De oranjegele larven van den Graanblaaspoot (Limothrix cerealium)

vertoonen zich in 't voorjaar het eerst aan de binnenzijde van de

bovenste bladscheede, later in de aren en in de nog weeke korrels van

rogge en tarwe. In geslachtsrijpen toestand is dit diertje 2 mM. lang

en donker roestrood à zwart van kleur met stroogele voeten. Alleen

de wijfjes zijn gevleugeld. In de door Blaaspooten aangetaste aren

komen de korrels niet tot ontwikkeling.

De Echte Rechtvleugeligen (Orthoptera genuina) hebben lederachtige

voorvleugels (dekschilden), die tot beschutting dienen van de vliezige

achtervleugels, welke, na waaiersgewijs gevouwen te zijn, er onder

geborgen worden. Belangrijke kenmerken leveren bovendien de bijtende

monddeelen, die zeer krachtig ontwikkeld zijn en groote tasters

dragen, en het voorborststuk, dat zeer groot en beweeglijk is. De

pooten spelen bij deze Insecten een zeer belangrijke rol. Vooral op

de verrichtingen dezer ledematen berust de verdeeling der onderorde in

3 groepen; Rechtvleugeligen met looppooten (Cursoria), met stappooten

(Gressoria), met springpooten (Saltatoria).

Tot de eerste groep behoort alleen de familie der Kakkerlakken

(Blattidae), welke, evenals die der Termieten, in de tropische gewesten

hare talrijkste en meest in 't oog vallende vertegenwoordigers

heeft. Beide familiën bestaan uit lichtschuwe, in 't verborgen

levende dieren, die uitwendig zeer van elkander verschillen, maar

welker inwendig samenstel een nauwe verwantschap verraadt.

De Insecten, die bij de Russen in de wandeling den naam van "Pruisen"

dragen, worden door den Opper-Oostenrijkschen boer "Russen" genoemd;

bij deze zoowel als bij gene en overal elders, waar zij voorkomen,

hebben zij zich zeer gehaat gemaakt. De Russen meenen, dat zij door de

troepen, die na het einde van den zevenjarigen oorlog uit Duitschland

terugkeerden, in hun land zijn overgebracht; vóór dien tijd althans

waren zij in Petersburg onbekend. De Oostenrijkers daarentegen

beweren, dat de bedoelde Insecten met aardwerkers uit Boheme in

het Traun-district in Opper-Oostenrijk zijn gekomen van een streek,

waar Russische onderdanen, die voor Boheemsche glasfabrikanten als

houthakkers werkten, ze ingevoerd hadden. Hoe gemakkelijk de hier

bedoelde Duitsche Kakkerlak [Blatta (Phyllodromia) germanica] van

de eene plaats naar de andere versleept kan worden, blijkt uit het

volgende feit. In een brouwerij (tevens bierhuis) te Breslau hadden de

Kakkerlakken zich zoo sterk vermenigvuldigd, dat zij op de tafeltjes

rondliepen, op de kleederen der gasten kropen en zich hierin (vooral

onder den jaskraag) verscholen.--Met koopmansgoederen zijn zij over

de geheele wereld verspreid. Veelvuldig vindt men ze ook in Syrië,

Egypte, Noord-Afrika, in West-Europa echter veel zeldzamer dan in

Duitschland en Rusland. Ook bij ons komen zij veel minder algemeen

voor dan de Oostersche en de Amerikaansche Kakkerlak; waar deze

zich vestigen, verdringen zij de Duitsche Kakkerlakken, die men

toch op enkele plaatsen in zeer grooten getale vindt. Hoewel sterke

temperatuurswisselingen en koude luchtstroomingen hen onaangenaam

aandoen, hen dooden, of althans verdrijven, zijn zij tegen de

winterkoude wel bestand, zooals blijkt uit hun leven in de vrije

natuur. In de Duitsche wouden treft men ze veelvuldig aan.

De Duitsche Kakkerlak is lichtbruin; het wijfje is iets donkerder dan

het mannetje en draagt op het halsschild twee zwarte, overlangsche

strepen. Het platte, geelachtige achterlijf van het mannetje wordt

door de vleugels geheel bedekt; het bruine, van voren zwartachtige

achterlijf van het wijfje, dat aan weerszijden een weinig voorbij

de vleugels uitsteekt, is veel korter dan deze. De dekschilden zijn

bij het 13 mM. lange mannetje 12 mM., bij het 11 mM. lange wijfje

11 mM. lang. Een opmerkelijk verschijnsel bij de voortplanting van

alle Blattiden is de wijze, waarop de eieren gelegd worden; deze zijn

n.l. door een gemeenschappelijk hulsel omgeven en vereenigd tot een

zeer groot, soms wel 9.5 mM. lang "eierenpakket", dat door zijn vorm

aan een reistaschje herinnert en een bruine kleur heeft. Door een

overlangsch tusschenschot is het in twee helften verdeeld, die ieder

uit een reeks van 18 (soms 12, soms 24) vakjes bestaan, elk met 1

ei. De jongen banen zich een uitweg door het uitwerpen van een vocht,

dat de lijm van den uitwendig zichtbaren, overlangschen naad verweekt;

zij zijn aanvankelijk wit met zwarte oogen, doch nemen spoedig een

donkere kleur aan. Na 6 vervellingen, in 4 à 5 maanden tijds, is het

Insect volkomen ontwikkeld.

De Duitsche Kakkerlak vreet nagenoeg alles wat door Insecten als

eetbaar wordt beschouwd, voornamelijk brood, liever wit, dan zwart of

bruin; van meel houdt hij niet; ook vleesch wordt versmaad, zoolang

er ander voedsel te krijgen is. Hummel zag hen bij duizenden in

ledige olieflesschen kruipen en van schoenen het schoensmeer tot op

het leer af knagen; nooit heeft hij echter gezien, dat zij elkander

verslonden. Chamisso verhaalt, dat men op den oceaan bij het openen

van balen, die rijst of graan heetten te bevatten, er soms niets

anders in vond dan Duitsche Kakkerlakken. Zeer lang kunnen deze

Insecten trouwens zonder voedsel in 't leven blijven.

Nooit binnenshuis, doch in de vrije natuur, op lage struiken en

varens van bosschen en heiden, ook tusschen afgevallen bladen,

ontmoet men bij ons en overal in Midden- en Noord-Europa de 8 à 11

mM. lange Laplandsche Kakkerlak [Blatta (Catobia) lapponica, fig. 2],

zoo genaamd, omdat hij in Lapland wel in de woningen van den mensch

doordringt en soms--met een soort van Aaskever (Silpha lapponica)--op

één dag den geheelen voorraad gedroogde visch verslindt. Het lichaam

is meer of minder donkerbruin met een lichten, doorschijnenden zoom

om het halsschild; de dekschilden zijn geel met zwarte stippels:

bij 't mannetje, waar zij voorbij het achterlijf uitsteken, 8 à 10,

bij 't kortere wijfje, waar zij hoogstens het einde van 't lichaam

bereiken, 5 à 6 mM. lang.

De Gewone of Keukenkakkerlak, dikwijls ten onrechte "Bakkerstor"

genaamd (Periplaneta orientalis), is, althans van aanzien, aan iederen

bewoner van bakkerijen, meelmolens en brouwerijen bekend; bij ons treft

men deze soort nooit in de vrije natuur aan, uitsluitend binnenshuis,

steeds tot groot verdriet van de bewoners. Over dag komt zij nooit

te voorschijn, maar blijft in gaten van muren en donkere hoeken

verborgen. Des avonds, vooral na elf uur, kan men deze alles behalve

lieftallige dieren op plaatsen waar zij zich eens genesteld hebben,

bij troepen zien rondwandelen. Daar zij, evenals de Huiskrekels, veel

van warmte houden, zijn keukens en vertrekken, welke in de buurt van

bakkersovens en brouwketels liggen, hare liefste verblijfplaatsen,

Juni en Juli de maanden, waarin zij zich het talrijkst vertoonen. Als

men in den genoemden tijd een door hen bewoonde plaats bezoekt,

ziet men exemplaren van allerlei grootte (hoogstens 26 mM. lang)

overal rondsnuffelen vooral op vochtige plaatsen waar brood en andere

voedingsmiddelen voor hen bereikbaar zijn. Als men niet zeer stilletjes

nadert, loopen zij vlug en behendig weg. De kleine individuën zijn

larven; de groote vertoonen tweeërlei vormen. Bij de mannetjes is

de rug van het achterlijf grootendeels bedekt door de 14 mM. lange,

donker kastanjebruine voorvleugels, die aan den achterrand bijna

waaiervormig geaderd zijn. De glinsterend zwarte wijfjes hebben,

in plaats van vleugels, op elke zijde van het middelborststuk een 4

à 5 mM. lang schubje. Het laatste, tamelijk platte borstschild van

't achterlijf is bij het mannetje van 2 lange "stiften" voorzien;

bij het wijfje puilt het kielvormig uit. Dit is het belangrijkste

kenmerk ter onderscheiding van de geslachten Blatta en Periplaneta.

Als in April de tijd voor 't eierenleggen gekomen is, zwelt het

einde van 't achterlijf bij het wijfje aanmerkelijk op; het reeds

genoemde eierenpakket wordt zichtbaar en komt, intusschen hard en van

lichtbruin allengs zwart wordend, uit het achterste uiteinde van 't

lichaam te voorschijn. Ook bij dit geslacht heeft het een overlangsch

schot; aan weerszijden hiervan zijn echter slechts 8 vakjes. Uit het

in Augustus gelegde pakket ontwijken de larven, volgens sommigen,

reeds na zeer korten tijd, volgens anderen, eerst na bijna een jaar.

