DE SCHUBVLEUGELIGEN OF VLINDERS (Lepidoptera, Glossata).
De Vlinders, de bonte lievelingen van de voor natuurschoon gevoelige
jeugd, moeten wij op de Vliesvleugeligen laten volgen wegens den
algemeenen indruk, dien de vorm van het lichaam dezer Insecten bij
opmerkzame beschouwing wekt. De drie volkomen vergroeide borstringen,
de vrij vóór het borststuk geplaatste kop met zijne rechte sprieten,
het meestal langwerpige, door een chitine-pantser bedekte lichaam en
het bezit van vier vleugels hebben de Vlinders met de Vliesvleugeligen
gemeen. Bovendien hebben beide de neiging om door zoete stoffen hun
kortstondig leven te rekken en merkt men in beider ontwikkelingsgang
drie scherp gescheiden phasen op. Ook de Vlinders verschillen duidelijk
van alle overige Insecten door het maaksel hunner monddeelen en de
eigenaardigheden hunner vleugels; onmogelijk kunnen zij met leden van
andere orden verward worden; zelfs geldt dit van de weinige soorten,
die door het rudimentair worden van de vleugels voor het leven in de
lucht ongeschikt zijn geworden.
De monddeelen zijn voor het zuigen ingericht. De onderkaken, die
aan de binnenzijde ieder een gootvormige uitholling vertoonen, zijn
samengevoegd tot een zuigtoestel, dat spiraalsgewijs opgerold kan
worden en zuiger of roltong heet. De bovenkaken zijn zeer dikwijls
afwezig en in ieder geval, evenals de bovenlip, zoo klein en door de
bekleeding van het aangezicht met chitine-schubjes zoo verborgen,
dat een ongeoefende ze waarschijnlijk tevergeefs zal zoeken. Een
klein, driehoekig uitsteeksel onder de plaats van aanhechting van den
zuiger, dat aan weerszijden van een drieledigen taster is voorzien, kan
gemakkelijk als een onderlip herkend worden. De eigenaardigheden van de
liptasters of "palpen" leveren vooral bij de Kleinvlinders belangrijke
kenmerken ter onderscheiding van de familiën en geslachten op. De
kaaktasters eindelijk, hoewel in den regel aanwezig, zijn gewoonlijk
rudimentair; zij vertoonen zich als korte, tweeledige aanhangsels bij
den wortel van den zuiger en zijn alleen bij de Motten (Tineidae), waar
men ze gewoonlijk "bijpalpen" noemt, buitengewoon sterk ontwikkeld. Ook
de bovenkaken zijn bij de Tineïden nog duidelijk zichtbaar. Genthe vond
ze bovendien bij alle andere door hem onderzochte "Kleine Vlinders",
hoewel zij vermoedelijk slechts bij één geslacht (bij Eriocephala,
die door het gemis van zuigende monddeelen van alle overige Vlinders
verschilt) voor 't bijten geschikt zijn. Ook bij de Sphingiden
komen sporen van bovenkaken voor. Bij alle overige "Groote Vlinders"
ontbreken deze organen geheel. De sterk behaarde kleine verhevenheden,
die men vroeger voor rudimentaire bovenkaken hield, behooren, naar
Walter heeft aangetoond, tot de bovenlip.
Nagenoeg alle aders, die de 4 vleugels steunen, hebben een overlangsche
richting. De voorvleugels zijn meestal aanmerkelijk grooter
dan de achtervleugels en hebben een soortgelijk, doch eenigszins
samengestelder aderstelsel. Hieraan worden bij de rangschikking der
Vlinders belangrijke kenmerken ontleend; een kort overzicht van de
voornaamste verschijnselen, die zich hierbij voordoen, mogen wij
daarom niet achterwege houden. Uit het midden van den vleugelwortel
ontspringt een cel, de middelcel (discoïdaalcel), die ongeveer op de
helft van de lengte van den vleugel door een korte, meestal gebogen of
gebroken dwarsader gesloten wordt. De bovenste of voorste middelader
(radius) begrenst de middelcel aan de zijde, die naar den voorrand
(costa) van den vleugel gekeerd is; aan de tegenovergestelde zijde
komt de onderste of achterste middelader (cutibus) voor. Uit de beide
middeladers en uit de dwarsader ontspringen een aantal overlangs
gerichte takken, die aan den zoom of buitenrand van den vleugel of in
zijn voorrand eindigen. Ieder van deze aders heeft een rangnummer;
men begint te tellen aan den binnenhoek van den zoom en noemt den
daar eindigenden cutibus-tak 2. Ook dan volgt men dezen regel,
als de aders nader bij den wortel van den vleugel ineenvloeien
en dus uit een gemeenschappelijken steel ontspringen. Bovendien
heeft de voorvleugel bij zijn binnen- of achterrand meestal 1 (soms
2)--de achtervleugel meestal 2 (soms 3)--binnenrands-, anaal- of
dorsaaladers, die aan den vleugelwortel beginnen en aan den zoom
of aan den achterrand eindigen. Deze krijgen alle het rangnummer
1. Wanneer er verscheidene zijn, onderscheidt men ze door toevoeging
van letters aan het cijfer 1; men ontmoet dus achtereenvolgens 1a,
1b, 1c, wanneer men van den vleugelwortel naar den binnenhoek van
den zoom voortgaat. Bij den voorrand vindt men één dergelijke ader,
de ondervoorrandsader (subcostaalader). De voorrand zelf, ofschoon
geen luchtbuis bevattend, wordt ook als een vleugelader beschouwd
(voorrandsader of costa); haar geeft men bij het tellen steeds het
hoogste rangnummer. Bij vele nachtvlinders is de ondervoorrandsader
in de nabijheid van den vleugelwortel over een korten afstand met de
voorste middelader verbonden, zoodat zij uit de middelcel schijnt
voort te komen. De voorste middelader geeft in den voorvleugel
achtereenvolgens (hoogstens 5) takken af, die in den voorrand en in
den vleugelzoom eindigen; allerlei eigenaardigheden kunnen zich hierbij
voordoen, die bruikbare kenmerken ter onderscheiding opleveren. In den
achtervleugel zendt de voorste middelader slechts 2 takken uit, die in
den zoom eindigen en bij de verschillende groepen groote overeenkomst
vertoonen.--De open cellen, (die welke door 2 opeenvolgende aders en
het daartusschen gelegen stukje van den vleugelrand gevormd worden)
duidt men eveneens ieder met een cijfer aan, en wel met dat van de
ader, waarop de cel volgt, wanneer men in de richting van binnen naar
buiten voortschrijdt. Zoo krijgt b.v. de zeer lange, open middelcel
het rangnummer 4, omdat zij tusschen de aders 4 en 5 gelegen is.
Het skelet van den vleugel, dat zooeven op beknopte wijze beschreven
werd, ligt min of meer verborgen; veel meer invloed op den indruk,
dien de vleugel maakt, heeft zijn bekleeding; hierdoor eerst krijgt
dit orgaan zijn eigenaardig karakter. Wanneer men zegt, dat de
vlindervleugels bedekt zijn met stofjes, die er afgeveegd kunnen
worden, bezigt men een minstens zeer onnauwkeurige uitdrukking;
iedereen weet, dat de vleugels hun schoonheid niet ontleenen aan
vormlooze lichaampjes, die er op willekeurige wijze overheen gestrooid
zijn, maar aan zeer fijne schubjes van een volkomen bepaalden,
eigenaardigen vorm. Deze bedekken elkander als de pannen van een dak,
zijn door tusschenkomst van meer of minder lange steeltjes losjes aan
de huid van den vleugel gehecht, regelmatig op reeksen geplaatst en op
de eene plaats dichter ineengedrongen dan op de andere; hun grootte,
vorm, kleur en oppervlakte zijn bij verschillende soorten ongelijk en
varieeren op denzelfden vleugel, in verband met de plaats, die zij
innemen. In Brazilië leven Vlinders, welker vleugels in 't geheel
geen schubben bezitten; ook in Europa komt een groep van fraaie
Vlinders voor, de Glasvlinders, welker vleugels voor een groot deel
doorzichtig blijven; ook hier echter bestaat er tusschen de schubben,
die de overige lichaamsdeelen bedekken, een groot verschil in vorm.
De achtervleugels zijn niet zelden voorzien van een fijnen,
soms dubbelen doorn, die om een haakje aan de ondervlakte van
den voorvleugel geslagen is en beide vereenigd doet blijven. Deze
inrichting heet vleugelhaakje; bij geen der Dagvlinders komt zij
voor.--Om zich bij de beschrijving van de verdeeling der kleuren over
den vleugel duidelijker te kunnen uitdrukken en op den voorvleugel,
die ook in dit geval de hoofdrol speelt, verschillende plaatsen
te kunnen bepalen, is zijn oppervlakte in 3 hoofddeelen gesplitst:
het wortelveld, het middelveld en het zoomveld. Bij een groot aantal
Vlinders is deze verdeeling door twee enkelvoudige of samengestelde
dwarsstrepen aangeduid, zoodat de voorste dwarsstreep het wortelveld
van het middelveld, de achterste het middelveld van het zoomveld
scheidt; doch ook wanneer deze zichtbare grenzen ontbreken, wordt
de bedoelde onderscheiding gemaakt. Behalve de vorm, de teekening en
de loop der aders is ook de stand van de vleugels gedurende hun rust
kenmerkend voor de soort.
Aan de monddeelen en de vleugels onderscheidt men deze orde van
de overige Insecten; ook op de overige lichaamsdeelen der Vlinders
moeten wij echter, zij het dan ook vluchtig, de aandacht vestigen. Het
grootste deel van de oppervlakte van den ruig met haren of schubben
bekleeden kop wordt ingenomen door de groote samengestelde oogen,
die halfbolvormig uitpuilen. De enkelvoudige oogen zijn ten getale
van 2 aanwezig en op de kruin verborgen, even dikwijls afwezig. De
sprieten zijn uit vele leden samengesteld en meestal borstel- of
draadvormig, bij de Dagvlinders aan het einde knopvormig gezwollen;
afwijkingen van den genoemden regel zijn echter niet zeldzaam.
Daar het borststuk grootendeels dicht bedekt is met haren, die
bij sommige gewoon, bij andere schubvormig zijn, kan men de 3
borstringen uitwendig niet duidelijk onderscheiden. Het achterlijf is
"aangegroeid", nooit gesteeld, en vertoont 7 à 9 ringen.
Soms dragen de pooten een dicht kleed van lange haren en schijnen dik;
bij nader onderzoek blijkt het echter, dat zij slank, teer en los
aangehecht zijn. De scheen is met betrekkelijk lange sporen gewapend,
de voet uit 5 leden samengesteld en aan 't einde van kleine klauwen
voorzien.
De larven van de Vlinders zijn beter bekend dan die van eenige
andere orde van Insecten, omdat zij meer dan deze, ook niet
deskundigen, tot een onderzoek uitlokken. Vele rupsen verdienen onze
bewondering door haar schoonheid, vele worden wegens haar vraatzucht
gevreesd. Haar lichaam bestaat uit een hoornachtigen kop en 12 weeke
rompsegmenten, waarvan de 3 voorste ieder één paar hoornachtige, uit
leden samengestelde en spits eindigende ware pooten of borstpooten
dragen. Bij alle zonder uitzondering is het laatste segment voorzien
van een paar vleezige, achterwaarts gerichte pootjes, de zoogenaamde
naschuivers of achterpooten. Het lichaamsdeel tusschen de reeds
genoemde segmenten wordt gesteund door 2 à 8 op zuignappen gelijkende,
korte pootjes (buikpooten), die op zulk een wijze verdeeld zijn, dat
onmiddellijk achter de borstpooten minstens 2 en onmiddellijk vóór
de naschuivers evenveel pootlooze segmenten overblijven. Een rups
bezit dus hoogstens 16 pooten, soms slechts 10, zelden niet meer dan
8; een grooter aantal pooten dan 16 kenmerkt de bastaardrupsen. Een
uitzondering op dezen regel vormen sommige Zuid-Amerikaansche rupsen,
die, naar men zegt, 20 pooten hebben. De rupsen, die slechts 1 of
2 paar buikpooten hebben, bewegen zich op een eigenaardige wijze:
het lichaam wordt gestrekt, de borstpooten hechten zich ergens aan
vast, de overige pooten laten hun steunpunt los, het voorste deel van
't achterlijf kromt zich lusvormig naar boven, terwijl de voorste
buikpooten onmiddellijk achter de borstpooten worden neergezet; nadat
deze op hun beurt opgeheven zijn en het voorste deel van 't lichaam
zoo lang mogelijk naar voren uitgerekt is, worden de bewegingen in
de aangegeven volgorde herhaald, waardoor een snelle verplaatsing tot
stand komt. Zulke rupsen worden spanrupsen en hare Vlinders Spanners
genoemd.--De 9 ademgaten aan weerszijden van den romp vallen bij
niet te kleine rupsen duidelijk in 't oog; zij ontbreken alleen aan
het 2e, 3e en laatste segment.--Bij sommige is de huid geheel of
zoo goed als geheel naakt, zoodat men ternauwernood hier en daar
enkele haartjes kan zien; bij andere is de huid dicht behaard. De
haren zijn niet zelden bij bosjes geplaatst, die op sommige leden
zich ver boven hun omgeving verheffen. Behalve haren, komen echter
ook wratten (knopwratten) voor, die meestal met haren zijn begroeid,
voorts vliezige uitwassen, die enkelvoudig of doornvormig vertakt,
naakt of behaard kunnen zijn, bovendien nog andere aanhangselen, die
over het geheele lichaam verspreid staan, of waardoor enkele segmenten
zich onderscheiden.--De kop, die in hoofdzaak begrensd wordt door twee
naast elkander gelegen hoornachtige schalen, heeft goed ontwikkelde,
bijtende monddeelen en een microscopisch fijne opening in de onderlip,
waardoor de spinstof, welke in de beide spinklieren bereid wordt, in
den vorm van een fijnen draad ontwijkt; nagenoeg alle rupsen kunnen
spinnen. Aan den voorsten hoek van iedere schaal bevindt zich een
groep van 5 of 6 oogjes en verder naar voren een spriet, die uit een
gering aantal cilindervormige leden bestaat.
