Te allen tijde, zelfs bij wilde en barbaarsche volken, werd de

vriendschap voor iets verhevens en eerbiedwaardigs gehouden. En

diegene wordt als een uitstekend vriend beschouwd, die evenmin in

tegen- als in voorspoed zijn vrienden in den steek laat, terwijl

het gros der vrienden in gelukkige omstandigheden trouw blijft, in

ongelukkige verdwijnt, evenals de zwaluwen gedurende den zomer in het

land zijn, maar bij het invallen van den winter wegvliegen. Een hoe

oprechter vriend is echter niet de geneesheer. Evenals de „Seleucides“

genaamde vogels, naar verhaald wordt, door de bewoners van het

Casische gebergte nooit anders gezien worden, dan wanneer zij hunne

hulp noodig hebben tegen de zwermen van sprinkhanen, die hun gewassen

vernielen, zoo vertoont ook hij zich nooit in normale en gelukkige

omstandigheden, maar in tijden van gevaar, in die gevallen, waarin

vrouw en kinderen dikwijls den man verlaten, bij voorbeeld bij

waanzin, luizenziekte of pest, staat hij alleen hem voortdurend bij,

en niet alleen, zooals de meeste anderen, met onnuttige diensten, maar

als redder, om het leven van den in gevaar verkeerende met de ziekte

kampend, soms ook met gevaar voor zijn eigen leven. Zijn zij dan niet

meer dan ondankbaar, die, door de dienstvaardigheid van zulk een

vriend gered, al aanstonds nadat het gevaar geweken is, den geneesheer

kunnen haten en hem niet veeleer als een vader vereeren en hoogachten?

Een alledaagsch vriend, die hen van tijd tot tijd bij een toevallige

ontmoeting groet, noodigen zij ter maaltijd, hem, die hen wel eens

vergezelt, overladen zij met hoffelijkheid, maar een zoodanig vriend

wordt, zoodra zij hem niet meer noodig hebben, versmaad? Terwijl deze

afkeer eigenlijk juist daaruit voortspruit, dat zij inzien, dat geen

belooning ooit groot genoeg kan zijn, om tegen hun diensten op te

wegen.

Daar hij de voortreffelijkste genoemd kan worden, die den staat het

meest ten nutte is, zoo moest deze wetenschap eigenlijk door alle

uitstekende mannen geleerd worden.

[5][Het is immers niet de geringste, en misschien wel de voornaamste,

plicht der wereldlijke overheid te zorgen, dat de burgers gezond zijn.

Wat baat het, den vijand van de muren verdreven te hebben, wanneer de

daarbinnen heerschende epidemie meer personen wegmaait dan het zwaard

der vijanden zou gedood hebben? Wat geeft het, er voor te zorgen,

dat niemand zijn vermogen verliest, als de gezondheid des lichaams

gesloopt wordt? De ouden, die een rangorde der goederen hebben

vastgesteld, plaatsten bovenaan op de lijst een goede gezondheid. Want

wat nut is het, dat het bezit in ongeschonden staat verkeert, als de

bezitter niet wel is? Daarom lette de wetgeving bij de ouden, toen

heb- en eerzucht nog niet alles bedorven hadden, vooral daarop, dat de

lichamen der burgers gezond, krachtig en evenredig ontwikkeld waren.

Dit hangt deels af van de aangeboren lichaamsgesteldheid, deels van

de opvoeding, lichaamsoefeningen, voedingswijze en ook eenigszins van

de inrichting der woningen. De taak van den geneesheer vervulden de

wetgevers, die slechts goed gebouwde personen met elkander lieten

huwen, die eischten, dat men alleen volkomen gezonde minnen in dienst

nam, die openbare baden en turnplaatsen instelden, wetten tegen de

weelde maakten, door het doen verbouwen van huizen en het droogleggen

van moerassen, epidemieën voorkwamen en er voor waakten, dat geen

spijzen of dranken, die voor de gezondheid gevaar opleverden, verkocht

werden. Maar heden ten dage meenen de vorsten, dat zij er niet mee te

maken hebben, of voor wijnen vergiften verkocht worden, of er door

aangestoken graan of bedorven visch zoovele ziekten onder het volk

verspreid worden.

