van hen het geschenk des levens ontvangen hebben. Veel meer zijn wij,
mijns inziens, den geneesheer verplicht, wien wij zoovele malen
verschuldigd zijn, wat wij onzen ouders hoogstens éénmaal verschuldigd
zijn. Wij behooren met kinderlijke liefde hem aan te hangen, die den
vijand van onzen hals weert, maar zijn wij dat dan niet in veel hooger
mate verplicht tegenover den geneesheer, die met zoovele doodvijanden
van ons leven dagelijks een hardnekkigen strijd voert?
Reges ceu deos suspicimus, quia vitae necisque jus habere
creduntur, qui tamen ut possint occidere, certe vitam non aliter dare
possunt, nisi quatenus non eripiunt, quemadmodum servare dicuntur
latrones, si quem non jugulent, nec aliam tamen vitam dare possunt, quam
corporis. At quanto propius ad divinam benignitatem accedit medici
beneficium, hominem iam inferis destinatum arte, ingenio, cura, fideque
sua, velut ex ipsis mortis faucibus retrahentis?
Wij zien tot koningen op als tot goden, omdat wij meenen, dat
zij willekeurig kunnen beschikken over leven en dood; maar ofschoon
zij wel kunnen dooden, kan men toch van hen op geen andere wijze
beweren, dat zij het leven schenken, dan in dien zin, dat zij het niet
ontnemen, zooals wij ook van roovers zeggen, dat zij iemand het leven
geschonken hebben, wanneer zij hem niet hebben vermoord. En zelfs in
dien zin kunnen zij toch niet anders schenken dan het leven des
lichaams. Hoeveel dichter bij de goddelijke mildheid komt dan niet de
weldaad van den geneesheer, die een mensch, reeds voor de onderwereld
bestemd, door zijn kunst, vernuft, zorg en trouw als het ware uit den
muil des doods terugtrekt?
Aliis in rebus profuisse sit officium, caeterum in certo corporis
animique periculo servasse, plus quam pietas est. Adde his quod quicquid
in homine magnum est, eruditio, virtus, naturae dotes, aut si quid
aliud, id omne medicorum arti acceptum feramus oportet, quatenus id
servat, sine quo ne reliqua quidem queant subsistere. Si omnia propter
hominem, et hominem ipsum servat medicus, nimirum omnium nomine gratia
debetur medico.
Iemand in andere zaken bijstaan is hulpvaardigheid, maar hem,
wanneer hij in dreigend gevaar voor ziel en lichaam verkeert, in het
leven houden, is meer dan genade. Voeg daarbij, dat al wat er groots
in den mensch is, zijn kennis, deugd, natuurlijke gaven en dergelijke,
op rekening der geneeskunde dient geschreven te worden, aangezien zij
datgene beschermt, zonder hetwelk de overige dingen zelfs niet kunnen
bestaan. Als alles er voor den mensch is en de mensch zelf door den
geneesheer behouden blijft, dan moet den geneesheer voor alles dank
geweten worden.
[_Sanitatis custos medicus._]
Si non vivit, qui vivit morbis obnoxius, et vitam salubrem aut reddit
aut tuetur medicus, an non convenit hunc ceu vitae parentem agnoscere?
Si res exoptanda est immortalitas, hanc medicorum industria, quoad
licet, meditatur, quae vitam in longum prorogat.
Als men van hem, die door ziekten geteisterd wordt, eigenlijk niet kan
zeggen, dat hij leeft, en de geneesheer het is, die de gezondheid òf
herstelt òf beschut, past het ons dan niet, hem als den oorsprong van
ons leven te erkennen? Indien de onsterfelijkheid iets begeerlijks is,
zoo wordt zij toch zooveel mogelijk nagestreefd door den ijver der
geneeskundigen, die het leven een langen duur verschaft.
