de "zijdewormen" groote verwoestingen aanrichtten en aan de kweekers
aanzienlijke verliezen bezorgden, maakten het wenschelijk naar andere
Spinners om te zien, welker rupsen geschikt zouden zijn om zijde te
leveren. Sedert dien tijd zijn allerlei kweekingsproeven verricht
door liefhebbers, die van verschillende vereenigingen vlindereieren
ontvingen en de verplichting op zich namen van hunne ervaringen op
nauwgezette wijze verslag te doen. Natuurlijk was alleen voordeel
te verwachten van Vlinders, welker rupsen met inheemsche planten
gevoederd konden worden. De eerste uitvoerige proeven hebben plaats
gehad met den Ailanthus-spinner, in Assam Erya genaamd (Saturnia
Cynthia), die in 1856 door Pater Fantoni uit China naar Frankrijk
werd overgebracht. De Ailanthus-spinner ontwikkelt zich zeer snel,
zoodat men in één jaar gemakkelijk 3 generaties kan opkweeken,
wanneer men slechts in de gelegenheid is om aan de rupsen de noodige
hoeveelheid voedsel te verschaffen; hiervoor wordt echter het bezit
van een broeikas vereischt, daar de rups zich met de bladen van den in
China inheemschen hemelboom (Ailanthus glandulosa) voedt. Meestal in
Juni, soms eerst in Juli verlaten de rupsen van de tweede generatie
de eischaal. Stel, dat dit den 14en Juli geschied is, dan heeft den
19en de 1e, den 28en de 2e, den 8en Augustus de 3e en den 14en de
4e vervelling plaats gehad. De rupsen zijn groenachtig geel, met 6
overlangsche reeksen van weeke, kegelvormige knobbeltjes bezet en
met zwarte stipjes geteekend. De hoofdkleur van den Vlinder is licht
fluweelachtig reebruin; over beide vleugels loopt een witte streep;
de achterrand van het maanvormige "venster" is geelachtig, het oog op
den voorsten hoek van den voorvleugel naar buiten zwart.--Bovendien
werden nog met den Chineeschen (Saturnia Pernyi) en den Japanschen
Eikenzijdespinner (Saturnia Yama-mayu)--in 1863 door Pompe van
Meerdervoort naar Frankrijk overgebracht--acclimatisatie-proeven
genomen. Tegenwoordig schijnt men geen werk meer te maken van het
kweeken dezer plaatsvervangers van den Moerbezie-zijdespinner.
In Nederland vliegt 's nachts in April en Mei niet zelden, in
heidestreken soms zelfs veelvuldig, de Kleine Nachtpauwoog (Saturnia
carpini, S. pavonia); het mannetje (50 à 55 mM. vlucht) heeft
bruingrijze voorvleugels en bruingele achtervleugels; bij het wijfje
(60 à 70 mM. vlucht) zijn de vleugels lilagrijs. Iedere vleugel heeft
op de dwarsader een oogvlek met zwarte kern, omgeven door een gelen
en zwarten ring, waartusschen aan de binnenzijde nog een karmijnrood
gezoomden, witten halven ring voorkomt. De aanvankelijk zwarte, later
groene rups is bezet met rozeroode of gele wratten, die korte stekels
en enkele lange stekelharen dragen; men vindt haar in den zomer op
heide, braamstruiken, boschbessen, sleedoorn, wilde rozen, eiken,
kruipwilg, enz. In Augustus spint zij een zeer stevige, bruinachtige,
peervormige cocon, aan de kopzijde voorzien met een open, buisvormig
verlengstuk, waarin een aantal veerkrachtige, langwerpig driehoekige
strookjes, die te zamen een kegel vormen en uiteenwijken, als de
Vlinder in 't voorjaar den cocon verlaat; daarna sluiten zij zich weer.
Evenals de uitmuntendste zanger onder de Vogels, draagt ook de
nuttigste van alle Vlinders, de Moerbezie-zijdespinner [Bombyx
(Sericaria) mori, fig. 1] een zeer eenvoudig kleed. Hij heeft 40 à 45.5
mM. vlucht; bij beide seksen hebben de sprietleden lange, tandvormige
uitsteeksels; deze zijn zwart; overigens is de Vlinder meelwit. De
vleugels zijn kort; de zoom van den voorvleugel is diep boogvormig
uitgesneden, waardoor de spits een sikkelvormige gedaante verkrijgt;
dikwijls hebben beide vleugels een bruinachtig gele dwarsstreep, die
echter even dikwijls ontbreekt. De rups wordt gewoonlijk "zijdeworm"
genoemd en is, o.a. door het volslagen gemis van haren op de huid,
voor zijde-leverancier uitmuntend geschikt. Haar vorm komt overeen
met dien der pijlstaartrupsen: het voorlaatste segment draagt aan de
rugzijde een kort hoorntje; het borststuk is bijna op dezelfde wijze
verdikt als bij de rups van de Olifantsvlinder (Sphinx Elpenor). Haar
kleur is grijswit, met bruine gaffel- en roodachtig gele oogvlekken
op den rug en een varieerende teekening op de zijden van de voorste
ringen. Haar voedsel bestaat uitsluitend uit moerbeibladen (Morus alba,
desnoods M. nigra). De eivormige, gelijmde, van buiten met vlossige,
zijden draden omgeven cocons zijn wit of geel; deze kleur heeft ook
de ruwe zijde. Dubbele cocons komen volstrekt niet zelden voor; soms
hebben zij den vorm van enkele; in beide gevallen leveren zij twee
Vlinders op. Van 4000 cocons kan 1 KG. zijde worden verkregen; een
cocon bestaat uit een draad van 3000 M. lengte, waarvan men echter
slechts 300 à 600, in 't gunstigste geval 900 M. kan afwikkelen,
daar het binnenste perkamentachtige en het buitenste vlossige deel
van den cocon niet bruikbaar zijn.
Naar alle waarschijnlijkheid is de Moerbezie-zijdespinner afkomstig
uit China, het vaderland van zijn voederplant. Beider verbreiding
bleef beperkt tot het Hemelsche Rijk en naburige staten, totdat
onder de regeering van Keizer Justinianus twee Perzische monniken
moerbeziestekken en zijdespinnereieren (grains), die zij geroofd en
in hunne holle wandelstaven verborgen hadden, naar Konstantinopel
overbrachten. Hier althans werden sedert 520 n. C. zijdewormen
gekweekt; tot in de 12e eeuw bleef deze teelt in het uitsluitend
bezit van het Grieksche keizerrijk, waar het eiland Kos in dit opzicht
boven alle andere gewesten de overhand had. Van Griekenland werd de
zijdewormenteelt door Arabieren naar Spanje overgebracht. In het midden
van de 12e eeuw kwam zij op Sicilië in zwang en breidde zich allengs
over Florence, Bologna, Venetië, Milaan en het overige Italië uit,
onder Hendrik IV naar Frankrijk en van hier verder noordwaarts. In
Duitschland werd in 1670, en wel in Beieren, de eerste vereeniging
voor de zijdewormenteelt opgericht. Frederik de Groote bevorderde
zooveel mogelijk de invoering van dit bedrijf in zijne staten; zijne
maatregelen brachten teweeg, dat het in de tweede helft van de vorige
eeuw overal in Duitschland ingang vond. De bevrijdingsoorlogen gaven
aan het nieuwe middel van bestaan een geweldigen knak. Later werd
het opnieuw opgevat en van regeeringswege, in Pruisen althans,
begunstigd. Men stelde een premie op de productie van een
zekere hoeveelheid cocons en verving de tot dusver gebruikelijke
moerbeziestamboomen door moerbezieleiboomen, die veel sneller en
gemakkelijker het noodige voeder voor de rupsen opleveren.
De Dennenrupsspinner (Gastropacha pini) heeft men in ons land slechts
op enkele plaatsen in Gelderland (steeds in zeer geringen getale)
aangetroffen; in Duitschland waar hij in alle met dennen begroeide
oorden veelvuldig voorkomt, richt zijn fraaie rups (fig. d) soms groote
schade aan. Half volwassen of nog kleiner overwintert zij onder mos,
beschut door 60- à 80-jarige bosschen. Als de vorst wijkt, ontwaakt
zij uit haar verstijving en herneemt, al naar de weersgesteldheid
vroeger of later, haar plaats in den boom. Nadat zij tegen het
einde van April in de kroon te midden van de naalden is aangekomen,
keert zij in den regel niet weder naar den bodem terug, tenzij kort
voor haar gedaantewisseling. Hare beide hoofdkleuren zijn bruin
grijswit, die, op verschillende wijzen genuanceerd en gerangschikt,
met elkander afwisselen. De groeven op den 2en en 3en ring vormen
zoogenaamde "spiegels", daar zij zich als staalblauwe, fluweelachtige
dwarsstrepen vertoonen, wanneer de rups de boven d voorgestelde houding
aanneemt. Voor den overgang in den poptoestand spint zij een gesloten
cocon (fig. e), niet altijd tusschen de afgevreten naalden, maar ook
wel onder aan den stam tusschen schubben van de schors. Dikwijls
komt zij echter niet zoover en levert dan een treurig schouwspel
op. Honderden van kleine Sluipwespmaden, die in de rups parasiteerden,
komen te voorschijn en veranderen op de huid, het laatste overblijfsel
van haar slachtoffer, in poppen, die met een sneeuwwitten cocon omgeven
zijn (fig. i). De normale pop van den spinner heeft ongeveer 3 weken
noodig voor haar ontwikkeling, zoodat men omstreeks het midden van
Juli de Vlinders ziet vliegen. Hun kleur is even veranderlijk als die
der rupsen. Ook bij hen komen grijs en bruin, op verschillende wijzen
samengevoegd, als hoofdkleuren voor. Aan een wit maanvlekje op den
voorvleugel en een van hier uitgaande smalle of breede, roodbruine
dwarsstreep zijn zij gemakkelijk te herkennen. Het wijfje (fig. b) is
lichter van kleur dan het mannetje en grooter; bij een vlucht van ruim
80 mM. heeft zij een lengte van 39 mM. Haar aard is traag, doch ook het
mannetje (fig. a) vliegt over dag niet veel. Het wijfje legt 100 à 200
groene eieren; men vindt ze in meer of minder groote groepen bijeen
op den stam (fig. c) of de naalden, soms op een twijg; kort voor het
uitkomen in Augustus is hun kleur grijs. Men heeft uitgerekend, dat een
rups, die zich normaal ontwikkelt, gemiddeld 1000 naalden verslindt,
voordat zij in den poptoestand overgaat. Hieruit blijkt, welk een
schade deze Insecten aanrichten kunnen, wanneer zij in grooten getale
voorkomen. Sedert het jaar 1776 heeft men hierover gegevens. In het
district Möllbitz bij Wurzen werden in het jaar 1869 74.5 KG. eieren,
65 HL. vrouwelijke Vlinders en 125 HL. rupsen ingezameld, zonder dat
men den vijand meester kon worden. De pogingen om dit doel te bereiken
zouden onvoldoende zijn, indien de natuur niet door de werkzaamheid
van allerlei Sluipwespen de te sterke vermenigvuldiging der Vlinders
beperkte; bovendien wordt de dood van de larven veroorzaakt door
een in haar lichaam parasiteerende zwam (Botrytis bassana), welker
vruchtlichaam zich boven de gestorven rups tot een kolossale hoogte
ontwikkelt. Zelfs heeft men Kikvorschen aangetroffen op de boomen,
die met een zeer groot aantal rupsen bezet waren.
De livreirupsen ziet men bij zonnig weer nog in het laatst
van Mei of het begin van Juni dicht opeengedrongen, in grooten
getale, op stammen van vruchtboomen zitten. Deze lichtblauwe, met
oranjekleurige, zwartgezoomde, overlangsche strepen en een witte
ruglijn getooide rupsen dragen vóór op den blauwen kop 2 zwarte,
aan oogen herinnerende vlekken. In het voorjaar zijn ze te voorschijn
gekomen uit bijna steenharde eieren, die ringsgewijs een twijg omgeven
en met de schors zoozeer in kleur overeenstemmen, dat het eenige
moeite kost ze te vinden. Zoodra deze rups volwassen is, spint zij,
bij voorkeur tusschen bladen, een geelachtigen, van binnen in den
regel met geelachtig stof bedekten cocon, waarin de dofzwarte pop,
die op den rug en het achterlijf met korte, wollige grijze haartjes
bekleed is, eenige weken rust. In Juli of Augustus komt hieruit de
Ringel-, Ring- of Livreirupsvlinder (Gastropacha neustria), die men
slechts zelden ziet, daar hij uitsluitend des nachts om den top van
den boom vliegt. Gewoonlijk draagt hij een licht okergeel kleed;
op de voorvleugels komen twee nagenoeg rechte en bijna evenwijdige
dwarsstrepen voor, die beide iets donkerder van kleur en aan de
buitenzijde licht gezoomd zijn; hierdoor onderscheidt hij zich
van een zeldzame, verwante soort (Gastropacha castrensis), welker
blauwe rups op wolfsmelk gezellig leeft en nog bonter, met fraaie,
goudkleurig bruine strepen, getooid is.
De drie genoemde soorten en nog vele andere Spinners van Europa en
Amerika heeft men vereenigd tot het geslacht der Klokhenvlinders
(Gastropacha), zoo genoemd, omdat vele in den toestand van rust
herinneren aan een klokhen, die hare kuikens beschermt, daar de
achtervleugels verder zijwaarts reiken dan de voorste.
