VIERDE ORDE.

DE TWEEVLEUGELIGEN (Diptera, Antliata).

De Tweevleugeligen zijn gemakkelijk te herkennen, daar zij slechts

twee vleugels hebben. Met den ongeleden, nooit opgerolden zuiger,

die grootendeels door de onderlip wordt gevormd, nemen sommige bloed,

de meeste echter ander vloeibaar voedsel op. De drie ringen van het

borststuk zijn onderling vergroeid. Hun gedaantewisseling is volkomen:

er bestaat een zeer belangrijk verschil tusschen de drie vormen,

waarin het dier achtereenvolgens voorkomt. Door het maaksel van den

stam van het lichaam stemmen de Tweevleugeligen met de leden der beide

vorige orden overeen. De kop is door een dun draadje met het borststuk

verbonden en kan ver naar rechts en naar links gedraaid worden. Van

den eersten der drie borstringen ziet men van boven alleen de beide

schouderknobbels; de tweede is het sterkst ontwikkeld, daar hij de

beide vleugels draagt; het schildje is steeds duidelijk zichtbaar,

meestal zoo groot, dat de rug van het naborststuk er door bedekt

is. De rug van alle 3 ringen te zamen genomen noemt men gewoonlijk

het rugschild. Het achterlijf is zittend of aanhangend, slechts zelden

gesteeld. Het bestaat uit 4 à 8 ringen. Ook door de bekleeding van het

lichaam zijn de Vliegen het naast aan de Vliesvleugeligen verwant;

want, wanneer het niet naakt is, draagt het alleen haren, meestal

borstels, soms een wollige vacht, zooals b.v. sommige Bijen hebben,

hoogst zelden daarentegen schubben, die zoo dikwijls aan de Vlinders

(en ook aan de Kevers) een kleed verschaffen. Elke poot is door een

kegelvormige heup met het borststuk verbonden, heeft een dijring, een

5-ledigen voet, welks eerste lid (hiel) in den regel lang is, terwijl

het laatste twee klauwen draagt; tusschen deze merkt men dikwijls een

bijklauw op; vaker echter komen 2 of 3 zoolvormige kussentjes (paletten

of pulvillen) voor, die de Vliegen in staat stellen om op de gladste

voorwerpen niet minder veilig te loopen dan op oneffene oppervlakten.

De vleugels, waarop dikwijls duidelijk zichtbare, doch vaker

microscopisch fijne haren voorkomen, zijn bij sommige soorten

glashelder, bij andere in meerdere of mindere mate ondoorzichtig, bij

nog andere op sierlijke wijze bont gevlekt. Daar de Tweevleugeligen

in andere opzichten zeer gelijkvormig zijn, spelen de vleugels

door de eigenaardigheden van hun aderstelsel een belangrijke rol

bij de onderscheiding der groepen en vereischen daarom een (zij het

ook korte) beschrijving. De overlangsche aderen hebben de overhand,

daarom zijn de meeste cellen langwerpig. Wanneer men de vleugeladers

met eenigen aandacht beschouwt, merkt men, hoeveel verschil haar

vertakking ook aanbiedt, twee hoofdstammen op, die zelfstandig van

den wortel uitgaan en, althans in de nabijheid van hun oorsprong, een

meer of minder breede tusschenruimte overlaten. Altijd zijn deze beide

hoofdstammen door een dwarsader (x) verbonden. In de nabijheid van den

binnenrand ziet men, meestal onduidelijk, soms echter zonder moeite,

een derden, zelfstandig uit den vleugelwortel ontspringenden stam

(g). De voorrand zelf vormt de randader (costa), die bij de nadere

aanduiding der overlangsche aders niet medegeteld wordt. Men heeft

hierbij in het oog te houden, dat drie van deze aders tot den voorsten,

drie tot den achtersten hoofdstam behooren, zoodat in 't geheel

slechts 6 overlangsche aders een rangnummer krijgen; het is tusschen

de derde (c) en de vierde (d), dat de vroeger genoemde verbinding der

beide hoofdstammen door de zoogenaamde kleine of voorste dwarsader,

ook wel eenvoudig dwarsader genoemd (x) tot stand komt. De eerste

overlangsche ader(a) ontspringt uit den vleugelwortel en splitst

zich dikwijls op korten afstand van daar in twee takken. De eene,

de mediastinaalader, is naar boven gericht en eindigt altijd in den

voorrand op een plaats, die men ook wel de randvlek noemt. De andere

tak, die meer bepaaldelijk eerste overlangsche ader (subcostaal- of

onderrandader) heet, mondt eveneens in de costa uit, maar kan zich

ook naar de volgende of tweede overlangsche ader (de radiaalader, b)

wenden, die uit de eerste ontspruit en in den voorrand, dikwijls ook

in de eerste overlangsche ader eindigt. De derde overlangsche ader

(cubitaalader, c) gaat altijd van de tweede uit, of indien deze

ontbreekt, van de eerste. De vierde overlangsche ader (discoïdaal-

of middelader, d) is de bovenste tak van den tweeden hoofdstam;

soms buigt zij zich bovenwaarts naar de derde overlangsche ader en

heet dan topdwarsader. De vijfde overlangsche ader (posticaalader,

e) komt direct uit den vleugelwortel; zij ontbreekt nooit en is als

dikste tak van den tweeden hoofdstam de voornaamste steun van de

achterste helft van den vleugel. Zij mondt uit in den achterrand

of in de zesde overlangsche ader (de anaalader, f), die uit haar

ontspringt. Wanneer verder achterwaarts nog een overlangsche ader

gevonden wordt, komt deze uit den wortel voort, behoort tot den derden

stam en heet okselader (g). Wanneer, zooals in den vleugel van de Mug,

een middel- of discoïdaalcel (5) aanwezig is, gaan hiervan een aantal

overlangsche aders uit, die niet op dezelfde wijze als de overige

gesteld worden, maar eenvoudig als "uit de middelcel ontspringende

aders" worden aangeduid. Bovendien kunnen in den vleugel, behalve

de beide reeds genoemde, nog eenige andere dwarsaders voorkomen,

n.l. de achterste of groote dwarsader (d), die in de nabijheid van

den achterrand de vierde met de vijfde overlangsche ader verbindt, de

voorste worteldwarsader (y), die in andere gevallen tusschen dezelfde

aders een brug vormt, doch zeer dicht bij den wortel gelegen is, waar

ook de achterste worteldwarsader zich bevindt, die de beide volgende

overlangsche aders vereenigt; de schouderdwarsader (humeraalader,

s) eindelijk brengt de eerste overlangsche ader met den voorrand

in gemeenschap.

Bij vele familiën vindt men achter den vleugel nog een meer of minder

groot, enkelvoudig of dubbel vleugelschubje, waardoor de kolfjes

(halteren) geheel of gedeeltelijk bedekt worden. Deze op een steel

rustende knopjes, die licht in 't oog vallen, wanneer zij, zooals bij

de Muggen, "onbedekt" zijn, komen uitsluitend bij de Tweevleugeligen

voor (slechts bij een paar soorten ontbreken zij). Over de beteekenis

der kolfjes zijn zeer verschillende meeningen uitgesproken. Zeker

is het, dat zij overblijfselen zijn van de bij andere Insecten tot

vliegwerktuigen ontwikkelde achtervleugels. Volgens de nieuwste

onderzoekingen dienen zij als stuurorganen bij het vliegen. Anderen

zijn van oordeel, dat zij in de eerste plaats noodig zijn voor de

beweging der "bromringen," dus tot het voortbrengen van de stem, en

eerst hierdoor invloed oefenen op de ademhaling en de geschiktheid voor

het vliegen. Het geluid, dat de Tweevleugeligen maken, komt tot stand,

deels door de trillingen der vleugels, deels door wrijving van de

achterlijfsringen en van den kop, deels door de 4 ademgaten van het

borststuk (2 aan het voorste, 2 aan het achterste segment). Bij de

Vliegen en Muggen zijn de ademgaten van het borststuk in stemorganen

veranderd, bij sommige alle 4, bij andere slechts 2: alleen de voorste

of alleen de achterste. Iedere bromtoestel heeft ongeveer de volgende

inrichting: de talrijke luchtbuizen van het borststuk vereenigen

zich allengs, totdat zij in de nabijheid van ieder ademgat een enkele

buis vormen. Deze verwijdt zich aan het einde tot een halfbolvormige

blaas, welker buitenste opening tevens de rand van het ademgat is en

welker talrijke, door chitine verharde plooien gezamenlijk gesteund

worden door den "bromring", die onmiddellijk onder het ademgat

gelegen is. Door de lucht, welke de tracheeën uitwerpen of in zich

opnemen, worden de chitineplaatjes van de "bromholte" in trilling

gebracht. Daar het dus gevormde geluid met de ademhalingswerktuigen

wordt voortgebracht, mag men het "stem" noemen.

Meestal wordt het grootste deel van den kop ingenomen door de oogen,

die soms naakt, soms behaard zijn, bij vele mannetjes op de kruin

elkander raken, daarentegen bij het wijfje steeds gescheiden blijven,

zij het dan ook slechts door de smalle voorhoofdsstriem. In den regel

zijn drie bijoogen aanwezig.

De monddeelen werden reeds besproken en (in fig. 11) afgebeeld. Bij

de bloedzuigende soorten zijn zij hoornachtig, bij de andere weeker;

de verschillende organen, die bij andere Insecten voor 't bijten of

kauwen dienen, vormen bij gene een steeksnuit, bij deze een schep-

of zuigsnuit.

Het deel van den kop, dat tusschen de sprieten, den binnenrand

der oogen en den mondrand gelegen is, wordt aangezicht (epistoma)

genoemd; de baardvormige beharing, die soms hierop voorkomt,

heet knevel (mystax), in tegenstelling met de bakkebaard (barba),

die het onder de oogen gelegen deel van den kop, de "wangen", soms

bedekt en ook wel aan den onderrand van den mond gevonden wordt. De

alleenstaande haren, die de zijden van het ondergezicht insluiten,

heeten knevelborstels. Niet zelden onderscheiden enkele van de

borstelige haren van het lichaam, vooral van het achterlijf, zich

door dikte en lengte; men noemt ze groote borstels (macrocheten),

als zij een bijzondere vermelding verdienen.

De sprieten zijn volgens twee aanmerkelijk verschillende typen

gebouwd. Bij de Langhoornigen of Langsprietigen (Nematocera) bestaan

zij uit vele leden (soms niet minder dan 36). Bij de Korthoornigen of

Kortsprietigen (Brachycera) worden twee korte, ringvormige grondleden

gevolgd door een grooter eindlid van zeer verschillenden vorm, dat

aan of vóór zijn spits een fijnen sprietborstel draagt.

Bij de meeste Tweevleugeligen begint de ontwikkeling der larven,

evenals bij de tot dusver genoemde Insecten, eerst na het leggen

der eieren. Bij sommige soorten, o.a. bij de bekende Vleeschvliegen

en vele Rupsenvliegen, nemen de bedoelde verschijnselen reeds

vroeger een aanvang en zijn, voordat het ei ter wereld komt,

zoover voortgeschreden, dat de larve onmiddellijk daarna de dunne

eischaal verlaat. Zulke Insecten noemt men ovovivipaar. Bij de

"pupipare" Luisvliegen blijft de larve in de afvoerbuis van de

eieren-voortbrengende organen en voedt zich met het vocht, dat door

een soort van "melkklieren" voor haar afgescheiden en in deze buis

uitgestort wordt, totdat zij rijp is om in den poptoestand over te

gaan, hetgeen onmiddellijk na de geboorte geschiedt.

Te recht worden de larven van de Tweevleugeligen "maden" genoemd. Ware

pooten komen bij haar niet voor; zeer vele zijn zelfs geheel verstoken

van pooten. Sommige hebben aan het eerste rompsegment een onparigen

buikpoot of een paar op valsche pooten van rupsen gelijkende

bewegingsorganen. Bij vele vindt men aan de buikzijde wratten of

kussentjes, die soms naakt, soms met haren of doornen bezet zijn en

bij het kruipen goede diensten bewijzen. Borstgraat noemt men een

chitinestaafje, dat de larven van de Galmuggen aan de buikzijde van

het 3e rompsegment kunnen te voorschijn brengen.

Over 't algemeen is de larve rol-, kegel- of spoelvormig, soms van

boven naar onderen afgeplat, soms van aanhangselen voorzien. Het

hoogst ontwikkeld zijn de "eucephale" larven van sommige Langsprietigen

Muggen. Haar goed ontwikkelde kop draagt sprieten, kaken, die zijwaarts

op elkander werken, en dikwijls ook oogen; hij is bekleed met een

chitinepantser, dat ook de voorste centrale deelen van het zenuwstelsel

(den slokdarmring) beschut.--Bij de ("hemicephale") larven van alle

overige Langsprietige Muggen en van een groot aantal Kortsprietige

Vliegen gelijkt de voorste lichaamsafdeeling op een kop, doordat zij

van sprieten en kaken, soms ook van oogen voorzien is; haar skelet

is echter veel minder volkomen; het omgeeft den slokdarmring niet en

wordt kaakkapsel genoemd.--Zelfs deze eenvoudige beschutting missen

de koplooze (acephale) larven van de Zweefvliegen en van alle Echte

Vliegen (Eumyidae). Haar eerste ring draagt geen andere aanhangselen

dan korte beginseltjes van sprieten en ook deze ontbreken zeer

dikwijls. De zachte huid, die dit segment bekleedt, bevat hoogstens

eenige chitine-strookjes om de hoornachtige mondhaken te steunen,

die bij het losscheuren van voedseldeeltjes en bij het kruipen te pas

komen, doch niet met de kaken der overige larven vergeleken kunnen

worden. Bij de larven van de Luisvliegen zijn ook de mondhaken afwezig.

Bij sommige Dipteren-larven zijn alle rompsegmenten, met uitzondering

van het 2e en het 3e, van ademgaten voorzien, bij andere alleen het

eerste en het laatste. De achterste ademgaten komen dikwijls voor

op groote, duidelijk in 't oog vallende chitineplaten, soms aan 't

einde van een enkelvoudige of dubbele buis. Tracheeën-kieuwen vindt

men bij larven, die voortdurend in 't water verkeeren.