De soortnaam van dit Insect geeft te kennen, dat in het Oosten zijn

eigenlijk vaderland gelegen is; zekere bewijzen voor deze meening heeft

men echter niet. Alleen weet men, dat het in Oost-Indië, zoowel als in

Amerika, niet slechts in de kuststeden, maar ook in het binnenland,

evenals in geheel Europa, meer of minder talrijk voorkomt en dat het

zich gaarne op schepen vestigt. De wijze waarop het eieren legt,

werkt de verbreiding der soort over de geheele wereld sterk in de

hand, daar de eierenpakketten zeer geschikt zijn om met koopwaren

naar alle wereldstreken overgebracht te worden. Uit betrouwbare

berichten blijkt, dat de Keukenkakkerlak reeds voor ongeveer 160

jaren in Europa voorkwam.

Evenals de volgende soort, heeft ook deze tusschen het 5e en het 6e

rugschild van het achterlijf twee stinkklieren: blaasjes, die bij

drukking uitgestulpt worden en welker inhoud een onaangename lucht

verbreidt.

De 28 à 32 mM. lange Amerikaansche Kakkerlak (Periplaneta americana)

verschilt van den vorigen, door de aanwezigheid van volkomen

ontwikkelde vleugels bij het wijfje. Men zou hem Scheepskakkerlak

kunnen noemen, wegens zijn talrijkheid op schepen, waar hij met den

Keukenkakkerlak de onderste ruimten bewoont, terwijl de Duitsche

Kakkerlak zich met de reten bovendeks moet behelpen. Andere soorten

schijnen zich naast hem moeielijk te kunnen handhaven. Ook in dokken,

pakhuizen en fabrieken (vooral in suikerraffinaderijen) van havensteden

treft men hem veelvuldig aan. Groote schade heeft hij soms aangericht

in broeikassen (vooral van orchideeën), waar hij met uitheemsche

planten werd aangebracht.

De nagenoeg 52 mM. lange Reuzenkakkerlak (Blabera gigantea) wordt in

West-indië ook wel "trommelaar" genoemd, daar hij, naar men zegt,

bij zijne nachtelijke tochten een geluid voortbrengt, dat op het

knappen van de vingers gelijkt.

De eigenaardigheden waardoor alle Kakkerlakken overeenstemmen, zijn

vooral de stand van den kop, die door het halsschild grootendeels

bedekt wordt, de lengte van de breede, leelijke pooten, welker voet

steeds 5 leden bevat, het van boven naar onderen afgeplatte lichaam

en de lange, borstelvormige sprieten; bij de meeste steken gelede

stiften achter de spits van het achterlijf uit.

Bij de Rechtvleugeligen met stappooten (Gressoria) is de kop vrij

(niet onder het borstschild verborgen), het lichaam langwerpig;

de pooten zijn zeer lang en alle (of althans de middelste en de

achterste) geheel of grootendeels cilindervormig. Deze groep omvat

twee familiën met geen andere dan uitheemsche vertegenwoordigers:

de Roofsprinkhanen (Mantidae) en de Spooksprinkhanen (Phasmidae).

De Europeesche Roofsprinkhaan (Mantis religiosa) is een van de

vreemdsoortigste Insecten die ons werelddeel oplevert. Door zijn

groene kleur niet sterk in 't oog vallend te midden van de bladen

der struiken, die zijn gewone standplaats zijn, wacht hij met

"biddend" opgeheven "roofpooten" en naar boven gerichten, langen hals

(voorborststuk), uren lang bewegingloos op een prooi; zijn gedrag

verraadt zoowel volharding als list. Wanneer een onergdenkende Vlieg,

een Kevertje of een ander Insect, dat tegen hem niet opgewassen is,

in zijn nabijheid komt, volgt hij het met de oogen, door den kop heen

en weer te draaien, sluipt er soms ook wel uiterst voorzichtig naar

toe en weet nauwkeurig te bepalen, op welk oogenblik het gebruik van

de vangwerktuigen hem tot zijn doel zal voeren. Voordat de ongelukkige

prooi het gevaar kan vermoeden, zit zij tusschen de stekels van een

der roofpooten vastgeklemd; de tweede vat haar aan en verdubbelt

den weerstand, zoodat het vluchten onmogelijk wordt. Zoodra de buit

verslonden is, reinigt de roover zijne wapens met den bek, beweegt de

borstelvormige sprieten er tusschen door, "poetst" zich en herneemt

zijn vroegere, loerende houding.

Uit onze afbeelding blijkt de groote beweeglijkheid van de voorste

lichaamsdeelen, de meest karakteristieke eigenschap van het

soortenrijke geslacht Mantis. De driehoekige kop komt in stand met

dien der Kakkerlakken overeen; het staafvormige voorborststuk is 1

1/2- à 3-maal zoo lang als de beide andere te zamen. De voorpooten

bestaan vooral uit een zeer lange, driezijdige heup en een scheen,

die, als het lemmet van een zakmes in den steel, tusschen een dubbele

reeks van stekels van de afgeplatte dij past, in een sikkelvormigen

doorn eindigt en op deze wijze een gevaarlijk grijpwerktuig vormt;

de zijwaarts gerichte, 5-ledige voet zou men voor een overtollig

aanhangsel kunnen houden. Het langwerpige achterlijf loopt bij het

mannetje zoowel als bij het wijfje in twee gelede stiften uit.

Een staaltje van de wildheid en de vraatzucht der Roofsprinkhanen

levert het volgende van Burmeister afkomstig bericht, dat betrekking

heeft op den 78 mM. langen Argentinischen Roofsprinkhaan (Mantis

argentina). Burmeister's zegsman, Hudson, zat 's avonds tusschen 8 en

9 uur voor de deur van zijn villa bij Buenos Aires, toen plotseling

zijn aandacht getrokken werd door het luide gekrijsch van een vogeltje

(Serpophaga subcristata) in een naburigen boom. Naderbij komend,

zag hij tot zijn niet geringe verbazing, dat de Vogel aan een tak

vastgekleefd scheen te zijn en hevig met de vleugels fladderde. Daar de

afstand te groot en het licht te zwak was om dadelijk de reden van dit

zonderlinge verschijnsel te kunnen waarnemen, haalde Hudson een ladder

en zag toen een Roofsprinkhaan, die zich met de 4 achterste pooten

aan den tak vasthield en met de voorpooten het vogeltje zoo stevig

omknelde, dat de koppen van beide dieren elkander raakten. De huid was

den Vogel reeds van den kop gescheurd en de schedel beschadigd. Beide

dieren werden medegenomen en gedetermineerd.

De eieren worden tamelijk regelmatig op reeksen naast elkander gelegd

en omgeven door een slijmerige stof, die tot een deels schubben,

deels bladerig hulsel verhardt. Iedere dwarsreeks bevat 6 à 8 eieren

en het geheele eierenpakket bestaat uit 18 à 25 dwarsreeksen.

De Spooksprinkhanen (Phasmidae), die, evenals de vorige, warme landen

bewonen en door hun zeer zonderlinge gestalte de aandacht trekken,

hebben het middelste segment van het borststuk veel sterker ontwikkeld

dan het voorste. De voorste ledematen zijn geen roofwerktuigen;

gewoonlijk ontbreken de vleugels. De meeste soorten hebben een

staafvormig, sommige een bladvormig lichaam. De dunne voorpooten

zijn in den regel bij den aanvang van de dij van een bocht voorzien

en kunnen dus, zonder den kop te hinderen, dicht tegen elkander

aangedrukt, in gestrekte houding vooruitgestoken worden; dezen stand

nemen de Phasmiden dikwijls bij 't rusten aan. Het stilzittend Insect

gelijkt, vooral ook wegens zijn bruinachtige kleur, op een dor takje;

het levert een merkwaardig voorbeeld van een middel, dat de natuur niet

zelden aanwendt om vooral de minst weerbare Insecten op hunne gewone

verblijfplaatsen aan de oogen van hunne vijanden te ontrekken. De

Spooksprinkhanen leven op struiken en boomen, welker bladen zij 's

nachts verslinden, en richten hierdoor in eenige gewesten soms groote

schade aan; den dag brengen zij door in trage rust. De eieren, waaruit

na 70 à 100 dagen jongen komen, die zich zeer schielijk ontwikkelen,

worden ieder afzonderlijk gelegd, niet tot pakketten samengevoegd.

Slechts 2 van de talrijke leden dezer familie komen in Zuid-Europa

voor; bijna alle overige zijn bewoners van de keerkringsgewesten. Een

van de twee bedoelde is Rossi's Spooksprinkhaan (Bacillus Rossii), die

in Italië en in het zuiden van Frankrijk gevonden wordt. Het schrale

lichaam mist de vleugels; ook heeft het geen lobvormige aanhangsels

of stekels; aan den kop komen geen bijoogen voor. Deze eigenschappen

benevens de korte, parelsnoervormige sprieten en de wijze waarop het

achterlijf eindigt (bij 't wijfje spits, bij 't mannetje knotsvormig),

kenmerken het geslacht.

In tropische gewesten komen Spooksprinkhanen voor, welker

lichaamslengte die van alle overige Insecten verre overtreft. Het

wijfje van de op Java inheemsche Gedoorndvoetige Spooksprinkhaan

(Cyphocrania acanthopus), dat slechts stompjes van vleugels bezit,

heeft bij een middellijn van 6.5, een lengte van 215 mM. Het

ongevleugelde wijfje van den Geoorden Stoksprinkhaan (Bacteria

aurita), die de binnenlanden van Brazilië bewoont, is 3.25 mM. breed

en 246 mM. lang (314 mM., wanneer men de voorwaarts gestrekte pooten

mederekent). Geen van deze beide soorten zou dus voluit op een

bladzijde als deze levensgroot afgebeeld kunnen worden.

Het soortenrijke geslacht der Spooksprinkhanen (Phasma), waaraan

de familie haar naam ontleent, leeft op de Soenda-eilanden en in

Zuid-Amerika. Het kenmerkt zich door lange, borstelvormige sprieten,

door de gelijke lengte van de vleugels bij het wijfje en het mannetje,

in den regel ook door bonte kleuren.

