om nog niet eens te spreken van de meer dan duizend gevallen

van vergiftiging, waarvan iedere soort een bijzonderen dood ten

gevolge heeft en dus een afzonderlijk geneesmiddel vereischt; nog niet

eens medegerekend de dagelijks voorkomende gevallen van struikeling,

val, fractuur, brandwonde, verstuiking, verwonding en dergelijke,

welke gevallen bijna even sterk in aantal zijn als de menigte der

ziekten; indien men eindelijk overweegt, hoe groote moeielijkheid er

verbonden is met het waarnemen der hemellichamen, die men noodzakelijk

moet kennen, daar anders dikwijls vergift zal zijn, wat men als

geneesmiddel toedient;

Ne quid interim commemorem saepe fallaces morborum notas, sive

coloris habitum spectes, sive lotii signa rimeris, sive pulsus harmoniam

observes, velut hoc agentibus malis, ut hostem medicum fallant et

imponant. Tantum undique sese offundit difficultatum, ut mihi difficile

sit omnes vel oratione prosequi.

terwijl ik maar met stilzwijgen voorbijga de dikwijls

bedriegelijke symptomen van ziekten, hetzij men de kleur beschouwt of

de teekens der urine onderzoekt of den polsslag waarneemt, daar het

den schijn heeft, alsof de ziekten er zich op toeleggen, om haar

vijand, den arts, te bedriegen en te misleiden; als men dit alles

nagaat, dan doen zich van alle kanten zooveel moeielijkheden op, dat

ik die zelfs bezwaarlijk alle zou kunnen opsommen.

Sed ut dicere coeperam, has omnes rerum varietates studio persequi,

obscuritates ingenio assequi, difficultates industria pervincere, ac

penetratis terrae fibris, excussis undique totius naturae arcanis, ex

omnibus herbis, fruticibus, arboribus, animantibus, gemmis, ex ipsis

denique venenis, cunctis humanae vitae malis efficacia quaerere remedia,

atque horum opportunum usum ex tot autoribus, tot disciplinis, imo et ab

ipsis sideribus petere.

Maar, om voort te gaan, al deze verschillende zaken ijverig

te bestudeeren, de duistere punten daarin met het verstand te

onderzoeken, de moeielijkheden door vlijt te overwinnen en, na

doorgedrongen te zijn in de ingewanden der aarde en van alle kanten

de geheimen der geheele natuur doorzocht te hebben, uit alle kruiden,

struiken, boomen, dieren, edelgesteenten, ten slotte zelfs uit de

vergiften voor alle kwalen van het menschelijk leven werkzame

geneesmiddelen te verkrijgen en de kennis van hun passend gebruik aan

zooveel schrijvers, zooveel wetenschappen, ja zelfs ook aan de sterren

te ontleenen;

Haec inquam, tam abdita rimari cura, tam ardua viribus animi

adipisci, tam multa memoria complecti, tam necessaria ad salutem

universi mortalium generis in commune proferre, nonne prorsus homine

maius ac plane divinum quiddam fuisse videtur?

deze zoo verborgen dingen met zorg uit te vorschen, zoo

moeielijke onderwerpen door de kracht van het verstand te begrijpen en

zoo talrijke zaken met het geheugen te omvatten; die voor het heil van

het menschelijk geslacht zoo onmisbare zaken tot bezit van het

algemeen te maken; schijnt dat niet het werk van een god geweest te

zijn, te grootsch dan dat het door menschen had kunnen tot stand

gebracht worden?

Absit invidia verbis. Liceat id quod vero verius est ingenue

praedicare. Non me jacto, sed artem ipsam effero. Etenim si dare vitam

proprium dei munus est, certe datam tueri, jamque fugientem retinere,

deo proximum fateamur oportet. Quamquam ne prius quidem illud, quod nos

soli deo proprium esse volumus, medicorum arti detraxit antiquitas, ut

credula, ita gratissima.