De orde der Tweevleugeligen omvat 2 onderorden--de Rechtnadigen

(Orthorhapha) en de Kringnadigen (Cyclorhapha)--zoo genoemd naar

den vorm van de spleet, die in de laatste larvehuid ontstaat. Deze

is T-vormig bij de leden der eerste onderorde, welker larven alle

"eucephaal" of "hemicephaal" zijn en in mummiepoppen veranderen,

die door de genoemde spleet naar buiten komen. Deze poppen kunnen

haar achterlijf vrijer bewegen dan de Vlinderpoppen; vooral geldt dit

van die, welke in 't water verblijf houden, daar zij tot zwemmen in

staat zijn. Sommige Rechtnadigen, o.a. de Doornruggen (Stratiomyidae),

blijven gedurende den poptoestand in hun laatste larvehuid, die zich

eerst opent, nadat de laatste gedaantewisseling heeft plaats gehad en

het gevleugeld Insect zijn intrede in de wereld doet. De Doornruggen

vertoonen dus een toenadering tot de Kringnadigen. Bij deze komt,

evenals bij de Kevers, een vrije pop voor. Zij blijft omhuld door

de laatste larvehuid, die zich samentrekt tot een "tonnetje",

welks ademgaten met de luchtbuizen van de pop in directe verbinding

staan. Zoodra de Vlieg gereed is, oefent zij drukking uit op het

voorste deel van 't tonnetje, dat hierdoor een kringvormige spleet

verkrijgt, zoodat een dekseltje wordt afgestooten. Naar de wijze waarop

dit geschiedt, verdeelt men de kringnadigen in twee groepen. Sommige

Vliegen (Aschiza) blazen, voordat hun huid hard geworden is, den

geheelen kop op; nadat hierdoor het gewenschte gevolg bereikt werd,

herkrijgt de kop zijn oorspronkelijke grootte. Een voorbeeld leveren

hiervan de Zweefvliegen (Syrphida). Bij andere Kringnadigen, n.l. bij

de Echte Vliegen (Eumyidae) en de Luisvliegen (Pupipara), komt uit

een dwarse spleet, die boven de sprieten gelegen is, een eigenaardig

orgaan, de voorhoofdsblaas, te voorschijn; later herkrijgt deze

blaas haar oorspronkelijken stand en kan alleen na het doorsnijden

van den kop waargenomen worden; de voorhoofdspleet blijft echter

van buiten zichtbaar, hoewel niet altijd duidelijk. De Vliegen,

welke haar bezitten, heeten daarom "Spleetdragers" (Schizophora).

In volkomen ontwikkelden toestand voeden de Tweevleugeligen zich

hoofdzakelijk met vloeistoffen, die direct beschikbaar zijn; vooral

geldt dit van die, welke hun voedsel aan planten ontnemen en voor

't meerendeel alleen van den honig der nectariën gebruik maken. Vele

soorten evenwel, die op dierlijke vochten azen, kunnen deze naar buiten

doen komen door met de monddeelen te steken. Alleen de wijfjes zijn

hiertoe in staat. Vele maken door het uitwerpen van speeksel oplosbare,

vaste stoffen voor opzuiging geschikt, gelijk b.v. de Huisvlieg doet

met een korreltje suiker. Verscheidene, bloemen bezoekende Vliegen

kunnen zelfs stuifmeel fijn wrijven om zich van voedsel te voorzien.

Alle Tweevleugeligen zijn echte lucht- en landdieren, die over dag

hun arbeid verrichten. De meeste zijn klein. Zelfs de grootste

zijn in vergelijking met de Kevers en de Vlinders niet meer dan

middelmatig. Om deze en andere redenen is de studie der Dipteren minder

ver voortgeschreden dan die der vroeger beschouwde Insecten-orden. De

meeste werelddeelen zijn in dit opzicht te weinig onderzocht. Brauer

schat het aantal bekende soorten op ongeveer 30000, waarbij ongeveer

10000 Europeesche. De alleroudste fossiele Tweevleugeligen zijn uit

de tweede formatie van het secundaire tijdvak, uit de lias-lagen,

afkomstig. Talrijke overblijfselen, vooral van Muggen, heeft men in

tertiaire lagen gevonden, vooral in barnsteen (850 soorten).

Hoewel men het aantal soorten bij het naderen van de poolgewesten

aanmerkelijk ziet afnemen, zijn toch de Tweevleugeligen gelijkmatiger

over de aarde verbreid dan andere Insecten-orden. Geen enkele familie

is geheel tot de tropische gewesten beperkt. In noordelijke landen

wordt de geringere verscheidenheid van vormen dikwijls opgewogen door

de meerdere talrijkheid der individuën. Als voedsel voor dieren spelen

vele Vliegen en Muggen, zoowel de larven als de volkomen Insecten, een

zeer belangrijke rol in de huishouding der natuur. Vele gevleugelde

Dipteren hebben bovendien door het bevorderen van de kruisbestuiving

een grooten invloed op de vermenigvuldiging der planten en indirect dus

ook op het leven der dieren. Eenige, b.v. de Roofvliegen (Asilidae)

en de Dansvliegen (Empidae) maken, als roofdieren jacht op andere

Insecten.

Ook de larven spelen dikwijls een belangrijke rol. Vele voeden zich met

rottende overblijfselen van planten en dieren en bespoedigen hierdoor

de omzetting en den kringloop der organische stoffen. Andere leven

parasitisch in andere Insecten, de Tachininen b.v. in Vlinderlarven,

en beperken op deze wijze dikwijls aanmerkelijk de al te snelle

vermenigvuldiging van schadelijke dieren. Een aantal larven, b.v. van

Horzels, parasiteeren in Zoogdieren en brengen hierdoor nadeel

teweeg. Andere beschadigen of vernielen planten; de Hessenvlieg

(Cecidomyia destructor) b.v. is een van de gevaarlijkste vijanden

van den graanbouw. Vele Dipterenlarven, b.v. die van de Galmuggen,

veroorzaken de vorming van gallen. De bloedzuigende Vliegen en Muggen,

de Steekmuggen en de Dazen b.v., behooren tot de lastigste vijanden

van menschen en vee. Sommige, zooals de Afrikaansche Tsetse-vlieg

(Glossina morsitans) kunnen zelfs den dood van sommige onzer huisdieren

veroorzaken.

De meest bekende vertegenwoordigers van de onderorde der Rechtnadigen

(Orthorhapha) en van de afdeeling der Langsprietigen (Nematocera) zijn

ongetwijfeld de Steekmuggen (Culicidae). Deze slanke, langpootige

Insecten hebben 14-ledige, bij het mannetje met lange haren,

bij het wijfje met korte borstels begroeide sprieten en een (soms

zeer langen) steeksnuit. Zij missen de bijoogen. Het rugschild van

het borststuk is bol en vertoont geen dwarsnaad. De smalle, aan de

spits afgeronde vleugels zijn in rust horizontaal boven het slanke,

8-ledige achterlijf gelegen; zij worden gesteund door minstens 6 in

dikte overeenstemmende, overlangsche aders; de randader omgeeft den

geheelen vleugel en heeft bijna overal dezelfde dikte; de aders en

de achterrand zijn dicht bezet met haren, die duidelijk den vorm van

schubben hebben. De larven leven in 't water; zij hebben een duidelijk

begrensden kop, waarop oogvlekjes voorkomen; het borststuk is dik, uit

3 vergroeide ringen samengesteld en niet van een voetstompje voorzien;

het achterlijf is slank en eindigt dikwijls in een adembuis. Al

naar de larven en de poppen voortdurend onder water blijven, of nu

en dan (door het achterlijf ruksgewijs te krommen en te strekken)

naar de oppervlakte stijgen, ademen zij door tracheeënkieuwen of

door adembuizen. Gene kunnen den vorm hebben van gewimperde haren of

van plaatjes en komen gewoonlijk aan het eerste en aan het laatste

rompsegment voor. De adembuizen bevinden zich bij de larven aan het

laatste, bij de poppen aan het eerste rompsegment.

De "Muggen" of "Neefjes" zijn gedurende de zomermaanden, vooral bij

vochtig, warm weer, op vele plaatsen buitengewoon talrijk. In Holland

is de meest gewone soort de 6 mM. lange Piepende Mug (Culex pipiens),

die lichte en donkere ringen op het achterlijf, doch geen donkere

teekening op de pooten en vleugels heeft, behalve de bruine aders. In

sommige streken van andere provinciën schijnt een andere soort,

de Zingende Mug (Culex cantans), die door de ongevlekte vleugels

met de vorige, in andere opzichten, ook in grootte, met de volgende

overeenstemt, algemeener te zijn. In het najaar ziet men veelal de

hiervoren afgebeelde, 8 mM. lange Ringpootige Mug (Culex annulatus),

welke, behalve aan de witte ringen op bruinen grond, die de pooten

en het achterlijf versieren, licht herkend wordt aan de 2 donkere

strepen op den rug van het borststuk en aan de 5 donkere vlekjes op

de vleugels. Hoe lastig deze 3 soorten door haar bloeddorst zijn,

weet ieder, die in een warmen, vochtigen zomer eenigen tijd in een

waterrijke streek heeft vertoefd. Minder algemeen bekend is het

misschien, dat de bedoelde kwelgeesten uitsluitend wijfjes zijn;

de mannetjes schijnen zich alleen met dansen te vermaken.

Dezelfde en andere soorten vormen gedurende den korten, doch warmen

zomer van het hooge noorden boven de meren van de toendra zwermen, die

op wolken gelijken.--In de heete gewesten van Zuid-Amerika noemt men

de Steekmuggen "Mosquitos", een Portugeesch woord, dat Mug of Vlieg

(Musca) beteekent en bij ons vervormd is tot Muskieten. Hiermede

worden niet de leden van één bepaalde soort aangeduid, maar allerlei

bloedzuigende Dipteren, voor een deel leden van het geslacht Culex

(op het eiland Barbados b.v. vooral Culex molestus, C. trifurcatus

en C. pulicaris).--In Suriname heeten zij "Duivelstrompetters". Vele

oorden, vooral rivieroevers, zijn wegens de Muskieten letterlijk

onbewoonbaar.--Aan den Orinoko is de eerste vraag, waarmede men des

morgens een vriend begroet, veelal: "Hoe hebt gij het van nacht

gehad met de Jankudos en Mosquitos?"--Bijna op iederen tijd van

den dag wordt men door deze diertjes gekweld, nu eens door de eene,

dan weer door een andere soort. Alexander von Humboldt zeide reeds

bijna een eeuw geleden: "Tegenwoordig zijn niet de gevaren van de

scheepvaart in kleine bootjes, ook niet de wilde Indianen en de

Slangen, de Krokodillen en de Jaguars, de grootste verschrikkingen

van een reis op den Orinoko, maar de Mosquitos."

Het geslacht der Steekmuggen i.e.z. (Culex) kenmerkt zich door

een draadvormigen steeksnuit, die gedurende het vliegen recht

vooruitsteekt, bij het mannetje korter is dan bij het wijfje, doch

bij beide langer dan kop en borst te zamen. De 5-ledige tasters zijn

bij het wijfje veel korter, bij het mannetje langer dan de snuit

en ruig behaard. Het mannetje heeft dus, daar ook zijne sprieten

vedervormig zijn, op den kop een weelderigen haardos. Nooit zult

gij dezen opmerken aan de Mug, die op uw hand gaat zitten en haar

hol, hoornachtig steekorgaan, dat uit 5 samengevoegde, beweegbare,

draadvormige monddeelen (boven- en onderkaken en onderlip) bestaat,

in uw huid boort, totdat zij een bloedvat bereikt heeft, terwijl de

zachte, gootvormige onderlip, die als scheede dient voor het rustende

wapen, knievormig naar achteren wordt gebogen. Wel zult gij opmerken,

dat het achterlijf van uw nu met volle teugen zwelgende kwelgeest (die

gij aan de zooeven genoemde eigenschappen als een wijfje hebt herkend)

al rooder en dikker wordt. Ieder weet ook, dat de jeukte heviger,

de wonde pijnlijker zal zijn, wanneer de Mug gedurende haar bedrijf

wordt doodgeslagen, dan wanneer men haar rustig laat begaan, omdat in

't eerstgenoemde geval de spits van den snuit in de wonde achterblijft.

De larven van onze stekende Muggen leven bij millioenen in stilstaande

wateren. Een merkwaardig schouwspel leveren deze teere schepseltjes

op, wanneer zij met benedenwaarts gerichten kop aan den waterspiegel

hangen, zoodat de adembuis, die van het voorlaatste segment zijwaarts

uitgaat, lucht kan opnemen. De geringste beweging van het water is

voldoende, om hen van de oppervlakte te verdrijven; met slangsgewijze

kronkelingen van het lichaam begeven alle zich naar de diepte. Hier

blijven zij echter niet lang. Op dezelfde wijze als bij het

onderduiken, komt weldra de eene larve na de andere weder naar boven en

gaat op nieuw met de adembuis aan de oppervlakte hangen.--Te rechter

tijd kromt haar lichaam zich hier in den vorm van een vraagteeken;

door een overlangsche spleet, die achter den kop in het te nauw

geworden chitine-skelet ontstaat, kruipt een diertje van denzelfden

vorm, doch iets grooter van afmetingen, naar buiten. Elke larve moet

3-maal vervellen, voordat zij haar volle grootte, 8.75 mM. bereikt

heeft. Nadat de huid in den nek voor de 4e maal opengebarsten is,

krijgt men de pop te zien, die een minder slanke, meer ineengedrongen

gedaante vertoont en in zijdelingsche richting eenigszins saamgedrukt

is (fig. c). Zij hangt met 2 adembuizen, die achter den kop aanvangen,

aan den waterspiegel en beweegt zich, evenals de larve, doch nu

uitsluitend tot tijdverdrijf en om zich in veiligheid te stellen, naar

boven en naar beneden, door het achterlijf naar het voorste deel van 't

lichaam om te buigen en daarna plotseling te strekken. Ook haar laatste

uur slaat weldra: het barsten der huid bevrijdt de Mug van haar masker;

6 lange pooten gaan voor, een slank, tweevleugelig lichaam volgt hen

na. Het diertje blijft eenigen tijd op de drijvende pophuid rusten

en verheft zich vervolgens in de lucht om, bij zijn leven althans,

nooit meer in het water terug te keeren. Alleen het wijfje komt,

kort voor haar dood, aan den waterkant om eieren te leggen. Te dien

einde gaat zij zitten op een oeverplant of op een drijvend voorwerp,

zoodat zij met de spits van het achterlijf het water kan bereiken;

de langwerpige, van boven spits, van onder breeder eindigende eieren

worden gelegd tusschen de gekruiste, achter het lichaam uitstekende

achterpooten; zij kleven met de zijden aaneen en drijven rechtstandig

in 't water. Op deze wijze ontstaat een voorwerpje, dat op een spits

toeloopend, platboomd schuitje gelijkt en uit 250 à 300 eieren is

samengesteld. Wanneer men bedenkt, dat een wijfje gemiddeld 300

eieren legt, waaruit in 4 à 5 weken geslachtsrijpe Muggen ontstaan,

kan men zich een voorstelling vormen van den oorsprong der ontzaglijke

zwermen, die vooral in vochtige jaren, als er geen gebrek is aan

poelen en plassen, de lucht vullen. De wijfjes van de laatste generatie

overwinteren in allerlei schuilhoeken, vooral in kelders, en zorgen in

't volgende jaar voor het instandhouden der soort.

