Te allen tijde, zelfs bij wilde en barbaarsche volken, werd de

vriendschap voor iets verhevens en eerbiedwaardigs gehouden. En

diegene wordt als een uitstekend vriend beschouwd, die evenmin in

tegen- als in voorspoed zijn vrienden in den steek laat, terwijl

het gros der vrienden in gelukkige omstandigheden trouw blijft, in

ongelukkige verdwijnt, evenals de zwaluwen gedurende den zomer in het

land zijn, maar bij het invallen van den winter wegvliegen. Een hoe

oprechter vriend is echter niet de geneesheer.

At quanto sincerior amicus medicus, qui Seleucidum avium exemplo,

quas narrant nusquam a Casii montis incolis conspici, nisi cum illarum

praesidio est opus, adversus vim locustarum fruges vastantium, rebus

integris ac laetis nusquam sese ingerit, in periculis, in his casibus,

in quibus uxor ac liberi saepe deserunt hominem, velut in phrenesi,

phthiriasi, in peste solus medicus constanter adest, et adest non

inutili officio, quemadmodum plerique caeterorum, sed adest

opitulaturus, adest pro capite periclitantis cum morbo dimicans,

nonnunquam suo quoque periculo.

Evenals de „Seleucides“ genaamde vogels, naar verhaald wordt,

door de bewoners van het Casische gebergte nooit anders gezien worden,

dan wanneer zij hunne hulp noodig hebben tegen de zwermen van

sprinkhanen, die hun gewassen vernielen, zoo vertoont ook hij zich

nooit in normale en gelukkige omstandigheden, maar in tijden van

gevaar, in die gevallen, waarin vrouw en kinderen dikwijls den man

verlaten, bij voorbeeld bij waanzin, luizenziekte of pest, staat hij

alleen hem voortdurend bij, en niet alleen, zooals de meeste anderen,

met onnuttige diensten, maar als redder, om het leven van den in

gevaar verkeerende met de ziekte kampend, soms ook met gevaar voor

zijn eigen leven.

Et o plus quam ingratos, qui talis amici officio servati, jam

depulso periculo medicum odisse possunt, ac non potius parentis vice

colunt ac venerantur. Vulgarem amicum, qui subinde salutat obvium,

ad coenam rogant, qui latus claudit, officio pensant, et talem amicum

ubi desierint egere, aversantur? Et ob hoc ipsum aversantur, quod

intelligant illius officio nullam meritis parem gratiam rependi posse.

Zijn zij dan niet meer dan ondankbaar, die, door de

dienstvaardigheid van zulk een vriend gered, al aanstonds nadat het

gevaar geweken is, den geneesheer kunnen haten en hem niet veeleer als

een vader vereeren en hoogachten? Een alledaagsch vriend, die hen van

tijd tot tijd bij een toevallige ontmoeting groet, noodigen zij ter

maaltijd, hem, die hen wel eens vergezelt, overladen zij met

hoffelijkheid, maar een zoodanig vriend wordt, zoodra zij hem niet

meer noodig hebben, versmaad? Terwijl deze afkeer eigenlijk juist

daaruit voortspruit, dat zij inzien, dat geen belooning ooit groot

genoeg kan zijn, om tegen hun diensten op te wegen.

Quod si is optimus vir est, qui maxime prodest Reipublicae, ars haec

optimo cuique viro discenda est.

Daar hij de voortreffelijkste genoemd kan worden, die den staat het

meest ten nutte is, zoo moest deze wetenschap eigenlijk door alle

uitstekende mannen geleerd worden.

[*][Siquidem inter munia profani magistratus non minima portio est, et

haud scio an praecipua, dare operam, ut corpora civium bene habeant.

Quid prodest depulisse hostem a moenibus, si pestilentia intus grassans,

plures tollit quam sublaturus erat gladius? Quid refert curasse ne cui

pereat census, si perit prospera corporis valetudo? Prisci qui bonorum

ordines digesserunt, primas tribuunt bonae valetudini. Quid enim prodest

incolumis possessio, nisi valet possessor?