Er is letterlijk geen deel van het leven, dat zonder de hulp der

geneeskunde behoorlijk kan geregeld worden.]

[Voetnoot 5: De woorden, die nu volgen en tusschen haakjes []

geplaatst zijn, komen niet voor in de uitgave van Frobenius Bazel

1518, noch in die van Mich. Hillenius (Antwerpen 1523), noch ook

in die van Joannes Petrejus (Neurenberg 1525), maar wel in de

eerste gezamenlijke uitgave van Erasmus’ werken van Beatus

Rhenanus (Bazel 1540) en in de beste gezamenlijke uitgave van

Joannes Clericus (Leiden 1703). (Vert.)]

Indien er eindelijk menschen zijn, die de waarde der dingen liever

afmeten naar het voordeel en de winst, die zij opleveren, dan zullen

zij bevinden, dat ook in dit opzicht de geneeskunde, ofschoon te

verheven om naar dergelijke overwegingen beoordeeld te worden, bij

geen der andere wetenschappen ten achter staat. Want geen andere was

ooit meer winstgevend en stelde hare beoefenaars zoo snel in staat,

zich een vermogen te verwerven. Wij lezen, dat Erasistratus, dien ik

reeds vroeger vermeld heb, door koning Ptolemeus, en Critobolus door

Alexander den Grooten met buitengewone, nauwelijks te gelooven

belooningen begiftigd zijn. Doch welke belooning is dan ten slotte

niet gering te noemen, betaald aan den redder van een leven, voor

welks behoud zooveel duizenden soldaten voortdurend streden? Waartoe

nog te noemen de Cassii, Carpitani, Aruncii en Albutii, van wie

Plinius vertelt, dat zij te Rome zoowel aan het keizerlijk hof als

onder de burgers ontzaglijk veel geld verdienden? Doch waarom behoeven

wij nog die voorbeelden uit het grijze verleden weder op te halen,

alsof niet ieder uit zijn eigen tijd verscheidenen voor den geest

staan, die door dit beroep ware Croesussen zijn geworden.

Van de rhetoriek en de dichtkunst kan slechts hij leven, die er in

uitmunt. Een musicus, die het niet tot een groote hoogte in zijn kunst

gebracht heeft, lijdt honger. Een rechtsgeleerde heeft maar een mager

inkomen, als hij niet voortreffelijk is. Slechts de geneeskunde

onderhoudt en beschermt haren beoefenaar, hoe weinig bedreven hij

er ook in moge zijn. De medische wetenschap berust wel is waar op

ontelbare kundigheden en de kennis van een oneindig aantal zaken; toch

helpt dikwijls één enkel geneesmiddel een stumper in het vak aan den

kost. Het is er dus verre vandaan, dat dit beroep als onwinstgevend

kan veroordeeld worden.

Daar komt nog bij, dat met de overige beroepen niet overal geld

te verdienen is. Een rhetor zal een koele ontvangst vinden bij de

Sarmaten, een kenner van het keizerlijk recht bij de Britten. De

medicus is overal, waar ter wereld hij zich ook heen begeve, vergezeld

door zijn waardigheid en van reisgeld voorzien, zoodat op geen beroep

meer van toepassing is het alom bekende Grieksche spreekwoord: „de

geheele aarde voedt het ambacht.“

Maar juist daarover spreekt Plinius (ik weet niet zeker of hij hier

zelf aan het woord is of de meening van anderen weergeeft) zijn

verontwaardiging uit, dat het uitoefenen der geneeskunde een

broodwinning is. Ik stem toe, dat deze wetenschap te hoog staat, om

tot kostwinning te dienen of tot middel om zich te verrijken. Dit

hoort thuis bij de alledaagsche beroepen. Maar het ware al te

ondankbaar, haar alleen van den haar toekomenden dank te berooven,

aan welke nooit genoeg dank vergolden kan worden. Een uitstekend

geneesheer helpt als een god kosteloos, desnoods tegen den wil van den

patiënt. Maar het is goddeloosheid, voor de weldaad van een god niet

erkentelijk te zijn. Hij geeft wel niet om loon, maar gij behoort

volgens de wet gestraft te worden wegens uw buitengewone

ondankbaarheid, als gij het hem niet voldoet.