De Zwammuggen (Mycetophilidae), zoo genoemd naar de planten, waarmede

vele soorten van deze familie zich in den larvetoestand voeden, hebben

2 of 3 bijoogen; de 12- à 17-ledige sprieten zijn meestal langer dan

het borststuk en steken gewoonlijk boogvormig vóór den kop uit; de

snuit is meestal kort en draagt 3- of 4-ledige tasters. De rug van het

borststuk is bol en zonder dwarsnaad; de vleugels zijn groot, de heupen

meestal sterk verlengd. Het rolvormige of zijdelings samengedrukte

achterlijf bestaat uit 6 of 7 ringen. Deze Insecten ontwikkelen zich

uit rolvormige, "eucephale" larven (zonder voetstompjes en meestal

ook zonder oogen), die in een gewoonlijk vrij liggende, rustende

pop veranderen. De meeste Zwammuggen zijn roestgeel; de Rouwmuggen

(Sciara) echter heeten zoo wegens de donkere kleur der vleugels. Deze

zijn in rust horizontaal boven het zijdelings samengedrukte achterlijf

gelegen. De dunne, fijn behaarde sprieten bestaan uit 16, de tasters

uit 3 leden; het laatste tasterlid is verbreed. De heup is middelmatig

lang, de scheen van 2 korte eindsporen voorzien. De pooten zijn in

vergelijking met die der Muggen kort.

De merkwaardigste soort van dit geslacht is de Legerworm-Rouwmug

(Sciara militaris), zoo genoemd, omdat hare bleeke, doorschijnende,

zwartkoppige, 11 mM. lange maden (fig. a) soms tot groote scharen

vereenigd door de wouden trekken. Zij is zwart, op den rug van het

borststuk glanzig met uiterst korte, zwarte haren, op het achterlijf

dof; de kleur der pooten wisselt af van pekbruin tot vuil bruingeel; de

vleugels zijn roetkleurig bruin en iriseerend. Het wijfje (fig. c en d)

is 4 à 4.5, het slankere en zeldzamere mannetje 2.5 à 3.5 mM. lang.--De

nauw verwante Thomas-Rouwmug (Sciara Thomae) wordt veelvuldiger,

des zomers op bloeiwijzen van Schermbloemigen, waargenomen.

Het trekken van groote scharen van maden door de bosschen

heeft dikwijls aanleiding gegeven tot allerlei bijgeloovige

voorstellingen. De eerste berichten hierover (1603) zijn uit Silezië

afkomstig, de latere uit de Saksische hertogdommen, Thuringen,

Hannover, Noorwegen en Zweden. Sommigen voorspelden op grond van de

verschijning van den Legerworm oorlog, andere den uitslag van den

oogst. Volgens de Silezische bergbewoners waren de vooruitzichten

van den landman gunstig, als het madenleger zich naar het dal begaf,

en stond hem misgewas te wachten, als het zich in de tegenovergestelde

richting bewoog; bijgeloovige lieden in het Thuringerwoud beschouwden

de eerstgenoemde beweging als een voorteeken van vrede, de andere als

een voorteeken van oorlog. Nog anderen maakten het verschijnsel tot een

orakel, dat op hun eigen leven betrekking had. Om het te raadplegen,

wierp men een kleedingstuk of eenvoudig een band vóór de trekkende

schare en achtte zich gelukkig, wanneer zij er overheen kroop; het

uitwijken voor zulk een voorwerp voorspelde een spoedigen dood aan

den eigenaar.

Gewoonlijk hebben de verhuizingen van Rouwmuglarven van Juni

tot Augustus plaats. Stel eens, dat ons de aanwezigheid van den

Legerworm in een naburig bosch werd aangekondigd, zooals in Juli

1756 en Augustus 1774 aan de bewoners van Eisenach, en wij ons naar

de aangeduide plaats begaven, wat zouden wij daar dan zien?--Een

grijze Slang, die soms niet minder dan 376 cM. lang is, op de eene

plaats drie vingers, op de andere een hand breed, beweegt zich

langzaam als een Slak, over den bodem van het duistere woud en

maakt wel degelijk een eenigzins spookachtigen indruk. Zij bestaat

uit duizenden en nogmaals duizenden van bleeke maden, die, door de

slijmerige oppervlakte van haar lichaam bijeengehouden, te zamen als

't ware één vreemdsoortig wezen vormen, welks staartgedeelte men

voor een oogenblik met een stokje kan opheffen. Doordat iedere made,

die van dit leger deel uitmaakt, op de gewone wijze zich bewegend,

de achterste helft van lichaam bijtrekt en daarna tastend de

voorste uitstrekt, ontstaat de verplaatsing van de geheele schare,

welker oppervlakte bij den toeschouwer een soortgelijken indruk

teweegbrengt als een langzaam vlietende waterstroom. De gesteldheid

van den bodem en andere omstandigheden, kunnen aanleiding geven tot

allerlei wijzigingen van den optocht. Over kleine hinderpalen trekt

het leger heen, grootere veroorzaken een tijdelijke splitsing in

twee kolommen. Soms verdwijnt een deel onder de bladerenlaag, die

den bodem bedekt, zoodat de processie gedurende eenigen tijd schijnt

te bestaan uit twee afdeelingen, die denzelfden weg volgen; wanneer

zulk een scheiding werkelijk plaats heeft, b.v. door de hoeven van

een paard of de wielen van een wagen, sluiten de verbroken gelederen

zich spoedig weer, geheel op dezelfde wijze als bij de optochten der

processierupsen. Ook heeft men opgemerkt, dat verscheidene scharen

zich na verschillende zwenkingen ten slotte vereenigden.

Uit zorgvuldige onderzoekingen in de vrije natuur, die vele jaren

achtereen werden voortgezet en uit proefnemingen met maden, die in

de gevangenschap werden gekweekt, is gebleken, dat het trekken het

opsporen van geschikte voederplaatsen ten doel heeft. De larven

ontstaan uit hoopjes eieren, die onder een vochtige bladerenlaag

liggen, op plaatsen waar de zonnestralen niet kunnen doordringen. Deze

dieren zijn van nature tot een gezellig leven geneigd. Zij hebben

voor haar ontwikkeling een bepaalden vochtigheidsgraad noodig: te

veel vocht heeft op haar een niet minder verderfelijken invloed als te

groote droogte. Zij voeden zich met de onderste, reeds eenigszins in

ontbinding verkeerende bladerenlaag. Hare eigenlijke geboorteplaatsen

zijn gelegen in oorden, die van nature vochtig zijn door het uit den

bodem opstijgende water en waar de afgevallen bladen van vele jaren

zich hebben opgehoopt. Op dergelijke plaatsen komen de larven 8 à

12 weken na het leggen van het ei tot volledige ontwikkeling; zij

veranderen in poppen (fig. b), die 8 à 12 dagen rusten en daarna

Muggen opleveren, waarbij altijd veel meer wijfjes (fign. c, d)

zijn dan mannetjes.

Vroeg in 't voorjaar, wanneer men nog ternauwernood van lente kan

spreken, ziet men aan de nog dorre grassprietjes, waarlangs de gure

Maartlucht strijkt, plompe, zwarte Vliegen hangen of traag over

het struikgewas wandelen, vooral op plaatsen waar de Bladluizen

zich beginnen te vertoonen; bij warm zonnig weer ziet men ze ook

wel log rondvliegen, waarbij zij de pooten stijf naar beneden laten

hangen. Deze 11 à 18 mM. lange Insecten verdienen den naam van Zwarte

Vliegen (Bibio Marci), die men hun gewoonlijk geeft, niet slechts door

hun glimmend zwarte huid, maar ook door de zwarte haren, waarmede zij

bekleed is. Zij zijn de grootste inheemsche vertegenwoordigers van

de familie der Vliegmuggen (Bibionidae), die, behalve aan de meestal

duidelijk zichtbare beharing van het lichaam, ook kenbaar zijn aan

de kortheid der 9- à 12-ledige laag aan den kop gezeten sprieten,

die bij het borststuk in lengte achterstaan en hierdoor aan de

sprieten der Vliegen herinneren. Voorts hebben zij krachtige pooten

met dikke dijen en groote, weinig geaderde vleugels. Zij ontwikkelen

zich uit "eucephale", volkomen pootlooze, doch dikwijls dwarsreeksen

van borstels dragende larven (fig. a), die van plantaardig voedsel

leven en in vrij rustende (niet door een cocon omhulde) mummiepoppen

(fig. b) veranderen.

Het wijfje van de genoemde soort legt hare 120 à 150 eieren op

bladaarde of andere rottende, plantaardige stoffen, gaarne echter ook

op mest van Runderen of Schapen. De larven overwinteren gezellig in

de losse bladaarde en veranderen eerst in Februari of in het begin

van Maart in een eenigszins bultige, in twee spitsen eindigende pop

van 8.75 à 11 mM. lengte. Ongeveer 14 dagen later verlaten de Vliegen

den grond; op tuinbedden vallen de gaten, waardoor zij naar boven

kwamen, licht in 't oog; gewoonlijk verschijnen de wijfjes het eerst,

een week later de mannetjes.

Bij de Tuin-vliegmug (Bibio hortulanus), welker zwartachtige larven

soms in tuinen schade aanrichten door het afknagen van de fijnste

worteltjes van allerlei gekweekte planten, bestaat een groot verschil

tusschen de beide seksen: het mannetje is zwart, het wijfje steenrood.

Ook de Krieuwelmugjes (Simulidae), die slechts één geslacht (Simulia)

omvatten, behooren tot de kleinste Muggen en naderen door hun bultigen

vorm tot de Vliegen. De breede, melkwitte vleugels hebben een bijna

hoekige spits en zeer bleeke, slechts bij den zoom duidelijker

zichtbare aders. Korte, 11-ledige sprieten, 4-ledige tasters,

een voor 't steken geschikte snuit en het gemis van bijoogen zijn

de belangrijkste eigenaardigheden van den kop. Dikwijls bestaat er

tusschen de mannetjes en wijfjes van dezelfde soort een belangrijk

verschil in kleur en andere eigenschappen. De Krieuwelmugjes komen

in ontzaglijk groote zwermen voor en zouden, wegens hun kleinheid,

allicht onopgemerkt blijven, indien niet de pijnlijke steken van de

bloeddorstige wijfjes onze aandacht trokken. Vele Zuid-Amerikaansche

Muskieten (b.v. Simulia pertinax) behooren tot dit geslacht, welks

"eucephale" larven in 't water leven, evenals de poppen, die een

kokervormig huisje bewonen en van voren tracheeënkieuwen dragen.

De meest beruchte Europeesche soort is de Kolumbatcz'sche Mug (Simulia

Columbaczensis), zoo genoemd naar een dorp in het Servische district

Passarowitz, waar zij volgens het volksgeloof ontstaan zouden in een

rotshol, dat het tooneel was van den strijd tusschen St. Joris en den

Lintworm. In dergelijke holen zoeken n.l. de Muggen bij onweersbuien

een schuilplaats, waaruit zij, zoodra de lucht opklaart, in zwermen,

die op wolken gelijken, te voorschijn komen. In de landstreken

langs den geheelen benedenloop van den Donau verbreiden zij vrees en

schrik onder menschen en vee. Zoo werd b.v. den 26en Juni 1813 uit

Weenen bericht, dat in het Banaat en in een deel van Hongarije vele

honderden stuks Runderen en Zwijnen gedurende de maanden April en

Mei door deze vreeselijke kwelgeesten (die zich in Augustus voor de

tweede maal vertoonen) om 't leven waren gekomen. De bedoelde Muggen

zijn niet grooter dan Vlooien; zij kruipen in de neus, de ooren,

den bek en den aars van het grazende vee, steken het om bloed te

zuigen en martelen de ongelukkige dieren zoo hevig, dat zij als dol

door de weide loopen en, door het jeuken van de spoedig verhardende

gezwellen op de gestoken lichaamsdeelen uitgeput, spoedig bezwijken;

het krachtigste dier kan zich binnen 6 uren doodgehold hebben. Bij

den mensch kruipen de Krieuwelmugjes bij voorkeur in de ooghoeken. De

wijfjes, de eenige, die zich aan bloedzuigen schuldig maken, zijn

veel talrijker dan de mannetjes; zij zijn zwartachtig, over het

geheele lichaam dicht bedekt met stofjes en messing-gele haartjes;

het achterlijf is van boven bruinachtig, van onderen geelachtig wit,

de rug van het borststuk zwartbruin. De sprieten zijn geel. De lengte

van dit Insect varieert van 3.37 tot bijna 4 mM.

De tot dusver behandelde Langsprietige Rechtnadige Tweevleugeligen

stemmen in vele opzichten, vooral ook door den bouw der larven zoozeer

overeen, dat men ze soms onder den naam van Eucephalen samenvat. De

beide familiën van Muggen, die wij nu nog zullen bespreken, zou men

wegens het eenvoudiger maaksel der larven gezamenlijk Hemicephalen

kunnen noemen.