Bij de rupsen merkt men een grooter verschil in levenswijze op dan
men zou vermoeden. Sommige treft men steeds eenzaam aan, omdat de
eieren ieder afzonderlijk op verschillende plaatsen gelegd worden;
andere leven gedurende een meer of minder langen tijd gezellig bijeen,
met of zonder een spinsel, dat aller gemeenschappelijke woning is. De
meeste vertoeven aan de oppervlakte van bladen. Op allerlei planten
treft men ze aan; behalve in de afdeeling der Cryptogamen zijn er
waarschijnlijk niet veel planten, die niet aan één soort van rupsen
voedsel verschaffen. De eik, die wij reeds als een door de Galwespen
bevoorrechten boom hebben leeren kennen, herbergt niet minder dan 121
soorten van rupsen. Er zijn ook rupsen, die zich aan onze waarneming
onttrekken, daar zij zich in hout of in stengels van kruidachtige
planten, vooral echter in vruchten, bladen en wortels ophouden en het
daglicht schuwen. Zulke rupsen hebben meestal een bleeke, vuilwitte
kleur, graven of boren ieder op een eigenaardige wijze en verraden
hierdoor haar tegenwoordigheid.
Sommige rupsen hebben den naam van vergiftig te zijn en worden dikwijls
om deze reden meer gevreesd dan wegens de schade, die zij aan gekweekte
planten veroorzaken. Hoewel geen enkele rups giforganen heeft, bevatten
de haren of de vleezige met beweeglijke zijtakken voorziene uitwassen,
een met sterk mierenzuur gevulde holte en veroorzaken daarom bij
't afbreken van den top op de huid een brandend gevoel.
Na een meer of minder langdurig tijdperk van groei, herhaaldelijk
voor korten tijd afgebroken door vervellingen, waarmede zelden een
wijziging van den vorm, dikwijls echter een kleine kleursverandering
gepaard gaat, is de rups rijp voor den poptoestand. De meeste
Groote Vlinders en onder de Kleine Vlinders de Pyralididen zijn
gedurende deze ontwikkelingsphase beter beschut dan alle overige
Insecten: hunne ledematen en andere lichaamsdeelen zijn niet
slechts ieder afzonderlijk omhuld met de dunne, vliezige scheeden,
die ook bij de overige leden der klasse voorkomen, maar bovendien
nog aaneengekleefd door bedekking met een gemeenschappelijke, in
leden verdeelde chitine-schaal, die hoogstens op drie plaatsen,
tusschen de achterlijfssegmenten 4-7, beweging toelaat. Zij heeten
daarom bedekte poppen of mummiepoppen. Haar kleur verandert bij
vele soorten met den leeftijd. Onderling verschillen zij door vorm
en kleur, door de wijze van bekleeding, door het maaksel van de
staartspits (cremaster, het doorntje aan het laatste segment) en door
de middelen tot vasthechting. Eenige van deze eigenaardigheden zijn
karakteristiek voor de groep, tot welke de pop behoort. Zoo hebben
b.v. de (meer bepaaldelijk chrysaliden genoemde) hoekige poppen van
de meeste Dagvlinders de staartspits door draden bevestigd aan het
voorwerp, waaraan zij met den kop naar beneden hangen of waaraan zij
bovendien zijn vastgebonden door een anderen draad, die haar lichaam
als een gordel omgeeft, zoodat de kop naar boven gericht blijft. In
't eerste geval spreekt men van een hangende pop (pupa suspensa), in
't tweede geval van een omgorde pop (pupa succincta). De poppen van
de meeste Spinners zijn verborgen in een tusschen twijgen of bladen
vastgehechte cocon; van andere Vlinders is de pop, al of niet door
een spinsel omgeven, in den grond verscholen. Bij de Kleine Vlinders
en bij sommige Groote Vlinders (alle tot de Nachtvlinders behoorend,
zooals de Glasvlinders en de Houtboorders) merkt men alle overgangen
op van de mummiepop tot de vrije pop, die bij eenige familiën van
Kleine Vlinders werkelijk voorkomt.
Bij den overgang in den imago-toestand opent zich de huid van de
mummiepop in den nek achter de sprietscheeden; bovendien verkrijgt
zij een overdwarse spleet op het aangezicht tot aan de grens en
vleugelscheeden en een overlangsche spleet op het midden van den
rug van het borststuk. Deze openingen stellen den Vlinder in staat
naar buiten te komen; hij doet dit 's morgens vroeg, als hij van
licht en zonneschijn houdt, des avonds, als hij gedurende den nacht
werkzaam is. Aanvankelijk blijft hij stil zitten om te bekomen van de
vermoeidheid, die een gevolg is van den zoo even door hem verrichten,
zwaren arbeid. De vleugels moeten zich nog ontwikkelen uit de teere
lapjes, die boven den rug uitsteken en met de buitenzijde naar
elkander toegekeerd zijn. Dit geschiedt door bloed te persen in de
vleugeladers en lucht in de daar aanwezige tracheeën. Men ziet de
vleugels "groeien". Na verloop van een half uur bij Vlinders van
gewone grootte, iets later bij de grootste soorten, hebben zij hun
vollen omvang bereikt; de teekening was reeds bij het afwerpen van
de pophuid duidelijk zichtbaar. De Vlinder houdt de vleugels nog
korten tijd schuins naar boven en naar buiten gericht en geeft hun
vervolgens den stand, die zij voortaan in rust zullen innemen. Eerst
na verloop van eenige uren worden deze organen door de uitdrogende
werking van de lucht hard en voor het gebruik geschikt, bij kleine
Vlinders eerder dan bij groote. Wanneer deze tijd voorbijgegaan is,
zonder dat de vleugels de gewone grootte bereikt hebben, zullen zij
onbruikbaar blijven.
Men is gewoon de Vlinders te verdeelen in Groote (Macrolepidoptera) en
Kleine (Microlepidoptera), hoewel voor deze scheiding geen voldoende
gronden geleverd worden door verschillende organisatie. De familiën,
die de eerste groep vormen, bevatten hoofdzakelijk de grootste,
die van de laatste groep vooral de kleinste leden der orde; doch op
dezen regel komen vele uitzonderingen voor. In den regel hebben de
rupsen der Macrolepidoptera de zool der valsche pooten alleen aan den
buitenrand met een enkele of dubbele rij van binnenwaarts gekromde
haakjes bezet; deze "half gekroonde" pooten zijn voor het omklemmen
van een voorwerp geschikt. Bij de Microlepidoptera daarentegen
zijn de valsche pooten "gekroond"; hun zool draagt haakjes langs den
geheelen omtrek.--Linnaeus verdeelde de Groote Vlinders in Dagvlinders
(Diurna), Avond- of Schemeringvlinders (Crepuscularia) en Nachtvlinders
(Nocturna). De eerste van deze 3 groepen wordt ook nu nog onder den
naam van Knotssprietigen (Rhopalocera) aan alle overige Vlinders--de
Ongelijksprietigen (Heterocera)--tegenovergesteld.
Speyer schat het aantal soorten van Vlinders op 200000; sommige soorten
zijn bijna over de geheele wereld verbreid; tusschen het door haar
bewoonde gebied en den plantengroei bestaat een nauw verband.--In
Nederland zijn, volgens Oudemans, 1713 soorten van Vlinders gevonden,
waarvan 764 "Groote" en 949 "Kleine".--Wegens hun teeren lichaamsbouw
zijn de leden dezer orde minder dan andere Insecten geschikt om in den
bodem bewaard te blijven en komen daarom als fossielen zeldzaam voor;
toch bezit men eenige goed geconserveerde Sphingiden uit tertiaire
lagen en wel uit den lithographischen steen van Solnhofen en Eichstädt,
voorts, door barnsteen omhuld, een aantal Kleine Vlinders (Tineïden,
Tortriciden en Pyraliden); bovendien zijn bij Oeningen een paar
Spinners en bij Aix eenige Dagvlinders opgedolven.
De eerste rang wordt toegekend aan de Dagvlinders of Kapellen (Diurna,
Rhopalocera), het geslacht Papilio van Linnaeus. Een dun, slank, zwak
bekleed lichaam, groote en breede vleugels, die in den rusttoestand
omhoog gericht zijn, zoodat de bovenzijden elkander aanraken, slanke
sprieten, die aan de spits of onmiddellijk daaronder haar grootste
dikte bereiken, zijn eigenaardigheden, die men bij alle leden van
deze soortenrijke familie vereenigd vindt. De Dagvlinders hebben
nooit bijoogen, missen het vleugelhaakje, bezitten meestal slechts
twee sporen aan 't einde der achterscheen en vliegen uitsluitend
over dag. De rupsen verschillen naar het uitwendige te veel van
elkander, om er in 't algemeen meer van te kunnen zeggen, dan dat
zij 16 pooten hebben en geen dicht en lang haarkleed dragen. Alle
inheemsche "gedoornde" rupsen behooren tot deze groep. De poppen
van de Dagvlinders zijn licht van kleur en kenmerken zich meestal
door den hoekigen vorm van den rug en door eindspitsen op de kruin,
zoodat men niet zelden in het voorste deel van den rug de caricatuur
van een aangezicht ziet. Van enkele soorten wordt de pop onder steenen
gevonden; nooit echter is zij in een cocon verborgen, zelfs niet door
een los spinsel omgeven.
De belangrijke invloed van licht en warmte op de leden dezer familie
blijkt uit hun geographische verbreiding. Met de schitterendste
kleuren prijken zij in streken, waar de zonnestralen bijna altijd in
loodrechte richting het aardrijk treffen. De noordelijke grens van
het verbreidingsgebied der Vlinders in 't algemeen (74°) en ook hun
hoogtegrens (die, al naar de breedte, van 2812 tot 4080 M. afwisselt)
wordt door de Dagvlinders meestal niet bereikt. Inheemsch zijn, volgens
Oudemans, 79 soorten van Dagvlinders, die in ons land dus slechts 4.6
percent van de geheele orde uitmaken; 400 zijn er in geheel Europa
met inbegrip van de Aziatische grenslanden (die in dit opzicht van ons
werelddeel niet goed gescheiden kunnen worden). Veel talrijker zijn zij
in de tropische gewesten; alleen bij Para in Brazilië ontmoet men niet
minder dan 600 soorten van Dagvlinders. Waarschijnlijk overdrijft men
niet, door het geheele aantal leden der familie op 5000 te schatten.
De grootste en fraaiste Dagvlinders behooren tot de onderfamilie der
Papilioniden (Papilionidae), die Linnaeus zeer eigenaardig Ridders
(Equites of Equitidae) heeft genoemd wegens hun statig voorkomen,
dat bij de meeste soorten niet weinig verhoogd wordt door de
soms zeer diepe insnijdingen der achtervleugels en de hierdoor
begrensde staartvormige uitsteeksels. De uitgesneden binnenrand der
achtervleugels bereikt het achterlijf niet.
Het geslacht der Vogelvlinders (Ornithoptera) spant de kroon,
hoewel het staartelooze achtervleugels heeft. Zijne leden bewonen
den Oost-Indischen archipel; de fraaiste en grootste vindt men op
de Molukken. De Priamus (Ornithoptera Priamus) van Amboina heeft
157 à 183 mM. vlucht; het mannetje is groen, het wijfje zwart met
witte teekening.
Tot het omvangrijke geslacht Papilio behoort de eenige inheemsche
soort van de onderfamilie der Ridders, de welbekende Koninginnepage,
Page de la Reine, ook wel Zwaluwstaart geheeten (Papilio Machaon). In
het noorden en westen van ons land is hij vrij zeldzaam, in het
oosten en zuiden een gewone verschijning. Men ziet hem niet slechts
in geheel Europa, maar ook op den Himalaja en in Japan. Hij heeft
62 à 88 mM. vlucht en is dus onze grootste Dagvlinder. De zwavelgele
vleugels zijn zwart gevlekt en geaderd; in het breede, zwarte zoomveld
komen gele vlekken voor; het zwarte wortelveld van de voorvleugels
is met gele schubjes als bestoven; dit geldt ook van den zwarten, in
't midden blauwachtigen band langs den binnenrand der achtervleugels,
die als 't ware het ordelint van dezen "ridder" is, dat aan 't einde
het ordeteeken, een oranjebruine oogvlek, draagt; iets hooger aan den
zoom bevindt zich een lange staart. De onderzijde van de vleugels
vertoont ongeveer dezelfde, maar doffere kleuren; hier heeft het
geel de overhand. In Juli en Augustus fladdert deze fraaie Vlinder
langzaam over de klavervelden of peurt honig uit de bloemen van
weiden, tuinen en bosschen, waarbij hij zijne vleugels beurtelings
in horizontale richting plaatst of half gesloten omhoog heft. Toch
is hij wel degelijk tot een snelle vlucht in staat. Het is de tweede
generatie, die men in de genoemde maanden waarneemt; deze is talrijker
dan de eerste, die zich in Mei vertoont en uit overwinterde poppen
ontstaat. Het bevruchte wijfje houdt zich bezig met de zorg voor
haar nakomelingschap, bezoekt met dit doel op weiden, in tuinen en
op open plaatsen in het woud verschillende schermbloemige planten,
vooral venkel, dille, komijn, peen (Daucus), legt een ei, soms meer
dan één, op iedere plant en sterft. De jonge rups is zwart, heeft op
den rug witte vlekken en roode doornen; weldra echter ondergaat zij
een groote verandering; in haar nieuw kleed ziet men haar dikwijls op
de bovenste gedeelten van haar voederplant te midden van de vruchten,
welker zaden haar tot voedsel dienen. Zij is nu groen met fluweelachtig
zwarte ringen en heeft, behalve eenige plooien, geen eigenaardige
kenteekenen meer op haar huid. Als men haar aanvat, stuwt zij, om
den aanrander af te schrikken twee weeke uitsteekseltjes, die aan den
voet vorksgewijs samenhangen, uit de groeve tusschen den kop en het
voorste rompsegment naar buiten; tevens verbreidt zij een doordringende
lucht en slaat soms met het lichaam heen en weer. De groenachtig
gele, geel gestreepte pop, die aan de rugzijde kielvormig en ook
overigens eenigszins oneffen is, heeft op den kop 2 stompe spitsen;
op de hiernaast (bij 1) aangeduide wijze bevestigt zij zich met de
staartspits en door een gordel in horizontalen of opgerichten stand
aan het een of ander takje. Die van de tweede generatie overwintert,
die van de eerste verandert binnen weinige weken in een Vlinder.