Het is mij volstrekt niet onbekend, dat deze uitmuntende wetenschap

zoowel voorheen bij de ouden in een kwaden roep stond, als ook

tegenwoordig door sommige onwetende lieden gehoond wordt. Cato beviel

de geneeskunde niet, niet omdat hij haar op zich zelve veroordeelde,

maar omdat een onvervalscht Romein als hij de aanmatigende wijze,

waarop de Grieken haar in zijn dagen uitoefenden, niet kon verdragen.

Hij kende aan de ervaring op dat gebied zulk een hooge waarde toe,

dat hij der geneeskunde den naam van wetenschap ontzegde. Dat kan

ons van hem te minder verwonderen, daar hij het ook was, die in den

Romeinschen senaat het voorstel deed, de geheele Grieksche philosophie

uit Rome te verbannen. De stoere man meende, dat tot zuivering van het

menschelijk lichaam kool en menigvuldige brakingen voldoende waren. En

toch lezen wij van dien vijand der artsen, dat hij door inachtneming

der medische voorschriften tot het einde van zijn lang leven zijn

krachten onverzwakt behouden heeft.

Alleen de geneesheeren, zegt men, hebben het onbeperkte recht van

straffeloos te dooden. Maar juist uit dien hoofde moeten goede

geneesheeren geëerd worden, daar zij, terwijl het hun vrijstaat, niet

alleen ongestraft maar zelfs tegen belooning te dooden, toch liever

de menschen willen redden. Dat zij kunnen dooden, bewijst hun groote

macht, dat zij het niet willen, getuigt voor hun rechtschapenheid.

Tot vervelens toe hoort men overal in dronken gezelschappen het

spreekwoord: „wie medisch leeft, leeft ellendig“. Alsof het een groot

geluk is, door een wijnroes geradbraakt te worden, zich uit te putten

door ontucht, op te zwellen van onmatig biergebruik of ten gevolge van

uitspattingen door den slaap overmand te worden. Wat behoeven wij nog

deze lasteraars met woorden te bestrijden, die zelf door het verzaken

van de voorschriften der geneeskunde voldoende gestraft worden, daar

zij weldra door podagra worden gekweld, door verlamming getroffen,

vroegtijdig het verstand verliezen, vóór den ouderdom zwak van gezicht

worden en dan eindelijk, maar te laat, in hunne ellende op de wijze

van Stesichorus hunnen laster herroepen[6]. En toch maakt die goede

wetenschap geen bezwaar ook dezen, ofschoon zij het volstrekt niet

waard zijn, zooveel mogelijk te helpen. Sommigen noemen, met een

scheldwoord aan de oude comedie ontleend, de geneesheeren „dreketers“.

Verdienen zij dan niet juist daarom geprezen te worden, dat zij, om de

wonden der menschheid te heelen, zich verwaardigen, uit hun verheven

sfeer tot het vuil af te dalen? Als de hoogmoed van de geneeskundigen

eens zoo groot was als de onbeschoftheid, waarmee die lieden hen

vervolgen, dan zouden zij, zoo maar straffeloos, de menschen kunnen

laten omkomen. Doch ons beroep heeft dit met goede vorsten gemeen, dat

het goed handelt, maar een slechten naam heeft.

[Voetnoot 6: De lyrische dichter Stesichorus zou namelijk, doordien

hij Helena gesmaad had, van het gezicht beroofd zijn en later door

het dichten van een palinodie het weer teruggekregen hebben. (Vert.)]