De Zakdragers (Psychina) heeten zoo, omdat zij gedurende den
rupstoestand in kokervormige huisjes leven, die van zeer verschillende
plantendeelen vervaardigd zijn; iedere soort volgt bij het kiezen
en samenvoegen der grondstoffen haar eigen methode, zoodat men aan
den zak der rups een Vlinder met zekerheid kan onderscheiden van
een andere, die er veel op gelijkt. Een tweede eigenaardigheid, van
de onderfamilie is het ontbreken van de vleugels bij de vrouwelijke
Vlinders. Vele wijfjes verlaten nimmer den zak, waarin zij als rups
en als pop leefden, en blijven zelfs gedeeltelijk door de afgeworpen
pophuid omhuld; zij gelijken meer op maden dan op geslachtsrijpe
Insecten. Men zal ze niet licht als Vlinders herkennen: zij missen
de sprieten en de pooten; hare monddeelen zijn rudimentair en zelfs
de oogen schijnen zwak ontwikkeld te zijn. De wijfjes van andere
soorten hebben pooten en sprieten en meer vrijheid van beweging; zij
komen althans ver genoeg te voorschijn, om op de buitenzijde van haar
woning te gaan zitten. De mannetjes zijn in den regel ruig behaard,
somber van kleur en niet gevlekt of gestreept. Reeds op grooten afstand
merken zij de leden der andere sekse op, zooals blijkt uit de haast,
waarmede zij komen aanvliegen, wanneer een insectenverzamelaar een
wijfje van hun soort in zijn bus heeft geborgen, en uit de pogingen,
die zij doen om in de bus door te dringen. De sprieten zijn (zooals
gewoonlijk, aan weerszijden) ruig behaard; de tasters en de zuiger
ontbreken, of zijn althans zeer klein en onbruikbaar. Deze Vlinders
vliegen over dag en in de schemering; hunne vleugels liggen in rust
dakvormig over het achterlijf heen.
De rupsen hebben 6 hoornachtige borstpooten en gebruiken deze om bij
boomstammen, grashalmen, planken, enz. naar boven te klimmen; terwijl
zij voedsel zoeken sleepen zij haar huisje mede; de overige pooten
zijn slechts door wratjes vertegenwoordigd of spoorloos verdwenen. Om
zich te verpoppen, verlaten de rupsen van de meeste Psychinen haar
voederplant en spinnen de voorste opening van haar zak aan een
boomstam, een schutting, een steen of een dergelijk voorwerp vast.
De zak van den Eenkleurigen Zakdrager (Psyche unicolor, P. graminella)
is verschillend van vorm, al naar de hierin aanwezige larve zich
tot een mannetje of tot een wijfje ontwikkelt. De groote zak van
de mannelijke rups (fig. e) draagt van voren allerlei omvangrijke
plantendeelen; die van het wijfje wordt nooit zoo lang en heeft een
veel gelijkmatiger oppervlakte. Daar de rups overwintert, vindt men
de zakken in het laatste gedeelte van den herfst en in den winter
op beschutte plaatsen, vooral aan boomstammen vastgesponnen. Zoodra
de natuur tot nieuw leven ontwaakt, bijt de rups de draden stuk,
waarmede haar huis is vastgehecht, en eet gras, totdat zij in Mei
of in het begin van Juni rijp is voor den poptoestand. In onze
afbeelding is de zak van het wijfje reeds vastgesponnen, terwijl de
mannelijke rups bezig is hiervoor aan den stam een geschikte plaats
op te zoeken. De rups is geelachtig met grijsachtig zwarte stippels,
de pop geelbruin. Na een rust van hoogstens 4 weken komt de Vlinder
te voorschijn. Het zwartachtig bruine mannetje (a) heeft witte
puntjes aan de franje en enkele witte, ruige haren aan den buik,
aan de achterscheen slechts één paar sporen, n.l. aan het einde. Het
made-vormige wijfje (d) komt, nadat de pophuid losgeraakt is, in
't geheel niet te voorschijn, maar blijft steeds in den zak, die van
voren gesloten en vast gesponnen, van achteren open is. Nog steeds
is zij omhuld door de losse pophuid, die na de paring met de eieren
gevuld wordt; het wijfje kruipt verder naar voren, naarmate haar
achterlijf in omvang afneemt, maar sterft schielijk daarna. Zoodra
de rupsjes de eischaal verlaten hebben, spinnen zij zich een klein
zakje, waarbij zij gebruik maken van de haren, die het mannetje in de
moederlijke woning heeft achtergelaten. Vervolgens begeven zij zich
naar buiten, zoeken hunne voederplanten op, vergrooten hunne zakjes,
zoodra dit noodig is en voegen dan vreemde bestanddeelen aan hun
spinsel toe. Om te vervellen spinnen zij het voorste einde van hun
huisje ergens aan vast; voor het verwijderen van de afgeworpen huid
en van de uitwerpselen, dient de opening aan het achterste uiteinde,
die van twee veerende kleppen voorzien is.
De Merian's-borstelrupsvlinder (Dasychira pudibonda) is een deels
licht, deels donker, grijsbruin en wit geteekende Spinner van 40 tot
60 mM. vlucht; het wijfje is nog doffer gekleurd en nog minder scherp
geteekend dan het mannetje. Deze Vlinders vliegen in het begin van Juni
en trekken op geenerlei wijze bijzonder de aandacht. Als rupsen evenwel
zijn zij niet slechts merkwaardig door fraaie kleuren, maar ook door
de aanzienlijke schade, die zij dikwijls in jonge beuken-aanplantingen
aanrichten. Op eiken vindt men ze eveneens. De "borstelrupsen" (larven
van de geslachten Orgyia en Dasychira) heeten zoo wegens de pluim-,
kwast- of penseelvormige haarbundels, waarmede zij getooid zijn. De
genoemde soort heeft er 4 zeer in 't oogvallende van witte, gele of
roodachtige kleur, die op langharige kleerborstels gelijken, op den
rug van de segmenten 3-7, bovendien een lang, rozerood penseel (de
"staart") op ring 11; soms vertoonen ook de overige haren een fraai
rozerood waas; hun kleur is overigens gelijk aan die van de huid en
deze (gewoonlijk zwavelgeel) varieert sterk. Gaarne neemt de rups een
eigenaardige houding aan "laat den kop hangen," waarbij de prachtige,
fluweelzwarte dwarsbanden ("spiegels") tusschen de "borstels" van de
ringen 3-7 duidelijk in 't oog vallen. In October kruipt zij tusschen
de dorre bladen, die den bodem bedekken en vervaardigt hier een los,
met haren gemengd weefsel, waarbinnen zij zich omgeeft met een tweede,
steviger spinsel, dat echter nog los genoeg is om de kleur van de
donkerbruine pop te laten doorschemeren.
De Populierspinner (Dasychira salicis) is wit, zwak geschubd en
als zijde glinsterend; de kamtanden van de sprieten en de ringen
aan de dicht behaarde pooten zijn zwart. Deze Vlinders zijn het,
die in de warme nachten van Juni en Juli spookachtig en dikwijls
bij duizenden om de slanke populieren onzer straatwegen fladderen en
door de Vleermuizen weggevangen worden, zoodat de weg bezaaid is met
afgebeten vleugels. Over dag kan men ze reeds op grooten afstand tegen
den stam zien zitten; zij vallen naar beneden, als Musschen en andere
Vogels onder hen opruiming houden; vertrapt, half-dood rondkruipend,
of in 't stof zich wentelend, bedekken zij den bodem. Het wijfje
kleeft hare eieren aan den stam, waar zij eilandjes vormen tusschen
de schubben van de schors. In de volgende lente komen de rupsjes uit,
soms nog in den herfst; deze voorbarigheid wordt hun echter noodlottig,
daar zij gedurende den winter bezwijken. Zij zijn matig sterk behaard,
met roode wratjes bezet, vallen spoedig in 't oog door de reeks van
zwavelgele of witte vlekken langs den bruingrijzen rug. Soms vreten
zij de populieren en wilgen geheel kaal.
De Basterd-satijnvlinder (Porthesia chrysorrhoea) is effen wit, met
uitzondering van het roodbruin behaarde einde van 't achterlijf, dat
bij 't wijfje in een knobbelvormig kussen, bij het slankere mannetje
in een kwastje eindigt. De Spinner verschijnt in denzelfden tijd als
de vorige en heeft dezelfde levenswijze; hij weet zich echter beter
verborgen te houden aan de onderzijde der bladen en bepaalt zich niet
tot wilgen en populieren, maar zit op bijna alle boomen van het woud
(eiken, beuken, haagbeuken, ijpen, wilgen, sleedoornen), ook op de
meeste vruchtboomen, op rozen en andere sierstruiken in tuinen. Op al
deze planten ziet men in het begin van Juli het wijfje bezig met eieren
te leggen; zij doet dit gewoonlijk op de onderzijde der bladen. Met
twee schubben aan de spits van het achterlijf plukt zij zich de
roestbruine haren uit de laatste segmenten en omgeeft hiermede de
gelijktijdig gelegde eieren, die tot een hoop opeengepakt worden. De
achterste, viltachtige haren van het "kussen" komen het eerst aan
de beurt, later de andere; op deze wijze ontstaat gedurende de 1 of
2 dagen van het eierleggen, naarmate het "haarkussen" verdwijnt,
een zoogenaamde "kleine eierenzwam." Na 15 à 20 dagen verlaten de
rupsjes de eischaal en beginnen te knagen aan de bladen in hun naaste
omgeving. De kop is vuilgeel; de nek en de reeksen van stippels op den
rug zijn zwart. Gezamenlijk spinnen zij een nest, dat langzamerhand
al dichter en dichter wordt geweven, naarmate het ruwe jaargetijde
nadert en steeds duidelijker zichtbaar wordt, hoe meer bladen de
boom verliest. Dit zijn de zoogenaamde groote rupsennesten. In 't
volgende jaar vreten de ontwakende rupsen de knoppen uit, stellen
zich in de takgaffels aan de zonnestralen bloot en keeren naar het
oude nest terug of spinnen een nieuw nest, dat zij eveneens verlaten,
zoodra zij grooter geworden zijn. De volwassen rups is sterk behaard
en donkerbruin, heeft op alle segmenten van het achterlijf een witte
zijdevlek, over de ringen 6 tot 10 twee roode, eenigszins kronkelende
rugstrepen en op het midden zoowel van den 9en als van den 10en ring
een steenroode wrat. In de eerste helft van Juni spint zij tusschen
bladen een lossen cocon en verandert in een zwartbruine pop.
De Plakker, Hebreeuwsche-letter- of Resj-vlinder (Ocneria dispar),
ook wel bekend onder den naam van Stamuil, daar de wijfjes zeer traag
op boomstammen zitten, draagt zijn wetenschappelijke soortnaam dispar
(= ongelijk) met het volste recht, daar de beide seksen zoo zeer van
elkander verschillen, dat een niet deskundige ze voor verschillende
soorten zou kunnen houden. Het kleinere, grijsbruine mannetje
(fig. 1) heeft eenige meer of minder duidelijke, zwarte, hoekige
dwarsbanden op de voorvleugels en lange kamtanden aan de sprieten,
waardoor deze den vorm van hazenooren verkrijgen. Het buitengewoon
plompe en trage wijfje heeft vuilwitte vleugels; de laatste ringen
van het leelijke achterlijf vormen een met wollig, bruingrijs haar
bekleede verdikking; de voorvleugels zijn met soortgelijke, zwarte,
hoekige dwarsbanden geteekend als die van het mannetje. Duidelijker
dan op deze is een [Lambda]-vormig lijntje zichtbaar met een stip
er boven, dat op de Hebreeuwsche letter "resj" gelijkt. Beide
zijn tegen het einde van Juli of in Augustus uit de dofzwarte pop
gekomen. Zoodra het mannetje de vleugels gebruiken kan, vliegt het in
woesten ijver rond, glijdt als een schaduw langs den toeschouwer heen
en is in een oogenblik verdwenen, daar de duisternis niet toelaat,
dit als een Vleermuis vliegende Insect in 't oog te houden. Geheel
anders handelt het wijfje. Traag zit zij tegen een schutting of
een boomstam aangedrukt en bedekt haar wanstaltig dik achterlijf
met de alles behalve fraaie, daksgewijs hellende vleugels. Eerst
als de duisternis invalt, spreidt zij met moeite de vleugels uit,
fladdert log om de boomen heen en levert een vette prooi aan de op
buit beluste Vleermuizen. Zoo brengt zij haar kortstondig leven door,
over dag in trage rust, des nachts plomp rondvliegend; evenals het
mannetje, gebruikt zij niets anders dan dauw; geen van beide treft
men ooit op bloemen aan. Eindelijk ziet men haar (zooals in fig. 2)
voor een bruine veel op het bekende zwam gelijkende massa, voor een
"groote eierenzwam" zitten. Evenals de Basterd-satijnvlinder begint
zij de plek met een laag slijm te bedekken, waaraan de onderste laag
van het vilt blijft hangen, dat aan het donkerbruine aarskussen wordt
ontleend. Hierop volgt een laag eieren, daarna nogmaals een laag
haren; zoo gaat het voort, totdat er een vrij groote verhevenheid
zonder bepaalden vorm ontstaan is op een boomstam, een schutting,
een gewitte muur of een dergelijk voorwerp, steeds echter op een
beschutte plaats. Hoe grooter het aantal "eierenzwammen" wordt, des
te geringer kans heeft men om nog wijfjes te ontmoeten; de mannetjes
zijn reeds vroeger bezweken. De eieren overwinteren. De rupsen zijn
in Juni of Juli volwassen en hebben dan reeksen van blauwe en roode,
borstelig behaarde wratten op het grijsbruine lichaam; aan den dikken
kop, die uit de dicht bijeenstaande borstels te voorschijn komt,
kan men haar gemakkelijk van andere rupsen onderscheiden. Allerlei
bladen zijn haar als voedsel welkom; men vindt haar op rozenstruiken
in tuinen, op de eiken in het woud, op de wilgen langs de beek, op
de populieren langs den weg en op allerlei vruchtboomen. In sommige
jaren worden zij door haar talrijkheid een ware plaag voor het land.