Quid enim hic notissima referam exempla, Pythagoram, Chrysippum,
Platonem, Catonem censorium, Antonium, Castorem, cumque his
innumerabiles, quorum plerique medicinae observatione, vitam ab omni
morbo liberam neque fatiscente ingenii vigore, neque concussa memoriae
soliditate, neque fractis aut labefactatis sensibus, ultra centesimum
annum prorogarunt? An non istuc est immortalitatis, quam speramus, hic
iam nunc imaginem quandam exhibere?
Want waartoe behoef ik de algemeen bekende voorbeelden te
noemen van Pythagoras, Chrysippus, Plato, Cato den Ouden, Antonius,
Castor[3] en talloozen met hen, van wie de meesten door hun eerbied
voor de geneeskunde zonder eenige ziekte, zonder verzwakking hunner
geestvermogens en zonder dat de sterkte van hun geheugen geschokt werd
of zij het gebruik hunner zintuigen geheel of gedeeltelijk verloren,
meer dan honderd jaar geleefd hebben? Of is dat niet ons nog op deze
wereld een beeld vertoonen van de onsterfelijkheid, die wij
hiernamaals hopen?
[Voetnoot 3: IJverig botanicus uit de eerste eeuw vóór Christus,
onder wiens leiding Plinius botanische studiën maakte. (Vert.).]
Christus ipse immortalitatis autor ac vindex unicus corpus
assumpsit, mortale quidem illud, sed tamen nullis morbis obnoxium.
Crucem non horruit, morbos horruit. An non pulcherrimum fuerit, nos
principem nostrum in hoc quoque pro viribus imitari? Apostolos, quorum
nemo fere non multam vixit aetatem, caesos legimus, interfectos legimus,
aegrotasse non legimus. Quocunque pacto hoc illis contigit, certe
praestat idem ars medicorum, quod illis praestitit sua felicitas.
Christus zelf, de hoogverheven bewerker en redder van onze
onsterfelijkheid, nam een lichamelijk hulsel aan, dat, ofschoon
sterfelijk, toch aan geen ziekten was blootgesteld. Het kruis schuwde
Hij niet, wel ziekten. Is het nu niet iets heerlijks, onzen Heer ook
in dezen, naar vermogen, na te volgen? Van de apostelen, die bijna
allen een lang leven gehad hebben, lezen wij wel, dat zij vermoord,
gedood zijn, niet dat zij ziek zijn geweest. Hoe hun dat nu ook te
beurt gevallen is, de geneeskunde bewerkt voor ons hetzelfde als wat
zij door hunne gelukzaligheid bereikt hebben.
Nec enim audiendos arbitror, qui nobis non minus indocte, quam
impudenter solent illud objicere: Virtus in infirmitate perficitur,
somniantes Paulum gravi capitis dolori fuisse obnoxium, cum ille
infirmitatem vel animi tentationem, vel quod vero propius est,
improborum hominum molestam insectationem appellet. Atque idem ille
Paulus, inter apostolicas dotes, donum curationis recensuit.
Want men moet, naar ik meen, naar hen niet luisteren, die ons
even dom als onbeschaamd tegenwerpen, dat deugd gewoonlijk in ziekte
wordt uitgeoefend, waar zij zonder eenigen grond gelooven, dat Paulus
aan zware hoofdpijnen leed, terwijl hij toch juist de ziekte eene
beproeving van de ziel of, wat juister is, eene kwelling der boozen
noemt. En diezelfde Paulus heeft onder de gaven, die aan de Apostelen
geschonken waren, ook de gave der genezing geteld.
Iam auget et illud non levi argumento medicinae gloriam, quod et
Caesarearum legum majestas, et pontificiarum autoritas sese ultro
medicorum judicio submittit, velut in quaestionibus pubertatum,
partuum ac veneficiorum. Item in quaestionibus aliquot ad matrimonium
facientibus. O nova dignitas medicinae.