Alle vorige Phasmiden zou men "Wandelende Takken" kunnen noemen; de

nu volgende verdienen wegens haar van boven naar onderen afgeplat,

breed lichaam, den naam van Wandelende Bladen (Phyllium), dien zij

ook door de groene kleur en de aan bladnerven herinnerende aders

van de dekschilden rechtvaardigen. (Na den dood verandert de kleur

in geel.) De dijen van alle pooten en de voorscheenen zijn sterk

verbreed. Een voorbeeld levert de soort (Phyllium siccifolium), die in

Oost-Indië, o.a. op Java, gevonden wordt; het wijfje is 90 à 95 mM.,

het veel slankere mannetje 70 mM. lang.

De belangrijkste afdeeling van de geheele orde is die der Springende

Rechtvleugeligen (Saltatoria); zij bevat de Sprinkhanen, Krekels

en Veenmollen. Alle voeden zich hoofdzakelijk met planten; sommige

kunnen in streken, waar zij in ontzaglijke menigte voorkomen,

den mensch groote schade veroorzaken; hun vraatzucht spaart echter

zoomin soortgenooten als andere Insecten. Met merkwaardige volharding

verlevendigen zij 's zomers en in den herfst bosschen, akkers en weiden

met hun muziek, verschillende instrumenten op verschillende wijze

bespelend. Deze reeds sinds overouden tijd bekende Insecten worden

over drie familiën verdeeld: de Veldsprinkhanen, de Sabelsprinkhanen

en de Krekels.

Alle Sprinkhanen met duidelijk gelede sprieten, waarvan de lengte

de helft van het gestrekte lichaam niet te boven gaat, met voeten,

die geheel gelijk gebouwd en uit drie leden samengesteld zijn en

met achterpooten, die, door de dikte van de dij en de lengte van de

scheen, voor 't springen kunnen dienen, behooren tot de Veldsprinkhanen

(Acridiodea) of Sprinkhanen in de gewone beteekenis van het woord. Zij

zijn de beste springers van de geheele onderorde. Evenals de Vloo,

kunnen zij ongeveer 200-maal verder springen dan hun lichaam lang

is. Hun romp is duidelijk zijdelings samengedrukt, dus hooger dan

breed. De kop heeft een loodrechten stand. Bij nagenoeg alle soorten

treft men bijoogen aan. De tamelijk korte sprieten bestaan uit 20 à

24 leden. Wanneer de bovenlip en de onderlip tegen elkander aangelegd

worden, ziet men slechts weinig van de overige, buitengewoon krachtige

kauworganen: van de bovenkaken, welker binnenrand met zwarte spitsen

bezet is, van de onderkaken, welker binnenste lob in 2 zwarte tanden

eindigt en door de buitenste lob (die daarom "helm" heet) bedekt

kan worden.

Van de 3 borstringen is de voorste het meest ontwikkeld; het

halsschild is sterk achterwaarts verlengd, breidt zich uit over

het middelste, soms ook over het achterste rugschild en bedekt

met den zijrand de vleugelwortels; het vertoont drie overlangsche

lijsten, waarvan de middelste het meest uitpuilt; bij één geslacht

(Tettix) loopt het halsschild uit in een lange, spitse punt, die het

achterlijf overdekt en er meestal zelfs ver achteruitsteekt. Aan de

beide volgende ringen, die veel smaller zijn dan de eerste, heeft

daarentegen het borstgedeelte de overhand. Het kegelvormige achterlijf

is, evenals het borststuk, aan de buikzijde plat en wordt naar boven

allengs smaller. Bij de mannetjes is het slanker en spitser dan bij

de wijfjes, bij beide uit 9 ringen samengesteld. De wijfjes hebben

geen legboor. Alle 4 vleugels zijn meestal gelijk van lengte, de

voorvleugels weinig breeder dan het randveld van den achtervleugel,

en, evenals deze, netsgewijs geaderd. Daar de voorvleugel geheel

of gedeeltelijk lederachtig is en als dekschild dient, moet de

achtervleugel overlangs geplooid worden.

Door met de dijen van de achterpooten langs de dekschilden te strijken,

brengen de mannetjes een zeer schel, maar niet lang aanhoudend geluid

te weeg. De wijfjes doen dit niet, brengen althans geen voor ons

waarneembare tonen voort. Bij het mannetje is de binnenste oppervlakte

van de dij van een met den onderrand evenwijdig loopende reeks van

tandjes voorzien, terwijl aan het dekschild de overlangsche aders

(één in hooge mate) scherpkantig uitpuilen. Door de zeer snelle

wrijving van de dijen langs de dekschilden komen de dunne vliezen

in trillende beweging, waardoor een toon ontstaat, op gelijke wijze

als dit geschiedt met een snaar, die met een strijkstok gestreken

wordt. Bij 't sjirpen worden de dekschilden niet stijf gehouden,

waardoor de toon helderder klinkt. Van elke soort van Sprinkhanen

heeft de muziek iets eigenaardigs, zoodat personen met een geoefend

oor sommige soorten aan haar geluid kunnen herkennen.

Een ander hoogst merkwaardig orgaan hebben de Acridiërs aan weerszijden

van den eersten achterlijfsring. Het bestaat uit een vlies, aan

den rand gesteund door een hoornachtigen ring en gelegen boven een

kuiltje, dat een verwijding is van een naburige luchtbuis. Tusschen

twee hoornachtige uitsteeksels, die van de binnenzijde van het vlies

uitgaan, ligt een fijn, met vocht gevuld blaasje, dat in gemeenschap

staat met een zenuw, die uit den derden borstzenuwknoop ontspringt, een

nieuwen knoop vormt bij het blaasje en met de hierbinnen voorkomende,

fijne, staafvormige eindtoestellen verbonden is. De nauwkeurige

onderzoekingen van J. Müller en Von Siebold hebben ons dezen toestel

als het gehoororgaan van de Sprinkhanen leeren beschouwen.

Alle Veldsprinkhanen, de Europeesche althans, komen in

ontwikkelingswijze overeen. Het wijfje sterft, nadat zij de eieren,

door een aan de lucht verhardend slijm tot klompjes vereenigd, in den

herfst aan grashalmen gehecht of op korten afstand van de oppervlakte

in den grond gelegd heeft; vooral van de grootste soorten vindt men de

eieren in den grond. Alleen in de zuidelijkste landen worden de larven

soms nog vóór den winter geboren; gewoonlijk geschiedt dit eerst in de

volgende lente. Van de geslachtsrijpe Insecten verschillen zij, behalve

door haar geringere grootte, door minder sprekende kleuren, door het

gemis van vleugels en door kortere, eenigszins plompere sprieten;

na verscheidene vervellingen zijn zij in het einde van Juli of in

Augustus volwassen. In dezen tijd hoort men voor 't eerst haar geluid.

Alleen de Veldsprinkhanen vermenigvuldigen zich soms zoo sterk, dat

zij zwermen vormen en in een meer of minder groot gebied als landplaag

optreden. Vooral Afrika is er, naar het schijnt, sinds overouden

tijd aan blootgesteld geweest. Reeds in den bijbel, bij Plinius en

bij Pausanias komen berichten voor over door Sprinkhanen aangerichte

verwoestingen.--Toen Adanson in 1750 aan den Senegal was aangekomen

en zich nog op de reede bevond, vertoonde zich 's morgens om 8 uur

een dichte wolk, die de lucht verduisterde. Een zwerm Sprinkhanen

viel als een wolkbreuk neer, zweefde op een afstand van 40 à 60

M. boven den grond en bedekte een landstreek van verscheidene mijlen

oppervlakte. Hier rustten zij uit om te vreten en vlogen verder. Deze

wolk werd door een tamelijk krachtigen oostenwind aangevoerd en trok

den geheelen morgen in den omtrek rond. Nadat de Insecten het gras,

de vruchten en de bladen van de boomen hadden verslonden, spaarden zij

zelfs het droge dakriet van de hutten niet.--De volgende mededeeling

heeft betrekking op een sprinkhanenplaag, die in 1724 de Metidsja

teisterde en in deze vruchtbare, met besproeiingskanalen doorsneden

vlakte, die (100 KM. lang en 15 à 20 KM. breed) de stad Algiers als

een halven cirkel omgeeft, alle planten vernielde. De eerste Insecten

vertoonden zich tegen het einde van Maart na een lang aanhoudenden

zuidewind. In het midden van April was hun aantal zoo sterk toegenomen,

dat zij wolken vormden, die het zonlicht onderschepten. Vier weken

later verspreidden zij zich over de Metidsja en naburige gewesten om

er eieren te leggen. In de volgende maand zag men de jonge dieren een

terrein van honderden HA. bedekken. Regelrecht trokken zij voort,

over boomen, muren en huizen heen, al het gebladerte op hun weg

verslindend. De bewoners trachten hen tegen te houden door het graven

van slooten, die zij vol water lieten loopen of door het aanleggen

van een lijn van vuren. Niets baatte: de slooten geraakten gevuld

met lijken der Sprinkhaanlarven, de vuren werden erdoor gebluscht;

de overige plunderaars, welker aantal niet merkbaar verminderd was,

trokken steeds verder. Zij teerden op de takjes en de schors van

de boomen, welker vruchten en bladen door hunne voorgangers waren

verslonden. Toen de plaag ongeveer een maand geduurd had, waren

de Insecten geheel volwassen; hoewel hun vraatzucht en tevens de

geschiktheid om nieuwe voederplaatsen op te zoeken na den overgang

in den gevleugelden toestand nog grooter waren dan vroeger, hielden

de verwoestingen weldra op, daar de Sprinkhanen zich verspreidden om

eieren te leggen en kort daarna stierven.

