ZEVENDE ORDE.

DE RECHTVLEUGELIGEN (Gymnognatha, Orthoptera).

Alle tot dusver behandelde Insecten zijn gedurende het eerste

tijdperk van hun leven larven, nemen vervolgens een andere gedaante

aan en verkeeren een tijdlang als poppen in een toestand van rust,

gebruiken geen voedsel, totdat zij ten slotte als geslachtsrijpe

Insecten--Kevers, Vlinders, Wespen, Vliegen--een nieuwe periode

van werkzaamheid aanvangen. De beide nu nog overige Insectenorden

onderscheiden zich van alle vorige door de ontwikkelingswijze harer

leden, die met een onvolkomen gedaantewisseling gepaard gaat,

bij sommige zelfs zonder vormsveranderingen, die den naam van

"metamorphose" verdienen, haar beslag krijgt. De Kevers, Vlinders,

Wespen, Vliegen en Vlooien kunnen in den imago-toestand gemakkelijk

als leden van verschillende orden herkend worden; de kenmerken, waarop

deze onderscheiding berust, zijn hun als 't ware op 't voorhoofd

geschreven; reeds bij uitwendig onderzoek merkt men ze duidelijk

op. Bij de Netvleugeligen zagen wij de bedoelde, op verwantschap

wijzende verschijnselen minder sterk op den voorgrond treden; de

samenhang van de leden dezer orde bleek niet bij allen uit het maaksel

der vleugels, evenmin uit het verschil tusschen den eersten borstring

en de beide volgende afdeelingen van het borststuk, doch alleen

uit de bijtende monddeelen en de volkomen gedaantewisseling. In nog

hoogere mate dan bij de Netvleugeligen zal men vaagheid opmerken in de

begrenzing van de beide nog overige orden van Insecten. De monddeelen

leveren ook hier de belangrijkste kenmerken ter onderscheiding:

bij sommige zijn zij bijtend, over 't algemeen bruikbaar en niet

zelden tot zwaren arbeid in staat; bij andere vormen zij een voor

't zuigen geschikten snavel. Deze worden daarom "Snavelinsecten"

genoemd; gene zou men, in navolging van sommige Duitsche schrijvers,

"Kauwinsecten" kunnen noemen, maar worden gewoonlijk aangeduid als

"Rechtvleugeligen", een naam, die alleen op de kern der orde, op

de Sprinkhanen en hunne verwanten, letterlijk past. Tot beide orden

behooren n.l., behalve gevleugelde, ook ongevleugelde Insecten; bij

beide zijn er, welker voorvleugels min of meer hoornachtig zijn,

nevens andere met uitsluitend vliezige vleugels, welke al of niet

een netvormig aderstelsel bezitten.

Onder Rechtvleugeligen (Orthoptera) verstaan wij dus alle

Insecten met kauwende monddeelen, vrij voorborststuk en onvolkomen

gedaantewisseling. De dus omschreven groep omvat zoowel zeer laag

als betrekkelijk hoog georganiseerde wezens, zoowel de ongevleugelde

Springstaarten onzer wouden en plassen en de eveneens vleugellooze,

zilverachtig glinsterende Suikergasten onzer provisiekamers, als

de Oorekruipers, Kakkerlakken, Krekels en Sprinkhanen, benevens de

Termieten en de Waternimfen. Deze verscheidenheid van vormen heeft

aanleiding gegeven tot een splitsing in vele afdeelingen; gewoonlijk

neemt men er 9 aan, waaraan hier den rang van onderorden wordt

toegekend, maar die, de eene met meer, de andere met minder recht,

door vele schrijvers als afzonderlijke orden worden beschouwd. Het

zijn: 1o de Perlariën (Plecoptera), 2o de Haften (Agnatha), 3o de

Waternimfen (Odonata), 4o de Knagers (Corrodentia), 5o de Blaaspootigen

(Thysanoptera), 6o de Echte Rechtvleugeligen (Orthoptera genuina),

7o de Oorwormen (Dermatoptera), 8o de Springstaarten (Collembola),

9o de Franjestaarten (Thysanura).

Behalve in de drie genoemde opzichten is er bij deze Insecten

ook nog overeenkomst op te merken in het maaksel der onderlip

en de samenstelling van het achterlijf. Bij nagenoeg allen is

de oorspronkelijke vorm van het 3e paar kaken in zoover behouden

gebleven, dat men van het ontstaan der onderlip door vergroeiing

van 2 links en rechts van het middenvlak geplaatste organen en van

haar overeenstemming met de onderkaken (of kaken van het 2e paar) nog

duidelijke bewijzen waarneemt. Afwijkingen vertoonen de Waternimfen,

die, wat de monddeelen betreft, het naast aan de grens van de orde

staan, de Haften, met rudimentaire, en de Blaaspootigen, met voor 't

zuigen geschikte monddeelen. Bij verreweg de meeste Rechtvleugeligen

is het typische aantal van 10 achterlijfsringen volledig voorhanden;

bij enkele is het zelfs door secundaire deeling tot 11 vermeerderd. Een

uitzondering vormen echter de Springstaarten, welker achterlijf uit

niet meer dan 6 vrije segmenten bestaat.

Bij gevleugelde soorten kan men de larve aan het gemis van vleugels

gemakkelijk van het imago onderscheiden. Beginsels van vleugels

ontwikkelen zich bij haar langzamerhand na herhaalde vervellingen. Bij

ongevleugelde soorten bepaalt zich het verschil tusschen imago en larve

tot het geringer aantal sprietleden en oogfacetten bij deze, en is dus

veel moeielijker aan te toonen. Als het imago slechts vleugelstompjes

heeft, zullen deze bij de larve in haar laatste ontwikkelingstijdperk

ook aanwezig zijn; meestal ligt dan echter het achterste stompje op

het voorste, inplaats van omgekeerd.

Het aantal der Rechtvleugeligen, die door vorm, kleur of grootte de

aandacht trekken, is in verhouding tot het geheele aantal soorten,

dat op 6000 wordt geschat, niet onbelangrijk. Deze orde is over

de geheele wereld verbreid, hoewel sommige familiën uitsluitend de

tropische gewesten bewonen. Sommige soorten kunnen ontzaglijk groote

zwermen vormen, en, voor zoover zij zich met plantaardige stoffen

voeden, den mensch veel schade veroorzaken, daar zij in hare beide

ontwikkelingstoestanden door geen andere Insecten in vraatzucht

overtroffen worden. Andere (dierenetende) leden der orde doorkruisen

de lucht om buit op te sporen en zijn nuttig door het verdelgen van

allerlei ongedierte.

Tot de Rechtvleugeligen, en wel tot de Franjestaarten, behooren,

naar men meent, de Insecten, die door hun eenvoudige organisatie het

meest gelijken op den hypothetischen stamvorm der geheele klasse;

waarbij echter dient te worden opgemerkt, dat de alleroudste fossiele

Franjestaarten in barnsteen (dus niet vóór het tertiaire tijdvak)

gevonden werden. De alleroudste Insecten, waarvan men fossielen

kent, behoorden, volgens Zittel, tot de Palaeodictyoptera, die

reeds in de Devonische afdeeling van het primaire tijdvak leefden,

gedurende de vorming der steenkolen- en dyas-lagen het talrijkst

waren en in geen jongere lagen dan die van het trias aangetroffen

zijn. Uit dezen stam zijn in den aanvang van laatstgenoemde tijdperk

de Echte Rechtvleugeligen, de Netvleugeligen en eenige familiën van

Kevers ontsproten, later, bij den aanvang van de lias-afdeeling van

de secundaire periode ook de zoogenaamde Valsche Netvleugeligen (zie

onder), de Snavelinsecten en de meeste overige Insecten-orden. (Alleen

de Vlinders en de Kringnadige Tweevleugeligen zijn niet ouder dan de

Jura-lagen). De Rechtvleugeligen, Netvleugeligen en Snavelinsecten

bereikten in het secundaire tijdvak hun hoogsten bloei; zij

overvleugelden destijds alle overige orden, die hen thans in

soortenrijkdom verre overtreffen.

De Perlariën, Haften, Waternimfen, Knagers en Blaaspootigen

vat men dikwijls samen onder den naam Valsche Netvleugeligen

(Pseudoneuroptera), omdat zij vroeger tot de Netvleugeligen werden

gerekend. Den naam Amphibische Rechtvleugeligen (Amphibiotica)

verdienen de leden der 3 eerstgenoemde groepen, omdat hunne larven

in 't water leven en in verband hiermede meer dan alle overige

Orthopteren-larven verschillen van de geslachtsrijpe Insecten. Deze

hebben geen andere dan naakte, vliezige, gelijksoortig gebouwde

vleugels, in den regel 4; bij de Haften echter ontbreken niet

zelden de achterste; deze zijn steeds aanmerkelijk kleiner dan de

voorste. Bij de Perlariën daarentegen zijn de achterste vleugels

breeder dan de voorste, waaronder zij zich in rust, overlangs geplooid,

verbergen. De Haften en de Waternimfen plooien de vleugels niet;

bij de laatstgenoemde zijn zij alle 4 nagenoeg volkomen gelijk van

grootte en netsgewijs geaderd. Ook bij sommige Haften komen zoowel

dwarse als overlangsche aders in zeer grooten getale voor. Bij

andere Haften hebben de overlangsche aders de overhand, hetwelk bij

de Perlariën regel is. De monddeelen zijn de Waternimfen krachtig,

bij de Perlariën zwak, bij de Haften onvolkomen ontwikkeld.

Als voorbeeld van de Perlariën (Plecoptera, Perlidae), waarvan men

20 inlandsche soorten kent, noemen wij de Tweestaartige Oevervlieg

(Perla bicaudata). De kop is roodgeel, het overige lichaam bruingeel;

op den rug van het voorborststuk zijn 2 vlekken, een striem in

't midden en de rand donkerder. Twee lange, veelledige "staarten"

(cerci) geven aanleiding tot den soortnaam; dergelijke organen hebben

de meeste leden der orde.