Ook wordt de roem der geneeskunde in geen geringe mate hierdoor
verhoogd, dat het verheven keizerlijk en pontificaal recht zich
vrijwillig aan het oordeel der geneeskundigen onderwerpt, zooals in
quaesties van manbaarheid, geboorte en vergiftiging, eveneens in
eenige huwelijksquaesties. O nieuwe waardigheid der geneeskunde!
Agitur de capite hominis, et judicis sententia pendet ex medici
praejudicio. Summi pontificis pietas, si quid indulget, in nonnullis non
aliter indulget, nisi medicorum accedat calculus. Atque in decretis
Romanus pontifex episcopum eum, qui delatus fuerat tamquam foedo
immanique morbo obnoxius, ex medicae rei judicio censet aut amovendum
episcopatu, aut suo loco restituendum.
Een menschenleven staat op het spel en het oordeel des
rechters hangt af van de voorafgaande uitspraak van den geneesheer! De
pauselijke genade verleent in enkele gevallen slechts kwijtschelding
na een geneesheer gehoord te hebben. Zoo besluit de paus, in geval een
bisschop beschuldigd wordt, aan eene afschuwelijke en vreeselijke
ziekte te lijden, eerst na een geneeskundig advies ingewonnen te
hebben, tot verwijdering of handhaving van den bisschop.
Divus item Augustinus ex medicorum consilio fieri jubet, quod
faciendum est, etiamsi nolit aegrotus. Idem honorem medico debitum, hoc
est artis et industriae praemium, recte eripi scribit ab eo qui detinet,
velut ab injusto possessore et quod alienum est mala fide occupante.
Eveneens schrijft de goddelijke Augustinus voor, dat de zieke,
ook tegen zijn wil, naar den raad van den geneesheer behandeld moet
worden. Ook zegt hij terecht, dat het den geneesheer verschuldigde
eerbewijs, dat is het loon voor zijn kunst en inspanning, met geweld
moet ontnomen worden aan hem, die het weigert te voldoen, daar hij
beschouwd moet worden als iemand, die wederrechtelijk eens anders
eigendom in bezit houdt.
Quin ii quoque, qui conceptis precaminibus, daemones impios e
corporibus humanis exigunt, non raro in consilium adhibent, velut in his
morbis, qui secretis rationibus quaedam sensuum organa spiritusque
vitiant, et adeo daemoniacam speciem imitantur, ut nisi a peritissimis
medicis discerni non queant, sive sunt crassiores aliqui daemones, ut
fertur illorum varia natura,
Ja zelfs ook zij, die door tooverformulieren booze duivels uit
menschelijke lichamen drijven, raadplegen den geneesheer niet zelden,
bij voorbeeld bij die ziekten, die op geheime wijze de werking van het
eene of andere zintuig verstoren en zoozeer den schijn wekken van door
de aanwezigheid van duivels veroorzaakt te zijn, dat zij slechts door
zeer bekwame geneeskundigen kunnen onderscheiden worden, hetzij het
duivelen van grover soort zijn (men weet immers, dat er verschillende
soorten van duivelen bestaan),
qui medicam etiam opem sentiant, sive morbus adeo penitus intimis
animi recessibus insidet, ut a corpore videatur alienus. In cuius rei
fidem, dum ex innumeris mihi compertum exemplum refero, quaeso ut me
patienter audiatis.
die ook door medische behandeling kunnen aangetast worden, of
dat de ziekte zich zoo diep in de schuilhoeken der ziel heeft
ingedrongen, dat zij op het lichaam geen betrekking schijnt te hebben.
Terwijl ik U tot staving dezer bewering uit de tallooze voorbeelden
één, dat ik zelf beleefd heb, verhaal, verzoek ik U, mij geduldig te
willen aanhooren.