Een bericht uit lateren tijd heeft betrekking op den Zuid-Afrikaanschen

Treksprinkhaan (Gryllus devastator) en is merkwaardig, doordat het

mededeelingen bevat over de levenswijze der dieren, die deze na

bepaalde tusschentijden terugkeerende landplaag veroorzaken. "De

eieren van den Treksprinkhaan," zegt Fritsch, "zijn ten getale van

30 à 60 tot langwerpige, bruine kluitjes vereenigd door een spoedig

verhardend slijm dat hen als een net omgeeft. Voor ieder eierenpakket

graaft het wijfje met het achterlijf een rond gaatje in den grond;

zij bedekt het met aarde, waarover de wind later soms een dichte

laag stuifzand uitspreidt. Op deze wijze beschut, kunnen de eieren

verscheidene jaren blijven liggen, zonder hun geschiktheid tot

ontwikkeling te verliezen. Zij kunnen echter ook reeds na weinige

maanden, in het eerstvolgende regenseizoen, jongen opleveren. Er

komt n.l. tweemaal per jaar een soms geringe, soms buitengewoon

sterke vermeerdering van de hoeveelheid regen voor. Het gewest,

welks plantengroei zich ternauwernood hersteld heeft van de schade,

die de vraatzuchtige Insecten er aan hebben toegebracht, kan dus

korten tijd daarna opnieuw door hen geteisterd worden. Daar echter

voor de ontwikkeling der Sprinkhaaneieren een zekere graad van

vochtigheid volstrekt noodig schijnt te zijn, zal men in een reeks

van droge jaren--als de vroege regenperiode in Augustus geen en de

vochtigste tijd van het jaar (November en December) slechts weinig

regen brengt--van de Treksprinkhanen niets vernemen. De schapenfokker,

die soms door watergebrek het grootste deel van zijn kudde verliest,

ziet in dit geval zelfs met eenige vreugde de Sprinkhanenzwermen op

nieuw verschijnen, begroet in hen de voorboden van betere tijden,

van het einde der langdurige droogte; weinig deert hem de vernieling

van zijn met moeite aangelegden en onderhouden tuin door gevleugelde

plunderaars, als slechts het vee volop kan eten en de uitgedroogde

bronnen van de "plaats" op nieuw beginnen te vloeien.

"Wanneer de Sprinkhaanlarven, de "Roodbaadjes" of "Voetgangers" zooals

de Afrikanen ze noemen, op haar weg stilstaand water ontmoeten, gaan

zij gewoonlijk in dezelfde richting door; de lijken, die weldra den

geheelen waterspiegel bedekken, vormen de brug, die de overlevenden in

staat stelt om den tegenoverliggenden oever te bereiken. Des avonds

maken de reizigers halt, gaan op struiken zitten en verdelgen er al

het groen. Als de boer de trekkende schare een richting ziet nemen,

die voor zijn tuin gevaarlijk kan worden, tracht hij haar van dezen

weg af te brengen, door te paard van achteren af in de voorhoede

door te dringen en tevens naar rechts en links een grooten doek

te zwaaien. Bij elken rit door het Insectenleger maakt een aantal

vijanden rechtsomkeert; op deze wijze voortgaande, kan men soms de

marschorde van het geheele leger wijzigen.

"Verscheidene malen verwisselen de Roodbaadjes hun met zware

teekeningen op rooden grond prijkende huid; zij groeien intusschen

snel; na de laatste vervelling ontwikkelt zich de roodachtig

grijze Sprinkhaan, die door het bezit van vleugels in staat is

zijn reislust nog beter dan vroeger te bevredigen. De boer ziet

met zorg de komst van deze reizigers te gemoet, wanneer zijn tuin

hem lief is. Zoodra hij aan de kim de gevreesde donkere wolken ziet

opstijgen, legt hij als laatste redmiddel een kring van vuren aan

om zijn tuin, in de hoop door den rook de vliegende roovers af te

schrikken. Deze trekken bij frissche koelte in de hooge luchtlagen

verder; door den wind gedragen, verplaatsen zij zich waarschijnlijk

over groote afstanden; bij zwakkere luchtstroomingen volgen zij een

meer willekeurige richting. Bij windstilte zwermen zij langzaam en

verheffen zich niet hoog boven den grond; aanhoudend strijkt een

deel van de voorhoede op den grond neer om zich later weer bij de

achterhoede te voegen. Het voortdurend omhoogvliegen en neerdalen, het

gonzen van duizenden vleugels en het knarsen van de kaken der op den

bodem vertoevende veelvraten veroorzaken een eigenaardig gedruisch,

dat men moeielijk beschrijven, maar nog het best met het gekletter

van een flinke hagelbui vergelijken kan. Ook de vernielende gevolgen

van beide werkingen komen veel met elkander overeen."

Eenige vergoeding voor het ontzaglijk groote verbruik van plantaardige

stoffen verkrijgt men van de plunderaars door op hen de woorden

van Israëls nationalen held, "spijze ging uit van den eter", toe

te passen: zoowel menschen als dieren gebruiken hen als voedsel. De

inboorlingen eten ze in ongeloofelijk grooten getale, na ze even boven

het vuur geroosterd te hebben en werpen alleen de achterpooten en de

vleugels, of in 't geheel niets weg. Deze walgelijk smakende en niet

zeer voedzame spijs schijnt voor Paarden beter geschikt te zijn dan

voor menschen: de Paarden zijn er graag op en worden er vet van.

Ook Amerika, vooral de zuidelijke helft, heeft soms veel van de

Sprinkhanen te lijden. Een Engelschman, die te Conohos in Zuid-Amerika

een belangrijke tabaksplantage had en 40000 mooie planten, die

reeds 30 cM. hoog waren, in de nabijheid van zijn woning had staan,

werd plotseling in een der middaguren uit zijn siesta opgeschrikt

door de mare, dat de Sprinkhanen in aantocht waren. Buiten gekomen,

zag hij zijn woning omgeven door een dichte wolk, die zich boven het

tabaksveld samentrok, er plotseling op neerstortte en het als met

een bruinen mantel bedekte. Na omstreeks 20 seconden steeg de zwerm

even onverwachts omhoog, als hij neergestreken was, en vervolgde zijn

weg. Van de 40.000 tabaksplanten was geen spoor meer over.

Niet slechts in oude kronieken, maar ook in hedendaagsche couranten

vindt men vele berichten over verwoestingen door Sprinkhanen in

Europa aangericht. Deze betreffen niet alleen Zuid-Europa, maar ook

Duitschland en andere Midden-Europeesche landen. Voor Zuid-Rusland

waren, om alleen van een deel der 19e eeuw te spreken, de jaren 1800,

1801, 1803, 1816-1819, 1820-1822, 1829-1831, 1834-1836, 1844, 1847,

1850, 1851, 1859-1861 in genoemd opzicht noodlottig. In Europa bestaan

de Sprinkhanenzwermen hoofdzakelijk uit Pachytylus migratorius, in

Zuid-Europa met inbegrip van Hongarije (en in Algiers) ook wel uit

Caloptenus Italicus, in Algiers, Syrië, Perzië en Arabië bovendien

uit Acridium (Schistocerca) peregrinum in Zuid-Rusland, Klein-Azië,

Cyprus en Algiers ook nog uit Stauronotus Maroccanus.

De Europeesche Treksprinkhaan (Pachytylus migratorius) is een

vaste bewoner van een groot deel der Oude Wereld; zijn noordelijke

verbreidingsgrens in Spanje, Italië, de oostelijke oeverlanden van den

Donau en in Azië tot Japan, valt ongeveer samen met de Juni-isotherme

van de 20° C. Ten zuiden van deze lijn bewoont hij (of de veel op hem

gelijkende Pachytylus cinerascens) geheel Afrika ten noorden van den

evenaar, geheel Azië (met inbegrip van den Indo-australischen archipel)

en Australië ten noorden van den Steenbokskeerkring. In de dichtst bij

ons vaderland gelegen deelen van dit gebied ziet men hem gewoonlijk in

't begin van Juli vliegen; eenige weken later worden de tot kluitjes

vereenigde eieren gelegd (in lossen grond meestal op een diepte van

39 mM.). Ieder kluitje bevat ongeveer 60 à 100, de geheele eierstok

gemiddeld 150 eieren. In Mei van het volgende jaar komen de larven

uit, die na 36 à 44 dagen in den imago-toestand overgaan. Een warme

herfst bevordert het leggen van een groot aantal eieren, een warme

en droge voorzomer (met een gemiddelde temperatuur van minstens 18°

C. gedurende verscheidene opeenvolgende dagen) het uitkomen der larven

en haar ontwikkeling. Wanneer bij geval ergens door het samentreffen

van gunstige omstandigheden een sterke vermenigvuldiging van deze

Insecten is voorgekomen, zullen zij als larven en later ook in den

gevleugelden toestand in de eerste plaats de grassen en veldvruchten

vernielen, dikwijls zoo sterk, dat men niet meer zien kan, wat er op

den akker groeide; vervolgens vreten zij ook de boomen kaal. Wanneer

ten slotte het voedsel te schaarsch wordt, vliegen de Sprinkhanen,

tot ontzaglijke zwermen vereenigd, naar landstreken, die nog niet

verwoest zijn en overschrijden dan dikwijls de normale grenzen van

hun gebied. Bij gunstige weersgesteldheid kan het voorkomen, dat zij

zich eenige jaren achtereen voortplanten op het pas door hen veroverde

terrein en zich zelfs nog verder uitbreiden; vroeger of later maakt

echter een koude en natte voorzomer plotseling een einde aan deze

machtsoverschrijding, zoodat dan de Treksprinkhaan buiten de grenzen

van zijn eigenlijk gebied niet meer te vinden is. Jaren waarin hij

de normale verbreidingsgrenzen overschreed, waren b.v. 1740-1749,

1834-1836, 1874-1876. Het deel van Duitschland, dat bij uitzondering

door den Treksprinkhaan in zijne verschillende ontwikkelingsphasen

bewoond wordt, heeft meestal de gebroken lijn Ulm-Berlijn-Posen

tot grens. De Treksprinkhanen bereiken hun gebied nooit door de

Alpen te overschrijden, maar altijd door ze om te trekken; de in

't oosten aanvangende reis gaat over Hongarije en Silezië. Zwermen

van gevleugelde Sprinkhanen zijn nog wel veel verder doorgedrongen,

n.l. tot Edinburg, het zuiden van Zweden en Dunaburg. Hier planten

deze Insecten zich echter niet meer voort. Ook bij ons worden geen

andere dan afgedwaalde exemplaren van deze soort aangetroffen.

