Tot de belangrijke teekenen des tijds behoort ongetwijfeld het
toenemend gewicht, dat, in de laatste jaren vooral, het koloniale
vraagstuk gekregen heeft. En hiermede bedoel ik niet de kwestie omtrent
de wijze van beheer van onze oost-indische bezittingen en hetgeen
daarmede in verband staat; ik vat de zaak ruimer op, en bedoel de
toenemende belangstelling, die aan het koloniale vraagstuk gewijd
wordt, ook daar waar men zich vroeger met deze kwestie bijna niet
bezig hield; het streven, dat in verschillende staten steeds meer
op den voorgrond treedt, om het oude koloniaal bezit uit te breiden
of zich voor het eerst nieuwe koloniën te verwerven. Het machtige
Duitsche rijk heeft, tot groote verbazing van anderen, eensklaps dien
weg ingeslagen, en heeft dat gedaan met die beslistheid, die energie,
die doortastende wilskracht, die steeds de handelingen kenmerkt van
den grooten staatsman, wiens schepping het nieuwe Duitschland is,
en wiens schier onstuimig optreden misschien wel juist op deze
ongewone wijze geschiedt, om bij de toeschouwers de gedachte op
den achtergrond te dringen dat al deze schijnbaar onbesuisde en
geïmproviseerde stappen niet anders zijn dan de ontwikkeling van
een fijn berekend, diep doordacht plan. Dit streven van de eerste
militaire mogendheid van Europa naar koloniaal bezit, naar macht en
invloed ook ver buiten Europa, heeft reeds zeer gewichtige gevolgen
gehad, en zal waarschijnlijk, misschien reeds in eene nabijzijnde
toekomst, tot zeer verrassende uitkomsten leiden. Frankrijk, op
zijn beurt, heeft de oogen naar het verre Oosten geslagen en zich
gewikkeld in avonturen, die duizenden menschenlevens en millioenen
schats verslinden, die de krachten des lands uitputten, en toch in
het gunstigste geval maar een zeer povere uitkomst schijnen te kunnen
hebben.--Met verbazing, met ingehouden toorn, met kwalijk verborgen
ongerustheid slaat Engeland deze gebeurtenissen gade: op een gebied,
waarop het meende van rechtswege alleen meester te zijn en geen
mededinger te moeten dulden, ziet het eensklaps een zeer ernstigen
mededinger optreden, wiens verschijning juist daarom zoo verontrustend
is omdat niemand weet wat hij eigenlijk wil en hoever hij zal gaan,
terwijl men toch overtuigd is dat hij een vast plan heeft en op een
doel afgaat, hem alleen bekend. Wat zal Engeland doen? Heeft het oude
Brittanje, waar, onder menig opzicht, de toestanden zoo zonderling,
zoo angstwekkend, men zou bijna zeggen zoo hopeloos verwikkeld zijn;
dat voor de oplossing van zoo geduchte problemen, politieke en
sociale, is geplaatst,--heeft het oude Brittanje nog de kracht den
schepter der zeeën te omklemmen, en zijn onmetelijk koloniaal gebied
te verdedigen en te handhaven? Of is ook voor Engeland het uur gekomen
of in aantocht, het noodlottig uur, dat in vroeger en later eeuw, met
onverbiddelijke noodzakelijkheid, geslagen heeft voor alle staten,
wier gansche streven opging in handelsbelang, wier geheele politiek
uitsluitend werd beheerscht door de kwestie van winst of verlies: het
noodlottig uur, waarin de op dit ééne doel gerichte nationale kracht
blijkt opgeteerd en niet langer in staat om de verworven schatten, die
den naijver van velen opwekken, te beschermen en de hand af te weren,
naar dien rijken buit uitgestrekt?--Wie weet, of niet spoediger dan
menigeen denkt, de historie op die vraag het antwoord zal geven.
