Reis naar de Philippijnen

Tot de belangrijke teekenen des tijds behoort ongetwijfeld het

toenemend gewicht, dat, in de laatste jaren vooral, het koloniale

vraagstuk gekregen heeft. En hiermede bedoel ik niet de kwestie omtrent

de wijze van beheer van onze oost-indische bezittingen en hetgeen

daarmede in verband staat; ik vat de zaak ruimer op, en bedoel de

toenemende belangstelling, die aan het koloniale vraagstuk gewijd

wordt, ook daar waar men zich vroeger met deze kwestie bijna niet

bezig hield; het streven, dat in verschillende staten steeds meer

op den voorgrond treedt, om het oude koloniaal bezit uit te breiden

of zich voor het eerst nieuwe koloniën te verwerven. Het machtige

Duitsche rijk heeft, tot groote verbazing van anderen, eensklaps dien

weg ingeslagen, en heeft dat gedaan met die beslistheid, die energie,

die doortastende wilskracht, die steeds de handelingen kenmerkt van

den grooten staatsman, wiens schepping het nieuwe Duitschland is,

en wiens schier onstuimig optreden misschien wel juist op deze

ongewone wijze geschiedt, om bij de toeschouwers de gedachte op

den achtergrond te dringen dat al deze schijnbaar onbesuisde en

geïmproviseerde stappen niet anders zijn dan de ontwikkeling van

een fijn berekend, diep doordacht plan. Dit streven van de eerste

militaire mogendheid van Europa naar koloniaal bezit, naar macht en

invloed ook ver buiten Europa, heeft reeds zeer gewichtige gevolgen

gehad, en zal waarschijnlijk, misschien reeds in eene nabijzijnde

toekomst, tot zeer verrassende uitkomsten leiden. Frankrijk, op

zijn beurt, heeft de oogen naar het verre Oosten geslagen en zich

gewikkeld in avonturen, die duizenden menschenlevens en millioenen

schats verslinden, die de krachten des lands uitputten, en toch in

het gunstigste geval maar een zeer povere uitkomst schijnen te kunnen

hebben.--Met verbazing, met ingehouden toorn, met kwalijk verborgen

ongerustheid slaat Engeland deze gebeurtenissen gade: op een gebied,

waarop het meende van rechtswege alleen meester te zijn en geen

mededinger te moeten dulden, ziet het eensklaps een zeer ernstigen

mededinger optreden, wiens verschijning juist daarom zoo verontrustend

is omdat niemand weet wat hij eigenlijk wil en hoever hij zal gaan,

terwijl men toch overtuigd is dat hij een vast plan heeft en op een

doel afgaat, hem alleen bekend. Wat zal Engeland doen? Heeft het oude

Brittanje, waar, onder menig opzicht, de toestanden zoo zonderling,

zoo angstwekkend, men zou bijna zeggen zoo hopeloos verwikkeld zijn;

dat voor de oplossing van zoo geduchte problemen, politieke en

sociale, is geplaatst,--heeft het oude Brittanje nog de kracht den

schepter der zeeën te omklemmen, en zijn onmetelijk koloniaal gebied

te verdedigen en te handhaven? Of is ook voor Engeland het uur gekomen

of in aantocht, het noodlottig uur, dat in vroeger en later eeuw, met

onverbiddelijke noodzakelijkheid, geslagen heeft voor alle staten,

wier gansche streven opging in handelsbelang, wier geheele politiek

uitsluitend werd beheerscht door de kwestie van winst of verlies: het

noodlottig uur, waarin de op dit ééne doel gerichte nationale kracht

blijkt opgeteerd en niet langer in staat om de verworven schatten, die

den naijver van velen opwekken, te beschermen en de hand af te weren,

naar dien rijken buit uitgestrekt?--Wie weet, of niet spoediger dan

menigeen denkt, de historie op die vraag het antwoord zal geven.