[_Exemplum._]
Panaceum celeberrimi nominis medicum adolescens colui, is me teste
quendam restituit, nomine Phlyarium, patria Spoletanum, qui ex vermibus
in novum maniae genus inciderat, ita ut in morbo probe teutonice
loqueretur, quod (uti constabat) sanus nunquam potuerat. Quis imperitus
rei medicae non hunc daemoniacum vel dejerasset etiam?
In mijn jeugd heb ik omgang gehad met Panaceus, een wijd en zijd
beroemd geneesheer; deze heeft in mijn tegenwoordigheid een man,
Phlyarius genaamd, afkomstig uit Spoleto, genezen, die ten gevolge van
wormen in een geheel nieuwe soort van waanzin vervallen was, daarin
bestaande, dat hij gedurende zijn ziekte goed Duitsch sprak, welke
taal hij, naar met zekerheid vaststond, in normalen toestand nooit
gekend had. Wie, die onervaren was in de geneeskunde, zou er zelfs
niet een eed op hebben durven doen, dat deze man door duivelen bezeten
was?
At is hominem facili paratoque remedio menti reddidit. Redditus
sibi, teutonice nec loquebatur, nec intelligebat. Quod si quis hunc vere
daemoniacum fuisse contendat, ea sane res vel maxime medicorum illustrat
artem, cui compertum est et daemones impios parere, quemadmodum in
restituenda vita, ita et in exigendis spiritibus divinae virtutis tum
ministrae, tum aemulae.
En toch gaf deze arts hem door een eenvoudig en gemakkelijk te
verkrijgen geneesmiddel weer het verstand terug; tot bezinning gekomen
sprak noch verstond de man meer Duitsch. Indien men nu beweert, dat
hij inderdaad bezeten was, dan strekt dit geval der geneeskunde tot
nog grooter roem, daar het dan bewezen zou zijn, dat ook de booze
duivels haar gehoorzaamden en zij derhalve niet alleen in het doen
terugkeeren van het leven, maar ook in het uitdrijven van booze
geesten zoowel de dienares als de mededingster der goddelijke macht
ware.
Neque vero deerant, qui factum hoc magicis artibus tribuebant,
quorum ego calumniam arti nostrae gloriae laudique verto, per quam ea
praestantur, quae vulgus hominum humanis viribus praestari posse non
credit.
En inderdaad waren er toen ook, die deze daad aan
tooverkunsten toeschreven; maar juist dien laster beschouw ik als een
roem en eer voor onze wetenschap, welke op resultaten te wijzen heeft,
die door het meerendeel der menschheid buiten het bereik der
menschelijke krachten geacht worden.
[_Quibus culta medicina._]
Optimo igitur jure priscis seculis, cum nondum sordidi quaestus et
spurcae voluptates vitiassent omnia, medendi ars inter omnes una divinis
ac summatibus viris, opulentissimis regibus, clarissimis senatoribus
praecipue cordi fuit, nec alia mortalium generi gratior. Siquidem Moses
ille magnus, non alia ratione quam artis medicae, cibos suos distinxisse
creditur. Orpheus, Graecorum vetustissimus, de viribus herbarum nonnulla
prodidisse legitur.
Met het volste recht derhalve lieten zich in den ouden tijd, toen
nog niet alles door lage gewinzucht en vuile lusten bezoedeld was,
goddelijke en hoogverheven mannen, machtige koningen en doorluchte
raadsheeren het meest van alle wetenschappen aan de geneeskunde
gelegen liggen en geene andere was den menschen welkomer. Men neemt
immers aan, dat de groote Mozes naar geen anderen maatstaf dan
naar dien der medische wetenschap de spijzen in geoorloofde en
ongeoorloofde heeft ingedeeld. Wij lezen, dat Orpheus, uit de grijze
Grieksche oudheid, het een en ander heeft overgeleverd omtrent de
geneeskracht der kruiden.