Deze gebeurtenissen, waarbij ook de belangen van ons vaderland zoo
nauw betrokken kunnen zijn, hebben niet alleen eene politieke,
maar ook eene sociale beteekenis. Wat is het, dat de volken van
Europa dus aandrijft om zich in andere werelddeelen bezittingen te
verwerven, invloed te verzekeren; om zich met geweld en vaak door
de onverdedigbaarste middelen toegang te verschaffen tot rijken en
staten, die van dergelijke aanraking liefst verschoond bleven: wat
anders, dan de klimmende, de dringende en dwingende noodzakelijkheid
om telkens nieuwe uitwegen, nieuwe markten te openen voor de tot het
onzinnige opgevoerde produktie? De fraaie woorden, die men in den mond
voert, kunnen het brutale feit niet verbergen, dat het in den grond
der zaak om niets anders te doen is dan om het grove, materieele
eigenbelang. Of liever, het is om iets ergers, iets ernstigers
te doen: het is in den vollen zin des woords eene levenskwestie:
en juist dat geeft aan de verschijnselen en gebeurtenissen, die
bezig zijn zich voor onze oogen te ontwikkelen, eene inderdaad
tragische beteekenis. Zie Engeland. Hoe het jubelde en roemde,
toen de wondervolle veroveringen en ontdekkingen der wetenschap
de industrie opvoerden tot eene vroeger nooit gedroomde hoogte;
toen het duizendvoudig vermenigvuldigde en onophoudelijk verbeterde
werktuig in fabelachtig korten tijd den arbeid verrichtte, die vroeger
de inspanning zou hehben gevorderd van millioenen menschen en van
vele jaren; toen van alle einden der wereld de grondstoffen werden
aangevoerd om in de reusachtige fabrieken verwerkt te worden, en dan
op nieuw naar alle einden der wereld verzonden. Hoe vermenigvuldigden
zij zich, die machtige fabrieken, het leven van gansche distrikten
tot zich trekkende; hoe ging zij met reuzenschreden vooruit, de
groote industrie, dorpen en vlekken omscheppende in bloeiende steden,
waar de honderdduizenden zich verdrongen; steeds verder en verder
om zich grijpende tot haar invloed elken anderen verdrong, voor haar
belang elk ander wijken moest, tot, in waarheid, feitelijk de macht
van den staat, het welzijn des volks, het leven des lands, aan haar
hing. En zij arbeidde maar immer voort, rusteloos, onverpoosd: want
hield zij op, dan waarde het gebrek rond, dan teisterde de bleeke
honger de duizenden en duizenden, die alleen van haar leefden; dan
voeren schokken en trillingen als van een broedenden vulkaan door
de ontroerde maatschappij. Zij moest voortwerken--stilstand was de
ondergang. Zoo werkte zij dan voort, altijd op nieuw en altijd weer
voortbrengende, de produktie vermeerderende ... tot op eenmaal bleek,
dat er voor die produkten geen koopers meer te vinden waren; dat de
met steeds voller en met geweldiger golven bruisende stroom geen uitweg
meer had. Dan _moesten_, tot elken prijs, nieuwe wegen geopend, nieuwe
markten opgespoord; dan werden, zonder schijn zelfs van recht of reden,
oorlogen gevoerd en expedities--echte rooverstochten--ondernomen, om
tot dusver gesloten havens te doen openen, tot dusver ontoegankelijke
landen en volken te trekken binnen den noodlottigen toovercirkel. Dan
werd telkens eene nieuwe prooi den onverzadelijken Mammon in den muil
geworpen: en weer ging het voort, rusteloos, onverpoosd, koopende en
verkoopende, altijd en altijd door voortbrengende, schatten op schatten
stapelende, als kon daar nooit een einde aan komen. Toch komt dat
einde met onverbiddelijke noodzakelijkheid. Daar treden mededingers
op; de macht, die gewoon was de wereld te dwingen, ziet--zij het
ook nog in nevelige omtrekken--een sterkere in aantocht, die haar
den buit kan ontrooven; een duister voorgevoel van de naderende,
geweldige crisis doorhuivert de trotsche gestalte; het schemerend
besef doemt op, hoe dit schitterende gouden beeld dat de oogen der
wereld verblindde, op leemen voeten rust; hoe onzeker, hoe kunstmatig,
hoe gevaarlijk deze schijnbaar zoo vaste, zoo onwrikbare positie is;
hoe geheel die voorspoed, die onmetelijke rijkdom afhankelijk is
van omstandigheden, die men niet op den duur beheerschen kan, en in
een enkelen beslissenden schok reddeloos verloren kan gaan. Is het
wonder, dat dit besef, dit voorgevoel de kracht van den arm verlamt,
soms het hoofd doet duizelen en tot daden drijft, waarvan zij die
buiten staan vaak vergeefs de verklaring zoeken?