Deze gebeurtenissen, waarbij ook de belangen van ons vaderland zoo

nauw betrokken kunnen zijn, hebben niet alleen eene politieke,

maar ook eene sociale beteekenis. Wat is het, dat de volken van

Europa dus aandrijft om zich in andere werelddeelen bezittingen te

verwerven, invloed te verzekeren; om zich met geweld en vaak door

de onverdedigbaarste middelen toegang te verschaffen tot rijken en

staten, die van dergelijke aanraking liefst verschoond bleven: wat

anders, dan de klimmende, de dringende en dwingende noodzakelijkheid

om telkens nieuwe uitwegen, nieuwe markten te openen voor de tot het

onzinnige opgevoerde produktie? De fraaie woorden, die men in den mond

voert, kunnen het brutale feit niet verbergen, dat het in den grond

der zaak om niets anders te doen is dan om het grove, materieele

eigenbelang. Of liever, het is om iets ergers, iets ernstigers

te doen: het is in den vollen zin des woords eene levenskwestie:

en juist dat geeft aan de verschijnselen en gebeurtenissen, die

bezig zijn zich voor onze oogen te ontwikkelen, eene inderdaad

tragische beteekenis. Zie Engeland. Hoe het jubelde en roemde,

toen de wondervolle veroveringen en ontdekkingen der wetenschap

de industrie opvoerden tot eene vroeger nooit gedroomde hoogte;

toen het duizendvoudig vermenigvuldigde en onophoudelijk verbeterde

werktuig in fabelachtig korten tijd den arbeid verrichtte, die vroeger

de inspanning zou hehben gevorderd van millioenen menschen en van

vele jaren; toen van alle einden der wereld de grondstoffen werden

aangevoerd om in de reusachtige fabrieken verwerkt te worden, en dan

op nieuw naar alle einden der wereld verzonden. Hoe vermenigvuldigden

zij zich, die machtige fabrieken, het leven van gansche distrikten

tot zich trekkende; hoe ging zij met reuzenschreden vooruit, de

groote industrie, dorpen en vlekken omscheppende in bloeiende steden,

waar de honderdduizenden zich verdrongen; steeds verder en verder

om zich grijpende tot haar invloed elken anderen verdrong, voor haar

belang elk ander wijken moest, tot, in waarheid, feitelijk de macht

van den staat, het welzijn des volks, het leven des lands, aan haar

hing. En zij arbeidde maar immer voort, rusteloos, onverpoosd: want

hield zij op, dan waarde het gebrek rond, dan teisterde de bleeke

honger de duizenden en duizenden, die alleen van haar leefden; dan

voeren schokken en trillingen als van een broedenden vulkaan door

de ontroerde maatschappij. Zij moest voortwerken--stilstand was de

ondergang. Zoo werkte zij dan voort, altijd op nieuw en altijd weer

voortbrengende, de produktie vermeerderende ... tot op eenmaal bleek,

dat er voor die produkten geen koopers meer te vinden waren; dat de

met steeds voller en met geweldiger golven bruisende stroom geen uitweg

meer had. Dan _moesten_, tot elken prijs, nieuwe wegen geopend, nieuwe

markten opgespoord; dan werden, zonder schijn zelfs van recht of reden,

oorlogen gevoerd en expedities--echte rooverstochten--ondernomen, om

tot dusver gesloten havens te doen openen, tot dusver ontoegankelijke

landen en volken te trekken binnen den noodlottigen toovercirkel. Dan

werd telkens eene nieuwe prooi den onverzadelijken Mammon in den muil

geworpen: en weer ging het voort, rusteloos, onverpoosd, koopende en

verkoopende, altijd en altijd door voortbrengende, schatten op schatten

stapelende, als kon daar nooit een einde aan komen. Toch komt dat

einde met onverbiddelijke noodzakelijkheid. Daar treden mededingers

op; de macht, die gewoon was de wereld te dwingen, ziet--zij het

ook nog in nevelige omtrekken--een sterkere in aantocht, die haar

den buit kan ontrooven; een duister voorgevoel van de naderende,

geweldige crisis doorhuivert de trotsche gestalte; het schemerend

besef doemt op, hoe dit schitterende gouden beeld dat de oogen der

wereld verblindde, op leemen voeten rust; hoe onzeker, hoe kunstmatig,

hoe gevaarlijk deze schijnbaar zoo vaste, zoo onwrikbare positie is;

hoe geheel die voorspoed, die onmetelijke rijkdom afhankelijk is

van omstandigheden, die men niet op den duur beheerschen kan, en in

een enkelen beslissenden schok reddeloos verloren kan gaan. Is het

wonder, dat dit besef, dit voorgevoel de kracht van den arm verlamt,

soms het hoofd doet duizelen en tot daden drijft, waarvan zij die

buiten staan vaak vergeefs de verklaring zoeken?