De Nonvlinder (Ocneria monacha), vroeger ook wel Kluizenaar genoemd, is
de evenknie van den Plakker, zoowel door zijn uiterlijk en levenswijze,
als door de schadelijke werkzaamheid van de rups, die bij voorkeur
naaldboomen aantast. De Vlinders verschijnen terzelfder tijd als
de vorige, hebben bij beide seksen zuiverder witte voorvleugels met
scherpere, zwarte zigzagstrepen, zwarte getroebelde achtervleugels,
een gevlekten rand aan beide; het wijfje kan het rozeroode uiteinde van
het achterlijf, dat uit een uitstulpbare legbuis vormt, aanmerkelijk
verlengen, wanneer zij de eieren achter de schorsschubben wil
vastkleven. Tegen het einde van April of in het begin van Mei komen
de rupsjes voor den dag; die, welke van een eierenschool afkomstig
zijn, blijven 1 à 6 dagen op de in fig. 6 aangeduide wijze bij
elkander zitten, voordat zij zich naar de naalden begeven. De
Duitsche houtvesters noemen zulk een gezelschap een "spiegel" en
alle werkzaamheden om het te dooden en hierdoor schade te voorkomen,
het "spiegelen." In Juni of Juli zijn de rupsen (fig. 7) volwassen,
op groenachtig grijzen (met witachtig grijs en zwart doormengden
grond) met blauwe en roode wratten bezet; van voren hebben zij een
witte plek achter een fluweelzwarten spiegel, achter het midden een
lichte, zadelvormige vlek; zij gelijken veel op de rupsen van den
Plakker. Zij hechten zich aan een stam door middel van eenige weinige
haar omgevende zijden draden en veranderen in een fraai bronskleurig
glinsterende, ruig wit behaarde pop (fig. 8). Daar de breedgebladerde
boomen de verloren bladen weder vervangen kunnen, lijden zij door
de vraatzucht van de nonnenrupsen minder schade dan de dennen en de
teedere sparren. Tot in het jaar 1828 werd de Nonvlinder alleen voor
de dennen schadelijk geacht; uit een in 1852 begonnen verwoesting van
de Oost-Pruisische, Lithauensche, Masurische en Poolsche wouden door
de Non bleek echter, dat de sparren nog veel meer van haar te lijden
hebben dan de dennen. Geloofwaardige ooggetuigen verzekeren, dat het
woud er uitzag als bij de hevigste sneeuwjacht en dat de boomen wit
waren van de tallooze Vlinders, die hen bedekten en overal neervielen.
De eik, die, gelijk bekend is, meer larven van Vlinders voedt dan
eenige andere plant, wordt in sommige streken geteisterd door een
zeer merkwaardige en zonderlinge rups, die meer aanspraak heeft
op den naam van giftig te zijn dan eenige andere. Hare lange, in
een witte spits eindigende haren, die, naar het microscoop leert,
van boven van takjes voorzien zijn, bevatten mierenzuur, dat zelfs
op een weinig gevoelige huid een hevig brandend gevoel en jeuk
teweeg kan brengen. Het ontbreekt niet aan voorbeelden, dat zij in
het spijskanaal van menschen of dieren een hevige ontsteking van de
slijmvliezen veroorzaakt hebben, die soms den dood ten gevolge had;
Runderen gedroegen zich in zulk een geval als dol. De rupsen, die
deze gevaarlijke brandharen dragen, hebben de zonderlinge gewoonte
van gezamenlijk in een bepaalde orde uit te rukken naar de plaats
waar zij haar voedsel vinden en van hier in dezelfde orde naar het
nest terug te keeren; men noemt haar daarom processierupsen. Zij
komen in Mei uit de eieren, die in den vorigen zomer in hoopjes van
150 à 300 stuks aan de schors van een eikenstam vastgekleefd werden,
gemengd met de grijsbruine haren uit het viltachtige uiteinde van
't achterlijf van 't wijfje. Reeds in den avond van haar geboortedag
trekken zij uit--achter elkander aan, wanneer zij in gering aantal
voorkomen, in wigvormige orde, wanneer zij talrijker zijn: één aan de
spits, de volgende bij paren, bij drieën, bij vieren, enz.--naar de
kroon van den boom, om zich te verzadigen met de bladen, waarvan zij
aanvankelijk alleen de bovenzijde afvreten, gelijk alle zeer jonge
rupsen doen. Evenals zij hier op rijen gerangschikt eten, vormen zij
na den maaltijd een soortgelijke "processie" om terug te keeren naar
een beschutte plaats van den stam, bij voorkeur naar een takgaffel
of tamelijk dicht bij den grond. Hier richten zij zich huiselijk
in, zitten dicht opeengedrongen, niet slechts naast, maar, als zij
grooter geworden zijn, ook op elkander en spinnen een los weefsel over
zich heen. Aanvankelijk verwisselen zij vaak van standplaats, later
daarentegen behouden zij dezelfde. Daar in het spinsel de afgeworpen
huiden en voor een deel ook de uitwerpselen blijven hangen, wordt
het voortdurend dichter; van eenigen afstand ziet het er uit als een
blaasvormige opzwelling van den stam. Uit deze nesten worden de bij
iedere vervelling afgeworpen brandharen door den wind opgenomen en
verstrooid, vallen neer op het gras, dat door het vee wordt afgegraasd,
of geraken, in de lucht zwevend, in de maag van de houthakkers,
die hun ontbijt of een ander maal gebruiken in de buurt van boomen,
die door processierupsen bewoond worden. "Ik herinner mij," schrijft
Dr. J. Th. Oudemans, "dat, ik meen in het jaar 1878, de weg tusschen
Nijmegen en Hees voor mensen noch dier straffeloos begaanbaar was en
zooveel mogelijk gemeden werd, aangezien de soort daar toen in massa
aanwezig was en de lucht met de fijne haren vervulde, waardoor het
verkeeren op dien weg inderdaad ernstige gevolgen had." In ons oog
doordringend, veroorzaken de haren een pijnlijke ontsteking. Zoodra het
donker wordt, verlaten de rupsen haar nest, waarin men van onderen een
opening opmerkt, om zich naar boven te begeven; zij doen dit iederen
avond, behalve op de beide ziektedagen, die met iedere vervelling
gepaard gaan. Soms ziet men over dag een "processie" op den grond;
misschien zijn de rupsen dan door gebrek aan voedsel genoodzaakt om
haar boom en het hier aanwezige nest te verlaten. Deze optocht levert
een merkwaardig schouwspel op: als een donkeren band, als een Slang,
kronkelt zij zich en komt slecht langzaam vooruit. De volwassen rups
heeft een grooten, bruinzwarten kop en is 29 à 52 mM. lang, op den rug
donker blauwgrijs à blauwzwart, op de zijden en op den buik grijsachtig
of groenachtig wit. Alle ringen hebben een dwarsrij van roodbruine,
lang behaarde wratten; de beide middelste rugwratten zijn echter op
de ringen 4 tot 11 vervangen door een groote, aan den omtrek lange
borstels dragende, roodbruine, plek (spiegel), die dicht bezet is met
duizenden korte, zeer gemakkelijk loslatende brandharen. De lange
borstels, die zelf echte brandharen zijn en zich voorover buigen,
als de rups verontrust wordt, schuieren de korte brandharen van
het voorafgaande segment los en richten zich vervolgens weer op,
waardoor de giftige wapens zich door de lucht verspreiden. Om zich te
verpoppen, begeven alle rupsen zich op den bodem van het nest en maken
hier reeksen van cocons, die ieder weldra een donker roodbruine pop
bevatten, welker buikringen scherpe randen hebben. In Juli en Augustus
komt hieruit de Eikenprocessierupsvlinder (Cnethocampa processionea),
wiens effen, bruinachtig grijs kleed op de voorvleugels eenige
donkerder dwarslijnen vertoont, die duidelijker zichtbaar zijn bij
het donkerder en scherper geteekende mannetje dan bij het wijfje; de
geelachtig witte achtervleugel heeft een onduidelijke dwarsstreep. De
"processierups", schrijft Ritzema Bos, "werd tot heden zoo goed als
uitsluitend in Limburg, Brabant en Gelderland aangetroffen en wel
in de meeste jaren in gering aantal; enkele keeren echter trad zij
in groote massa's op. Dit was o.a. in de jaren 1874 tot 1878 het
geval in verschillende streken van Gelderland en Noordbrabant. In
den zomer van 1875 kwamen zij in de omstreken van Nijmegen in groote
menigte voor; zij vraten daar niet alleen de eikenboomen, maar ook al
't andere loofhout en de ooftboomen kaal en lieten zelfs de gewassen
op den akker niet onaangeroerd. In 1877 vertoonden zij zich in de
nabijheid van Wageningen, waar zij echter--zeker grootendeels ten
gevolge van 't vernielen harer nesten--later niet dan in een gering
aantal werden wedergezien."
Tot dezelfde onderfamilie (Notodontina) rekent men nog eenige Vlinders,
die vooral in den larvetoestand de aandacht trekken, daar bij hare
rupsen de plaats van de naschuivers wordt ingenomen door 2 bovenwaarts
gerichte, draadvormige aanhangsels. Uit elk harer "gaffelspitsen"
kunnen de bedoelde tweestaartrupsen een nog langeren, dunnen draad te
voorschijn doen komen, die, als het koord van een zweep aan den steel,
naar beneden hangt. Zij toonen de "zweep", gelijk de rups van den
Koninginne-page den nekgaffel, alleen wanneer zij echter verontrust
worden. In rust nemen deze dieren een hoogst zonderlinge houding aan
op het blad van den door hen bewoonden struik of boom.--Een van deze
rupsen met verdacht uiterlijk is die van den Grooten Hermelijnvlinder
(Harpyia vinula); men vindt haar vooral in Juli en Augustus op wilgen
of populieren. Zij is lichtgroen en heeft over den geheelen rug een
violette zadelvlek, die op den 7en ring aan weerszijden tot aan het
ademgat afdaalt en door een zuiver witten rand omgeven is. In Mei
verlaat de Vlinder de huid van de overwinterende pop; over dag zit
hij zeer traag op stammen, palen en planken; zijn kleur is wit, op
de vleugels met gele aders, voor een deel uitvloeiende zigzaglijnen
en vlekken (die aanleiding gaven tot den Nederlandschen naam) op
de vleugels.
De vreemdsoortigste van alle inheemsche rupsen is die van den
bij ons zeldzamen Eekhoorn (Stauropus fagi); de Vlinder vliegt in
denzelfden tijd van 't jaar als de vorige en komt met dezen in vorm
overeen, doch heeft een bruinachtig grijze kleur. Wegens de houding,
die de lederkleurig, bruine, onbehaarde rups in den toestand van
rust aanneemt, draagt de soort den naam van Eekhoorn; het achter
de buikpooten gelegen deel van 't lichaam is sterk gezwollen, naar
boven en naar voren gekromd; het wordt met den pluimstaart van het
genoemde Zoogdier vergeleken. Ofschoon in hoofdzaken met de vorige
overeenstemmend, vertoont zij echter eenige afwijkingen, die haar
een ander voorkomen verschaffen. De twee vrij lange "staartstiften"
aan het laatste segment missen den uitstulpbaren draad, hoewel zij
opgericht kunnen worden; de 6 buitengewoon sterk verlengde borstpooten
herinneren sterk aan spinnepooten. Als de rups verontrust wordt,
gooit zij haar kop achterover, strekt de borstpooten en brengt ze in
trillende beweging. Men vindt haar in den herfst op beuken en eiken. De
bruinzwarte pop houdt verblijf in een vliezig spinsel tusschen twee
afgevallen bladen en overwintert. De muisgrijze Vlinder heeft 50 à
60 mM. vlucht en vliegt in Juli en Augustus.
De Uilen (Noctuina) vormen een zeer soortenrijke familie, welker leden
voor 't meerendeel slechts een middelmatige grootte hebben en die, met
uitzondering van eenige weinige geslachten, door overeenstemming van
lichaamsbouw en door eigenaardigheden van de teekening der vleugels
(uilenteekening) duidelijk hun verwantschap verraden. Hun lichaam
is in den regel forsch gebouwd, het achterlijf aan het einde meestal
kegelvormig, het haarkleed dicht, op het borststuk en het achterlijf
niet zelden tot borstels van verschillenden vorm uitgegroeid. De soms
behaarde, soms naakte oogen schitteren in 't donker. De borstelvormige
sprieten zijn iets langer dan de halve voorvleugel. Slechts bij
enkele soorten komt de zuiger niet tot volledige ontwikkeling, maar
blijft week of ontbreekt zelfs geheel. De binnenrand van de krachtige
voorvleugels is steeds langer dan de zoom; meestal treft men 12 aders
in deze vleugels aan. Bij het beschrijven van de teekening maakt men
gebruik van eenige algemeen aangenomen uitdrukkingen, die met behulp
van de nevensstaande, schematische figuur verklaard zullen worden.
Dicht bij den wortel bevindt zich de halve dwarslijn (a); de beide
geheele dwarslijnen, de voorste (b) en de achterste (c), werden
reeds dikwijls genoemd; zij begrenzen het middelveld. Hierin komen 3
door haar kleur van haar omgeving afwijkende vlekken voor: de ronde
vlek (d), de niervlek (e), beide in den regel van een lichtere kern
voorzien, en de minder standvastig voorkomende, eenvoudig door haar
donkerder kleur gekenmerkte tapvlek (f). In het zoomveld merkt men
de golflijn (h) op, die er ongeveer midden doorheen loopt en het
verdeelt in een buitenste gedeelte, het franjeveld, en een binnenste,
de gewaterde band; de buitenrand van het zoomveld heet franjelijn. Aan
de golflijn merkt men dikwijls 2 wortelwaarts uitstekende punten (W)
op, die pijlvlekken worden genoemd. Onnoodig is het waarschijnlijk,
te vermelden, dat al deze vlekken en lijnen niet altijd op iederen
vleugel zichtbaar zijn. De kortere en breedere achtervleugels zijn
gewoonlijk ongevlekt en somber gekleurd; zij worden meestal op het
zoomveld allengs donkerder dan aan den wortel; als zij een lichtere,
sprekende kleur hebben (geel, rood, blauw), dan ontbreekt in den regel
ook de teekening niet, al bestaat zij slechts uit een middenvlek
(maanvlek) op de middenader en soms een daarachter (nader bij den
zoom) gelegen booglijn en een franjelijn. Een dergelijke teekening
kan voorkomen aan de onderzijde, zoowel van de voorvleugels als van
de achtervleugels, bij gene nog vermeerderd met een tusschen boog- en
franjelijn gelegen golflijn. In rust bedekken de vleugels daksgewijs
het achterlijf.
De rupsen van deze familie vormen 3 natuurlijke groepen. Die van de
eerste groep staan door haar in 't oog vallende beharing en het bezit
van 16 pooten het naast aan de rupsen der meeste Spinners en rusten,
voor iedereen zichtbaar, over dag op haar voederplant. De andere
hebben eveneens 16 pooten, maar geen merkbaar haarkleed, houden zich
over dag meestal verborgen en komen alleen 's nachts te voorschijn om
te eten; gedurende dit bedrijf kan de verzamelaar ze bij 't licht van
een lantaarn gemakkelijker vinden dan over dag; in aantal overtreffen
zij alle overige. De rupsen van de derde groep eindelijk hebben 1
of 2 paren pooten minder, zijn naakt, zitten over dag vrij op hare
voederplanten en vormt door de eerstgenoemde eigenschap een overgang
van de Uilen tot de eerstvolgende familie, die der Spinners. Alle
Uilenrupsen spinnen, voordat zij zich verpoppen; zij maken echter
geen volslagen cocon; die, welke vrij op planten leven, rusten hier
of tusschen droge bladen op den grond, die van de tweede groep in den
regel in den grond, nadat zij de haar omgevende aarde samengesponnen
of met behulp van haar speeksel losjes samengelijmd hebben.