Al zijn er nu ook lieden, zooals zij er inderdaad zijn, die zich voor

geneeskundigen uitgeven, terwijl zij niets minder dan dat zijn; als er

zijn, die vergiften voor geneesmiddelen toedienen; als er zijn, die

uit gewin- of eerzucht zieken slechten raad geven, wat is onbillijker

dan op grond van fouten van enkele individuen het geheele beroep te

lasteren? Ook onder de priesters zijn echtbrekers, onder de monniken

moordenaars en roovers; maar wat heeft dit te maken met den

godsdienst, die op zich zelf zoo voortreffelijk is? Geen beroep is zoo

heilig, of er zijn eenige misdadigers die het uitoefenen. Het is zeker

dringend te wenschen, dat alle vorsten van dien aard zijn, dat zij

dien naam ook ten volle verdienen. Maar toch moet daarom de monarchie

niet veroordeeld worden, omdat er onder den vorstelijken titel eenige

plunderaars en vijanden van den staat rondloopen. Ook ik wenschte,

dat alle geneesheeren met recht dien naam konden dragen en dat onder

hen geen toepassing kon vinden de Grieksche spreuk: „velen zijn

ossendrijvers, maar weinigen landbeploegers“. Ik wenschte, dat allen

die angstvallige nauwgezetheid in de uitoefening van hun beroep

vertoonden, tot welke Hippocrates de artsen door een in plechtige

woorden vervatten eed verplichtte. Toch is er voor ons geen reden, om

niet met alle macht naar de bereiking van deze hoogte te streven, al

zien wij ook, dat dit door zeer velen wordt nagelaten.

Maar daar dit onderwerp, hoogaanzienlijke vergadering, van zulk een

grooten omvang is, dat het moeilijk zou zijn, hierover ooit uitgeput

te raken, acht ik, om de belofte, in den aanhef mijner rede gedaan,

gestand te doen, nu den tijd gekomen, om den geheelen lof der

geneeskunde in het kort samen te vatten.

Immers, terwijl zeer vele zaken zich alleen door hare oudheid

aanbevelen, is deze wetenschap het allereerst ontdekt door de

noodwendigheid. Als eene wetenschap door haar grondleggers roem

erlangt, de uitvinding van deze is altijd aan de goden toegeschreven.

Als de eer, die een zaak te beurt valt, haar aanzien verhoogt, aan

geene andere is zoo algemeen en zoo lang goddelijke eer bewezen.

Indien die dingen op hoogen prijs gesteld worden, die de goedkeuring

van aanzienlijke mannen wegdragen, het bestudeeren dezer wetenschap

strekte den machtigsten vorsten, den voornaamsten personen niet alleen

tot genoegen maar ook tot roem. Als de moeilijkheid, welke iets

oplevert, maatstaf is voor de schoonheid ervan, niets gaat met meer

moeite gepaard dan de beoefening der geneeskunde, die op zooveel

kennis, op het onderzoek van en ervaring in zoovele zaken berust. Als

wij een zaak naar hare waarde beoordeelen, wat staat hooger dan de

goddelijke genade het dichtst nabij te komen? Naar haar vermogen, wat

is machtiger of rijker aan resultaten dan een geheelen mensch, wien

een zekere dood te wachten staat, aan zich zelf terug te geven? Naar

hare noodwendigheid, wat is zoo onmisbaar als de wetenschap, zonder

welke noch leven, noch geboorte mogelijk is? Indien wij een zaak naar

hare zedelijke deugd beoordeelen, wat staat moreel hooger dan het

menschelijk geslacht in het leven te houden? Naar haar nut, geen

zaak sticht grooter nut en in wijder kring. Indien wij eindelijk het

financiëel voordeel tot maatstaf nemen, dan is zij wel het allermeest

winstgevend, indien de menschheid niet alle dankbaarheid verloren

heeft.

U wensch ik dus ten zeerste geluk, voortreffelijke mannen, die het

voorrecht hebt, in dat allerschoonste vak uit te munten.

U, beste jongelingen, geef ik den raad: legt u hierop met volle borst

toe, wijdt U met al uwe krachten aan deze wetenschap, die U eer, roem,

aanzien en vermogen zal doen verwerven en door welke gij op Uw beurt

uwen vrienden, uw vaderland, ja, het geheele menschelijke geslacht op

meer dan gewone wijze ten heil zult strekken.