Men duide mijne woorden niet euvel; het zij mij geoorloofd

dat, wat zoo onweersprekelijk waar is, ronduit te verkondigen. Ik

verhef mijzelf niet, maar alleen de wetenschap. Immers, hoewel het

schenken van het leven slechts een voorrecht van de godheid is, zoo

moet men toch toegeven, dat dit leven te kunnen beschermen en vast te

houden, als het ons wil ontvlieden, de goddelijke macht zeer nabij

komt. Ofschoon zelfs niet het eerstgenoemde, hetwelk wij uitsluitend

aan God toeschrijven, door de ouden aan het gebied der geneeskunde

onttrokken werd, die daardoor wel hun lichtgeloovigheid, maar toch ook

hun groote dankbaarheid toonden.

Nam Aesculapii quidem ope Tyndaridam, et post eum complures ab

Orco in lucem redisse credidit. Asclepiades hominem exanimatum, elatum,

comploratumque ab rogo domum vivum reduxisse legitur. Xanthus historicus

catulum leonis occisum, praeterea et hominem, quem Draco occiderat,

vitae redditum fuisse, posteris prodidit, herba quam halin[*] nominant.

[Footnote: The Dutch translation notes that the word in Pliny is

“balis”.]

Zoo meenden zij, dat door de hulp van Aesculapius Castor, de

zoon van Tyndareus, en verscheidenen na hem uit de onderwereld in het

leven teruggekeerd zijn. Wij lezen, dat Asclepiades een persoon, die

gestorven, ter begrafenis uit zijn huis gedragen was en over wien

reeds de gebruikelijke lijkklachten waren uitgesproken, van den

brandstapel weg levend naar huis teruggevoerd heeft. De

geschiedschrijver Xanthus verhaalt, dat een gedood jong van een leeuw

en een man, dien Draco had laten ombrengen, weder tot het leven

teruggebracht zijn door een kruid, dat „halis“[2] heet.

[Voetnoot 2: In Plinius staat „balis“ (Vertaler).]

Ad haec Juba, in Africa quendam herba revocatum ad vitam, testis

est. Neque vero laboraverim, si sint apud quos haec fide careant. Certe

(quod agimus) admirationem artis tanto magis implent, quanto magis supra

fidem veri sunt, et immensum esse fateri cogunt id quod vero supersit.

Ook getuigt Juba, dat in Afrika door middel van een kruid

iemand weer in het leven teruggeroepen is. Nu zou ik mij er weinig om

bekommeren, als er menschen waren, die aan deze verhalen geen geloof

sloegen; toch vervullen zij ons met des te meer bewondering voor de

geneeskunde, hoemeer zij ons, niettegenstaande hun ongeloofwaardigheid,

tot de erkentenis dwingen, dat wat er waars aan overblijft toch nog

buitengewoon is.

Quamquam quantum ad eum attinet, qui vitae redditur, quid refert

utrum anima denuo in artus relictos divinitus reponatur, an penitus in

corpore sepulta, morbique victoris oppressa viribus, arte curaque medici

suscitetur atque eliciatur, iamque certo migratura retineatur?

Hoewel, wat voor onderscheid is er voor hem, die aan het leven

teruggegeven wordt, of de levensgeesten door werking van de godheid

opnieuw in de ledematen, die zij reeds verlaten hadden, worden

teruggebracht, dan wel of zij, diep in het lichaam begraven en door de

kracht der overweldigende ziekte onderdrukt, door de kunst en de zorg

van den geneesheer ondersteund en voor den dag gebracht worden en,

reeds op het punt te wijken, op hun plaats worden gehouden?

An non pene paria sunt mortuum restituere, et mox moriturum

servare? Atqui permultos nominatim recenset Plinius libro historiae

mundanae septimo, qui iam elati partim in ipso rogo, partim post dies

complusculos revixerint.