Om verschillende redenen verdienen de Galmuggen (Cecidomyidae)

ten zeerste onze aandacht. Het zijn kleine, dikwijls zeer kleine,

zeer teere mugjes met een middelmatig grooten kop, lange sprieten,

waarvan het aantal leden van 10 tot 36 afwisselt, een korten snuit,

een aan de rugzijde niet door een dwarsnaad verdeeld borststuk,

weinig geaderde vleugels met 3 à 5 overlangsche aderen en zonder

discoïdaalcel, ongespoorde scheenen; het mannetje heeft een uit 9

ringen samengesteld, in een tang eindigend achterlijf, dat bij het

wijfje uit 7 ringen bestaat en zich voortzet in een legbuis.

De breede, stompe, dikwijls behaarde, aan den rand altijd lang

gewimperde vleugels van de Galmuggen i.e.z. (Cecidomyia) hebben

3, hoogstens 4 overlangsche aders, waarvan de middelste vóór de

vleugelspits in den voorrand eindigt. De larven van vele (doch

op verre na niet alle) soorten brengen aan planten misvormingen,

gallen (cecidiën), teweeg. De uivormige, roodwangige uitwassen op de

bovenzijde van beukenbladen ontstaan door den steek van de Beukengalmug

(Cecidomyia fagi), de bijna bolvormige, die aan weerszijden van het

blad van den ratelpopulier zichtbaar zijn, worden veroorzaakt door de

Espengalmug (Cecidomyia polymorpha). De Vruchtengalmug (Cecidomyia

pericarpiicola) brengt kersroode bolletjes voort in de bloeiwijze

van de wilde peen en zoo kunnen allerlei andere plantenteelen van

verschillende planten aan larven van andere soorten van Galmuggen

een woonplaats leveren.

De meeste soorten van Galmuggen ontwikkelen zich uit een bedekte pop,

die na het afwerpen van de laatste larvehuid vrij ligt of nog door

een fijn spinsel omhuld is. Sommige soorten, welker larven meestal op

grassen leven, hebben evenwel een vrije pop, die in de tot een tonnetje

vervormde laatste larvehuid blijft liggen. Dit tonnetje opent zich

echter niet met een deksel, zooals bij de Kringnadige Echte Vliegen,

maar door een overlangsche spleet.

Een van de meest beruchte der op grassen levende Galmuggen is de

in Nederland niet voorkomende Hessenvlieg (Cecidomyia destructor),

zoo genoemd, omdat de landbouwers in Noord-Amerika, die in 1778

hun oogst door dit Insect zagen vernielen, ten onrechte meenden,

dat het naar hun land was overgebracht in het bedstroo van de door

Frederik II, landgraaf van Hessen-Cassel, voor 40 millioen gulden aan

Engeland verkochte 12000 soldaten, die in 1776 onder aanvoering van

generaal Heister op Long-Island landden. De volwassen made (fig. f)

is 3.37 mM. lang. Men vindt dit zeer trage dier tusschen den halm en

de bladscheede van de rogge- of tarweplant, hetzij aan haar onderste

gedeelte of onmiddellijk boven een der beide onderste knoopen; soms

bevat elk dezer ruimten één made, soms een aantal van deze dieren,

hoogstens 9 stuks; alle hebben het voorste deel van 't lichaam naar

onderen gericht. De aanvankelijk kort spoelvormige made verkrijgt

later een meer eivormige gedaante en trekt zich een weinig van de

lichaamshuid terug, waarna deze in een tonnetje verandert, welks

bewoner nu "schijnpop" heet, en in dezen toestand overwintert. Ongeveer

14 dagen vóór het verschijnen van de Vlieg vindt men in het tonnetje

(d) de pop (c). De wijfjes (a, a') zijn veel talrijker dan de

mannetjes; deze zijn vrij geregeld 3, gene 2.7 à 3.75 mM. lang. Het

wijfje is grootendeels fluweelachtig zwart; bijna de geheele buik,

met uitzondering van een nagenoeg vierkante, zwarte vlek op elk van

de 6 middelste leden, is bloedrood; dezelfde kleur hebben op den rug

de geledingsvliezen en een overlangsche middenstreep. Korte, zwarte

haren bedekken bovendien het lichaam, roodachtig gele de 16-ledige

sprieten. Het mannetje is meer bruinachtig en langer behaard, doch

is het gemakkelijkst te herkennen aan den vorm van het achterlijf

(fig. b). In de tweede helft van April begint de zwermtijd, die

ongeveer 5 weken duurt; waarmede niet bedoeld wordt, dat de Mug zoo

lang leeft, maar alleen, dat gedurende dezen tijd, bij de eene vroeger,

bij de andere later, de overgang in den imago-toestand plaats heeft; de

levensduur van het geslachtsrijpe dier bedraagt slechts weinige dagen;

regen en koude kan het niet verdragen. Het wijfje legt 80 à 100 eieren

achtereenvolgens, zonder merkbare rustpauzen, ieder afzonderlijk of

paarsgewijs tusschen 2 overlangsche nerven van een blad. Na weinige

dagen verlaat de larve de eischaal en glijdt langs de bladschijf

tot in de bladscheede, waar zij zich voor goed vasthecht. Gewoonlijk

worden de planten door de maden niet gedood; het onderste deel van

den halm wordt echter zoo beschadigd door het zuigen der parasieten,

dat hij later de aar, die zich dikwijls ook minder goed ontwikkelt,

niet goed kan dragen en door den wind gemakkelijk geknikt wordt; de

akker ziet er daarom in den oogsttijd uit, alsof hij door hagelslag

vernield werd. Vóór den langsten dag zijn de meeste maden volwassen,

de oudste reeds in tonnetjespoppen veranderd, waaruit in September

of reeds in het einde van Augustus de zomergeneratie te voorschijn

komt. De maden van de tweede of wintergeneratie, die aan de nu

zwermende mugjes het leven danken, tasten het jonge winterkoorn

aan, waarvan zoo goed als niets terechtkomt. Vooral in dezen tijd

richt de Hessenvlieg de groote schade aan, waardoor zij zich berucht

heeft gemaakt. Herhaaldelijk, vooral van 1850 tot 1857, heeft zij in

Noord-Amerika, dikwijls ook in Posen, Silezië en andere streken van

Duitschland, in Hongarije en andere landen den oogst doen mislukken.

De familie der Langpootmuggen (Tipulidae) bevat de grootste van alle

Muggen. Door haar lange, veeladerige vleugels en buitengewoon lange

en brooze pooten trekken zij de aandacht, terwijl zij op weiden,

struiken of boomstammen rondloopen. Zij zijn grijs, geel of zwart van

kleur, hebben een rondachtigen kop, groote samengestelde, doch geen

enkelvoudige oogen, veelledige sprieten en een (gewoonlijk korten)

snuit zonder steekborstels, maar met 4-ledige tasters, waarvan het

eindlid steeds langer dan de 3 andere te zamen en dikwijls zweepvormig

verlengd is. Het rugschild van het borststuk is zeer bol en door een

dwarsnaad middendoor gedeeld; het slanke, 3-ledige achterlijf eindigt

bij het mannetje in een hechttang, bij het wijfje in een legbuis. De

rolronde, hemicephale larven, welker 12 rompsegmenten dikwijls weeke

knobbels of borstels, doch geen "buikpoot" dragen, leven gewoonlijk

in den grond van plantaardige stoffen. Zij hebben stevige, dikke,

getande, niet ver beweeglijke, voor 't knagen geschikte kaken, die

onder de bovenlip verborgen zijn, en 2-ledige sprieten. Het laatste

segment is afgeknot en vertoont 4 bovenste en 2 onderste kegelvormige,

meer of minder harde knobbeltjes, waartusschen 2 groote, rondachtige,

donkergekleurde chitine-platen, ieder met 1 ademgat; het geheel gelijkt

dikwijls op een "duivelsmasker". De poppen leven vrij, gelijken op

lange vlinderpoppen, hebben adembuizen aan het voorborststuk, kransen

van doornen aan de achterlijfsringen en knobbels aan het uiteinde van

't lichaam.

De 22 à 26 mM. lange Kool-langpootmug (Tipula oleracea) heeft,

evenals de andere leden van haar geslacht, 12-ledige korte sprieten

en 4-ledige, in een lange draad eindigende tasters. Het rugschild

van het borststuk is bij haar grijs met bruine striemen, het

achterlijf roodbruin; de lichtbruinachtige vleugels hebben een

steenrooden voorrand. De achterpooten zijn bijna 3 maal zoo lang

als het achterlijf. Dit Insect ontwikkelt zich eerst in Juli en

Augustus uit een rolronde, lichtbruine pop, welker op een masker

gelijkend aangezicht aan het voorhoofd 2 bijna knotsvormige hoornen

draagt. Als men in September over een weide loopt, ziet men deze

Muggen overal op haar lange spinnenpooten tusschen het gras aan

den arbeid; door elken voetstap wordt er een opgejaagd, die bij het

bewegen van de lange vleugels een eenigszins ratelend gedruisch maakt,

dat gedeeltelijk veroorzaakt wordt door het fladderen tusschen de

grassprieten, en na een korte vlucht langs den bodem dadelijk weer

in haar graskreupelbosch neerstrijkt. Overal steekt zij, het lichaam

bijna rechtstandig houdend, de legbuis in den lossen grond, om één

of twee eieren aan den schoot der aarde toe te vertrouwen. Binnen

8 dagen verlaten de maden, die men emelten of hemelten, in sommige

streken ook wel hamels of grauwe wormen noemt, de eischaal. Nadat

zij iets grooter geworden zijn, kan men ze in den bodem van het

weiland, in vruchtbaren tuingrond en op eenigszins vochtige plaatsen

van bosschen in de bovenste aardlagen zonder moeite opsporen. Zij

zijn lei- of loodkleurig, van voren dunner dan van achteren, maar

toch aan weerszijden stomp. Zoolang de weersgesteldheid het toelaat,

voeden zij zich met de rottende plantaardige stoffen van den grond,

vervallen daarna in een toestand van verstijving en hervatten in 't

volgende voorjaar dezelfde levenswijze, totdat zij weinige weken vóór

het verschijnen van de Mug in poppen veranderen. De emelten knagen

ook aan fijne wortelvezels en aan de kiemplantjes en zijn hierdoor,

vooral in het voorjaar, schadelijk voor den landbouw. Dit geldt ook van

de larven van andere soorten, o.a. van Tipula maculosa en T. paludosa,

die eveneens "emelten" worden genoemd.

De Kortsprietige Rechtnadigen hebben meestal 3- (soms 5-)-ledige

sprieten; evenals de leden der beide laatstgenoemde familiën,

ontwikkelen zij zich uit "hemicephale" larven, welker kaken evenwel

niet in zijwaartsche richting op elkander werken, niet geschikt zijn

om te bijten, maar wel om te steken, zich vast te haken en te boren.

Hoewel de Dazen of Bremsen (Tabanidae) door haar uitwendig voorkomen

op Echte Vliegen gelijken, stemt haar ontwikkelingsgeschiedenis in

hoofdzaken met die der Langsprietigen overeen. Hare wijfjes zijn even

bloeddorstig als die van vele Muggen en kunnen menschen en vee erg

kwellen. De beschrijving van de Runderdaas of Runderbrems (Tabanus

bovinus), een der meest voorkomende soorten, moge dienen om den aard

van de geheele familie te leeren kennen. De houding van het lichaam en

de vorm zijner deelen blijken uit de afbeelding. Als men den kop van

ter zijde beschouwt (fig. b), ziet men de ver daarbuiten uitstekende,

als scheede voor den zuigsnuit dienende, groote, weekhuidige onderlip,

die in rust eenigszins teruggetrokken kan worden. Zij bevat bij de

wijfjes 6, bij de mannetjes, die de bovenkaken, de echte steekorganen,

missen, 4 steekborstels. Bovendien merkt men de 2-ledige kaaktasters en

de sprieten op. Van deze vertoont het derde of laatste lid ringen,

die soms zoo duidelijk zijn, dat men de geheele spriet 6-ledig

kan noemen. De betrekkelijk korte, dikke pooten zijn niet met

borstels bezet en dragen aan 't laatste voetlid drie hechtlapjes, een

eigenaardigheid van alle leden dezer familie. De genoemde soort is een

van de grootste inheemsche Vliegen; zij heeft onbehaarde oogen, die bij

het mannetje elkander altijd op de kruin ontmoeten. Het grootendeels

somber waskleurig gele, 7-ledige achterlijf heeft op de meeste leden

een driehoekige, witachtige rugvlek. Het zwartbruine borststuk is

onder de geelachtige beharing nagenoeg verborgen. De halvemaanvormig

uitgesneden sprieten zijn nooit geheel zwart; de vleugels hebben een

bruinachtig grijze, hunne aders een geelachtig bruine kleur.

Evenals de andere leden van het Dazengeslacht, kondigt de Runderdaas

door een luid gegons haar ongewenschte tegenwoordigheid aan; zij

verdwijnt even schielijk als zij gekomen is, vliegt met plaaglustige

dartelheid in kringen om haar buit, de grazende Runderen, die soms,

wanneer de onverzadelijke wijfjes-Dazen in grooten getale hare

scherpe dolken door hun huid boren en haar zuigtoestel laten werken,

druipend van bloed en schuimbekkend van woede, ten einde raad, uit de

weide wegloopen. Het wild zoekt het schaduwrijke kreupelhout op om

aan den aanval der gevleugelde kwelgeesten te ontkomen; deze volgen

het niet daarheen, omdat zij van zonneschijn en bijgevolg van open

terreinen houden. Tegenover den mensch gedragen de Dazen zich veel

minder stoutmoedig; gewoonlijk strijken zij eerst dan op hem neer,

als hij bewegingloos blijft staan. Op gure dagen blijven zij liefst

op boomstammen zitten, maar letten dan toch wel degelijk op hetgeen

er in haar omgeving voorvalt; dit blijkt, als men er een wil vangen;

zelfs wanneer iemand ze zeer behoedzaam nadert, sluipen zij hem onder

de hand weg. Op gewonde eikenstammen kan men ze soms in menigte het

uitvloeiende sap zien opzuigen.

