ZESDE ORDE.

DE NETVLEUGELIGEN (Neuroptera).

Linnaeus vereenigde onder bovenstaanden naam alle Insecten, welker

vleugels min of meer volkomen netsgewijs geaderd zijn, in een orde. Een

aantal leden van deze groep, zooals de Glazenmakers en hunne verwanten,

werden, daar bij hen geen volkomen gedaantewisseling voorkomt, uit de

orde der Netvleugeligen verwijderd. Hierin vatten wij dus (na deze

beperking) alle Insecten samen, die een volkomen gedaantewisseling

ondergaan, bijtende monddeelen bezitten, een vrij voorborststuk

en gelijksoortige, vliezige voor- en achtervleugels hebben. Met

uitzondering van het vrije voorborststuk, dat niet sterk in 't

oog valt, komt deze omschrijving woord voor woord overeen met die,

welke van de Vliesvleugeligen gegeven wordt; toch zal men de leden

van beide orden niet licht met elkander verwarren. De Netvleugeligen

hebben alle een langwerpige gedaante, zijn teer en week van lichaam:

geen hunner is met zulk een stevige chitinelaag bedekt als die,

welke alle Vliesvleugeligen, zoowel de grootste als de kleinste,

bezitten. Hier komt nog bij het verschil in maaksel der monddeelen,

die te recht naar hun vorm bijtend worden genoemd, hoewel zij dikwijls

wegens hun zachtheid niet voor het bijten dienen. Voorts maken de

vleugels, die een veel grooter aantal cellen vertoonen, meestal veel

langwerpiger zijn en in grootte en vorm nagenoeg overeenkomen, als

ook de bouw van het middenborststuk een vergissing onmogelijk. Wel

kan het soms moeielijk zijn de geslachtsrijpe Insecten van deze orde

steeds met zekerheid te onderscheiden van die der volgende, omdat

het voornaamste kenmerk van beide op de gedaantewisseling berust,

die men aan het volkomen Insect niet kan waarnemen. Hoewel de orde

der Netvleugeligen kleiner is dan alle vroeger beschouwde orden (met

uitzondering van die der Vlooien), niet meer dan een 1000-tal soorten

omvat, is zij veel minder natuurlijk, minder scherp begrensd. Wij

zullen haar in 3 onderorden verdeelen, die men tegenwoordig meestal

den rang van orden waardig keurt: de Platvleugeligen (Planipennia), de

Kokerjuffers (Trichoptera) en de Plooivleugeligen (Strepsiptera). De

beide eerstgenoemde treft men reeds in de oudste formaties van het

secundaire tijdvak aan, vrij talrijk echter in tertiaire lagen,

vooral in barnsteen, waarin ook een Plooivleugelige werd gevonden.

De Platvleugeligen (Planipennia) hebben vier gelijke of zeer weinig

van elkander verschillende, naakte, netswijs geaderde vleugels,

waaraan geen plooibaar gedeelte voorkomt. De monddeelen zijn bijtend

en goed ontwikkeld. Hunne larven leven meestal niet in 't water. Deze

onderorde omvat drie familiën: de Breedvleugeligen (Megalopteridae),

de Sialiden (Sialidae) en de Schorpioenvliegen (Panorpidae).

Tot de eerste behooren de merkwaardige Mierenleeuwen (Myrmeleon,

juister: Myrmecoleon), die gemakkelijk herkend en van Glazenmakers

onderscheiden kunnen worden aan hunne korte, platgedrukte, naar den

top knotsvormig verdikte sprieten en de 4 langwerpige, spits eindigende

bijna gelijke, netswijs geaderde vleugels. De ronde, ongedeelde oogen

puilen sterk uit en verschaffen aan den korten kop een groote breedte;

de hoornachtige kaken zijn zeer goed voor 't bijten geschikt.