Of komt het niet ongeveer op hetzelfde neer, een doode te doen

herleven of iemand, die weldra zal sterven, in het leven te houden? En

toch noemt Plinius in het zevende boek van zijn „Historia Naturalis“

zeer velen met name op, die, na reeds ter begrafenis uit hun huis

gedragen te zijn, deels op den brandstapel zelf, deels eerst na

verscheidene dagen, weder herleefden.

Miraculum est, quod paucis dedit casus. Et non magis mirandum, quod

quotidie multis largitur ars nostra? Etiamsi hanc deo Opt. Max. debemus,

cui nihil non debemus, ne quis haec a me putet arrogantius dicta quam

verius. Complurium morborum ea vis est, ut certa mors sint, nisi

praesens adsit medicus, veluti stupor is, qui mulieribus potissimum

solet accidere, veluti syncopis profunda, paralysis, apoplexia.

Een wonder noemt men datgene, wat het toeval aan weinigen gegeven

heeft. Maar is dan niet veeleer een wonder te noemen, wat onze

wetenschap dagelijks aan velen verleent? En ofschoon wij deze aan den

Algoede te danken hebben, Wien wij alles verschuldigd zijn, meene toch

niemand, dat mijne woorden meer aanmatiging dan waarheid bevatten.

Verscheidene ziekten zijn van dien aard, dat er een wisse dood volgt,

als niet de geneesheer onmiddellijk hulp verleent, zooals bij

voorbeeld de verdooving, die vooral vrouwen pleegt te overvallen,

diepe onmacht, verlamming en beroerte.

Neque desunt ulli vel seculo, vel genti sua in hanc rem exempla.

Hic qui mortem ingruentem arte sua depellit, qui vitam subito oppressam

revocat, nonne ceu numen quoddam dextrum ac propitium semper habendus

est? Quot censes homines ante diem sepultos fuisse priusquam medicorum

solertia morborum vires, et remediorum naturas deprehenderat? Quot hodie

mortalium milia vivunt, valentque, qui ne nati quidem essent, nisi eadem

haec ars, et tot nascendi discriminibus remedia, et obstetricandi

rationem reperisset?

In iederen tijd en bij ieder volk zijn hier voorbeelden van te

vinden. Moet nu niet hij, die den overrompelenden dood door zijn kunst

verdrijft, die het leven, plotseling overmeesterd, terugroept, te

allen tijde als een welwillende en genadige godheid beschouwd worden?

Hoeveel menschen zijn niet vóór hun tijd ten grave gedaald, toen nog

niet door de schranderheid der geneeskundigen de werkingen der ziekten

en de aard der geneesmiddelen doorgrond waren? Hoeveel duizenden leven

niet heden ten dage en bevinden zich lichamelijk wel, die zelfs niet

geboren zouden zijn, als niet diezelfde wetenschap zoovele middelen

tegen de gevaren der geboorte en de verloskunde had uitgevonden.

Adeo statim in ipso vitae limine, et pariens simul et nascens

salutarem medicorum opem miserabili voce implorat. Horum arti vitam

debet, et qui nondum vitam accepit, dum per eam prohibentur abortus, dum

mulieri seminis recipiendi retinendique vis confertur, dum pariendi

facultas datur.

Ja, reeds aanstonds op den drempel des levens roept de barende

tegelijk met het wicht, dat geboren wordt, met klagende stem de

heilzame hulp der geneeskundigen in. Aan hunne kunst heeft ook het

leven te danken hij, die het leven nog niet eens ontvangen heeft, daar

door haar een ontijdige bevalling verhinderd wordt, en zoodoende der

vrouw de kracht om het zaad te ontvangen en bij zich te houden

verleend en gelegenheid tot baren gegeven wordt.