De larve gelijkt op die van de Langpootmug en leeft, evenals deze,

gezellig in den lossen grond van weiden, waar zij zich waarschijnlijk

met wortels van grassen voedt. Nadat zij hier den winter heeft

doorgebracht, in Mei, is de tijd voor de gedaantewisseling aangebroken;

de made werpt haar huid af en verandert in een ongeveer 25 mM. lange

mummiepop. Hieruit ontwijkt in Juni de Vlieg. Nadat het wijfje op de

hierboven aangeduide wijze haar tijd heeft besteed, legt zij 300 à 400

eieren bij hoopen op grashalmen; 10 à 12 dagen later worden de larven

geboren, voor zoover de eieren niet door de kleine Sluipwespen, die de

te sterke vermenigvuldiging van deze Dazen beperken, zijn aangestoken.

Op geheel andere wijze dan de brutale, geraasmakende Runderdazen,

stil en arglistig, overvallen twee andere Vliegen, die tot dezelfde

familie behooren en bijzonder veel van menschenbloed houden,

hare slachtoffers. Een daarvan is de Blinde Goudoogbrems (Chrysops

coecutiens), die deze tegenstrijdige namen dankt aan de werkelijk

fraaie kleur harer oogen en aan de blindheid voor gevaar, die zij

laat blijken, telkens als er kans bestaat om haar bloeddorst te

bevredigen. Vooral op drukkend heete dagen is men bij het bewandelen

van een breeden boschweg blootgesteld aan de voor niets terugdeinzende

vervolgingswoede van deze fraaie Vlieg. Niet slechts op onbekleede

lichaamsdeelen, maar ook door de kleederen heen tracht zij, dikwijls

met goed gevolg, de scherpe dolken van haar snuit heen te boren en

een bloedvat te bereiken; op de dikke huid van Runderen en Paarden

gaat zij op dezelfde wijze te werk. Zij is slechts 8.75 mM. lang en

komt in vorm nagenoeg overeen met de vorige soort; haar achterlijf

is even sterk platgedrukt, maar tevens bijna overal even breed en

van achteren meer afgerond. Men kan haar gemakkelijk herkennen aan

den zwarten voorrand van de vleugels, die bovendien met een zwarten

dwarsband geteekend zijn, en aan de lichte kleur van de voorste helft

van het achterlijf. Met eenige verwanten, die moeilijk van deze soort

onderscheiden kunnen worden, vindt men haar in Mei en Juni bezig met

honig te zuigen uit bloemen. Vooral door de zwoele weersgesteldheid

gedurende den tijd, die aan een donderbui voorafgaat, schijnt zij

bloeddorstig te worden.

Weinig grooter dan de vorige, maar slanker, is de donkerbruine, op

het achterlijf grijs gevlekte Regenbrems of Regendaas (Haematopota

pluvialis). Men heeft haar zoo genoemd, omdat zij gedurende een

plasregen en ook wanneer er een onweêr in aantocht is, de menschen

lastig valt en zich het bloeddorstigst toont. Tien, twintig van deze

diertjes zetten zich neer op de onderzijde van een uitgespannen

parapluie en zijn zoo onbeschroomd, dat de persoon, dien zij

vergezellen, moeite heeft, hen van zich af te houden; allicht weet een

van hen, zij het ook door de kleeren heen, met zijn steekorgaan een

bloedvat te treffen. Op ongeloofelijke wijze worden, naar men zegt,

de Rendieren in Lapland door deze Dazen gekweld; soms is hun geheele

huid door talrijke steken met korsten bedekt.

Bloed is, gelijk wij zooeven zagen, een lekkernij voor de vrouwelijke

Dazen; met bloed voeden zich ook de talrijke Tweevleugeligen, die tot

de familie van de Roofvliegen of Moordvliegen (Asilidae) vereenigd

zijn, niet slechts de wijfjes, maar ook de mannetjes.

Zij verlangen echter geen rood en warm bloed, maar het kleurlooze,

dat in het lichaam van de Insecten circuleert. Te recht dragen de

Roofvliegen dus haar naam. Zij zijn kenbaar aan het meestal slanke,

langwerpige lichaam, aan de krachtige pooten, die tusschen de klauwen

van het laatste voetlid meestal twee hechtkussentjes dragen, aan den

knevel- en wangbaard en aan het meestal langwerpige, derde of laatste

sprietlid, dat in een borstel of in een uit leden samengestelden

draad eindigt; de korte, spitse snuit heeft een horizontalen of

schuinschen stand.

De larven leven in den grond of in rottend hout en voeden zich met

de hier aanwezige Insecten, vooral met keverlarven, waarin de jonge

vliegenmade soms geheel en al doordringt; zij hebben een rolronde

gedaante, een kaakkapsel, die op een volledig kopskelet gelijkt en

betrekkelijk goed ontwikkelde monddeelen draagt, ademgaten aan het

voorste en het voorlaatste rompsegment en dikwijls een krans van

ronde wratten op elk der segmenten 4-9. Als mummiepop verlaten zij

de laatste larvehuid door een T-vormige spleet.

De 15 mM. lange, slanke Ölandsche Haviksvlieg (Dioctria oelandica),

die haar naam ontleent aan het eiland Öland bij de Zweedsche kust,

en over geheel Europa, met uitzondering van het zuidwestelijkste deel,

verbreid is, komt 's zomers dikwijls in 't kreupelhout voor. Loerend

zit zij op een blad en valt aan op de vermoeide Mug, de nieuwsgierige

Vlieg, die zich argeloos in haar nabijheid neerzet; ook de vette Spin

is niet veilig voor haar. Men herkent deze Vlieg gemakkelijk aan de

zwarte vleugels, het glanzig zwarte lichaam en de tamelijk lange,

roodgele pooten, waaraan slechts de voet en de top van de scheen

zwartachtig zijn; de knevelbaard, de binnenste rand der oogen,

eenige vlekken aan de zijden van het borststuk en twee striemen op

het rugschild hebben een messing-gelen weerschijn.

Het geslacht der Roofvliegen i.e.z. (Asilus) omvat eenige honderden

soorten uit alle deelen van de wereld, waarvan er alleen in Europa

ongeveer 100 leven; nagenoeg alle dragen een eenvoudig, bruingrijs

kleed. Door een grijsgele kleur onderscheidt zich de 15 à 24 mM. lange

Horzelwespachtige Roofvlieg (Asilus crabroniformis), die over geheel

Europa tot diep in Azië verbreid is. Op den kop, de schouderdeksels,

eenige rugstrepen, de onderste deelen der pooten van af de dijen en de

laatste achterlijfsringen gaat de grondkleur in zuiverder geel over;

aan den wortel van het achterlijf is zij vervangen door fluweelachtig

bruinzwart. Deze soort ontmoet men niet zelden, wanneer men langs

een stoppelveld loopt. Op weinige schreden afstands vliegt zij met

sterk gonzend gedruisch onverwachts snel op en dicht bij den grond

langs en zoekt zich voor een gevreesden aanval te beveiligen op een

stoppel te midden van den akker. Tegen den avond rust zij gaarne op

boomstammen uit. Overal op struikgewas, op wegen, op zandige hellingen

of boomstammen loeren deze Vliegen op buit, die half vliegend, half

springend gegrepen en gedurende het uitzuigen met de voorpooten

vastgehouden wordt.

Hoewel de familie der Dansvliegen (Empidae) zeer uiteenloopende vormen

omvat, is zij door duidelijke kenmerken gescheiden van de haar verwante

groepen. Een bijna bolvormige, kleine en dus zeer scherp begrensde

kop, welks hoornachtige, spitse, aan een snippensnavel herinnerende

snuit naar onderen gericht is, de slankheid van 't lichaam (vooral

van 't achterlijf), het volkomen gemis van beharing en de lange

achterpooten verschaffen aan de Empiden eenige overeenkomst met

Langpootmuggen. Reeds in 't begin van de lente ziet men dikwijls

geheele zwermen van deze Vliegen, die, evenals de vorige, van

roof leven, onder boomen, in de nabijheid van kreupelhout, dansen

en jagen. Sommige soorten zoeken gaarne de hoofdjes van distels,

duizendblad, korenbloemen en andere samengesteldbloemigen en zijn

niet zelden onkenbaar door het haar bedekkende stuifmeel, wanneer

zij er uit komen. Sommige vertoonen zich in 't begin van de lente,

andere eerst in den herfst; sommige dansen over dag, anderen doen

dit, evenals de Muggen, des avonds; de meeste bewonen koude landen

en gebergten. Van slechts weinige soorten kent men de larven; deze

hebben diepe insnoeringen tusschen de rompsegmenten en leven in den

grond. Een van onze grootste soorten, de 13 mM. lange Gewone Snipvlieg

(Empis tesselata) verschijnt in Mei en Juni. Zij is bruinachtig grijs;

op den rug van het borststuk komen zwarte striemen voor; de wortel

van de lichtbruine vleugels is geel; het achterlijf heeft vierkante,

lichtere vlekken.

De Gewone Doornrug (Stratiomys chamaeleon) is een van de meest

verbreide soorten uit de gelijknamige familie (Stratiomyidae). De

kop is op de dikke wangen heldergeel, zoo ook het aangezicht,

met uitzondering van een smalle, glinsterend zwarte, overlangsche

streep. De knievormig gebogen, vleezige snuit wordt in rust

ingetrokken, bevat 2 korte, voor 't steken ongeschikte borstels en

draagt kleine, 1-ledige tasters. Haar Nederlandschen naam ontleenen

deze Vliegen aan het meer of minder geel gekleurde schildje, dat aan

elken afgeronden achterhoek een spiesvormigen, schuins naar boven

gerichten doorn bezit. Ook de teekeningen op het breede achterlijf

en de pooten zijn, met uitzondering van een zwarten ring om de dijen,

geel. De vleugels liggen in rust plat op het lichaam en laten de zijden

van het breede achterlijf onbedekt. Hoewel de Doornruggen zonder

geraas te maken van de eene bloem naar de andere vliegen, vooral op

schermbloemigen, brommen zij sterk, wanneer men ze in de hand houdt.

Zeer merkwaardig is de vorm van de in 't water levende larve dezer

Vlieg. In volwassen toestand is haar lichaam van voren en van achteren

spits en aan de zijden scherp, zoodat de dwarse doorsnede op die van

een lens gelijkt. Van elk der 4 voorste rompringen bedekt de voorrand

den achterrand van den vorigen ring, de vierde met zijn achterrand

ook den voorrand van den volgenden ring; op de laatstgenoemde wijze

bedekken alle overige ringen elkander. Aan een verrekijker, die deze

inrichting vertoont, zou men dus de 7 laatste kokers in elkander

en in de vierde kunnen schuiven; ook zou deze de 3 ineengeschoven

voorste kokers kunnen bevatten. Aan het achterste segment komt

een ademgat voor, omgeven door een krans van sierlijk gewimperde

haartjes. Zoodra de larve onderduikt, neemt deze krans den vorm

van een bol aan en omsluit een als zilver glinsterende luchtbel;

de medegenomen luchtvoorraad stelt het diertje in staat lang onder

water te blijven. Om zich te verpoppen verlaten zij meestal het water.

De Zweefvliegen of Staande Vliegen (Syrphidae) vormen een van de

grootste familiën van de orde der Tweevleugeligen; zij behooren tot

de onderorde der Kringnadigen en meer bepaaldelijk tot de afdeeling

der Aschiza, die zich door het gemis van een voorhoofdsspleet

onderscheiden. Tal van zeer in 't oogvallende, nergens ontbrekende

soorten maken er deel van uit. Deze zijn zeer verschillend van vorm,

maar komen overeen door het bezit van een overtallige overlangsche

vleugelader, die tusschen de 3e en de 4e van den gewonen vliegenvleugel

gelegen is en de kleine dwarsader doorsnijdt. De ader is nooit

gegaffeld, soms echter (vooral bij Eristalis) in het laatste derde

gedeelte van haar lengte sterk gekromd. De Zweefvliegen zijn ijverige

bezoekers van bloemen en met Bladluizen bedekte struiken. Zij danken

haar naam aan de gewoonte van verscheidene soorten om met snelle

beweging der vleugels en met afhangende pooten (fig. 2) op dezelfde

plaats in de lucht te blijven "staan" of zweven. Alle onderscheiden

zich door haar behendige, soms woeste wijze van vliegen.

"Wormpjes", die door hun vorm en bewegingen veel op Bloedzuigers

gelijken (fig. 3), grootendeels groen van kleur (sommige zuiver groen,

andere meer grijsachtig), ziet men in den zomer op de met Bladluizen

bedekte bladen zitten; het zijn maden van Zweefvliegen; lenig en

behendig kunnen zij het lichaam spits naar voren uitstrekken, maar

ook zoo sterk samentrekken, dat het bijna den vorm heeft van een

ei (fig. 4); dit geschiedt, wanneer men haar aanvat. Met de weeke

wratten aan 't achterlijf houden zij zich vast, terwijl het grootste,

voorste deel van 't lichaam, tastend en steeds dunner wordend, door

de lucht wordt bewogen. Aan het voorste uiteinde merkt men alleen 2

hoornachtige haakjes en daartusschen een hoornplaatje met 3 spitsen

op. Met de haakjes houdt de made zich vast; het plaatje is als 't

ware de vork, waarmede de buit wordt opgepikt. Als de zuiger van een

pomp, beweegt het voorste deel van 't lichaam zich naar voren en naar

achteren en pompt het slachtoffer leeg. Opmerkelijk is het, dat deze

schijnbaar ongewapende made zulk een geweldige slachting aanricht

onder de argelooze en weerlooze Bladluizen, die kalm blijven zuigen

naast het roofdier, dat zoo even 20 of 30 van hare makkers nauwelijks

voldoende achtte voor een zijner talrijke maaltijden. Slechts weinige

weken nadat het vraatzuchtige monster hier als ei werd neergelegd,

zoekt het, geheel volwassen, de onderzijde van een blad, den top van

een dennenaald, een naburigen stengel of grashalm op, waar men het

kort daarna vervangen vindt door een bruinachtig groen, peervormig

"tonnetje", dat met de binnenzijde aan een dezer rustplaatsen is

vastgelijmd (zie de afbeelding bij * en de fign. 5 en 6). Dit tonnetje,

de ineengekrompen larvehuid, bevat een vrije pop, waaruit na eenigen

tijd op de reeds vroeger aangeduide wijze het geslachtsrijpe Insect

te voorschijn komt.