Bij ons is de meest gewone, maar toch nog vrij zeldzame soort van

Mierenleeuw, Myrmeleon formicaleon. Slechts één enkele maal werd

hier Myrmeleon formicarius (fig. a) gevonden, die trouwens van

de vorige niet anders verschilt dan door donkere vlekjes op de

vleugels en betrekkelijk korte sprieten, die minder lang zijn dan

kop en borststuk te zamen genomen. De hoofdkleur is grauwzwart, op

den kop en het borststuk geel gevlekt, aan den achterrand der ringen

lichtbruin, op de pooten geelbruin. Beide houden zich bij voorkeur

in de naaldhoutbosschen van de Middel- en Zuid-Duitsche zandstreek

op en vliegen van Juli tot September. Op zonnige hellingen, vooral

onder de beschutting van boven den grond uitstekende boomwortels,

slaat de larve, die meer bepaaldelijk den naam van "mierenleeuw"

verdient, haar woning op. Deze bestaat (fig. b) uit een kleinen, in

't zand uitgeholden trechter, op welks bodem zij zich verbergt en met

opgeheven kaken op de loer ligt. Als buit verlangt zij Mieren en andere

Insecten, die door een misstap in den trechter vallen. Onmiddellijk

worden deze gegrepen en uitgezogen; met dit doel is de bovenkaak

lang en dun en over haar geheele lengte van een diepe, overlangsche

groeve voorzien, waarin zich de tasterlooze, borstelvormige onderkaak

op en neer beweegt en als een zuiger in een pompbuis werkt. Om haar

slachtoffer te kunnen grijpen zijn zintuigen noodig; aan elken hoek

van den voorrand van den grooten, bijna hartvormigen kop bevinden

zich 7 enkelvoudige oogen en een korte spriet.

Bij 't graven van zijn trechter loopt de "mierenleeuw" aanhoudend

bij rukken in een kring achteruit. Hij maakt op deze wijze eerst

een kringvormige groeve, waarvan de wijdte evenredig is aan zijn

eigen grootte en welks buitenrand de grens van zijn toekomstige

woning is. Hierbij werkt hij voortdurend met het achterlijf het

losse zand omhoog en brengt dit met den binnensten voorpoot op den

breeden, platten kop, die het vervolgens met een snellen ruk zoo

krachtig naar buiten werpt, dat het wel 5 cM. ver wegstuift. Om

de nu nog overblijvende, afgeknot kegelvormige zandhoop uit den

weg te ruimen, gaat hij, steeds kleinere kringen beschrijvend, op

dezelfde wijze voort. Nu en dan rust hij even; ook verandert hij

soms van bewegingsrichting en laat den rechtervoorpoot het werk van

den nu vermoeiden linkervoorpoot doen; zoolang hij aan den arbeid

is, veroorzaken zijne vlugge bewegingen een aanhoudenden regen van

zandkorrels in de omgeving van den steeds dieper wordenden kuil. De

binnenste kegel neemt bij iederen omgang af; eindelijk is de kleine

polderjongen in 't middelpunt aangekomen, waar hij zoover onder

't zand kruipt, dat alleen de kaken er boven uitsteken, en wacht

in deze houding zijn slachtoffer af. Daar de Mierenleeuw door zijn

lichaamsbouw niet geschikt is om groote tochten te ondernemen, legt

zijn moeder de eieren steeds op zulke plaatsen in 't zand, dat hare

jongen onmiddellijk in de gelegenheid zijn om den arbeid te verrichten,

die voor hun verdere ontwikkeling volstrekt noodig is. Het spreekt

vanzelf, dat de mierenleeuw niet voortdurend denzelfden trechter

blijft bewonen; naarmate het diertje in omvang toeneemt, heeft het ook

een grooter kuiltje noodig; bovendien kunnen verschillende oorzaken

instortingen teweegbrengen en kan ook gebrek aan voedsel het bouwen

van een nieuwe woning noodig maken. De trechter van een volwassen larve

is 5 cM. diep en heeft van boven een middellijn van ongeveer 7.8 cM.;