Doch wij mogen ons door deze beschouwingen niet laten

medevoeren. Slechts dit wilden wij in het licht stellen, dat de

zoo opgewekte belangstelling in de ver verwijderde streken van het

uiterste Oosten, het streven naar machtsuitbreiding in die streken,

naar koloniaal bezit, een dieperen grond heeft, een politieken

zoowel als een socialen of economischen; en dat daarom al hetgeen

in die richting geschiedt in volle mate onze opmerkzaamheid en

belangstelling verdient. En niet minder is het de moeite waard, onze

kennis te vermeerderen van die landen, die tot dusverre als in de

schemering van het onbekende waren verborgen, en die wel nooit, naar

het scheen, geroepen zouden kunnen worden, op het wereldtooneel eene

rol te spelen. Dat is veranderd: niemand kan zeggen, of niet wellicht

morgen eene of andere vergeten plek, een of ander eiland, in den

grenzenloozen oceaan verloren, eene wereldhistorische beteekenis kan

erlangen; of niet van daar de vonk zal uitgaan, die een verwoestenden

wereldbrand ontsteken kan.

Daarom meenden wij, bij de opening van een nieuwen jaargang van

ons tijdschrift, de aandacht van onze lezers te mogen vragen voor

het verhaal van een reistocht naar eene dier eilandengroepen in den

Indischen-oceaan, op de grenzen tusschen Azië en Polynesië, die reeds

door haar ligging geroepen schijnen, over korter of langer tijd eene

gewichtige rol te spelen of althans den terugslag te ondergaan van

groote gebeurtenissen. Het geldt de groep der Philippijnsche eilanden,

een van de weinige brokstukken, die Spanje uit de schipbreuk zijner

koloniale macht heeft gered en tot hiertoe behouden heeft. Onze gids

op dezen tocht zal de heer doctor J. Montano zijn, een fransch

geleerde, aan wien, naar een in Frankrijk heerschend en zeer

prijzenswaardig gebruik, in 1879, door het ministerie van onderwijs

eene wetenschappelijke zending naar de Philippijnen werd opgedragen. Na

deze misschien reeds te lange inleiding geven wij hem zelven het woord.

I

Malakka.

Den 20_sten_ Mei 1879 nam ik met mijn vriend en collega, doctor

Paul Rey, plaats aan boord van het transportschip _l'Annamite_, om

mij te kwijten van de zending, mij door den minister van onderwijs

opgedragen. Den 19_den_ Juni kwamen wij te Singapore; de boot naar

Manilla vertrekt nog niet; van den overblijvenden tijd zullen wij

dus gebruik maken om een bezoek te brengen aan de inlandsche stammen,

die door de Maleiers naar de binnenlanden van het schiereiland zijn

teruggedrongen.

Verscheidene booten varen geregeld tusschen Penang en Singapore;

maar onze tijd is beperkt; en hoewel eenigermate tegen onzen zin,

nemen wij plaatsen op de eerste stoomboot, die naar Malakka vertrekt:

de _Ben More_, eene chineesche boot, of ten minste aan eene chineesche

maatschappij behoorende. De eerste machinist alleen is een Engelschman;

al de verdere officieren zijn uit den Indischen-archipel geboortig. Een

agent van de maatschappij, een echte Chinees met een bril en eene

lange staart, ontvangt de reisgelden en schijnt aan boord met het

hoogste gezag besteed. Hij wandelt op de landingsbrug heen en weer,

met het air van een admiraal, maar bemoeit zich niet met de manoeuvres

van het schip.

In den namiddag van den 27_sten_ Juni varen wij af; het dek is opgevuld

met arme, en de kajuit met rijke Chineezen, die vrij goed engelsch

en maleisch spreken. De tafel is overvloedig, naar anglo-maleischen

smaak: de Chineezen, hunne reputatie van groote matigheid vergetende,

laten zich de voedzame spijzen uitmuntend smaken. Wij zouden ons

met thee hebben moeten vergenoegen, indien niet onze buurman aan

tafel, met ons de eenige europeesche passagier, ons bereidwillig

had medegedeeld van zijn voorraad rooden wijn. Een wonderlijk

man was die vriendelijke tafelgenoot: hij was een napolitaansch

horlogemaker, die over Penang naar Italië terugkeerde, na gedurende

tien jaren rondgezworven te hebben door China, de Philippijnen, den

Maleischen-archipel en Australië. Hij is zeer bij de hand en vlug

van begrip, zeer vroolijk en opgeruimd, levendig, sterk gespierd;

hij praat zonder eenige moeite fransch, engelsch, duitsch, spaansch,

maleisch en het chineesche dialekt van Canton; maar ondanks al zijne

bekwaamheden, heeft hij geen fortuin gemaakt en keert hij naar Europa

terug, niet veel rijker dan bij zijn vertrek.