[Sidenote: παροιμία]

Quod si vere dictum est illud Deus est juvare mortalem, profecto

mea sententia aut nusquam locum habebit illud nobile Graecorum adagium

ἄνθρωπος άνθρώπου δαιμόνιον, aut in medico fido proboque locum habebit,

qui non juvat modo verum etiam servat. An non igitur ingratitudine ipsa

videatur ingratior, ac ipse prope vita indignus, qui medicinam alteram

secundum deum, vitae parentem, tutricem, servatricem, vindicem non amet,

non honoret, non suspiciat, non veneretur?

En hoewel er terecht gezegd is: „slechts God kan den mensch

helpen“, vindt toch voorzeker mijns inziens de bekende Grieksche

spreuk „de eene mensch is de god van den anderen“, zoo ergens, hare

toepassing bij den betrouwbaren en deugdelijken geneesheer, die niet

alleen helpt, maar ook behoudt. Of schijnt hij dan niet ondankbaarder

dan de ondankbaarheid zelve en bijna het leven niet waard, die de

geneeskunde, welke naast God de voortbrengster, beschermster,

behoudster en verdedigster van ons leven is, niet lief heeft, hoogacht

en met bewondering en eerbied tot haar opziet?

Cuius praesidiis nunquam ulli non est opus. Nam reliquis quidem

artibus nec semper nec omnes egemus. Huius utilitate mortalium omnis

vita constat. Nam fac abesse morbos, fac omnibus prosperam adesse

valetudinem, tamen hanc qui poterimus tueri, nisi medicus ciborum

salutarium ac noxiorum discrimen, nisi totius victus, quam Graeci

diaetam vocant, rationem doceat?

Wier hulp allen immers te allen tijde noodig hebben? Want van

alle overige wetenschappen behoeven wij niet allen, noch ook te allen

tijde, gebruik te maken. Op de toepassing van deze wetenschap echter

berust het geheele leven der stervelingen. Want gesteld eens, dat er

geen ziekten waren, dat allen zich in een goede gezondheid mochten

verheugen, hoe zouden wij desniettegenstaande deze in goeden staat

kunnen houden, indien niet de geneesheer ons het onderscheid tusschen

heilzame en schadelijke voedingsmiddelen en de juiste inrichting van

onze geheele levenswijze, die de Grieken dieet noemen, leerde?

[_Senectam remoratur ars medicorum._]

Grave mortalibus est onus senecta, quam non magis licet effugere quam

mortem ipsam. Atque ea medicorum opera multis contingit, tum serius, tum

multo etiam levior. Neque enim fabula est, quinta, quam vocant, essentia

senio depulso hominem velut abjecto exuvio rejuvenescere, cum extent

aliquot huius rei testes.

Een zware last voor de menschen is de ouderdom, dien men evenmin kan

ontloopen als den dood zelf. Maar door de hulp der geneeskundigen komt

hij voor velen later en veel dragelijker dan zonder deze het geval

geweest ware. Want het is geen legende, dat de mensch door de

zoogenaamde „quinta essentia“ de gebreken des ouderdoms, als een

kleed, dat afgelegd wordt, kan verdrijven en zijn jeugd herkrijgen;

er zijn eenigen, die dat door hun getuigenis staven.

[_Totum hominem curat medicus._]

Neque vero corporis tantum, quae vilior hominis pars est, curam gerit,

imo totius hominis curam agit, etiamsi Theologus ab animo, medicus a

corpore sumat initium. Siquidem propter arctissimam amborum intet se

cognationem et copulam, ut animi vitia redundant in corpus, ita vicissim

corporis morbi animae vigorem aut impediunt, aut etiam extinguunt.

Maar niet alleen voor het lichaam, hetwelk het geringste deel des

menschen is, draagt de geneesheer zorg, neen, voor den geheelen

mensch, al neemt de geneesheer niet zooals de godgeleerde de ziel maar

het lichaam als uitgangspunt. Evenals immers wegens beider zeer nauwe

verwantschap en verbinding de gebreken der ziel hun invloed doen

gelden op het lichaam, zoo belemmeren de ziekten des lichaams op haar

beurt de kracht der ziel of vernietigen die zelfs geheel.