Veelvuldiger dan de beide genoemde groote Veldsprinkhanen komen

hier te lande kleinere soorten voor. Slechts enkele kunnen hier ter

sprake komen. (Van de beide lengteopgaven bij iedere soort heeft de

eerste op het mannetje, de tweede op het wijfje betrekking.) Een

25 à 32 mM. lange, bruine soort met bloedroode achtervleugels,

die vooral bij heet, zonnig weer op open plekken in bosschen de

aandacht van den wandelaar trekt door het luide gedruisch, dat de

tegen elkander wrijvende vleugels en dekschilden maken, wanneer het

Insect uit voorzorg opvliegt om iets verder weer te gaan zitten, wordt

Klappersprinkhaan (Psophus stridulus) genoemd.--In zandige streken,

vooral in de duinen, vindt men de 21 à 28 cM. lange Gestreepte

Sprinkhaan (Oedipoda coerulescens) met 2 donkere dwarsbanden op de

lichtbruine dekschilden en een breeden, zwarten dwarsband op de

lichtblauwe achtervleugels.--Zeer algemeen op droge weiden, waar

men bij zonnig weer soms bij iederen voetstap het ratelend geluid

hoort, dat met hun opspringen gepaard gaat, zijn de roodpootige,

doch overigens grootendeels groene, 13 à 18 mM. lange Gestreepte

Grashuppers (Stenobothrus lineatus) en de 10 à 18 mM. lange, door

het eenigszins verbreede uiteinde der sprieten gekenmerkte, groene

of bruine Tweevlekkige Grashuppers (Gomphocerus biguttatus), die een

helder witte topvlek hebben op elk dekschild.

De Italiaansche Sprinkhaan (Caloptenus Italicus) wordt, behalve in het

vroeger genoemde gebied, soms ook in Duitschland (de Mark, Silezië,

Saksen) gevonden. Hij gedijt het best in bosschen en boschrijke

gebergten en veroorzaakt meer schade aan boomen en wijngaarden, dan

aan granen en andere grassen. Reeds in April (of nog vroeger) komen

de larven uit de eieren. Bij helder en warm weer zijn zij, zoodra

de dauw verdampt is, druk in de weer,--als het niet gedauwd heeft,

nog vroeger, n.l. met zonsopgang. Eerst ziet men eenige exemplaren

als boden heen en weer loopen tusschen de nog rustende zwermen,

waarvan sommige op den grond (en wel bij voorkeur aan den voet van

kleine heuvels) dicht opeengedrongen liggen, andere over allerlei

kruiden en struiken groepsgewijs verdeeld zijn. Kort daarna komt het

geheele leger in beweging; alle reizigers hebben de gekozen richting

zoo goed in 't hoofd, dat men nagenoeg geen afdwalingen opmerkt. Zij

gelijken op een mierenzwerm en volgen, zonder elkander aan te raken,

steeds een zekeren afstand houdend, denzelfden weg. Zonder verpoozing

en met de grootste snelheid, die een Insect loopend kan verkrijgen,

streven zij naar het doel van hun tocht, zonder ooit te springen,

behalve wanneer zij vervolgd worden. In dit geval verspreiden zij zich,

maar komen spoedig weer bijeen om langs den vorigen weg de reis voort

te zetten. Zoo marcheeren zij van den morgen tot den avond, zonder

halt te houden, en doorloopen dikwijls een afstand van 100 vademen

in een dag. Zij bewegen zich gaarne op goed gebaande wegen en over

open velden; wanneer hun echter een struik, een heg, een kuil in den

weg komt, trekken zij, zoo dit mogelijk is, er regelrecht over of

door heen. Alleen rivieren en moerassen kunnen hen tegenhouden; naar

het schijnt, zijn zij van een bad zeer afkeerig. Dikwijls trachten

zij echter langs overhangende takken den tegenoverliggende oever

te bereiken. Als plantenstengels en boomstammen, die dwars over

het water liggen, hun een brug verschaffen, maken zij, tot dichte

kolommen vereenigd, hiervan gebruik. Dikwijls ziet men ze op zulke

plaatsen rusten, alsof de koelte van het water hun aangenaam is. Tegen

zonsondergang verdeelt de geheele zwerm zich in kleine troepjes, die

op de reeds genoemde wijze een kwartier voor den nacht zoeken. Op

koude, regenachtige dagen trekken zij niet. De zooeven geschetste

of een soortgelijke levenswijze treft men met geringe wijziging aan

bij de larven van alle soorten van Sprinkhanen, die in gevleugelden

toestand zwermen vormen. Na het midden van Juli krijgen de Italiaansche

Sprinkhanen vleugels en verspreiden zich over een grootere oppervlakte

om te paren en eieren te leggen. In gunstige omstandigheden worden

de jongen reeds in den herfst geboren.

Het geslacht Caloptenus kenmerkt zich door een wratvormigen knobbel

tusschen de heupen der voorpooten, door de breedte van het voorste

rugschild, door een weinig uitpuilende, afgeronde kruin en door een

bolvormige verdikking aan het achterlijf van het mannetje. De genoemde

soort is 22 à 34 mM. lang, heeft het lichaam en de dekschilden, die tot

aan de achterlijfsspits reiken, op vuilgelen grond met bruine vlekjes

besprenkeld. De binnenrand der achtervleugels is met een breeden,

rozerooden band geteekend, dezelfde kleur heeft de binnenzijde van de

achterdij, terwijl de buitenzijde effen geelachtig blijft of donker

gestreept is.

De Sabelsprinkhanen (Locustidae) kunnen onmiddellijk herkend worden

aan hunne lange, borstelvormige, veel-(dikwijls meer dan 100)ledige

sprieten en aan de 4 leden van den voet, die aan alle pooten

hetzelfde maaksel vertoont. De kop heeft een loodrechten stand;

de kruin puilt tusschen de half bolvormige oogen niet sterk uit;

meestal ontbreken de bijoogen. Het achterlijf loopt bij het mannetje

uit in 2 stiften, die dikwijls haakvormig gekromd zijn, bij het wijfje

in een meer of minder langen, sabelvormigen legboor. De mannetjes

musiceeren niet met de achterdijen, maar brengen snerpende, schelle

tonen voort door de wortelgedeelten der dekschilden over elkander

te wrijven. Het linker dekschild, dat boven ligt, vertoont aan den

wortel, dicht bij den binnenrand en wel aan de onderzijde een stevige,

uitpuilende dwarsader, die nagenoeg den vorm van een paragraafteeken

(§) heeft en door talrijke dwarsgroefjes op een "rasp" gelijkt. In

het hieronder liggende, driehoekige deel van het rechter dekschild,

dat horizontaal de rug bedekt, merkt men een dun, glashelder vlies

op, aan alle zijden door stevige aders omgeven, den zoogenaamden

"spiegel" en daarachter een kleinere plek, die denzelfden vorm

heeft en even doorzichtig is. Bij het sjirpen worden de beide

dekschilden een weinig opgeheven en de tandjes van de rasp van den

linkervleugel snel achtereenvolgens over de randen van den spiegel

bewogen; de fijne vliezen doen in dit geval dienst als klankbodem en

versterken het geluid. Een uitzondering op den regel, dat alleen de

mannetjes muziek kunnen maken, vormen eenige soorten met blaasvormig

gezwollen dekschilden, welker wijfjes eveneens een loktoon kunnen

voortbrengen. De eenige inheemsche Sabelsprinkhaan, die hiervoor

als voorbeeld kan dienen, is de Wijnstoksprinkhaan of het Huphaantje

(Ephippigera vitium). Bij de Sabelsprinkhanen kan men uitwendig aan

den wortel van de scheen der voorpooten een paar diepe kuiltjes of

spleten zien, die inwendig door een dun vlies gesloten zijn. Tusschen

beide openingen verwijdt de hoofdstam van het luchtbuizenstelsel der

voorpooten zich tot een blaas; een uit den eersten borstzenuwknoop

ontspringende zenuw heeft ter zelfder plaatse een knoopvormige

verdikking, waarmede zenuweindtoestellen van eigenaardigen vorm in

verbinding staan, die besloten liggen in tot reeksen vereenigde,

doorzichtige blaasjes. Von Siebold heeft den bouw van dit toestel

zorgvuldig onderzocht en aangetoond, dat het een gehoororgaan is.

De ontwikkelingsgeschiedenis komt in hoofdzaken met die der

Veldsprinkhanen overeen; uit den langen legboor der Sabelsprinkhanen

kan men echter afleiden, dat zij hunne eieren op grootere diepte dan

hunne verwanten, in den grond of onder schorsschilfers van boomen,

leggen. Evenals de vorige familie, is ook deze over de geheele wereld

verbreid. Hare leden, vooral de groen gekleurde, houden in den regel

verblijf op de boomen en struiken, welker bladen zij eten; de bruine

en grijsbruine daarentegen azen voornamelijk op lagere planten; beide

zoeken hun voedsel bij voorkeur 's nachts. Sommige soorten eten ook wel

(enkele zelfs bij voorkeur) levende Insecten, die zij zeer behendig

weten te vangen.

Bij sommige Sabelsprinkhanen ontbreken de vleugels geheel, zoowel

bij het mannetje als bij het wijfje. Een voorbeeld hiervan levert de

Gedoornde Eenhoornsprinkhaan (Hetrodes spinulosus of Hetrodus horridus,

fig. 1), die Syrië en Arabië bewoont. Dit dik, geel, aan den achterrand

en op de doornen van het halsschild bruinachtig Insect onderscheidt

zich o.a. door dunne achterdijen, zeer zwak gedoornde scheenen en een

korten legboor van zijne verwanten; evenals bij deze, zijn de sprieten

op het midden van het voorhoofd, onder de oogen ingeplant, met een

doorn er tusschen; ook de zeer groote voorrug is met doornen gewapend.