Een enkele maal vindt men hier te lande ook nog de Podalirius (Papilio
Podalirius, fig. 1), die, evenals alle overige Ridders, door Linnaeus
naar een der helden uit den Ilias benoemd werd. Hij is minder algemeen
verbreid, meer tot heuvelachtige gewesten beperkt. Zijne stroogele
vleugels zijn zwart gestreept: de voorvleugels vertoonen, behalve een
zwarten zoom en een smal, zwart wortelgedeelte, 2 doorloopende en 3
afgebrokene, wigvormige, zwarte vegen, die alle aan den voorrand breed
beginnen en allengs smaller worden. De langstaartige achtervleugels
zijn aan den uitgetakten zoom op zwarten grond met blauwe maantjes,
aan den rechten achterrand met een paar breedere, gezamenlijk in een
roode vlek uitloopende strepen en met een paar zeer smalle over het
midden getooid. De geelachtig groene rups leeft op sleedoorn, is met
roode stippels, geelachtig witte lijnen op het midden van den rug en
schuinsche strepen over de zijden versierd en kan, evenals de vorige,
een vorkvormig orgaan uit den nek naar buiten stulpen. De pop is van
voren bruin, van achteren geel en hier met bruine ringen en stippels
geteekend.
In andere werelddeelen, vooral in Zuid-Amerika, leven nog meer
dan 300 soorten van het geslacht der Zwaluwstaarten; sommige zijn,
evenals de onze, met zwarte strepen of vlekken op gelen grond getooid;
andere hebben een prachtig, fluweelachtig zwart kleed met reeksen
van gele vlekken; nog andere vertoonen helder karmijnroode vlekken,
zooals Papilio Hector, die op Ceylon en in Oost-Indië voorkomt,
of witte vlekken, die streepsgewijs bijeenstaan.
De Witjes (Pieridae) hebben gemiddeld een geringere grootte dan de
Papilioniden; bij deze komen 4, bij gene 3 overlangsche aders uit
den binnenrand van de middelcel. De achtervleugel eindigt nooit in
een staart; uit zijn wortel ontspruiten 2 anale aders (in plaats van
1). Deze Vlinders ontstaan, evenals de vorige, uit omgorde poppen.
Het typische geslacht Pieris kenmerkt zich door den vorm van de knots
aan 't einde der sprieten (die op een korten kegel gelijkt), door de
lengte der tasters (die boven den kop uitsteken en welker laatste lid
meestal even lang is als het voorlaatste), door de afgerond driehoekige
voor- en de eivormige achtervleugels. Dit geslacht is over alle landen
der wereld verbreid en in een zeer groot aantal soorten gesplitst, van
welke sommige door de vraatzucht van hare rupsen voor den landbouwer
in de hoogste mate lastig worden.
De Groote Witjesvlinder, ook wel Koolwitje genoemd (Pieris brassicae),
is kenbaar aan de zwarte spits van de voorvleugels en den zwarten
veeg aan den voorrand der achtervleugels. Op de voorvleugels
heeft het wijfje bovendien 2 zwarte, ronde vlekken boven elkander
achter het midden; van de tweede vlek loopt een zwarte veeg naar den
binnenrand. De gele onderzijde van de achtervleugels draagt gelijkmatig
verdeelde zwarte schubjes. Het wijfje heeft 65 mM. vlucht. Deze
eenvoudige Vlinder begint in Juli over velden en weiden en in
tuinen rond te zwerven; in de tuinen fladdert hij bij voorkeur om
koolplanten, leukojen en Oostindische kers, zoodra het tijd is om
voor de nakomelingschap te zorgen. Meer dan 100 gele eitjes komen bij
elkander te liggen en vormen als 't ware een eilandje aan de onderzijde
van het groene blad. Soms is hun aantal geringer, doch altijd zijn er
verscheidene bijeen; ook aan de bovenzijde van de bladen treft men
ze soms aan. Wanneer men zulk een eitje afzonderlijk ziet liggen,
dan is het afkomstig van den Kleinen Witjesvlinder, die terzelfder
tijd en op dezelfde plaatsen als de Groote rondvliegt.
De gele, zwart gevlekte rupsen kan men weldra dicht opeengedrongen in
de nabijheid van de middelnerf van een blad der genoemde planten zien
zitten. De poppen zal men hier waarschijnlijk niet aantreffen. De
volwassen rups heeft n.l. de gewoonte, de plant, waarop zij haar
voedsel vond, te verlaten en bij een naburigen muur of boomstam
omhoog te kruipen, om een rustplaats voor haar gedaantewisseling te
zoeken. Langzamerhand neemt het aantal gele, zwart gevlekte poppen toe;
zij bedekken de naburige schuttingen, muren en andere boven den grond
uitstekende voorwerpen en zijn hier een tijdlang gemengd met nog niet
veranderde rupsen. Uit de overwinterde poppen komen in April of Mei van
het volgende jaar Vlinders; deze vliegen dan slechts in kleinen getale
en trekken niet zoo sterk de aandacht als die van de tweede generatie,
welker leven zooeven geschetst werd. Hoewel twee generaties de regel
is, kunnen er in een warmen zomer, waarop een mooie herfst volgt,
wel drie voorkomen, daar de rupsen snel groeien en hare 4 vervellingen
goed te boven komen, als het weder in dezen tijd niet al te vochtig is.
De landman kan zich een voorstelling vormen van het soms ontzaglijk
groote aantal van deze Vlinders door de schade, die de rupsen hem
toebrengen. Deze voorstelling wordt echter nog overtroffen door eenige
in entomologische werken voorkomende aanteekeningen. Hierin vindt men
o.a. de mededeeling, dat rupsen van Koolwitjes in het jaar 1854 een
spoortrein tusschen Brünn en Praag tot staan hebben gebracht. Over
een lengte van 200 voet waren de spoorstaven dicht bedekt met rupsen,
in een brijachtige massa veranderd door de drukking der wielen. Deze
pap had de rails en de raden zoo glad gemaakt, dat de wrijving niet
meer voldoende was voor de rollende beweging van den trein en de wielen
op dezelfde plaats bleven ronddraaien, zooals ook wel voorkomt, nadat
het geijzeld heeft en het treinpersoneel zand of asch op de baan moet
strooien om verder te kunnen komen. Andere voorbeelden van de sterke
vermenigvuldiging dezer soort leveren de ontzaglijk groote zwermen van
Koolwitjes, die nu en dan waargenomen zijn. "Dit geschiedde," volgens
Ritzema Bos, "o.a. in het laatst van Augustus 1876. Op verschillende
plaatsen in ons land en ook daarbuiten (Ostende, Dantumawoude,
Groningen, Noord-Duitschland boven de Elbe) zag men kolossale
vlinderzwermen, alle uit Koolwitjes bestaande. Merkwaardig was het,
dat de vlucht, die men boven de Elbe waarnam, met groote snelheid
zich steeds boven de rivier, en wel stroomopwaarts, voortbewoog. Men
beweerde, dat deze vlucht over de Noordzee heen naar den Elbe-mond was
gekomen. Te Dantumawoude kwamen de Vlinders uit het O.N.O. en vlogen
voort naar het Z.W. Misschien zijn zij dus ook van over de Noordzee
daar gekomen. Het overtrekken van den zwerm, die, naar een ooggetuige
verzekerde, ongeveer een uur gaans breedte moet hebben gehad, begon
omstreeks den middag en duurde tot bijna 7 uur. Uit hoevele millioenen
Vlinders moet die zwerm niet hebben bestaan!--Van waar al die Vlinders
zijn gekomen?--Men weet het niet; zeker waren zij niet uit ons land
afkomstig, waar juist in 1876 de koolrupsen betrekkelijk zeer weinig
voorkwamen. Uit hetgeen boven werd medegedeeld, zou men afleiden, dat
zij ergens uit het noorden van Europa hierheen waren gekomen."--Op
welke wijze door Sluipwespen (Microgaster glomeratus, Pteromalus
puparum, Pimpla) de vermenigvuldiging van deze soort beperkt wordt,
werd vroeger vermeld.
Het Kleine Koolwitje of Knollenwitje (Pieris rapae) is een trouwe
begeleider van den zooeven besproken Vlinder en heeft zich sedert 1860
ook in Noord-Amerika gevestigd. Gemiddeld heeft het een vlucht van
50 mM. De kleur komt veel overeen met die van de vorige soort; het
zwart van de spits der voorvleugels is doffer en minder uitgestrekt;
de zwarte veeg aan den binnenrand ontbreekt meestal bij het wijfje;
daarentegen heeft het mannetje dikwijls een zwarte vlek op de
bovenzijde van denzelfden vleugel. De pop is gebouwd als bij de vorige
soort, groen of groenachtig grijs van kleur, zwart gestippeld en met
3 gele, meer of minder duidelijke, overlangsche lijnen geteekend. De
rups daarentegen is gemakkelijk te onderscheiden van die van het
Koolwitje. Zij is vuilgroen, door een dichte en korte beharing
eenigszins fluweelachtig; op den rug, zoowel als op iedere zijde,
komt een fijne, gele, overlangsche lijn voor, die soms afgebroken is;
de buitenste vergezelt de zwarte omlijste ademgaten.
Het Kleine Geaderde Witje (Pieris napi) is van de drie reeds genoemde
leden van zijn geslacht het zeldzaamste; toch komt het tamelijk veel
voor. In grootte komt deze soort met de vorige overeen; gemakkelijk
herkent men haar aan de zwart bestoven uiteinden van de aders aan
de bovenzijde der voorvleugels; de aders van de geelachtig witte
onderzijde en de achtervleugels zijn over haar geheele lengte op deze
wijze bestoven. Men vindt de rups op wilde kruisbloemige planten.
Een geheel andere levenswijze heeft het hiernevens afgebeelde Geaderde
Witje [Pieris (Aporia) crataegi]. In Juli verschijnt de zwak bestoven
Vlinder, kenbaar aan de zwarte aders en de ophooping van schubjes
van dezelfde kleur aan hare uiteinden. Het wijfje legt weldra hare
gele, fleschvormige eitjes in hoopjes van verschillende grootte op
bladen van pruime- en pereboomen en van den verwanten sleedoorn, veel
minder dikwijls waarschijnlijk op den hagedoorn. In den herfst komen
de rupsjes uit; deze gebruiken nu niet veel voedsel, maar spinnen
dadelijk een paar bladen aaneen en aan hun twijg vast, zoodat zij bij
het afvallen van het loof blijven zitten. Het als zijde glinsterend
spinsel dient tot rustplaats gedurende den winter. Als de boomen hunne
bladen verloren hebben, trekken deze "kleine rupsennesten" licht de
aandacht. Zoodra in 't volgende voorjaar de knoppen groen worden,
beginnen de rupsjes te eten en knagen weldra de bloemen weg, die zich
in hun nabijheid bevinden. Als de rupsen iets grooter geworden zijn,
verlaten zij haar gemeenschappelijke woning en verspreiden zich. De
volwassen rups is dik en glanzig, middelmatig sterk behaard, heeft
op den rug zwarte en roode, overlangsche strepen, die onderling
afwisselen, en vertoont aan den buik een aschgrauwe kleur. Tegen het
einde van Juni verpopt zij zich, meestal in de nabijheid van haar
laatste voederplaats; soms echter verlaat zij deze en gaat op andere
voorwerpen over. Na 12 à 14 dagen komt de Vlinder voor den dag en laat,
evenals de meeste leden zijner orde, onmiddellijk na de geboorte een
gekleurd vocht door de aarsopening ontwijken. Dit is bijna zoo rood als
bloed en heeft op plaatsen waar de genoemde Vlinders in grooten getale
voorkwamen, aanleiding gegeven tot het sprookje van den "bloedregen".
De Nederlandsche naam der onderfamilie, die de hoofdkleur aangeeft
van een groot aantal inheemsche en uitheemsche soorten, zou moeten
leiden tot de meening, dat al hare leden grootendeels wit zijn. In
den vreemde worden er echter gevonden, waarbij de witte kleur tot
een deel van de achtervleugels beperkt blijft. Andere, die, in
plaats van witte, gele of oranjekleurige vleugels hebben, behoeft
men niet in den vreemde te zoeken. De vrij algemeen voorkomende,
fraaie Peterselievlinder, ook wel het Peterseliebeestje genaamd
(Antocharis cardamines), heeft vóór de grijze spits op den overigens
witten voorvleugel een zeer groote, oranjekleurige vlek; dit geldt van
het mannetje. Bij het wijfje, dat men licht voor een Witje zou kunnen
houden, is de vurige vlek door een grijze middenstip vervangen. Bij
beide vertoont de onderzijde van den achtervleugel zeer sierlijke,
boomvormig vertakte, sapgroene teekeningen. De slanke, lichtgroene rups
heeft, behalve een onduidelijke, groenachtig witte streep op het midden
van den rug, een witte streep en zwarte stippels op de zijden. Zij
leeft op verscheidene op weilanden groeiende kruisbloemige planten,
o.a. op pinksterbloemen, torenkruid en look-zonder-look. De pop is
zeer eigenaardig; zij gelijkt op een smalle, eenigszins gekromde
weversspoel. Na de overwintering ontwijkt hieruit de fraaie Kapel,
waarvan ieder jaar slechts één generatie voorkomt.