Quis aeque pertinax suasor abstinentiae, sobrietatis, moderandae

irae, fugiendae tristitiae, vitandae crapulae, amoris abjiciendi,

temperandae Veneris, atque medicus? Quis efficacius suadet aegroto, ut

si vivere velit, et salutarem experiri medici opem, prius animum a

vitiorum colluvie repurget?

Wie spoort den mensch zoo hardnekkig als de geneesheer aan tot

onthouding, soberheid, het matigen van den toorn, het ontvluchten van

droefheid, het vermijden van dronkenschap, het laten varen van de

liefde en het maat houden in geslachtelijken omgang? Wie raadt met

beter gevolg den zieke aan, als hij wil blijven leven en bij de

medische hulp baat vinden, eerst zijne ziel te zuiveren van den poel

harer ondeugden?

Idem quoties vel diaetetica ratione, vel ope pharmaceutica bilem

atram minuit, labantes cordis vires reficit, cerebri spiritus fulcit,

mentis organa purgat, ingenium emendat, memoriae domicilium sarcit,

totumque animi habitum commutat in melius, nonne per exteriorem, ut

vocant, hominem, et interiorem servat?

Hoe dikwijls niet vermindert hij ook de zwartgalligheid,

hetzij door het voorschrijven van een bepaald dieet of geneesmiddelen,

versterkt de verslappende krachten van het hart, ondersteunt de

functies der hersenen, zuivert de organen van den geest, verbetert den

verstandelijken aanleg, herstelt den zetel van het geheugen en brengt

in de geheele zielsgesteldheid eene verandering ten goede teweeg?

Behoudt hij niet door wat men noemt den uiterlijken mensen tegelijk

ook den innerlijken?

Qui phreneticum, lethargicum, maniacum, sideratum, lymphatum

restituit, nonne totum restituit hominem? Theologus efficit ut homines a

vitiis resipiscant, at medicus efficit, ut sit qui possit resipiscere.

Frustra ille medicus sit animae, si jam fugerit anima, cui paratur

antidotus.

Hij, die een lijder aan waanzin, slaapziekte, razernij,

apoplexie of tijdelijke verstandsverbijstering geneest, geeft hij

niet den geheelen mensch weder aan de maatschappij terug? De theoloog

bewerkt, dat de menschen van hunne misdrijven weder tot bezinning

komen, maar de geneesheer zorgt er voor, dat zij physiek daartoe in

staat zijn. Gene kan als geneesheer der ziel geen nut meer stichten,

als de ziel, voor welke een tegengift bereid wordt, reeds ontvloden

is.

Cum impium hominem subito corripuit paralysis, apoplexia, aut alia

quaedam praesentanea pestis, quae vitam prius adimat, quam vacet de

castiganda cogitare vita, hunc qui restituit, alioquin infeliciter in

suis sceleribus sepeliendum, nonne quodammodo tum corpus, tum animum ab

inferis revocat?

Wanneer een goddeloos mensch plotseling door een verlamming,

beroerte of ander ongeval getroffen wordt, dat onmiddellijk den dood

ten gevolge kan hebben, die hem het leven kan benemen nog vóórdat hij

den tijd heeft, om aan verbetering van zijn levensgedrag te denken,

kan men dan niet van hem, die dezen geneest, welke anders ellendig

onder den last zijner misdaden moest begraven worden, eenigermate

zeggen, dat hij zoowel zijn lichaam als zijn ziel uit het schimmenrijk

teruggebracht heeft?

In eum certe locum reponit hominem, ut ei in manu jam sit, si

velit, aeternam mortem fugere. Quid suadebit lethargico Theologus, qui

suadentem non audiat? Quid movebit phreneticum, nisi medicus prius atram

bilem repurgarit?