Bij andere geslachten ontbreken de achtervleugels geheel en zijn

de dekschilden klein: dit is o.a. het geval bij Ephippigera; ook

deze heeft de achterdijen dun en weinig of niet voor 't springen

geschikt. De bovengenoemde groene, donkerbruine of roode soort, die

zonder de 20 mM. langen legboor een lengte van 25 mM. heeft, komt

veelvuldig voor op wijnbergen langs den Rijn, doch ook in 't oosten

van ons land, waar zij zich met sparrenaalden en heidebloemen voedt.

Beide vleugelparen goed ontwikkeld, het achterlijf geheel bedekkend,

heeft o.a. de slanke Eikensprinkhaan (Meconema varium, fign. 2 en 3),

die men tot laat in den herfst ziet zitten of loopen op stammen van

eiken, ijpen, linden en beuken, met welker bladen hij zich voedt; zijn

kleur is lichtgroen met een gele overlangsche streep over den kop en

den voorrug; hij is 11 à 15 mM. lang (zonder den 9 mM. langen legboor);

het mannetje heeft 4 mM. lange staarten. Evenals alle Sabelsprinkhanen,

is hij eenigszins traag en plomp. Wanneer men aan den boom schudt,

laat hij zich vallen, zonder zijne vleugels te gebruiken. De sprieten

staan bij hem (en zeer vele andere familieleden) tusschen de oogen,

aan de spits van het voorhoofd.

Merkwaardig door hun vorm zijn de steeds groene Bladsprinkhanen

(Phylloptera), die, evenals sommige Spooksprinkhanen (Phyllium), een

nabootsing zijn van bladen, waarvan echter niet een platte zijde,

maar een smalle kant naar onderen is gericht. De dekschilden zijn

n.l. lancetvormig en langs de zijden van het achterlijf gelegen; zij

steken ver voorbij het einde van 't achterlijf uit, hoewel de spitse

top van den waaiervormig geplooiden achtervleugel bij de meeste

nog verder reikt. Soms zijn deze bladen sterk netvormig geaderd,

zooals bij het Zuid-Amerikaansche Springende Myrtenblad (Phylloptera

myrtifolia), soms zeer fraai met bonte oogvlekken geteekend, zooals

bij de 78 mM. lange Venster-bladsprinkhaan (Phylloptera fenestrata).

De beide laatstgenoemde geslachten onderscheiden zich ook door

den elliptischen vorm van de gehooropening aan de voorscheen,

die zich bij de meeste Sabelsprinkhanen als een smalle spleet

vertoont. Dit geldt o.a. van de Groote Bruine Sabelsprinkhaan--ook

wel, evenals sommige Glazenmakers, Wrattenbijter genaamd (Decticus

verrucivorus)--die, zonder den 20 mM. langen legboor, een lengte van 26

à 30 mM. heeft. Hij is over Noord- en Middel-Europa verbreid en komt

op weiden en klaverakkers voor. De 4 kanten van de achterscheen zijn

aan de onderste helft met krachtige doornen gewapend, de voorscheen

met 3 reeksen van beweeglijke stekels en de voorheup met 1 doorn. De

voorrug heeft een overlangsche lijst. Behalve de beide staarten,

ziet men bij het wijfje een tamelijk sterk gekromden legboor, bij het

mannetje 2 stiften achter de spits van het achterlijf uitsteken. De

kleur is verschillend: het groen (soms licht, soms donkerder) heeft de

overhand, vertoont soms een roodachtigen, vaker een bruinen weerschijn

en gaat op sommige plaatsen in bruine vlekken over, vooral op de lange

dekschilden, waar deze vlekken als velden van een dambord gerangschikt

zijn; de onderzijde, vooral de buik, is lichter, meer geelachtig.--De

larve verlaat in de tweede helft van April het ei, vervelt ongeveer

om de 4 weken en heeft dus in de eerste helft van Juni ten tweede male

van kleed verwisseld. In Juli, na de 3e vervelling, vertoont zij zich

met een legboor, in het begin van Augustus als volkomen Insect. Dit

dier kan zoo krachtig bijten, dat op de huid een knijpblaar ontstaat

en houdt zoo stevig vast, dat zijn kop vastgehecht blijft, wanneer

men het snel tracht los te rukken. Bij 't bijten laat het een bruin

sap uit den bek vloeien. Dat dit geschikt zou zijn tot het verdrijven

van wratten, zooals beweerd wordt, is niet bewezen.

Meer algemeen bekend is de iets slankere Groote Groene Sabelsprinkhaan

(Locusta viridissima), die, zonder den 25 mM. langen legboor een

lengte van 28 à 35 mM. en soms 100 mM. vlucht heeft. In sommige

streken, b.v. in Leipzig, wordt dit Insect door kinderen in een

hiervoor bestemd kooitje van ijzerdraad opgesloten en gevoederd. De

dekschilden hebben evenwijdige zijranden, zijn, evenals het lichaam,

grootendeels sapgroen, bereiken met de helft van hun lengte het einde

van 't achterlijf. Dit dier vermijdt de zonneschijn en zit daarom bij

zonnig weer laag en in de schaduw op de plant, welker top het opzoekt,

als de lucht bewolkt is. Soms vliegt het kort boven den grond weg om

aan vervolging te ontkomen en brengt dan bij het bewegen der vleugels

een schel geluid teweeg. Bij voorkeur vestigt het zich op een met rijp

graan bedekten akker. Wanneer het door het binnenhalen van den oogst

zijn liefste schuilplaats moet missen, zoekt het wilgen, berken en

andere boomen op; het zit, vooral gedurende de avonduren en het eerste

gedeelte van den nacht, op groote hoogte, boven in den top. Vooral

deze soort ziet men soms Insecten vangen en verslinden. Naar men zegt,

is zij soms schadelijk voor de tabaksplanten.

De derde en laatste familie der Springende Rechtvleugeligen is die der

Krekels of Gravende Sprinkhanen (Gryllidae). Met de eigenaardigheid,

waaraan zij den laatsten naam ontleenen en waardoor hun levenswijze van

die der overige Sprinkhanen verschilt, staat in verband, dat zij niet

in den eitoestand overwinteren. Zij hebben een plomp gebouwd, rolrond

lichaam. De korte dekschilden zijn in rust overlangs, rechthoekig

gebogen en liggen dus zoowel tegen de rug als tegen de zijden van

het lichaam aan; zij bedekken de tot een streng samengeplooide,

groote achtervleugels, die zweepvormig achter het lichaam uitsteken,

evenals de draadvormige, veelledige "staarten". De voet is 3-ledig.

Op dorre heiden, zandige velden en zonnige berghellingen van Europa en

Voor-Azië graven de zwarte dikkoppen, (fign. 1 en 2)--de Veldkrekels

(Gryllus campestris)--holen in den grond. Deze gangen dienen in tijd

van gevaar en bij ruw, regenachtig weer tot schuilplaats en worden

later als bergplaats voor de eieren gebruikt. Zij zijn niet veel

wijder dan de omvang van het dier, hebben aanvankelijk een horizontale

richting en hellen verderop een weinig naar beneden. Meestal worden

zij gegraven ten tijde dat de mannetjes voor 't eerst hun gezang laten

hooren, dus tamelijk vroeg in de lente. In den regel wordt ieder hol

slechts door een dier bewoond. Soms geeft het aanleiding tot hevige

gevechten. Iedere Krekel maakt gaarne gebruik van een reeds aanwezige

woning en zal dus, wanneer hij er den soortgenoot ontmoet, die haar

groef in bezit nam, omdat zij verlaten was, voor zijn tegenparij niet

vrijwillig wijken. Door elkander te bijten en met den kop te stooten

beslechten zij hun twist, soms op zóó afdoende wijze, dat een van

beide op het slagveld blijft liggen, in welk geval het lijk door den

overwinnaar wordt--opgepeuzeld.--Het mannetje houdt er van, den kop

buiten zijn woning te steken en een liedje te zingen. Ver verwijdert

hij zich nooit, van den ingang, om steeds in de gelegenheid te zijn

weer thuis te komen (hetgeen meer loopend dan springend geschiedt),

wanneer hij gevaar ducht, b.v. bij de nadering van een Hagedis of van

een Insectenetenden Vogel, of als de voetstappen van een mensch den

bodem schokken. Het grashalmpje, dat men in zijn hol steekt, vat hij

met de kaken en houdt het zoo stevig vast, dat men hem hieraan naar

buiten kan trekken. Als het mannetje zijn in de buurt wonende beminde

wil lokken, haar een serenade brengt, zit hij steeds voor zijn woning

met zijwaarts gerichte pooten en tegen den grond gedrukte borst; de

dekschilden worden een weinig opgeheven en buitengewoon haastig over

elkander geschuurd. Bij nader onderzoek blijkt, dat de tweede dwarsader

(de sjirpader) van het rechter dekschild aan de onderzijde sterk

uitpuilt en in dwarse richting met vele kleine tandjes bezet is; deze

worden over een dicht bij den binnenrand gelegen ader van het linker

dekschild aanvankelijk in neerwaartsche richting geschuurd; vervolgens

geschiedt dit een tijdlang in bovenwaartsche richting, waardoor de toon

een wijziging ondergaat.--Het wijfje legt eieren op den bodem van haar

hol, ten getale van hoogstens 30. Ongeveer 14 dagen daarna komen de

larven uit, die aanvankelijk bijeen blijven, doch spoedig zelf holen

beginnen te graven. Bij het betrekken van de winterkwartieren hebben

zij zeer verschillende grootten bereikt. Gelukkig bewoont dit Insect

gronden, die voor den mensch weinig waarde hebben, daar het anders

wel in staat zou zijn om aan gekweekte planten schade te veroorzaken

door het afvreten van de wortels.

De Veldkrekel is glanzig zwart van kleur met bruine, aan den wortel

geelachtige dekschilden; rood is de onderzijde van de achterdij, bij

't wijfje ook de achterscheen.