Ik heb gezegd.

* * * * *

* * * *

* * * * *

_Erasmus Roterodamus

D. Henrico Afinio Lyrano

insigni Medico

S. D._

_Erasmus van Rotterdam

aan Dr. Henricus Afinius van Lier,[1]

den voortreffelijken medicus._

[Voetnoot 1: Een stad in Brabant (Vertaler).]

Nuper dum bibliothecam recenseo, doctissime Afini, venit in manus

oratio quaedam olim mihi nihil non experienti, in laudem artis medicae

declamata; continuo visum est orationem non optimam optimo dicare

medico, ut vel tui nominis lenocinio studiosorum centuriis commendetur.

Toen ik onlangs mijne bibliotheek nazag, zeer geleerde AFINIUS, kwam

mij eene redevoering in handen, die lang geleden door mij, toen ik

mijne krachten nog aan allerlei beproefde, vervaardigd was over

„den lof der geneeskunde“. Terstond besloot ik de niet zeer goede

redevoering aan den zeer goeden medicus op te dragen, opdat zij, door

Uwen naam versierd, in de gelederen der studenten haren weg moge

vinden.

Erit hoc interim mei in te animi qualecunque documentum, dum dabitur

aliud nostra necessitudine dignius.

Aanvaard intusschen dit blijk, hoe gering ook, van mijne genegenheid

jegens U, totdat U een ander, onze vriendschap meer waardig, zal

gegeven worden.

Bene vale.

Het ga U wel.

Lovanii tertio Idus Martias Anno MDXVIII.

LEUVEN, den 13den Maart, 1518.

DECLAMATIO ERASMI ROTERODAMI IN LAUDEM ARTIS MEDICÆ.

REDEVOERING VAN ERASMUS VAN ROTTERDAM OVER DEN LOF DER GENEESKUNDE.

[_Attentio._]

Quo saepius est ars medicinae, meditatis et elaboratis orationibus,

hoc ex loco, apud plerosque vestrum praedicata, idque a viris singulari

facundia praeditis, auditores celeberrimi, hoc mihi sane minus est

fiduciae, me vel tantae rei, vel aurium vestrarum expectationi

satisfacturum. Neque enim rem prope divinam nostra facile assequetur

infantia, neque vulgaris oratio de re toties audita taedium possit

effugere.

Hoe vaker de lof der geneeskunde van deze plaats in doorwrochte en

zorgvuldig bewerkte redevoeringen ten aanhoore van de meesten Uwer

verkondigd is, en wel door mannen met buitengewone welsprekendheid

begaafd, des te meer, hoogaanzienlijke toehoorders, vrees ik, dat ik

noch door mijne voordracht aan een zoo gewichtig onderwerp recht zal

weten te doen, noch aan Uwe verwachting van hetgeen Gij te hooren

zult krijgen zal kunnen beantwoorden. Want aan den eenen kant zal

ons gebrekkig redenaarstalent niet licht de hoogte van dit bijna

goddelijke onderwerp bereiken, aan den anderen kant zal een

alledaagsche redevoering over iets, dat reeds zoo dikwijls gehoord

is, niet kunnen nalaten bij het auditorium verveling op te wekken.

[_Propositio._]

Verumtamen ne salutari maiorum instituto videar deesse, qui solenni

encomio juventutis animos ad huius praeclarae scientiae studium,

admirationem, amorem, excitandos, accendendos, inflammandosque

censuerunt, experiar et ipse pro mea virili (siquidem me dicentem

adjutabit vestra tum attentio, tum humanitas, favore candido prosequens,

quem ad hoc muneris vestra adegit autoritas)