deze verhouding is echter niet standvastig en hangt ongetwijfeld voor

een deel van de gesteldheid van den bodem af. Niet altijd verkrijgt de

loerende roover zonder moeite en krachtsinspanning de slachtoffers,

welker leeggezogen lijken hij buiten den trechter slingert. Een Mier

of een even groot Kevertje wordt spoedig gedood. Meer weerstand bieden

grootere dieren, zooals kleine rupsen, Pissebedden of Spinnen, die het

ongeluk hebben van in den afgrond te storten--soms eerst nadat hunne

pogingen om naar boven te klauteren verijdeld werden door den vijand,

die uit alle macht zijn moordhol begint uit te diepen en hierdoor

den grond onder de voeten van het Insect, dat op de helling staat,

in beweging brengt. Ook voor een dapperen en weerbaren vijand deinst

de mierenleeuw niet af. Bonnet ving een onder dorre bladen en tusschen

gras levende Spin (Pardosa saccata), kenbaar aan den witten eierzak ter

grootte van een erwt, dien zij in 't voorjaar, vastgekleefd aan haar

buik, medevoert, en wierp haar in den kuil van een mierenleeuw. Het

zakje werd gegrepen, voordat de Spin het gevaar kon ontloopen; een

hevige strijd ving aan: beide kampioenen rukten zoolang, de eene in

boven-, de andere in benedenwaartsche richting, aan den zak, dat deze

ten slotte los geraakte. Toch gaf de Spin den strijd niet op, maar

keerde zich om en greep het eierennestje met de kaken; het baatte niet:

de stevig in 't zand vastzittende roover kon meer kracht oefenen dan

de ongelukkige moeder, die, hoe zij zich ook weerde, moest toezien,

dat haar dierbaarste bezitting onder het zand verdween. Zelfs nu

wilde zij niet wijken, putte zich uit in vruchtelooze pogingen om

haar kroost te redden en zou het slachtoffer van haar moederliefde

geworden zijn, indien Bonnet haar niet met geweld uit den trechter

verwijderd had.--Volharding en list vergoeden bij den mierenleeuw,

hetgeen de natuur haar onthield. Maanden lang kan hij vasten, welke

eigenschap voor hem van groot belang is, daar hij soms in geruimen

tijd, bij vochtig weer b.v., niets vangt. Eerst in het tweede jaar

is deze larve volwassen; haar overgang in den poptoestand kan men

in den zomer, op zijn vroegst in het begin van Juni, waarnemen. Te

dien einde kruipt zij onder den top van haar trechter iets dieper dan

gewoonlijk in 't zand, schuift het uiteinde van haar achterlijf als een

verrekijker uit tot een weeke, beweeglijke buis en spint hiermede witte

zijden draden, die aan de naburige zandkorrels samenhang geven en een

lossen, bolvormigen cocon doen ontstaan; haar wand is van binnen met

een dichtere en gladdere laag draden bekleed. In de huid van de larve

ontstaat achter den kop een barst, waardoor de pop ontwijkt. Uitgebroed

door het zand, dat dikwijls gloeiend heet is, schrijdt de ontwikkeling

van de pop snel voort. Na 4 weken verbreekt zij haar cocon aan den

top en komt er halflijfs boven uit (fig. c); de huid barst open en het

vliegende Insect verlaat zijn gevangenis. De slanke "Mierenleeuwjuffer"

aanschouwt het eerste levenslicht steeds in de avonduren, hetgeen in

verband staat met haar nachtelijke levenswijze. Het wijfje legt een

gering aantal eieren met harde schaal; deze is eenigszins gekromd en

geelachtig van kleur, doch aan het dikste einde rood. Nog vóór den

winter komen de larven voor den dag, die zich dadelijk een trechtertje

uithollen en in den schralen tijd in 't zand winterslaap houden.--In

warmere gewesten komen "Mierenleeuwjuffers" voor, die bijna 2-maal

zoo groot zijn als de inheemsche.

De Gaasvliegen (Chrysopa) zijn tamelijk kleine Netvleugeligen, die

door de borstelvormige, nooit in een knop eindigende sprieten en als

larven door hare ongetande zuigkaken duidelijk van de Mierenleeuwen

verschillen. De Gewone Gaasvlieg (Chrysopa vulgaris, fig. a) herkent

men aan de vleugels, die zoo doorzichtig zijn als glas en effen

groene (soms groenachtig gele of vleeschkleurige, doch in geen geval

gedeeltelijk zwarte) aders hebben, aan het grasgroene, met een gele,

overlangsche lijn geteekende lichaam en aan de lichtgele sprieten,

tasters en voetleden. Aan de goudgele oogen dankt het geheele geslacht

haar wetenschappelijken naam.