De algemeen bekende Citroenvlinder (Rhodocera rhamni) verschilt door
den vorm zijner vleugels van de vorige Piëriden en heeft een andere
levenswijze. De voorvleugels hebben een uitgesneden achterrand en een
scherp, sikkelvormig gebogen uitsteeksel tusschen de 6e en de 7e ader;
aan de achtervleugels bevindt zich een spitse hoek aan 't einde van de
3e ader. Het mannetje is citroengeel, het wijfje groenachtig wit. Na
de overwintering zoekt het bevruchte wijfje den gewonen wegedoorn
(Rhamnus frangula) op, welks knoppen juist uitgesproten zijn, en
legt hierop eieren. De dofgroene rups heeft op iedere zijde een witte
streep, die van boven allengs in de grondkleur overgaat; zij voedt zich
met de bladen van den genoemden heester en verandert in een hoekige,
groene, op de zijden lichtgeel gestreepte en roodbruin gevlekte pop,
die stompkantig uitpuilende vleugelscheeden heeft. De Vlinder vliegt
in Juli en Augustus.
Andere Witjes (of "Geeltjes", zooals men ze wegens hun kleur eerder
zou noemen) kenmerken zich door een zilverkleurige of parelmoerachtige
vlek op de onderzijde van de achtervleugels. Deze vlek heeft den vorm
van een 8 en is met een roodbruinen rand omgeven bij den Oranjekapel
of Gouden Acht (Colias Hyale); het mannetje heeft zwavelgele vleugels,
het wijfje witachtige.--Een roestkleurigen rand heeft de zilverkleurige
8 bij den oranjegelen Hooivogel (Colias Edusa). Hier te lande komen
deze Vlinders niet dikwijls voor.
Een aantal groote en fraaie, inheemsche Dagvlinders onderscheiden
zich van de leden der beide vorige onderfamiliën door de geringere
ontwikkeling der voorste ledematen, die vervormd zijn tot zoogenaamde
poetspooten, zoo genaamd wegens hun verrichting, waarvoor zij de
geschiktheid ontleenen aan de lange beharing. Zij zijn korter dan
de voor 't loopen dienende pooten en dragen geen klauw; hun voet
is gebrekkig ontwikkeld, vooral bij 't mannetje, waar slechts één
langwerpig voetlid voorkomt. De hieraan kenbare Doornrupsvlinders
(Nymphalidae) ontleenen hun naam aan de uitwassen, die op de huid
der larven (doornrupsen) voorkomen. De pop hangt aan de staartspits
met den kop naar beneden. De vleugels van den Vlinder zijn dikwijls
getooid met prachtige, op goud en zilver gelijkende vlekken.
Algemeen bekend zijn de Paarlmoervlinders (Argynnis), die hun naam
danken aan den glans van de onderzijde der achtervleugels. Hier komen
verscheidene strepen of reeksen van vlekken voor; de bovenzijde
van de vleugels vertoont een zwarte, dambordvormige teekening op
oranjerooden grond, met vlekken, die op slecht geschreven cijfers
gelijken, achter den voorrand van den voorvleugel. Zij wonen in of bij
bosschen. Enkele soorten bezoeken, te gelijk met andere zomervlinders,
bloeiende heideplanten en de met roode thijm begroeide open plekken
in bosschen of op dorre vlakten. In den heeten zonneschijn fladderen
zij in zoo grooten getale om deze en andere honigbronnen, dat men
het klappen hunner vleugels kan hooren.
De grootste inheemsche Paarlmoervlinder is de bij ons zelden
voorkomende Keizersmantel (Argynnis paphia), die minstens 60 mM. vlucht
heeft. De oranjeroode vleugels hebben op het zoomveld 3 reeksen van
zwarte vlekken; de voorvleugel heeft op het wortelveld dicht bij
den voorrand een teekening, die meer of minder duidelijk het getal
1556 voorstelt--op den linkervleugel staan de cijfers natuurlijk in
omgekeerde volgorde. De groene onderzijde van den achtervleugel is
versierd met vier paarlmoerstrepen met violetten weerschijn, n.l. 2
korte, wigvormige in het wortelveld en 2, die zich van den voorrand
tot den achterrand uitstrekken, in het zoomveld. De geel gedoornde,
bruine rups, die op den rug een afgebroken, gele, bruin gezoomde,
overlangsche streep heeft, wordt vooral in vlakke, boschrijke streken
op viooltjes, brandnetels en braambessen gevonden.
De Aglaja-vlinder (Argynnis Aglaja) heeft 42 à 55 mM. vlucht en is het
best te herkennen aan de groenachtig gele spits van de onderzijde der
voorvleugels, waarop 6 zilveren stippels prijken; vier dwarsreeksen
van dergelijke stippels komen op de achtervleugels voor. De rups is
met vertakte, zwarte doornen bezet; zij heeft een gele rugstreep en
steenroode zijdevlekken op zwartachtigen grond. Terzelfder tijd als de
vorige ontmoet men haar op viooltjes, bij ons het meest op de heide,
langs spoordijken en vooral in de duinen.
De Weegbreevlinders (Melitaea), waarvan bij ons 3 soorten (Artemis,
Cinxia, Athalia) op droge zandgronden gevonden zijn, gelijken
veel op de vorige door de kleur en de teekening van de bovenzijde
der vleugels; daar aan de onderzijde de zilvervlekken ontbreken,
heeten deze vleugels "blind", evenals die van sommige variëteiten
van Paarlmoerkapellen. De rupsen dragen, in plaats van doornen,
bundels van haren; zij leven, evenals die van het vorige geslacht,
op kruiden, o.a. op verschillende soorten van weegbree. De kleine,
korte en dikke, van voren stompe poppen zijn wit, geel en zwart
gestreept, zonder metaalglans. De Vlinders vliegen bij voorkeur op
open plaatsen te midden van bosschen rond.
De Schoenlappers (Vanessa) behooren tot de meest bekende en verst
verbreide Vlinders; sommige soorten zijn wereldburgers. Vele inheemsche
trekken de aandacht zoowel door den hoekigen zoom als door de fraaie,
bonte kleuren van de bovenzijde der vleugels; de onderzijde is met
sombere kleuren als 't ware gemarmerd. De oogen zijn sterk behaard,
de eindleden der sprieten vormen, evenals bij de vorige geslachten, een
duidelijk begrensde knots, door vrij plotseling dikker te worden. Deze
Vlinders vliegen overal, zijn minder sterk dan de vorige aan het
verblijf in of bij bosschen gehecht. Alle soorten hebben in den
larvetoestand de huid met volkomen onschadelijke doornen bezet en
leven dan gedeeltelijk op lage planten, gedeeltelijk op boomen en
struiken. De poppen zijn hoekig, hebben een kielvormigen rug, twee
spitsen aan den kop en meestal metaalachtig glinsterende vlekken op
de huid.
Duidelijk getande voor- en achtervleugels en fraaie kleuren merkt
men op bij het Dagpauwoog, ook wel het Pauwoog genoemd (Vanessa
Io), welke Vlindersoort in sommige jaren bij ons zeer talrijk
is. De fluweelachtige, helder blauwroode vleugels prijken in de
nabijheid van het voorste hoekpunt ieder met een prachtige oogvlek;
deze bestaat op de achtervleugels uit bruinachtig zwarte, zwarte en
blauwe, op de voorvleugels bovendien uit gele kleuren. De lichte plek
aan den tamelijk donkeren voorrand van de voorvleugels heeft dezelfde
houtgele kleur als de buitenste ring van de oogvlek. De gedoornde rups
is glanzig zwart met fijne, witte stippels; zij leeft gezellig op de
groote brandnetel en op hop. Het wijfje overwintert. Waarschijnlijk
is één generatie regel; in gunstige omstandigheden komt echter ook
nog een tweede generatie tot ontwikkeling. De lichtbruine pop heeft
een goudkleurigen weerschijn en goudgele vlekken; de hoeken op den
rug vormen een caricatuur van een menschelijk aangezicht.
De statige Nommervlinder of Admiraalvlinder (Vanessa Atalanta)
is ongeveer even groot of iets grooter dan de vorige soort. De
achtervleugels zijn afgerond, de voorvleugels van een middelmatig
grooten tand voorzien; de kleur der bovenzijde is fluweelachtig
zwart. De voorvleugel prijkt met een vermiljoenrooden band, die
aan den voorrand, bij het einde van het wortelveld begint en zich
tot in de nabijheid van den binnenhoek uitstrekt; witte vlekken (2
groote en eenige kleinere) bevinden zich bij de spits. De achterrand
van den achtervleugel is eveneens vermiljoenrood; hij is tusschen
de aders met 4 zwarte stippels geteekend. Op de onderzijde van den
voorvleugel ziet men dezelfde teekening als op de bovenzijde, met
eenigszins doffere kleuren; de achtervleugel is met geelachtige tinten
woelig gemarmerd; bij den wortel staat met zwarte cijfers het getal 98
(89) te lezen. De bont gevlekte, gedoornde rups leeft eenzaam, losjes
ingesponnen tusschen brandnetelbladen. Ook bij deze soort overwintert
het wijfje. De Admiraal-vlinder is een wereldburger; hij is over geheel
Europa en Noord-Amerika verbreid en komt ook voor op den Himalaja en
het vasteland van Indië, op de Soenda-eilanden en op Nieuw-Zeeland.
De Distelvink (Vanessa cardui) heeft afgeronde achtervleugels en
een onbeduidenden tand aan den voorvleugel. Met uitzondering van
Zuid-Amerika, is hij over de geheele wereld verbreid. Als rups
leeft hij eenzaam tusschen saamgesponnen bladen van Distels, ook op
gekweekte Artisjokken; daar planten, die voor de ontwikkeling dezer
larve geschikt zijn, nagenoeg nergens ontbreken, ziet men den Vlinder
overal boven velden en wegen vliegen. De bovenzijde der vleugels is
rood (of oranje), zwart en wit gevlekt; de beide eerste kleuren hebben
de overhand en zijn nagenoeg even sterk vertegenwoordigd. In Juni
verschijnen de eerste Vlinders van het loopende jaar; deze brengen soms
nog een tweede generatie voort, welker bevruchte wijfjes overwinteren;
meestal echter komt slechts één generatie tot ontwikkeling, waarvan
eenige exemplaren den winter overleven. Ook de Distelvinken komen
enkele malen in groote menigte voor. Prevost zag in het laatst van
October 1827 in Frankrijk een zwerm van 10 à 15 voet breedte 2 uren
achtereen noordwaarts trekken.
De Koningsmantel (Vanessa Antiopa), de grootste inheemsche soort
(58 à 71 mM. vlucht), houdt zich bij voorkeur in bosschen op, daar
zijn rups het meest van berkenbladen houdt. Evenals de berk, is hij
over geheel Europa en Noord-Amerika verbreid. Door de vleugeltanden
komt hij met het Dagpauwoog overeen. Aan den breeden, lichtgelen
achterrand der fluweelachtig zwartbruine vleugels, herkent men hem
reeds op eenigen afstand. De daarvóór gelegen reeks van blauwe vlekken
wordt eerst bij nader onderzoek zichtbaar. Van Juli af vertoont hij
zich ook in de buurt van dorpen en steden, waar hij als rups bladen
van wilgen en populieren at. Na de overwintering zoekt het wijfje in
de genoemde boomen, welker knoppen dan juist beginnen te zwellen,
een tamelijk hoog gelegen plaats voor hare eieren. Zij legt ze bij
hoopjes en de rupsen leven eenigen tijd gezellig bijeen; in volwassen
toestand zijn zij donker blauwzwart met steenroode vlekken langs den
rug en hebben korte doornen over het geheele lichaam verspreid.
De vleugels van de Aurelia's zijn in vorm gelijk aan die der vorige
soort, maar oranjebruin van kleur met blauwe maanvlekjes in den zwarten
zoom. Bij de Groote Aurelia (Vanessa polychloros) zijn 5 kleine,
afgeronde, zwarte vlekken over de voorvleugels verstrooid; hun voorrand
is geteekend met 2 groote vlekken, die van den achtervleugel met één
groote vlek van dezelfde kleur. De geel gedoornde, zwartbruine rupsen,
hebben 3 gele, overlangsche strepen op den rug; zij leven gezellig
op kersen-, peren- en eenige andere boomen, welker twijgspitsen zij
kaal vreten. Zij ontstaan uit eieren van overwinterende wijfjes en
komen slechts éénmaal per jaar voor.
De vleugels van de Kleine Aurelia (Vanessa urticae) zijn iets lichter
bruin, meer geelrood, aan den wortel zwart, vooral de achterste;
de voorste hebben zwarte vlekken: 3 kleine op de schijf, 3 grootere,
vierhoekige aan den voorrand; de achterste vierhoekige vlek is van den
zoom gescheiden door een witachtige vlek. Deze Vlinders vliegen overal
en bijna gedurende het geheele jaar; zij leveren twee generaties van
zwarte, gedoornde rupsen, die gezellig leven op brandnetels en deze
dikwijls geheel kaal vreten. Men herkent ze aan de gele en geelachtig
groene, overlangsche strepen op de zijden. Ook de Kleine Aurelia
heeft men enkele malen in tallooze menigte zien trekken. Göbel zag
in Juli 1828 aan het meer van Neufchâtel een zwerm, die eerst na een
half uur voorbij was.