Homerus ipse, citra controversiam, unicus ingeniorum fons,
plurimus est et in herbarum commemoratione, et in laude medicorum. Is et
Moly nobis depinxit, herbarum omnium (teste Plinio) laudatissimam,
efficacem adversus veneficia, cuius inventionem Mercurio tribuit, hac
Ulyssem suum adversus Circes pocula praemuniens. Idem nepenthes indicat
in conviviis adhibendum, quod moerorem tristitiamque discutiat.
Homerus zelf, zonder tegenspraak de voortreffelijkste bron
voor alle geesten, maakt herhaaldelijk melding van kruiden en prijst
zeer vaak de geneeskunde. Hij heeft ons immers ook het kruid „moly“
beschreven, dat volgens Plinius het voortreffelijkste van alle kruiden
en een afdoend middel tegen vergiftiging is, welks ontdekking de
dichter aan Mercurius toeschrijft en waarmee hij zijn Ulysses
beschermt tegen den hem door Circe gereikten tooverdrank. Hij duidt
ook aan, dat „nepenthes“ (letterl. „smarteloos“) bij den maaltijd moet
gebruikt worden, dat het vermogen heeft, leed en droefenis te
verdrijven.
Porro Machaonem, Paeonem, Chironem, Podalirium, ut hac arte
praestantes, saepicule non sine honore commemorat, quorum arte non solum
heroibus, verum ipsis etiam diis subventum esse fingit, illud videlicet
subindicans, summis etiam principibus medicorum praesidiis opus esse,
atque horum vitam medicis in manu esse, qui in caeteros omnes jus vitae
ac necis habere videntur. Quid quod idem Poeta libro Iliados undecimo,
huius artis professionem longe pulcherrimo nobilitavit elogio, cum ait:
[Sidenote: ἰατρὸς γὰρ ἀνὴρ πολλῶν ἀντάξιος ἄλλων] Unum medicum pluris
habendum, quam caeterorum hominum permultos.
Voorts noemt hij dikwijls met eere Machaon, Paeon, Chiron en
Podalirius als uitmuntende in deze kunst, waardoor zij niet alleen de
helden maar ook de goden, naar zijn dichterlijke voorstelling, hulp
verleenden. Hij wil er dit mee aanduiden, dat ook de grootste vorsten
den bijstand der geneesheeren behoeven en dat zelfs het leven van hen,
die over leven en dood van alle overigen beschikken, in hunne macht
is. Ja, diezelfde dichter heeft in het elfde boek van de Ilias de
uitoefening van dit beroep door verreweg de schoonste lofspraak
verheerlijkt, waar hij zegt, dat één arts meer waard is dan vele
andere menschen tezamen.
Rursum alibi medicum ita notat, ut dicat eum eruditum in omnibus,
palam testans id quod res est, hanc artem non una aut altera disciplina,
sed omnium artium cognitione circuloque, tum praeter exactum ingenium,
multo etiam rerum usu constare. Pythagoras ille Samius, cui divinitatem
quandam tribuebat antiquitas, de naturis herbarum nobile volumen
reliquisse legitur.
Elders wederom noemt hij den geneesheer iemand, die in alles
onderricht is, hiermede openlijk getuigende, wat ook werkelijk het
geval is, dat de geneeskunde niet berust op de eene of andere
wetenschap, maar op den geheelen kring van alle wetenschappen en niet
alleen op theoretische kennis maar ook op practische ervaring in vele
zaken. De beroemde Pythagoras van Samos, wien de oudheid een zekere
mate van goddelijkheid toekende, heeft, naar wij vermeld vinden, een
bekend boek over den aard der kruiden achtergelaten.
Atque ut Platonem, Aristotelem, Theophrastum, Chrysippum, Catonem
censorium, Varronem praeteream, quibus studio fuit hanc artem suis vel
studiis, vel negotiis admiscere, Mithridatem Ponti regem, non perinde
regnum, alioqui locupletissimum, non tam unius et viginti linguarum
miraculum, quam rei medicae peritia nobilitavit, vereque magnum virum
declaravit, qui artis huius commentationes, et exemplaria, effectusque
in arcanis reliquit, ut autor est Plinius.