Zeer eigenaardig is de wijze, waarop dit Insect zijne witte eieren

(fig. g) aan bladen of boomstammen bevestigt. Het drukt de spits

van 't achterlijf tegen het bedoelde voorwerp, heft haar zoo hoog

mogelijk op, brengt op deze wijze een stijf, wit draadje voor den

dag en voorziet dit aan den top van een knopje, dat door het ei

wordt gevormd. Het geheel ziet er uit als een schimmelplantje en

werd vroeger werkelijk als zoodanig beschouwd. Weldra ontstaat er

aan de bovenzijde van het ei een opening, waaruit een slank diertje

te voorschijn komt, dat, zoodra het een weinig grooter geworden is,

licht opgemerkt wordt tusschen de Bladluizen en daarom "bladluisleeuw"

(fig. c.) werd genoemd. De volwassen larve hecht een aantal zijden

draden, die uit de spits van haar achterlijf komen, aan een blad

(fig. e), tusschen dennenaalden (fig. f) of op een andere plaats,

waar zij het laatst verblijf hield, vast en omwikkelt zich vervolgens

met een tamelijk stevigen, bijna bolvormigen cocon, waarbinnen zij

zich verpopt. De Gewone Gaasvlieg is over geheel Europa verbreid en

komt ook in het zuiden van Afrika voor. Van de 14 inheemsche soorten

van dit geslacht zijn 8 gewoon of althans niet zeldzaam.

Ten onrechte dragen de Landjuffers (Hemerobius) een wetenschappelijken

naam, die "slechts één dag levend" beteekent. Evenals de Gaasvliegen,

doch minder talrijk, ziet men ze gedurende den geheelen zomer tot

laat in het najaar op struikgewas in tuinen en bosschen, vooral op

eikenhakhout, waar zij in dezen tijd, nu het aantal Insecten zoo

gering is, licht in 't oog vallen. De Landjuffers houden zich echter

meer verborgen of zitten hooger. Weldra zoeken beide een beschut

plaatsje op, waar zij de breede vleugels om het lichaam wikkelen en

in winterslaap vervallen. Gewoonlijk bedekken de rustende vleugels

daksgewijs het lichaam. Die van de Landjuffers hebben dan een

bijzonder steilen stand; bovendien zijn zij zeer breed en dikwijls

gevlekt of over hun geheele oppervlakte gekleurd. De sprieten zijn

parelsnoervormig.

De Ruige Landjuffer (Hemerobius hirtus, fig. h) is zwartbruin, met

uitzondering van de pooten en het voorborststuk, die bruinachtig geel

zijn; haar lichaam is 6.5 mM., de voorvleugel 8.75 mM. lang.

De larven van de Landjuffers gelijken op de "bladluisleeuwen", waarmede

haar levenswijze overeenstemt: zij zijn echter meer gedrongen van bouw,

hebben zeer korte en breede zuigkaken, dikke sprieten en dikke, korte

hechtkussentjes aan de korte pooten. Men treft bij haar dikwijls een

zeer eigenaardige vermomming aan, die, naar het schijnt, dienen moet

om hare vijanden af te schrikken. De overblijfselen van de leeggezogen

Bladluizen werpen zij zich n.l. op den rug, waar deze huidjes met

den drek, die eveneens op den rug wordt bewaard, een soort van zak

vormen. De larven van sommige soorten van Gaasvliegen doen evenzoo.

De Kameelhalsvliegen (Rhaphidia) verdienen dezen aan het Duitsch

ontleenden naam wegens de langwerpige gedaante en de groote

beweeglijkheid van haar voorborststuk, dat smaller is dan de kop en

hierdoor op een hals gelijkt. Als voorbeeld van dit bij ons door 5

soorten vertegenwoordigde geslacht beschrijven wij de 10 mM. lange,

zwarte, Diksprietige Kameelhalsvlieg [Rhaphidia (Inocellia)

crassicornis], die zich van verwante soorten onderscheidt door

het ontbreken van de bijoogen en van de dwarsader in de roodbruine

vleugelstip (pterostigma), die de eenige vlek vormt in de overigens

glasheldere vleugels. In Juni zoekt zij op boomstammen, vooral op

eiken, haar uit kleine Insecten bestaanden buit.