De eenige als pop overwinterende soort is de bij ons hoogst
zeldzame Tralievlinder (Vanessa levana), wiens beide variëteiten
Prorsa en Levana een voorbeeld leveren van "tweevormigheid", die
van het jaargetijde afhangt (seizoen-dimorphisme). De bruingele,
zwartgevlekte Wintervlinder Levana ontwikkelt zich uit de overwinterde
pop en legt eieren, waaruit de zwarte, met een witte streep over
de vier vleugels getooide Zomervlinders (Prorsa) ontstaan. Dezelfde
tweevormigheid heeft men nog bij eenige andere Europeesche Dagvlinders
waargenomen. Variëteiten die van het klimaat of van de plaatselijke
gesteldheid afhankelijk zijn, komen veel vaker voor.
De Morphiden (Morphidae), die voor 't meerendeel een aanmerkelijke
grootte bereiken, zijn karakteristieke bewoners van den Oost-Indischen
archipel en van tropisch Amerika. Reusachtige en prachtig gekleurde
leden van het typische geslacht Morpho, dat 40 soorten omvat en
tot Zuid-Amerika beperkt is, zweven gewoonlijk op vrij aanzienlijke
hoogte, meestal niet lager dan 6 M., boven open plekken en breede
wegen van de Braziliaansche wouden en maken een onvergetelijken
indruk op iederen bezoeker van deze gewesten. De groote Ridders
fladderen boven de straten der steden, vliegen in de tuinen rond en
komen zelfs door het openstaande venster in een met bloemen versierde
kamer. Minder gemeenzaamheid toonen de reusachtige Morpho's, die,
evenals de groote Papilio's, naar Trojaansche helden genoemd zijn: de
prachtig blauwe Menelaus, de niet minder fraai getooide Telemachus,
de door een dofblauwen dwarsband kenbare Hector, de zuiver witte
Laërtes, wiens achtervleugels aan de onderzijde met een dwarsstrook van
allersierlijkst mozaïekwerk prijken, ziet men bijna niet anders dan na
onweerregens op den grond verschijnen om hun dorst te lesschen. Alle
hebben een vlucht van 130 à 180 mM. (of meer) en vallen dus reeds op
vrij grooten afstand in 't oog; hun langzame beweging maakt, dat zij
meer nog dan de bontgekleurde tropische Vogels de aandacht trekken. De
schitterendste vertegenwoordiger van de geheele onderfamilie is het
blauwe, wit gevlekte mannetje van Morpho cypris, die Nieuw-Granada
bewoont.
De Zandoogen (Satyridae) vormen een soortenrijke onderfamilie, die
zich niet zoo zeer door den vorm der vleugels, als wel door hun kleur
en teekening en door eenige andere kenmerken duidelijk van de haar
verwante groepen onderscheidt en vooral in Europa vertegenwoordigd
schijnt te zijn. De meer of minder donkerbruine bovenzijde van de
vleugels is bij sommige bijna effen, bij de meeste echter geteekend
met ronde stippeltjes--"blinde" of gekernde oogvlekken--, die
soms in gering aantal, soms talrijker voorkomen; deze zijn in 't
laatstgenoemd geval altijd op een reeks dicht bij den zoom, dikwijls
ook, vooral bij de wijfjes, op de voorvleugels, in een lichter
gekleurde vlek geplaatst. De oogvlekken komen scherper en zuiverder
uit op de onderzijde van de vleugels dan op hun bovenzijde. Van de
voorvleugels stemmen beide zijden meestal overeen; de onderzijde
van de achtervleugels is grootendeels bruin gemarmerd. Bovendien is
bij alle Zandoogen het lichaam behaard. De meeste bereiken slechts
een middelmatige grootte. Sommige soorten komen uitsluitend in het
hooge noorden voor en onderscheiden zich door een lichtere grondkleur
en een opmerkelijk dun en doorzichtig schubbenkleed. Verscheidene
karakteristieke bewoners van de Alphen en andere hooge gebergten
behooren tot deze onderfamilie; sommige van de talrijke, in bergstreken
voorkomende soorten worden echter ook elders gevonden. Vooral op
weiden en andere met gras begroeide plaatsen treft men ze aan.
De rupsen van de Zandoogen loopen van achteren dunner uit en zijn
voorzien van 2 staartpuntjes; haar huid is glad of gerimpeld, zeer
duidelijk met fluweelachtige haren begroeid en met overlangsche strepen
geteekend, die lichter of donkerder zijn dan haar omgeving. Zij voeden
zich bijna uitsluitend met grassen en leiden een zeer verborgen leven,
daar zij 's nachts eten en over dag bij het onderste deel van hare
voederplanten op of in den grond verscholen liggen. De poppen zijn
bruinachtig van kleur en rusten los op den grond, in de bovenste
aardlaag of onder steenen; sommige echter zijn met de staartspits
aan het een of andere voorwerp bevestigd en hangen met den kop naar
beneden.
De Semele (Satyrus Semele) is een zeer schuwe, vlugge Vlinder,
die gedurende de maanden Juli en Augustus, vooral op dorre, zandige
terreinen, bij ons veelvuldig aangetroffen wordt. Zij zet zich gaarne
op een boomstam neer, maakt de oppervlakte van de vleugels, welker
bovenzijden aaneensluiten, zoo klein mogelijk door de voorste over
de achterste te schuiven, vliegt bliksemsnel weg om op een andere
plaats van denzelfden stam nogmaals zulk een houding aan te nemen en
herhaalt deze doellooze bezigheid 10- à 20-maal snel achtereen. In rust
liggen hare vleugels steeds tegen elkander aan en zijn ineengeschoven;
daar zij gedurende het vliegen zeer snel bewogen worden, krijgt men
hun bovenzijde in 't geheel niet te zien. Deze is bruin met een grijs
waas; in het zoomveld van den voorvleugel zijn 2 oogvlekken met fijne,
witte kern dicht achter elkander geplaatst; in den achtervleugel is
er één dicht bij den binnenhoek. De onderzijde van den voorvleugel
komt, wat teekening betreft, vrij wel met de bovenzijde overeen;
de achtervleugel is van onderen op zuiver grijzen grond donkerbruin
en zwart gemarmerd; zijn kleine oogvlek is slechts bij het wijfje
zichtbaar, bij het mannetje echter verdwenen. De vlucht van het wijfje
bedraagt gemiddeld 58 mM. De gladde grijze, aan den buik groenachtige
rups heeft 5 zwarte, overlangsche strepen, waarvan de middelste de
donkerste is, bij ieder ademgat een zwarte stip en 6 zwarte strepen
op den kop. Zij vreet gras, overwintert op tamelijk jeugdigen leeftijd
en is in Mei of Juni van 't volgende jaar volwassen; zij verpopt zich
dan even onder den grond of onder een steen.
Het Koevinkje (Epinephele hyperanthus) is een echte weidebewoner
en draagt een zeer eenvoudig kleed. Zijne van boven donkerbruine
vleugels hebben een witte franje en ieder 2 dicht bijeengelegen,
zwarte oogvlekken met fijnen, gelen ring en witte kern. De onderzijde
is grijsgeel en heeft, behalve de reeds genoemde, op den voorvleugel
een kleine, iets lager gelegen, derde oogvlek, op den achtervleugel
in het midden van den voorrand 2 vlekken, die samen een 8 vormen. Het
wijfje is grooter dan het mannetje en heeft 41 mM. vlucht. Van het
midden van Juni tot in Augustus is deze Vlinder op weiden overal te
vinden. Zijn rups vreet bij voorkeur hirsgras (Milium effusum), doch
ook andere grassoorten. Zij is in het midden het dikst, roodachtig
grijs, fluweelachtig behaard, heeft boven de grijze pooten een witte
en op den rug een bruine, overlangsche streep. Zij overwintert en
verandert in 't begin van Juni in een korte, kegelvormige pop.
Het Bruine Zandoogje (Epinephele Janira, fign. 5 en 6), een van onze
algemeenste en meest bekende Dagvlinders fladdert van Juni tot in
September op alle weiden rond. Tusschen de beide sekten bestaat
meer verschil dan bij menige andere soort. Bij het mannetje is
de bovenzijde donkerbruin, de voorvleugel aan den wortel en op het
middelveld tamelijk lang behaard en bij de spits voorzien van een oog,
dat slechts aan de geelroode, langs den rand bruinachtige onderzijde
een witte kern vertoont. De achtervleugel is van onderen grijsbruin
en vertoont langs de romp sporen van een witte streep. Deze is bij
het aanmerkelijk lichtere wijfje (fig. 5) duidelijker; bij haar
is de oogvlek op de bovenzijde van den voorvleugel met een roode
vlek omgeven en ook hier van een witte kern voorzien.--De groene of
geelachtig zwarte rups (fig. 6) heeft een witte, overlangsche streep
boven de pooten. Zij vreet verschillende grassen, vooral veldbeemdgras
(Poa pratensis) en komt in levenswijze met de vorige soort overeen.
De Argusvlinder (Pararge Megaera) gaat gaarne met half geopende
vleugel op leemmuren, op steile hellingen van dijken, holle wegen
of doorgravingen, in steengroeven of op den naakten grond zitten;
bij zijne rustplaatsen vliegt hij in den zonneschijn snel op en af,
kenbaar aan de slappe houding van zijne donker okergele vleugels,
die met bruingrijze, golvende lijnen en vlekken geteekend zijn; hoogst
zelden ziet men hem op bloemen. Tot verduidelijking van de afbeelding
moet nog gewezen worden op de geel gerande oogvlekken met fijne,
witte kern (de laatste is dubbel) en op de witte franjes tusschen
de aders; de onderzijde van de achtervleugels is geelachtig grijs,
donkerder gemarmerd.
Van de lente tot laat in den herfst ontwikkelen zich verscheidene
generaties van Argusvlinders. Naar het schijnt, overwinteren zij
soms in den imago-toestand; regel is dit echter voor de rups. Deze
leeft op allerlei zachtbladige grassen; haar fluweelachtig behaarde,
bleekgroene huid vertoont langs de zijden een witte, van voren allengs
verflauwende streep en op den rug 5 donkergroene, overlangsche strepen
met bleeken zoom. Zij verandert in een hangende pop van zwartachtig
groene kleur met 2 reeksen van lichte knobbeltjes op den rug.
De Lycaeniden (Lycaenidae) zijn kleine Dagvlinders van 20 à 40
mM. vlucht, met ovale, van boven en van onderen eenigszins hoekige
oogen, zwart en wit geringde, dunne sprieten, borstelig behaarde,
eenigszins opgewipte tasters met naakt eindlid en nagenoeg normaal
ontwikkelde voorpooten (de wijfjes althans). De rupsen zijn bijna
eirond en van onderen plat; zij hebben een kleinen, terugtrekbaren
kop en korte pootjes en veranderen in omgorde poppen.
Minder dan de andere Kleine Pages (Thecla) trekken de Kleine
Eiken-pages (Thecla quercus) de aandacht, daar zij nergens talrijk zijn
en niet dikwijls uit de hooge luchtlagen van het woud (of althans van
het kreupelhout) afdalen. Zij hebben 32.5 à 35 mM. vlucht. De vleugels
zijn aan de bovenzijde effen zwartbruin en bij een bepaalde wijze
van verlichting als met een violet waas bedekt. Aan het mannetje
komt de prijs der schoonheid toe, daar zijne voorvleugels aan
den wortel versierd zijn met twee prachtig hemelsblauwe vlekken;
deze zijn dicht bijeen geplaatst: de binnenste is langer dan de
buitenste. De onderzijde is glanzig zilvergrijs en heeft in het
zoomveld een witte, van binnen donker gezoomde streep, waarachter
eenige roodachtige vlekjes voorkomen. De slanke, met witte en zwarte
ringen getooide sprieten worden naar boven allengs dikker. De oogen
zijn behaard en door fijne, witte schubjes omgeven, de voorpooten bij
beide geslachten iets zwakker dan de overige. Deze fraaie Vlinders,
die in Europa alle landstreken bewonen, waar eiken groeien, vliegen
in Juni, nadat zij als pop den winter hebben doorleefd. De rupsen, die
uit hunne eieren komen, bereiken in den loop van den zomer haar volle
grootte, kruipen onder mos en gaan hier in den poptoestand over. Men
noemt ze schildrupsen, daar zij van boven bol, van onderen plat zijn
en ook door haar gedrongen lichaamsbouw op pissebedden gelijken.
Nog 5 andere soorten van Kleine Pages (Thecla betulae, spini, pruni,
rubi, ilicis) worden in Nederland gevonden en komen door het maaksel
van vleugels, sprieten, pooten en oogen, zoowel als door het leven dat
zij leiden op de door haar soortnaam aangeduide boomen of heesters
(berken, sleedoornen, pruimen, braambessen, eiken), met de reeds
beschrevene overeen.
Aan de vorige gelijk, wat vorm en grootte betreft, zijn de
Vuurvlindertjes (Polyommatus). Het mannetje van Polyommatus virgaureae
is de vurigste inheemsche Dagvlinder, niet wegens zijn aard, maar
wegens zijn kleur; zijne vleugels hebben aan de bovenzijde zwarte
randen, doch schitteren overigens als een goudlegeering met groot
kopergehalte; het wijfje daarentegen is met zwarte stippen als bezaaid,
althans op de achtervleugels; de stippen der voorvleugels vormen
op het zoomveld twee dwarse reeksen; bovendien staan er nog twee
naast elkander op het middelveld. De onderzijde is bij beide seksen
nagenoeg gelijk, n.l. dof geelrood en bezaaid met zwarte stipjes,
waarvan er 3 op een rechte lijn in de middelcel geplaatst zijn, welk
verschijnsel het geheele geslacht kenmerkt. De genoemde soort vliegt
in Juli en Augustus bedrijvig rond bij bloemen in bosschen en laat
zittend de bovenzijde van de vleugels zien. De groene, geelgestreepte
schildrups leeft op guldenroede (Solidago virgaurea) en zuring.