Tegen den avond van den volgenden dag wierp de _Ben More_ het anker

uit op de reede van Malakka, op zeer grooten afstand van den wal;

wij riepen den schipper van eene voorbijvarende prauw aan en voeren

naar de monding van de kleine rivier, die midden door de stad Malakka

stroomt. Op den linkeroever zien wij eene lange reeks van hutten,

door kokosboomen overschaduwd; aan den rechteroever verrijst een vrij

hooge heuvel, waarvan de top gekroond wordt door eene groote kerk

van witten steen, die uit de verte gezien geheel ongeschonden schijnt.

Wij varen de rivier op, die zich tusschen de armoedige, zeer smerige

woningen der maleische en chineesche bevolking heen slingert. Er

is te Malakka geen hotel; wij besluiten dus ons aan te melden bij

den eerwaarden pater Pouget, fransch priester-zendeling, en een

beroep te doen op zijne gastvrijheid. De uitnemende missionaris

stelt aanstonds zijn huis tot onze beschikking en laat onmiddellijk

onze bagage derwaarts overbrengen. Pater Pouget deelt ons mede, dat

zich te Malakka nog een ander landgenoot bevindt, de heer Rolland,

dien ik vroeger te Parijs gekend heb, en van wien ik weet dat hij

ons zeer nuttige inlichtingen zal kunnen geven. De heer Rolland, die

te midden der bosschen van Kessang, veertig mijlen ten noorden van

Malakka woont, is aanstonds bereid ons met zijne kennis ten dienst te

staan; hij verzekert ons dat zijne woning bij uitstek gunstig gelegen

is voor iemand, die de inlandsche rassen wenscht te bestudeeren. Hij

keert dien eigen avond naar zijne plantage terug, en noodigt ons uit,

met hem mede te gaan: welke vriendelijke uitnoodiging zonder bedenken

door ons wordt aangenomen.

Wij gaan een bezoek afleggen bij den gouverneur van Malakka en tevens

een kijkje nemen van de stad. De waarnemende gouverneur, de majoor

Squirrel, is een van die engelsche officieren, die tusschen twee

veldtochten altijd een oogenblik weten te vinden om de kennismaking

met de parijsche boulevards te hernieuwen. Nu was hem het bestuur

opgedragen eener provincie, waar hij moet zorgen het evenwicht te

bewaren tusschen de niet altijd overeenkomende belangen van Europeanen,

Maleiers en Chineezen, die bovendien om vele andere redenen elkander

niet best kunnen verdragen. Voor de vervulling zijner gansch niet

gemakkelijke taak, kan de gouverneur beschikken over een honderdtal

engelsche soldaten en eene brigade inlandsche marechaussée, zoogenaamde

_mata-mata._

De majoor ontvangt ons met de grootste voorkomendheid; wij gebruiken

bij hem den _lunch_, in gezelschap van den luitenant Stevenson en den

chirurgijn-majoor Barrington. Het gesprek loopt natuurlijk over de

provincie en haar tegenwoordigen toestand. Malakka, dat vroeger een

zeer belangrijke haven was, heeft thans niet veel meer te beteekenen:

de groothandel heeft zich verplaatst naar Singapore en naar Penang. De

inlandsche stammen, sedert lang door de Maleiers van de kusten

verdreven, trekken zich meer en meer in het binnenland terug. De

gewapende invallen der Maleiers hebben sinds geruimen tijd opgehouden;

maar in de plaats daarvan komt thans de van dag tot dag verder om zich

grijpende, vreedzame verovering door de Chineezen, die op hun beurt

de Maleiers zullen verdringen. Reeds sedert lang hebben de Chineezen

zich meester gemaakt van den geheelen kleinhandel te Malakka en in

de omliggende dorpen: zij oefenen allerlei beroepen en bedrijven uit;

zij ontginnen de bosschen en leggen er groote maniocplantages aan; het

gouvernement verleent hun voor een tijdvak van tien jaren concessie

voor de ontginning, want de maniockultuur put den grond spoedig uit,

die dan een kwart eeuw braak moet blijven liggen. De Chinees is van

nature een veroveraar, altijd langs vreedzamen weg, en loert steeds

op de gelegenheid om ook de aangrenzende terreinen in te palmen;

de koloniale regeering heeft dikwijls genoeg de handen vol met het

toezicht over deze nijvere, energieke kolonisten, wier geweten hun

in den regel weinig last baart.