[5][Het is immers niet de geringste, en misschien wel de voornaamste,

plicht der wereldlijke overheid te zorgen, dat de burgers gezond zijn.

Wat baat het, den vijand van de muren verdreven te hebben, wanneer de

daarbinnen heerschende epidemie meer personen wegmaait dan het zwaard

der vijanden zou gedood hebben? Wat geeft het, er voor te zorgen,

dat niemand zijn vermogen verliest, als de gezondheid des lichaams

gesloopt wordt? De ouden, die een rangorde der goederen hebben

vastgesteld, plaatsten bovenaan op de lijst een goede gezondheid. Want

wat nut is het, dat het bezit in ongeschonden staat verkeert, als de

bezitter niet wel is?

Proinde leges priscorum, cum nondum quaestus et ambitio

corrupisset omnia, potissimum huc spectabant, ut corpora civium essent

valida, robusta, beneque temperata. Ea res partim pendet a nativitate,

partim ab educatione, partim ab exercitamentis, et victus ratione,

nonnihil etiam ab aedificiorum modo.

Daarom lette de wetgeving bij de ouden, toen heb- en eerzucht

nog niet alles bedorven hadden, vooral daarop, dat de lichamen der

burgers gezond, krachtig en evenredig ontwikkeld waren. Dit hangt

deels af van de aangeboren lichaamsgesteldheid, deels van de

opvoeding, lichaamsoefeningen, voedingswijze en ook eenigszins van de

inrichting der woningen.

Nimirum medici fungebantur officio, qui bene temperata corpora

jungebant matrimonio, qui nutrices adhibebant integrae valetudinis, qui

balnea publica, qui publica gymnasmata instituebant, qui ferebant leges

sumptuarias, qui mutatis aedificiis, qui siccatis paludibus pestilentiam

excludebant, qui in hoc vigilabant, ne quid esculentum aut poculentum

venderetur, quod laederet corporum incolumitatem. Et hodie principes

fere nihil ad se pertinere credunt, si pro vinis vendantur venena, si

tritico vitiato, si putribus piscibus tot morbi invehantur in publicum.

De taak van den geneesheer vervulden de wetgevers, die slechts

goed gebouwde personen met elkander lieten huwen, die eischten, dat

men alleen volkomen gezonde minnen in dienst nam, die openbare baden

en turnplaatsen instelden, wetten tegen de weelde maakten, door het

doen verbouwen van huizen en het droogleggen van moerassen, epidemieën

voorkwamen en er voor waakten, dat geen spijzen of dranken, die voor

de gezondheid gevaar opleverden, verkocht werden. Maar heden ten dage

meenen de vorsten, dat zij er niet mee te maken hebben, of voor wijnen

vergiften verkocht worden, of er door aangestoken graan of bedorven

visch zoovele ziekten onder het volk verspreid worden.

Adeo nulla vitae pars est, quae citra medicinae praesidia recte possit

administrari.]

Er is letterlijk geen deel van het leven, dat zonder de hulp der

geneeskunde behoorlijk kan geregeld worden.]

[Footnote to this passage in Dutch translation (paraphrased):

The text printed in brackets does not appear in the editions of

Frobenius (Basel 1518), Hillenius (Antwerp 1523), or Petrejus

(Nuremberg 1525). It does appear in the first collected edition of

Erasmus’ works by Rhenanus (Basel 1540) and in the best collected

edition by Clericus (Leiden 1703).]

[Voetnoot 5: De woorden, die nu volgen en tusschen haakjes []

geplaatst zijn, komen niet voor in de uitgave van Frobenius Bazel

1518, noch in die van Mich. Hillenius (Antwerpen 1523), noch ook

in die van Joannes Petrejus (Neurenberg 1525), maar wel in de

eerste gezamenlijke uitgave van Erasmus’ werken van Beatus

Rhenanus (Bazel 1540) en in de beste gezamenlijke uitgave van

Joannes Clericus (Leiden 1703). (Vert.)]