Men kent ongeveer 2500 soorten van Uilen, die over de geheele aarde
verstrooid zijn. Dat hierbij 1000 Europeesche soorten voorkomen,
leidt tot de gevolgtrekking, dat ons werelddeel in dit opzicht het
nauwkeurigst onderzocht werd.
Tot de Spinnerachtige Uilen (Bombycoidea) behoort de Krakeling
(Diloba coeruleocephala, fig. 3), zooals blijkt uit de sterk
kamvormige sprieten van het mannetje en het dikke, wollig behaarde
lichaam van het wijfje. De chocolade-kleurige, in het zoomveld
lichtere voorvleugels vertoonen 2 zeer hoekige, aan den binnenrand
zeer dicht bijeenkomende, zwarte dwarslijnen. Door het ineenvloeien
van de 2 groenachtig gele voorste vlekken (waardoor de tapvlek, die
een rond figuurtje vormt, met de ronde vlek samenhangt), ontstaat een
groote, lichte plek, die zich soms in 2 aan een bril of een krakeling
herinnerende vlekken verdeelt. De achtervleugels zijn witachtig grijs,
aan den binnenhoek donker gevlekt. Deze Vlinder begint in September
te vliegen, en behoort dus tot de "Herfstuilen"; over dag zit hij
tegen boomstammen of schuttingen. Hij heeft 36 à 39 mM. vlucht. In
het voorjaar verschijnen de dikke, blauwachtig witte rupsen, die gele
strepen en zwarte wratten vertoonen; zij hebben een blauwen kop en
ontleenen hieraan den soortnaam; haar voedsel bestaat uit bladen
van pruimeboomen en sleedoornen. Als de rups volwassen is, lijmt
zij houtspaantjes, de kalk van een muur, enz. aaneen tot een hulsel,
dat aan onbeweeglijke voorwerpen bevestigd is en de stomp eindigende,
roodbruine pop nauw omsluit.
Den Orion of Seladon-uil (Moma Orion, Diphtera Orion, fig. 1), een
zeer sierlijken Vlinder van 33 à 38 mM. vlucht, ziet men in Mei of
Juni, dikwijls zelfs vrij veelvuldig in het bosch tegen boomstammen
zitten, steeds met den kop naar beneden gericht. Het afstaand behaarde
borststuk, welks schubben bij de vleugelwortels zijdelingsche pluimen
vormen, het achterlijf en de voorvleugels hebben een lichtgroene
grondkleur met zwarte en witte teekening. Op de voorvleugels bevinden
zich 2 donkerzwarte dwarslijnen en in het midden van het zeer breede
middelveld eenige hieroglyphen, die gezamenlijk een derden dwarsband
vormen. De grijsbruine, nader bij den zoom donkerder achtervleugels
hebben een witte, door een zwarte lijn verdeelde binnenrandvlek en,
evenals de voorvleugels, een zwart en wit gevlekt franjeveld. De fraaie
rupsen vindt men eenige weken later, aanvankelijk gezellig levend,
op eikenhakhout; zij laten zich aan een draad naar beneden zakken,
als zij gevaar duchten. Later leven zij eenzaam; voordat het ruwe
jaargetijde aanbreekt, vervaardigt ieder zich een stevig spinsel,
waarin zij zich verpopt. De bovendeelen zijn fluweelachtig zwart,
de zijden geelachtig; op alle segmenten komen roode wratjes voor met
lange, roodbruine haren en op den rug van den 2en, 4en en 7en ring
een groote, gele vlek.
De tot dusver behandelde Uilen en hunne verwanten zijn gedurende den
rupstoestand in den regel duidelijk behaard en leven bijna zonder
uitzondering op houtige planten, zonder zich te verbergen. De meeste
naakte rupsen van de Uilen der tweede groep--de Echte Uilen (Noctuae
genuinae)--krijgt men alleen te zien, wanneer men hare schuilplaatsen
weet op te sporen. Zij voeden zich bij voorkeur met grassen en
andere kruiden, hebben 16 pooten en kruipen in den grond om zich te
verpoppen. Ook de Vlinders leven verborgen en gaan in de duisternis
honig en dauw lekken op bloemen, bloeiende aren van graansoorten en
andere grassen, zoo ook op boomen, struiken en andere planten, waarop
de Bladluizen hare zoete excrementen hebben achtergelaten. De meeste
komen ons niet onder de oogen, tenzij er een in onze woning verdwaalt,
door het licht aangelokt of met het doel om een veilige rustplaats
voor den dag te zoeken. Hoewel de rupsen verborgen leven, richten
sommige toch eene niet onbelangrijke schade aan op gekweekte planten.
De Kweekgrasuil [Hadena (Luperina) basilinea, fig. 2] is lederbruin,
soms met een eenigszins grijze tint; de voorrand en het middelveld
van de voorvleugels zijn echter meer roestbruin. De ronde vlek en de
niervlek zijn groot, de laatstgenoemde lichter, vooral aan de zijde
van den zoom. Van het midden van den vleugelwortel gaat een zwarte
straal uit; deze "lijn aan de basis" (basilinea) gaf aanleiding tot den
soortnaam. De beide geheele dwarsstrepen, die een donkerder rand hebben
aan de naar elkander toegekeerde zijden, de golflijn en de tapvlek zijn
alle duidelijk zichtbaar. Kleine, zwarte maanvlekjes tusschen de aders
vormen de franjelijn, twee andere donkere vlekken een band over het
door een golvenden rand begrensde franjeveld. De glanzig geelbruine
achtervleugels zijn bij den zoom en op de aders donkerder.--Na de
paring legt het wijfje verscheidene eieren op de halmen en bladen van
de grassen, waarmede de rups zich later zal voeden; soms begunstigt
zij op deze wijze gekweekte grassen, n.l. rogge en tarwe. De rupsen,
die soms in grooten getale voorkomen, heeft men, daar zij onderweg
ter aarde vielen uit het koren, dat naar de schuur gereden werd,
op de muren van de langs den weg staande huizen zien zitten, ook op
de muren en den vloer van de schuur. Wanneer men ze ongestoord liet
begaan, zouden die, welke in de aren achterblijven, voortgaan met
het opvreten van de korrels, totdat de nadering van den winter haar
in een toestand van verstijving doet overgaan; in de lente hieruit
ontwakend, zetten zij haar bedrijf voort; sommige zoeken echter het
gras in de vrije natuur op; in 't begin van Mei verpoppen zij zich.
Twee zeer fraaie Vlindertjes--de Grasuilen (Neuronia popularis
en Charaeas graminis)--die door kleur en teekening aanmerkelijk
verschillen, stemmen door het voorkomen en de levenswijze hunner
rupsen zoozeer overeen, dat het zeer moeielijk is ze van elkander
te onderscheiden, wanneer men ze niet beide te gelijk voor zich
heeft. Beide hebben niet zelden een aanzienlijke schade aangericht
door het afvreten van voedergrassen. Zij beginnen aan den voet, aan
het jongste gedeelte van het blad, welks spits weldra verwelkt en
daarom onaangeroerd wordt gelaten. Uit de eieren, die in Augustus of
September op het onderste gedeelte van de grasplant worden gelegd,
komen voor den winter rupsjes, die, al naar de weersgesteldheid
in den herfst, in meer of minder ontwikkelden toestand verkeeren,
wanneer de koude hen noodzaakt rust te nemen. In 't voorjaar zetten
zij den arbeid met steeds toenemenden ijver voort; in Juni verpoppen
zij zich onder steenen of in den grond. Hun rolvormig, vetachtig
glinsterend lichaam is dan 52 mM. lang, 7 à 8 mM. dik, van boven
bronskleurig-bruin, met 3 lichtbruine, aanvankelijk bijna witte,
overlangsche strepen. De lichtbruingrijze buikzijde is scherp
gescheiden van de rugzijde door een geelachtige streep, waarin
zich de zwarten ademgaten bevinden. De kop is okergeel met 2 zwarte
streepjes. Deze beschrijving geldt voor beide rupsen: die van Charaeas
echter is iets kleiner en meer grijsachtig. Beide Vlinders gelijken
op Spinners door hun langharig borststuk en de kamvormige sprieten
van het mannetje. De eerste heeft fraaie, roodbruine voorvleugels
met perzikbloesemrooden weerschijn; alle aders, de golflijn en de
drie uilenvlekken zijn geelachtig geschubd. Bij den laatstgenoemden
Vlinder is de grondkleur van de voorvleugels bestoven olijfgroenachtig,
op het middelveld en de buitenste helft van het zoomveld donkerder,
op de 3 vlekken en de haar verbindende middelader helderder, min of
meer wit; de golflijn en de dwarslijnen zijn niet zichtbaar. Van de
Charaeas-soorten hebben Zweden en andere deelen van Noord-Europa,
vooral echter Noord-Amerika, soms veel te lijden; op onze weiden is
haar aantal slechts bij uitzondering zoo groot als gedurende het jaar
1865 in Drente. Ook in Duitschland richten zij slechts zelden zulke
verwoestingen aan als in 1817 te Harzburg, waar zij 1000 HA. weidegrond
kaal vraten en reeds in 't vorige jaar zoo talrijk waren, dat de
gedoode dieren een hand hoog de wagensporen der landwegen vulden.
Merkwaardig door de levenswijze hunner rupsen zijn de Rietuilen
(Nonagria), effen grijsgele, in kleur met droog riet overeenkomende
Vlinders, die zich door een vooruitstekende voorhoofdspluim, door den
bollen, glad wollig behaarden rug van het borststuk en het achterlijf
onderscheiden. Zij vliegen van Augustus tot October, uitsluitend
in de nabijheid van hun geboorteplaats en hebben een uitgestrekt
verbreidingsgebied. Hunne rupsen leven borend in de stengels van riet
en andere eenzaadlobbige moerasplanten (welker bladen hierdoor aan de
spits geel worden) en hebben, daar zij aan den invloed van 't licht
onttrokken zijn, een bleeke kleur en een madevormig uiterlijk. Zij
verpoppen zich in haar nauwe woning, maar knagen vooraf een gat,
waardoor de Vlinder uitvliegen kan, wanneer hij slechts de opperhuid
van den stengel verbreekt of de prop knaagsel wegduwt, die de opening
verstopt.
Een van de grootste en meest verbreide soorten is de Gewone
Lischdoddenuil (Nonagria typhae), die 39 mM. vlucht heeft; de
kleur zijner voorvleugels wisselt af van roodachtig grijs tot
donkerroodbruin; 2 reeksen van zwarte maanvlekjes versieren den
zoom en witachtige aders het franjeveld; de achtervleugels zijn
geelachtig wit. In de beide soorten van lischdodden (Typha latifolia
en angustifolia) leeft de vuil vleeschkleurige rups.
Zeer nauw verwant aan de Nonagriën zijn de Bleeke Uilen (Leucania). Een
daarvan, Leucania extranea, heeft zich door de verwoestingen, die zij
als rups aanricht, vooral in de westelijke staten van Noord-Amerika
(1861), onder den naam van Amerikaanschen Legerworm (Army-worm) een
zekeren roem verworven. Deze rups voedt zich, evenals die van onze
inheemsche soorten, met grassen en heeft in zeer korten tijd geheele
weiden kaal gevreten; zoodra het voedsel op is, trekt zij verder en
verschoont ook de rogge-, maïs- en sorgho-akkers niet. Volgens een
bericht uit het genoemde jaar legde zulk een rupsenleger binnen 5 uren
een weg van 55 M. af. Men zag de rupsen in drie boven elkander gelegen
lagen voortrukken en zich soms over een afstand van 800 M. verplaatsen
om een nieuwe voederplaats te bereiken. Men brandt daarom in het
laatst van den herfst of in den winter de drooge grasstoppels af op
de plaatsen, waar zich de rupsen vertoond hebben, ten einde nieuwe
verwoestingen te voorkomen.
Niet minder schadelijk dan de Leucania-rupsen voor de grassen, zijn de
Gestreepte Dennenrupsen [Trachea (Panolis) piniperda, fig. 2] voor de
dennen. De eerste nauwkeurige berichten over de door haar aangerichte
vernielingen zijn van de jaren 1783 en 1784, toen de Frankische en
Saksische wouden vreeselijk geteisterd werden. De rupsen zaten tot
in de toppen der hoogste boomen en verslonden de jonge naalden aan de
spitsen van alle twijgen; de dennen, die na korten tijd er uit zagen
als na een boschbrand, stierven alle binnen eenige jaren. In Augustus
hielden de rupsen op met eten, werden slap en vielen in zoo groote
hoeveelheid naar beneden, dat de grond er zwart van zag. De gezonde
rups heeft niets zwarts aan zich; over het groene lichaam loopen
verscheidene witte rugstrepen en een oranjekleurige zijdestreep. Ook
in de vorige eeuw heeft de Gestreepte Dennenrups zich herhaaldelijk
in verschillende streken van Duitschland in ontzaglijke menigte
vertoond en duizenden HA. boschgrond vernield. Ook in ons land is
zij de gevaarlijkste vijand der dennenbosschen. De belangrijkste
schade, door haar aan onze houtteelt toegebracht, is die, welke
in 1854 en 1855 in de provincie Gelderland voorviel. In deze beide
jaren werden aldaar niet minder dan 2270 HA. aangetast en daarvan 985
HA. totaal vernield. Ook de provincie Utrecht bleef niet gespaard;
aan de Vuursche werden 50 à 60 HA. en bij Zeist 170 HA. aangetast en
gedeeltelijk kaalgevreten (Ritzema Bos). Zonder sterk de aandacht te
trekken, komt de Gestreepte Dennenrups van het laatst van Mei tot
het midden van Juli waarschijnlijk in alle dennenwouden voor; bij
voorkeur houdt zij zich op in de 30- à 40-jarige boomen. Dikwijls
heeft men deze rupsen uitgedroogd aan de naalden zien hangen of ze
in grooten getale rottend over den bodem verspreid gevonden; in vele
gevallen wordt hierbij vermeld, dat hun dood plaats had na hevige
regenbuien en koud weder. De lage temperatuur en de vochtigheid
brengen echter niet direct dit gevolg teweeg, wel indirect door het
begunstigen van de vermenigvuldiging der Insectendoodende zwammen
(schimmelplanten). Dat een zwam de oorzaak is van de epidemie, werd
voor 't eerst aangetoond in West-Pruisen door Bail (1869). De Bary
vond in 1883, dat deze zwam Entomophthora Aulicae is. Hoe snel zij
den dood van de rups kan teweegbrengen, ondervond Nitsche, die een
groot aantal oogenschijnlijk volkomen gezonde exemplaren welke des
Zondagsmiddags te Primkenau ingezameld waren, des Maandagsmiddags,
toen hij ze in Tharand uitpakte, voor een groot deel reeds dood en
met de karakteristieke vruchthyphen overdekt vond. Ook in Beieren
heeft in 1892 deze rupsenvijand volgens Von Tubeuf zeer gunstig
gewerkt. Natuurlijk ontbreken in zulke gevallen ook de zonder
microscoop zichtbare bondgenooten van den houtteler niet: duizenden
van Sluipwespen zwermen om de aangetaste boomen en veroorzaken den
dood van even zoovele rupsen. Zelden duurt een dennenrupsenplaag
langer dan 2 jaar, omdat bij het einde van dit tijdperk de parasieten
zich doorgaans zoo sterk hebben vermenigvuldigd, dat aan de ramp
een einde komt. Zoo werd aan de bovengenoemde dennenrupsenplaag in
Gelderland, nadat deze 2 jaren had geduurd, een einde gemaakt door
een Parasietvlieg (Tachina glabrata). (Ritzema Bos).