Des avonds vertrokken wij met den heer Rolland naar zijne plantage. De

rijweg is zeer goed onderhouden. Tegen twee uren na middernacht

komen wij te Durian Touggal, een politiepost, waar eenige mata-mata

in bezetting liggen; ten zes uren zijn wij te Kessang, insgelijks

een politiepost, niet ver van de woning van den heer Rolland. Het

dorp Kessang zelf is niet veel meer dan een gehucht, met eene weinig

talrijke bevolking; maar in de uitgestrekte, tot het dorp behoorende

rijstvelden, die door een gordel van hooge boschrijke bergen worden

begrensd, liggen eene menigte maleische hutten naar alle kanten

verspreid.

Reeds den volgenden dag kom ik, door de tusschenkomst van den heer

Rolland, in aanraking met een jongen Manthra, die door honger gedreven

de bosschen verlaten had en die vrij goed maleisch spreekt. Wij nemen

hem aanstonds in onze dienst: hij zal ons tevens als gids en tolk

dienen en bleek volkomen aan onze verwachtingen te beantwoorden.

Pang Lima, zoo heette hij, nam op zich om ons naar zijne stamgenooten

aan den berg Bukit Kumunin, ongeveer twintig mijlen ten noorden van

Kessang, te voeren. Wij gaan met hem op weg en komen weldra in een

dicht bosch, waar wij vier uren lang de sporen volgen van het wild

gedierte; telkens wordt onze marsch gestuit door geweldige boomstammen,

die van ouderdom ter aarde zijn gestort. Het is een prachtig, echt

tropisch woud: reusachtige boomen stijgen overal als zuilen omhoog

en vermengen hun zwaar gebladerte, zoodat slechts een getemperd licht

door het dichte loofgewelf kan heendringen.

Wij bereiken den zoom van een breed en diep ravijn; aan de overzijde

verheft zich een heuvel, een uitlooper van den Bukit Kumunin, die

met een even dicht bosch is bedekt als dat hetwelk wij zooeven zijn

doorgetrokken. Aan den voet van den heuvel bespeuren wij een kleinen

schralen akker en eene hut, die zich schier verliezen tusschen de

reusachtige boomen, wier schaduw de geheele plek overdekt.

Pang Lima gaat alleen vooruit, voorzien van glaskoralen en tabak

en met last om de Manthras op onze komst voor te bereiden; want de

onverwachte verschijning van zoo buitengewone wezens als blanken,

zou den stam op de vlucht drijven en alle nadere aanraking onmogelijk

maken. Gelukkig behoeft onze gezant niet lang te onderhandelen:

weldra geeft hij ons een teeken, dat wij naderbij kunnen komen.

De Manthras schijnen eerst als aan den grond genageld; eenige

vriendelijke woorden, door Pang Lima hun overgebracht, stemmen hen

aldra tot meer toenadering; en terwijl de vrouwen hout hakken en vuur

aanleggen voor ons ontbijt, kunnen wij op ons gemak de kleine groep

gadeslaan. Dertien personen, negen volwassenen en vier kinderen,

ziedaar de gansche stam, hier in de wouden verloren, en die maanden

lang in deze eenzaamheid doorbrengt, zonder andere inlanders te

zien. Deze arme lieden, bijna geheel naakt, onuitsprekelijk vuil,

uitgehongerd, ten prooi van afzichtelijke ziekten, leverden een

beklagenswaardigen aanblik op. De hut ziet er al even ellendig uit

als hare bewoners. Binnen eene door houten blokken afgeperkte, kleine

vierkante ruimte, liggen midden in de asch eenige andere blokken

half te smeulen; men zorgt er voor, dat dit vuur niet uitgaat, want

dan kost het moeite het weer te ontsteken. Men maakt namelijk vuur,

door twee stukken bamboe tegen elkander te wrijven. In een hoek

staan eenige ruwe potten en enkele manden, waarvan een de noodige

ingrediënten bevat om sirih te maken; tot onze verwondering zien

wij ook een muskietenscherm, dat zeker van een of anderen Chinees is

gekocht. De muskieten zijn een onuitstaanbare plaag in de wouden van

Malakka; en ik kan mij zeer goed den eerbied verklaren, waarmede de

arme Manthras deze vuile versleten gordijnen, die op honderd plaatsen

met allerlei stukken gelapt zijn, beschouwen.