De larve leeft onder boomschors of onder de haar bedekkende laag

mossen en korstmossen en voedt zich met de hier voorkomende kleine

diertjes. In den regel vindt men er niet meer dan één op elken

stam. Zij is een slank en behendig diertje, dat een flink gebruik

weet te maken van de zes borstpooten en van het als zevende poot

diende, benedenwaarts gerichte, laatste segment. De larve is reeds

vóór den winter volwassen en gaat in 't voorjaar in den poptoestand

over. Vooraf verbergt zij zich in een reeds aanwezige of door haar zelf

gegraven holte, evenals vóór de overwintering. Een cocon vervaardigt

zij niet. Kort voordat de pophuid zich opent om het imago te laten

ontwijken, maakt de pop gebruik van hare ledematen en zoekt een

geschikt plaatsje op voor haar laatste gedaantewisseling. Eerst na

deze vervelling verkrijgt het voorborststuk zijn buitengewone lengte.

De Gewone Watergaasvlieg (Sialis lutaria) herinnert door de houding van

haar lichaam aan de Kokerjuffers, in welker gezelschap zij bij ons en

in geheel Europa in Mei en Juni overal aan waterkanten te vinden is;

zij rust op de hierboven (fig. 4a) aangeduide wijze op waterplanten,

boomstammen, planken of muren, tenzij de verwarmende stralen van de zon

haar uitlokken tot een schommelende en plompe beweging door de lucht

(fig. 4). Ofschoon zij zich bovendien soms loopend een eindweegs van

haar rustplaats verwijdert en dit tamelijk vlug doet, maakt zij toch

den indruk van een traag en plomp dier, dat gemakkelijk gevangen kan

worden. De sterk "berookte" vleugels blijven doorzichtig en worden

door dikke aders gesteund. Het voorlaatste lid van den 5-ledigen voet

is hartvormig. Het lichaam is donker bruinzwart met een bruingele

vlek aan den wortel van de randader der voorvleugels.

Het wijfje legt op planten en andere voorwerpen in de onmiddellijke

nabijheid van het water hoogstens 600 eieren in groote, bruine groepen

(fig. 4a); alle eieren zijn zeer regelmatig op reeksen en overeind

geplaatst (fign. 1 en 1a). Na weinige weken komen de nietig kleine

larven voor den dag en begeven zich naar beneden in het water, waar

zij van roof leven en zich kruipend en zwemmend, met slangsgewijze

kronkelingen van het lichaam zeer vlug bewegen (fig. 2). Evenals de

larven van de Kameelhalsvliegen, hebben zij gewone, bijtende kaken

(geen zuigkaken). Het achterlijf draagt 7 paar tracheënkieuwen

(fig. 2a). In Maart of April van het volgende jaar verlaat de larve

het water en verandert aan den oever, in den grond of tusschen mos

(zonder cocon), in een vrije pop (fig. 3).