In ieder geval plaatst hij hem toch in zulk een toestand, dat

hij het nu zelf in zijn macht heeft, indien hij wil, den eeuwigen dood

te ontkomen. Wat zal de theoloog den slaapzieke kunnen aanraden, als

deze hem niet hooren kan? Hoe zal hij den waanzinnige tot iets kunnen

bewegen, indien niet eerst de geneesheer hem van zwartgalligheid

gezuiverd heeft?

Pietas caeteraeque virtutes, quibus Christiana constat felicitas, ab

animo potissimum pendent, haud infitior. Caeterum quoniam is corpori

illigatus, corporeis organis velit nolit utitur, fit ut bona pars bonae

mentis a corporis habitu pendeat.

Ik loochen volstrekt niet, dat de barmhartigheid en de overige

deugden, waarop de Christelijke zaligheid berust, hoofdzakelijk van

de ziel afhangen, maar aangezien deze aan het lichaam gebonden is en

zich goed- of kwaadschiks van de lichaamsorganen bedient, is een goede

geestestoestand voor een zeer groot deel van de lichaamsgesteldheid

afhankelijk.

Permultos homines infelix corporis temperatura, quam Graeci modo

κρᾶσιν modo σύστημα vocant, velut invitos ac reclamantes, ad peccandum

pertrahit, dum animus insessor frustra moderatur habenas, frustra subdit

calcaria, sed equum ferocientem in praecipitium sequi cogitur.

Zeer vele menschen drijft een ongelukkige menging der

lichaamsvochten, die de Grieken nu eens crasis (menging), dan weer

systema (samenstelling) noemen, als het ware tegen hunnen wil en

terwijl zij zich verzetten, tot zonde voort, terwijl de daarbinnen

wonende ziel, tevergeefs de teugels aantrekkend en de sporen in de

zijden drukkend, gedwongen wordt, het hollende paard in den afgrond te

volgen.

Animus videt, animus audit sed si oculos occuparit glaucoma, si

aurium meatus crassus humor obsederit, frustra vim suam habet animus.

Odit animus, irascitur animus, at vitiosus humor mentis organa obsidens

in causa est, ut oderis, quem amore dignum judices, irasceris cui nolis

irasci.

De ziel ziet en hoort wel, maar wanneer de oogen door de staar

verduisterd of de toegangen van het gehoor door een dik vocht verstopt

zijn, dan baat de ziel het bezit dier vermogens niet. De ziel haat, de

ziel is toornig, maar het bedorven vocht, dat zich op de organen van

den geest gezeteld heeft, is oorzaak, dat gij hem haat, dien ge uw

liefde waardig moest keuren, en vertoornd zijt op hem, op wien gij

niet zoudt willen vertoornd zijn.

Philosophiae summam in hoc sitam esse fatetur Plato, si rationi

pareant affectus, atque ad eam rem praecipuus est adjutor medicus, hoc

agens ut ea pars hominis vigeat sapiatque, cuius arbitrio geruntur,

quaecunque cum laude geruntur. Si hominis vocabulo censentur indigni,

qui pecudum ritu rapiuntur cupiditatibus, huius nominis dignitatem bona

ex parte debemus medicis.

Plato erkent, dat de gansche philosophie eigenlijk daarop

neerkomt, dat de gemoedsaandoeningen aan de rede moeten gehoorzamen.

En nu is het voornamelijk de geneesheer, die daartoe medewerkt, zich

hierop toeleggend, dat dit deel van den mensch krachtig en vol inzicht

zij, naar welks goedvinden alles geschiedt, wat op lofwaardige wijze

verricht wordt. Terwijl zij den naam van mensch onwaardig geacht

worden, die zich evenals de dieren door hun begeerten laten

meesleepen, hebben wij het voor een goed deel aan de geneeskundigen te

danken, zoo wij dien naam wel waardig zijn.