De Blauwtjes (Lycaena) heeten zoo wegens de fraaie, blauwe kleur van
de bovenzijde der vleugels; dit geldt echter alleen van de mannetjes;
bij de wijfjes heeft donkerbruin, waaraan soms een blauwe weerschijn
valt waar te nemen, de overhand en komen alleen aan den vleugelwortel
soms blauwe vlekken voor. De onderzijde is meer of minder sterk
bezet met zwarte stippels (blinde oogen) of met oogvlekken, die in de
nabijheid van den zoom reeksen vormen en niet zelden een glinsterende,
zilverkleurige kern hebben. De aanwezigheid van een blind oog op de
dwarsader van den voorvleugel is een der kenmerken van het geheele
geslacht. Het is in alle werelddeelen vertegenwoordigd en omvat
verscheidene honderden soorten. Hier te lande vindt men er 12. Al
deze vlindertjes vliegen in 't midden van den zomer bedrijvig rond
op bloemrijke weiden en velden, in bosschen en boven dorre heiden,
maar bewegen zich, naar het schijnt, niet over groote afstanden. De
rupsen hebben den vorm van schildrupsen en leven bijna alle op
vlinderbloemige planten. Een dwarse spleet op het midden van den rug
van den 10en ring, door Mr. A. Brants ontdekt, dient vermoedelijk
tot afscheiding van een zoet vocht, waarvan de Mieren gebruik maken.
De meest algemeene soort is bij ons het Stalkruidblauwtje (Lycaena
Icarus), die 27 à 38 mM. vlucht heeft, in Mei en van Juli tot September
vliegt en ieder jaar 2 (of 3) generaties voortbrengt. De bovenzijde
van beide vleugels is bij het mannetje licht paarsachtig hemelsblauw,
bij het wijfje donker zwartbruin en meer of minder blauw bestoven. De
onderzijde is bij het mannetje lichtgrijs, bij het wijfje donkerder,
meer bruinachtig grijs. De vlekken, die vooral bij het wijfje
voorkomen, zijn nog al onderhevig aan variatie. De bleekgroene,
zwartkoppige rups is kenbaar aan een donkerder groene streep met
witachtigen zoom over den rug, een geelachtig witte streep tusschen
de pooten en de ademgaten, benevens vier donkergroene banden tusschen
de beide genoemde strepen. Men vindt haar in Mei en nogmaals in Juli
op het gedoornde stalkruid (Ononis spinosa), welks bloemen zij bij
voorkeur eet.--De pop is grasgroen, op de vleugelscheeden, den kop
en het staarteinde geel.
Behalve aan het kenmerk, dat in hun naam ligt opgesloten, kan men
de Dikkoppen (Hesperidae) gemakkelijk van de andere Dagvlinders
onderscheiden aan den half opgeklapten stand der vleugels gedurende
het honigzuigen (geheel opgeslagen zijn zij in den toestand van
rust), voorts aan den zwarten haarlok op den wortel der sprieten; de
achterscheen draagt, behalve 1 paar sporen aan 't einde, ook nog 1 paar
sporen in 't midden. De plompe bouw van kop en romp en de geringere
grootte der vleugels gaan gepaard met een snelleren vleugelslag,
zoodat de wijze van vliegen eenigszins aan die der Nachtvlinders
herinnert. De rupsen zijn fijn en kort behaard; zij leven tusschen
losjes saamgesponnen bladen; hier is tevens de rustplaats van de pop,
die door een dun spinsel omgeven is. Ruim 1200 soorten van Dikkoppen
bewonen alle werelddeelen, doch vooral Zuid-Amerika. Men kent een
30-tal Europeesche soorten, die ongeveer de gemiddelde grootte van
de Lycaeniden bereiken, maar een meer gedrongen lichaamsbouw hebben;
hun kleur is eentonig.
Als voorbeeld moge dienen de Kommavlinder (Hesperia comma), die hier
te lande in Juli en Augustus, vooral op zonnige, zandige plaatsen in
dennenbosschen, vliegt, geheel Europa bewoont en in de gebergten zoo
hoog opstijgt, als de plantengroei reikt. Het mannetje en het wijfje
zijn beide bruingeel van boven en groenachtig geel van onderen, doch
verschillen overigens duidelijk. Het mannetje heeft voorvleugels
met donkerbruinen zoom, met 5 lichtere vlekken en met een zwarte,
scheef gerichte middelvlek, die door een als zilver glinsterende
streep overlangs verdeeld is en op het leesteeken gelijkt, waaraan de
soort haar naam ontleent. De achtervleugels hebben op hun donkeren
zoom lichte vlekken. Bij het wijfje strekt zich over beide vleugels
een reeks van lichte vlekken uit; die vooral op de achtervleugels
geelachtig wit zijn; de plaats van de zwarte kommavlek wordt bij
haar ingenomen door een aantal groene schubben.--De rups is groen,
op de zijden zwart gestippeld; zij leeft op verschillende planten,
doch vooral op de kroonwikke (Coronilla varia).
Zoowel door hun uitwendig voorkomen als door hun levenswijze
staan de Pijlstaarten, Sphinxen of Schemeringvlinders (Sphingidae,
Crepuscularia) tegenover de Dagvlinders. Het lichaam is dik en zwaar
en met een dicht kleed van schubben en haren bedekt; de vleugels zijn
van onderen krachtig geaderd, dikwijls ruig behaard, de voorste smal
en lang, de achterste, met deze vergeleken, afgerond en klein, van
voren met een vleugelhaakje uitgerust; het achterlijf is spoelvormig
en past volkomen op de borst. Aan deze kenmerken kan men de Sphinxen
reeds bij den eersten oogopslag onderscheiden van de Dagvlinders met
hun slank lichaam en sterk uitgebreide vleugels. Daar de tasters
kort en breed zijn, loopt de betrekkelijk kleine kop van voren in
een stompe spits uit; de bijoogen ontbreken. De sprieten zijn kort
en dik, op de dwarse doorsnede driehoekig, aan den wortel meestal
iets dunner dan verderop; zij eindigen in een haarfijne, haakvormig
naar achteren omgebogen spits. De roltong bereikt hier den hoogsten
trap van ontwikkeling en is soms dubbel zoo lang als het lichaam. De
middelrug en het achterlijf zijn bij de inheemsche soorten met glad
aanliggende haren bekleed.
Op enkele uitzonderingen na slapen deze Vlinders over dag rustig op
een veilige plaats in de schaduw en laten de eenigszins geopende,
horizontaal naar achteren gerichte vleugels los op het lichaam
rusten. De naar achteren gerichte sprieten zijn zoo dicht tegen de
vleugelwortels aangedrukt, dat men ze niet bemerkt. De oogen beginnen
bij den aanvang van de avondschemering te schitteren. Dan verlaten
de Sphingiden hunne schuilplaatsen, begeven zich naar de bloemen
en zoeken elkander op; men hoort ze in den regel, voordat men ze te
zien krijgt; met een sterk brommend geluid snorren zij door de lucht
en blijven af en toe gonzend zweven voor een bloem, waaruit zij met
hun lange roltong honig zuigen. Zoo traag zij er over dag uitzien,
zoo wild en onbesuisd zijn zij nu. Zonder verpoozing duurt hun snelle
vlucht, die hun den naam van Onrusten heeft verschaft, tot laat in
den avond.--De rupsen zijn zonder uitzondering kaal; haar langwerpig
lichaam loopt meestal naar voren een weinig dunner uit; het wordt
gesteund door 16 pooten en is op den rug van het voorlaatste segment
voorzien van een meer of minder langen hoorn, die aanleiding heeft
gegeven tot den naam van pijlstaartrupsen; dikwijls zijn zij met
fraaie kleuren of teekeningen versierd. Evenals de Vlinders, rusten
zij over dag, vastgeklemd aan de plant, die haar voedsel verschaft;
vele soorten houden 't voorste deel van 't lichaam opgeheven, de
kop en de voorpooten ingetrokken; in dezen stand worden zij met de
Egyptische Sphinx vergeleken, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot
den naam der familie. Geheel anders gedragen zij zich des nachts;
dan openbaart zich haar vraatzucht; de kaken van de rups bewegen
zich dan even vlug als de vleugels van den Vlinder. Van gezelligheid
vindt men bij de pijlstaartrups geen schijn. Als haar tijd gekomen is,
kruipt zij in den grond; in een holte met gladde wanden, doch zonder
eenig spinsel, verandert zij in een spoelvormige pop, die meestal
een donkere, soms echter een lichte kleur heeft. In den regel is
de winter noodig voor het voltooien van den ontwikkelingsgang; bij
uitzondering duurt deze verscheidene jaren; slechts bij enkele soorten
ontwikkelen zich 2 generaties in één jaar.--In Zuid-Amerika is deze
familie het sterkst, in Nieuw-Holland het zwakst vertegenwoordigd;
van hare ruim 400 soorten komen 35 in Europa voor.
De Doodshoofdvlinder (Acherontia Atropos) heeft, na de Mexicaansche
Acherontia Medor, een grootere massa dan eenig ander lid van zijn
orde. Hij heeft 100 à 134 mM. vlucht. Het 55 mM. lange lichaam is
zeer forsch gebouwd; het achterlijf, vooral bij het wijfje zeer dik
en plomp, kan 19.5 mM. breed worden.
Twee eigenaardigheden hebben dezen Vlinder een zekere beroemdheid
verschaft. Het borststuk, dat met een dichtharige, bruine vacht bekleed
is, draagt op den rug een okergele teekening, die veel gelijkt op
een doodshoofd, met twee gekruiste beenderen er onder. Voorts kan
de Vlinder een piepend of knarsend geluid laten hooren. De juiste
verklaring van dit verschijnsel is, volgens de onderzoekingen
van Dr. J. Th. Oudemans, door Maitland gegeven. "Het geluid wordt
voortgebracht door het uitstooten van lucht door den zuiger heen,
door middel van samentrekking van den pharynx" (of keelholte);
"legt men dezen bloot door verwijdering van het schedeldak, dan kan
men dit uitmuntend waarnemen; een opening in den pharynxwand gemaakt,
doet het vermogen om geluid voort te brengen, onmiddellijk verloren
gaan. De uitgestooten lucht brengt twee op stembanden gelijkende
en een soort stemspleet tusschen zich latende, inspringende plooien
aan den zuigerwortel in trilling en de zuiger doet vervolgens dienst
als orgelpijp; wordt hij verkort, dan vermindert de sterkte van het
geluid. De Vlinder maakt het geluid wel voornamelijk, indien hij
verontrust wordt, doch niet uitsluitend."
De kop en de rugzijde van het borststuk, die de hierboven bedoelde
gele teekening draagt, zijn bijna zwart, het achterlijf geel met
zwarte ringen en een breede, blauwgrijze, overlangsche streep op
het midden van den rug. De voorvleugels zijn donkerbruin, zwart
en eenigszins okergeel gewolkt, door twee geelachtige dwarsbanden
in de bekende 3 velden verdeeld; het middelveld heeft een witte,
zwart gezoomde stip. De okergele achtervleugels zijn getooid met
twee zwarte dwarsbanden; de buitenste is de breedste, bij de aders
uitgetakt, als 't ware uitvloeiend. In Nederland is deze Vlinder,
die, evenals de Oleanderpijlstaart, als een soort van "trekvogel"
moet worden beschouwd, doorgaans vrij zeldzaam, in sommige jaren
echter in den herfst overvloedig. Men ziet hem dan met dakvormig het
achterlijf bedekkende vleugels tegen een muur zitten, of 's avonds
in een woonkamer om het licht vliegen, waar zijn verschijning de
bewoners niet zelden met schrik en vrees vervult. De rups, die in
volwassen toestand 13 cM. lang is, vindt men in den regel in Juli en
Augustus op aardappelloof; op den voorlaatsten ring draagt zij een
S-vormig gebogen, als een staartje naar beneden hangend hoorntje. De
kleur varieert sterk; gewoonlijk is zij groenachtig geel, op alle
leden, behalve op de 3 eerste en het voorlaatste, dicht bezaaid
met zwartblauwe stipjes; ieder segment, te beginnen bij het vierde,
heeft op den rug een van voren geopende, winkelhaakvormige streep van
fraaie, blauwe kleur, naar onderen zwart geschaduwd. De volwassen rups
kruipt in den grond, maar komt hieruit soms 5 of 6 uur later weer te
voorschijn, of steekt althans den kop naar buiten en knaagt aan een
in de nabijheid liggend blad. Bij het aardappelenrooien vindt men
de glanzig zwartbruine pop, die een gat in den grond bewoont.--De
Doodshoofdvlinder komt in Mexico, geheel Afrika en op Java voor;
in Zuid Europa ontmoet men hem veelvuldiger dan in noordelijker
gewesten. Velerwege, o.a. in het Banaat en op Sicilië, heeft men hem
betrapt op het stelen van honig uit bijenkorven.
De Dennenpijlstaartvlinder (Sphinx pinastri) is het onaanzienlijkste
lid van deze familie, daar zijn kleur nagenoeg overeenstemt met die
van den dennenstam, waarop hij zit; overal waar deze boomsoort groeit,
vindt men hem. De bovenzijde van zijne slanke sprieten en de franje van
de vleugels zijn grijsachtig wit, de voorvleugels met eenige zwarte,
overlangsche streepjes geteekend. De zuiger is 40 mM. lang. Het wijfje
hecht hare bleekgroene eieren aan dennenaalden; na 10 à 14 dagen komen
de rupsen te voorschijn. Deze vervellen gemiddeld alle 10 dagen,
vreten de afgeworpen huid op, gelijk ook vele andere rupsen doen,
en verkrijgen mettertijd hare bonte, overlangsche strepen: geel,
groen en paars. Na de 4e vervelling is de rups volwassen; zij heeft
dan blauwe, gedeeltelijk zwarte dwarsplooien en de bovengenoemde
strepen hebben zich in meerdere of mindere mate in reeksen van
vlekken gesplitst. Wanneer men haar aanraakt, slaat zij woest met
het lichaam om zich heen, braakt een bruin vocht uit en tracht te
bijten. Ongeveer in de eerste helft van September kruipt zij in
den grond (als de voet van den boom door een laag mos omgeven is,
begeeft zij zich ook wel hieronder), gaat in den poptoestand over en
overwintert als pop. Deze is zwart en kenmerkt zich door een korte,
bij wijze van een neus uitpuilende zuigerscheede. Soms komen de rupsen
in zoo grooten getale voor, dat de dennen er groote schade door lijden.