[_A quaestu._]

Iam vero si qui sint, qui rerum pretia malint utilitate quaestuque

metiri (licet haec ars divinior est, quam ut huiusmodi rationibus sit

aestimanda) ne hac quidem parte cuiquam aliarum cedit artium. Neque enim

ulla magis fuit frugifera, et ad rem subito parandam aeque praesentanea.

Erasistratus cuius ante memini, a rege Ptolemaeo, Critobolus ab

Alexandro magno, praemiis ingentibus ac vix credendis donati leguntur.

Indien er eindelijk menschen zijn, die de waarde der dingen liever

afmeten naar het voordeel en de winst, die zij opleveren, dan zullen

zij bevinden, dat ook in dit opzicht de geneeskunde, ofschoon te

verheven om naar dergelijke overwegingen beoordeeld te worden, bij

geen der andere wetenschappen ten achter staat. Want geen andere was

ooit meer winstgevend en stelde hare beoefenaars zoo snel in staat,

zich een vermogen te verwerven. Wij lezen, dat Erasistratus, dien ik

reeds vroeger vermeld heb, door koning Ptolemeus, en Critobolus door

Alexander den Grooten met buitengewone, nauwelijks te gelooven

belooningen begiftigd zijn.

Quamquam quod tandem praemium non exiguum videatur, repensum

servatori capitis, pro cuius unius salute tot hominum millia

depugnabant? Quid ego nunc commemorem Cassios, Carpitanos, Aruncios,

Albutios, quibus Romae tum apud principem, tum apud populum immodicum

quaestum fuisse refert Plinius? Quanquam quid nos haec ex priscis

aetatibus repetimus, quasi non hodie cuique complures succurrant, quos

haec ars ad Croesi opes evexerit?

Doch welke belooning is dan ten slotte niet gering te noemen,

betaald aan den redder van een leven, voor welks behoud zooveel

duizenden soldaten voortdurend streden? Waartoe nog te noemen de

Cassii, Carpitani, Aruncii en Albutii, van wie Plinius vertelt, dat

zij te Rome zoowel aan het keizerlijk hof als onder de burgers

ontzaglijk veel geld verdienden? Doch waarom behoeven wij nog die

voorbeelden uit het grijze verleden weder op te halen, alsof niet

ieder uit zijn eigen tijd verscheidenen voor den geest staan, die door

dit beroep ware Croesussen zijn geworden.

Rhetorica aut Poetica non alit nisi insignem. Musicus ni praecellat,

esurit. Iureconsulto tenuis proventus est, ni sit eximius. Sola medicina

quomodocunque doctum alit ac tuetur. Innumeris disciplinis, infinita

rerum cognitione constat res medica, et tamen frequenter unum aut

alterum remedium alit idiotam. Tantum abest, ut haec ars sterilitatis

damnari possit.

Van de rhetoriek en de dichtkunst kan slechts hij leven, die er in

uitmunt. Een musicus, die het niet tot een groote hoogte in zijn kunst

gebracht heeft, lijdt honger. Een rechtsgeleerde heeft maar een mager

inkomen, als hij niet voortreffelijk is. Slechts de geneeskunde

onderhoudt en beschermt haren beoefenaar, hoe weinig bedreven hij

er ook in moge zijn. De medische wetenschap berust wel is waar op

ontelbare kundigheden en de kennis van een oneindig aantal zaken; toch

helpt dikwijls één enkel geneesmiddel een stumper in het vak aan den

kost. Het is er dus verre vandaan, dat dit beroep als onwinstgevend

kan veroordeeld worden.

