotsen te beklimmen, die ons telkens den weg

versperren. De zwaar beladen soldaten kunnen bijna niet meer voort;

een hunner zinkt, aan den rand van den afgrond, bewusteloos neer,

met alle verschijnselen van dreigende verlamming der longen; met

groote moeite sleepen wij hem voort tot aan de plaats, waar wij ons

bivouak willen opslaan, op eene hoogte van 2229 meter. Wij bevinden

ons te midden van lage varens, waarvan het water afdruipt; dit is te

onaangenamer, daar gedurende den nacht mijn minimumthermometer tot 8°

boven nul daalt.

Omtrent den verder te volgen weg kunnen onze Bagobos ons geene

inlichtingen meer geven. Wij kunnen den vulkaan zeer duidelijk zien;

de zuidelijke helling van den Apó is naar ons toegekeerd; deze

helling is over de geheele hoogte verdeeld door eene breede spleet,

waaruit wolken van damp opstijgen. Voor zoover wij zien kunnen, is

de berg van die zijde ongenaakbaar. Wij besluiten, de bestijging aan

de oostzijde te beproeven: en dit besluit werd ons door een goeden

genius ingegeven, want alleen daar is beklimming mogelijk.

10 October.--Hoewel wij eene hoogte van 2229 meter hebben bereikt,

moeten wij nog een goed eind hooger klimmen; twee uren lang gaat

de tocht met zeer veel moeite bergopwaarts. De boomvarens zijn op

eene hoogte van 1900 meter verdwenen; wij bevinden ons thans in een

dicht bosch van lage varens, wier knoestige, dooreengevlochten, over

den grond kruipende stammen en takken een soort van veerkrachtig bed

vormen, waarop men niet kan voortkomen, dan door van den eenen tak op

den anderen te springen. Na tallooze malen gestruikeld en gevallen

te zijn, komen wij, uitgeput van vermoeienis, op eene hoogte waar

de schrale en armelijke plantengroei geen beletsel meer is (2370

meter). Hier begint de bestijging van den eigenlijken vulkaan: de

bodem bestaat voor een goed deel uit steenen en asch, meestal met

een laag zwavel van een tot twee duim dikte. In de spleten der rotsen

vinden wij uitmuntend water, dat ons heerlijk te stade komt.

Tegen tien uren bevinden wij ons aan den rand van de groote zuidelijke

spleet, die wij gisteren uit de verte hebben gezien; hare breedte

bedraagt ongeveer vijftig el; de loodrechte wanden hebben eene hoogte

van tusschen de twintig en zestig meter. Uit die wanden stijgen,

met een schel gefluit, zwavelzure dampen omhoog, wier helder witte

kleur scherp afsteekt bij het vuile geel van de dikke zwavellaag, die

de gansche spleet bedekt. De grond wordt brandend heet: weldra houdt

bijna alle spoor van plantengroei op; slechts enkele jeneverstruiken

verheffen zich nog hier en daar tusschen de asch. De Bagobos staan

aarzelend stil. Ziende dat wij vast besloten zijn, voort te gaan,

verzekert een oude slaaf, die tevens het beroep van toovenaar

uitoefent, zijn makkers, dat zij ons zonder vrees kunnen volgen;

hij heeft den god Mandarangan uit den krater zien opstijgen en in de

wolken verdwijnen; aanstonds wordt zijne getuigenis bevestigd door

verschillende Bagobos, die verklaren hetzelfde gezien te hebben.

Om twaalf uren komen wij aan den voet van den krater, in eene

kleine vallei, waarvan de noordelijke rand, veel minder hoog dan de

zuidelijke, van Davao gezien, de top van den berg schijnt te zijn. Op

hetzelfde oogenblik, nog eer ik eenige waarneming had kunnen doen,

worden wij omhuld door dichte wolken. Wij besluiten niettemin,

de bestijging ten einde toe te volbrengen. Ondanks de buitengewoon

steile helling van den buitenrand van den krater, bereiken wij zonder

al de groote inspanning den top, dank zij vooral de eigenaardige

ligging der blokken puimsteen, die bijna overal eene natuurlijke trap

vormen. Juist als wij het einddoel van onzen tocht bereiken, worden de

wolken die ons omhullen nog dichter, en worden wij onaangenaam verrast

door een fijnen, doordringenden regen. Het is mij ter nauwernood

mogelijk, het inwendige van den krater, die ongeveer vijfhonderd el

in doorsnede heeft, te onderscheiden; ook aan de binnenzijde groeien

nog dwergachtige jeneverstruiken. De bodem is onzichtbaar door de

voortdurend opstijgende rook- en dampwolken. Tot overmaat van ramp,

is Marcello, mijn getrouwe muchacho, die de instrumenten draagt en

tot hiertoe mij trouw is bijgebleven, ongeveer honderd el lager

eensklaps blijven stilstaan, hetzij door uitputting, hetzij ten

gevolge van duizeligheid; maar toch kan de hieruit voortvloeiende

vergissing in do hoogte-berekening slechts zeer gering zijn. Volgens

mijne waarneming bedraagt de hoogte van den berg 3185 meter. De

honderdgradige thermometer teekent vijftien graden onder nul.