In den zomer ziet men op de cypresbladige wolfsmelk (Euphorbia
cyparissias) een dikke, fraai geel getijgerde rups zitten, waaruit zich
de Wolfsmelkvlinder [Sphinx (Deilephila) euphorbiae] ontwikkelt. Zijne
lederkleurig gele, dikwijls rozerood bestoven voorvleugels zijn zoowel
aan den wortel, als achter het midden aan de voorzijde getooid met
een olijfgroene vlek, voorts met een wigvormige streep van dezelfde
kleur vóór den rooden zoom. De achtervleugels zijn deels licht,
deels donker rozerood, aan den wortel en vóór den zoom met een zwarte
streep geteekend, aan den binnenhoek wit. Wit zijn ook de zijden van
het borststuk en van het achterlijf.
Veelvuldiger ontmoet men bij ons den Olifantsvlinder, ook wel genoemd
het Avondrood [Sphinx (Deilephila) elpenor], wiens aanvankelijk groene,
later bruine of zwartbruine rups van Juli tot September te vinden is
op meekrap, walstroo (Galium), basterdwederik (Epilobium), kattestaart
(Lythrum) en Fuchsia. De Vlinder vliegt in Mei en Juni; hij heeft
olijfgroene voorvleugels met paarsroode strepen; de achtervleugels
zijn rozerood, aan den wortel zwart.
De Oleanderpijlstaart [Sphinx (Deilephila) nerii] is kleuriger en
vliegt vlugger dan alle andere Europeesche Schemeringvlinders. Zijn
eigenlijk vaderland is trouwens in Noord-Afrika en Klein-Azië gelegen;
van hier trekken vele exemplaren in den voorzomer (Juni) naar Europa,
bezoeken ook ons land en leggen eieren, welke nog vóór den winter
(van Juli tot September) in den vlinder-toestand overgaan. Het is
echter gebleken, dat de wijfjes, die in noordelijke landen geboren
worden, onvruchtbaar blijven. Volgens Dr. J. Th. Oudemans, moeten
exemplaren, die elders uit overwinterde poppen gekomen zijn, de soort
bij ons in stand houden; hetzelfde geldt van den Doodshoofdvlinder
en van den zeldzamen Phoenix of Grooten Wijnstokpijlstaart [Sphinx
(Deilephila) celeria]. De Oleanderpijlstaartrups is in volwassen
toestand 110 mM. lang; men vindt haar, soms in Juli, meestal
echter in Augustus, op oleander en maagdepalm (Vinca); zij vertoont
kleursverscheidenheden: van de eene is de grondkleur groen, van de
andere okergeel met bruinachtige, wolkige strepen. Aan weerszijden
van het 3e rompsegment komt een niervormige oogvlek voor: een witte
kern met zwartachtig blauwen zoom; daarachter begint een witte,
overlangsche streep. Ongeveer 24 uur voordat zij haar voederplant
verlaat, ondergaat haar kleur een belangrijke verandering. Zij verpopt
zich aan de oppervlakte onder mos en andere op den bodem liggende
voorwerpen, die zij door eenige draden aaneenvoegt. Na 4 à 6 weken
in den poptoestand verkeerd te hebben, komt de Vlinder, die 110 à 115
mM. vlucht heeft, voor den dag. Zijn grondkleur is helder grasgroen;
op de voorvleugels komen witachtige, rozeroode en paarse strepen
en vlekken voor; de wortel der achtervleugels is geteekend met een
breeden, violetten band; niet minder bonte kleuren vertoont de stam.
In Mei en Juni ziet men niet zelden aan populierenstammen langs groote
wegen witachtige of bruinachtige Vlinders, die men op eenigen afstand
voor droge bladen zou houden. Zij hangen aan de schors, daar zij zich
alleen met de voorpooten vasthouden. Het zijn Populierpijlstaarten
(Smerinthus populi), vertegenwoordigers van het geslacht der Gehakkelde
Pijlstaarten (Smerinthus), zoo genoemd wegens den bochtigen of
gehakkelden achterrand der vleugels. Deze zijn veel minder dan die
van andere Pijlstaarten voor een snelle vlucht geschikt. In den
rusttoestand bedekken zij het achterlijf niet, maar wel grootendeels
elkander; bij de genoemde soort steekt een stuk van den achtervleugel
voor den voorrand van den voorvleugel uit. Alle leden van dit
geslacht hebben een dunnen, korten, voor het gebruik ongeschikten
zuiger en blijven dus niet, gelijk de andere Sphingiden bij hunne
nachtelijke zwerftochten, voor een bloem zweven. De voorvleugels
zijn door 2 bruinroode, een weinig golvende, smalle strepen in 3
velden verdeeld; op het middelveld ziet men een wit maantje en een
bruinroode middenschaduw. De achtervleugels missen het vleugelhaakje,
zijn aan den voorsten hoek uitgesneden, aan den binnenrand bruinrood
wolkachtig gevlekt en hebben 2 strepen.--In den nazomer ziet men
geelgroene rupsen met een naar boven spits toeloopenden kop over
den weg kruipen; zij hebben een door kleine knobbeltjes ruwe huid
met witachtige, schuine streepen en een hoorntje, dat in een zwarte
spits eindigt. Weldra kruipen zij in den grond en veranderen in een
overwinterende, zwartbruine pop. Behalve op populieren, ontwikkelt haar
rups zich op wilgen, evenals de veel op haar gelijkende rups van den
Pauwoog-pijlstaartvlinder, gewoonlijk Avondpauwoog genoemd (Smerinthus
ocellatus), die zich door een groote, blauw en zwart gerande, donkere
oogvlek op de karmijnroode achtervleugels van alle andere inheemsche
Sphingiden gunstig onderscheidt. De derde inheemsche soort van dit
geslacht, even gewoon als de beide andere, de Linde-pijlstaartvlinder
(Smerinthus tiliae), is verschillend van kleur, de voorvleugels zijn
witachtig paars à okerbruin, soms groenachtig, de achtervleugels
okergeel, gedeeltelijk zwartachtig.
De Meekrapvlinder, veelal Onrust genoemd (Macroglossa stellatarum),
waarvan ieder jaar twee generaties voorkomen, is in Juni en Juli
en in September bij de meest verschillende bloemen te vinden. Door
de wijze van vliegen en door den vorm van het lichaam, dat in
een breeden staartpluim eindigt, herinnert hij aan een Vogel en
vormt een hoogst eigenaardige tegenstelling met de overige leden
zijner orde. Bliksemsnel verschijnt hij bij een bloem, blijft er
met snellen vleugelslag een oogenblik voor zweven, terwijl hij met
den langen zuiger de nectariën leegpompt en is even plotseling weer
verdwenen. Hij overwintert niet als pop, gelijk de overige leden der
familie, maar als imago, misschien ook als ei. De rups is meer of
minder donkergroen, soms roodbruin, bij 't naderen van den poptoestand
paars; zij heeft 8 reeksen van witachtige, uitpuilende parelvlekken en
4 witte, overlangsche strepen. Zij leeft op walstroo (Galium) en werd
vroeger, toen hier meekrap verbouwd werd, veel op deze plant gevonden.
Twee zeldzamere soorten van 't zelfde geslacht (Macroglossa
bombyliformis en M. fuciformis) worden Glasvleugelpijlstaarten genoemd,
omdat het middelste deel der vleugels de schubben spoedig weer verliest
en dan glashelder wordt, gelijk ook bij de Glasvlinders geschiedt.
De Houtboorders (Xylotropha) hebben slechts twee kenmerken met elkander
gemeen: sprieten, die spits eindigen, en twee sporen aan de binnenzijde
van de achterscheen; overigens wijken zij ver uiteen. Bij sommige
vindt men breede vleugels, welke aan die der Dagvlinders herinneren,
bij andere komt de smalle vleugelvorm der Sphingiden voor, nog andere
vertoonen den tusschen beide gelegen vorm der Spinners. De rolronde of
platgedrukte, schraal behaarde, 16-pootige rupsen leven in haar jeugd
onder de schors van houtige planten, dringen, als zij grooter worden,
dieper in den stam door en knagen gangen in het hout of tusschen
het hout en de schors. Daar zij onttrokken zijn aan den invloed van
't zonlicht, komen heldere kleuren bij haar in 't geheel niet voor;
de meeste hebben het lichte, ivoorkleurige gewaad, waardoor de andere
op deze wijze levende insectenlarven zich kenmerken. De borende
rupsen hebben meer tijd noodig voor haar ontwikkeling dan de andere:
in den regel overwinteren zij éénmaal, sommige zelfs tweemaal. Vele
vervaardigen, als zij volwassen zijn, een gesloten huisje van de haar
omgevende spanen, andere verpoppen zich vrij, nadat zij een deel van
haar gang eenigszins verwijd hebben. Bovendien is de pop op zulk een
wijze gebouwd, dat zij met een scherpe spits aan den kop boren en
met kransen van borstels aan hare rompsegmenten zich door kromming
van het lichaam verplaatsen kan, zoodra haar ontwikkeling zoover is
voortgeschreden, dat zij aan den drang naar vrijheid gevolg moet geven.
De Glasvlinders (Sesiina) stemmen o.a. door den vorm van 't lichaam
en het maaksel der sprieten, alsmede door het vleugelhaakje aan
de achtervleugels met de Sphingiden overeen, van welke zij echter
duidelijk verschillen door hun levenswijze, het bezit van twee bijoogen
op de kruin en het ontbreken van schubben op de vleugels: de achterste
zijn geheel glashelder, de smalle voorvleugels meestal zeer onvolledig
geschubd. Van deze bijzonder fraaie Vlinders zijn ongeveer 60
Europeesche soorten bekend, waarbij een tiental inheemsche; bovendien
heeft men er een groot aantal in Amerika gevonden. Ongetwijfeld komen
zij ook in de overige werelddeelen voor; aan het opsporen van deze
Insecten zijn echter eigenaardige bezwaren verbonden. Wanneer men,
bekend met den ontwikkelingstijd van een soort en met de plant, waarin
zij als larve verblijf houdt, er voor zorgt ter rechter tijd op de
juiste plaats te zijn, zal men een rijken oogst kunnen verkrijgen;
daarentegen zal ieder, die met deze omstandigheden onbekend is, jaren
lang met den grootst mogelijken ijver kunnen zoeken, voordat hij
bij toeval een enkel exemplaar ontdekt. Behalve de zwarte, met gele
lijntjes geteekende Mugvlinder (Sesia tipuliformis)--wiens rups in de
takken van aalbessenstruiken leeft en die zelf in aalbessentuinen in
Mei en Juni bij zonneschijn veelvuldig vliegend wordt waargenomen--,
krijgt men bij ons het meest den Horzelvlinder (Trochilium apiforme)
te zien. Bij de afbeelding moet opgemerkt worden, dat de lichte plekken
op het lichaam goudgeel, de donkere, evenals ook de sprieten, bruin
à zwartbruin, de aders en de franjes van alle vleugels, de voorrand
van de voorvleugels en de pooten roestgeel (bronskleurig) zijn. De
Vlinder vertoont zich van het laatst van Mei tot in het einde van Juli
en maakt bij 't vliegen een duidelijk hoorbaar, gonzend geluid, dat
de herinnering aan een Horzelwesp, die door zijn lichaamsbouw gewekt
wordt, nog versterkt. De rups boort gangen in het onderste gedeelte
van den stam van jonge populieren, bij voorkeur op gelijke hoogte
met den bodem, doch ook wel lager. In Juni en in het begin van Juli
worden de eieren gelegd tusschen de schubben van de schors; in Maart
van het volgende jaar vindt men in het hout de volwassen rups. Vóór
den winter omgeeft zij zich met een cocon van saamgesponnen houtvezels,
doch verpopt zich eerst in het voorjaar. De poptoestand duurt slechts
3 weken. De cocons van de rupsen, die in de onderaardsche deelen
van den stengel leefden, worden ook wel in den grond dicht bij de
oppervlakte aangetroffen.
Tot de Spinners naderen (althans wat de eigenschappen der Vlinders
betreft) de plomp gebouwde Cossinen (Cossina); zijn hebben onbehaarde
oogen, sprieten, die een baard, kamtanden of zaagtanden dragen, geen of
een onbruikbaren zuiger, groote voor- en veel kleinere achtervleugels,
beide dicht beschubd en in den rusttoestand daksgewijs het achterlijf
bedekkend.