Als tegen het einde van Maart de zon verscheidene dagen achtereen
warm geschenen heeft, ontwijkt de Dennenuil, waarvan de Gestreepte
Dennenrups de larve is, reeds in deze maand, anders stellig in de
volgende maand uit de in den grond overwinterende pop. Zij is een
van de bontste Uilen, zit met daksgewijs afhellende vleugels op de
stammen of tusschen de naalden der dennen en zwerft ook over dag door
haar gebied om bloeiende wilgenkatjes op te zoeken. De voorvleugels en
het ruige, niet van haarpluimen voorziene borststuk zijn roodachtig
kaneelkleurig met bijmenging van geelgrijs; aan de binnenrand is de
golflijn roodbruin geschaduwd; de beide groote vlekken zijn wit. Het
achterlijf en de achtervleugels zijn effen donker grijsbruin. In Mei
legt het wijfje reeksen van 6 à 8 eieren op de naalden.
Dat er rupsen zijn, die andere rupsen opvreten, weet alleen de
verzamelaar en kweeker van zulk gedierte. Deze moordenaars heeft hij
te vreezen; als er een zich bevindt in de doos, waarin hij ook andere
rupsen naar huis draagt, kan hij er zeker van zijn, dat een deel van
den met moeite verzamelden buit onderweg bedorven wordt. Zulk een
"moordenaar" is de rups van de IJpen-hyena-uil [Cosmia (Calymnia)
diffinis, fig. 1], die zich in Mei op ijpen vertoont. Zij heeft geen
onaardig uiterlijk: met uitzondering van den zwartbruinen kop en het
glanzig bruine nekschild, is zij op geelachtig groenen grond met 5
witte, overlangsche streepen geteekend, die gelijke tusschenruimten
overlaten, welke bezet zijn met bruin behaarde, door een wit vlekje
omringde wratjes. Een lichtgekleurde, gaffelvormige teekening op
het voorhoofd en bruine ademgaten behooren mede tot haar tooi. Niet
minder sierlijk is de gladde, glanzig kastanjebruine, vooral aan
den binnenrand van den voorvleugel roodgrijs genuanceerde Vlinder;
de geelachtig grijze voorrand vertoont twee groote vlekken, beginsels
van dwarslijnen, waarvan de achterste sterk gebroken is.
Vele leden van het soortenrijke geslacht der Akkeruilen (Agrotis)
zien er vuil en onooglijk uit, grijs als de bodem, waarop zij, onder
bladen verborgen, bij voorkeur verblijf houden; andere hebben het in
haar familie zeldzame voorrecht van bont gekleurde achtervleugels
te bezitten: geel, met een zwarte streep bij den zoom. Het lichaam
is krachtig gebouwd; de kop en het borststuk zijn met aanliggende
haren bekleed; het ongekuifde achterlijf is dikwijls van boven
naar beneden afgeplat. Zij hebben de gewoonte zich over dag te
verbergen en bij verstoring van hun rust de horizontaal gerichte,
elkander bedekkende vleugels trillend heen en weer te bewegen,
voordat zij opvliegen, om zich een eind verder nogmaals op den grond
te verschuilen. De onbehaarde, rolronde rupsen leiden een verborgen
leven, eten uitsluitend gras of kruiden, overwinteren en verpoppen
zich in den grond.
De Huismoeder [Agrotis (Tryphaena) pronuba] heeft 50 à 60 mM. vlucht
en is, behalve aan haar grootte, ook kenbaar aan den zwarten band op
het zoomveld van de overigens okergele achtervleugels; de voorvleugels
zijn bij sommige (var. innuba) bijna effen, roodachtig lederbruin; bij
de overige scherper geteekend op rood-, grijs- of zwartbruinen grond.
De Aardrupsen (Agrotis segetum) zijn bijna ieder jaar voor landbouwers
en tuinlieden niet slechts lastig, maar zelfs zeer schadelijk. Zij
hebben een vaalbruine, met veel grijs en eenig groen gemengde kleur op
de doorschijnende, sterk glinsterende huid; het nekschild is donkerder
dan het lichaam, het stuitschild niet. In volwassen toestand zijn
zij 52 mM. lang en zoo dik als een flinke ganzepen. Van Augustus tot
October, bij voortdurend gunstige weersgesteldheid nog in November,
knagen zij aan de wortels en andere onderaardsche plantendeelen van
het jonge winterkoren (vooral van rogge en tarwe), van allerlei soorten
van kool en rapen, van aardappels en mangelwortels, van verschillende
groenten en sierplanten. Die welke, als engerlingen, in knollen en
knolvormige wortels leven, hierin gangen boren en groote holten doen
ontstaan, blijven geruimen tijd in dezelfde plant; de overige komen
's nachts boven den grond om zich van de eene plaats naar de andere te
begeven en boven den grond de jonge plantjes af te vreten. Over dag
liggen zij ineengerold onder steenen en aardkluiten, of houden zich,
zoo deze ontbreken, verscholen in de bovenste aardlaag bij de wortels
van hare voederplanten. Eenige gaan reeds vóór den winter in den
poptoestand over, hoewel zij, behoudens enkele uitzonderingen, eerst
in het volgende voorjaar de pophuid verlaten. De meeste overwinteren
echter als rups, verpoppen zich in de lente en komen na een rust van
ongeveer 4 weken als Vlinders te voorschijn. Dit brengt teweeg, dat men
ze reeds in de tweede helft van Mei ziet vliegen, veelvuldiger echter
in Juni en ook nog wel in Juli en Augustus. Hun vlucht bedraagt 44 mM.;
de voorvleugels hebben een meer of minder donkere, grijsbruine kleur,
bij de meestal lichtere mannetjes met geelachtigen weerschijn; voorts
zijn zij met vlekken en strepen meer of minder duidelijk geteekend. De
achtervleugels hebben bij de mannetjes een melkwitte kleur, bij de
wijfjes een donkerder tint. Deze soort bewoont geheel Europa, maar
is ook over een groot deel van Azië en bovendien over Zuid-Afrika en
Noord-Amerika verbreid; men kan haar dus cosmopoliet noemen.
De Monniken of Monnikskappen (Cucullia) zijn tamelijk groote Uilen
van 39 à 55 mM. vlucht, welker slank lichaam een deels glad, deels
gekuifd (op de borst en de pooten glad en wollig) haarkleed draagt. De
voorvleugels zijn lang, lancetvormig, de achtervleugels kort. Zij
vliegen snel, uitsluitend 's nachts en blijven op soortgelijke wijze
als de Sphingiden met trillende vleugels zweven voor de bloem, waaruit
zij met haar zeer langen zuiger honig opnemen. In rust bedekken de
vleugels steil dakvormig het achterlijf en worden de beide helften
van den halskraag zoo gedraaid, dat zij als een kap boven den kop
uitsteken; hieraan is de naam van het geslacht ontleend. De naakte,
glanzige, met heldere vlekken geteekende rupsen eten bloemen en zaden
van kruidachtige planten en verbergen zich over dag niet. Wanneer men
ze aanraakt, maken zij krachtige, springende bewegingen. Zij verpoppen
zich in den grond in een eivormigen cocon, welker rand wel 5 mM. dik
is en uit aaneengelijmde aardkluitjes bestaat. De pop overwintert.
Tot dit geslacht behoort de Wolkruidvlinder (Cucullia verbasci), wiens
dikke, rolronde rups is voorgesteld, zittend op haar gewone voederplant
(de toorts of het wolkruid), waarvan zij de bloemen verslindt; zij
is zeer fraai blauw-, groen- of geelachtig wit met 4 gele, zwart
gekernde vlekken op ieder segment. Tegen het einde van Juni verpopt
zij zich. De Vlinder vliegt in April en Mei. De voorvleugels zijn
bruingeel, aan den voor- en binnenrand met een breeden, nootbruinen
band, van achteren met 2 lichte maanvlekjes. De achtervleugels zijn
aan den wortel witachtig, aan den zoom bruingrijs; bij het mannetje
heeft gene, bij het wijfje deze kleur de overhand.
De Gouduilen (Plusia) zijn over alle werelddeelen verbreid en ook in
Europa door talrijke soorten vertegenwoordigd; zij onderscheiden zich
voor 't meerendeel gunstig door metaalachtig glinsterende vlekken op de
voorvleugels, soms gelijkend op de Grieksche letters, b.v. g, n of l,
die uit een dikke laag goud of zilver schijnen te bestaan. Boven het
slanke achterlijf verheffen zich de huidbekleedselen kuifvormig. Deze
fraaie Uiltjes rusten met steil hellende, dakvormige vleugels; vele
vliegen ook des daags. De rupsen hebben een kleinen kop; ook haar
romp wordt naar voren dunner. Daar de voorste buikpooten ontbreken,
kruipen zij op de wijze van spanrupsen en houden in rust niet zelden
het voorste deel van 't bultige lichaam omhoog gekromd. Alle leven
vrij op kruiden, tusschen welker bladen zij zich in een luchtig
spinsel verpoppen. In den regel overwinteren zij als rupsen.
Zeer algemeen is hier te lande de Gammavlinder, ook wel Pistooluiltje
genoemd (Plusia gamma); hij is een van die soorten, welker voorvleugels
gemerkt zijn met een dikke zilveren letter in den vorm van de Grieksche
g (gamma); waarschijnlijk is hij de veelvuldigste en verst verbreide
van allen, daar men hem ook in Noord-Amerika aantreft. Schuw en
haastig ziet men hem bij ons boven akkers en in bosschen, over
weiden en in tuinen vliegen, bij zonneschijn niet minder dan in
den vroegen morgen, of op den laten avond, bedrijvig honig zuigend
uit allerlei bloemen.--De rups is overlangs wit gestreept op geel-
à grijsgroenen grond, tusschen de segmenten ingesnoerd; zij vreet
allerlei kruiden en komt soms in zeer grooten getale voor. Dit was
o.a. het geval in den zomer van 1879 in allerlei streken van ons land
en ook in andere landen. "De rupsen hadden zich," schrijft Ritzema Bos,
"in buitengewoon groote menigte op langs den weg groeiende onkruiden,
als varkensgras (Polygonum aviculare), wilde wikken en lenzen, lathyrus
en rolklaver (Lotus), herik, melde, enz. enz. gevestigd, terwijl men
in de gemeentelijke verslagen over 1879 klachten vindt aangeheven
over de rupsen van den Gamma-uil uit bijkans alle streken des lands,
maar 't meest uit Gelderland, Noordbrabant en Limburg. Vooral leden
erwten, wikke, klaver, vlas en hennep." Erger nog was het in 1829 in
vele streken van de provincie Groningen.
De grootste Uilen en tevens die, welke aan eigenaardigheden van hunne
achtervleugels kenbaar zijn en hun grootste bekoorlijkheid ontleenen,
worden Weeskinderen (Catocala) genoemd; men onderscheidt ze in Blauwe,
Roode en Gele. Van de vier inheemsche soorten behoort één tot de
eerstgenoemde afdeeling, terwijl de 3 overige in de tweede een plaats
verdienen. De derde is in Nederland niet vertegenwoordigd.
Het Blauwe Weeskind (Catocala fraxini) is de grootste inheemsche
soort van haar geslacht en van haar familie; zij heeft soms meer
dan 105 mM. vlucht. Men herkent dezen Vlinder licht aan den breeden,
lichtblauwen dwarsband op het midden van de zwarte achtervleugels. Hij
vliegt 's nachts, van Juli tot September, en rust over dag dikwijls
op zonnige plekken tegen stammen, schuttingen, muren, enz. Daar de
vleugels te groot zijn om op de gewone wijze het lichaam dakvormig
te bedekken, hebben zij in den rusttoestand geen sterke helling. De
eieren overwinteren. De rupsen hebben 16 pooten, maar gebruiken
de beide voorste buikpooten niet veel en kruipen dus eenigszins
spannend. Zij voeden zich 's nachts met bladen van eiken, wilgen en
populieren en rusten over dag lang uitgestrekt op schuilplaatsen,
waar zij wegens hun schorskleurige huid niet licht opgemerkt worden.