Desniettegenstaande zal ook ik, om een heilzame gewoonte onzer

voorouders niet te verzaken, die van oordeel waren, dat door een

jaarlijks uit te spreken lofrede de gemoederen der jeugd tot de studie

van en bewondering en liefde voor deze wetenschap opgewekt, aangevuurd

en ontvlamd moesten worden, indien Gij mijne voordracht met Uwe

aandacht en welwillendheid wilt steunen, indien Gij hem, wien Uw

gezag deze eervolle taak heeft opgedragen, met oprechte toewijding

wilt volgen, zal ook ik naar mijne zwakke krachten beproeven,

medicae facultatis dignitatem, autoritatem, usum, necessitatem,

non dicam explicare, quod prorsus infiniti fuerit negotii, sed summatim

modo perstringere, ac veluti confertissimas locupletissimae cujuspiam

reginae opes, per transennam (ut aiunt) studiosorum exhibere

conspectibus.

de waardigheid, den invloed, het nut en de noodwendigheid der

medische wetenschap, wel niet in alle onderdeelen voor U te

ontwikkelen, wat een oneindig werk zou zijn, maar, slechts de

hoofdzaken aanrakende, in het kort te behandelen, en, evenals de dicht

opeengehoopte schatten van een zeer rijke koningin, slechts

vluchtigjes, als het ware achter traliën, aan de blikken der studenten

te vertoonen.

[_Laudandi ratio per comparationem._]

Cuius quidem ea vel praecipua laus est, primum quod nullis omnino

praeconiis indiget, ipsa abunde per se vel utilitate, vel necessitate

commendata mortalibus. Deinde quod toties iam a tam praeclaris ingeniis

praedicata, semper tamen novam laudum suarum materiam, ingeniis etiam

parum foecundis ex sese suppeditat, ut nihil necesse sit, eam vulgato

more invidiosis illis contentionibus, non sine caeterarum disciplinarum

contumelia depraedicare.

Haar grootste lof bestaat nu in de eerste plaats daarin, dat zij in

het geheel geen lofspraken noodig heeft, daar zij zich zelve meer dan

voldoende den menschen door haar nut en onmisbaarheid aanbeveelt.

Vervolgens, dat zij, hoewel reeds zoovele malen door zoo

voortreffelijke geesten geprezen, toch ook aan minder vruchtbare

vernuften steeds weer nieuwe stof tot prijzen biedt, zoodat men bij

het zingen van haar lof volstrekt niet zijn toevlucht behoeft te nemen

tot het gewone hatelijke middel, door dit namelijk op die wijze te

doen, dat men de overige wetenschappen in een minder gunstig daglicht

plaatst.

Quin illud magis metuendum, ne domesticas illius dotes, ne

germanam ac nativam amplitudinem, ne majestatem humana conditione

maiorem, mortalis oratio non assequatur. Tantum abest, ut vel aliena

contumelia, vel asciticiis Rhetorum fucis, aut amplificationum

praestigiis sit attollenda. [Sidenote: γνώμη.] Mediocrium est formarum,

deformiorum comparatione, aut cultus lenociniis commendari; res per se

vereque praeclaras, satis est vel nudas oculis ostendisse.

Veeleer is dit te vreezen, dat de mensch geen woorden genoeg

zal kunnen vinden, om de haar eigene gaven, hare natuurlijke en

aangeboren grootheid, hare verhevenheid, die het menschelijke ver

achter zich laat, voldoende weer te geven. Zooverre is het ervan

verwijderd, dat zij òf door vernedering van andere wetenschappen, òf

door gekunstelde rhetorische opsmukking of valsche overdrijving moet

opgevijzeld worden. Slechts gestalten van middelmatige schoonheid

kunnen alleen door vergelijking met leelijke of door den opschik harer

kleeding indruk op ons maken; dingen, die door zich zelve en in

waarheid uitblinken, mag men ook bloot aan aller blikken prijsgeven.

[_Dignitas et autoritas medicinae._]

Iam primum enim (ut ad rem festinemus) reliquae artes quoniam nulla non

magnam aliquam vitae commoditatem attulit, summo quidem in pretio fuere.