Doch wij mogen ons door deze beschouwingen niet laten
medevoeren. Slechts dit wilden wij in het licht stellen, dat de
zoo opgewekte belangstelling in de ver verwijderde streken van het
uiterste Oosten, het streven naar machtsuitbreiding in die streken,
naar koloniaal bezit, een dieperen grond heeft, een politieken
zoowel als een socialen of economischen; en dat daarom al hetgeen
in die richting geschiedt in volle mate onze opmerkzaamheid en
belangstelling verdient. En niet minder is het de moeite waard, onze
kennis te vermeerderen van die landen, die tot dusverre als in de
schemering van het onbekende waren verborgen, en die wel nooit, naar
het scheen, geroepen zouden kunnen worden, op het wereldtooneel eene
rol te spelen. Dat is veranderd: niemand kan zeggen, of niet wellicht
morgen eene of andere vergeten plek, een of ander eiland, in den
grenzenloozen oceaan verloren, eene wereldhistorische beteekenis kan
erlangen; of niet van daar de vonk zal uitgaan, die een verwoestenden
wereldbrand ontsteken kan.
Daarom meenden wij, bij de opening van een nieuwen jaargang van
ons tijdschrift, de aandacht van onze lezers te mogen vragen voor
het verhaal van een reistocht naar eene dier eilandengroepen in den
Indischen-oceaan, op de grenzen tusschen Azië en Polynesië, die reeds
door haar ligging geroepen schijnen, over korter of langer tijd eene
gewichtige rol te spelen of althans den terugslag te ondergaan van
groote gebeurtenissen. Het geldt de groep der Philippijnsche eilanden,
een van de weinige brokstukken, die Spanje uit de schipbreuk zijner
koloniale macht heeft gered en tot hiertoe behouden heeft. Onze gids
op dezen tocht zal de heer doctor J. Montano zijn, een fransch
geleerde, aan wien, naar een in Frankrijk heerschend en zeer
prijzenswaardig gebruik, in 1879, door het ministerie van onderwijs
eene wetenschappelijke zending naar de Philippijnen werd opgedragen. Na
deze misschien reeds te lange inleiding geven wij hem zelven het woord.
I
Malakka.
Den 20_sten_ Mei 1879 nam ik met mijn vriend en collega, doctor
Paul Rey, plaats aan boord van het transportschip _l'Annamite_, om
mij te kwijten van de zending, mij door den minister van onderwijs
opgedragen. Den 19_den_ Juni kwamen wij te Singapore; de boot naar
Manilla vertrekt nog niet; van den overblijvenden tijd zullen wij
dus gebruik maken om een bezoek te brengen aan de inlandsche stammen,
die door de Maleiers naar de binnenlanden van het schiereiland zijn
teruggedrongen.
Verscheidene booten varen geregeld tusschen Penang en Singapore;
maar onze tijd is beperkt; en hoewel eenigermate tegen onzen zin,
nemen wij plaatsen op de eerste stoomboot, die naar Malakka vertrekt:
de _Ben More_, eene chineesche boot, of ten minste aan eene chineesche
maatschappij behoorende. De eerste machinist alleen is een Engelschman;
al de verdere officieren zijn uit den Indischen-archipel geboortig. Een
agent van de maatschappij, een echte Chinees met een bril en eene
lange staart, ontvangt de reisgelden en schijnt aan boord met het
hoogste gezag besteed. Hij wandelt op de landingsbrug heen en weer,
met het air van een admiraal, maar bemoeit zich niet met de manoeuvres
van het schip.
In den namiddag van den 27_sten_ Juni varen wij af; het dek is opgevuld
met arme, en de kajuit met rijke Chineezen, die vrij goed engelsch
en maleisch spreken. De tafel is overvloedig, naar anglo-maleischen
smaak: de Chineezen, hunne reputatie van groote matigheid vergetende,
laten zich de voedzame spijzen uitmuntend smaken. Wij zouden ons
met thee hebben moeten vergenoegen, indien niet onze buurman aan
tafel, met ons de eenige europeesche passagier, ons bereidwillig
had medegedeeld van zijn voorraad rooden wijn. Een wonderlijk
man was die vriendelijke tafelgenoot: hij was een napolitaansch
horlogemaker, die over Penang naar Italië terugkeerde, na gedurende
tien jaren rondgezworven te hebben door China, de Philippijnen, den
Maleischen-archipel en Australië. Hij is zeer bij de hand en vlug
van begrip, zeer vroolijk en opgeruimd, levendig, sterk gespierd;
hij praat zonder eenige moeite fransch, engelsch, duitsch, spaansch,
maleisch en het chineesche dialekt van Canton; maar ondanks al zijne
bekwaamheden, heeft hij geen fortuin gemaakt en keert hij naar Europa
terug, niet veel rijker dan bij zijn vertrek.