De 3 overige inheemsche soorten hebben op de roode achtervleugels,
behalve een zwarten band in het zoomveld, nog een tweeden, meer
of minder sterk getakten op het midden. De meest algemeene is die,
welke meer bepaaldelijk het Roode Weeskind (Catocala nupta) wordt
genoemd. Dit fraaie dier, dat soms 80 mM. vlucht heeft, kan men na half
Juli, op boomstammen, in hoeken van muren, onder afdaken, enz. zien
rusten. Nadert men deze plaats, dan verwijdert het zich snel, zoodat
men dikwijls de vleugelslagen kan hooren, en zoekt haastig een veiliger
schuilhoek op. Als het duister wordt, begint het uit eigen beweging om
de boomen te fladderen en herinnert dan aan een kleine Vleermuis.--De
rups, die tot het midden van Juni op wilgen en populieren haar voedsel
zoekt, is niet minder schuw dan de Vlinder. Wanneer men haar aanvat,
slaat zij met het voorste en het achterste deel van 't lichaam in
't rond, op soortgelijke wijze als een Visch, die in 't midden van 't
lichaam wordt gegrepen; als zij den vinger van haar aanrander bereiken
kan tracht zij hem te bijten, kortom, zij gaat hevig te keer.--Weldra
zoekt elke rups onder schors, mos of dorre bladen een plaatsje op,
waar zij zich met eenige draden ontwikkelt en in een slanke, met een
blauwachtig waas bedekte pop verandert.
Dezelfde levenswijze als de genoemde Vlinders hebben alle overige
leden van hun geslacht. In Europa vindt men er 25; Noord-Amerika is
niet minder goed bedeeld.
Daar de familiën der Vlinders in alle richtingen door overgangsvormen
verbonden zijn, die een scherpe begrenzing niet toelaten, is het
moeielijk een van deze groepen met weinige woorden te kenschetsen. In
een beknopt algemeen overzicht kan men dan ook geen volledige bepaling
van deze familiën verwachten. Hier worden daarom slechts eenige van
de belangrijkste eigenaardigheden opgenoemd, waardoor de Spanners
(Phalaenidae), die men ook wel met de namen Landmeters (Geometridae),
Meters of Krammetjes aangeduid vindt, overeenstemmen. Hoewel al deze 5
benamingen, met uitzondering van de tweede, aan de houding van de larve
ontleend zijn, beginnen wij met de bespreking van het geslachtsrijpe
Insect. Vóór den kleinen kop, die op de kruin geen bijoogen draagt,
steken de tasters slechts weinig uit; de zuiger daarentegen vertoont
in deze familie de meest verschillende graden van volkomenheid. In
den voorvleugel vindt men 11 of 12 aders, waarbij slechts één
binnenrandsader. De breede achtervleugels hebben een korte franje,
een vleugelhaakje, hoogstens 2 binnenrandsaders en bovendien nog 6 of
7 andere vleugeladers. De meeste Spanners houden in rust hunne teere
vleugels een weinig uitgespreid, doch niet zoover als die, welke in
de verzamelingen voorkomen; sommige richten ze half gesloten omhoog;
andere houden ze als een dak boven hun achterlijf. Vele vliegen over
dag of maken althans spoedig van hunne vleugels gebruik, wanneer zij
hun rustplaats tusschen gras of struiken niet meer veilig achten;
des nachts toonen de meeste echter een grootere neiging om zich te
bewegen dan over dag.
Scherper dan door de eigenaardigheden van het volkomen ontwikkelde
Insect onderscheiden de Spanners zich van de overige Vlinders door
de kenmerken der larven. Dat bij haar de buikpooten, met uitzondering
van het laatste paar, ontbreken of onbruikbaar zijn en dat zij daarom
"spannend" kruipen, werd reeds vroeger vermeld. Zij bezitten dus
slechts 10, bij uitzondering 12, voor 't gaan geschikte pooten; in
rust hechten zij zich met de naschuivers aan een twijg en strekken
het slanke lichaam rechtuit of krommen het lusvormig, zoodat de rups,
die in vele gevallen grootendeels bruin is, zeer veel op een dor takje
gelijkt. Enkele bevestigen zich, als de Dagvlinders, met een gordel
aan een blad, wanneer zij in den poptoestand overgaan; de meeste
echter spinnen zich met eenige draden vast, hetzij tusschen groene,
of tusschen droge bladen; andere kruipen in den grond.
Men kent tegenwoordig uit alle werelddeelen ongeveer 1800 soorten
van Spanners, waarvan slechts weinige de middelmatige grootte
overschrijden. Linnaeus beschreef de hem bekende soorten onder den
geslachtsnaam Phalaena, bracht ze tot de groep der "Geometrae" en
gaf aan hare soortnamen den uitgang aria of ata, al naar hij bij de
mannetjes kamvormige of eenvoudig draadvormige sprieten vond. Latere
schrijvers hebben hier, evenals overal, een groot aantal nieuwe
geslachtsnamen ingevoerd.
De Berkenspanner (Amphidasis betularia) nadert in sommige
opzichten tot de Spinners en behoort wegens de langwerpige gedaante
zijner voorvleugels tot de grootste inheemsche soorten (50 à 55
mM. vlucht). Twee kegelvormige verhevenheden op den kop van de rups
hebben aanleiding gegeven tot den naam Meter-torenkop, die een
der eerste beschrijvers dezer soort haar gegeven heeft. De witte
grondkleur van den Vlinder is overal bruinzwart besprenkeld. Vele
stipvormige vlekjes vloeien hier en daar, doch vooral aan den voorrand
der voorvleugels tot vlekken en lijnen ineen. Het aanmerkelijk kleinere
mannetje onderscheidt zich van het wijfje door den slankeren vorm van
het lichaam en de dubbel-kamvormige sprieten. De rups is verschillend
van kleur, meestal groenachtig grijs, minder dikwijls bruinachtig of
geelachtig; dit verschil schijnt in verband te staan met de soort
van planten, waarmede zij zich voedt. Hoewel zij ook op berken,
lijsterbessen en andere breedgebladerde boomen voorkomt, geeft zij,
naar 't schijnt, aan den eik de voorkeur. In Mei of Juni verschijnt
de Vlinder; deze ziet men nooit over dag vliegen; wegens zijn grootte
en lichte kleur zal men hem niet licht over 't hoofd zien, terwijl
hij met half geopende vleugels in het bosch op een boomstam zit.
De Groote Wintervlinder (Hibernia defoliaria, fign. 1-3) vertoont
zich in October en November. Wanneer de meeste andere insecten reeds
hunne winterkwartieren hebben opgezocht en voor een deel reeds in
verstijfden toestand verkeeren, vliegt deze trage Spanner in de koude
nachtlucht zonder overhaasting rond. Het mannetje (fig. 1) heeft
groote, teere en zwak geschubde vleugels van licht okergele kleur met
fijne, donkere stipjes bezaaid en met een groote, donkere stip in 't
midden; de voorvleugels hebben bovendien nog het middelveld begrensd
door breede, gezaagde, roestbruine dwarsbanden. Het ongevleugelde, geel
en zwart gevlekte, 10 mM. lange wijfje (fig. 2) kruipt tegen den avond
bij de boomstammen omhoog en legt de eieren afzonderlijk of tot kleine
groepjes vereenigd op de knoppen. De rupsjes komen reeds in het midden
van April voor den dag en beginnen onmiddellijk hun vernielingswerk,
voordat de knoppen zich hebben kunnen ontwikkelen. Het best merkt
men ze aan de vruchtboomen op, welker eigenaar soms een belangrijke
schade lijdt door hun vraatzucht; minder duidelijk openbaart zich
hun werkzaamheid in de bosschen. De volwassen rups (fig. 3) is aan
de rugzijde bruinrood, aan de buikzijde zwavelgeel, met roodbruine
strepen op ieder segment. In 't begin van Juni laat zij zich aan een
draad naar den grond afzakken om hier op zeer geringe diepte in den
poptoestand over te gaan.
De Oranjeroode Wintervlinder (Hibernia aurantiaria, fign. 4 en 5)
is hier te lande zeldzamer dan de vorige soort; hij vliegt terzelfder
tijd of iets later en heeft dezelfde levenswijze.
Het laatste geldt ook van den Kleinen of Gewonen Wintervlinder
(Cheimatobia brumata, fign. 6-8). Dat deze nog later verschijnt,
wordt door zijn wetenschappelijken soortnaam aangegeven (bruma
beteekent de kortste dag); daarentegen kruipt zijn rups iets vroeger
in den grond, waaruit voortvloeit, dat de poptoestand gemiddeld een
maand langer duurt. Evenals de Groote Wintervlinder in zuidelijker
landen de vruchtboomen beschadigt en overal waar hij in grooten
getale voorkomt, aanleiding geeft tot een schralen oogst, zoo de
Kleine Wintervlinder in noordelijker gewesten. De teere, afgeronde
vleugels van het mannetje zijn zwart geschubd en grijsachtig, de
voorvleugels door een roodachtig waas donkerder en op onregelmatige en
varieerende wijze met nog donkerder dwarslijnen geteekend. Het grijze,
5 à 6 mM. lange wijfje, kenmerkt zich door vleugelstompjes, die ieder
een donkeren dwarsband hebben en door witgevlekte, lange pooten. De
rups is vroeg in 't voorjaar bij 't verlaten van het ei grijs, na de
laatste vervelling is zij 26 mM. lang en geelachtig groen of donkerder
van kleur; de kop is donkerbruin, een aan weerszijden witgezoomde,
fijne streep over den rug nog donkerder; een lichte streep loopt boven
de ademgaten langs. Niet later dan in 't begin van Juli verlaat de
rups haar boom om op geringe diepte in den grond te veranderen in
een geelbruine pop, welker achterlijf in twee doorntjes eindigt.
Om de vruchtboomen tegen de zoo schadelijke rupsen van de
Wintervlinders te beveiligen, brengt men sinds lang met goed
gevolg een teerring aan op den stam. Deze bestaat uit een strook
papier ter breedte van een hand, die op zulk een hoogte, als voor
de werklieden het gemakkelijkst is, zoo om den stam wordt gelegd,
dat geen enkel wijfje er onder door naar boven kan kruipen. Deze
band wordt met een kleverige stof bestreken en kleverig gehouden,
zoolang de geslachtsrijpe Insecten leven.
De Gewone Dennenspanner (Bupalus piniarius, fign. 1-3) vertoont zich
in een gunstiger jaargetijde dan zijne laatstgenoemde verwanten. Met
schommelende, maar toch haastige en woeste vlucht bewegen de mannetjes
en wijfjes zich op warme Junidagen tusschen de stammen en de twijgen
der dennen en sparren. Het mannetje is op zeer verschillende wijzen
met lichte vlekken en stralen op zwartbruinen grond geteekend; deze
hebben op de bovenzijde een stroogele, van onderen een zuiverder witte
kleur. Bij het nog sterker varieerende wijfje wisselt op soortgelijke
wijze somber roodgeel met roodbruin af. De eieren worden boven in
de kroon op overlangsche reeksen aan de onderzijde der dennenaalden
vastgekleefd; in Juli kruipen de rupsjes er uit; eerst in Augustus valt
de door hen aangerichte schade in 't oog, wanneer zij in grooten getale
aanwezig zijn. In October laten zij zich aan draden op den grond zakken
om zich onder mos of dorre bladen te verpoppen. De zeer slanke, groene
rups heeft drie witte rug- en twee gele zijlijnen. De pop overwintert.
De Spiesbandspanner (Larentia hastata, fign. 4 en 5) heeft
zwart en wit geteekende vleugels: de witte band heeft op elken
vleugel een zoomwaarts gerichte, spiesvormige spits. Hij bewoont,
evenals de vorige, uitsluitend bosschen, doch alleen die, waarin het
berkenkreupelhout de overhand heeft. Hier vliegt hij in Mei tamelijk
vlug en schuw rond. De rups is kaneelbruin met een rij van gele,
hoefijzervormige vlekken op iedere zijde.
De Schubvleugeligen, die men onder den naam van Kleine Vlinders
(Microlepidoptera) samenvat, vormen geen natuurlijke groep; zij
worden over verscheidene familiën verdeeld, die met elkander niet
nader verwant zijn dan met de overige Heteroceren. Voor de nog steeds
gebruikelijke splitsing der orde bestaan redenen van praktischen
aard. De studie der Microlepidoptera is wegens hun kleinheid en
teerheid met grootere bezwaren verbonden, dan zich bij de andere
Vlinders voordoen; zij kan in den regel niet op voldoende wijze met het
ongewapend oog geschieden; voorts vereischt het voor haar benoodigde
materiaal andere methoden van vangst, kweeking en behandeling. Hoewel
deze moeielijkheden velen hebben afgeschrikt, is het aantal bekende
soorten van Kleine Vlinders thans reeds aanmerkelijk grooter dan dat
der Groote. In Nederland heeft men, volgens J. Th. Oudemans, van gene
949, van deze 764 soorten gevangen. Voor geheel Europa schijnt een
dergelijke verhouding te gelden. Ruim 20 jaren geleden waren 2583
soorten van Groote Vlinders en omstreeks 2700 soorten van Kleine uit
ons werelddeel bekend.
De Bladrollers (Tortricina) verschillen door de houding van 't
lichaam en het maaksel der vleugels aanmerkelijk van de overige
Microlepidoptera; men zou ze op 't eerste gezicht voor een klein
slag van Uilen kunnen houden. De langwerpige, dikwijls metaalachtig
glinsterende en bont geteekende vleugels hebben een korte franje
en een boogvormig vooruitstekenden voorrand. De ongeteekende,
breede achtervleugels hebben den vorm van het vierde deel van een
ellips of van een trapezium, missen de ingeschoven cel, bezitten een
vleugelhaakje, 3 vrije binnenrandsaders en nog 6 of 7 andere aders. De
borstelvormige sprieten ontspringen uit een dik grondlid en bereiken
de spits van den vleugel niet; bijoogen zijn aanwezig. Vrijwillig
vliegen de Bladrollers niet anders dan 's avonds of 's nachts; zij
laten zich echter opjagen uit de struiken of het gras, die aan vele
soorten over dag een schuilplaats verschaffen, waar hun kleur hen
beveiligt; in rust bedekken de vleugels dakvormig het achterlijf.
De rupsen van de Bladrollers hebben 16 pooten, Zij leven niet vrij
en gezellig aan de oppervlakte van de plant, gelijk de meeste andere
rupsen, maar eenzaam in een donkere woning. Deze wordt dikwijls
verkregen door het oprollen van bladen, die met eenige draden
bijeengetrokken en in dezen stand gehouden worden. Hieraan dankt de
familie haar naam, hoewel dezelfde levenswijze ook wel bij rupsen
van andere familiën wordt waargenomen. Daarentegen bewonen de rupsen
van een groot aantal Bladrollers gangen, die zij in verschillende
plantendeelen, vooral in vruchten, boren. Deze woning verwisselt
de volwassen larve in den regel voor een andere, waarin zij als
pop verblijf zal houden. De rupsen, die in opgerolde bladen leven,
verpoppen zich hier ook. De pop wordt nooit door een echten cocon
beschut en heeft dikwijls een krans van doorntjes aan den achterrand
der achterlijfsringen, die beweging toelaten.