Terzelfder tijd en op dezelfde plaatsen als de Kokerjuffers en

de Watergaasvliegen ziet men de Perlariën met horizontaal op den

rug rustende vleugels zitten, of, indien zij gestoord worden,

loopen. Zij vliegen niet lang achtereen en worden eerst tegen den

avond iets vlugger. Het wijfje verzamelt de talrijke eieren in een

kuiltje aan de buikzijde van 't achterlijf en laat ze bij klompen in

't water vallen, terwijl zij er overheen vliegt. De hieruit komende

larven gelijken zeer veel op het volkomen Insect, wanneer men de

ontbrekende vleugels (waarvan de beginsels zich trouwens spoedig

vertoonen) buiten rekening laat. De lange haren langs de dij en de

scheen maken de pooten beter geschikt voor 't zwemmen. Van deze

beweging houden de Perlariën niet veel. Liever loopen zij op den

bodem van 't water rond of liggen hier tusschen steenen of in den

modder in hinderlaag, loerend op haar prooi, die hoofdzakelijk uit

larven van Haften bestaat. Bij de meeste komen aan de borst bundels

van gesloten buisjes voor; dit zijn de tracheeën-kieuwen, die de in

't water opgeloste zuurstof aan het luchtbuizenstelsel toevoeren en

hieruit koolzuur verwijderen; ademgaten bezitten zij niet.

De Haften (Agnatha) hebben een slank, bijna rolrond lichaam,

bedekt met een zeer teere huid, eindigende in 3 (soms 2) geleden

"staarten", die niet zelden 2/3 van de totale lengte uitmaken,

b.v. bij het mannetje van Ephemera vulgata (bij het wijfje zijn

zij even lang als het lichaam). Daar zij den naam Eendagsvliegen

(Ephemeridae) werkelijk verdienen en soms ternauwernood 24 uur in

den imago-toestand leven, hebben zij geen voedsel noodig en wijden

zich uitsluitend aan de voortplanting. De sierlijke vleugels zijn

in rust vertikaal naar boven gericht. Het merkwaardigste feit uit

haar ontwikkelingsgeschiedenis, een verschijnsel, dat bij geen ander

Insect voorkomt, is, de vervelling, die zij in gevleugelden toestand,

buiten het water dus, ondergaan; zelfs van de vleugels wordt de huid

afgeworpen. Men noemt haar daarom aanvankelijk sub-imago. De afgeworpen

huid blijft in haar geheel, alsof het Insect zich er nog in bevindt,

vastgehecht aan het voorwerp, waarop het sub-imago zich neerzette om

in den imago-toestand over te gaan. Hieraan is waarschijnlijk de naam

"Haft" ontleend.

Een tooverachtig schouwspel leveren deze sylphiden, wanneer zij op een

stillen Mei- of Juniavond in haar gazen bruiloftskleed, door de gouden

stralen van de ondergaande zon verlicht, in de zoele lucht dansen. Hier

te lande ziet men ze het best in Mei; dan vliegt het Gewone Haft

(Ephemera vulgata), onze grootste en algemeenste soort. Zonder de

staartborstels is zij 17 à 19 mM. lang. Eenige oranjegele vlekken

op het achterlijf en het afwisselen van lichte en donkere ringen op

de 3 onderling gelijke "staarten" vroolijken haar donkerbruin kleed

een weinig op. Zij heeft driehoekige voorvleugels met een bruine,

afgekorte streep over het midden en met donkere aders, die een dicht

netwerk vormen, waarvan de tusschenruimten doorzichtig zijn. Als

larve draagt zij aan iedere zijde van het achterlijf 6 bundels

van tracheeënkieuwen, aan den kop fijn behaarde sprieten en lange,

sikkelvormig gekromde bovenkaken. De pooten hebben één eindklauw,

zijn aan de zijden gewimperd, doch overigens glad. Door den forschen

bouw van de dij en de scheen zijn de voorpooten geschikt om in zandige

oevers horizontale gangen te graven, die een diepte van 52 mM. kunnen

bereiken; meestal zijn er 2 naast elkander; het dunne tusschenschot

heeft van achteren een opening, zoodat de larve zich in haar woning

niet behoeft om te keeren. Zij voedt zich met bestanddeelen van de

slib en vangt misschien ook levende dieren.

Het Gewone Oeveraas (Palingenia horaria) is grootendeels melkwit; de

voorvleugels hebben een zwarten buitenrand, de voorpooten een zwarte

dij en scheen. Dit geslacht kenmerkt zich door lichtkleurig geaderde,

ongevlekte, niet doorzichtige vleugels en doordat de middenstaart

korter is dan de zijstaarten.

Een zeer opmerkelijke eigenaardigheid van sommige soorten van Haften,

vooral van het Oeveraas, is, dat zij zich soms in zulk een ontzaglijke

groote menigte vertoonen, te meer opmerkelijk, omdat de levensduur

van elk dezer wezens zoo buitengewoon kort is. Over 't algemeen

krijgt men het Oeveraas ieder jaar slechts gedurende enkele dagen,

of liever avonden, te zien; daarna verdwijnt het spoorloos, totdat

in het volgende jaar de tijd van voortplanting voor deze soort weer

aanbreekt. Zij houdt zich zoo strikt aan dezen regel, dat de landbouwer

den oogsttijd van verschillende producten niet met meer zekerheid

kan bepalen, dan de visschers de verschijning van het Oeveraas op een

bepaalde rivier voorspellen. Tusschen 10 en 15 Augustus verwachten de

visschers van de Seine en de Marne de Haften, die Réaumur met den naam

Palingenia virgo aanduidt (thans Polymittarcys virgo). Zij noemen hen

"Manna", zeggen in den bedoelden tijd: "het manna begint te komen"

of "er is van nacht veel manna gevallen", en doelen hiermede op de

ontzaglijk groote hoeveelheid voedsel, die de Haften aan de Visschen

verschaffen, of op den overvloed van Visch in hunne netten. Elders zijn

zij bekend onder den naam van "Augustusvliegen", bij verkorting "Aust".

"De myriaden Haften," verhaalt Réaumur, "die boven den stroom en

boven den oever, waarop ik stond, door de lucht warrelden, trotseeren

iedere beschrijving. Bij de hevigste sneeuwbui is de lucht niet

zoo vol vlokken, als hier met Haften. Binnen eenige minuten zag

ik de dikte van de laag Insecten, die den bodem bedekte, met 5 à 10

cM. toenemen. Beneden mij zag ik een plek van 1.5 à 1.8 M. middellijn,

waar de waterspiegel geheel onzichtbaar was door de menigte der

neervallende dieren, die, naarmate de stroom ze medevoerde, telkens

weer door nieuwe vervangen werden. Verscheidene malen zag ik mij

genoodzaakt van plaats te veranderen, omdat ik den stortvloed van

Haften niet langer verdragen kon; zij vielen niet steeds in dezelfde

schuinsche richting als regendroppels naar beneden, maar kwamen

telkens van alle zijden op een zeer onaangename wijze in aanraking

met mijn aangezicht; de oogen, de neus en de mond geraakten er door

verstopt. Het was geen pleizierige taak bij deze gelegenheid als

fakkeldrager dienst te doen. De kleederen van dezen man waren in

weinige oogenblikken met Haften bedekt, als 't ware besneeuwd. Tegen

10 uur eindigde dit merkwaardige schouwspel. Eenige nachten later

kwam het opnieuw voor; toen vertoonden de Haften zich echter in

geringeren getale. Volgens de visschers valt de hoofdmassa van het

"manna" gedurende 3 opeenvolgende dagen; zoowel vóór als na dien

tijd ziet men echter enkele exemplaren. Hoe ook de temperatuur van

den dampkring moge zijn, laag of hoog, steeds heeft het zwermen 's

avonds terzelfder tijd plaats; het neemt een aanvang tusschen kwart

over acht en half negen; tegen 9 uur zijn de Insecten zoo talrijk,

dat zij op rondwarrelende sneeuwvlokken gelijken; in het volgende

half uur is hun aantal het grootst en om 10 uur vertoonen zich

slechts enkele individuën. In minder dan 2 uren ziet men dus deze

ontzaglijke groote menigte Haften de rivier, waarin zij als larven

leefden, verlaten, rondvliegen, de voor haar bestemde taak volbrengen

en--verdwijnen. Een groot deel valt in het water en verschaft aan de

Visschen een overvloedig maal, aan de visschers een rijke vangst."

Palingenia longicauda verschijnt boven eenige onzer groote rivieren

tusschen 10 en 23 Juni, gewoonlijk gedurende een drietal avonden,

in ontzaglijk groote zwermen, die aan sneeuwbuien doen denken;

dit verschijnsel is in Hongarije onder den naam van "Theisblüte"

bekend.--Niet slechts in Frankrijk, maar ook in andere landen weten

de visschers voor hun bedrijf partij te trekken van het zwermen der

Haften. Zij lokken deze naar hunne schuiten door hierop stroo te

branden: met verschroeide vleugels vallen de Insecten in het water,

waar de Visschen hen opwachten, die op hun beurt in de netten den

dood vinden. Ook worden de Haften wel verzameld en met een weinig

leem tot ballen gekneed, die bij het visschen als lokaas dienst doen.

De kabbelende golfjes van een rustig vlietende beek omspoelen de

stengels van de waterplanten aan haar zoom, zoodat zij, en vooral de

boven alles uitstekende riethalmen, zelfs bij onbewogen lucht zachtjes

ruischen. Een steenen poort stelt het stroompje in staat om ook aan

gene zijde van den spoordam, die als een muur de vlakte doorsnijdt,

zijn weg te vervolgen en een aangename koelte te verbreiden over de

elkander afwisselende, bont getooide weilanden en rijk gezegende

akkers langs de oevers. De van afstand tot afstand opschietende

struikwilgen, het weliger groeiende gras, dat hier en daar afgebroken

wordt door de lichtroode groepen van bloeiende hoofdjes van de rosse

munt en door de slanke, bloedroode aren van de kattestaart, teekenen

de slangsgewijze kronkelingen van het smalle pad, waarlangs het

water zich beweegt. Op het levenslustige Insectenvolk, dat langs de

bloemrijke oevers zwiert, oefent het water een bijzondere aantrekking

uit. Het riet, de wilgetwijgen, het metselwerk van de brug en andere

voorwerpen langs de beek, of in de omgeving van een plas te midden

van het weiland, zijn van Juli af de meest geliefde rustplaatsen van

de slanke, blauwe of groene, metaalachtig glinsterende Juffertjes

(Agrionidae). Met schommelende vlucht, meer fladderend dan vliegend,

zweven zij van deze plant naar gene, wiegelen zich op een blad,

verwisselen dit voor een ander, zoodra het eerste haar niet meer

bevalt en houden in rust de vleugels steeds, als de Dagvlinders,

loodrecht omhoog gericht. Tijdverdrijf schijnt het hoofddoel van haar

beweging te zijn, hoewel zij niet nalaten, terloops hier een Mugje,

daar een Vliegje te vangen en onmiddellijk te verslinden.