Tegen den avond van den volgenden dag wierp de _Ben More_ het anker
uit op de reede van Malakka, op zeer grooten afstand van den wal;
wij riepen den schipper van eene voorbijvarende prauw aan en voeren
naar de monding van de kleine rivier, die midden door de stad Malakka
stroomt. Op den linkeroever zien wij eene lange reeks van hutten,
door kokosboomen overschaduwd; aan den rechteroever verrijst een vrij
hooge heuvel, waarvan de top gekroond wordt door eene groote kerk
van witten steen, die uit de verte gezien geheel ongeschonden schijnt.
Wij varen de rivier op, die zich tusschen de armoedige, zeer smerige
woningen der maleische en chineesche bevolking heen slingert. Er
is te Malakka geen hotel; wij besluiten dus ons aan te melden bij
den eerwaarden pater Pouget, fransch priester-zendeling, en een
beroep te doen op zijne gastvrijheid. De uitnemende missionaris
stelt aanstonds zijn huis tot onze beschikking en laat onmiddellijk
onze bagage derwaarts overbrengen. Pater Pouget deelt ons mede, dat
zich te Malakka nog een ander landgenoot bevindt, de heer Rolland,
dien ik vroeger te Parijs gekend heb, en van wien ik weet dat hij
ons zeer nuttige inlichtingen zal kunnen geven. De heer Rolland, die
te midden der bosschen van Kessang, veertig mijlen ten noorden van
Malakka woont, is aanstonds bereid ons met zijne kennis ten dienst te
staan; hij verzekert ons dat zijne woning bij uitstek gunstig gelegen
is voor iemand, die de inlandsche rassen wenscht te bestudeeren. Hij
keert dien eigen avond naar zijne plantage terug, en noodigt ons uit,
met hem mede te gaan: welke vriendelijke uitnoodiging zonder bedenken
door ons wordt aangenomen.
Wij gaan een bezoek afleggen bij den gouverneur van Malakka en tevens
een kijkje nemen van de stad. De waarnemende gouverneur, de majoor
Squirrel, is een van die engelsche officieren, die tusschen twee
veldtochten altijd een oogenblik weten te vinden om de kennismaking
met de parijsche boulevards te hernieuwen. Nu was hem het bestuur
opgedragen eener provincie, waar hij moet zorgen het evenwicht te
bewaren tusschen de niet altijd overeenkomende belangen van Europeanen,
Maleiers en Chineezen, die bovendien om vele andere redenen elkander
niet best kunnen verdragen. Voor de vervulling zijner gansch niet
gemakkelijke taak, kan de gouverneur beschikken over een honderdtal
engelsche soldaten en eene brigade inlandsche marechaussée, zoogenaamde
_mata-mata._
De majoor ontvangt ons met de grootste voorkomendheid; wij gebruiken
bij hem den _lunch_, in gezelschap van den luitenant Stevenson en den
chirurgijn-majoor Barrington. Het gesprek loopt natuurlijk over de
provincie en haar tegenwoordigen toestand. Malakka, dat vroeger een
zeer belangrijke haven was, heeft thans niet veel meer te beteekenen:
de groothandel heeft zich verplaatst naar Singapore en naar Penang. De
inlandsche stammen, sedert lang door de Maleiers van de kusten
verdreven, trekken zich meer en meer in het binnenland terug. De
gewapende invallen der Maleiers hebben sinds geruimen tijd opgehouden;
maar in de plaats daarvan komt thans de van dag tot dag verder om zich
grijpende, vreedzame verovering door de Chineezen, die op hun beurt
de Maleiers zullen verdringen. Reeds sedert lang hebben de Chineezen
zich meester gemaakt van den geheelen kleinhandel te Malakka en in
de omliggende dorpen: zij oefenen allerlei beroepen en bedrijven uit;
zij ontginnen de bosschen en leggen er groote maniocplantages aan; het
gouvernement verleent hun voor een tijdvak van tien jaren concessie
voor de ontginning, want de maniockultuur put den grond spoedig uit,
die dan een kwart eeuw braak moet blijven liggen. De Chinees is van
nature een veroveraar, altijd langs vreedzamen weg, en loert steeds
op de gelegenheid om ook de aangrenzende terreinen in te palmen;
de koloniale regeering heeft dikwijls genoeg de handen vol met het
toezicht over deze nijvere, energieke kolonisten, wier geweten hun
in den regel weinig last baart.