Adde quod caeterarum artium non ubique paratus est quaestus. Rhetor

frigebit apud Sarmatas, juris Caesarei peritus apud Britannos. Medicum

quoquo terrarum sese contulerit suus comitatur honos, suum sequitur

viaticum, ut in nullam disciplinam verius competat vulgatissimum illud

Graecorum proverbium, τὸ τέχνιον ἡ πᾶσα γῆ τρέφει.

Daar komt nog bij, dat met de overige beroepen niet overal geld

te verdienen is. Een rhetor zal een koele ontvangst vinden bij de

Sarmaten, een kenner van het keizerlijk recht bij de Britten. De

medicus is overal, waar ter wereld hij zich ook heen begeve, vergezeld

door zijn waardigheid en van reisgeld voorzien, zoodat op geen beroep

meer van toepassing is het alom bekende Grieksche spreekwoord: „de

geheele aarde voedt het ambacht.“

[_Confutatio._]

Sed hoc ipsum indignatur Plinius, aut certe apud hunc alii, quaestum

esse medicinae professionem. Maior est, fateor, haec facultas quam ut

quaestui lucroque serviat, sordidarum id est artium. Sed nimis ingratum

est, eam solam sua fraudare gratia, cui nulla par gratia rependitur.

Maar juist daarover spreekt Plinius (ik weet niet zeker of hij hier

zelf aan het woord is of de meening van anderen weergeeft) zijn

verontwaardiging uit, dat het uitoefenen der geneeskunde een

broodwinning is. Ik stem toe, dat deze wetenschap te hoog staat,

om tot kostwinning te dienen of tot middel om zich te verrijken.

Dit hoort thuis bij de alledaagsche beroepen. Maar het ware al te

ondankbaar, haar alleen van den haar toekomenden dank te berooven,

aan welke nooit genoeg dank vergolden kan worden.

Egregius medicus ceu numen quoddam, servat gratis, servat et

invitos. Sed impietas est, non agnoscere numinis beneficium. Nihil ille

moratur mercedem, tu tamen dignus qui legibus mulcteris ob insignem

ingratitudinem.

Een uitstekend geneesheer helpt als een god kosteloos,

desnoods tegen den wil van den patiënt. Maar het is goddeloosheid,

voor de weldaad van een god niet erkentelijk te zijn. Hij geeft wel

niet om loon, maar gij behoort volgens de wet gestraft te worden

wegens uw buitengewone ondankbaarheid, als gij het hem niet voldoet.

Iam haudquaquam me fugit, hanc egregiam artem et olim apud veteres

audisse male, et hodie apud indoctos quosdam male audire. Catoni

non placuit, non quod rem damnaret, sed quod ambitiosam Graecorum

professionem non ferret homo mere Romanus.

Het is mij volstrekt niet onbekend, dat deze uitmuntende wetenschap

zoowel voorheen bij de ouden in een kwaden roep stond, als ook

tegenwoordig door sommige onwetende lieden gehoond wordt. Cato beviel

de geneeskunde niet, niet omdat hij haar op zich zelve veroordeelde,

maar omdat een onvervalscht Romein als hij de aanmatigende wijze,

waarop de Grieken haar in zijn dagen uitoefenden, niet kon verdragen.

Isque tantum tribuit experientiae, ut artem esse noluerit, sed

idem universam Graecorum philosophiam ex urbe pellendam censuit.

Existimabat homo durus, ad purgandum hominis corpus sufficere brassicam

et crebros vomitus, et tamen ille ipse medicorum hostis observatione

medicinae, in extremam usque senectutem robur infractum tutatus

scribitur.

Hij kende aan de ervaring op dat gebied zulk een hooge waarde

toe, dat hij der geneeskunde den naam van wetenschap ontzegde. Dat kan

ons van hem te minder verwonderen, daar hij het ook was, die in den

Romeinschen senaat het voorstel deed, de geheele Grieksche philosophie

uit Rome te verbannen. De stoere man meende, dat tot zuivering van het

menschelijk lichaam kool en menigvuldige brakingen voldoende waren. En

toch lezen wij van dien vijand der artsen, dat hij door inachtneming

der medische voorschriften tot het einde van zijn lang leven zijn

krachten onverzwakt behouden heeft.