De Maanvlekkige Zweefvlieg (Syrphus seleniticus, fig. 1) heeft den

kop en het borststuk metaalachtig blauwgroen (met uitzondering van

het bruingele, doorzichtige schildje), beide (ook de oogen) fijn

behaard; het platte, glanzig zwarte achterlijf vertoont 3 paar witte

maanvlekjes. Als de zon schijnt, vliegen deze Insecten onvermoeid

en strijken slechts nu en dan voor korten tijd op een blad of een

bloem neer. Op donkere, gure dagen zijn zij, evenals alle Vliegen,

loom en vermijden iedere niet volstrekt noodige beweging.

De Slijkvlieg, in het noorden van ons land onder den naam van Blinde

Bij bekend (Eristalis tenax), wordt gevonden in geheel Europa,

in het noorden en zuiden van Afrika, in China en Japan, sedert

eenige tientallen van jaren ook in alle deelen van de Vereenigde

Staten van Noord-Amerika. Zij verschijnt vroeg in de lente en is een

van de laatste bezoekers van de weinige bloemen, die nog open zijn,

wanneer de natuur zich tot haar winterslaap voorbereidt. Op het eerste

gezicht zou men haar voor een Bij kunnen houden, zoozeer gelijkt zij

op een "dar" door haar grootte, haar vorm en het gonzend geluid, dat

zij maakt, als men haar aanvat, b.v. terwijl zij te midden van een

groot gezelschap van hare soortgenooten op de vensterruiten van een

tuinhuis of van een boerderij zit. Dit sierlijke, veel van bloemen

houdende dier dankt den niet zeer vleienden naam van "Slijkvlieg"

aan zijn levenswijze gedurende den larvetoestand. Dan houdt het

zich op in het slijk, vooral in het bezinksel van stinkslooten, bij

veestallen en mesthoopen en op dergelijke vuile plaatsen. Menigeen

zal deze "zwijnsmaden" of "rattestaartmaden" reeds opgemerkt hebben,

zonder te vermoeden, dat zij zich later zullen ontwikkelen tot fraaie

Vliegen met een bruingrijs behaard borststuk en een glimmend zwart

achterlijf, op welks 2en ring een roode, in 't midden afgebroken

band voorkomt. Den naam "rattestaartmaden" danken zij aan de lange,

staartvormige adembuis van het laatste segment. In volwassen toestand

heeft deze vuilgrijze, rolronde larve, welker ingewanden door de huid

heenschemeren, een lengte van 17.5 mM., waarbij nog 19.5 mM. komt

voor den "staart", die in een dunne, roodachtige, terugtrekbare spits

eindigt. Overal waar de Slijkvlieglarven talrijk zijn, vindt men later,

maar alleen op betrekkelijk droge plaatsen, harde voorwerpjes met

vele dwarse rimpels; deze in tonnetjes veranderde rattestaartmaden

hebben een paar oorvormige aanhangsels, die als ademhalingsorganen

dienst doen. Na 12 à 14 dagen wordt op deze plaats een dekseltje

afgestooten en komt de Vlieg voor den dag.

Wegens de beperkte ruimte is het moeielijk een goede keuze te doen uit

het ontzaglijk groote aantal soorten, die onder den naam van Echte

Vliegen (Eumyidae) tot één familie worden samengevoegd. Ondanks de

groote verscheidenheid van vormen, die men in deze familie opmerkt

en die, volgens Brauer, het best in rekening wordt gebracht door

haar in 36 onderfamiliën te verdeelen, vertoonen alle in sommige

opzichten groote overeenstemming. De algemeen bekende Huisvlieg,

de Blauwe Bromvlieg, de Goudvlieg en honderden andere Insecten,

die den ongeoefende als soorten van Huisvliegen voorkomen,

behooren tot deze groep en kunnen ons een denkbeeld geven van

hare eigenaardigheden. Voorzoover deze betrekking hebben op het

vleugeladerstelsel, waarmede wel niet alle, maar toch zeer vele

vleugels van Echte Vliegen overeenkomen. Bovendien hebben deze

Insecten de volgende kenmerken gemeen: De sprieten zijn in meerdere

of mindere mate benedenwaarts gericht of tegen den kop aangedrukt

en altijd 3-ledig; het laatste lid is verschillend van vorm, maar

steeds platgedrukt en voorzien van een geleden of ongeleden, naakten

of behaarden rugborstel. De knievormig gebogen snuit is slechts bij

enkele soorten hoornachtig en geschikt om er mede te steken, bij

verreweg de meeste voorzien van breede eindlobben, ongelede tasters

en, inwendig, van 2 borstels. Tot haar signalement behoort ook nog

een dwarsnaad op den rug van het borststuk. Het eindlid van den voet

draagt, behalve de enkelvoudige klauwen, twee hechtkussentjes, die

bij het mannetje dikwijls sterker ontwikkeld zijn dan bij het wijfje,

dat zich bijna altijd door meerdere grootte onderscheidt. De Echte

Vliegen ontwikkelen zich uit acephale larven, die in echte, met een

deksel zich openende tonnetjes-poppen veranderen (soms geraakt aan

weerszijden een deksel los). In tegenstelling met de Syrphiden en hare

verwanten, wordt dit deksel bij de laatste gedaantewisseling door

de Eumyiden en Pupiparen afgestooten tengevolge van de zwelling der

bij haar aanwezige voorhoofdsblaas; de beide laatstgenoemde familiën

worden daarom onder den naam van Schizophora samengevat.

Tot de belangrijkste van alle Vliegen behooren ongetwijfeld de

Parasietvliegen of Rupsenvliegen (Tachininae), die, ondanks haar

geringe grootte, bestemd schijnen te zijn om een verstoring van

het evenwicht in de zoo buitengewoon samengestelde huishouding der

natuur te voorkomen, daar hare maden, meestal verscheidene tegelijk,

als parasieten leven in andere larven--o.a. in die van Bladwespen,

Oorwormen en Kevers, vooral echter in die van Vlinders--en haar al

te sterke vermenigvuldiging tegengaan. Een gevolg hiervan is, dat de

kleine leden dezer familie licht over 't hoofd worden gezien, terwijl

zij onophoudelijk zoekend rondsluipen in het gras en struikgewas,

waar de wijfjes hare slachtoffers weten te vinden. De grootste, 10

à 18 mM. lange soorten trekken eerder de aandacht; men herkent ze

aan de haastige, schuwe, woeste wijze van vliegen. De behandeling,

die de larven haar gastheer doen ondergaan, is bij verschillende

soorten ongelijk. Sommige verlaten hem, terwijl hij nog in den

rupstoestand verkeert en verpoppen zich in den grond; andere doen

dit eerst, nadat de rups in een pop is veranderd; nog andere worden

tot tonnetjespoppen binnen het lichaam van de vlinderpop of in het

spinsel van de bastaardrups; verscheidene eindelijk verlaten als

larven het lichaam van haar moeder en worden in dezen toestand,

en niet in dien van ei, op den toekomstigen gastheer neergelegd.

Alle Parasietvliegen hebben, evenals de leden van de 4 volgende

onderfamiliën, sterk ontwikkelde vleugelschubjes, die de kolfjes

volkomen bedekken; het voorhoofd, dat bij het wijfje breeder is dan

bij het mannetje, vertoont in overlangsche richting een verdeeling in

3 velden: het middelste is week, de beide andere zijn hoornachtig. De

topdwarsader is duidelijk aanwezig, de sprietborstel geleed en

onbehaard (of althans schijnbaar naakt), het achterlijf uit 4 ringen

samengesteld. Slechts bij weinige soorten ontbreken de macrocheten te

midden van het borstelige haarkleed op den rug van het borststuk en

van het achterlijf. Aan deze danken sommige den naam van Egelvliegen

(Echinomyia).

De larven gelijken op gewone Vliegenmaden, hebben 2 weinig gekromde,

uitpuilende mondhaken, kleine ademgaten aan 't voorste en groote aan

't laatste rompsegment, op welks zwak uitgeholde, niet door wratten

omringde achterzijde zij zich vertoonen als 3 rechte, convergeerende

spleten op elk der 2 groote chitineplaten. De tonnetjes zijn eivormig

en meestal bruin; zij bezitten twee adembuizen aan het achterste deel

van 't lichaam.

De Parasietvliegen bezoeken dikwijls bloemen, vooral van schermbloemige

planten, en worden dan niet zelden met andere leden van haar familie

verward; het meest zal men ze echter opmerken op boomen of struiken,

die veel van de rupsen te lijden hebben.

De grootste inheemsche soort is de ruim 17.5 mM. lange Dikke Egelvlieg

(Echinomyia grossa), welker kort, eivormig achterlijf 11 mM. breed

is. Zij is glanzig zwart, zeer dicht met stekelige borstels begroeid,

aan den kop en de vleugelwortels roodachtig geel. Het roestroode,

middelste sprietlid is bij alle leden van haar geslacht dubbel

zoo lang als het vierhoekige, zwarte eindlid. De oogen zijn naakt;

wimpers komen alleen op het onderste gedeelte van het aangezicht

voor.--De Wilde Egelvlieg (Echinomyia fera) is bruin, het achterlijf

echter doorschijnend roestrood, met uitzondering van een zwarte,

overlangsche streep.

De Vleeschvliegen (Sarcophaginae) verschillen o.a. van de

Parasietvliegen door de vedervormige beharing van het onderste deel

van den sprietborstel, die van boven naakt is.

De Grauwe Vleeschvlieg (Sarcophaga carnaria, fig. 6) ontmoet men

gewoonlijk niet binnenshuis, des te vaker echter van Mei af gedurende

het geheele jaar in de vrije natuur tegen boomstammen, in bloemen,

op wegen en vooral op alle plaatsen, waar rottende, dierlijke en

plantaardige overblijfselen voorkomen. Het mannetje is dikwijls

weinig grooter dan een bijzonder dikke Huisvlieg; het wijfje is

altijd grooter en in den regel 15 mM. lang. Wat de kleur betreft,

kenmerkt zich deze soort door het lichtgele, glinsterende aangezicht,

de lichtgrijze, eveneens glanzige, zwart gestriemde rugzijde van het

borststuk, het bruine, met vierkante, zwart en geel iriseerende vlekken

geteekende achterlijf en de fluweelachtig zwarte voorhoofdstrepen. Deze

Vliegen en alle leden van haar geslacht komen ter wereld als maden,

daar zij reeds in het lichaam van de moeder het ei verlieten. Het

is wel mogelijk, dat niet eens de helft van het ontzaglijk groote

aantal eieren (20000), dat door het wijfje wordt voortgebracht,

tot ontwikkeling komt, maar gesteld zelfs, dat zij aan niet meer dan

8000 larven het leven schenkt, dan is haar vruchtbaarheid toch nog

verbazend. De maden groeien zeer snel en hebben 8 dagen na de geboorte

reeds haar volle grootte bereikt. In den een of anderen hoek of in de

allerbovenste aardlaag veranderen zij dan in zwartbruine tonnetjes,

waaruit na 4 à 8 weken de Vliegen ontwijken. Uit den naam van de

soort zou men afleiden, dat de larven zich uitsluitend met dierlijke

stoffen voeden; dit is echter volstrekt niet het geval; zulk voedsel

is in de vrije natuur in veel te geringe hoeveelheid voorhanden;

de meeste leven in rottende plantendeelen.

De Gewone Vliegen (Muscinae) hebben den sprietborstel van onderen

tot boven aan weerszijden behaard en missen de macrocheten.

Zonder overdrijving kan men zeggen, dat geen enkel niet parasiteerend

dier den mensch ongenood zoo trouw vergezelt als de Huisvlieg

(Musea domestica, fig. 8). Zoowel in het koude Lapland als in de

tropische gewesten beschouwt zij zijn woning als de hare. Ieder

kent hare onhebbelijkheden; zij is brutaal, snoeplustig en ontziet

zich niet alles te bevuilen; een goede eigenschap zal niemand haar

toedichten. Vooral tegen het einde van den zomer, als zij in grooten

getale binnenshuis beschutting zoekt tegen de koele nachten en morgens,

is zij een ware lastpost. Gedurende een deel van 't najaar en in

den winter schijnt zij totaal verdwenen te zijn; enkele exemplaren

blijven evenwel gespaard en overwinteren in onze woningen, vooral

echter in de warme stallen. Zoodra het nieuwe jaar ons eenige mooie

dagen schenkt, begeven zij zich naar buiten om zich door de stralen

van de lentezon te laten beschijnen. Een zeer eigenaardige ziekte

onder de Vliegen trekt in het eene jaar meer, in 't andere minder

de aandacht: met wijd uitgespreide pooten ziet men ze vastgehecht

aan allerlei voorwerpen; haar 4-ledig achterlijf is gezwollen,

de verbindingsvliezen der ringen puilen lijstvormig uit en zijn met

schimmel bedekt, zoodat het achterlijf witte en bruine strepen vertoont

(fig. 12). Wanneer men het opent, blijkt het niets anders te bevatten

dan schimmelplantjes. Door een laagje van dezelfde zwamsoort is het

doode dier vastgekleefd aan zijn laatste rustplaats.