Des avonds vertrokken wij met den heer Rolland naar zijne plantage. De
rijweg is zeer goed onderhouden. Tegen twee uren na middernacht
komen wij te Durian Touggal, een politiepost, waar eenige mata-mata
in bezetting liggen; ten zes uren zijn wij te Kessang, insgelijks
een politiepost, niet ver van de woning van den heer Rolland. Het
dorp Kessang zelf is niet veel meer dan een gehucht, met eene weinig
talrijke bevolking; maar in de uitgestrekte, tot het dorp behoorende
rijstvelden, die door een gordel van hooge boschrijke bergen worden
begrensd, liggen eene menigte maleische hutten naar alle kanten
verspreid.
Reeds den volgenden dag kom ik, door de tusschenkomst van den heer
Rolland, in aanraking met een jongen Manthra, die door honger gedreven
de bosschen verlaten had en die vrij goed maleisch spreekt. Wij nemen
hem aanstonds in onze dienst: hij zal ons tevens als gids en tolk
dienen en bleek volkomen aan onze verwachtingen te beantwoorden.
Pang Lima, zoo heette hij, nam op zich om ons naar zijne stamgenooten
aan den berg Bukit Kumunin, ongeveer twintig mijlen ten noorden van
Kessang, te voeren. Wij gaan met hem op weg en komen weldra in een
dicht bosch, waar wij vier uren lang de sporen volgen van het wild
gedierte; telkens wordt onze marsch gestuit door geweldige boomstammen,
die van ouderdom ter aarde zijn gestort. Het is een prachtig, echt
tropisch woud: reusachtige boomen stijgen overal als zuilen omhoog
en vermengen hun zwaar gebladerte, zoodat slechts een getemperd licht
door het dichte loofgewelf kan heendringen.
Wij bereiken den zoom van een breed en diep ravijn; aan de overzijde
verheft zich een heuvel, een uitlooper van den Bukit Kumunin, die
met een even dicht bosch is bedekt als dat hetwelk wij zooeven zijn
doorgetrokken. Aan den voet van den heuvel bespeuren wij een kleinen
schralen akker en eene hut, die zich schier verliezen tusschen de
reusachtige boomen, wier schaduw de geheele plek overdekt.
Pang Lima gaat alleen vooruit, voorzien van glaskoralen en tabak
en met last om de Manthras op onze komst voor te bereiden; want de
onverwachte verschijning van zoo buitengewone wezens als blanken,
zou den stam op de vlucht drijven en alle nadere aanraking onmogelijk
maken. Gelukkig behoeft onze gezant niet lang te onderhandelen:
weldra geeft hij ons een teeken, dat wij naderbij kunnen komen.
De Manthras schijnen eerst als aan den grond genageld; eenige
vriendelijke woorden, door Pang Lima hun overgebracht, stemmen hen
aldra tot meer toenadering; en terwijl de vrouwen hout hakken en vuur
aanleggen voor ons ontbijt, kunnen wij op ons gemak de kleine groep
gadeslaan. Dertien personen, negen volwassenen en vier kinderen,
ziedaar de gansche stam, hier in de wouden verloren, en die maanden
lang in deze eenzaamheid doorbrengt, zonder andere inlanders te
zien. Deze arme lieden, bijna geheel naakt, onuitsprekelijk vuil,
uitgehongerd, ten prooi van afzichtelijke ziekten, leverden een
beklagenswaardigen aanblik op. De hut ziet er al even ellendig uit
als hare bewoners. Binnen eene door houten blokken afgeperkte, kleine
vierkante ruimte, liggen midden in de asch eenige andere blokken
half te smeulen; men zorgt er voor, dat dit vuur niet uitgaat, want
dan kost het moeite het weer te ontsteken. Men maakt namelijk vuur,
door twee stukken bamboe tegen elkander te wrijven. In een hoek
staan eenige ruwe potten en enkele manden, waarvan een de noodige
ingrediënten bevat om sirih te maken; tot onze verwondering zien
wij ook een muskietenscherm, dat zeker van een of anderen Chinees is
gekocht. De muskieten zijn een onuitstaanbare plaag in de wouden van
Malakka; en ik kan mij zeer goed den eerbied verklaren, waarmede de
arme Manthras deze vuile versleten gordijnen, die op honderd plaatsen
met allerlei stukken gelapt zijn, beschouwen.