Solis, inquiunt, medicis summa occidendi impunitas est. At hoc nomine

magis suspiciendi boni medici, quibus cum in manu sit, non solum

impune, verum etiam mercede occidere, tamen servare malunt. Quod possunt

facultatis est, quod nolunt probitatis. Decantatur iam passim inter

pocula temulentorum adagium, Qui medice vivit, misere vivit.

Alleen de geneesheeren, zegt men, hebben het onbeperkte recht van

straffeloos te dooden. Maar juist uit dien hoofde moeten goede

geneesheeren geëerd worden, daar zij, terwijl het hun vrijstaat, niet

alleen ongestraft maar zelfs tegen belooning te dooden, toch liever

de menschen willen redden. Dat zij kunnen dooden, bewijst hun groote

macht, dat zij het niet willen, getuigt voor hun rechtschapenheid.

Tot vervelens toe hoort men overal in dronken gezelschappen het

spreekwoord: „wie medisch leeft, leeft ellendig“.

Quasi vero felicitas sit, distendi crapula, rumpi Venere,

turgescere cervisia, sepeliri somno. Sed istos Sycophantas quid opus est

oratione refellere, cum ipsi petulantiae suae satis magnas poenas dant

arti, mox podagra contorti, paralysi stupidi, desipiscentes ante tempus,

caecutientes ante senectutem, iamque prius vituperatae medicinae,

exemplo Stesichori, seram canunt palinodiam miseri.

Alsof het een groot geluk is, door een wijnroes geradbraakt te

worden, zich uit te putten door ontucht, op te zwellen van onmatig

biergebruik of ten gevolge van uitspattingen door den slaap overmand

te worden. Wat behoeven wij nog deze lasteraars met woorden te

bestrijden, die zelf door het verzaken van de voorschriften der

geneeskunde voldoende gestraft worden, daar zij weldra door podagra

worden gekweld, door verlamming getroffen, vroegtijdig het verstand

verliezen, vóór den ouderdom zwak van gezicht worden en dan eindelijk,

maar te laat, in hunne ellende op de wijze van Stesichorus hunnen

laster herroepen[6].

[Voetnoot 6: De lyrische dichter Stesichorus zou namelijk,

doordien hij Helena gesmaad had, van het gezicht beroofd zijn en

later doorhet dichten van een palinodie het weer teruggekregen

hebben. (Vert).]

Et tamen his licet indignissimis, artis bonitas non gravatur esse

praesidio, quantum licet. Sunt qui, mutuato ex vetere comoedia scommate,

vocent medicos σκατοφάγους. Quasi vero non isto nomine vel praecipue

laudari mereantur, qui quo subveniant hominum calamitatibus, ex illa sua

sublimitate sese ad haec sordida dejiciant. Quod si medicis tantum esset

supercilii, quantum istis est procacitatis, liceret passim impune mori.

Verum habet hoc ars nostra cum bonis regibus commune, ut bene faciat ac

male audiat.

En toch maakt die goede wetenschap geen bezwaar ook dezen,

ofschoon zij het volstrekt niet waard zijn, zooveel mogelijk te

helpen. Sommigen noemen, met een scheldwoord aan de oude comedie

ontleend, de geneesheeren „dreketers“. Verdienen zij dan niet juist

daarom geprezen te worden, dat zij, om de wonden der menschheid te

heelen, zich verwaardigen, uit hun verheven sfeer tot het vuil af te

dalen? Als de hoogmoed van de geneeskundigen eens zoo groot was als de

onbeschoftheid, waarmee die lieden hen vervolgen, dan zouden zij, zoo

maar straffeloos, de menschen kunnen laten omkomen. Doch ons beroep

heeft dit met goede vorsten gemeen, dat het goed handelt, maar een

slechten naam heeft.