De rupsen van sommige Bladrollers richten in kweekplaatsen van
planten, vooral in tuinen, bosschen en wijngaarden, schade aan. De
dikke, zwartbruine of grijze rupsen van Rozenbladrollers [Grapholitha
(Paedisca) tripunctana, roborana, enz.], die te voorschijn komen bij
het openen van de saamgesponnen bladen van tuinrozen, vreten het
uiteinde van de jonge twijg, die haar herbergt, geheel kaal; geen
bloem zal hier ontluiken, tenzij de vraatzuchtige larve ten spoedigste
wordt weggenomen en gedood. Andere rupsen van Bladrollers [Tortrix
(Cacoecia) xylosteana, sorbiana, enz.] doen door een soortgelijke
levenswijze schade aan vruchtboomen.
Een vleeschkleurige rups, welker kop, halsschild en borstpooten glanzig
zwart zijn en die in volwassen toestand 12 mM. lang is, bewoont
van half Mei tot half Juni (dus in den hooitijd) de bloeiwijze van
den wijnstok en is daarom onder den naam van hooiworm berucht. Een
tweede generatie van dezelfde soort van rupsen trekt nog meer de
aandacht; zij leeft van 't einde van Augustus tot in September in de
onrijpe druiven, die hierdoor zuur blijven en wordt daarom door de
Duitsche wijnboeren zuurworm genoemd. Zij verpopt zich in October
en overwintert onder de schubben van de schors van den wijnstok,
aan den paal, die hem tot steun dient, of in den strooband, waarmede
hij is vastgebonden. Uit de pop ontwikkelt zich in April een Vlinder
van 14 mM. vlucht--de Eénmaal Gestreepte Druivenbladroller (Conchylis
ambiguella)--, wiens glanzig stroogele voorvleugels in 't midden een
breede, donkerbruine dwarsstreep vertoonen, die bij den binnenrand
smaller wordt; de achtervleugels zijn grijsbruin, bij het mannetje
meer witachtig. In Juni en Juli vliegt de zomergeneratie.
De Groene Eikenbladroller (Tortrix viridana) is gemakkelijk te
herkennen aan de lichtgroene kleur van het voorste deel van 't
lichaam en van de voorvleugels; het achterlijf en de achtervleugels
zijn zilvergrijs. Reeds in Mei, als de knoppen van den winter- en den
zomereik zich beginnen te ontwikkelen, kan men tusschen de knopschubben
rupsjes vinden, voortgekomen uit eieren, die hier sedert den vorigen
herfst gelegen hebben. Zij dringen in de knoppen door, vreten deze uit
en leven later vrij op de bladen, die zij met eenige draden omspinnen
en ook een weinig doen omkrullen. Vooral tegen den tijd, waarin zij
tusschen de overblijfselen van bladen in den poptoestand overgaan,
hangen een menigte van deze draden als spinrag aan de boomen. Bij de
geelachtig groene, 14 mM. lange rups zijn de kop, de achterrand van
het halsschild, een vlek op het laatste segment en de bruinachtig
behaarde wratjes zwart. De Vlinder, die omstreeks den langsten dag
verschijnt, is 8 mM. lang en heeft 23 mM. vlucht.
De Harsbuilenbladroller (Retinia resinella) en zijne verwanten
maken een aangenamen indruk door de talrijke, meestal zilverachtig
glinsterende, gegolfde dwarslijnen op de donker gekleurde voorvleugels;
hunne rupsen zijn op verschillende wijzen nadeelig voor de knoppen
en de jonge twijgen van de naaldboomen. De genoemde soort heeft zeer
donkerbruine voorvleugels en vliegt reeds in Mei 's avonds bij mooi
weer tusschen de dennenaalden rond. De naweeën van zijn verschijning
vertoonen zich in den herfst: onder den krans van knoppen, die
in de volgende lente zullen uitkomen, ziet men harstranen. Bij
nader onderzoek vindt men hierin een gang, die zich tot aan het
merg uitstrekt en bewoond wordt door een rupsje, wiens arbeid de
harsuitvloeiing heeft veroorzaakt; deze neemt in den loop van het
volgende jaar sterk toe; eindelijk heeft zij den omvang van een
grooten noot bereikt en valt dan door haar vuilwitte kleur aan den
voet van den intusschen uitgesproten krans van twijgen duidelijk in
't oog. De zoogenaamde "harsgal" bevat bijna 2 jaar na den tijd waarin
het wijfje eieren legde, een geelachtig roodbruine, 11 mM. lange rups
met dikken, zwarten kop, die in de lente in een pop verandert.
De Dennelootbladroller (Retinia Buoliana) heeft witte, als zilver
glinsterende teekeningen op de roodachtig oranjekleurige voorvleugels,
die van onderen, evenals de achtervleugels aan beide zijden, effen
roodachtig grijs zijn. Het wijfje vliegt des avonds in Juli en legt
eieren tusschen de knoppen aan en bij den top der jonge Dennen. Eerst
in Mei van 't volgende jaar oefenen de rupsen een merkbaar schadelijken
invloed op de dan ontstaande loten uit. Deze krommen zich op de plaats,
waar de rupsen aan de schors en het nog jonge hout knagen en zullen,
als zij in 't leven blijven, haar kromming behouden, terwijl het
onbeschadigde deel daarboven op de gewone wijze verder groeit. Dit
geschiedt ook met de loot, die zich ontwikkelt tot een verlengstuk van
den stam, welke hierdoor den zoogenaamden "waldhoorn"-vorm verkrijgt.
De "wormpjes" van de "wormstekige" appels en peren zijn larven van
den Appelbladroller [Grapholitha (Carpocapsa) pomonella, fign. 1 en
2]; zij hebben 16 pooten en zijn bleek rozerood of roodachtig geel,
aan den buik lichter. Tot het knagen van gangen in appels en peren
worden zij minder door het vruchtvleesch dan door de pitten in het
klokhuis verlokt. De eieren worden op het halfrijpe ooft gelegd; de
plaats waar het rupsje naar binnen drong, is kenbaar aan een zwart
plekje op de "wormstekige" vruchten. Deze worden iets eerder rijp dan
hare gave buren en vallen voor een deel onrijp af. De rupsen van de
vroegrijpe vruchten gaan meestal te niet, omdat zij bij het opeten van
het ooft gevonden en weggeworpen worden, voordat zij geheel volwassen
zijn. Die, welke zich in de winterproviand bevinden, verlaten haar
woonplaats door de reeds aanwezige gang of banen zich een anderen
uitweg, kruipen in den een of anderen hoek, overwinteren hier in een
door haar gesponnen kleed en verpoppen zich eerst in Mei. In Juni
komt de Vlinder te voorschijn; hij heeft 20 mM. vlucht; men krijgt
hem vooral te zien tegen de muren en vensters van bergplaatsen van
winterappels en -peren. In de vrije natuur rust hij over dag tusschen
schorsschilfers, waarmede zijn kleur zoozeer overeenkomt, dat men
hem niet licht ontdekt. De blauwachtig grijze voorvleugels vertoonen
fijne, gekronkelde, bruine dwarslijnen. Een roodachtig donkerbruine
spiegelvlek, die een roodachtig goudkleurigen rand heeft en aan de
zijde van den wortel zwart begrensd is, beslaat een groote plaats
aan den binnenhoek. De roodachtig bruine achtervleugels hebben een
zwakken koperglans en zijn omzoomd door grijze franje.
Veel minder vaak krijgt men de somber grijsbruine, kleinere
Pruimenbladroller (Grapholita funebrana) onder de oogen; ofschoon
de meeste pruimen in sommige jaren woning en voedsel verschaffen aan
een van zijne rupsen, die dikwijls de helft van het vruchtvleesch in
walgelijke drekkruimeltjes verandert.
De familie der Lichtmotten (Pyralidina) omvat de grootste en
tevens kleinere Microlepidopteren, die, naar het uitwendige,
aanmerkelijk minder overeenstemmen dan de leden der vorige familie. De
gemeenschappelijke kenmerken berusten hoofdzakelijk op den vorm van
het vleugeladerstelsel. De sprieten zijn borstelvormig; de onbehaarde
oogen puilen meestal half bolvormig uit; de bijoogen ontbreken
slechts zelden en zijn meestal onmiddellijk achter den wortel van de
sprieten gelegen. De tasters zijn zeer veranderlijk van grootte, vorm
en richting; behalve de liptasters komen ook zoogenaamde bijpalpen
voor. De rupsen van de Lichtmotten komen in vorm en levenswijze met
die der Bladrollers overeen. Verreweg de meeste soorten overwinteren
als rups, slechts weinige als pop, geen enkele, naar het schijnt,
als ei of als Vlinder.
De Vetmot (Aglossa pinguinalis) is een Vlindertje van 22 à 30.5
mM. vlucht met roodgrijze, als zijde glinsterende vleugels; de vlekken
van de voorvleugels zijn voor een deel zwartachtig en als dwarsbanden,
voor een deel witachtig en als dambordvelden gerangschikt; de effen
gekleurde achtervleugels onderscheiden zich door lange franje. De
zuiger ontbreekt. In Maart of April, ongeveer 4 weken vóór de geboorte
van den Vlinder, verschijnt de glanzig bruine rups--die tot aan dien
tijd verborgen was in vet, boter, spek en dergelijke waren--soms op
de muren van de provisiekamer bij het zoeken van de plaats, waar zij
als pop zal rusten.
De Meelmot (Asopia farinalis, fig. 3) bewoont, evenals de vorige soort,
provisiekamers en andere bergplaatsen van eetwaren; haar rups voedt
zich met meel.
Het soortenrijke geslacht der Glansmotten (Botys) omvat meer dan 100
Europeesche soorten. Sommige zijn donkerkleurig, vliegen uitsluitend
bij zonneschijn en zetten zich neer op den grond of op bloeiende
planten, waaruit zij honig peuren. Andere, vooral lichtkleurige
soorten, worden gevonden in de omgeving van plassen en zweven, zoodra
de duisternis invalt, spookachtig boven den waterspiegel, daar de hier
groeiende planten aan hare rupsen voedsel verschaffen. De meeste zijn
grootendeels geel van kleur, vliegen 's nachts en rusten over dag in
de struiken. Dit geldt ook van sommige verwante geslachten. De rupsen
van eenige Glansmotten richten op akkers schade aan.
De Koolzaad-fluitjesmaker (Botys margaritalis) heeft vuil zwavelgele
voorvleugels met 2 roestgele (hier en daar onduidelijke of zelfs
afgebrokene) dwarsbanden en een roestbruine, bij de spits aanvangende,
schuinsche streep; de franje is roestbruin, met veel grijs gemengd. De
glanzig stroogele, korte en breede achtervleugels hebben een fijne,
roestbruine franjelijn en aan den binnenhoek een grijsbruine vlek
op de zwak getinte franje. In Juni en Juli vliegen deze vlindertjes
des avonds over de akkers; het wijfje legt dan eieren op de hauwen
van koolzaad, raapzaad, boerenkers (Thlaspi), scheefbloem (Iberis),
raket (Sisymbrium) en andere kruisbloemige planten. De gaten, die de
rups knaagt in de door draden saamgesponnen vruchten, met welker zaden
zij zich voedt, hebben aanleiding gegeven tot den naam van de soort,
omdat de door haar aangetaste hauw met een fluit vergeleken wordt. De
rups is geelgroen, met uitzondering van vier rijen zwartbruine,
borsteldragende wratten op den rug en van één rij donkere stipjes
boven de eveneens donkere ademgaten. De kop en het halsschild (waarop
3 witte, overlangsche strepen voorkomen) zijn zwart. De volwassen rups
kruipt in den grond en overwintert hier in een eivormige, van binnen
met zijde bekleede holte. In Mei, 26 dagen voor het verschijnen van
den Vlinder, heeft de overgang in den poptoestand plaats.
De rupsen van de Wasmot (Galleria mellonella, fign. 3-6) leven in
bijenkorven en voeden zich met was. Het wijfje (35 mM. vlucht)
heeft aschgrauwe voorvleugels met bruinachtig gelen binnenrand
en roodbruine vlekken; de achtervleugels zijn grijs. Zij dringt
's avonds door het vlieggat (liever nog door andere openingen) in
den korf door en legt op de raten eieren. De hieruit komende rupsen
graven gangen, die in verschillende richtingen de wanden der cellen
doorboren; bij voorkeur vernielen zij op deze wijze oude broedcellen,
hoewel ook de met honig gevulde niet gespaard blijven. De gang, die
soms een lengte van 15 cM. bereikt en welks wijdte allengs tot die
van een penneschacht toeneemt, is van binnen bekleed met een glad,
zijdeachtig spinsel, waaraan van buiten afgeknaagde wasstukjes en
sterk washoudende uitwerpselen vastgehecht zijn. De Wasmot-rupsen
kunnen, wanneer zij in grooten getale voorkomen, door het omspinnen
der raten en het laten wegvloeien van den honig, den Bijen zooveel last
veroorzaken, dat deze genoodzaakt zijn den korf te verlaten. Elk jaar
komen verscheidene generaties voor, die ieder een ontwikkelingsduur
van ongeveer 3 weken vereischen, behalve de laatste, die in den
poptoestand overwintert en in Mei haar laatste gedaantewisseling
ondergaat. Deze veranderingen schijnen echter niet aan bepaalde
tijden gebonden te zijn, daar men in de aangetaste korven van Juni
tot October zoowel rupsen als poppen en Vlinders aantreft. De pop is
bruingeel en op den roodachtig grijzen rug gekield; zij bewoont een
dicht, wit, langwerpig spinsel; gewoonlijk liggen verscheidene van
deze cocons in overlangsche richting naast elkander. Na een rusttijd
van 18 dagen heeft de pop zich tot een Vlinder ontwikkeld. Deze kan
zeer vlug loopen en is zeer lichtschuw; onmiddellijk zoekt hij een
duisteren hoek op, zoodra men hem aan 't licht blootstelt.
