VIJFDE ORDE.

DE VLOOIEN (Siphonaptera).

Het belangrijkste kenmerk van deze orde leveren de drie borstringen,

die duidelijk gescheiden zijn en zich vrij kunnen bewegen;

zij zijn ieder voorzien van een paar ademgaten en stemmen ook

overigens in maaksel overeen. Aan het rugschild van iederen ring

zijn twee zijstukken verbonden, die zoo verschuiven kunnen, dat men

ze dikwijls ten onrechte voor leden van de pooten heeft gehouden;

ieder zijstuk van het achterste borstsegment draagt een naast het

achterlijf gelegen schildvormig plaatje, dat vroeger ten onrechte

als een rudimentairen vleugel werd beschouwd. De vleugels en de

kolfjes ontbreken geheel. Door haar geschiktheid voor 't springen

overtreffen de Vlooien alle overige dieren; de 3 paren pooten zijn,

evenals het lichaam, zijdelings samengedrukt. Van de voorste tot

de achterste nemen zij in grootte toe. De heup is, vooral aan de

achterpooten, zeer groot en kegelvormig; hiermede vergeleken, zijn

de dij en de scheen (en ook de dijring) klein; de voet bestaat steeds

uit 5 leden. Ook de kop, die met een breed grondvlak aan het borststuk

bevestigd is en met den achterrand over den voorrand van het voorste

rugschild schuift, vertoont eigenaardigheden, die de vereeniging van

de Vlooien in een afzonderlijke orde wettigen. Op de plaats, die bij

de meeste Insecten door de samengestelde oogen wordt ingenomen, komen

in den regel 2 enkelvoudige oogen voor, waarachter de korte, 3-ledige

sprieten zijn aangehecht, die in een groeve verborgen kunnen worden:

het laatste sprietlid is meestal in een aantal plaatjes verdeeld;

bijoogen zooals bij vele andere leden der klasse gevonden worden,

komen hier niet voor. De monddeelen (de bovenlip en 3 paar kaken)

zijn vervormd tot organen voor het steken en zuigen. Het eigenlijke

steekorgaan is samengesteld uit 3 deelen: de zeer lange en smalle

bovenlip, welker gootvormige groeve met de aaneensluitende bovenkaken

een zuigbuis vormt, die aan weerszijden van onderen omhuld is door

de plaatvormige onderkaken met hare korte, vierledige tasters en

overigens door de veelledige, eindstandige tasters van het tot een

onderlip vergroeide derde paar kaken. Het 9-ledige achterlijf is

zeer groot, vooral bij de wijfjes, die bovendien van de mannetjes

verschillen door den vorm der beide laatste segmenten en door het bij

deze holle, bij gene bolle profiel van den rug. Het geheele lichaam

draagt verspreide, lange borstels of doornen.--Kamvormige reeksen van

chitine-stekels aan de onderzijde van den kop en aan den achterrand

van de rugschilden van borststuk en achterlijf leveren belangrijke

kenmerken voor de onderscheiding der soorten. Men kent er tegenwoordig

35, die als parasieten op Zoogdieren en Vogels leven en hun bloed

zuigen; als larven voeden zij zich met allerlei rottende stoffen,

vooral met mest. Haar gedaantewisseling, die voor 't eerst door

Leeuwenhoek werd nagegaan, is volkomen. Vroeger werden alle Vlooien

tot één soort gerekend, thans weet men, dat op nagenoeg iedere door

haar bewoonde diersoort verschillende vormen voorkomen.

