Een wonder noemt men datgene, wat het toeval aan weinigen gegeven

heeft. Maar is dan niet veeleer een wonder te noemen, wat onze

wetenschap dagelijks aan velen verleent? En ofschoon wij deze aan den

Algoede te danken hebben, Wien wij alles verschuldigd zijn, meene toch

niemand, dat mijne woorden meer aanmatiging dan waarheid bevatten.

Verscheidene ziekten zijn van dien aard, dat er een wisse dood volgt,

als niet de geneesheer onmiddellijk hulp verleent, zooals bij

voorbeeld de verdooving, die vooral vrouwen pleegt te overvallen,

diepe onmacht, verlamming en beroerte. In iederen tijd en bij ieder

volk zijn hier voorbeelden van te vinden. Moet nu niet hij, die

den overrompelenden dood door zijn kunst verdrijft, die het

leven, plotseling overmeesterd, terugroept, te allen tijde als een

welwillende en genadige godheid beschouwd worden? Hoeveel menschen

zijn niet vóór hun tijd ten grave gedaald, toen nog niet door de

schranderheid der geneeskundigen de werkingen der ziekten en de aard

der geneesmiddelen doorgrond waren? Hoeveel duizenden leven niet heden

ten dage en bevinden zich lichamelijk wel, die zelfs niet geboren

zouden zijn, als niet diezelfde wetenschap zoovele middelen tegen de

gevaren der geboorte en de verloskunde had uitgevonden. Ja, reeds

aanstonds op den drempel des levens roept de barende tegelijk met

het wicht, dat geboren wordt, met klagende stem de heilzame hulp

der geneeskundigen in. Aan hunne kunst heeft ook het leven te danken

hij, die het leven nog niet eens ontvangen heeft, daar door haar een

ontijdige bevalling verhinderd wordt, en zoodoende der vrouw de kracht

om het zaad te ontvangen en bij zich te houden verleend en gelegenheid

tot baren gegeven wordt. En hoewel er terecht gezegd is: „slechts God

kan den mensch helpen“, vindt toch voorzeker mijns inziens de bekende

Grieksche spreuk „de eene mensch is de god van den anderen“, zoo

ergens, hare toepassing bij den betrouwbaren en deugdelijken

geneesheer, die niet alleen helpt, maar ook behoudt. Of schijnt hij

dan niet ondankbaarder dan de ondankbaarheid zelve en bijna het leven

niet waard, die de geneeskunde, welke naast God de voortbrengster,

beschermster, behoudster en verdedigster van ons leven is, niet lief

heeft, hoogacht en met bewondering en eerbied tot haar opziet? Wier

hulp allen immers te allen tijde noodig hebben? Want van alle overige

wetenschappen behoeven wij niet allen, noch ook te allen tijde,

gebruik te maken. Op de toepassing van deze wetenschap echter berust

het geheele leven der stervelingen. Want gesteld eens, dat er geen

ziekten waren, dat allen zich in een goede gezondheid mochten

verheugen, hoe zouden wij desniettegenstaande deze in goeden staat

kunnen houden, indien niet de geneesheer ons het onderscheid tusschen

heilzame en schadelijke voedingsmiddelen en de juiste inrichting van

onze geheele levenswijze, die de Grieken dieet noemen, leerde?

Een zware last voor de menschen is de ouderdom, dien men evenmin kan

ontloopen als den dood zelf. Maar door de hulp der geneeskundigen komt

hij voor velen later en veel dragelijker dan zonder deze het geval

geweest ware. Want het is geen legende, dat de mensch door de

zoogenaamde „quinta essentia“ de gebreken des ouderdoms, als een

kleed, dat afgelegd wordt, kan verdrijven en zijn jeugd herkrijgen;

er zijn eenigen, die dat door hun getuigenis staven.