Van een derde familie van Platvleugeligen is de Gewone Schorpioenvlieg

(Panorpa communis) een hier te lande overal tusschen het gebladerte

voorkomende vertegenwoordiger. Dit zonderlinge Insect, dat gedurende

den zomer het struikgewas voor de andere leden zijner klasse onveilig

maakt, herinnert door de houding van zijn lichaam eenigszins aan een

Glasvlinder. Zijn volksnaam dankt het aan den vorm van het achterlijf

van 't mannetje, welks laatste segment wel is waar niet in een

knobbelvormig gezwollen gifklauw, maar in een dikke hechttang met

2 beweegbare haken eindigt, die dreigend bovenwaarts gericht wordt

gedragen, maar volstrekt niet als wapen dient. Bij alle leden der

familie is de kop benedenwaarts verlengd tot een snavel, aan welks

einde de mondopening zich bevindt, die door kleine, maar scherpe,

bijtende monddeelen is omgeven. De genoemde 13 à 15 mM. lange soort is

grootendeels glanzig zwart; het schildje en de pooten hebben echter

een gele, de snavel en (bij het mannetje) ook de 3 laatste segmenten

van het achterlijf een roode kleur. De gevangen Schorpioenvlieg laat

zich voeden met appels, aardappels, doode Vliegen en rauw vleesch en

neemt dus, wat zij krijgen kan. In de vrije natuur toont zij zich een

koene roover, schroomt niet een Glazenmaker, die vele malen grooter

is aan te vallen, op den grond te werpen, hem den snavel diep in

't lijf te boren en vervolgens uit te zuigen. Niet zelden jaagt zij

zelfs den insectenverzamelaar schrik aan door plotseling van tusschen

de bladen naar buiten te schieten. Zoo vrank en vrij de Vlieg leeft,

zoo verborgen is de schuilplaats van de larve en van de pop, die

beide den vochtigen grond bewonen. Daar de geheele ontwikkelingsduur

gemiddeld slechts 9 weken bedraagt en de eerste Schorpioenvliegen zich

in het begin van Mei vertoonen, is het zoo goed als zeker, dat ieder

jaar twee generaties oplevert, waarvan de laatste deels als larve,

deels als pop overwintert. De larve wordt 15 mM. lang en gelijkt

wel eenigszins op een bastaardrups; behalve 3 paar hoornachtige

borstpooten, bezit zij aan elk der eerste leden van het achterlijf

een paar buikwratten, die bij de voortbeweging als valsche pooten

dienst doen. Aan weerszijden van den kop komt een groep van éénlenzige

oogen voor, die gezamenlijk op één groot oog gelijken. Uit het laatste

segment kan een vierdeelig orgaan worden uitgestulpt, dat als middel

tot aanhechting dient, terwijl het lichaam wordt opgericht. Zij heeft

bijtende monddeelen en eet in de gevangenschap rauw vleesch.

Bij de tot dusver beschouwde Netvleugeligen zijn beide paren vleugels

gelijksoortig, neemt men althans geen plooiing van de achtervleugels

waar en hebben de bovenkaken een hoornachtige geaardheid. In deze

opzichten wijken de Schietmotten of Kokerjuffers (Phryganeidac) van

hare naaste verwanten af. Hare vleugels zijn aan weerszijden behaard

of geschubd, van weinige dwarsaders voorzien en dus volstrekt niet

netsgewijs geaderd. De achtervleugels zijn meestal breeder, dikwijls

veel breeder dan de stevigere en donkerder gekleurde voorvleugels,

bovendien in rust waaiervorming geplooid, zoodat de voorvleugels, die

in dit geval als een dak op het lichaam rusten en er achter uitsteken,

hen kunnen bedekken. De monddeelen zijn bijtend, doch rudimentair,

meer bepaaldelijk blijven de bovenkaken vliezig.