[_Principibus maxime necessarius medicus._]

Id cum maximum sit in singulis ac privatis, quanto praeclarius est

beneficium, cum id praestatur in principe? Nulla fortuna magis est

obnoxia malis huiusmodi, quam felicissimorum regum. Quos autem rerum

tumultus ciet unius homunculi vitiatum cerebrum? Frustra reclament qui

sunt a consiliis, furis o princeps, ad te redi, ni medicus arte sua

neque volenti, neque sentienti suam mentem reddiderit.

Als dit nu reeds van het grootste belang is voor ieder in het

bijzonder, ook indien men slechts een particulier persoon is, een hoe

grooter weldaad is het dan niet, wanneer dit resultaat verkregen wordt

bij een vorst. Geen maatschappelijke positie is zoozeer aan rampen van

dien aard blootgesteld als die van machtige koningen. Een hoe groote

verwarring wordt niet gesticht door de abnormale hersenen van één

zoo’n mensch. Tevergeefs zullen zijne raadslieden hem toeroepen: „Gij

raast, o vorst, kom tot bezinning!“, als hem niet de arts door zijn

kunst, zonder dat hij het wil of merkt, zijn verstand teruggegeven

heeft.

Si Caligulae fidus adfuisset medicus, non usque ad pugionum ac

venenorum scrinia in perniciem humani generis insanisset. Atque ob eam

sane causam publica consuetudine receptum est apud omnes orbis nationes,

ne princeps usquam gentium agat absque medicis. Proinde cordati

principes nulli unquam arti plus honoris habuerunt, quam medicinae.

Quandoquidem Erasistratus (ut reliquos taceam) Aristotelis ex filia

nepos, ob Antiochum regem sanatum, centum talentis donatus est a

Ptolemaeo huius filio.

Als Caligula een betrouwbaren arts bezeten had, dan ware hij

in zijn waanzin niet gekomen tot het gebruik van kastjes met dolken en

vergiften tot verderf van het menschelijke geslacht. Ongetwijfeld is

het om die reden bij alle volken der aarde tot een algemeen gebruik

geworden, dat ieder vorst zijn lijfarts heeft. Daarom hebben

verstandige vorsten aan geen wetenschap ooit meer eer bewezen dan aan

de geneeskunde. Zoo werd Erasistratus (om van de overigen te zwijgen),

een kleinzoon van Aristoteles, wegens het genezen van koning Antiochus

door diens zoon Ptolemeus met honderd talenten beloond.

Quin et divinae literae jubent medico suum haberi honorem, non

tantum ob utilitatem, verum etiam ob necessitatem, ut in caeteros

benemeritos ingratitudo sit, in medicum impietas, quippe qui tamquam

beneficii divini adjutor, id arte sua tuetur, quod optimum nobis et

carissimum largitus est deus, videlicet vitam.

Ja, ook de Heilige Schrift schrijft ons voor, den geneesheer

de hem toekomende eer te bewijzen, niet alleen wegens zijn nut, maar

ook wegens zijne onmisbaarheid, zoodat wat tegenover anderen, die zich

jegens ons verdienstelijk gemaakt hebben, ondankbaarheid heet,

namelijk het niet erkentelijk zijn voor hunne weldaden, tegenover den

geneesheer goddeloosheid genoemd mag worden. Hij immers beschermt, als

het ware God bijstand verleenende bij het schenken Zijner genade, het

beste en dierbaarste, dat God ons gegeven heeft, d.i. het leven.

[_A similibus._]

Parentibus nihil non debemus, quod per hos vitae munus accepisse

quodammodo videmur. Plus mea sententia debetur medico, cui toties

debemus, quod parentibus semel dumtaxat debemus, si tamen illis debemus.

Pietatem debemus ei, qui hostem a cervicibus depulit, et medico non

magis debemus, qui pro nobis servandis cum tot capitalibus vitae

hostibus quotidie depugnat?

Encomium Artis Medicae: De Lof Der Geneeskunde · 第 4 / 7 段