Men begrijpt lichtelijk wat onder zulke omstandigheden en bij zulke

lieden de landbouw te beteekenen heeft. Landbouwwerktuigen bezitten

zij niet; om het armzalige veldje rondom hunne hut te verkrijgen,

hebben de Manthras eenige boomen omgehakt en, nog eer zij geheel droog

waren, in brand gestoken; de bladeren, de twijgen en de lianen werden

dus alleen door het vuur verteerd; toen heeft men, met behulp van

scherp gepunte stokken, gaten gemaakt in den met de half vermolmde

boomen bedekten grond; vervolgens wat rijst en wat manioc geplant;

en daarna met kalme onderwerping afgewacht wat de uitkomst zou zijn

van al die inspanning.

De Manthras leggen zich ook op de jacht toe en geven daarbij

bewijzen van groote behendigheid, maar hunne wapenen zijn zeer

gebrekkig. Zij hebben geen andere wapenen dan de _parang_, eene soort

van korten sabel, die tevens als mes en als bijl dienst doet en onder

verschillende namen in geheel den Indischen archipel gevonden wordt; en

de _sampitan_ of blaaspijp, waarmede zij vergiftige pijlen werpen. De

apen en de vogels blijven echter meestal buiten hun bereik. De

pijlen en de blaaspijpen maken zij zelven, maar de parangs ruilen

zij tegen andere voorwerpen in. Het ontbreekt den Manthras niet aan

verstand; maar grenzenlooze traagheid en zorgeloosheid maken iederen

vooruitgang onmogelijk. Pater Pouget, die hen sedert lang kent en met

ongeloofelijke moeite eenigen hunner op den zendingspost van Ayer

Salak, nabij Malakka, weet te houden, gaf mij van deze ongelukkige

wilden eene volkomen juiste beschrijving. Hunne taal is, volgens hem,

niet anders dan een maleisch dialekt, met eenige siameesche woorden

vermengd. De volgende dagen bezochten wij nog enkele andere stammen,

niet wezenlijk van de Manthras verschillende en een even ellendig

leven leidende. Zij zijn allen zachtaardig en zorgeloos; verregaande

traagheid is bij allen de heerschende eigenschap. Zonder eenigen

twijfel zouden al deze wilden voor zichzelven en voor hunne gezinnen

het noodige onderhoud kunnen verdienen, indien zij op de chineesche

plantages wilden werken, waar zij bovendien tegen aanvallen van

wilde dieren en van de Maleiers beveiligd zouden zijn; maar de

arbeid, en bovenal de vaste regelmatige arbeid is voor hen eene

straf, die hun alleen door geweld kan worden opgelegd. Veel liever

blijven zij in hunne hutten op den grond liggen, rookende en betel

kauwende; slechts de prikkel van den honger kan hen uit die dommelige

verdooving wekken. Toch weten zij zeer goed, aan welke gevaren deze

levenswijze hen blootstelt. Dikwijls genoeg worden deze ongelukkigen

door de Maleiers overvallen, die hunne vrouwen en kinderen wegvoeren,

en hen zelven tot slaven maken. Deze aanslagen worden wel gestreng

gestraft, wanneer zij ter kennis van de regeering komen; maar hoe

zou de regeering te Malakka kennis kunnen dragen van alles wat in de

binnenlanden, in het hart der bosschen, voorvalt? Ook al gelukt het

den gevangene te ontsnappen, dan weet hij toch niet tot wien zich te

wenden om recht te verkrijgen.