Andere Waterjuffers of Waternimfen, gemiddeld grooter dan de zooeven

bedoelde, leeren wij in haar volle wildheid het best kennen op opene

plekken in het bosch, vooral in tijden als de onweer voorspellende

zwoelheid van de lucht ons het ademen bemoeilijkt. Hoe drukkender

de weersgesteldheid is, des te teugelloozer en vrijer zwieren ons,

telkens opnieuw, in woeste vlucht slanke Insecten langs het hoofd. Voor

hen heeft ons volk de namen Korenbouten, Sparrebouten, Sparren

en Glazenmakers, Paarden-, Bijen-, Puisten-, Vileinen-, Bleinen-,

Wratten- en Waardenbijters, Donderbolken of -bolten, Hengsten en

Vliegende Garnalen uitgedacht. Zij vormen de familiën der Libellulidae

en Aeschnidae. Vooral wanneer onweersbuien in aantocht zijn of zich

ontlasten, gedragen deze Insecten zich zeer onrustig. Hier gaat er

een vóór ons op een boomstam of op den weg zitten: prachtig iriseeren

zijne fijnmazige, lange vleugels in alle kleuren. Slechts één oogenblik

kunnen wij het bewonderen: met even woeste vaart als het gekomen is,

vliegt het heen. Snoerrecht, als een Roofvogel, schiet het neer op

een ongelukkige Vlieg, gunt zich den tijd niet den buit zittend te

verslinden, maar doet vliegend zijn maal en loert intusschen met de

buitengewoon groote oogen op een nieuwe prooi. Vele houden er van

voortdurend in een kring rond te vliegen, vooral over tamelijk groote

watervlakten, intusschen alles vangend en verslindend wat binnen

hun bereik komt, waarbij zij ook concurreerende soortgenooten niet

zelden door eenige beten uit hun jachtgebied verdrijven. Door deze

en dergelijke handelingen en door haar onvermoeidheid bij 't vliegen

leveren de Libellen bijna overal, in het koude Lapland niet minder dan

in de heete gewesten van Nieuw-Holland, op warme dagen, bij ons van Mei

tot in den herfst, een aangename tijdkorting voor den wandelaar, die

hare gangen bespiedt. Bij ruw en winderig weer blijven zij stil zitten

en laten zich veel gemakkelijker met de vingers vangen dan anders

met de beste vangwerktuigen, hoe behendig deze ook gehanteerd worden.

De groote, halfbolvormige of dwars gerichte, cilindrische kop rust

vrij op een dunnen hals. Evenals de oogen, zijn ook de monddeelen

buitengewoon sterk ontwikkeld. De breede, met vele scherpe tanden

gewapende bovenkaken vormen een krachtige tang; daaronder liggen de

beide onderkaken, die in een groep van scherpere tanden eindigen

en aan den voet voorzien zijn van een éénledigen taster. De bolle

onderlip (bestaande uit een door onderkin, kin en 2 stammen gevormd

wortelgedeelte, een middenlob en 2 zijlobben) komt bij 't sluiten

van den mond met den voorrand zóó tegen de bovenlip te liggen, dat

de reeds genoemde moordtuigen er geheel door verborgen worden. De

sprieten vallen weinig in 't oog. Naast elk der beide bovenste van de

3 bijoogen rust op een dik grondlid een 4-ledige, korte borstel.--De

beide achterste ringen van het borststuk hebben een buitengewoon

steilen stand, zoodat de vleugels ver naar achteren, de pooten ver

naar voren en de achterheupen vóór den oorsprong van de voorvleugels

zijn aangehecht. De 4 vleugels zijn, wat de grootte, den vorm en het

beloop van het sierlijke netwerk van aders betreft, nagenoeg volkomen

gelijk aan elkander; bijna altijd ziet men op korten afstand van de

spits duidelijk een vleugelstip. Het 10-ledige achterlijf draagt

aan den laatsten ring 2 ongelede, stijl- of bladvormige staarten,

waartusschen zich bij de mannetjes de soms ver uitstekende aarsklep,

bij de wijfjes de korte legboor bevindt. Het achterlijf is buitengewoon

lang, bij de Agrioniden bijna naaldvormig. In Zuid-Amerika vindt

men een soort (Agrion Amalia), die bij 14.4 cM. lichaamslengte een

achterlijf van 12.2 cM. heeft.

Bij 't eierenleggen danst het wijfje in rechtstandige houding boven

het water, of maakt met den legboor in waterplanten insnijdingen,

waarin het ei verborgen wordt.

De larven van de Waternimfen leven in 't water en spelen bij de kleine

en jonge dieren in meren, plassen en moerassen, dezelfde rol als de

Haaien voor de bewoners der zee, n.l. die van geduchte, onverzadelijke

roovers. Hoewel zij over 't algemeen, wat den lichaamsbouw betreft,

met de volkomen Insecten vergeleken kunnen worden, wijken zij toch in

twee opzichten, de monddeelen en de ademhalingswerktuigen, belangrijk

van hen af. De onderlip is bij haar uitgegroeid tot een grijptang, het

zoogenaamde masker. Men zou het masker met een arm kunnen vergelijken:

de bovenarm zou dan zijn het smalle wortelgedeelte, dat in rust achter

de keel ligt; door de voorarm zou men kunnen voorstellen het breedere,

driehoekige stuk, dat door een scharniergewricht met het vorige

verbonden is; aan den top komen twee beweeglijke "zijlobben" voor, die

aan vingers herinneren en in een klauwvormigen taster eindigen. Het

masker heet vlak, als het in den toestand van rust eenvoudig van

onder den mond bedekt en van boven onzichtbaar blijft. Van een

helmmasker spreekt men, als de beide "zijlobben" met hare tanden in

elkander grijpen, bol zijn en in rust den mond ook zijdelings en

van boven bedekken, zooals bij de geslachten Libellula, Cordulia,

Epitheca (fig. 4). Als de larve een prooi wil bemachtigen, strekt

zij het masker snel naar voren, grijpt met de als een tang werkende

zijlobben haar slachtoffer en brengt dit, door het terugtrekken van

haar vangorgaan, voor den mond, waar het door de kaken snel vermalen

en vervolgens ingeslikt wordt.--Voor de ademhaling van de larven

dienen tracheeën-kieuwen. Bij sommige zijn zij van buiten zichtbaar en

bestaan uit 3 langwerpig ronde plaatjes aan de spits van 't achterlijf;

dan heeten zij staartkieuwen. Bij andere is er uitwendig niets van te

zien en noemt men ze, naar de plaats die zij innemen, darmkieuwen. De

wanden van den endeldarm bevatten n.l. 2 dunne luchtbuizen, die, van

voren naar achteren reiken en blind eindigen; de hiervan uitgaande

dwarstakken verdeelen zich in zeer fijne buisjes in de talrijke dwarse

huidplooien aan de binnenste oppervlakte van den darm. De aarsopening

is omgeven door 3 driehoekige, stekelvormige kleppen; door de werking

van krachtige spieren wordt het water in den endeldarm opgenomen en

weer naar buiten gestuwd; hierdoor worden de darmkieuwen aanhoudend

met versch water in aanraking gebracht, terwijl bovendien door het

wegpersen van het water het dier zich vooruitbeweegt.

De larven vervellen vele malen, ook dan nog, als zij reeds

vleugelstompjes hebben; waarschijnlijk loopt de geheele ontwikkeling

in één jaar af en heeft de overwintering in den larvetoestand

plaats. Zoodra de larve ver genoeg ontwikkeld is om in een meer

volkomen toestand over te gaan en van waterdier luchtbewoner te worden,

begeeft zij zich boven den waterspiegel, door langs een waterplant,

een in 't water staanden paal of een dergelijk voorwerp op te kruipen;

de huid van alle lichaamsdeelen wordt al droger en droger en barst

eindelijk open van den nek tot voor op den kop. Deze deelen komen

het eerst uit het nu overbodig geworden larveskelet te voorschijn,

de pooten volgen en eindelijk komt ook het nog verborgen achterlijf

voor den dag. Zoodra hare vleugels droog zijn, verheft de Libelle

zich er mede in de lucht en beoefent hier het rooversbedrijf met nog

grootere behendigheid dan gedurende den minder volkomen larvetoestand.

Er zijn tegenwoordig 1000 à 1100 soorten van Waternimfen bekend;

zij zijn over alle werelddeelen verbreid, doch in de warme gewesten

het talrijkst. Ongeveer 100 soorten bewonen Europa, waarvan 53 ons

vaderland.

De Meerjuffers (Calopteryx) behooren tot de familie der Agrioniden,

die in den imago-toestand kenbaar zijn aan den hamervormig verbreeden

kop, waaraan de oogen steeds ver uiteenstaan, aan het cilindervormige,

dunne achterlijf en aan de diepe spleet tusschen de beide binnenste

kaaklobben, die onderling vereenigd zijn tot de middenlob van de

onderlip; hare larven hebben staartkieuwen en een vlak masker. Bij

het genoemde geslacht worden de engmazige vleugels naar den wortel

allengs smaller; zij zijn bij het mannetje geheel of gedeeltelijk

donkerblauw en zonder randstip, bij het wijfje verschillend van

kleur. Bovendien vormen de "staarten" van het mannetje een tang. Een

van de veelvuldigste en meest verbreide soorten is de 43.5 à 48

mM. lange Gewone Meerjuffer (Calopteryx virgo). Het wijfje heeft

bruine vleugels met witte vleugelstip en een metaalachtig glinsterend,

smaragdgroen lichaam; de donkerblauwe kleur van het mannetje herinnert

aan een stalen pantser. Te gelijk met deze, in Juli en Augustus,

vliegt de even lange Schitterende Meerjuffer (Calopteryx splendens);

zij heeft smallere, doorzichtige vleugels, die bij het mannetje een

blauwen dwarsband vóór de spits, bij het wijfje groene aders hebben.