Quod si maxime sunt, ut sunt in hoc ordine, qui se pro medicis gerunt,

cum nihil minus sint quam medici. Si sunt qui pro remediis venena

ministrant, si sunt qui ob quaestum et ambitionem aegrotis male

consulunt, quid iniquius est, quam hominum vitia in artis calumniam

detorquere?

Al zijn er nu ook lieden, zooals zij er inderdaad zijn, die zich voor

geneeskundigen uitgeven, terwijl zij niets minder dan dat zijn; als er

zijn, die vergiften voor geneesmiddelen toedienen; als er zijn, die

uit gewin- of eerzucht zieken slechten raad geven, wat is onbillijker

dan op grond van fouten van enkele individuen het geheele beroep te

lasteren?

Sunt et inter sacerdotes adulteri, inter monachos homicidae ac

piratae, sed quid hoc ad religionem per se optimam? Nulla tam sancta

professio est, quae non alat sceleratos aliquot. Votis quidem omnibus

optandum, omnes principes eiusmodi esse, cuiusmodi decet esse, qui

censeantur hoc digni nomine. Nec tamen ideo damnandus est principatus,

quod nonnulli sub eo titulo praedones reique publicae hostes agant.

Ook onder de priesters zijn echtbrekers, onder de monniken

moordenaars en roovers; maar wat heeft dit te maken met den

godsdienst, die op zich zelf zoo voortreffelijk is? Geen beroep is zoo

heilig, of er zijn eenige misdadigers die het uitoefenen. Het is zeker

dringend te wenschen, dat alle vorsten van dien aard zijn, dat zij

dien naam ook ten volle verdienen. Maar toch moet daarom de monarchie

niet veroordeeld worden, omdat er onder den vorstelijken titel eenige

plunderaars en vijanden van den staat rondloopen.

Optarim et ipse medicos omnes vere medicos esse, nec in his locum

dari Graecorum proverbio, πολλοὶ βουκένται παῦροι δέ τε γῆς ἀροτῆρες.

Optarim ab omnibus eam praestari sanctimoniam, quam Hippocrates

sacramento verbis solennibus concepto a professoribus exigit. Neque

tamen huc non enitendum est nobis, si id a plerisque negligi

conspicimus.

Ook ik wenschte, dat alle geneesheeren met recht dien naam

konden dragen en dat onder hen geen toepassing kon vinden de Grieksche

spreuk: „velen zijn ossendrijvers, maar weinigen landbeploegers“. Ik

wenschte, dat allen die angstvallige nauwgezetheid in de uitoefening

van hun beroep vertoonden, tot welke Hippocrates de artsen door een in

plechtige woorden vervatten eed verplichtte. Toch is er voor ons geen

reden, om niet met alle macht naar de bereiking van deze hoogte te

streven, al zien wij ook, dat dit door zeer velen wordt nagelaten.

Sed quoniam huius argumenti tanta est ubertas, viri praestantissimi, ut

difficillimum sit in eo dicendi finem invenire, ne non praestem quod

initio sum pollicitus, tempestivum arbitror, universas eius laudes

summatim complecti.

Maar daar dit onderwerp, hoogaanzienlijke vergadering, van zulk een

grooten omvang is, dat het moeilijk zou zijn, hierover ooit uitgeput

te raken, acht ik, om de belofte, in den aanhef mijner rede gedaan,

gestand te doen, nu den tijd gekomen, om den geheelen lof der

geneeskunde in het kort samen te vatten.

[_Epilogus._]

Etenim si permultas res sola commendat antiquitas, hanc artem primam

omnium reperit necessitas. Si scientiam autores illustrant, huius

inventio semper diis attributa est. Si quid autoritatis addit honos, non

alia tam passim ac tam diu divinos honores meruit.