Maar niet alleen voor het lichaam, hetwelk het geringste deel des

menschen is, draagt de geneesheer zorg, neen, voor den geheelen

mensch, al neemt de geneesheer niet zooals de godgeleerde de ziel maar

het lichaam als uitgangspunt. Evenals immers wegens beider zeer nauwe

verwantschap en verbinding de gebreken der ziel hun invloed doen

gelden op het lichaam, zoo belemmeren de ziekten des lichaams op haar

beurt de kracht der ziel of vernietigen die zelfs geheel. Wie spoort

den mensch zoo hardnekkig als de geneesheer aan tot onthouding,

soberheid, het matigen van den toorn, het ontvluchten van droefheid,

het vermijden van dronkenschap, het laten varen van de liefde en het

maat houden in geslachtelijken omgang? Wie raadt met beter gevolg den

zieke aan, als hij wil blijven leven en bij de medische hulp baat

vinden, eerst zijne ziel te zuiveren van den poel harer ondeugden? Hoe

dikwijls niet vermindert hij ook de zwartgalligheid, hetzij door het

voorschrijven van een bepaald dieet of geneesmiddelen, versterkt de

verslappende krachten van het hart, ondersteunt de functies der

hersenen, zuivert de organen van den geest, verbetert den

verstandelijken aanleg, herstelt den zetel van het geheugen en brengt

in de geheele zielsgesteldheid eene verandering ten goede teweeg?

Behoudt hij niet door wat men noemt den uiterlijken mensen tegelijk

ook den innerlijken? Hij, die een lijder aan waanzin, slaapziekte,

razernij, apoplexie of tijdelijke verstandsverbijstering geneest,

geeft hij niet den geheelen mensch weder aan de maatschappij terug?

De theoloog bewerkt, dat de menschen van hunne misdrijven weder tot

bezinning komen, maar de geneesheer zorgt er voor, dat zij physiek

daartoe in staat zijn. Gene kan als geneesheer der ziel geen nut meer

stichten, als de ziel, voor welke een tegengift bereid wordt, reeds

ontvloden is. Wanneer een goddeloos mensch plotseling door een

verlamming, beroerte of ander ongeval getroffen wordt, dat

onmiddellijk den dood ten gevolge kan hebben, die hem het leven kan

benemen nog vóórdat hij den tijd heeft, om aan verbetering van zijn

levensgedrag te denken, kan men dan niet van hem, die dezen geneest,

welke anders ellendig onder den last zijner misdaden moest begraven

worden, eenigermate zeggen, dat hij zoowel zijn lichaam als zijn ziel

uit het schimmenrijk teruggebracht heeft? In ieder geval plaatst hij

hem toch in zulk een toestand, dat hij het nu zelf in zijn macht

heeft, indien hij wil, den eeuwigen dood te ontkomen. Wat zal de

theoloog den slaapzieke kunnen aanraden, als deze hem niet hooren kan?

Hoe zal hij den waanzinnige tot iets kunnen bewegen, indien niet eerst

de geneesheer hem van zwartgalligheid gezuiverd heeft?

Ik loochen volstrekt niet, dat de barmhartigheid en de overige

deugden, waarop de Christelijke zaligheid berust, hoofdzakelijk van

de ziel afhangen, maar aangezien deze aan het lichaam gebonden is en

zich goed- of kwaadschiks van de lichaamsorganen bedient, is een goede

geestestoestand voor een zeer groot deel van de lichaamsgesteldheid

afhankelijk. Zeer vele menschen drijft een ongelukkige menging der

lichaamsvochten, die de Grieken nu eens crasis (menging), dan weer

systema (samenstelling) noemen, als het ware tegen hunnen wil en

terwijl zij zich verzetten, tot zonde voort, terwijl de daarbinnen

wonende ziel, tevergeefs de teugels aantrekkend en de sporen in de

zijden drukkend, gedwongen wordt, het hollende paard in den afgrond te

volgen. De ziel ziet en hoort wel, maar wanneer de oogen door de staar

verduisterd of de toegangen van het gehoor door een dik vocht verstopt

zijn, dan baat de ziel het bezit dier vermogens niet. De ziel haat, de

ziel is toornig, maar het bedorven vocht, dat zich op de organen van

den geest gezeteld heeft, is oorzaak, dat gij hem haat, dien ge uw

liefde waardig moest keuren, en vertoornd zijt op hem, op wien gij

niet zoudt willen vertoornd zijn. Plato erkent, dat de gansche

philosophie eigenlijk daarop neerkomt, dat de gemoedsaandoeningen aan

de rede moeten gehoorzamen. En nu is het voornamelijk de geneesheer,

die daartoe medewerkt, zich hierop toeleggend, dat dit deel van den

mensch krachtig en vol inzicht zij, naar welks goedvinden alles

geschiedt, wat op lofwaardige wijze verricht wordt. Terwijl zij den

naam van mensch onwaardig geacht worden, die zich evenals de dieren

door hun begeerten laten meesleepen, hebben wij het voor een goed deel

aan de geneeskundigen te danken, zoo wij dien naam wel waardig zijn.