De Wilgenhoutvlinder (Cossus ligniperda, fig. B) komt als larve het
meest voor in den boom waaraan hij zijn naam ontleent, doch ook in de
vruchtboomen, ijpen, populieren, elzen, eiken en linden, waarop het
tamelijk trage wijfje zich toevallig bevond gedurende den tijd van
't eieren leggen. In den regel wordt iedere boom slechts door één
of eenige weinige van deze rupsen bewoond, bij uitzondering echter
door een groot aantal. In een plantsoen bij Göttingen hakte men in
December 1836 drie treurwilgen om, welker stam een middellijn had
van bijna 3 dM.; in deze boomen vond men bij het kloven van het hout
100 rupsen. De rups groeit zeer langzaam, daar in het hout slechts
weinig voedingstoffen voorkomen; voordat zij volwassen (90 mM. en
20 mM. breed) is, moeten minstens 2 jaar verloopen. Daar zij zoowel
in gaaf als in vermolmd hout gangen knaagt, heeft de natuur haar
met zeer krachtige kaken en met een goed ontwikkeld spierstelsel
uitgerust. Pieter Lyonet (geboren te Maastricht in 1707, overleden in
den Haag 1789), wiens uitvoerige verhandeling over den anatomischen
bouw van de genoemde rups als een meesterstuk wordt geroemd, heeft
in haar lichaam niet minder dan 4041 spieren aangetoond. Bovendien
maakt zij bij haar arbeid gebruik van een naar azijnzuur riekend,
bijtend sap, dat zij den mensch, die haar al te onbescheiden nadert,
in 't gelaat spuwt. De rozenroode kleur van de jonge larve maakt
op lateren leeftijd plaats voor "bessensapkleur" op de zijden,
aan den buik en in de geledingsgroeven, terwijl de rugschilden der
segmenten een bruine kleur aannemen, de kop zwart wordt en op het
halsschild zwarte vlekken ontstaan. Nog later worden de roode deelen
geelachtig, welke kleur kort voor den overgang in den poptoestand de
overhand verkrijgt. De rups bevindt zich dan dicht bij het uiteinde
van de gang, die zij tot aan de oppervlakte van den stam voortgezet
en met een prop van houtknaagsel gesloten heeft. Zij spint hier een
dikke laag houtdeeltjes tot een cocon aaneen, tenzij het haar beter
voorkomt den boom te verlaten en onder den eersten den besten steen een
schuilplaats te zoeken, waarin zij hare laatste gedaantewisselingen
ondergaat. Naar het schijnt, verlaat de Vlinder de pophuid tegen
het invallen van den nacht; in de omgeving van zijn geboorteplaats
rondfladderend, wijdt hij het aangevangen tijdperk van vrijheid in,
dat echter door zijn korten duur hem slechts een schrale vergoeding
verschaft voor het langdurig verblijf in duistere gangen. Over dag zit
hij tegen een boomstam aan en is bijna niet te onderscheiden van de
schors. De eenige dan zichtbare lichaamsdeelen, de voorvleugels en een
deel van de rugzijde van het borststuk, zijn met tallooze gekronkelde
lijnen en vlekken, in alle tinten van bruin, grijs en zwart, fijn
gemarmerd; de kruin en de halskraag hebben een geelachtig grijze
kleur; de achtervleugels zijn bruingrijs, bij den zoom onduidelijk
donkerder. Het achterlijf is grijs met witachtige ringen en eindigt
bij het wijfje in een uitstulpbare legbuis, waarmede de eieren diep
in spleten van de schors worden gelegd.
Bij de Hepialinen (Hepialina) vertoont de wijze van vertakking der
vleugeladers nog overeenkomst met die, welke bij de Vlinders in
't algemeen gedurende den poptoestand wordt opgemerkt. Een aan den
vleugelwortel ontspringende ader doorsnijdt bij hen (ook bij de
Cossinen) de middelcel en levert door haar verdeeling de takken,
die bij de meeste volwassen Vlinders schijnbaar wortelloos uit de
dwarsader ontspringen. Het aderstelsel van de voorvleugels gelijkt
meer dan gewoonlijk op dat der achtervleugels. De sprieten en
de liptasters zijn zeer kort, de oogen klein en naakt; de zuiger
is onbruikbaar. De vleugels zijn langwerpig en spits, de voor- en
achtervleugels nagenoeg even lang, hunne aanhechtingsplaatsen verder
van elkander verwijderd dan bij de overige Vlinders. De Hepialinen
gelijken hierdoor op Kokerjuffers. Een van de 4 inheemsche soorten is
de Hopvlinder (Hepialus humuli), wiens ivoorkleurige, zwart gestippelde
en zwartkoppige rups aan de onderaardsche deelen van hopplanten knaagt
en zich in een holte in den grond verpopt.
Bij de 3 onderfamiliën der Houtboorders was, zoo niet tusschen de
Vlinders, dan toch tusschen de larven en de poppen overeenstemming op
te merken; de 3 groepen (Zygaeniden, Syntomiden en Lithosiden), die tot
de familie der Chelonariën (Chelonariae) worden samengevoegd, wijken
ook in dit opzicht uiteen. In de meeste boeken worden de Zygaeniden
(eigenlijk alleen wegens het overeenstemmend maaksel der sprieten)
tot de Sphingiden gerekend, de beide andere groepen met de Spinners
vereenigd, waaraan zij werkelijk zeer nauw verwant zijn. Wanneer men
echter ook op de talrijke uitheemsche soorten let, merkt men een zoo
onmerkbaren overgang van de eene groep tot de andere op, dat er geen
bezwaar tegen de samenvoeging kan bestaan. Bovendien vertoonen bijna
al deze Vlinders een eigenaardigheid, die aan een nauwe verwantschap
doet denken. Wanneer men ze tusschen de vingers houdt, nemen zij door
het laten verslappen van de sprieten en pooten het voorkomen aan van
dood te zijn en werpen door de geledingsvliezen van beide soorten van
organen drupjes van een geel, dik vocht uit, dat ook uit de wonde van
het borststuk ontwijkt, zoodra dit met een naald wordt doorstoken. Voor
't overige stemmen de Chelonariën overeen door het bezit van een
bruikbaren zuiger, doordat bijoogen in den regel aanwezig zijn, door
het glad aanliggende haarkleed en de daksgewijze houding der rustende
vleugels, welke organen meestal met heldere kleuren prijken en door een
vleugelhaakje verbonden zijn. De 16-pootige rupsen zijn nimmer naakt,
bij vele soorten zelfs zeer sterk behaard. De poppen rusten zoomin
in den grond als in plantendeelen, maar boven den grond in een cocon,
waarvan het maaksel zeer verschillend kan zijn.
In de houding, waarvan de afbeelding (fig. 5) een voorstelling geeft,
ziet men van het midden van Juni tot in Augustus op verschillende
bloemen van het woud Vlinders zitten, die door hun dik achterlijf,
fraaie roode achtervleugels en roode vlekken op de metaalachtig
groene of blauwzwarte voorvleugels de aandacht trekken. Op donkere
dagen zitten zij hier stil en droomerig; bij zonnig weer zuigen zij
ijverig, soms met hun drieën of vieren te gelijk op één bloemhoofdje,
om, als hier niets meer te bikken valt, op plompe wijze weg te vliegen
en elders hun geluk te beproeven. Men zou deze fraaie Vlindertjes, in
navolging van de Duitschers, wegens de eenigszins gekromde sprieten,
Ramshoornkapellen of, wegens de roode vlekken op de voorvleugels,
Bloedvlekjes (Zygaena) kunnen noemen. Alle komen overeen door het bezit
van een sterk ontwikkelden zuiger, van 2 sporen aan de achterscheen,
van 2 binnenrandaders in de stomp toegespitste voorvleugels en van
3 in de breedere en spitsere, roode achtervleugels en van ongetande,
betrekkelijk lange, vóór de spits sterk gezwollen sprieten.
De Sint-Janskapel (Zygaena filipendula), die in fig. 5 op een
Scabiosa zittend is voorgesteld, heeft 6 karmijnroode vlekjes van
gelijke grootte op de blauwachtig groene voorvleugels; men ontmoet
echter bij uitzondering ook exemplaren, waar het rood op de vóór- en
achtervleugels door koffiebruin vervangen is (Zygaena chrysanthemi). De
rups zien wij in fig. 6 op een weegbreeblad zitten; aan deze en
dergelijke laag groeiende planten, zooals vergeet-mij-nietjes en
leeuwentand, ontleent zij haar voedsel. Zij overwintert, blijft in de
volgende lente nog eenige weken eten, kruipt in den voorzomer bij een
stengel op en spint zich hier in; de cocon ziet er uit, alsof zij uit
sterk goed gelijmd papier vervaardigd is en heeft den vorm van een
gerstkorrel, die met de rechte zijde tegen den stengel is bevestigd.
De Phegea (Syntomis Phegea, fig. 7) is blauwzwart met witte vlekjes
op de vleugels en een goudgelen dwarsband op het achterlijf; zij
gelijkt op 't eerste gezicht veel op de leden van het vorige geslacht,
maar verschilt er toch in sommige opzichten aanmerkelijk van. Haar
ontbreken n.l. de bijoogen; de slanke sprieten zijn bij den top niet
verdikt en iedere vleugel heeft slechts één binnenrandsader. Dit bij
ons zeldzaam voorkomend, fraai vlindertje heeft dezelfde levenswijze
als de Zygaena's. De rups overwintert, voedt zich met korstmossen,
die op boomen groeien, en is bij wijze van een borstel dicht bedekt
met grijze haren, die zij, wanneer de tijd om van gedaante te wisselen
gekomen is, tot een los spinsel samenvoegt, waarin de bruine, van
voren en van achteren stomp eindigende pop slechts weinige weken rust.
De "Beerrupsen" hebben op alle segmenten lang behaarde wratten;
door deze haren, welker lengte soms eenige malen grooter is dan de
middellijn van 't lichaam, zijn zij beveiligd tegen vele insectenetende
Vogels. Van Augustus af en na haar overwintering tot in Mei ontmoet men
hier te lande zeer dikwijls de larven van den Grooten Beerrupsvlinder
(Arctia caja, fign. 1-4); deze eten bladen van allerlei planten,
kruiden zoowel als struiken, vooral echter brandnetels. Tusschen
de lange haren, die bij de volwassen rups van blauwachtig witte
wratten uitstralen, schemert de zwarte huid ternauwernood door;
op het midden van den rug zijn de haren zwart met witte spits, op
de zijden en de 3 eerste ringen bruinrood. De volwassen rups spint
hare lange haren aaneen tot een lossen cocon, waarin de blauwzwarte,
korte en dikke, van achteren stomp eindigende pop slechts weinige
weken vertoeft. De Vlinder is getooid met heldere kleuren; de
kop, de rug van het borststuk en de wit gemarmerde voorvleugels
zijn fluweelachtig roodbruin; het achterlijf heeft een zwarte
dwarsstreep op ieder rugschild en is overigens vermiljoenrood,
evenals de blauwzwart gevlekte achtervleugels. Hij houdt zich over
dag verborgen en vliegt in de warme nachten van Juli en Augustus rond;
de groene eieren worden in groepjes gelegd op verschillende planten,
o.a. op wilgen. Eenige verwante soorten vliegen ook wel, terwijl de
zon schijnt, o.a. de bij ons zeldzame Jonkvrouw (Callimorpha dominula)
en de prachtige Purperbeer (Arctia purpurea), die zuidelijker streken
bewoont. Zelfs zijn er, die in den regel over dag vliegen, o.a. de Hera
(Callimorpha Hera).
De nu nog overige, diklijvige, breed gevleugelde Vlinders, welker
sprieten het onderscheiden der mannetjes gemakkelijk maken (daar
zij bij deze door het sterk zijwaarts uitgroeien der leden duidelijk
kamvormig zijn), rekenen wij tot de familie der Spinners (Bombycidae),
die in rijkdom aan soorten bij geen der vorige achterstaat en deze
door overeenstemming van lichaamsbouw overtreft. De Spinners zijn
voor 't meerendeel middelmatig, sommige echter buitengewoon groot; de
meeste hebben vleugels van een sombere, bleeke en wolkachtige kleur;
zij missen de bijoogen; zeer algemeen bestaat er tusschen de beide
seksen een in 't oogvallend verschil in grootte. De sprieten zijn bij
de wijfjes soms borstelvormig, soms van zaagtanden of korte kamtanden
voorzien, de mannetjes hebben buitengewoon lange, niet zelden zeer
ruige kamtanden. In rust hebben de breede vleugels in den regel een
daksgewijzen stand. Hoewel dicht en wollig behaard, is het lichaam van
het mannetje dikwijls slank in vergelijking met dat van het wijfje,
die een aanmerkelijk grooter, met talrijke eieren gevuld achterlijf
heeft. In verband hiermede zijn de mannetjes beweeglijker en beter
geschikt voor het vliegen dan de wijfjes, die zich meestal niet ver van
haar geboorteplaats verwijderen; sommige kunnen dit zelfs niet, daar
de vleugels onvolkomen ontwikkeld zijn. Wegens haar plompheid leggen
zij gewoonlijk de eieren dicht opeengedrongen in hoopjes, waaruit
voortvloeit, dat de rupsen tot groote troepen vereenigd blijven en
voorzoover zij op gekweekte boomen haar voedsel zoeken, in boomgaarden
en bosschen een zeer groote schade kunnen aanrichten. Hoe zeer zij
overigens verschillen mogen, in één opzicht stemmen alle overeen:
vóór den overgang in den poptoestand vervaardigen zij een spinsel,
dat aan het een of ander voorwerp wordt vastgehecht. Hieraan ontleent
de familie haar naam.
Evenals Ornithoptera en Morpho van de familie der Dagvlinders, Sphinx
van de Pijlstaarten, is het geslacht der Nachtpauwoogen (Saturnia)
de trots van de familie der Spinners en zelfs van de geheele orde. Tot
zijne leden behooren de grootste van alle Vlinders; bovendien hebben
hunne kolossale vleugels een sierlijken vorm en zijn in het midden
met een "venster" of met een prachtige, groote oogvlek versierd. De
grootste van alle Vlinders is de Atlas (Saturnia Atlas), die China en
den Oost-Indischen archipel bewoont. Wanneer men hem op dit boek legde,
zouden zijne uitgespreide vleugels van het begin van een regel op deze
bladzijde tot het einde van een regel op de volgende bladzijde reiken;
zijn lichaam is echter niet langer dan 37 mM.