Nu wil ik Plato, Aristoteles, Theophrastus, Chrysippus, Cato
den Ouden en Varro maar met stilzwijgen voorbijgaan, die allen deze
wetenschap ijverig bestudeerd of ook practisch beoefend hebben, doch
ik zal slechts spreken over Mithridates, koning van Pontus, die niet
zoozeer door zijn, overigens zeer machtige, heerschappij of door zijn
wonderbaarlijke kennis van één en twintig talen als wel door zijn
geneeskundige bekwaamheid beroemd is geworden, welke hem tot een
waarlijk groot man stempelde, daar medische verhandelingen,
voorbeelden en beschrijvingen van de werking van verschillende
kruiden, naar Plinius ons meedeelt, in zijn geheime nalatenschap
gevonden zijn.
Cuius et hodie nobile theriacae genus nomine celebratur. Nunc fere
regium habetur, aleam ludere, venari, nugas agere. At olim populi Romani
principibus nihil magis erat curae, quam ut ex longinquo novis
importandis herbis, rem medicam adjuvarent, neque populo illi tum orbis
domino aliud erat munus gratius.
Nog heden ten dage draagt een bekend tegengift zijn naam.
Tegenwoordig beschouwt men algemeen als koninklijke eigenschappen:
spelen, jagen en zich met beuzelingen ophouden. Maar oudtijds legden
zich de bestuurders van het Romeinsche rijk op niets zoozeer toe als
op de bevordering der geneeskunde door het invoeren van kruiden uit
ver verwijderde streken, en dit volk, dat toen de wereld beheerschte,
was geen geschenk aangenamer.
[_Christus ipse medicus._]
Quid quod Christus ipse, disciplinarum omnium et autor et princeps, sese
non Iureconsultum, non Rhetorem, non Philosophum, sed Medicum professus
est, dum de se loquens negat opus esse medico iis, qui bene habeant, dum
Samaritanus vulneribus oleum ac vinum infundit, dum sputum terrae mixtum
illinit oculis caeci. Quid quod idem hac potissimum commendatione, cum
adhuc orbi esset ignotus, sese paulatim in animos atque affectus hominum
insinuavit, non auro, non imperiis, sed morborum remediis? Quod ille
nutu fecit, nempe deus, hoc medicus pro virili sua cura imitatur.
Ja, Christus zelf, de grondlegger en vorst van alle wetenschappen,
geeft zich niet uit voor rechtsgeleerde, noch voor rhetor, noch voor
wijsgeer, maar voor geneesheer, daar Hij, van Zichzelf sprekende,
zegt, dat „zij geenen medicijnmeester van noode hebben, die zich wel
bevinden“, terwijl Hij den Samaritaan olie en wijn op wonden laat
gieten en met speeksel, met aarde vermengd, de oogen van een blinde
bestrijkt. Juist door dit middel won Hij langzamerhand, toen Hij nog
aan de wereld onbekend was, de genegenheid en de liefde der menschen;
niet door goud, noch door heerschappij, maar door het genezen van
ziekten. Wat Hij door Zijnen wil deed, immers een God, volgt de
geneesheer naar vermogen na.
Neque deest his quoque divina vis, nimirum medendi viribus in hunc
usum rebus a deo inditis. Nec alio viatico magis instruxit Apostolos,
mandans ut hoc protinus officio sibi devincirent hospitem, medentes
inquit, morbis illorum, et ungentes oleo.
Bovendien bezitten ook zij eene goddelijke macht, namelijk die
van genezing aan te brengen door middel van krachten, die tot dit doel
door God den dingen ingeschapen zijn. In hoofdzaak bestond ook daarin
het reisgeld, waarmede Hij de apostelen voorzag, hun opdragend,
terstond door dezen liefdedienst hunne gastheeren aan zich te
verplichten „door“, zoo luiden Zijne woorden, „hunne ziekten te
genezen en hen met olie te zalven“.