Bij de Slankjuffers (Lestes) zijn de vleugels nog smaller, vooral

het wortelgedeelte, dat op deze wijze een duidelijken steel vormt. In

rust hebben zij een horizontalen stand. De mazen van het adernet zijn

wijder, voor een deel vijfhoekig. De slanke, dunne larven ademen in

het laatste tijdperk van haar waterleven uitsluitend door lange en

breede staartkieuwen; haar zeer lang en smal masker reikt in rust

tot aan de achterheupen. Van Juni tot October ziet men veelvuldig

de 40 mM. lange Groene Slankjuffer, (Lestes viridis), die zich door

hare glasheldere vleugels met groote, zwart omlijste vleugelstip

onderscheidt; zij is bronsgroen met roodachtigen weerschijn.

De talrijke, aan fijne naalden herinnerende Juffertjes, die

men bij zonnig weer aan den waterkant en tusschen het riet ziet

dansen, waarbij de langzaam bewogen vleugels door een prachtigen

glans de aandacht trekken, en die bij somber weer met bovenwaarts

gerichte, tegen elkander aanliggende vleugels rusten, behooren tot

verschillende geslachten, voor een groot deel echter tot dat der

Slankjuffers (Agrion). Vooral de 35 mM. lange Schoone Slankjuffer

(Agrion pulchellum) komt van Mei tot Augustus zeer algemeen voor. Haar

rug is zwart met blauwe dwarsbanden op de meeste segmenten, blauwe

strepen op het borststuk, een bronskleurigen weerschijn en 2 groote,

lichte vlekken op het achterhoofd.

De beide nog overige familiën van Waterjuffers (Aeschnidae en

Libellulidae), die gezamenlijk Glazenmakers (Anisoptera) worden

genoemd, verschillen van de Agrioniden door forscheren lichaamsbouw en

snellere, woeste vlucht, waardoor het ondernemen van rooftochten op

grooteren afstand van 't water mogelijk wordt. Op 't eerste gezicht

herkent men deze Waternimfen aan den grooten, halfbolvormigen kop,

die voor een groot deel wordt ingenomen door de prachtig schitterende

oogen, die elkander op de kruin ontmoeten en slechts bij een enkel

geslacht (Gomphus) een kleine tusschenruimte overlaten. Hunne

facetten kan men bij gunstige verlichting zonder vergrootglas

onderscheiden. Vóór de oogen ligt het blaasvormig gezwollen voorhoofd,

dat een derde deel van de oppervlakte van den kop bestaat en ter hoogte

van de zeer kleine, borstelvormige sprieten door een dwarsgroeve in

2 deelen is gesplitst, die, vooral bij de Libelluliden, waar ook het

achterste deel uitpuilt, duidelijk zichtbaar zijn. Op het voorste volgt

de bovenlip, die als de klep van een pet de krachtige monddeelen

van boven bedekt. De vleugels zijn in rust steeds horizontaal

zijwaarts gericht. De achtervleugels overtreffen aan den wortel de

voorvleugels aanmerkelijk in breedte; alle 4 leveren kenmerken ter

onderscheiding van de geslachten: de "vleugeldriehoek" (een door

dikke aders begrensd veld bij den vleugelwortel tusschen de 3e en de

5e der hier ontspringende, overlangsche aders) en het "bijvliesje"

(een klein, min of meer halvemaanvormig, dikwijls gekleurd lobje aan

den vleugelwortel). De larven hebben groote, samengestelde oogen en

dunne, 7-ledige sprieten; zij ademen door darmkieuwen en missen dus

de staartkieuwen of zwemplaatjes aan de achterlijfsspits.

Bij de Aeschniden dragen de zijlobben van de onderlip ieder een

tastertje en zijn even groot als de middellob of kleiner dan deze; de

vleugeldriehoeken zijn nagenoeg even groot in beide paren vleugels. De

larven hebben een vlak masker, zijn langwerpig van vorm en aan de

zijden van de laatste achterlijfsringen van stekels voorzien (fign. 1

en 2).

Tot de Gordeljuffers (Aeschna), zoo genoemd wegens de insnoering van

haar achterlijf ter hoogte van den 2en ring, behooren de grootste en

bontste Europeesche Glazenmakers. Men herkent ze gemakkelijk aan de

oogen, die elkander boven op den kop volgens een lijn (niet slechts

in één punt) aanraken. Haar lichaam is met blauwe en gele vlekken

geteekend. Men ziet deze Insecten in den regel alleen, daar ieder

zijn jachtgebied aanhoudend in woeste vlucht doorkruist en er niet

licht een soortgenoot in duldt.

De algemeenst voorkomende, inheemsche soort is de Groote Gordeljuffer

(Aeschna grandis); haar lichaam is roestbruin en minder gevlekt

dan dat van hare verwanten; verscheidene van deze hebben op het

blaasvormig gezwollen voorhoofd een T-vormige, zwarte vlek, die bij

de genoemde soort ontbreekt. De zijden van het borststuk zijn getooid

met 2 geelachtige strepen; blauwe vlekken komen voor op het midden van

den rug tusschen de geelachtige vleugels en op het 3e achterlijfslid.

Bij de Libelluliden is de middellob van de onderlip veel kleiner

dan de beide tasterlooze zijlobben. De samengestelde oogen raken

elkander op de kruin in één punt. De vleugeldriehoeken der voor- en

achtervleugels zijn zeer verschillend van vorm en grootte. De larven

(fign. 4 en 5) zijn korter en dikker dan die der vorige familie en

bezitten een helmmasker.

De Gewone Platbuik (Libellula depressa, fig. 3) heeft een sterk

zijwaarts verbreed achterlijf, dat bij 't wijfje geelachtig bruin,

bij het mannetje fraai hemelsblauw berijpt, bij beide langs den rand

geel gevlekt is. Een groote, langwerpige en donkere vlek aan den

wortel der voorste, een groote driehoekige aan dien der achterste

vleugels, een roodbruine "basaalcel" tusschen de wortels van de 3e en

de 4e overlangsche ader op alle 4 vleugels en minstens 10 dwarsaders

aan den voorrand van den vleugelwortel tot aan het "knoopje" (het

eenigszins samengeknepene, door dikke dwarsaders gekenmerkte plekje

op het midden van den voorrand) onderscheiden deze soort van hare

talrijke verwanten. Van Mei tot Juli ziet men dit 42 mM. lang Insect

(70 mM. vlucht) bij moerassen en op vochtige weilanden.

Van Mei tot Augustus ontmoet men op dezelfde plaatsen den iets

grooteren Viervlekkigen Platbuik (Libellula quadrimaculata); deze

heeft een minder breed achterlijf, doch ongeveer dezelfde kleur,

hoewel het mannetje niet blauw berijpt is. De soortnaam is ontleend

aan de donkere vlek op het knoopje van alle vleugels, die bovendien

aan den wortel safraangeel zijn.

Beide soorten hebben nu en dan de algemeene aandacht getrokken

door ontzaglijk groote zwermen te vormen en verre tochten te

ondernemen. Sedert 1673 worden meer dan 40 zulke gevallen vermeld;

meestal bestonden de zwermen uit Libellula quadrimaculata, soms uit

Libellula depressa, een enkele maal uit een Agrion-soort.

De Insecten, die men onder den naam van Knagers (Corrodentia)

samenvat--de Houtluizen, de Termieten en de Vachtluizen--gelijken op de

reeds genoemde leden der orde door het bezit van 2 paar gelijkaardige,

vliezige vleugels (bij sommige ontbreken deze organen of zijn zij

rudimentair), maar verschillen er van, doordat zij, als larve en als

imago, op het droge leven en zich met droge, plantaardige of dierlijke

stoffen voeden.

De Houtluizen (Psocidae) zijn kleine, platte Insecten met lange,

borstelvormige sprieten, zonder liptasters en met 2- of 3-ledigen

voet. De meeste vindt men op boomen en struiken; o.a. geldt dit van

de Houtluizen i.e.z. (Psocus). Haar naam zou aanleiding kunnen geven

tot een verkeerde voorstelling van den lichaamsvorm. De kop, die het

geheele voorborststuk aan de rugzijde bedekt, breidt zich ook in de

overige richtingen sterk uit: naar de zijden door de uitpuilende,

samengestelde oogen, naar voren door een blaasvormige opzwelling van

het voorhoofd. Vóór de 3 bijoogen zijn de 8-ledige, borstelvormige

sprieten aangehecht, welker lengte die van het lichaam overtreft. De

vleugels bedekken dakvormig het korte, eivormige, 9-ledige achterlijf,

steken er ver achter uit en bevatten weinige aders. Deze diertjes

voeden zich waarschijnlijk met korstmossen en droge plantendeelen. De

larven vertoonen geen eigenaardige verschijnselen. Opmerkelijk is

echter de beschutting, die het wijfje verschaft aan hare op bladen

gelegde eieren door draden uit spinklieren, welker afvoeropening

aan de onderlip voorkomt. Er zijn wel meer spinnende, geslachtsrijpe

Insecten, o.a. de Pekzwarte Watertor; geen enkele echter spint met den

bek. De Vierstippelige Houtluis (Psocus quadripunctatus) b.v. legt

5 à 16 eieren tusschen bladnerven en bedekt ze met spinsel, zoodat

het geheele eierenhoopje, op eenigen afstand gezien, het voorkomen

heeft van een vischschub.

De gestreepte Houtluis (Psocus lineatus) is de grootste Europeesche

soort; als de vleugels in rust verkeeren, is de afstand van hun spits

tot het voorhoofd 6.5 mM. waarbij nog komt 11 mM. door de zwarte,

aan den wortel lichtbruine sprieten. De grondkleur is geel (op de

pooten lichtbruin), de teekening zwart.