Als dit nu reeds van het grootste belang is voor ieder in het

bijzonder, ook indien men slechts een particulier persoon is, een hoe

grooter weldaad is het dan niet, wanneer dit resultaat verkregen wordt

bij een vorst. Geen maatschappelijke positie is zoozeer aan rampen van

dien aard blootgesteld als die van machtige koningen. Een hoe groote

verwarring wordt niet gesticht door de abnormale hersenen van één

zoo’n mensch. Tevergeefs zullen zijne raadslieden hem toeroepen: „Gij

raast, o vorst, kom tot bezinning!“, als hem niet de arts door zijn

kunst, zonder dat hij het wil of merkt, zijn verstand teruggegeven

heeft. Als Caligula een betrouwbaren arts bezeten had, dan ware hij in

zijn waanzin niet gekomen tot het gebruik van kastjes met dolken en

vergiften tot verderf van het menschelijke geslacht. Ongetwijfeld is

het om die reden bij alle volken der aarde tot een algemeen gebruik

geworden, dat ieder vorst zijn lijfarts heeft. Daarom hebben

verstandige vorsten aan geen wetenschap ooit meer eer bewezen dan aan

de geneeskunde. Zoo werd Erasistratus (om van de overigen te zwijgen),

een kleinzoon van Aristoteles, wegens het genezen van koning Antiochus

door diens zoon Ptolemeus met honderd talenten beloond. Ja, ook de

Heilige Schrift schrijft ons voor, den geneesheer de hem toekomende

eer te bewijzen, niet alleen wegens zijn nut, maar ook wegens zijne

onmisbaarheid, zoodat wat tegenover anderen, die zich jegens ons

verdienstelijk gemaakt hebben, ondankbaarheid heet, namelijk het

niet erkentelijk zijn voor hunne weldaden, tegenover den geneesheer

goddeloosheid genoemd mag worden. Hij immers beschermt, als het ware

God bijstand verleenende bij het schenken Zijner genade, het beste en

dierbaarste, dat God ons gegeven heeft, d.i. het leven.

Aan onze ouders hebben wij alles te danken, daar wij in zekeren zin

van hen het geschenk des levens ontvangen hebben. Veel meer zijn wij,

mijns inziens, den geneesheer verplicht, wien wij zoovele malen

verschuldigd zijn, wat wij onzen ouders hoogstens éénmaal verschuldigd

zijn. Wij behooren met kinderlijke liefde hem aan te hangen, die den

vijand van onzen hals weert, maar zijn wij dat dan niet in veel hooger

mate verplicht tegenover den geneesheer, die met zoovele doodvijanden

van ons leven dagelijks een hardnekkigen strijd voert? Wij zien tot

koningen op als tot goden, omdat wij meenen, dat zij willekeurig

kunnen beschikken over leven en dood; maar ofschoon zij wel kunnen

dooden, kan men toch van hen op geen andere wijze beweren, dat zij het

leven schenken, dan in dien zin, dat zij het niet ontnemen, zooals wij

ook van roovers zeggen, dat zij iemand het leven geschonken hebben,

wanneer zij hem niet hebben vermoord. En zelfs in dien zin kunnen zij

toch niet anders schenken dan het leven des lichaams. Hoeveel dichter

bij de goddelijke mildheid komt dan niet de weldaad van den

geneesheer, die een mensch, reeds voor de onderwereld bestemd, door

zijn kunst, vernuft, zorg en trouw als het ware uit den muil des doods

terugtrekt? Iemand in andere zaken bijstaan is hulpvaardigheid, maar

hem, wanneer hij in dreigend gevaar voor ziel en lichaam verkeert,

in het leven houden, is meer dan genade. Voeg daarbij, dat al wat er

groots in den mensch is, zijn kennis, deugd, natuurlijke gaven en

dergelijke, op rekening der geneeskunde dient geschreven te worden,

aangezien zij datgene beschermt, zonder hetwelk de overige dingen

zelfs niet kunnen bestaan. Als alles er voor den mensch is en de

mensch zelf door den geneesheer behouden blijft, dan moet den

geneesheer voor alles dank geweten worden.