Den 10_den_ Juli nemen wij afscheid van den heer Rolland en keeren naar

Malakka terug, langs denzelfden weg dien wij gekomen zijn, maar dien

wij toen niet hebben kunnen zien, omdat wij 's nachts reisden. Deze

weg, die om de geheele provincie loopt, nu eens door de bosschen,

dan weer door plantages, wordt zeer goed onderhouden en door posten

van mata-mata bewaakt. Wij komen door verschillende maleische dorpen,

die allen op elkander gelijken: in het midden een paar winkels van

chineesche kooplieden, een politiewachthuis, en verder, te midden van

struikgewas, bloeiende heesters en kokospalmen, omringd door buffels

en die sierlijke bultige inlandsche runderen, de verspreide hutten,

waarin het overdag altijd stil is, maar waaruit u des avonds vaak

melodisch gezang tegen klinkt. Door den prikkel van godsdienstigen

waanzin opgezweept, en in de woede van het gevecht, is de Maleier

vaak ontembaar woest en onverschrokken, maar in het gewone leven is

hij zachtaardig en boven alles op zijn gemak gesteld. Onder zijne

veranda gezeten, rookt hij zijn sigaar en wiegt zijne kinderen, uren

achtereen, terwijl de vrouw hout hakt, water put en alle huishoudelijke

werkzaamheden verricht. De kinderen zijn even kalm en zwijgend als

hun vader: zeer zelden zal men hen zoo luidruchtig en vroolijk zien

als de kinderen bij ons in Europa.

In den omtrek van Malakka verandert het landschap van karakter:

het woud verdwijnt en de hutten van bamboe worden vervangen door

sierlijke, smaakvolle villa's, voor het meerendeel toebehoorende

aan chineesche kooplieden, die hun fortuin gemaakt hebben en zich nu

hier komen vestigen, ver van de drukte en het gewoel van Singapore en

Penang. Hunne fraaie equipages maken eene schitterende vertooning naast

de armzalige inlandsche rijtuigjes van de aanzienlijke Maleiers, altijd

opgevuld met vrouwen van allerlei leeftijd, die zich bij onze nadering,

voor den vorm, het gelaat bedekken met haar mousselinen sluier.

De steeds dienstvaardige pater Pouget brengt ons naar de missie van

Ayer Salak, waar wij ons vrij lang in het latijn onderhouden met

jonge Manthras, die hunne opvoeding ontvangen hadden in het kleine

seminarie te Penang. Met den beminnelijken geestelijke gaan wij ook

een bezoek brengen aan het gesticht der zusters van het heilige kind

Jezus, meer bekend onder den naam van Dames van Saint-Maur: welk

gesticht een succursaal is van dat te Singapore. In deze kostschool,

waaraan tevens een weeshuis voor meisjes verbonden is, vindt men

vertegenwoordigers van alle rassen, die het land bewonen. Een fransche

zuster, bijgestaan door eene engelsche, is sedert twintig jaren belast

met het bestuur dezer inrichting: het zou inderdaad niet gemakkelijk

zijn, een voorbeeld te vinden van edeler toewijding, van grooter ijver

en van een beter besteed leven. Alle kinderen zijn even vroolijk

en opgewekt: zij zien er zeer netjes uit en leven onderling in de

beste verstandhouding, ondanks het verschil van ras; zij zongen voor

ons eenige fransche liederen, die zeer goed klonken. De superieure,

die zeer zeker tot oordeelen bevoegd is, verzekert ons dat de kleine

Manthras door gehoorzaamheid en gewilligheid ver uitmunten boven

hare andere leerlingen. Maar de meisjes, die in het weeshuis opgevoed

worden, keeren nooit naar haar stam terug: doorgaans trouwen zij een

Chinees, die haar een behoorlijk bestaan kan verzekeren.

Den 13_den_ Juli gaan wij aan boord van de _Japan_, waar wij een

maleischen rajah en zijne echtgenoote aantreffen. Ook deze boot

behoort aan eene chineesche maatschappij. Den volgenden dag werpen

wij het anker uit op de reede van Singapore. De heer Brasier de Thuy,

directeur der _Messageries maritimes_, verschijnt aan boord en neemt

ons mede naar zijne gastvrije en smaakvolle woning, waar wij een

alleraangenaamsten dag doorbrengen.

Den 15_den_ Juli begeven wij ons aan boord van de _Panay_, die geregeld

tusschen Singapore en Manilla vaart.

Een reis naar de Philippijnen De Aarde en haar Volken, 1886 · 第 1 / 7 题