Twee ongevleugelde soorten, bekend onder den naam van Stofluisjes

of Boekenluisjes, komen in onze woningen voor: de 1.3 mM. lange

Troctes divinatorius bewoont geheel Europa en Noord-Amerika en heeft

de sprieten bijna even lang als het lichaam; de 2 mM. lange Atropos

pulsatorius heeft ze nog langer. (Wegens het betrekkelijk krachtige,

tikkende geluid, dat dit luisje maakt, wordt het Doodskloppertje

genoemd.) Beide leven tusschen oude papieren, in herbariën, kasten

voor insecten-verzamelingen, stoffige hoeken van kamers; zij voeden

zich met het hier aanwezige stof; maar knagen ook in de musea de

schubben van de vlindervleugels af en zoeken altijd de duisternis op.

De Termieten (Termitidae) heeten in Suriname Houtluizen, daar en

elders ook wel Witte Mieren, omdat zij groote maatschappijen vormen,

die behalve gevleugelde mannetjes en wijfjes ook ongevleugelde,

onvruchtbare individuën bevatten, gemeenschappelijk nesten

bewonen en werkzaamheden verrichten ten bate van de maatschappij;

overigens verschillen zij door haar lichaamsvorm en onvolkomen

gedaantewisseling en in verschillende andere opzichten aanmerkelijk

van de Vliesvleugeligen, waarmede men ze vergelijkt.

De Termieten hebben een langwerpig lichaam, dat nagenoeg overal

even breed, van boven eenigszins afgeplat, van onderen bol is; de

vrij beweeglijke, schuinsch of loodrecht naar onderen gerichte kop,

maakt met het borststuk ongeveer de helft van de totale lengte uit;

de pooten hebben een 4-ledigen voet. De geslachtsdieren hebben 4 lange

vleugels van gelijke grootte met een dwarsnaad aan den wortel, die na

den paartijd afgeworpen worden. Van de vier overlangsche vleugeladers

gaan in schuinsche richting onderling evenwijdige of ook wel éénmaal

gegaffelde takken uit. De samengestelde oogen puilen aan de zijden

van den kop uit; dicht bij hun binnenrand staan de enkelvoudige

oogen, waarvan er slechts 2 zijn, dicht bij hun voorrand de 13- à 20-

(soms 27-)ledige sprieten, die hoogstens een weinig langer zijn dan

de kop. Krachtig ontwikkelde knaagorganen omgeven de mondopening: van

boven de schelpvormig gezwollen bovenlip, daaronder de stomp eindigende

bovenkaken, die aan den binnenrand 4 à 6 tandjes dragen, voorts de

onderkaken, ieder samengesteld uit een in twee tandjes eindigende

binnenste lob, een hooger gelegen, sabelvormig gekromde buitenste lob

(den "helm") en een 5-ledigen taster, ten slotte de onderlip, die uit

4 lobben bestaat, waarboven de 3-ledige liptasters zich slechts weinig

verheffen.--De drie borstringen zijn gelijk van grootte; haar breedte

overtreft de lengte; het rugschild van iederen ring is een platte,

zijdelings slechts weinig uitstekende chitine-plaat. De pooten zijn

slank, maar krachtig. De vleugels zijn in rust horizontaal achterwaarts

gericht, bedekken elkander en het achterlijf en steken ver achter het

einde van 't lichaam uit.--Aan het achterlijf merkt men van boven 10,

van onderen slechts 9 ringen op.--De kleur der Termieten biedt weinig

afwisseling aan en is in den regel op alle lichaamsdeelen nagenoeg

gelijk. Men vindt bij hen alle tinten van bruin tot zwart en van bruin

tot geel. Voor individuën van dezelfde soort verschilt de kleur met

den leeftijd; de jongen hebben steeds de gele kleur van oud ivoor.

De larven zijn aanvankelijk klein, teer en sterk behaard; de 3

afdeelingen van den stam zijn niet scherp gescheiden, de oogen

onduidelijk, de sprieten kleiner dan bij het volkomen Insect; van de

vleugels zijn zelfs geen sporen te zien; deze vertoonen zich allengs

na verscheidene vervellingen; de lichaamshuid wordt doorzichtiger,

maar mist nog de noodige stevigheid. Eindelijk strekken de vleugels

zich langs de zijden van het lichaam tot aan den 6en ring uit; in

dezen toestand wordt het dier soms pop (nympha) genoemd.

Koningen en Koninginnen noemt men die leden van de

Termieten-maatschappij, welke geschikt zijn om de soort in stand

te houden. Zij hadden oorspronkelijk vleugels, maar hebben deze

afgeworpen, toen zij na een korten zwermtijd in de gemeenschappelijke

woning terugkeerden. Het achterlijf van het wijfje heeft zich

dikwijls tot een wanstaltige grootte uitgezet (fig. 3), zoodat de

kop en het borststuk er nog veel sterker bij afsteken dan bij een

volgezogen Hondeteek. De opzwelling gaat gepaard met het groeien

of rekken der verbindingsvliezen; de chitine-platen der segmenten

liggen als donkere, door groote tusschenruimten gescheiden vlekken

op dezen geelachtig witten zak, die tot barstens toe gevuld is met

eieren. Slechts van zeer weinige soorten kent men de koningin. Het

aantal geslachtsrijpe dieren in ieder nest is gering, veel grooter

dat der zoogenaamde arbeiders en soldaten; deze hebben nooit vleugels

gehad en verschillen van elkander hoofdzakelijk door den vorm van

den kop en de grootte. De volkomen ontwikkelde arbeider is niet veel

kleiner dan zijne gevleugelde soortgenooten, maar blijft door de

geringere ontwikkeling van het borststuk iets korter. Zijn kop heeft

een bijna loodrechten stand, mist bij de meeste soorten de oogen en

is een weinig boller, maar komt overigens, wat maaksel betreft, met

dien der geslachtsdieren overeen. Het borststuk vertoont belangrijke

afwijkingen, daar het nooit vleugels draagt: de voorste ring is

zeer smal en de beide volgende zijn van achterlijfsringen niet te

onderscheiden. De soldaten gelijken volkomen op de arbeiders, maar

zijn grooter en hebben een zeer sterk ontwikkelden kop; deze maakt

niet zelden de helft van het geheele lichaam uit. Bij alle soldaten

steken de bovenkaken op dreigende wijze vooruit; niet zelden is haar

lengte gelijk aan het derde deel van die van den kop; soms zijn zij

zelfs langer dan deze; de onderkaak en de onderlip daarentegen zijn

zeer klein. Het verschil tusschen de arbeiders en de soldaten begint

eerst na de tweede vervelling merkbaar te worden. Hagen heeft bij het

geslacht Eutermes nog een derde "kaste" van geslachtlooze individuën

aangetroffen; deze hebben een nog vreemdsoortiger voorkomen, daar het

voorste deel van den kop bij hen neusvormig verlengd is: overigens

komen zij met de soldaten en arbeiders overeen; zij worden neusdragers

(nasuti) genoemd.

De geslachtsdieren met de onvruchtbare arbeiders en soldaten vormen

gezamenlijk een maatschappij, welker woning wij "nest" zullen noemen,

zonder voorloopig te letten op haar vorm en inrichting. In het nest

komen de leden van de beide laatste "kasten" op verschillende trappen

van ontwikkeling steeds in grooten getale voor; bovendien kan men er

zeker van zijn, dat het steeds minstens één koningin bevat, hoewel

men deze er niet altijd in gevonden heeft; de gevleugelde mannetjes

en wijfjes vindt men er slechts gedurende korten tijd en wel, naar het

schijnt, bij den aanvang van het regenseizoen. Zoodra hun ontwikkeling

is afgeloopen en de kolonie aan overbevolking lijdt, heeft, evenals

bij de Mieren, het zwermen plaats. De paring geschiedt in de lucht, of

zoodra de dieren, na volbrachte reis, weer vasten grond onder de voeten

hebben en hun de vleugels bij den dwarsnaad zijn afgebroken. Bates,

die het zwermen van de Termieten in Amazonië heeft waargenomen,

verhaalt, dat het 's morgens bij bewolkte lucht of op sombere, vochtige

avonden plaats heeft. In 't laatstgenoemde geval oefent het licht in

menschelijke woningen op de Termieten dezelfde aantrekking uit als

op alle andere bij avond vliegende Insecten. Bij myriaden vliegen zij

door de deuren en vensters naar binnen, veroorzaken een sterk ratelend

gedruisch en blusschen de lampen uit. Rengger maakt in zijn "Reis naar

Paraguay" melding van het vreemdsoortige schouwspel, dat deze dieren

opleveren, wanneer zij uit den grond opstijgen als een "zuil", die,

door de zon verlicht, uit zilveren loovertjes schijnt te bestaan.

Tallooze vijanden--Mieren, Spinnen, Hagedissen, Padden, Vleermuizen,

Geitenmelkers--storen het bruiloftsfeest van de Termieten en maken

gretig jacht op de weerlooze schare; de weinigen, die den dood

ontloopen, worden koning en koningin over een nieuwen staat. Door

een gunstig toeval is de onderzoeker soms in de gelegenheid deze

potentaten met een gering aantal arbeiders in de eerste beginselen

van hun toekomstig nest waar te nemen.