Als men van hem, die door ziekten geteisterd wordt, eigenlijk niet kan

zeggen, dat hij leeft, en de geneesheer het is, die de gezondheid òf

herstelt òf beschut, past het ons dan niet, hem als den oorsprong van

ons leven te erkennen? Indien de onsterfelijkheid iets begeerlijks is,

zoo wordt zij toch zooveel mogelijk nagestreefd door den ijver der

geneeskundigen, die het leven een langen duur verschaft. Want waartoe

behoef ik de algemeen bekende voorbeelden te noemen van Pythagoras,

Chrysippus, Plato, Cato den Ouden, Antonius, Castor[3] en talloozen

met hen, van wie de meesten door hun eerbied voor de geneeskunde

zonder eenige ziekte, zonder verzwakking hunner geestvermogens en

zonder dat de sterkte van hun geheugen geschokt werd of zij het

gebruik hunner zintuigen geheel of gedeeltelijk verloren, meer dan

honderd jaar geleefd hebben? Of is dat niet ons nog op deze wereld een

beeld vertoonen van de onsterfelijkheid, die wij hiernamaals hopen?

Christus zelf, de hoogverheven bewerker en redder van onze

onsterfelijkheid, nam een lichamelijk hulsel aan, dat, ofschoon

sterfelijk, toch aan geen ziekten was blootgesteld. Het kruis schuwde

Hij niet, wel ziekten. Is het nu niet iets heerlijks, onzen Heer ook

in dezen, naar vermogen, na te volgen? Van de apostelen, die bijna

allen een lang leven gehad hebben, lezen wij wel, dat zij vermoord,

gedood zijn, niet dat zij ziek zijn geweest. Hoe hun dat nu ook te

beurt gevallen is, de geneeskunde bewerkt voor ons hetzelfde als wat

zij door hunne gelukzaligheid bereikt hebben. Want men moet, naar

ik meen, naar hen niet luisteren, die ons even dom als onbeschaamd

tegenwerpen, dat deugd gewoonlijk in ziekte wordt uitgeoefend, waar

zij zonder eenigen grond gelooven, dat Paulus aan zware hoofdpijnen

leed, terwijl hij toch juist de ziekte eene beproeving van de ziel of,

wat juister is, eene kwelling der boozen noemt. En diezelfde Paulus

heeft onder de gaven, die aan de Apostelen geschonken waren, ook de

gave der genezing geteld.

[Voetnoot 3: IJverig botanicus uit de eerste eeuw vóór Christus,

onder wiens leiding Plinius botanische studiën maakte. (Vert.).]

Ook wordt de roem der geneeskunde in geen geringe mate hierdoor

verhoogd, dat het verheven keizerlijk en pontificaal recht zich

vrijwillig aan het oordeel der geneeskundigen onderwerpt, zooals in

quaesties van manbaarheid, geboorte en vergiftiging, eveneens in

eenige huwelijksquaesties. O nieuwe waardigheid der geneeskunde! Een

menschenleven staat op het spel en het oordeel des rechters hangt af

van de voorafgaande uitspraak van den geneesheer! De pauselijke genade

verleent in enkele gevallen slechts kwijtschelding na een geneesheer

gehoord te hebben. Zoo besluit de paus, in geval een bisschop

beschuldigd wordt, aan eene afschuwelijke en vreeselijke ziekte te

lijden, eerst na een geneeskundig advies ingewonnen te hebben, tot

verwijdering of handhaving van den bisschop. Eveneens schrijft de

goddelijke Augustinus voor, dat de zieke, ook tegen zijn wil, naar den

raad van den geneesheer behandeld moet worden. Ook zegt hij terecht,

dat het den geneesheer verschuldigde eerbewijs, dat is het loon voor

zijn kunst en inspanning, met geweld moet ontnomen worden aan hem, die

het weigert te voldoen, daar hij beschouwd moet worden als iemand, die

wederrechtelijk eens anders eigendom in bezit houdt. Ja zelfs ook zij,

die door tooverformulieren booze duivels uit menschelijke lichamen

drijven, raadplegen den geneesheer niet zelden, bij voorbeeld bij

die ziekten, die op geheime wijze de werking van het eene of

andere zintuig verstoren en zoozeer den schijn wekken van door de

aanwezigheid van duivels veroorzaakt te zijn, dat zij slechts door

zeer bekwame geneeskundigen kunnen onderscheiden worden, hetzij het

duivelen van grover soort zijn (men weet immers, dat er verschillende

soorten van duivelen bestaan), die ook door medische behandeling

kunnen aangetast worden, of dat de ziekte zich zoo diep in de

schuilhoeken der ziel heeft ingedrongen, dat zij op het lichaam geen

betrekking schijnt te hebben. Terwijl ik U tot staving dezer bewering

uit de tallooze voorbeelden één, dat ik zelf beleefd heb, verhaal,

verzoek ik U, mij geduldig te willen aanhooren.