Men begrijpt lichtelijk wat onder zulke omstandigheden en bij zulke
lieden de landbouw te beteekenen heeft. Landbouwwerktuigen bezitten
zij niet; om het armzalige veldje rondom hunne hut te verkrijgen,
hebben de Manthras eenige boomen omgehakt en, nog eer zij geheel droog
waren, in brand gestoken; de bladeren, de twijgen en de lianen werden
dus alleen door het vuur verteerd; toen heeft men, met behulp van
scherp gepunte stokken, gaten gemaakt in den met de half vermolmde
boomen bedekten grond; vervolgens wat rijst en wat manioc geplant;
en daarna met kalme onderwerping afgewacht wat de uitkomst zou zijn
van al die inspanning.
De Manthras leggen zich ook op de jacht toe en geven daarbij
bewijzen van groote behendigheid, maar hunne wapenen zijn zeer
gebrekkig. Zij hebben geen andere wapenen dan de _parang_, eene soort
van korten sabel, die tevens als mes en als bijl dienst doet en onder
verschillende namen in geheel den Indischen archipel gevonden wordt; en
de _sampitan_ of blaaspijp, waarmede zij vergiftige pijlen werpen. De
apen en de vogels blijven echter meestal buiten hun bereik. De
pijlen en de blaaspijpen maken zij zelven, maar de parangs ruilen
zij tegen andere voorwerpen in. Het ontbreekt den Manthras niet aan
verstand; maar grenzenlooze traagheid en zorgeloosheid maken iederen
vooruitgang onmogelijk. Pater Pouget, die hen sedert lang kent en met
ongeloofelijke moeite eenigen hunner op den zendingspost van Ayer
Salak, nabij Malakka, weet te houden, gaf mij van deze ongelukkige
wilden eene volkomen juiste beschrijving. Hunne taal is, volgens hem,
niet anders dan een maleisch dialekt, met eenige siameesche woorden
vermengd. De volgende dagen bezochten wij nog enkele andere stammen,
niet wezenlijk van de Manthras verschillende en een even ellendig
leven leidende. Zij zijn allen zachtaardig en zorgeloos; verregaande
traagheid is bij allen de heerschende eigenschap. Zonder eenigen
twijfel zouden al deze wilden voor zichzelven en voor hunne gezinnen
het noodige onderhoud kunnen verdienen, indien zij op de chineesche
plantages wilden werken, waar zij bovendien tegen aanvallen van
wilde dieren en van de Maleiers beveiligd zouden zijn; maar de
arbeid, en bovenal de vaste regelmatige arbeid is voor hen eene
straf, die hun alleen door geweld kan worden opgelegd. Veel liever
blijven zij in hunne hutten op den grond liggen, rookende en betel
kauwende; slechts de prikkel van den honger kan hen uit die dommelige
verdooving wekken. Toch weten zij zeer goed, aan welke gevaren deze
levenswijze hen blootstelt. Dikwijls genoeg worden deze ongelukkigen
door de Maleiers overvallen, die hunne vrouwen en kinderen wegvoeren,
en hen zelven tot slaven maken. Deze aanslagen worden wel gestreng
gestraft, wanneer zij ter kennis van de regeering komen; maar hoe
zou de regeering te Malakka kennis kunnen dragen van alles wat in de
binnenlanden, in het hart der bosschen, voorvalt? Ook al gelukt het
den gevangene te ontsnappen, dan weet hij toch niet tot wien zich te
wenden om recht te verkrijgen.