Verreweg de grootste helft van alle Microlepidoptera heeft men
samengevoegd in de familie der Motten (Tineina); een algemeene
beschrijving van deze groep is wegens de groote verscheidenheid van
vorm en levenswijze harer leden zeer moeielijk. Bij de meest typische
Motten krijgen de smalle, spits toeloopende, lijn- of lancetvormige
vleugels eerst door hun buitengewoon lange franje den vorm, die
aan de vlindervleugels over 't algemeen eigen is. In rust liggen
zij op het lichaam en bedekken het bij wijze van een dak; bij eenige
soorten omhullen zij het echter als een mantel. De achtervleugels zijn
in den regel effen, meestal grijs, dus niet sprekend van kleur; de
voorvleugels daarentegen prijken dikwijls met zulke schitterend bonte
kleuren en prachtige, metaalachtig glinsterende teekeningen, dat men
de Motten tot de fraaiste van alle Vlinders kan rekenen. Ongelukkig
openbaart de schoonheid dezer Insecten zich, wegens hun kleinheid,
slechts onder het vergrootglas in haar vollen omvang. De meeste dragen
borstelvormige sprieten van middelmatige lengte; bij sommige soorten
evenwel zijn de sprieten zeer lang, vooral bij de mannetjes; het kan
voorkomen, dat hun lengte eenige malen die van het lichaam overtreft.
Niet minder verschillend dan het uitwendig maaksel der Vlinders is
de levenswijze der 14- à 16-pootige rupsen. Sommige leven gezellig
in een groot spinsel, dat geheele takken en kleine struiken als 't
ware met een sluier omgeeft; andere rollen bladen of een blad samen
en bewegen zich in de dus gevormde, aan beide einden geopende buis
even snel vooruit als achteruit. De zelfgemaakte kokertjes, die de
leden van andere soorten bewonen en voortdurend medesleepen, bestaan
uit stukjes, die zij van haar voedsel hebben afgeknaagd. Zeer vele
rupsen leven als "mijngravers" in gangen, die zij in het bladmoes,
tusschen de bovenste en de onderste opperhuid van het blad, maken;
andere boren eenvoudig gangen in allerlei plantendeelen.
Bij het geslacht Tinea komen zeer ontwikkelde, ver vooruitstekende, 6-
à 7-ledige bijtasters voor; het tweede lid van den liptaster is aan
het einde met borstels bezet, de zuiger voor het gebruik ongeschikt,
de kop van een haarkuif voorzien. De borstelvormige sprieten zijn
korter dan de voorvleugel.
De Korenmot (Tinea granella, fig. 1) heeft 13 mM. vlucht en richt
als rups schade aan in graanpakhuizen. Hier ziet men het Vlindertje
in Juni des daags tegen muren, balken, enz. zitten. De vleugels
bedekken in rust daksgewijs het lichaam; de voorvleugels, die van
achteren door de franje verbreed zijn, hebben een zilverwitte kleur
en donkerbruine à zwarte marmervlekken. De franje en de randen zijn
donker gevlekt; tamelijk standvastig strekt de grootste vlek zich
van het midden van den voorrand streepsgewijs tot aan den binnenhoek
uit. De achtervleugels zijn, evenals het achterlijf, glanzig witachtig
grijs. Het wijfje legt bij voorkeur in graanpakhuizen eieren: 1 of
2 op elke korrel. Na 10 à 14 dagen worden de rupsjes geboren. In de
laatste week van Juli openbaart hun aanwezigheid zich reeds door de
kleine hoopjes drek, die aan de aangetaste graankorrels hangen; deze
zijn bij 3, 4 of meer stuks aaneengesponnen. De "witte korenwormen"
bepalen zich niet tot één korrel, maar snoepen van verscheidene en
verbinden deze door een weefsel; hieronder verborgen beknagen zij
het graan van buiten. De geelachtig witte rups verpopt zich in de
uitgeholde graankorrel, in een naad van den vloer, of in een spleet
van een balk. De woning, die zij van het knaagsel uit haar omgeving
en van haar spinsel vervaardigt, bevat tot in de lente een rups,
die dan eerst verandert in een bruinachtige pop.
Algemeen bekend zijn de verwoestingen, welke de rupsen der Kleederen-
of Pelsmotten (fig. 2) aanrichten op plaatsen waar men ze niet
stoort, b.v. in kleerkasten, in gevulde zittingen van stoelen en
canapees, in laden met wollen goederen en ook in natuurhistorische
verzamelingen. Overal waar zij zeer talrijk zijn, ziet men ze
's winters aan den buitenkant der door haar aangetaste voorwerpen
hangen in kleine zakjes, waarvoor het materiaal geleverd wordt door
de stoffen uit de omgeving; later verpoppen zij zich hierin. De leden
van 2 soorten verrichten gemeenschappelijk dezen arbeid. De eene is
de 11 à 17.5 mM. spannende Pelsmot (Tinea pellionella), welker als
zijde glinsterende, geelachtige voorvleugels in het midden met een of
twee donkere stippen geteekend zijn en welker grijze achtervleugels
een geelachtigen weerschijn hebben. De andere, de Tapijtmot (Tinea
tapeziella), heeft 15 à 22 mM. vlucht: hare voorvleugels zijn voor
de kleinste, aan den wortel grenzende helft violetbruin, overigens
geelachtig wit, behoudens een violetachtig grijze vlek aan de spits;
de achtervleugels zijn als bij de vorige soort. Beide vliegen in
Juni en Juli; zij kunnen zich echter ook vroeger of later vertoonen,
al naar de temperatuur der woonplaats.
De Appelboom-spinselmot of Appelboom-stippelmot (Hyponomeuta matinella)
heeft 19 mM. vlucht en is grootendeels wit met zijdeachtigen
glans. Op de langwerpige voorvleugels bevinden zich 3 overlangsche
rijen van zwarte stipjes (zwart gestippeld zijn ook de rug en
de schouderdeksels); de donkergrijze, aan den wortel witachtige
achtervleugels hebben een effen lichtgrijze franje. Van het einde
van Juni tot in het begin van Augustus kan men dezen weinig in
't oog vallenden Vlinder over dag op appelboomen zien loopen of
zitten en 's avonds in hun nabijheid rondvliegen, voor zoo ver zich
op deze boomen tusschen de takken floersachtige spinsels bevinden
en reeds vroeger aanwezig waren. Hier is n.l. de woonplaats van zijn
bruinachtig grijze, met zwarte wratjes bezette rups. Daar deze rupsen
gezellig leven en er niet zelden een vereeniging plaats vindt van
verscheidene gezelschappen, kan het voorkomen, dat geheele takken van
den appelboom met een sluier omgeven zijn en dat het groen binnen dit
nest hoe langer hoe meer afneemt, daar van de bladen ten slotte alleen
de nerven en een der opperhuidlagen overblijven. Wanneer zij een tak
hebben leeggevreten, trekken zij verder en tasten een andere aan;
hieraan ontleenen zij waarschijnlijk den naam van Trekmaden, dien men
haar in Gelderland geeft, waar zij soms in de appelboomgaarden groote
schade aanrichten (Ritzema Bos). Zoodra zij volwassen zijn, verpoppen
zij zich ieder afzonderlijk in een kleverigen, haverkorrelvormigen
cocon, die de korte en dikke, roodachtig gele pop niet geheel aan
't oog onttrekt. Ieder nest bevat groote kluiten van dergelijke cocons.
De Akkeruilmotten (Depressaria) vervangen in de familie der Motten
het Uilengeslacht Agrotis door de sombere kleuren van de vleugels,
die plat op het zijdelings verbreede achterlijf rusten, voorts door
haar wijze van opvliegen of wegloopen, als zij over dag gestoord
worden. De leden van dit omvangrijke geslacht (60 Europeesche, een
tiental inheemsche soorten) overwinteren in den imago-toestand. Vele
van de rupsen bewonen de bloeiwijzen van schermbloemige planten,
ook nadat de vruchten zich ontwikkeld hebben.
Voor den landbouw schadelijk is de Karwijmot (Depressaria nervosa),
die hare eieren verspreid op de karwij, of, wanneer deze plant niet
aanwezig is, op andere schermbloemigen legt. Zoodra de karwij in vollen
bloei staat, merkt men de rupsen op; zij vreten aan de bloemen en jonge
zaden; indien deze beide niet meer in voldoende hoeveelheid voorhanden
zijn, tasten zij ook de saprijkste takjes aan. Soms begroot men de
door haar aangerichte schade op meer dan de helft van den oogst,
dien men in gunstiger omstandigheden verkregen zou hebben. In ons
land heeft men, naar het schijnt, tot heden niet veel last van dit
Insect gehad. Om zich te verpoppen begeeft de rups zich binnen in
den stengel der plant en knaagt zich hier een geschikte rustplaats
uit; nadat de opening met een schuins dekseltje is dicht gesponnen,
verandert zij in een van boven naar onderen eenigszins afgeplatte
pop. Als de rupsen zeer talrijk zijn, vindt men soms in een plant
30 à 40 gaten, die tot een even groot aantal poppenwoningen toegang
verschaffen: hierdoor gelijkt zulk een stengel meer op een fluit dan
de koolzaadhauw, die door den Fluitjesmaker is aangetast.
De Mot, die uit de Kokerrups van den Lork ontstaat (Coleophora
laricinella), heeft bruinachtig grijze, zwak glanzige, langwerpige
voorvleugels met lange, glanslooze franje. Zij verschijnt in de tweede
helft van Mei, in bergstreken eerst in Juni; over dag ziet men haar
zeer snel om de takken der lorken vliegen, of langs de naalden op
en neer loopen, om op elke naald een van hare zeer kleine eieren te
leggen. Weldra komt hieruit een rupsje, dat op de plaats, waar het ei
ligt, in de naald doordringt en deze langzamerhand leegvreet. Eerst
tegen het midden van September, kort vóór het afvallen der naalden
(die bij den lork slechts één jaar aan den boom blijven en bij
bundeltjes uit dwergloten ontspruiten), is het bovenste deel van de
aangetaste naald over een lengte van 4 à 7 mM. geheel uitgehold en
witachtig van kleur. Het voorgevoel van den naderenden winter noopt
de rups het holle gedeelte van de naald, waarin zij zich bevindt,
af te snijden, om op deze wijze een kokertje te verkrijgen, dat zij
al kruipend medevoert, daar de kop en de borstringen er uitsteken;
aan 't tegenovergestelde einde heeft zij een opening gemaakt voor het
verwijderen van den drek. Het kokertje is bruin en heeft de grootte
van een kleine gerstkorrel; de rups hecht het vast aan een knop en
overwintert hier. In 't volgende voorjaar, als de nieuwe naalden
te voorschijn komen, wordt één daarvan dadelijk door de kokerrups
aangetast; deze knaagt een opening in den top van het blad en holt
dit al verder en verder uit, naarmate het van onderen aangroeit. Tegen
het midden van April is de rups zoo dik, dat het kokertje noodzakelijk
vergroot moet worden; dit geschiedt, door de laatst uitgeholde naald af
te snijden, overlangs open te splijten en door spinsel met het eveneens
opengespleten, oude huisje tot een wijderen koker te vereenigen. Van de
eene naald naar de andere trekkend, richten de vraatzuchtige diertjes
groote schade aan, zoodat de top van den lork bruin wordt. Tegen
het einde van April verpopt de hoogstens 5 mM. lange rups zich in
haar vooraf vastgesponnen koker. Zij is donker roodbruin, op den
kop het donkerst, heeft kleine borst- en buikpooten, doch zeer groote
naschuivers, waarmede zij zich aan den koker vasthoudt. Na een rusttijd
van 2 of 3 weken, meestal reeds voor het einde van Mei, verlaat het
9 mM. spannende vlindertje de pophuid, die in den koker achterblijft.
Slechts enkele woorden kunnen wij wijden aan de 3 nog overige familiën
van Microlepidopteren. Twee daarvan--Pterophorina en Alucitina--worden
meestal gezamenlijk Vedermotten genoemd, omdat hunne vleugels overlangs
tot aan het midden of zelfs tot dicht bij den wortel in slippen zijn
verdeeld, die aan weerszijden franje dragen en hierdoor op vedertjes
gelijken. Bij de Pterophorinen (met uitzondering van Agdistes,
die ongespleten vleugels heeft) bedraagt het aantal slippen in den
voorvleugel 2, in den achtervleugel 3. Het zijn slanke vlindertjes met
zeer lange pooten; vooral de achterpooten zijn zeer lang en worden in
rust tegen het achterlijf aangelegd. Zij vliegen 's avonds en rusten
over dag. In rust worden de vleugels horizontaal zijwaarts gericht
en wegens het over elkander schuiven der slippen zoo smal, dat ook
hierdoor deze Insecten aan Langpootige Muggen herinneren. De kop draagt
half bolvormige oogen, geen bijoogen, draadvormige sprieten, een langen
zuiger zonder bijpalpen, tusschen 2 vooruitstekende liptasters. De
rupsen hebben 16 pooten; sommige leven vrij aan de oppervlakte van
de plant, andere verborgen in knoppen, zaden of stengels.
Op stille avonden van Juli tot September vliegt Pterophorus
pendadactylus langzaam in droge tuinen rond, reeds op een afstand
kenbaar aan zijn sneeuwwitte kleur (vlucht 28 à 30 mM.). Zijn groene
rups leeft op winden (Convolvulus sepium en C. arvensis).
De Alucitinen vormen een nog kleinere familie (9 Europeesche, 2
inheemsche soorten) dan de vorige, van welke zij verschillen door
hunne ieder in 6 slippen verdeelde, in rust waaiervormig zijwaarts
uitgespreide vleugels en door het bezit van bijoogen.
De grijsgroene rups van Alucita hexadactyla leeft in bloemknoppen
van verschillende soorten van kamperfoelie (Lonicera). Soms komen 2
generaties voor. Het vlindertje heeft 15 à 18 mM. vlucht en vliegt
van Juli tot in den herfst, soms ook in de lente. Zijn kleur is
lichtgeelachtig grijs met 2 grijze, witgezoomde dwarsbanden over
de voorvleugels.
De familie van de Adermotten (Micropterygida) omvat 2 geslachten
met 24 Europeesche en 2 inheemsche soorten; zij is kenbaar aan
eigenaardigheden van het vleugeladerstelsel en van de monddeelen. Dit
laatste geldt vooral van het geslacht Eriocephala. De rupsen zijn
pootloos bij Micropteryx; zij hebben 22 pooten bij Eriocephala. De
meeste knagen gangen in het bladmoes.