Wij aanvaarden zoo haastig mogelijk den terugtocht, uit vrees voor

slecht weer. Tot op eene hoogte van 2400 meter afgedaald, worden wij

verrast door een prachtig schouwspel. Achter ons verrijst de geheel

van wolken bevrijde krater, als een reusachtige, afgebrokkelde muur,

en teekent tegen den blauwen hemel de onregelmatige lijn van zijn

getanden top; rondom strekt zich een onmetelijk tapijt van zwavel

uit, waarvan de omtrekken zich verliezen in de violette tinten van de

lichtende wolk, die langzaam onder onze voeten voortglijdt. Over dien

zwevenden wolkensluier heen, overziet de blik een prachtig panorama:

de dichte wouden, die de hellingen van den Apó bedekken, en verder

de blauwe wateren van de golf, waarin de landpunten van Dumalac en

Malalac, en de eilanden Samal en Talikoed als donkergroene massaas

uitkomen tegen het lichtend blauw der zee.

Het was ons niet lang vergund, van dit wonderschoone tafreel te

genieten; nauwelijks zijn wij weer in de streek der lage varens

aangekomen, of een geweldige regenvloed verblindt en verstijft ons van

koude; in den woesten storm verlies ik de meeste planten, die ik boven

op den kegel geplukt had. Onder een stroomenden zondvloed komen wij

aan ons ellendig bivouak van gisteren, waar wij den nacht doorbrengen

op een leger van haastig dooreengevlochten knoestige takken.

11 October.--Toen de dag aanbrak, waren wij bijna verstijfd, maar

een goed vuur en eenige koppen koffie helpen ons weer op de been. Wij

overnachten in de rancheria van Bitil, waar wij het genoegen hebben

onzen vriend aan te treffen, die geheel van zijne koorts genezen is.

Den volgenden dag kwamen wij aan de rio Tagulaya, die ons bij de

beklimming zoo veel moeite heeft veroorzaakt. Mani heeft nu geen

enkele reden meer om ons aan de waterproef te onderwerpen: hij brengt

ons dan ook langs een zeer bruikbaar pad, dat over de hoogten aan den

linkeroever van de beek loopt. Op de vraag, waarom hij ons de eerste

maal dien weg niet had gewezen, antwoordde hij, dat hij meende dat wij

haast hadden en dat de weg door de beek de naaste was. Wij stelden ons

met dat antwoord tevreden; wij hadden ons doel bereikt, en tot onze

groote verrassing en blijdschap vonden wij ook onze paarden terug,

die wij niet meer hadden gehoopt weer te zien. Om drie uren in den

namiddag komen wij aan de rancheria van Mani, waar wij de treurige

tijding vernemen van het overlijden van eene zijner vrouwen, die

den vorigen dag bezweken was. Dit is een ongelukkig geval, want

er is alle reden om te vreezen, dat de Bagobos den dood van deze

vrouw zullen beschouwen als een teeken van den toorn van Mandarangan

over het beklimmen van den hem gewijden berg; en dat zij, als naar

gewoonte, zullen trachten, den toorn van den god door menschenoffers

te bezweren. De kommandant Rajal neemt Mani ter zijde en brengt hem

met den meesten nadruk onder het oog, dat zoo iets niet geduld zal

worden. De dato zweert bij de nagedachtenis zijner moeder, dat hij

geen bloed zal vergieten; en naar ik later vernomen heb, heeft hij

eerlijk zijn woord gehouden.

13 October.--In den loop van den morgen zijn wij weder te Davao,

waar men met niet weinig verbazing het welslagen verneemt van onze

expeditie, waarvan de inlanders en de Bisayas eenstemmig verklaard

hadden, dat zij noodwendig mislukken moest. Wij zijn wel een weinig

vermoeid, maar zeer voldaan. Ik voor mij heb, ondanks enkele

vermoeienissen en ontberingen, die trouwens van zulk een tocht

onafscheidelijk zijn, de aangenaamste herinnering behouden aan dit

uitstapje, dat door de welwillendheid, de vriendelijkheid en het

onverstoorbaar goede humeur mijner spaansche gastheeren voor mij een

waar genot is geweest.

Een reis naar de Philippijnen De Aarde en haar Volken, 1886 · 第 4 / 7 题