In mijn jeugd heb ik omgang gehad met Panaceus, een wijd en zijd

beroemd geneesheer; deze heeft in mijn tegenwoordigheid een man,

Phlyarius genaamd, afkomstig uit Spoleto, genezen, die ten gevolge van

wormen in een geheel nieuwe soort van waanzin vervallen was, daarin

bestaande, dat hij gedurende zijn ziekte goed Duitsch sprak, welke

taal hij, naar met zekerheid vaststond, in normalen toestand nooit

gekend had. Wie, die onervaren was in de geneeskunde, zou er zelfs

niet een eed op hebben durven doen, dat deze man door duivelen bezeten

was? En toch gaf deze arts hem door een eenvoudig en gemakkelijk te

verkrijgen geneesmiddel weer het verstand terug; tot bezinning gekomen

sprak noch verstond de man meer Duitsch. Indien men nu beweert, dat

hij inderdaad bezeten was, dan strekt dit geval der geneeskunde tot

nog grooter roem, daar het dan bewezen zou zijn, dat ook de booze

duivels haar gehoorzaamden en zij derhalve niet alleen in het doen

terugkeeren van het leven, maar ook in het uitdrijven van booze

geesten zoowel de dienares als de mededingster der goddelijke macht

ware. En inderdaad waren er toen ook, die deze daad aan tooverkunsten

toeschreven; maar juist dien laster beschouw ik als een roem en eer

voor onze wetenschap, welke op resultaten te wijzen heeft, die door

het meerendeel der menschheid buiten het bereik der menschelijke

krachten geacht worden.

Met het volste recht derhalve lieten zich in den ouden tijd, toen

nog niet alles door lage gewinzucht en vuile lusten bezoedeld was,

goddelijke en hoogverheven mannen, machtige koningen en doorluchte

raadsheeren het meest van alle wetenschappen aan de geneeskunde

gelegen liggen en geene andere was den menschen welkomer. Men neemt

immers aan, dat de groote Mozes naar geen anderen maatstaf dan

naar dien der medische wetenschap de spijzen in geoorloofde en

ongeoorloofde heeft ingedeeld. Wij lezen, dat Orpheus, uit de grijze

Grieksche oudheid, het een en ander heeft overgeleverd omtrent de

geneeskracht der kruiden. Homerus zelf, zonder tegenspraak de

voortreffelijkste bron voor alle geesten, maakt herhaaldelijk

melding van kruiden en prijst zeer vaak de geneeskunde. Hij heeft

ons immers ook het kruid „moly“ beschreven, dat volgens Plinius

het voortreffelijkste van alle kruiden en een afdoend middel tegen

vergiftiging is, welks ontdekking de dichter aan Mercurius toeschrijft

en waarmee hij zijn Ulysses beschermt tegen den hem door Circe

gereikten tooverdrank. Hij duidt ook aan, dat „nepenthes“ (letterl.