Door haar levenswijze en ontwikkelingsgeschiedenis stemmen alle

Kokerjuffers in hoofdzaken overeen. In Mei en Juni houden de meeste

zich op bij stroomende en stilstaande wateren, welker oevers zij

verlevendigen, zonder evenwel sterk de aandacht te trekken van den

liefhebber der natuur. Niet voordat de duisternis invalt, beginnen

zij zich flink te bewegen; zelfs kunnen zij dan lastig zijn, door in

grooten getale om en in de vlam van de lamp te vliegen. Over dag zitten

zij op waterplanten en tegen planken of boomstammen, of houden zich

verborgen achter losse stukken schors, waar men ze dikwijls in groote

gezelschappen aantreft. De larven van de meeste Kokerjuffers leven in

't water, bewonen huisjes, die door haar zelf gemaakt zijn en worden

hierom "kokerwormen" genoemd. Zij herinneren dus eenigszins aan de

Zakdragers, terwijl ook de geslachtsrijpe Insecten aan Vlinders,

n.l. aan Motten, doen denken. Om een oppervlakkige voorstelling te

verkrijgen van de verschillende bouwstoffen en bouwstijlen dezer

"kokertjes" beschouwe men de afbeelding. Sommige kokerwormen

maken gebruik van zandkorrels (fign. 1, 2 en 5) of van grootere

steentjes (fign. 3 en 4); andere bezigen als bouwstof slakkehuisjes

(fig. 6), bij voorkeur van Schijfhoornslakken (Planorbis), waarvan

sommige dikwijls nog bewoond zijn, of ook wel schelpjes van kleine

Plaatkieuwige Weekdieren; in nog andere gevallen spelen plantendeelen

(fign. 7-10), die vooraf met de kaken op een behoorlijke wijze

gefatsoeneerd zijn, eendenkroos en boomzaden bij het vervaardigen

van de kokertjes een hoofdrol. De keuze van het materiaal hangt af

van de plaatselijke omstandigheden. Alle hier afgebeelde huisjes (met

uitzondering van het in fig. 1 voorgestelde) vindt men in Duitschland

(de meeste ook bij ons) in beken, sloten en plassen, die met planten

begroeid zijn. Hoewel een zelfde soort niet overal en altijd dezelfde

bouwstof bezigt, geeft zij toch aan het huisje denzelfden vorm, of

wijkt althans slechts in zoover eenigszins van den gewonen regel af,

als het verschillende bouwmateriaal haar er toe dwingt. Dat de in

fig. 1 afgebeelde, fraaie woning ook bij nader onderzoek veel op een

slakkehuisje gelijkt, blijkt uit het feit, dat de Noord-Amerikaansche

slakkenkenner Lea haar voor de schelp van een Slak hield, die hij

Valvata arenifera noemde, totdat de Zwitsersche natuuronderzoeker Bremi

in een larve van een Kokerjuffer, door hem Helicopsyche Shuttleworthi

genoemd, de maakster van dit kunstwerk leerde kennen.--Er bestaan ook

gezellig levende Phryganeïden. Frits Müller, die ze voor 't eerst in

de kolonie Blumenau in Zuid-Brazilië waarnam, heeft haar den naam van

"Stroombewakers" (Rhyacophylax) gegeven. Een twaalftal larven vestigen

zich naast elkander in een snelstroomende beek op de bovenvlakte van

een steen, waaraan hare tamelijk grof van plantenvezels en steentjes

vervaardigde kokertjes vastgehecht zijn; iedere woning is voorzien

van een trechtervormig voorportaal; hierboven breidt zich een net

uit, zoo sierlijk, dat geen Spin zich voor dit weefsel zou behoeven

te schamen. Daar de trechter stroomopwaarts gericht is, worden alle

door het water medegevoerde voedseldeeltjes er in opgevangen.

Aan den zeer harden kop van de kokerwormen vindt men aan weerszijden

een éénlenzig oog, doch geen sprieten. De bovenkaken zijn krachtig en

voor 't bijten geschikt, beter ontwikkeld dus dan bij de geslachtsrijpe

Insecten. Aan de onderlip (die met de onderkaken vergroeid is)

bevindt zich op een tepeltje de opening van de groote spinklieren,

welker aanvankelijk vloeibaar product verhardt, zoodra het met

het water in aanraking komt. Het meer of minder harde borststuk

draagt 3 paar gelede pooten. De 7 eerste ringen van het weeke,

9-ledige achterlijf zijn in den regel voorzien van draadvormige

tracheeën-kieuwen (sommige kokerwormen ademen echter door de gewone

huid). Voor het vasthouden van het kokertje dienen vooral 2 meer of

minder lange, met eindhaken gewapende, gelede aanhangsels van het

laatste segment. Kort na het herleven der natuur in de lente is de

larve volwassen; zij spint dan haar kokertje aan een waterplant vast

en sluit het met een deksel, dat van één of meer openingen voorzien

is ten behoeve van de waterverversching. Vervolgens verandert zij in

een vrije pop, soms na vooraf een cocon te hebben gesponnen. Reeds

na weinige weken komen de Kokerjuffers te voorschijn, die men na

Mei algemeen bij waterkanten opmerkt. Het wijfje hecht hare op

geleiklompjes gelijkende eierenhoopjes aan waterplanten en andere

dicht bij 't water gelegen voorwerpen.

Men zou verwachten, dat althans de larven van de Schietmotten door haar

eigenaardige levenswijze voor den aanval van Sluipwespen beveiligd

zouden zijn; toch is dit niet het geval, zooals uit een merkwaardige

ontdekking van Von Siebold blijkt. In Kokerwormen, die tot het

geslacht Aspatherium behooren en een rolrond, glad huisje bewonen,

parasiteeren de larven van Agriotypus armatus. Het wijfje van deze

kleine Sluipwesp begeeft zich onder water en blijft hier zoolang,

tot zij met den korten legboor aan hare eieren in het lichaam van de

Kokerwormen een geschikte woonplaats heeft verschaft.