De Huiskrekel, ook wel Heempje of Kriekske, in sommige deelen van

Gelderland Iem, in Groningerland Eimke, in Friesland Iemerke genoemd

(Gryllus domesticus, zie boven: fig. 5), is kleiner en slanker dan de

vorige soort; de lederbruine kleur heeft aan de pooten en den kop een

lichtere, meer geelachtige tint; men ziet een bruine dwarsstreep op den

kop en 2 driehoekige, bruine vlekken op het halsschild. De legboor is

11 à 15 mM. lang, het overige lichaam 17.5 à 19.5 mM.--De Huiskrekels

herinneren door hun levenswijze aan de Keukenkakkerlakken en zijn,

evenals deze, vermoedelijk uit warmere landen tot ons gekomen. De

overeenkomst bestaat in het bijeenzijn van vele individuën, die

's nachts hunne schuilhoeken verlaten om voedsel te zoeken en in

de voorliefde voor warme plekjes in menschelijke woningen. Daarom

vindt men de Huiskrekels dikwijls in gezelschap van Kakkerlakken

in bakkerijen, molens, brouwerijen, kazernes (waar deze "kreeftjes"

soms het "lange nat" van de soep kruiden), in hospitalen en op andere

dergelijke plaatsen. Het droefgeestig "krieken" van een enkel exemplaar

moge soms geen onaangename variatie zijn te midden van de nachtelijke

stilte; de veelstemmige concerten van de Huiskrekels kunnen iemand,

die er iederen nacht naar luisteren moet, wanhopig maken. Alleen

de mannetjes maken geluid; zij doen dit op dezelfde wijze als

de Veldkrekels; de tonen zijn echter zwakker en hooger wegens de

geringere grootte der muziekanten en de geringere tusschenruimten

van de tandjes der sjirpader.

De Veenmol (Gryllotalpa vulgaris) zou men een caricatuur van den Mol

kunnen noemen; wegens zijn zonderlinge gestalte en wegens de schade,

die hij aanricht, zal men hem niet licht over 't hoofd zien. Vooral

de voorpooten vertoonen afwijkingen van den gewonen regel. Alle leden

van deze pooten zijn kort en zeer breed. De voet, welks beide eerste

leden ieder van een tand zijn voorzien, is gehecht aan de buitenzijde

van de scheen, die aan den onderrand 4 scherpe, zwarte tanden draagt;

de scheen kan teruggeslagen worden, zoodat haar achterrand tegen

den onderrand van de dij komt te liggen; de dijring heeft een spits

tandvormig uitsteeksel; de geheele poot is zijwaarts gericht en

uitmuntend voor 't graven in den grond geschikt. In verband met de

krachtige ontwikkeling der voorpooten is het halsschild zeer groot. Van

de overige lichaamsdeelen valt te vermelden, dat vóór den kop, behalve

de betrekkelijk korte sprieten, de 5-ledige kaaktasters ver uitsteken;

de kruin draagt 2 glanzige bijoogen. Het bruine lichaam is met zeer

korte, roestbruine, als zijde glinsterende haren, bij wijze van vilt,

bekleed. De dekschilden zijn bij het mannetje aan den wortel van een

sjirpader voorzien. Het wijfje mist den legboor.

"De Veenmol," schrijft Ritzema Bos, "komt in ons land 't meest voor

op veenachtigen kleigrond, hoewel hij op veenachtigen zandgrond ook

niet ontbreekt, en verder op allerlei gronden voorkomt, die door

veel mest los en mul geworden zijn. In ons land wordt de Veenmol

aangetroffen in Zuid-Holland, Zeeland en 't westen van Noordbrabant,

verder in sommige gedeelten van de Graafschap Zutphen, en in enkele

deelen van 't Westerkwartier (prov. Groningen) en den Oosthoek van

Friesland." Overal waar hij zich gevestigd heeft, beschouwt men hem

te recht als een schadelijk dier; er bestaat echter verschil van

meening over de wijze waarop hij schade veroorzaakt. Tegenover de

vroegere meening, dat wortels zijn eenige voedsel uitmaken, staat die

van verscheidene latere onderzoekers, dat hij Wormen, engerlingen en

zelfs zijn eigen jongen als voedsel gebruikt en geen andere wortels

afbijt dan die van de planten, welke boven zijn nest groeien, hoewel

hij bovendien door het onophoudelijk wroeten en woelen in den grond

op deze plaats nadeelig wordt voor den plantengroei. De waarheid

ligt misschien in 't midden. Evenals de overige Sprinkhanen zich met

planten voeden, maar toch geen Insect, dat hun te na komt, sparen,

zoo ook de Veenmol. Daar hij bijna voortdurend onder den grond leeft,

moeten onderaardsche larven en plantendeelen hem een middel van

bestaan verschaffen. Niet minder schuw en voorzichtig dan de overige

Krekels, vlucht hij bij het geringste gedruisch, de geringste, door

naderende voetstappen teweeggebrachte schudding van den bodem, ten

spoedigste naar zijn hol, waarin hij ook onmiddellijk terugkeert,

als men hem uit den grond haalt, of 's avonds bij 't vliegen stoort

en naar beneden doet tuimelen. Hoewel hij een slechte vlieger is, kan

men hem in den paartijd, meestal in 't begin van Juni, op deze wijze

uitstapjes zien doen. Ook in 't zwemmen is hij eenigszins ervaren.

De mannetjes maken, zoolang de zon nog niet boven de kim gerezen is,

een zacht, sjirpend geluid, dat vergeleken wordt met den loktoon

van een Geitenmelker (Caprimulgus europaeus), die men in de verte

hoort. Voor het leggen van hare talrijke eieren vervaardigt het

wijfje een echt nest, door eenige spiraalvormig gekronkelde gangen,

en te midden van deze, op een afstand van hoogstens 10.5 cM. van

de oppervlakte, een hol van den vorm en de grootte van een kipei te

graven. De wanden worden door bijmenging van speeksel niet slechts

glad, maar ook zoo stevig gemaakt, dat men, met eenige voorzichtigheid

te werk gaande, het geheele nest als een holle, afgeronde aardkluit uit

den grond kan nemen. Van dit nest gaan in verschillende richtingen

eenige meer of minder rechte gangen uit, die zoo dicht bij de

oppervlakte liggen, dat men ze hier als verhevenheden van ongeveer

19.3 mM. breedte kan waarnemen; bovendien zijn eenige loodrecht naar

beneden gerichte gangen bestemd tot schuilplaats voor het wijfje bij

naderend gevaar en om bij zeer vochtig weer aan 't water een uitweg

te verschaffen, zoodat de eieren droog blijven. Het nest bevindt

zich steeds op een vrije, onbeschaduwde plek; het binnendringen van

de zonnewarmte in de daarboven gelegen aardkorst wordt bevorderd

door het losmaken van den grond. Dit gaat gepaard met het afvreten

van de onderaardsche deelen der hier wortelende gewassen, die door

hun dood het zekerste kenteeken leveren voor de aanwezigheid van een

nest. Soms ziet men door deze oorzaak planten sterven met stengels van

2 à 3 cM. dikte. Het aantal eieren in een nest is niet standvastig;

gemiddeld bedraagt het 200, hoewel men er ook wel eens meer dan 300

in aangetroffen heeft. Het wijfje blijft na het leggen der eieren nog

geruimen tijd in de nabijheid van het nest wonen in een der hierboven

bedoelde, 10 à 30 cM. diepe, loodrechte gangen. De 5 mM. lange

larven, die na 8-14 dagen uit de eieren komen, zijn in de eerste 3

of 4 weken niet in staat zelf een hol te graven; zij blijven dus in

het nest; aanvankelijk bestaat haar voedsel uit teelaarde en fijne

wortelvezeltjes. Haar aantal vermindert in dezen tijd aanmerkelijk,

daar het in de buurt wonende wijfje er eenige van verslindt. Vier

weken na de geboorte heeft de 1e vervelling plaats, na nogmaals 4

weken, in Augustus, de 2e. De larven, die na de 3e vervelling, in

September, gemiddeld 25 mM. lang zijn, begeven zich nu iets dieper in

den grond en beginnen den winterslaap. Van de weersgesteldheid hangt

het tijdstip af, waarop zij in de volgende lente zullen ontwaken,

om voor de 4e maal te vervellen en vleugelstompjes te krijgen. De

overgang in den imago-toestand heeft plaats in 't midden van Mei,

uiterlijk in het begin van Juni.--Uit sommige verschijnselen meent men

te moeten afleiden, dat bij uitzondering ook wel volwassen Veenmollen

overwinteren.

De leden van de kleine, over de geheele wereld verbreide groep der

Oorwormen (Forficulidae, Dermatoptera, Dermaptera) zijn duidelijk

te herkennen aan de tang, waarmede het uiteinde van hun achterlijf

gewapend is. Deze toestel, die de plaats inneemt van de "staarten" der

vorige Rechtvleugeligen, dient tot verdediging: woedend knijpen deze

Insecten er mede in 't rond, wanneer men ze bij 't voorste deel van

't lichaam aanvat. Tevens is het een werktuig tot het ontplooien en

opvouwen der vleugels. Wie er aan twijfelt, dat de Oorwormen vleugels

hebben, beschouwe met eenige aandacht hun middelrug. Men ziet achter

het halsschild twee vierhoekige platen; dit zijn de lederachtige

dekschilden. Ieder schijnt van achteren uit te loopen in een stomp

puntje van lichtere kleur, dat in fig. 1 duidelijk zichtbaar is. Toch

zijn deze beide harde puntjes geen voortzettingen van de aan 't einde

afgeknotte dekschilden; zij liggen er onder; het zijn de eenige nu

zichtbare deelen van de buitengewoon breede, thans op zeer sierlijke en

samengestelde wijze geplooide achtervleugels. Deze zijn niet slechts

waaiersgewijs, maar bovendien tweemaal in de lengte saamgevouwen,

waarna zij, op een klein, hard stukje van den voorrand na, onder de

korte dekschilden geborgen worden. Van de overige lichaamsdeelen valt

nog op te merken, dat de vrije, niet bedekte kop hartvormig is, een

weinig naar beneden afhelt en aan weerszijden een samengesteld oog

draagt; de bijoogen ontbreken. De monddeelen stemmen in hoofdzaken

overeen met die der vroeger genoemde Rechtvleugeligen. Het zeer

buigzame achterlijf, dat meestal aan 't achterste gedeelte een weinig

in breedte toeneemt, is meestal uit 10 leden samengesteld, waarvan

echter het eerste innig vereenigd is met het achterborststuk, terwijl

bij het wijfje de 3 achterste onderling vergroeid zijn en van het 7e

alleen het buikschild zichtbaar is.