„smarteloos“) bij den maaltijd moet gebruikt worden, dat het vermogen

heeft, leed en droefenis te verdrijven. Voorts noemt hij dikwijls met

eere Machaon, Paeon, Chiron en Podalirius als uitmuntende in deze

kunst, waardoor zij niet alleen de helden maar ook de goden, naar

zijn dichterlijke voorstelling, hulp verleenden. Hij wil er dit mee

aanduiden, dat ook de grootste vorsten den bijstand der geneesheeren

behoeven en dat zelfs het leven van hen, die over leven en dood van

alle overigen beschikken, in hunne macht is. Ja, diezelfde dichter

heeft in het elfde boek van de Ilias de uitoefening van dit beroep

door verreweg de schoonste lofspraak verheerlijkt, waar hij zegt, dat

één arts meer waard is dan vele andere menschen tezamen. Elders

wederom noemt hij den geneesheer iemand, die in alles onderricht is,

hiermede openlijk getuigende, wat ook werkelijk het geval is, dat de

geneeskunde niet berust op de eene of andere wetenschap, maar op den

geheelen kring van alle wetenschappen en niet alleen op theoretische

kennis maar ook op practische ervaring in vele zaken. De beroemde

Pythagoras van Samos, wien de oudheid een zekere mate van

goddelijkheid toekende, heeft, naar wij vermeld vinden, een bekend

boek over den aard der kruiden achtergelaten. Nu wil ik Plato,

Aristoteles, Theophrastus, Chrysippus, Cato den Ouden en Varro maar

met stilzwijgen voorbijgaan, die allen deze wetenschap ijverig

bestudeerd of ook practisch beoefend hebben, doch ik zal slechts

spreken over Mithridates, koning van Pontus, die niet zoozeer

door zijn, overigens zeer machtige, heerschappij of door zijn

wonderbaarlijke kennis van één en twintig talen als wel door zijn

geneeskundige bekwaamheid beroemd is geworden, welke hem tot een

waarlijk groot man stempelde, daar medische verhandelingen,

voorbeelden en beschrijvingen van de werking van verschillende

kruiden, naar Plinius ons meedeelt, in zijn geheime nalatenschap

gevonden zijn. Nog heden ten dage draagt een bekend tegengift

zijn naam. Tegenwoordig beschouwt men algemeen als koninklijke

eigenschappen: spelen, jagen en zich met beuzelingen ophouden. Maar

oudtijds legden zich de bestuurders van het Romeinsche rijk op niets

zoozeer toe als op de bevordering der geneeskunde door het invoeren

van kruiden uit ver verwijderde streken, en dit volk, dat toen de

wereld beheerschte, was geen geschenk aangenamer.

Ja, Christus zelf, de grondlegger en vorst van alle wetenschappen,

geeft zich niet uit voor rechtsgeleerde, noch voor rhetor, noch voor

wijsgeer, maar voor geneesheer, daar Hij, van Zichzelf sprekende,

zegt, dat „zij geenen medicijnmeester van noode hebben, die zich wel

bevinden“, terwijl Hij den Samaritaan olie en wijn op wonden laat

gieten en met speeksel, met aarde vermengd, de oogen van een blinde

bestrijkt. Juist door dit middel won Hij langzamerhand, toen Hij nog

aan de wereld onbekend was, de genegenheid en de liefde der menschen;

niet door goud, noch door heerschappij, maar door het genezen van

ziekten. Wat Hij door Zijnen wil deed, immers een God, volgt de

geneesheer naar vermogen na. Bovendien bezitten ook zij eene

goddelijke macht, namelijk die van genezing aan te brengen door middel

van krachten, die tot dit doel door God den dingen ingeschapen zijn.

In hoofdzaak bestond ook daarin het reisgeld, waarmede Hij de

apostelen voorzag, hun opdragend, terstond door dezen liefdedienst

hunne gastheeren aan zich te verplichten „door“, zoo luiden Zijne

woorden, „hunne ziekten te genezen en hen met olie te zalven“.

Als de groote Paulus zijnen Timotheus een matig gebruik van wijn

voorschrijft, om zijn zwakke maag te versterken, is dat geen openlijke

uitoefening van de geneeskunde? Maar waarom zouden wij ons daarover

verwonderen bij een apostel, als volgens de beoefenaars der mystiek

de engel Raphael zijn naam ontleend heeft aan het genezen van de

blindheid van Tobias?[4] O hemelsche en in waarheid gewijde

wetenschap, naar welke goddelijke geesten genoemd worden!

[Voetnoot 4: De Hebreeuwsche naam Raphael bestaat uit twee woorden,

waarvan het eerste rapha, „genezen“ en het tweede el, „goddelijk

wezen“ beteekent. (Vert.)]

De eene mensen leert dit, de ander dat vak of oefent het uit; deze

wetenschap diende door allen gekend te worden, daar zij voor ieder

onmisbaar is. Maar ach! allerverkeerdst oordeel der stervelingen!

Er is niemand, die het niet vreeselijk zou vinden, als hij geen

valsche van echte munt kon onderscheiden, terwijl hij in dit geval

toch slechts in iets zeer minderwaardigs zou kunnen bedrogen worden;

hij streeft er echter niet naar, te weten te komen, hoe hij het beste,

wat hij heeft, kan beschermen. Bij het beoordeelen van geldstukken

vertrouwt hij anderer oogen niet, doch waar het om leven en gezondheid

gaat, volgt hij, zooals men dat noemt, blindelings het oordeel van

anderen. En ofschoon nu de volmaakte kennis van die geheele wetenschap

slechts aan de weinigen kan ten deel vallen, die daaraan alleen hun

geheele leven gewijd hebben, zoo behoorde toch ten minste dat

gedeelte, hetwelk over het behoud der gezondheid handelt, door

iedereen gekend te worden. Hoewel het niet te ontkennen valt, dat de

moeielijkheid hierbij voor een groot deel voortspruit, niet uit de

kunst zelve maar uit de onwetendheid of eerzucht van slechte

geneesheeren.

Encomium Artis Medicae: De Lof Der Geneeskunde · 第 2 / 7 段