De arbeiders en de soldaten (misschien ook de reeds eenigermate

ontwikkelde larven van hunne kasten) zijn ijverig in de weer om

voedsel te verzamelen voor zich en voor de nestgenooten, die niet in

staat zijn om zelf dezen arbeid te verrichten. Zij brengen de eieren

naar de verschillende afdeelingen van het nest, verrichten hieraan

de noodige herstellingen, maken den uittocht mogelijk voor hunne

zwermende verwanten, kortom, zij zijn belast met de zorg voor de

geheele kolonie. Om hun taak te volbrengen, begeven zij zich ook wel

buiten het nest, doch doen dit meestal zonder zich aan het daglicht

bloot te stellen; zij overwelven den weg, dien zij hebben af te leggen,

en vergrooten of herstellen het nest hoofdzakelijk 's nachts. De zeer

verschillende bouwtrant der woningen is het merkwaardigste deel van

de geschiedenis der Termieten. Vele soorten bouwen de vrij algemeen

bekende, heuvelvormige nesten. De meeste mededeelingen hierover

hebben betrekking op de Krijgszuchtige Termiet (Termes bellicosus),

die over een groot deel van Afrika verbreid is. Waar zij woont,

vindt men heuvels, welker buitenste oppervlakte oneffen, van vele

uitsteeksels voorzien is, en die men het best met een hooischelf kan

vergelijken. Vooral op vlakke terreinen, waar het bosch werd omgekapt

om den grond in kultuur te brengen en waar de gevelde boomen liggen

te rotten, komen deze nesten veelvuldig voor. Die, welke door hevige

regenbuien of, in de nabijheid van een stad, door spelende kinderen

beschadigd werden, zijn door de bewoners verlaten. Wanneer men

er daarentegen naar boven wijzende torentjes en spitsen op vindt,

is het nest nog bewoond en wordt het nog steeds uitgebreid. In dit

geval, en ook bij den eersten aanleg van het gebouw, verrijst het

eene torentje naast het andere en worden allengs de tusschenruimten

aangevuld. Ieder torentje bevat een holte, die met de inwendige ruimten

van den heuvel in gemeenschap staat. De hooischelfvormige nesten

hebben soms een hoogte van ruim 5 M. en aan den voet een omvang van

18.83 M. Als bouwstof dient hoofdzakelijk klei, die met het speeksel

van het Insect wordt aangemengd. Zulk een heuvel kan meer menschen of

dieren dragen dan er plaats op kunnen vinden en biedt weerstand aan

de buitengewoon hevige stortbuien en den schok van vallende boomen,

die beide hem niet zelden treffen. Als men den grond rondom het nest

blootlegt, ziet men verscheidene bedekte wegen of buizen van klei,

die naar de naburige boomstompen en houtblokken leiden. Deze buizen

hebben soms een middellijn van meer dan 31 cM., worden allengs nauwer

en loopen in verscheidene takken uit. Sommige staan niet boven, maar

onder den grond met het nest in gemeenschap; op de plaats waar de

tunnel, die op den bodem rust, ophoudt, ziet men vele holten, die den

aanvang zijn van wegen, welke zich in schuinsche richting uitstrekken

tot aan de door kleipilaren gesteunde ruimten onder den heuvel. Deze

pijlers dragen een aantal gewelven: de broedcellen voor de jongen, de

woning van koning en koningin en verschillende andere vertrekken. De

buitenwand van het nest is 15.7 à 47 cM. dik en bevat cellen, holen

en wegen, die met elkander in gemeenschap staan of van den voet tot

aan de spits reiken en verbonden zijn met de binnenste ruimten van

den koepel. In het middelste gedeelte van het nest bevindt zich op

een hoogte van 30 à 63 cM. boven den omliggenden bodem de kamer van

den koning en de koningin omgeven door andere vertrekken met eieren

en jongen van verschillende grootte.

Soortgelijke nesten als de zooeven bedoelde Afrikaansche--spitse kegels

van 95 à 155 cM. hoogte en ongeveer 30 cM. middellijn aan de basis,

afgezonderd staande of reeksen vormend en op vreemdsoortige gebouwen

gelijkend--vond Leichhardt in Australië. De Termietenwoningen,

die Epp op Banka zag, herinnerden hem aan grafmonumenten. Ook

"paddenstoelvormige" nesten komen voor.

Evenals onze Mieren, bouwen ook zeer vele Termieten hare nesten niet

boven den grond, maar blijven er in verborgen, zitten onder steenen, of

begeven zich door onderaardsche gangen naar voorwerpen van hout of van

een andere grondstof, waarin zij met hare kaken kunnen doordringen. In

zandstreken van Afrika heeft men diep onder de oppervlakte buisvormige

gangen met verharde wanden aangetroffen, die van Termieten afkomstig

zijn; in de bedoelde gewesten worden deze Insecten echter tegenwoordig

wijd en zijd in 't rond niet meer aangetroffen, omdat de plantengroei

er geheel heeft opgehouden. Na het verslinden van de wortels, die

misschien eertijds door deze en dergelijke buizen omgeven waren, konden

hare bewoners dus geen voedsel meer vinden. Hoe diep sommige Termieten

in den grond doordringen, bleek o.a. in Louisiana bij het graven van

een put. Hier vond men, meer dan 8 M. diep onder den grond, buizen,

die aan Termieten van het geslacht Hodotermes toegeschreven worden.

Van de wijze, waarop de nestvormige Termietenwoningen op boomen

ontstaan, geeft Fritz Müller een verklaring, die misschien niet voor

alle dergelijke nesten, maar dan toch voor die der door hem onderzochte

Zuid-Amerikaansche soorten geldt. Evenals eenige inheemsche Mieren,

knagen sommige soorten van Termieten gangen in nog levende, zelfs in

nagenoeg gave boomen, niet slechts in zacht, maar ook in hard hout,

waarbij, naar het schijnt, de eene soort aan deze, de andere aan

gene boomsoort de voorkeur geeft. De wand der gangen is meestal met

een dunne laag drek bekleed; soms hoopen deze dreklagen zich aan de

uiteinden der gangen op. Men stelle zich voor, dat door het sterk

toenemen van het aantal Insecten in dezelfde ruimte de uitgeknaagde

gangen steeds nader bij elkander komen en de tusschenschotten,

al dunner wordend, ten slotte geheel verdwijnen. De dreklaagjes

van aaneengrenzende ruimten zullen dan onmiddellijk tegen elkander

liggen en de houten tusschenschotten vervangen. Zulk een allengs

plaats hebbende overgang van ver uiteenliggende, in hout geknaagde

gangen in een drekmassa met holten, gelijkende op die van goed gerezen

brood of van een spons, neemt men waar in boomstammen, die door een

Eutermes-soort bewoond worden. Het naar buiten uitpuilen van deze

drekophoopingen, die niet steeds tot het binnenste van den boom

beperkt blijven, geeft aanleiding tot het ontstaan van "bolvormige

boomnesten"; deze zijn dus oorspronkelijk een voor gemeenschappelijk

gebruik bestemd privaat van een Eutermes-volk geweest, maar worden

later ook gebezigd als broedplaatsen voor de eieren en als woningen

voor de larven. Deze nesten zijn dus van den boom uit--en niet van

buiten er tegenaan--gebouwd.

Als men een stuk van zulk een nest afsnijdt, vluchten de arbeiders uit

de hierdoor geopende gangen naar binnen; zij worden vervangen door

een groot aantal kleine, spitskoppige soldaten, die ijverig heen en

weer loopen en aanhoudend met de sprieten rondtasten. Na eenigen tijd

keeren de arbeiders terug. Ieder hunner betast eerst den rand van de

opening, die hij zal gaan sluiten, draait zich vervolgens om en legt

een bruin worstje op dezen rand neer. Daarna begeeft hij zich soms

onmiddellijk naar het binnenste van 't nest terug om plaats te maken

voor helpers, die hem in dichte drommen volgen, soms echter draait hij

zich nogmaals om, betast zijn werk en drukt het zoo noodig te recht. De

soldaten hebben bij den aanvang van den arbeid voor 't meerendeel den

aftocht geblazen; eenige zijn achtergebleven; deze raken nu en dan de

arbeiders met de sprieten aan, als 't ware om hen aan te moedigen en

tot ijver aan te sporen.--Aan dikke stammen neemt het nest slechts

één zijde in beslag; dunnere worden er ringvormig door omgeven; aan

den top van oude stompen vormt het nest een afgeronden koepel, die

dikwijls vergeleken wordt met een negerkop, wegens de zwarte kleur en

de bolvormige gedaante, ook, omdat men aan de oppervlakte langwerpige

verhevenheden van geringe hoogte opmerkt, die op onregelmatige wijze

ineenvloeien en aders voorstellen. Hoe ouder het nest is, des te

donkerder ziet het er uit en des te grooter weerstand biedt het aan

vernieling. Om van oude nesten een stuk af te nemen wordt een bijl

vereischt. De buitenste gedeelten bevatten uitsluitend arbeiders

en soldaten, kort vóór den zwermtijd, in December, ook gevleugelde

Insecten; iets dieper liggen de woonplaatsen der larven, die naar

den leeftijd gerangschikt zijn, de jongste het verst naar binnen; nog

verder in dezelfde richting voortgaande, komt men aan ruimten, waaraan

niets bijzonders valt op te merken en die een ontzaglijke hoeveelheid

eieren bevatten; in 't midden eindelijk wonen de koning en de koningin.

Volgens het eenstemmig oordeel van alle onderzoekers zijn vele soorten

van Termieten (misschien nog wel het minst die, welke heuvels bouwen)

een groote plaag voor de bewoners van tropische gewesten en een bron

van ergernis voor iederen reiziger, die kennis met hen maakt. Zij

vergrijpen zich niet aan zijn persoon, maar vernielen in zeer korten

tijd zijne bezittingen, kleederen, boeken, huisraad, zelfs de balken

van zijn woning. Dit geschiedt op zulk een geheimzinnige, slinksche

wijze, dat men de schade eerst bemerkt als er niets meer gedaan kan

worden om haar af te wenden. Het dak valt den bewoner op het hoofd,

voordat hij gevaar ducht. D'Escayrac de Lauture doet in zijn "Reis door

Soedan" uitvoerige mededeelingen over de Witte Mieren, die daar Arda

heeten. Zij hebben de grootte van een gewone Mier en voeden zich bij

voorkeur met hout, doch vreten overigens alles: leder, vleesch, papier,

enz. Boeken en schoenen kunnen zeer moeilijk tegen haar beveiligd

worden. In één nacht vernielden zij een gekartonneerden atlas en de

helft van een foedraal van een verrekijker. De Nubiërs vrijwaren zich

voor schade door hunne bezittingen op planken te leggen, die door

middel van touwen aan het dak van het huis zijn opgehangen. In andere

streken beschut men de meubels tegen de vernielzucht van dit gedierte,

door ze met de pooten in met water gevulde potten te plaatsen. Een

Arabier bij Boernoe was, zonder dat hij het vermoedde, boven een

Termieten-nest ingeslapen; 's morgens bij zijn ontwaken was hij--

--naakt; al zijne kleederen waren verslonden.--A. Brehm verhaalt,

dat op 15 Aug. 1850 de Witte Mieren in den "divan" van Latief-Pasja

te Chartoem in zoo grooten getale verschenen, dat alle aanwezigen de

vlucht moesten nemen. Den vorigen dag was n.l. (wegens den hoogen

waterstand in den Blauwen Nijl) een Termieten-kolonie door het

grondwater naar boven gedreven; deze baande zich nu door den met

tegels bedekten vloer van de zaal een uitweg.