Paulus ille magnus dum Timetheo suo modicum vini praescribit usum,
ad fulciendam stomachi imbecillitatem, nonne palam medici partibus
utitur? Sed quid hoc mirum in Apostolo, cum Raphael angelus Tobiae
caecitati medicans hinc nomen etiam invenerit apud arcanarum rerum
studiosos? O coelestem vereque sacram disciplinam, cuius cognomento
divinae illae mentes insigniuntur.
Als de groote Paulus zijnen Timotheus een matig gebruik van
wijn voorschrijft, om zijn zwakke maag te versterken, is dat geen
openlijke uitoefening van de geneeskunde? Maar waarom zouden wij ons
daarover verwonderen bij een apostel, als volgens de beoefenaars der
mystiek de engel Raphael zijn naam ontleend heeft aan het genezen van
de blindheid van Tobias?[4] O hemelsche en in waarheid gewijde
wetenschap, naar welke goddelijke geesten genoemd worden!
[Voetnoot 4: De Hebreeuwsche naam Raphael bestaat uit twee
woorden, waarvan het eerste rapha, „genezen“ en het tweede el,
„goddelijkwezen“ beteekent. (Vert.)]
Inter mortales alii alias artes vel discunt, vel profitentur, hanc unam
oportebat ab omnibus disci, quae nulli non est necessaria. Sed o heu
perversissima hominum judicia.
De eene mensen leert dit, de ander dat vak of oefent het uit; deze
wetenschap diende door allen gekend te worden, daar zij voor ieder
onmisbaar is. Maar ach! allerverkeerdst oordeel der stervelingen!
Nemo nescire sustinet, quis nummus legitimus sit, quis adulterinus, ne
quid fallatur in re vilissima, nec scire studio est, quibus modis id
quod habet optimum tueatur. In numismate non credit alienis oculis,
in negotio vitae ac sanitatis, clausis quod dicitur oculis, sequitur
alienum judicium.
Er is niemand, die het niet vreeselijk zou vinden, als hij geen
valsche van echte munt kon onderscheiden, terwijl hij in dit geval
toch slechts in iets zeer minderwaardigs zou kunnen bedrogen worden;
hij streeft er echter niet naar, te weten te komen, hoe hij het beste,
wat hij heeft, kan beschermen. Bij het beoordeelen van geldstukken
vertrouwt hij anderer oogen niet, doch waar het om leven en gezondheid
gaat, volgt hij, zooals men dat noemt, blindelings het oordeel van
anderen.
Quod si totius artis absoluta cognitio non potest nisi paucis
contingere, qui totam vitam huic uni studio dedicarunt, certe partem
eam, quae ad tuendam valetudinem pertinet, non conveniebat quemquam
nescire. Etiam si bona pars difficultatis, non ab ipsa arte, sed ab
improborum medicorum vel inscitia, vel ambitione proficiscatur.
En ofschoon nu de volmaakte kennis van die geheele wetenschap
slechts aan de weinigen kan ten deel vallen, die daaraan alleen hun
geheele leven gewijd hebben, zoo behoorde toch ten minste dat
gedeelte, hetwelk over het behoud der gezondheid handelt, door
iedereen gekend te worden. Hoewel het niet te ontkennen valt, dat de
moeielijkheid hierbij voor een groot deel voortspruit, niet uit de
kunst zelve maar uit de onwetendheid of eerzucht van slechte
geneesheeren.
[_A simili._]
Semper apud efferas etiam ac barbaras nationes sanctum ac venerabile
fuit amicitiae nomen. Atque is egregius habetur amicus, qui se fortunae
utriusque comitem sociumque praebeat, quod vulgus amicorum velut
hirundines aestate, rebus secundis adsunt, rebus adversis, quemadmodum
illae ingruente bruma devolant.