Den 10_den_ Juli nemen wij afscheid van den heer Rolland en keeren naar
Malakka terug, langs denzelfden weg dien wij gekomen zijn, maar dien
wij toen niet hebben kunnen zien, omdat wij 's nachts reisden. Deze
weg, die om de geheele provincie loopt, nu eens door de bosschen,
dan weer door plantages, wordt zeer goed onderhouden en door posten
van mata-mata bewaakt. Wij komen door verschillende maleische dorpen,
die allen op elkander gelijken: in het midden een paar winkels van
chineesche kooplieden, een politiewachthuis, en verder, te midden van
struikgewas, bloeiende heesters en kokospalmen, omringd door buffels
en die sierlijke bultige inlandsche runderen, de verspreide hutten,
waarin het overdag altijd stil is, maar waaruit u des avonds vaak
melodisch gezang tegen klinkt. Door den prikkel van godsdienstigen
waanzin opgezweept, en in de woede van het gevecht, is de Maleier
vaak ontembaar woest en onverschrokken, maar in het gewone leven is
hij zachtaardig en boven alles op zijn gemak gesteld. Onder zijne
veranda gezeten, rookt hij zijn sigaar en wiegt zijne kinderen, uren
achtereen, terwijl de vrouw hout hakt, water put en alle huishoudelijke
werkzaamheden verricht. De kinderen zijn even kalm en zwijgend als
hun vader: zeer zelden zal men hen zoo luidruchtig en vroolijk zien
als de kinderen bij ons in Europa.
In den omtrek van Malakka verandert het landschap van karakter:
het woud verdwijnt en de hutten van bamboe worden vervangen door
sierlijke, smaakvolle villa's, voor het meerendeel toebehoorende
aan chineesche kooplieden, die hun fortuin gemaakt hebben en zich nu
hier komen vestigen, ver van de drukte en het gewoel van Singapore en
Penang. Hunne fraaie equipages maken eene schitterende vertooning naast
de armzalige inlandsche rijtuigjes van de aanzienlijke Maleiers, altijd
opgevuld met vrouwen van allerlei leeftijd, die zich bij onze nadering,
voor den vorm, het gelaat bedekken met haar mousselinen sluier.
De steeds dienstvaardige pater Pouget brengt ons naar de missie van
Ayer Salak, waar wij ons vrij lang in het latijn onderhouden met
jonge Manthras, die hunne opvoeding ontvangen hadden in het kleine
seminarie te Penang. Met den beminnelijken geestelijke gaan wij ook
een bezoek brengen aan het gesticht der zusters van het heilige kind
Jezus, meer bekend onder den naam van Dames van Saint-Maur: welk
gesticht een succursaal is van dat te Singapore. In deze kostschool,
waaraan tevens een weeshuis voor meisjes verbonden is, vindt men
vertegenwoordigers van alle rassen, die het land bewonen. Een fransche
zuster, bijgestaan door eene engelsche, is sedert twintig jaren belast
met het bestuur dezer inrichting: het zou inderdaad niet gemakkelijk
zijn, een voorbeeld te vinden van edeler toewijding, van grooter ijver
en van een beter besteed leven. Alle kinderen zijn even vroolijk
en opgewekt: zij zien er zeer netjes uit en leven onderling in de
beste verstandhouding, ondanks het verschil van ras; zij zongen voor
ons eenige fransche liederen, die zeer goed klonken. De superieure,
die zeer zeker tot oordeelen bevoegd is, verzekert ons dat de kleine
Manthras door gehoorzaamheid en gewilligheid ver uitmunten boven
hare andere leerlingen. Maar de meisjes, die in het weeshuis opgevoed
worden, keeren nooit naar haar stam terug: doorgaans trouwen zij een
Chinees, die haar een behoorlijk bestaan kan verzekeren.
Den 13_den_ Juli gaan wij aan boord van de _Japan_, waar wij een
maleischen rajah en zijne echtgenoote aantreffen. Ook deze boot
behoort aan eene chineesche maatschappij. Den volgenden dag werpen
wij het anker uit op de reede van Singapore. De heer Brasier de Thuy,
directeur der _Messageries maritimes_, verschijnt aan boord en neemt
ons mede naar zijne gastvrije en smaakvolle woning, waar wij een
alleraangenaamsten dag doorbrengen.
Den 15_den_ Juli begeven wij ons aan boord van de _Panay_, die geregeld
tusschen Singapore en Manilla vaart.