De 24 Europeesche soorten, waarvan er 3 inheemsch zijn, en de

veel talrijkere soorten in andere werelddeelen verschillen door

het maaksel van de tang, die zelfs bij mannetjes en wijfjes van

dezelfde soort ongelijkheid kan vertoonen, door den vorm van het

2e lid van den 3-ledigen voet, door den bouw der vleugels en door

andere kenmerken. Zoo heeft men b.v. bij het mannetje van den 11 à 13

mM. langen Grooten Oorworm (Labidura gigantea fig. 1), op den vorm

van de tang en op haar achter het midden gelegen tand te letten. De

beide helften van de aanmerkelijk kortere tang van hoi wijfje zijn

aan den wortel dichter bij elkander gelegen en van tandjes voorzien,

maar hebben geen tand achter het midden. De sprieten zijn uit 27 à 30

leden samengesteld. Deze merkwaardige uitheemsche soort komt hier en

daar in Europa (Duitschland, Engeland, enz.) in kleinen getale voor;

in Voor-Azië en het noorden van Afrika is zij een gewoon verschijnsel.

De Gewone Oorworm of Oorkruiper (Forficula auricularia fig. 2) is in

Europa overal te vinden, maar nergens een welkome gast. De tuinman

kent hem als vernieler van zijne beste anjelieren en dahlia's; op de

stokken, die bij de bedoelde planten staan, plaatst hij bloempotten,

varkenshoeven of dergelijke holle voorwerpen om aan het ongedierte

een aangename schuilplaats te verschaffen, waaruit men het dagelijks

kan verwijderen om het te dooden. Sommige onderzoekers wenschen,

dat men den Oorworm zal sparen, daar hij Bladluizen verslindt. Hij

knaagt echter ook gaten in allerlei zoete vruchten, of zoekt zich

althans in haar nabijheid een schuilplaats. Vol schrik werpt het kind

een tros druiven weg, wanneer achtereenvolgens de eene Oorkruiper na

den anderen uit de duistere hoekjes tusschen de dicht opeengedrongen

bessen te voorschijn komt; de keukenmeid handelt evenzoo, als zij bij

het schoonmaken en stuksnijden van de bloemkool het bruine monster met

zijne dreigende tangen voor den dag ziet komen. Volkomen ongegrond is

de algemeen verbreide meening, dat dit Insect den mensch in de ooren

kruipt en met de tang het trommelvlies stuk knijpt. Ondanks zijn naam

heeft de Oorkruiper in deze bezigheid volstrekt geen zin, hoewel het

zou kunnen gebeuren, dat hij iemand, die onvoorzichtig genoeg was om

in het gras te gaan slapen, in de ooren kroop, daar hij van dergelijke

donkere schuilhoeken houdt.--De Gewone Oorworm is glanzig donkerbruin,

welke kleur aan de pooten, de randen van het halsschild en den wortel

der 15-ledige sprieten door geel, aan de meeste deelen van den kop

door roestrood vervangen wordt. Zijn lengte bedraagt 8.75 à 15 mM.;

de wijfjes zijn steeds kleiner dan de mannetjes. Beide overwinteren

om in 't volgende jaar zich voort te planten. De eieren worden door

de moeder met veel zorg bewaakt. Zij heeft, evenals de Kakkerlakken

en de Veenmollen, het genoegen haar kroost te aanschouwen; ook de

jongen worden door haar, volgens sommige berichtgevers, op liefderijke

wijze behandeld.

"Franjestaarten" ("Thysanura") noemde Latreille een aantal kleine,

behaarde of geschubde, volkomen ongevleugelde Insecten, die geen

gedaantewisseling ondergaan, weinig ontwikkelde, bijtende monddeelen

hebben en aan het achterlijf eigenaardige bewegingsorganen

bezitten. Zij vervellen herhaaldelijk, ook nog gedurende den

geslachtsrijpen toestand. Men verdeelt ze tegenwoordig in twee groepen,

waaraan dikwijls den rang van orden wordt toegekend. De eene is die

der Springstaarten (Collembola), aan de andere heeft men den naam

van Franjestaarten (Thysanura) laten behouden.

De Springstaarten (Collembola), hebben niet meer dan 6 leden in

't achterlijf, dat (bij enkele soorten slechts gedurende den

kiemtoestand) aan de buikzijde van het 4e of 5e segment voorzien

is van een eigenaardigen toestel (de springvork), die met geen der

achterlijfsaanhangsels van andere Insecten vergeleken kan worden. Met

de springvork kan het dier werkelijk reusachtige sprongen doen. In

rust is zij naar voren omgeslagen en wordt in dezen toestand

vastgehouden door een zeer klein "haakje", dat tusschen hare beide

tanden ingrijpt. Bij den sprong wordt de weerstand van het haakje

overwonnen door de buitengewoon krachtige spieren, die de vork bewegen,

haar met kracht tegen den bodem of tegen den waterspiegel drukken en

het dier door de lucht doen schieten; bij het neerkomen is de vork

reeds weer toegeslagen en voor een tweeden sprong geschikt. Van de

andere lichaamsdeelen valt op te merken, dat aan elke zijde van den

kop een 4- à 8-ledige spriet en een groep van hoogstens 8 enkelvoudige

oogen voorkomt. Bijna alle Springstaarten leven op vochtige plaatsen,

sommige zelfs tijdelijk of voortdurend aan de oppervlakte van 't

water. Zij voeden zich met zeer kleine zwammen of algen.

Hier te lande ziet men in de lente niet zelden in grooten getale

aan de oppervlakte van stilstaand water de loodgrijze, 1 mM. lange

Waterspringstaart (Podura aquatica).

Een van de bontste Europeesche soorten is de Ruige Springstaart

(Orchesella villosa), wiens geelrood lichaam met zwarte banden

prijkt. In gezelschap van den Loodgrijzen Springstaart (Podura plumbea)

leeft hij in 't kreupelhout onder afgevallen bladen. Beide zijn 3.37

mM. lang.

De 1.5 mM. lange, geelachtig grijze Sneeuwvloo (Degeeria nivalis)

wordt 's winters in het kreupelhout soms in zoo grooten getale op de

sneeuw gevonden, dat deze er uitziet, alsof men haar met grof buskruit

had bestrooid.

De 2 mM. lange, zwarte, ruig behaarde Gletschervloo (Desoria glacialis)

bewoont gewesten, waar de zon niet anders beschijnt dan ijs, ijskoud

water en rotsen en de onderste luchtlaag nauwelijks boven het smeltpunt

kan verwarmen, maar waar toch nog kleine plantjes (algen) groeien,

die aan dit diertje voedsel verschaffen.

De Franjestaarten i.e.z. (Thysanura) heeten zoo, omdat het laatste

segment van 't 10-ledige achterlijf 2 of 3 lange, veelledige, borstelig

behaarde staarten draagt. Aan den achterrand van het buikschild

van 2, 3, 6 of 9 der overige segmenten hebben zij een paar ongelede

buikstiften, die als rudimentaire ledematen beschouwd en bij het loopen

afwisselend naar voren en naar achteren bewogen worden, waardoor deze

Insecten eenigszins aan de Duizendpooten en bijgevolg aan den oervorm

der Gelede Dieren herinneren. (Stiften komen overigens alleen voor

bij de mannetjes van vele echte Rechtvleugeligen en de wijfjes van

de Glazenmakers, doch uitsluitend aan het voorlaatste segment.)

De Gewone Suikergast, ook wel Zilvervischje en Mot of Schietmot,

in Groningen ook wel Snoekje genoemd (Lepisma saccharina), heeft

buikstiften aan het 8e en het 9e segment. De kop draagt 2 lange,

veelledige sprieten en 2 kleine, ronde, 12-lenzige oogen. Het

langwerpige hoogstens 10 mM. lange lichaam is met schubben bekleed,

aan de bovenzijden zilverkleurig, aan de onderzijde, evenals op de

sprieten en de pooten, geelachtig. Dit Insect vestigt zich vooral in

oude gebouwen, in reten van 't hout, in oude meubels en boeken, in

linnenkasten, provisiekamers, privaten, enz.; het zoekt voornamelijk

's nachts zijn voedsel, dat uit allerlei eetwaren, bij voorkeur zoete

stoffen, doch ook uit wollen goederen en andere weefsels, papier,

leer, enz. bestaat. Bij dreigend gevaar beweegt het zich zeer vlug.

Een dagdier is daarentegen de Zeemot (Machilis maritima), die

men bij warm, zonnig weer op de steenglooiingen onzer zeedijken

bezig ziet met het opsporen van de rottende plantaardige stoffen,

waarmede zij zich voedt. Bij ongunstige weersgesteldheid vindt men

haar verborgen onder kleine steenen. Tot een vlugge en behendige,

huppelende beweging wordt zij in staat gesteld door de stiften, die aan

alle achterlijfssegmenten, behalve het 1e en het 10e, doch bovendien

aan de heupen van de achterpooten voorkomen. In vorm en grootte

gelijkt zij veel op den Suikergast; de sprieten en de middenstaart

zijn minstens even lang als het lichaam. Haar kleur is grootendeels

glanzig bruinzwart. De oogen, die elkander boven op den kop raken,

bevatten ieder 400 à 500 facetten.

Andere soorten van het geslacht Machilis komen in humusrijken

grond voor, evenals de blinde tweestaartige, geelwitte, hoogstens

6 mM. lange Rupsmot (Campodea staphylinus), die aan het 2e tot 7e

achterlijfssegment stiften draagt en als het laagst ontwikkelde van

alle Insecten wordt beschouwd.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten · 第 18 / 21 题