De Gewone Vloo (Pulex irritans, fig. 4), die den Mensch tot gastheer

heeft gekozen, verschilt door het gemis van stekelige kammen aan

den kop en de borst van hare verwanten en is over de geheele wereld

verbreid. Vooral in Augustus en September zijn deze diertjes lastig,

in tropische gewesten meer dan in de gematigde luchtstreek. Het 3 à

4 mM. lange, drachtige wijfje legt een 12-tal betrekkelijk groote,

langwerpig ovale eieren in naden van vloeren of in stoffige hoeken. In

den zomer komt na 6 dagen de 2.5 à 3.5 mM. lange larve (fig. 2) uit

het ei; 's winters wordt hiervoor in een verwarmd vertrek een tweemaal

zoo langen tijd vereischt. De slanke, wormvormige larve is wit van

kleur; zij heeft een duidelijk begrensden kop zonder oogen, doch met

2 korte sprieten en kauwende monddeelen, voorts 12 rompsegmenten,

welker achterrand aan de zijden met lange haren bezet is. Deze,

benevens een krans van doornen en twee spitse naschuivers aan 't

laatste segment, doen dienst bij de beweging, die met slangsgewijze

kronkelingen van het lichaam tamelijk snel geschiedt. Na 11 dagen

zijn de larven volwassen, omgeven zich in een kleine holte van

haar woonplaats met een zijdeachtigen cocon en veranderen in vrije

poppen. De geheele gedaantewisseling duurt ongeveer 4, in den winter,

als de omstandigheden gunstig zijn, 6 weken.--Op kermissen kan men

in zoogenaamde "vlooien-theaters" Vlooien wagentjes zien trekken en

allerlei andere kunstjes verrichten. Om het springen af te leeren zijn

zij een langen tijd opgesloten geweest in platte doozen, waar zij bij

iedere poging om zich in de lucht te verheffen, door een pijnlijken

stoot tegen het deksel aan haar plicht herinnerd werden. Na iedere

voorstelling beloont de dierentemmer zijne sujetten door ze op zijn

arm naar hartelust te laten zuigen.

De Zandvloo (Sarcopsylla penetrans) is in de tropische en subtropische

gewesten van Amerika onder de namen Chique, Chigger, Nigoea, Bicho,

Pique, Toenga, enz. berucht. Men ontmoet haar overal in de nabijheid

van menschelijke woningen of van verlatene nederzettingen, waar de

voor haar noodige droogte en warmte niet ontbreken. Eerst na de paring

dringt het 1 mM. lange wijfje in de huid van warmbloedige dieren door;

bij menschen vestigt zij zich bij voorkeur onder de nagels van den

voet en op andere plaatsen van dit lichaamsdeel. De mannetjes zuigen

op dezelfde wijze als de Gewone Vloo; zij zijn, met uitzondering van

den donker gekleurden inhoud van het spijskanaal, die door de huid

heenschemert, geelachtig. Het wijfje onder de huid is bijna zuiver

wit. Wanneer de plaats, waar zij zich bevindt, niet gewreven of gedrukt

wordt, zwelt haar achterlijf op, tot het de grootte van een kleine

erwt (5 mM. middellijn) heeft bereikt. Geruimen tijd blijft zij in

dezen toestand en veroorzaakt geen merkbaren last, behalve roodheid en

jeukte van de huid van haar gastheer op de beschadigde plaats. Door

deze te wrijven en te krabben neemt de ontsteking aanmerkelijk toe;

uit het verwaarloozen van deze wonde kunnen zeer nadeelige gevolgen

voortvloeien, vooral omdat andere parasieten van dezelfde soort zich

dikwijls bij de ontstane plek vestigen. Kwaadaardige ettervorming en

koudvuur maken dikwijls amputatie van de teenen noodig; zelfs zijn

er gevallen met doodelijken afloop voorgekomen. De zwelling van de

Vloo heeft zeer schielijk plaats; vooraf moet zij echter tot aan

de spits van het achterlijf in de huid doorgedrongen zijn. De zeer

talrijke eicellen ontwikkelen zij hier langzamerhand op zulk een

wijze, dat het rijpste ei altijd het dichtst bij de afvoeropening

gelegen is en door de drukking van de overige eieren, die zich nu

beginnen te ontwikkelen, naar buiten gestuwd wordt. De moeder blijft,

indien zij niet door wrijving of drukking verpletterd wordt, zoo

lang onveranderd, tot zij alle eieren gelegd heeft; deze springen

dus naar buiten en komen niet in het lichaam van den gastheer. De

moeder sterft vervolgens en valt uit haar woonplaats. De verdere

ontwikkeling van de larve en haar leven gedurende den poptoestand

komen in hoofdzaak overeen met de verschijnselen, die bij de Gewone

Vloo voorkomen.--Raadzaam is het in streken, die door de Zandvloo

bewoond worden, zich de teenen dagelijks te laten onderzoeken en

de parasieten, die in de huid zijn doorgedrongen, te rechter tijd te

verwijderen. Dit moet niet geschieden, terwijl de Vloo nog bezig is een

goed plaatsje te veroveren, daar zij, met de monddeelen voortwerkend,

licht verscheurd en slechts bij stukken naar buiten getrokken zal

worden, hetwelk de wonde zou verergeren. Men laat haar vooraf tot

rust komen, en tracht haar, terwijl zij reeds begint te zwellen,

voorzichtig met een naald uit de wonde te halen.--Oorspronkelijk

bewoonde de Zandvloo uitsluitend Amerika; in 1873 werd zij toevallig

door een zeilschip van Bahia naar Afrika overgebracht, waar zij zich

weldra aan den Kongo en in Gaboen voor goed vestigde.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten · 第 15 / 21 题