De Huisvlieg heeft geen lange borstels aan de binnenzijde der

middelscheenen. Deze komen wel voorbij de zwartachtig blauwe

Groote of Blauwe Bromvlieg [Musca (Catliphora) vomitoria: fig. 1],

algemeen bekend door haar neiging om eieren te leggen op vleesch,

welks aanwezigheid zij reeds op grooten afstand met haar reukorgaan

ontdekt, en door de gewoonte om onder aanhoudend gegons telkens tegen

de vensterruiten te vliegen, alsof zij zich den kop te pletter wil

stooten. Zoowel de Huisvlieg als de Blauwe Bromvlieg vermenigvuldigen

zich buitengewoon snel. De Huisvlieg legt in den tijd van een

kwartier 60 à 70 eieren op een hoopje, vooral in mest. De eieren

van de Bromvlieg zijn eenigszins gekromd, ongeveer als een augurk en

worden ten getale van 20 à 100, bij voorkeur op vleesch, eveneens op

een hoopje gelegd; ieder wijfje bevat er ongeveer 200. Geen van beide

wijfjes is bijzonder keurig, wat de legplaats harer eieren betreft;

ook de Huisvlieg legt ze op vleesch, op bedorven brood of graan,

op aangesneden meloenen, op doode dieren en zelfs op den inhoud van

een openstaande snuifdoos. De Bromvlieg gaat met dezelfde bedoeling

op oude kaas zitten (de hierin levende springende maden zijn echter

niet van haar, maar van de Kaasvlieg, afkomstig); ook zoekt zij doode

dieren op en laat zelfs, door haar fijnen reukzin op een dwaalspoor

gebracht, hare eieren achter op de als aas stinkende bloemen van de in

Zuid-Afrika inheemsche Stapelia's, waar de maden, geen voedsel vindend,

spoedig bezwijken. De maden komen hoogstens 24 uur na het leggen uit

het ei; zij zijn wit, kegelvormig, van achteren afgeknot en hier van 2

(ieder door een chitine-plaat omringde) ademgaten voorzien, van voren

spits en met 2 mondhaken gewapend. Deze zijn bij de Huisvlieg zoo

dicht bijeengeplaatst, dat men bij oppervlakkige beschouwing slechts

één zwarte haak ziet, bij de Bromvlieg echter wel onderling gelijk,

maar door een kort pijlvormig staafje gescheiden. Het schijnt, dat

de uitwerpselen der maden de rotting van de stof, waarin zij zich

ophouden, bevorderen. Weldra hebben zij zich in alle richtingen

verspreid; ofschoon niet met oogen uitgerust, ontwijken zij het

licht. Zij groeien zeer snel; de maden van een Bromvlieg, die men op

een dooden visch eieren had laten leggen, waren op den 2en levensdag

reeds tweemaal zoo groot als bij het verlaten van het ei, maar toch

nog zoo klein, dat 25 à 30 van deze diertjes te zamen nog geen grein

wogen. Op den derden dag was iedere made reeds 7 grein zwaar; zij had

dus in 24 uur een 200-voudige gewichtsvermeerdering ondergaan. Hoe

gunstiger de weersgesteldheid, hoe beter en overvloediger het voedsel

is, des te spoediger ontwikkelen zich de larven. In 8 à 14 dagen zijn

zij volwassen, verspreiden zich en begeven zich, zoo dit mogelijk is,

in den grond, om van gedaante te wisselen. Gemiddeld is de Vlieg in

het tonnetje na 14 dagen voldoende ontwikkeld, om door het persen van

lucht in haar voorhoofdsblaas zulk een drukking op haar hulsel uit te

oefenen, dat er een kringvormige barst in ontstaat en een dekseltje

van losgeraakt. Dit geschiedt steeds over dag, nooit 's avonds of

's nachts. In gunstige omstandigheden komen ieder jaar verscheidene

generaties van Vliegen voor.

In 't najaar merkt men, vooral in kamers dicht bij een stal, niet

zelden een soort van Vliegen op, die wegens haar bloedgierigheid

Steekvliegen (Stomoxys calcitrans), wordt genoemd. Zij zijn grijs van

kleur, met zwarte vlekken op het achterlijf en vier overlangsche,

zwarte strepen op den rug van het borststuk. Bij oppervlakkige

beschouwing gelijken zij veel op de iets grootere Huisvlieg, van welke

men haar gemakkelijk onderscheiden kan aan den fijnen, spitsen snuit,

die zeer kleine eindlobben draagt en in rust horizontaal naar voren

gericht is. De kegelvormige, 8.75 mM. lange larve leeft 's zomers en

in den herfst met de maden van de Huisvlieg in verschen paardenmest,

maar ontwikkelt zich langzamer dan deze. De poptoestand duurt 4 à 6

weken. Ieder jaar verschijnen twee generaties: de eerste vliegt in Mei

en trekt niet zeer de aandacht; de tweede, in Augustus en September,

is lastig voor menschen en vee.

Nauw verwant aan onze Steekvlieg, doch grooter en fraaier van

uiterlijk, is de Tsetse-vlieg (Glossina morsitans), in de tropische

gewesten van Afrika zeer gevreesd wegens haar steek, die voor sommige

huisdieren doodelijk kan zijn. De boeren, die weidegronden voor hun vee

zoeken, mijden het "vliegenland" als de pest; hoogstens trekken zij

er 's nachts door. De steek van de Tsetse-Vlieg is onschadelijk voor

den mensch en voor de wilde dieren; ook de Geiten, Ezels en zuigende

kalveren zijn er tegen bestand; alle andere huisdieren sterven er

aan. De meeste schade veroorzaakt dit nog steeds raadselachtig Insect

gedurende den regentijd of kort te voren.

De Bloemvliegen (Anthomyinae) hebben, evenals de tot dusver genoemde

Echte Vliegen (en de Horzels), een driedeelig voorhoofd en sterk

ontwikkelde vleugelschubjes; wegens het eenigszins verschillend beloop

der vleugeladers (het ontbreken van de topdwarsader) worden zij in

een onderfamilie samengevoegd. Van sommige zijn de larven kegelvormig

en gelijken op maden van de Gewone Vlieg, van andere zijn zij plat

met 4 draadvormige aanhangsels aan ieder segment, die gezamenlijk

4 reeksen vormen (2 op den rug en één op iedere zijde). Deze zeer

algemeen verbreide Vliegen gelijken op de Huisvlieg en hare verwanten

en worden er dikwijls mede verward. Het zijn de proletariërs onder

de Tweevleugeligen. Hoewel sommige een belangrijken werkkring hebben,

wordt haar betrekkelijk weinig aandacht geschonken; de onderscheiding

der soorten wordt trouwens bemoeilijkt door haar eenvormigheid. Als

larve leven de meeste in mest of andere rottende stoffen, sommige

echter in levende planten, die zij beschadigen door aan wortels,

knollen en bollen te knagen of bladmoes te verslinden. Landbouwers

en tuinlieden hebben dikwijls reden om zich over haar werkzaamheid te

beklagen. Op welke wijze de larve van de Grijze Uienvlieg (Anthomyia

antiqua) en van de Sjalottenvlieg (Anthomyia platura) zich gehaat

hebben gemaakt, blijkt uit haar naam. In de onderaardsche deelen

van knollen, koolrapen, koolsoorten, radijs, enz. vindt men de

maden van de Wortelvlieg (Anthomyia radicum) en van de Radijsvlieg

(Anthomyia floralis). De geelachtig witte, in volwassen toestand 9

mM. lange larve van de Koolvlieg (Anthomyia brassicae) doorknaagt van

Juli tot November het onder den grond gelegen deel van den stengel

van koolzaad en andere koolsoorten en vernielt soms den geheelen

akker. De Mangelwortelvlieg (Anthomyia conformis) dringt als larve

in het bladmoes van mangelwortels en suikerbieten door en doodt vele

bladen. De made van de Slazaadvlieg (Anthomyia lactucae) verslindt

in Augustus en September de zaden van sla, enz. enz.

Een zeer eigenaardige levenswijze merkt men op bij de larven van de

Horzels (Oestrinae). Hoofdzakelijk parasiteeren zij bij éénhoevige

en tweehoevige huisdieren, bij Herten, Reeën en andere soorten

van Geweidragers; enkele heeft men als parasieten van Buidel- en

Knaagdieren leeren kennen: waarschijnlijk worden ook wel andere

Zoogdieren door Horzellarven gekweld, maar zijn deze, wegens de

moeielijkheden van het onderzoek, tot dusver onopgemerkt gebleven. Die,

welke men in de tropische gewesten enkele malen in de hoofdhuid,

de neusholte, de uitwendige gehoorgang en zelfs in de maag van den

levenden mensch gevonden heeft, behooren niet tot één bepaaldelijk

bij den mensch parasiteerende soort, maar zijn van hare gewone

gastheeren (Runderen, Paarden, Honden, Muildieren, enz.) toevallig

afgedwaald. Bovendien zijn volstrekt niet alle Vliegenmaden, die men in

het lichaam van den levenden mensch aantrof, Oestrinen-larven. Bij de

in Europa waargenomen gevallen waren het bijna altijd maden van de

geslachten Sarcophaga en Sarcophila. Ook deze moeten als toevallige

parasieten van den mensch beschouwd worden; men vond ze in open wonden

bij personen, die in hulpbehoevenden toestand buiten, b.v. op een

slagveld, hadden gelegen.

Sommige Horzellarven--die van de Huidhorzels (Hypoderma)--leven in

het onderhuidsche bindweefsel en voeden zich met den etter der door

haar veroorzaakte builen, andere--de Maaghorzels (Gastrophilus of

Gastrus)--hechten zich vast aan de binnenste oppervlakte van den

maagwand, ook wel in den darm; nog andere eindelijk--de Neushorzels

(Oestrus of Cephalomyia)--komen in de neus- en keelholte voor. Bij

vele Horzel-larven heeft men verscheidene vervellingen en hiermede

gepaard gaande onbelangrijke vormsveranderingen waargenomen; na tot

rijpheid te zijn gekomen, verlaten zij haar gastheer en veranderen

op of dicht bij de oppervlakte van den bodem in tonnetjespoppen. De

Horzels zelf hebben een korten levensduur; vele vliegen bij zonnig

weer op kale hoogten sterk gonzend rond. Zij zijn kenbaar aan

wratvormige, in een diepe voorhoofdgroeve verborgen sprieten, die

een naakten rugborstel dragen en aan den zeer weinig ontwikkelden,

voor het opnemen van voedsel nagenoeg ongeschikten snuit. Bijoogen

zijn aanwezig. Het 6-ledige achterlijf eindigt bij het mannetje stomp,

bij het wijfje in een sterk verlengbare legbuis.

De Paardenmaaghorzel (Gastrus equi), een van de veelvuldigst

voorkomende soorten, heeft de rug van het borststuk en het voorhoofd

bekleed met een dichte, bruinachtige vacht, die dicht bij iederen

vleugel in een zwarte streep overgaat. De overige lichaamsdeelen

zijn lichter van kleur en minder sterk behaard, op de pooten en het

grootste deel van het achterlijf is de donker wasgele kleur van de

huid zichtbaar. De niet volkomen doorschijnende vleugels zijn met een

onduidelijk begrensden, donkeren dwarsband en eenige vlekjes geteekend;

de vierde overlangsche ader strekt zich volkomen recht tot aan den rand

uit; de topdwarsader ontbreekt. In rust houdt deze 13 à 17.5 mM. lange

Vlieg de spits van het achterlijf naar boven gekromd en de vleugels

half geopend. Alleen bij helder, warm weer staan Paarden, Ezels of

Muildieren op de weide, den akker of den weg aan den aanval van het

Horzel-wijfje bloot. Schuw en onzeker vliegt zij om een dezer dieren

heen. omklemt een zijner haren en hecht er één of meer eieren aan vast,

bij voorkeur op een plaats, welke het dier gewoon is af te lekken,

b.v. aan de knieën. Ieder wijfje bevat ongeveer 700 eieren (fig. b);

deze zijn langwerpig, bekervormig en van een dekseltje voorzien. Het

eierenleggen wordt voortgezet, zoolang de weersgesteldheid en de tijd

van den dag het toelaten; nooit volgt de Horzel haar slachtoffer in

den stal of in het water. Na weinige dagen stooten de larven (fig. d)

het dekseltje los en komen uit het ei te voorschijn. Zij begeven zich

instinctmatig naar de lippen van het dier, of brengen jeukte teweeg,

die het Paard door likken tracht te doen ophouden, indien het met de

tong de plaats kan bereiken. De ingeslikte maden hechten zich met de

mondhaken vast aan het slijmvlies van de maag (sommige blijven reeds

in de keelholte achter); als Bloedzuigers zuigend, veroorzaken zij

kuiltjes en langzamerhand groote holten die een etterachtig vocht

afscheiden, waarmede de maden zich voeden. Vooral bij Paarden, die

in de weide loopen, vindt men soms nesten van 50 à 100 stuks groote

en kleine maden bijeen. De wonden van het slijmvlies genezen spoedig,

nadat de larven het spijskanaal verlaten hebben. Dit geschiedt echter

eerst, nadat zij hier 10 maanden parasitisch werkzaam zijn geweest, in

den loop van Mei, Juni en Juli. De larve, die met de uitwerpselen op

den grond is aangekomen, graaft hier een vertikale gang, totdat haar

lichaam geheel bedekt is, keert zich daarna om en schrompelt tot een

hard tonnetje (fig. e) ineen. Voor de ontwikkeling van de Vlieg zijn,

bij gunstige weersgesteldheid, 6 weken voldoende. Behalve de genoemde,

kent men nog 6 andere Maaghorzels, die bijna alle in Paarden, althans

uitsluitend bij Eenhoevigen, voorkomen.

De Schapenhorzel (Oestrus ovis) heeft het borststuk bruin en bijna

naakt, het achterlijf zwart en door korte, zijdeachtige haartjes wit,

als een dambord, gevlekt. Men ziet haar in Augustus en September

op plaatsen, waar gewoonlijk Schapen grazen, stil zitten in gaten

van muren en in spleten van de schors van boomen, zoodat men haar

gemakkelijk kan grijpen. Het wijfje legt eieren aan den rand van

de neusgaten der Schapen. De hieruit komende larven begeven zich

door de neusholten omhoog naar de voorhoofdsboezems en voeden zich

met het slijm, dat wegens haar aanwezigheid in grooter overvloed

wordt afgescheiden. Zelden vindt men meer dan 7 of 8 van deze maden

van verschillende grootte in den neus van één Schaap. Na ongeveer

9 maanden zijn zij volwassen, laten zich door niezen verwijderen,

dringen loodrecht in den grond door en veranderen in tonnetjespoppen,

waaruit na 7 à 8 weken de Vlieg ontwijkt. Dat de draaiziekte van

de Schapen niet door deze maden veroorzaakt wordt, is reeds sinds

lang bekend.--Andere soorten leven in de neusholte van den Buffel,

den Kameel, het Edelhert, de Ree en het Rendier.