Van de op Java voorkomende Termieten (door de inlanders Rajaps genoemd)

schrijft Prof. Veth: "De bamboe-woningen der Javanen worden door

de Termieten in korten tijd geheel vernield; slechts enkele zeer

harde of zeer aromatische houtsoorten zijn voor hare verwoestingen

beveiligd. In de woningen der Europeanen zijn de meubelen en provisiën

haar geliefkoosde prooi; alleen katoen schijnen zij niet aan te tasten;

men zegt, dat zij voor de scherpe punten der rijstbolsters bevreesd

zijn, waarom men vaak den bodem van voorraadkamers ter hoogte van

een voet daarmede bedekt. IJzeren, met water of olie gevulde schalen

onder de pooten der meubelen zijn mede een gewoon voorbehoedmiddel

zoowel tegen de Termieten als tegen de eigenlijke Mieren. De gangen

der Termieten worden gewoonlijk op donkere plaatsen en in verborgen

hoeken aangelegd en zijn hier gemakkelijk te herkennen, daar zij

minstens de dikte van een vinger hebben. Van het houtwerk dat zij

vernielen, weten de Termieten de oppervlakte zoo zorgvuldig te sparen,

dat het voorwerp zijn uitwendige gedaante behoudt, ofschoon het zoo

doorgeknaagd is, dat het bij de geringste aanraking ineenstort. De

Duitsche reiziger Jagor verhaalt, dat in een landhuis te Singapore

de met olieverf beschilderde palen, die het huis droegen, zoodanig

verteerd waren, ofschoon geen spoor van beschadiging aan de verf te

zien was, dat een der palen door den toevalligen stoot van een stok

geheel doorboord werd. Junghuhn zegt van de Termieten-nesten, die

zich vooral in de verstrooide boschjes der alang-velden vertoonen,

dat zij rondachtig van vorm en van 2 tot uiterlijk 4 voeten hoog zijn,

en dat zij vaak bij honderden nevens elkander voorkomen. Doorgraaft

men de bovenste aardkorst, dan blijkt het, dat de gansche heuvel uit

meandrisch in elkander gedraaide, bruinachtig gele lamellen bestaat,

die uit klei gevormd en op de zonderlingste wijze gerimpeld zijn,

terwijl de enge tusschenruimten van millioenen Termieten wemelen."

Snelleman, lid der Sumatra-expeditie (1877-1879), zegt van het

nest der door Herman Alberda als Termes gilvus (Lichtgele Termiet)

gedetermineerde soort: "Deze Termietenwoningen vallen niet in

't oog door vorm of grootte, noch door talrijkheid, en zijn in

vergelijking met de paleizen van de Afrikaansche Termes bellicosus

(Smeathman), slechts armzalige stulpjes. Het nest, dat ik nabij de

negari Sidjoendjong vond, was koepelvormig, doch vrij onregelmatig,

ongeveer 30 cM. hoog, en had een 2-maal grootere middellijn. De

buitenzijde vertoonde geen scherpe kanten; zij zag er uit als

gelijkelijk afgesleten en had dezelfde grijze kleur als de droge

grond in den omtrek. Men kon er op staan zonder vrees, dat het

gebouw zou instorten, en het kostte geruimen tijd en veel moeite,

eer de bovenkorst met een pikhouweel was opengehakt. Niet zoodra was

dit geschied, of de geheele bevolking kwam in beweging en vooral de

soldaten liepen rusteloos heen en weder. Het harde omhulsel van de

woning beschutte een onregelmatig samenstel van wanden, gewelven en

pilaren van broos, op de breuk korrelig materiaal, dat zich met den

vinger gemakkelijk liet verkruimelen; sommige deelen waren zelfs nog

week en blijkbaar eerst kort geleden opgemetseld. Onder dezen doolhof

bevond zich, nog even boven de aardoppervlakte, de verblijfplaats

der koningin; in de nabijheid daarvan werd de aarde, waaruit de

gangen waren opgebouwd, weder veel harder, terwijl de platte doos

zelve waarin de koningin lag, vrij groote stevigheid had en van zeer

dichte structuur was. Scherpe kanten bevatte het nest ook aan de

binnenzijde niet; alle gangen en pilaren waren afgerond. Het gelukte

mij 't koninklijk verblijf horizontaal door midden te splijten, zonder

dat de deelen beschadigd werden, en nu bleek, dat de koningin lag op

den zorgvuldig geëffenden bodem, terwijl het zwak gewelfde bovenstuk

haar overdekte. Beide deze helften waren met weinige kleine, ronde

openingen doorboord." De lengte van de koningin bedroeg ongeveer 50,

van de arbeiders 6, van de soldaten 11.5 mM. (van deze kwam ook nog

een kleinere, 6.5 mM. lange vorm voor).

De inboorlingen van door Termieten bewoonde landen trekken partij

van deze Insecten door ze als spijs te gebruiken. In verschillende

gewesten van Java verkoopt men ze op de markt onder den naam van

"Laron"; ook worden de nesten wel geopend om aan het pluimvee een

voedzame lekkernij te verschaffen. Van een groot aantal dieren maken

de Termieten het voornaamste voedsel uit, waartoe op Java o.a. het

Schubdier behoort. De Miereneters zou men wegens hun bedrijf veeleer

"Termieteneters" moeten noemen. Ook door den ijver, dien zij bij het

vernielen van plantaardige overblijfselen toonen, spelen de Termieten

in de huishouding der natuur een zeer belangrijke rol; de arbeid van

deze en van vele andere in dezelfde richting werkzame dieren valt

echter niet in den smaak van den tegenover hen machteloozen mensch.

Op eenvoudige wijze worden de ± 100 soorten van Termieten, die men

onderscheiden, maar voor het meerendeel zeer onvolledig bestudeerd

heeft, in 4 geslachten verdeeld. Hechtkussentjes tusschen de

klauwen en aders in het zoomveld van de vleugels komen voor bij

Calotermes, die bijoogen heeft, en bij Termopsis, die deze organen

mist. Van beide verschilt Hodotormes door het ontbreken van de

hechtkussentjes. Verreweg de meeste soorten behooren echter tot

het geslacht Termes, zijn in het bezit van bijoogen en missen de

hechtkussentjes tusschen de klauwen, zoowel als de aders in het

randveld van de vleugels.

Tot de Europeesche fauna behooren drie soorten van Termieten, althans

wanneer men er bij rekent de Geelvoetige Termiet (Termes flavipes),

die zich in de broeikassen van de keizerlijke tuinen te Weenen vertoond

heeft en met een bezending levende planten uit Brazilië schijnt te

zijn overgekomen.

De Geelhalzige Termiet (Termes flavicollis), die de landen om de

Middellandsche zee bewoont, is grootendeels donker kastanjebruin; de

monddeelen, sprieten en pooten zijn geel, evenals het voorborststuk,

welks kleur aanleiding gaf tot den naam der soort. De gevleugelde

individuën hebben hoogstens 11 mM. lengte bij 20 mM. vlucht. De

vleugels zijn zwak "berookt". De 4 à 9 mM. lange soldaten kenmerken,

zich door een opmerkelijk langen, vierhoekigen kop met breede kaken. In

tegenstelling met de volgende soort, schijnt deze in timmerhout niet

voor te komen, wel in olijfboomen, waaraan zij in Spanje en het zuiden

van Frankrijk veel schade veroorzaakt.

De Lichtschuwe Termiet (Termes lucifugus, T. arda) wordt, evenals de

vorige, veelvuldig aangetroffen in het Middellandsche-zee-gebied; ook

vindt men haar op Madeira, waar zij nog op een hoogte van 1094 M. boven

den zeespiegel nestelt. Dat zij tot Rochefort en La Rochelle aan de

westkust van Frankrijk is doorgedrongen, waar door haar in publieke en

andere gebouwen belangrijke verwoestingen zijn aangericht, verdient

een opzettelijke vermelding, daar in geen der overige werelddeelen

het verbreidingsgebied van eenige Termiet zich verder dan 40° NB. of

ZB. uitstrekt. Het bedoelde Insect, dat in de Landes vooral sparren

aantast, is donker zwartbruin en bruin behaard; aan alle pooten zijn

de voet en de top van de scheen geelachtig; de top van alle spriet-

en tasterleden is witachtig. De gevleugelde Insecten hebben, bij 6

à 9 mM. lengte, 20 mM. vlucht.

Aan Lespès dankt men een uitvoerige beschrijving van de levenswijze

dezer Termieten.