Verum medicinae quondam tam admirabilis fuit humano generi inventio, tam

dulcis experientia, ut eius autores, aut plane pro diis habiti sint,

velut Apollo, et huius filius Aesculapius, imo (quod ait Plinius)

singula quosdam inventa deorum numero addiderunt,

In de eerste plaats dan (om ter zake te komen) waren wel ook de andere

wetenschappen, daar alle de eene of andere geriefelijkheid aan ons

leven bezorgden, oudtijds in hooge eere. Maar de uitvinding der

geneeskunde werd in den ouden tijd door het menschdom zóó bewonderd,

hare toepassing als een zóó groote weldaad ondervonden, dat hare

uitvinders òf geheel en al voor goden werden gehouden, zooals Apollo

en diens zoon Aesculapius en zelfs, naar Plinius zegt, sommigen ten

gevolge van één enkele uitvinding onder de goden werden geplaatst,

aut certe divinis honoribus digni sint existimati, velut

Asclepiades, quem Illyrici numinis instar receptum Herculi in honoribus

aequarunt. Non equidem probo quod fecit antiquitas, affectum sane ac

iudicium laudo, quippe quae recte et senserit et declararit, docto

fidoque medico nullum satis dignum praemium persolvi posse.

òf ten minste goddelijke vereering zijn waardig gekeurd,

zooals bij voorbeeld Asclepiades, dien de Illyriers als een god

opnamen en op dezelfde wijze als Hercules vereerden. Nu keur ik

natuurlijk niet goed, wat de ouden ten dezen gedaan hebben, toch prijs

ik hun gevoel en hun oordeel. Zij hebben immers terecht begrepen en op

die wijze tot uiting gebracht, dat aan een kundigen en betrouwbaren

geneesheer nooit te groote belooning geschonken kan worden.

[_A difficultate._]

Etenim si quis secum reputet, quam multiplex in corporibus humanis

diversitas, quanta ex aetatibus, sexu, regionibus, coelo, educatione,

studiis, usu varietas, quam infinita in tot milibus herbarum (ne

quid interim dicam de caeteris remediis) quae alibi aliae nascuntur,

discrimina.

Immers, wanneer men nagaat, een hoe veelvuldige verscheidenheid

van menschelijke lichamen er is, veroorzaakt door het verschil

in leeftijd, geslacht, landstreek, klimaat, opvoeding, bedrijf en

levenswijze; welke oneindige verschillen er zijn in zooveel duizenden

kruiden, die elk op een andere plaats groeien, om nog maar te zwijgen

van de overige geneesmiddelen;

Tum quot sint morborum genera, quae trecenta nominatim fuisse

prodita scribit Plinius, exceptis generum partibus, quarum omnium quam

nullus sit numerus, facile perpendet, qui tantum norit, quot formas in

se febris vocabulum complectatur, ut ex uno caetera aestimentur;

exceptis his, qui quotidie novi accrescunt, neque secus accrescunt, quam

si de composito cum arte nostra bellum suscepisse videantur.

vervolgens, hoevele soorten van ziekten er bestaan, waarvan er

volgens Plinius driehonderd met name zijn overgeleverd, nog

daargelaten de onderverdeelingen dier soorten, waarvan hij het

oneindige aantal licht zal bevroeden, die, om maar eens een voorbeeld

te noemen, weet, hoeveel variëteiten de naam koorts alleen inhoudt; en

zonder te letten op de nieuwe ziekten, die er dagelijks bijkomen, en

wel in zulke mate, alsof zij volgens onderlinge afspraak den strijd

met onze wetenschap hadden aangebonden,

Exceptis venenorum plus mille periculis, quorum quot species sunt,

tot sunt mortis genera, totidem remediorum differentias flagitantia.

Exceptis casibus quotidianis lapsuum, ruinarum, ruptionum, adustionum,

luxationum, vulnerum, atque his consimilium, quae prope cum ipso

morborum agmine ex aequo certant. Denique qui cogitet, quanta sit in

corporum coelestium observatione difficultas, quae nisi cognoris,

saepenumero venenum erit, quod in remedium datur.

Encomium Artis Medicae: De Lof Der Geneeskunde · 第 3 / 7 段