De 15 mM. lange Runderhorzel (Hypoderma bovis, fig. a) is zwart met

roodgele scheenen en voeten; de haren, die het lichaam dicht bekleeden,

zijn zwart op den 2en en 3en, geel op den laatsten achterlijfsring,

overigens wit of grijswit; op het rugschild van het borststuk komen

eenige breede, stompe, naakte, glanzige, overlangsche lijsten voor.

Het wijfje vliegt in den zomer tusschen Juni en September bij warm

zonnig weer, sterk gonzend, om de Runderen in de weide en legt eieren

op hun huid. De larve dringt door tot in het onderhuidsche bindweefsel

en groeit in het eerste halfjaar van haar leven niet bijzonder snel,

zoodat er uitwendig aan de huid van het Rund niets valt waar te

nemen. Gedurende de volgende drie maanden neemt zij sterk in omvang

toe; dan ontstaan de "horzelbuilen", waarmede de Runderen in den

winter en in 't voorjaar behept zijn en die ten slotte de grootte

van een duivenei bereiken. De rijpe made (fig. b) verlaat vroeg

in den morgen, tusschen 6 en 8 uur, de buil, kruipt in den grond

en verandert, in een tonnetjespop (fig. c), waaruit zich in 4 à 6

weken een Vlieg ontwikkelt.--Dezelfde levenswijze hebben de Reehorzel

(Hypoderma Diana), de Herthorzel (Hypoderma Actaeon), de Rendierhorzel

(Hypoderma tarandi), kortom alle andere, op verscheidene wilde en

tamme dieren (zelfs Neushoornen en Olifanten) levende Huidhorzels.

Bij een aantal Echte Vliegen zijn de vleugelschubjes afwezig of zoo

klein, dat zij de kolfjes niet bedekken. Tevens is het voorhoofd

bij de mannetjes even breed als bij de wijfjes en niet in drie

velden verdeeld. Dit geldt o.a. van de Glansvliegen (Sepsina),

vertegenwoordigd door de Kaasvlieg (Piophila casei), met welker

larven men soms, vooral 's zomers en in den herfst, kennis maakt bij

het doorsnijden van een oude kaas. De in haar bedrijf gestoorde,

8 mM. lange, glanzig witte maden krommen haar rolrond lichaam tot

een cirkel en springen ver weg door zich plotseling te strekken. In

een verborgen hoekje van 't kaaspakhuis gaan zij in den pop toestand

over en overwinteren. De 4 à 5 mM. lange, slanke Vlieg, die in het

voorjaar het tonnetje verlaat, is op een groot deel van den kop en

de pooten geelachtig rood, overigens glanzig zwart. Ieder jaar kunnen

zich verscheidene generaties van afstammelingen ontwikkelen.

Tot de Boorvliegen (Trypetina) behoort de Aspergevlieg (Platyparea

poeciloptera), die in het begin van Mei eieren legt tusschen

de schubben van den aspergekop. Na 14 à 21 dagen, al naar de

weersgesteldheid, zijn de witte maden uitgekomen en beginnen zij den

stengel, voor zoover hij kruidachtig is, in zijn geheele lengte te

doorknagen. Deze kwijnt, groeit meestal van boven krom, wordt geel

en gaat rotten. De pop overwintert. Het geslachtsrijpe Insect,

dat nauwelijks de grootte van onze Huisvlieg bereikt (4,5 à 5,2

mM. lang), heeft den kop en de pooten glanzig bruinrood; dezelfde kleur

hebben de zijden van het borststuk, welks rug dof grijsachtig is, met

uitzondering van het glanzig zwarte schildje. Een donkere, overlangsche

band op den vleugel is aan den voorrand 2-maal, aan den achterrand

3-maal wigvormig ingesneden. Het achterlijf is bruinachtig zwart.

Een lid van dezelfde onderfamilie is de Kersvlieg (Spilographa cerasi),

die in het begin van Mei eieren legt bij de aanhechtingsplaats van den

steel der nog groene kersen (in den regel één op iedere vrucht); de

made dringt tot in de kern door, en overwintert als pop in den grond.

De Groenoogen (Chloropina) zijn kleine of zeer kleine Vliegen, die

soms ontzaglijk groote zwermen vormen, ook wel binnenshuis komen;

hare larven leven in halmen van grassen en brengen dikwijls veel

schade toe aan de te velde staande graangewassen.

De Korenvlieg of Gele Halmvlieg (Chlorops taeniopus) is grootendeels

glanzig geel; de sprieten zijn echter geheel zwart; de rug van het

borststuk heeft drie overlangsche, zwarte strepen, het achterlijf een

zwartbruine dwarsstreep op iederen ring. De voetleden zijn donker,

aan de voorpooten zwart (bij het mannetje echter op het midden met

een gelen ring, waaraan de soort haar naam ontleent). De vleugels

zijn glashelder, de kolfjes wit.

Door haar zuigen aan den halm van de tarwe (en van de gerst)

geeft de witte made aanleiding tot een misvorming, die in Engeland

"jicht" of "podagra" wordt genoemd; zij maakt een ondiepe groeve

van 5 à 10 cM. lengte, die zich in den regel van de aar tot aan den

bovensten knoop uitstrekt; de rand van de groeve zwelt op, waardoor

de halm, die aan de tegenovergestelde zijde week en dun blijft

en tot rotting overgaat, het uitzicht verkrijgt van platgedrukt

te zijn. Dientengevolge groeit de aar in 't geheel niet boven de

bladscheede uit, of zal, zoo dit wel geschiedt, niet tot volledige

ontwikkeling komen. De larve, die bij een lengte van 4.5 mM. volwassen

is, verpopt zich in den regel in 't laagste gedeelte van de groeve

dicht bij den bovensten knoop, tusschen den halm en de bladscheede,

bij uitzondering in de aar; meestal vindt men op deze plaatsen slechts

één pop. Deze rust 17 à 21 dagen; in Augustus wordt het tonnetje door

de Vlieg geopend. De wijfjes van deze generatie leggen eieren op het

winterkoren, waarin de made soortgelijke verwoestingen aanricht als

die van de beruchte Hessenvlieg en soms de teere plantjes nog vóór

den winter doodt.

Zeer opmerkelijk is het, dat men soms ontzaglijke zwermen van

verscheidene soorten van Groenoogen waarneemt, zonder dat hiermede

een merkbare, door de maden veroorzaakte schade aan den plantengroei

gepaard gaat. Zoo zag men in het laatst van den zomer van 1857 van

het dak van een huis te Zittau dichte wolken opstijgen, die zooveel

op rookwolken geleken, dat ijlings de brandspuiten werden gehaald om

den vermeenden brand te blusschen. Bij nader onderzoek bleek het, dat

millioenen 3 à 5 mM. lange Vliegjes (Chlorops natusa) uit een gat in

het dak, dat door het breken van een dakpan was ontstaan, naar buiten

kwamen en aanleiding gaven tot de vergissing. Ter zelfder tijd werden

ook in en bij eenige andere huizen van de stad een verbazend groote

hoeveelheid van deze Insecten gevonden. Het genoemde verschijnsel

komt in sommige streken niet zelden voor.

Hoewel de Luisvliegen (Pupipara) nauw verwant zijn aan de Echte

Vliegen, verschillen zij toch in enkele opzichten aanmerkelijk

van deze en andere Tweevleugeligen. Het voornaamste verschil wordt

uitgedrukt door den naam, die "Poppenbarenden" beteekent. Het wijfje

brengt slechts één jong te gelijk ter wereld, dat in het lichaam van

de moeder gevoed wordt met het afscheidingsproduct van een soort van

melkklieren, totdat het nagenoeg rijp is voorden poptoestand, waarin

het dan ook bijna onmiddellijk na de geboorte overgaat. Alle leden van

deze familie leven in geslachtsrijpen toestand tijdelijk parasitisch

op andere, voor 't meerendeel warmbloedige dieren. Zij vormen drie

familiën; de Echte Luisvliegen, de Vleermuisluizen en de Bijenluizen.

De Echte Luisvliegen (Coriacea of Hippoboscidae) zijn van boven

naar onderen platgedrukt; het uitwendig skelet van kop en borststuk

is zoo hard als hoorn, dat van het achterlijf meer lederachtig en

rekbaar. De kop draagt aan weerszijden groote samengestelde oogen

en zeer korte, oogenschijnlijk éénledige, rolvormige, in groefjes

ingeplante sprieten. De voor 't zuigen van bloed geschikte snuit

wordt gevormd door de bovenlip en de beide onderkaken, die haar als

een scheede omvatten; de onderlip is zeer kort; de tasters ontbreken

geheel. Met uitzondering van de 5 à 6 mM. lange Schapenluis (Melophagus

ovinus)--ten onrechte ook wel "Schapenteek" genoemd (daar de Teeken

8-pootige, Spinachtige Dieren zijn)--, hebben alle soorten vleugels,

die in den regel lang, doch meestal, behalve bij den buitenrand,

onduidelijk geaderd zijn. Sommige bezitten deze organen levenslang,

andere werpen ze later af. De kolfjes zijn steeds aanwezig. Wegens

de groote breedte der borstschilden staan de pooten ver uiteen. Door

hun lichaamsbouw zijn deze Insecten in staat om zich zeer vlug en

behendig vooruit, achteruit en zijwaarts in de vacht van Paarden,

Herten, Reeën en andere Zoogdieren en tusschen de vederen der Vogels te

bewegen. In den regel bepaalt iedere soort zich tot één diervorm. De

Hertenluisvlieg (Lipoptena cervi) maakt hierop een uitzondering;

gevleugeld verlaat zij de pophuid, zwerft in de bosschen rond, zuigt

bloed bij Vogels, o.a. bij Hazelhoenderen, en zet zich ook wel op

menschen neer; gewoonlijk verschuilt zij zich bij hen in 't haar of in

den baard. Na de paring verliezen deze Insecten de vleugels, op zeer

korte, getakte stompjes na, en gaan dan op verschillende soorten van

Herten over; vooral de 4 mM. lange wijfjes, die aan haar breed en plat

achterlijf kenbaar zijn, vindt men in den herfst soms bij honderden op

het geweidragende wild. De jager moet zich bij het vervoeren van zijn

buit zeer in acht nemen, daar ook hij door deze Insecten wordt lastig

gevallen. De kleine tonnetjespoppen, die op glanzige, zwarte zaden

gelijken, ziet hij dikwijls tusschen de lange haren van het Hert, maar

(vooral wanneer er sneeuw ligt) ook wel op den grond, waar het dier

gerust heeft. Vroeger hield men het op Vogels parasieteerende Insect

voor een afzonderlijke soort en noemde het Ornithobia pallida.--Er

zijn echter ook Luisvliegen, die uitsluitend op allerlei Vogels,

vooral op Boomvogels, gevonden worden (Ornithomyia en Stenopteryx).

De 7 à 9 mM. lange Paardenluisvlieg (Hippobosca equina) behoudt de

vleugels; zij is glanzig roestgeel, op de schijf van den middelrug

kastanjebruin, op het schildje lichtgeel, de klauwen aan 't laatste

voetlid zijn zwart. Men vindt haar niet zelden op Paarden (en

Runderen), het meest op kale of weinig behaarde lichaamsdeelen, onder

den staart, op de flanken en aan den buik, waar zij niet slechts door

bloed te zuigen, maar ook door snel rond te loopen last veroorzaakt.

De Vleermuisluizen (Nycteribiinae) zijn tamelijk slank van gedaante;

zij hebben geen vleugels, doch wel kolfjes. De kleine, cilindervormige

kop draagt geen samengestelde, soms wel enkelvoudige oogen, is hoog aan

het breede borststuk gehecht en kan achterover gebogen worden, tot hij

met naar boven gerichte monddeelen in een holte van het rugschild komt

te liggen. De slanke, lange pooten, die in groote klauwen eindigen,

zijn geheel aan de zijden van het borststuk gehecht. Deze aan Spinnen

herinnerende, bruinachtig gele diertjes, die meestal niet langer

worden dan 2.25 à 4.5 mM., houden uitsluitend en levenslang verblijf

in de vacht van Vleermuizen, vooral in de okselholte.

De eigenaardigheden van de Luisvliegen vallen het duidelijkst in 't

oog bij de 1.5 mM. lange Bijenluis (Braula coeca, fig. G) daar zij,

behalve de vleugels en de oogen, ook de kolfjes mist. Zij parasiteert

bij de Honigbij, evenals de Triangulinen, de eerste larven van den

Oliekever. De loodrecht geplaatste kop draagt 2 knotsvormige tasters

en daartusschen de korte, vliezige snuit. Juist op de plaats,

waar bij andere Vliegen de oogen zijn, bevinden zich twee diepe

kuiltjes, waarin de 3-ledige sprieten tot aan het bijna bolvormige

eindlid weggedoken zijn. De pooten bestaan uit een dikke dij, een

eenigszins gekromde scheen en 5 voetleden: het 5e is zeer breed en

draagt aan zijn voorrand ongeveer 30 borstelvormige tandjes, die bij

wijze van een kam gerangschikt zijn en teruggeslagen kunnen worden;

zij vervangen de klauwen. Het achterlijf is hoog eivormig gewelfd en

bestaat uit 5 ringen.

Dit Insect brengt zijn geheele leven door op de Honigbij; op

een arbeidster of een dar vindt men in den regel niet meer dan

één exemplaar; de koningin heeft dikwijls verscheidene van deze

parasieten op zich, die, naar men zegt, nadat zij zijn weggenomen,

spoedig plaatsvervangers krijgen.

Ieder wijfje bevat slechts vier kiemen. Daar zij de rijpe larven

laat vallen, komt deze gewoonlijk op den bodem van den korf terecht,

soms ook wel in de open lucht: het hieruit ontwikkelde geslachtsrijpe

Insect moet dus een toevallige ontmoeting met een Bij afwachten.

Tot dusver kent men geen andere vertegenwoordiger van de onderfamilie

der Bijenluizen dan de genoemde; deze werd in geheel Duitschland,

Frankrijk en Italië aangetroffen, in Rusland, met uitzondering van

de Oostzee-provinciën, nog niet waargenomen.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten · 第 14 / 21 题