Nagenoeg alle werkzaamheden worden door de arbeiders verricht;

evenals alle leden van hun geslacht, hebben zij de gewoonte, zich

steeds in bedekte gangen te bewegen. Gewoonlijk bouwen zij het nest

in een ouden sparrestomp, soms in eiken, vlier of tamarisken, altijd

echter in dood en vochtig hout, dat onder of weinig boven den grond

gelegen is. Kleine, één- of hoogstens tweejarige Termieten-staten

houden verblijf achter boomschors, maar tasten vervolgens het hout

aan. De gangen zijn niet regelmatig; zeer dikwijls bewijzen de in hout

borende Kever-larven, vooral van Houtboorders, aan de Termieten den

dienst van pioniers, en dienen de wijdere gangen van de Boktorlarven

voor het aanleggen van groote cellen. Wanneer Termieten zich in hout

vestigen, waar zulke wegbereiders nog niet werkzaam zijn geweest,

volgen zij bij het knagen van gangen in zoover een vasten regel, dat

zij alleen het zachtere lentehout van iederen jaarring aantasten en

het hardere herfsthout sparen, tenzij om er de groote, ronde openingen

in te maken, waardoor de cellen onderling in gemeenschap staan. De

geheele binnenzijde van het nest is met een gladde, lichtbruine

laag bedekt; dat deze uit drek bestaat, bleek bij waarnemingen aan

gevangen dieren. In de Landes en andere streken van Frankrijk, waar

Lespès de levenswijze van de Termieten heeft nagegaan, zijn de oude

sparrestompen talrijk, daar men deze na het vellen van de boomen laat

staan. Dit zal wel de hoofdreden zijn, waarom de huizen te Bordeaux

slechts weinig van deze Insecten te lijden hebben, hoewel hier en

daar sporen van hun aanwezigheid zijn opgemerkt. De arbeid geschiedt

steeds in de grootste orde, zonder dat de soldaten zich er mede

bemoeien; deze spelen de rol van opzichters. Behalve met het bouwen

en onderhouden van het nest zijn de arbeiders ook met de zorg voor

de eieren belast. Zoodra men een der hiermede gevulde cellen opent,

snellen zij toe en sleepen er 5 of 6 te gelijk mede. Dat de arbeiders

de overige leden van het gezelschap met voedsel zouden voorzien,

wordt door Lespès onwaarschijnlijk geacht. Ook heeft hij hen geen

bijzondere zorgen aan den koning en de koningin zien wijden. Wel zag

hij hen de larven behulpzaam zijn bij hare vervellingen, doch alleen

waar het larven van arbeiders en soldaten gold. Als een nymphe zich

gekwetst had, hetgeen nog al eens voorkwam, waren onmiddellijk 2 of

3 arbeiders bij de hand om haar te helpen.

De soldaten, welker taak bestaat in het beschermen van de overige

bewoners van het nest, nemen tegenover den mensch een dreigende

houding aan, maken dan dikwijls een bespottelijk figuur, doch zijn

niet gevaarlijk. Ondanks hun moed en ijver, gedragen zij zich wegens

hun blindheid tamelijk onbeholpen; hoewel hun woede duidelijk blijkt,

kunnen zij niet veel uitrichten, de kaken niet ver genoeg openen om de

huid van den in 't nest gestoken vinger er tusschen te vatten. Meestal

staan zij zonder beweging in de gangen of cellen; zoodra er echter in

het nest een opening ontstaat, loopen zij er onbesuisd met geopende

kaken heen. Zeer potsierlijk zijn hunne gebaren, wanneer men hen

plaagt; zij laten den kop met de wijdgeopende kaken op den grond

rusten, heffen het achterste deel van 't lichaam omhoog en doen

herhaaldelijk uitvallen om den vijand te grijpen; na verscheidene

vruchtelooze pogingen stooten zij vier- of vijfmaal den kop tegen

den vloer van de gang, waardoor een schel geluid ontstaat.

De oude larven en poppen vindt men gewoonlijk dicht opeen gedrongen

in de nauwe gangen, aan welker uiteinden de soldaten de wacht houden;

zij vluchten zoodra haar verblijfplaats geopend wordt. Elke vervelling

geeft aanleiding tot een groote opschudding, waarschijnlijk omdat

alle Insecten, die de huid afwerpen, en vooral zij, die dit voor de

laatste maal doen, een eenzaam plaatsje opzoeken, waar zij buiten het

gewoel van hunne soortgenooten de verharding van het buitengewoon weeke

lichaam, en, voor zoover zij vleugels hebben, de vergrooting van deze

organen afwachten; na een uur is dit proces afgeloopen. Aanvankelijk

zijn alle wit van kleur. De arbeiders hebben nog een paar dagen rust

noodig, voordat zij aan den arbeid kunnen gaan. De mannetjes en

de wijfjes verliezen zeer schielijk de vleugels en blijven steeds

dicht bijeen. Lespès zag ze alleen dan zwermen, wanneer hij op een

geschikten tijd het nest opende. Waarschijnlijk heeft de paring 's

nachts en wel op den grond plaats. De koningin (soms waren er twee)

werd in December, Maart en Juli in gezelschap van een koning of

zonder dezen gevonden. Zij hield zich niet in een bepaaldelijk voor

haar bestemde cel verborgen, maar in een diep gelegen gang. Ondanks

haar zwaarlijvigheid kon zij zich goed bewegen. Eerst een jaar na

haar laatste vervelling, en wel in Juli, begon zij eieren te leggen;

vermoedelijk geschiedt dit slechts gedurende korten tijd.

De Pelsvreters, Bijtende Luizen of Vachtluizen (Mallophaga), die

men tegenwoordig meestal met de Houtluizen en Termieten vereenigt,

gelijken door hun uiterlijk veel op Luizen en leven, evenals deze,

tusschen de haren of veeren van warmbloedige dieren. Zij zuigen

echter geen bloed, maar zijn met kauwende monddeelen uitgerust en

voeden zich met afval van de opperhuid. De kop draagt aan weerszijden

1 of 2 éénlenzige oogen en een 3 à 5-ledige spriet. De bovenkaken

zijn klein, doch scherp getand en geschikt om iets af te knijpen. De

vleugels ontbreken geheel. De pooten zijn (voor het vasthouden van

haren of veeren) aan 't laatste voetlid voorzien van 1 of 2 klauwen,

die naar de scheen teruggeslagen kunnen worden, en met deze een soort

van tang vormen. Het van boven naar onderen afgeplatte achterlijf

bestaat uit 8 à 10 leden. Het wijfje legt de eieren op de haren of

veeren van haar gastheer; de jongen hebben dadelijk de gedaante hunner

ouders, maar verkrijgen eerst na herhaalde vervellingen hun kleur en

stevige lichaamsbekleeding. De Vachtluizen trekken wegens haar geringe

grootte (de meeste zijn korter dan 2.25 mM., slechts enkele worden 5

of zelfs 10 mM. lang) en verborgen levenswijze (na den dood van hun

gastheer zoeken zij een anderen) zeer weinig de aandacht. Slechts

weinige soorten (de Haarluizen) leven op Zoogdieren, de meeste (de

Vederluizen) op Vogels.

Merkwaardig is de 1 à 2 mM. lange Hondenhaarluis (Trichodectes

latus)--niet te verwarren met de bloedzuigende Hondenluis (Haematopinus

piliferus)--zoowel wegens den last, dien zij haar gastheer door

haar beweging veroorzaakt, als wegens den parasiet (Fin), dien zij

herbergt. Wanneer een Haarluis door den Hond wordt ingeslikt, zal

zich in zijn lichaam uit de Fin een Lintworm (Taenia cucumerina)

ontwikkelen.

De Hondenhaarluis heeft den kop geelachtig met 2 bruine vlekken bij

de sprieten, het borststuk donkergeel, het achterlijf witachtig.

Ook op vele andere Roofdieren (Vossen, Katten), op Knaagdieren,

Hoefdieren (Schapen, Runderen, Herten, Paarden, Ezels), enz. treft

men Haarluizen aan, op iedere soort een verschillenden vorm.

Bijna alle wilde en tamme Vogels, zelfs de Watervogels, worden door

verschillende soorten van Vederluizen lastig gevallen. Op de Pauw

o.a. leeft de Pauwenvederluis (Goniodes falcicornis) (fig. 2). Deze

is geelachtig, op de zijden bruin gevlekt; de vlekken zijn soms zoo

sterk, dat op elk lid van 't achterlijf slechts een klein plekje de

grondkleur vertoont.

De Blaaspootigen (Physopoda, Thripidae), die tegenwoordig als een

afzonderlijke orde worden beschouwd, zijn, in weerwil van hunne tot

zuigen geschikte monddeelen, nader aan de Rechtvleugeligen dan aan

de Snavelinsecten verwant. De onderlip, de bovenlip en de onderkaken

zijn vergroeid tot een scheede (mantel), waarin de borstelvormge, spits

eindigende bovenkaken en een asymmetrisch geplaatste "mondstekel" zich

bewegen. Met den dus gevormden, spitsen zuigsnuit weten zij het sap

van levende of half vergane planten te bemachtigen. Aan den vorm van 't

laatste lid van den tweeledigen voet, dat, in plaats van een klauw, een

"hechtschijf" draagt, die blaasvormig uitgestulpt kan worden, danken

zij de reeds genoemde namen. De smalle voor- en achtervleugels komen

in vorm en verrichting onderling overeen, worden door zeer weinige

aders gesteund en zijn langs den geheelen buitenrand van lange,

wimpervormige haren voorzien. Daarom heeten de Blaaspootigen ook wel

Franjevleugeligen (Thysanoptera). In sommige jaren vliegen deze zeer

kleine slanke, van boven naar onderen afgeplatte diertjes op warme

zomerdagen in buitengewoon grooten getale rond, zetten zich neer op

het gelaat en de handen van menschen en veroorzaken hier door hun

beweging een onaangenaam gekrieuwel. Gewoonlijk worden zij dan voor

vliegjes aangezien en Donderbeestjes, Dondervliegjes, in sommige

streken van Groningen ook Knuut genoemd.

Alle Blaaspootigen zijn landdieren en kunnen, naar hunne woonplaatsen,

in drie groepen verdeeld worden, De meeste inheemsche soorten, tevens

die, welke het levendigst zijn en het best vliegen, houden zich in

bloeiwijzen op, vooral van samengesteldbloemigen (paardenbloem,

dahlia, enz), doch ook van Engelsch gras (Armeria), scabiosen,

schermbloemigen en grassen; gewoonlijk treft men ze tusschen de

blaadjes van de kelk en het omwindsel aan, waar ook de eieren gelegd

worden. Andere leven op de onderzijde van bladen en onderscheiden zich

door hun geringere beweeglijkheid; dit geldt van de meeste, op warme

kasplanten voorkomende soorten, die uit zuidelijker landen overgebracht

zijn. Nog andere worden op zeer verschillende plantendeelen gevonden:

op wortels, achter schorsschilfers, tusschen korstmossen en zwammen,

die op boomen leven, alsmede onder droge en rottende plantaardige

stoffen. Sommige zijn aan een bepaalde soort van plantaardig voedsel

gebonden, andere nemen allerlei dergelijk voedsel voor lief. Die,

welke bij ons in de open lucht leven, schijnen meestal in den

imago-toestand te overwinteren, hoewel men 's winters ook larven

ontmoet; de Blaaspootigen van onze warme kassen kennen geen winterrust.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten · 第 17 / 21 题