Immers, terwijl zeer vele zaken zich alleen door hare oudheid

aanbevelen, is deze wetenschap het allereerst ontdekt door de

noodwendigheid. Als eene wetenschap door haar grondleggers roem

erlangt, de uitvinding van deze is altijd aan de goden toegeschreven.

Als de eer, die een zaak te beurt valt, haar aanzien verhoogt, aan

geene andere is zoo algemeen en zoo lang goddelijke eer bewezen.

Si magni fiunt, quae summis viris probantur, haec summos reges,

haec primates non solum delectavit, verum etiam illustravit. Si

difficilia quae sunt, ea sunt et pulchra, nihil hac operosius, quae tot

disciplinis, tantarum rerum pervestigatione usuque constat. Si dignitate

rem aestimamus, quid excellentius, quam ad dei benignitatem proxime

accedere?

Indien die dingen op hoogen prijs gesteld worden, die de

goedkeuring van aanzienlijke mannen wegdragen, het bestudeeren dezer

wetenschap strekte den machtigsten vorsten, den voornaamsten personen

niet alleen tot genoegen maar ook tot roem. Als de moeilijkheid, welke

iets oplevert, maatstaf is voor de schoonheid ervan, niets gaat met

meer moeite gepaard dan de beoefening der geneeskunde, die op zooveel

kennis, op het onderzoek van en ervaring in zoovele zaken berust. Als

wij een zaak naar hare waarde beoordeelen, wat staat hooger dan de

goddelijke genade het dichtst nabij te komen?

Si facultate, quid potentius aut efficacius quam totum hominem

certo exitio periturum sibi posse restituere? Si necessitate, quid aeque

necessarium atque id sine quo nec vivere, nec nasci licet? Si virtute,

quid honestius, quam servare genus humanum? Si utilitate, nullius usus

neque maior est, neque latius patet. Si compendio, aut haec in primis

frugifera sit oportet, aut ingratissimi mortales.

Naar haar vermogen, wat is machtiger of rijker aan resultaten

dan een geheelen mensch, wien een zekere dood te wachten staat, aan

zich zelf terug te geven? Naar hare noodwendigheid, wat is zoo

onmisbaar als de wetenschap, zonder welke noch leven, noch geboorte

mogelijk is? Indien wij een zaak naar hare zedelijke deugd

beoordeelen, wat staat moreel hooger dan het menschelijk geslacht in

het leven te houden? Naar haar nut, geen zaak sticht grooter nut en in

wijder kring. Indien wij eindelijk het financiëel voordeel tot

maatstaf nemen, dan is zij wel het allermeest winstgevend, indien de

menschheid niet alle dankbaarheid verloren heeft.

Vobis igitur magnopere gratulor, eximii viri, quibus contingit in hoc

pulcherrimo genere professionis excellere.

U wensch ik dus ten zeerste geluk, voortreffelijke mannen, die het

voorrecht hebt, in dat allerschoonste vak uit te munten.

Vos adhortor, optimi juvenes, hanc toto pectore complectimini, in hanc

nervis omnibus incumbite, quae vobis decus, gloriam, autoritatem, opes

est conciliatura, per quam vos vicissim amicis, patriae, atque adeo

mortalium generi non mediocrem utilitatem estis allaturi.

U, beste jongelingen, geef ik den raad: legt u hierop met volle borst

toe, wijdt U met al uwe krachten aan deze wetenschap, die U eer, roem,

aanzien en vermogen zal doen verwerven en door welke gij op Uw beurt

uwen vrienden, uw vaderland, ja, het geheele menschelijke geslacht op

meer dan gewone wijze ten heil zult strekken.

Dixi.

Ik heb gezegd.

[Errata in Latin text noted by Transcriber:

Encomium Artis Medicae: De Lof Der Geneeskunde · 第 6 / 7 段