De 18 à 27 mM. lange Groote Kokerjuffer (Phryganea grandis), die van

Mei tot Juli aan waterkanten zeer algemeen voorkomt, is werkelijk de

grootste inheemsche soort (het mannetje heeft 40 à 62 mM. vlucht). Haar

lichaam is bruingeel, de sprieten zijn leemkleurig met bruine ringen,

de voorvleugels bij het wijfje aschgrauw met bruine vlekken en

2 witte stippen, de achtervleugels geelachtig grijs. Het rechte,

cylindervormige larvekokertje vindt men veelvuldig op den bodem van

stilstaand water met veel plantengroei; het bestaat uit stukjes riet,

spiraalsgewijs aaneengevoegd in den trant van fig. 7.

Een zeer opmerkelijke vorm van parasitisme valt op te merken bij

de Plooivleugeligen (Strepsiptera, Rhipiptera, Stylopidae), over

welker plaats in het stelsel nog verschil van meening bestaat en die

waarschijnlijk in een afzonderlijke orde gebracht moeten worden.

Bij verscheidene soorten van Bijen (o.a. van de geslachten Andrena,

Halictus en Bombus) en Wespen (b.v. Polistes) ziet men soms aan de

rugzijde, tusschen twee achterlijfsringen, een knobbeltje (zelden

2, bij uitzondering meer) naar buiten treden; dit is het voorste

gedeelte van een in haar lichaam parasiteerende Stylopiden-larve,

die nu volwassen is. Zij heeft gedurende haar leven als woekerdier

allerlei vroeger aanwezige organen (oogen, monddeelen, pooten)

en zelfs de geleding van het voorste deel van den stam verloren:

de kop en de 3 voorste rompsegmenten zijn bij dit madevormig wezen

tot een "kopborst" (cephalothorax) versmolten. Alleen deze en de

eerste ring van het 9-ledige achterlijf verheffen zich boven de huid

van de "gestylopiseerde" Bij of Wesp. De meeste, zoover gevorderde

Stylopiden-larven doorloopen, zonder van plaats te veranderen, in 1 of

2 weken het geheele popstadium en worden gevleugelde mannetjes. De

opening, door het afvallen van het bovenste kapje der larvehuid

gevormd, stelt hen tot wegvliegen in staat. De overige vervellen zonder

de larvehuid te verlaten en zonder van vorm te veranderen. Toch zijn

zij nu geslachtsrijpe wijfjes geworden. Zij brengen, na paring, levende

jongen voort uit hare door het geheele lichaam verspreide eieren,

maar sterven spoedig daarna. De larven zijn 0.1 mM. lang, wanneer zij

zich, na het verlaten van de larvehuid der moeder, aan de oppervlakte

van de Bij of Wesp vertoonen. Door dit Insect gedragen, komen zij in

een nest, waar zij in de gelegenheid zijn de hier aanwezige maden

te stylopiseeren. De ontwikkeling van den parasiet houdt ongeveer

gelijken tred met die van zijn gastheer en veroorzaakt dezen, naar het

schijnt, geen nadeel. Hierdoor vormen de Strepsipteren een uitzondering

op hunne bij Insecten parasiteerende beroepsgenooten. Korten tijd

nadat de jonge Bij of Wesp de pophuid verlaten heeft, komt de rijpe

Stylopiden-larve op de hierboven aangeduide wijze te voorschijn.

Het mannetje verkeert gedurende de weinige uren van zijn leven in

groote onrust; hij vliegt of loopt onverpoosd rond; bij het loopen

blijven zoowel de tot stompjes verminderde voorvleugels (a) als

de overlangs geplooide, omvangrijke achtervleugels aanhoudend in

beweging. Aan den kop merkt men onevenredig groote, samengestelde

oogen met zeer grove facetten en 4- à 6-ledige, meestal gegaffelde

sprieten op.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten · 第 16 / 21 题