haar lichaam betreft, de grootste van alle inheemsche Graafwespen;
want, hoewel haar lengte slechts 15 à 17.5 mM. bedraagt, is zij 6.5
mM. breed. Door haar zeer krachtig gegons en door de gewoonte om in
kringvormige, op en neer golvende banen te vliegen om de plaatsen,
waar zij in den grond nestelt, maakt zij den indruk van wildheid.
De Bonte Bijenwolf (Philanthus triangulum) is een booze klant, die
wegens zijne moordzuchtige aanslagen op de Bijen door de imkers zeer
gehaat wordt. Bij voorkeur voorziet de "wolvin" hare larve van Gewone
Bijen, ook wel van Zandbijen: 4 à 6 exemplaren voor ieder ei. Koen
en behendig schiet zij als een Valk van boven neer op haar niets
kwaads vermoedend slachtoffer, dat, ijverig bezig met stuifmeel te
vergaren, eensklaps met den roover op den grond tuimelt en reeds
door een steek met lamheid is geslagen, voordat het tegenweer kan
bieden. Met den buit tusschen de pooten en tegen de borst gedrukt,
vliegt de "wolvin" nu naar het hol, dat zij in de buurt van andere
roofnesten en van de woningen der honiggarende Bijen voor haar larve
gegraven heeft. Het is een (soms wel 31.5 cM. lange) gang, waarvan het
achterste, wijdere gedeelte als rustplaats voor de pop zal dienen. Het
nest wordt gesloten, zoodra de moeder er het noodige aantal Bijen en
bovendien een ei in heeft gebracht. Voor ieder ei moet zij een nieuwe
gang graven. In Juni van het volgende jaar komen de jonge Bijenwolven
uit den grond. De lengte van deze breedkoppige dieren wisselt af van
9 tot 16 mM. Ook de gele teekeningen varieeren sterk; dikwijls heeft
op het lancetvormige achterlijf het geel zoo sterk de overhand, dat
van de zwarte grondkleur slechts zwarte driehoeken aan de voorzijde
van de meeste rugschilden overblijven.
Tot de naaste verwanten van de Bijenwolven behoort het geslacht der
Knoopwespen (Cerceris), dat meer dan 100 soorten omvat, die over de
geheele wereld verbreid zijn. Bij haar is het eerste achterlijfssegment
knoopvormig; ook de overige leden zijn in de gewrichten op duidelijk
merkbare wijze ingesnoerd, zoodat men deze Insecten aan den vorm van
het achterlijf bij den eersten aanblik herkennen kan. De grootste
inheemsche soort is de 8 à 14 mM. lange Snuittordooder (Cerceris
arenaria). Het fijn behaarde lichaam is zwart van kleur; het achterlijf
van het wijfje heeft 4, dat van het mannetje 4 à 5 smalle, gele
dwarsbanden; de eerste achterlijfsring, die bij het mannetje effen
zwart is, heeft bij het wijfje 2 gele vlekken; bovendien heeft zij
5 gele vlekken op den kop en 7 op het borststuk. In Gelderland vindt
men deze soort hier en daar veel op paden in zandstreken, waar haar
aanwezigheid blijkt uit talrijke gaatjes, die toegang verleenen tot
nesten, waarin zij Snuittorren brengt, die vooraf schijndood gemaakt
zijn en tot voedsel dienen voor hare larven.
De Gestreepte Zeefwesp (Crabro striatus) heet zoo, omdat bij deze
en eenige andere soorten van het soortenrijke geslacht Crabro het
mannetje zich door een schelpvormig verbreede voorscheen onderscheidt,
die men wegens de fijne, doorschijnende putjes, welke er op voorkomen,
met een zeef vergeleken heeft. Zij nestelt soms in gangen, die door
Houtkevers verlaten zijn, soms in den grond en schijnt bij voorkeur
Vliegen te vangen voor hare larven.
Ten slotte zij nog de Gewone Spieswesp (Oxybelus uniglumis)
vermeld. Deze 4 à 7.5 mM. lange, in Nederland vrij algemeene soort is
zwart, heeft op de zijden van het achterlijf veranderlijke, ivoorwitte
vlekken: het mannetje op de segmenten 1-4, het wijfje op de ringen 2-5
(de vlekken van het 5e segment vereenigen zich soms tot een band);
de bovenkaken zijn zwart, de scheen en de voet rood.
Het bevruchte wijfje graaft op zonnige plaatsen 5 à 9 mM. lange gangen
in zandgrond, voor iedere larve één; zij begint dezen arbeid in Mei en
gaat hiermede voort tot in het laatst van den zomer. Hoewel zij vóór
het aanvangen van den rooftocht, die het noodige voedsel voor de larve
moet opleveren, ieder nest zorgvuldig sluit, gaat de ontwikkeling van
haar kroost niet altijd naar wensch. Een kleine Vlieg (Miltogramma
conica) slaagt er niet zelden in een ei te leggen in het nest van
Oxybelus, wiens larve door de vreemde indringster verslonden wordt.
De Goudwespen (Chrysidae) vormen een scherp begrensde familie, welke
niet licht met een andere verward zal worden; zij omvat kleine of
hoogstens middelmatig groote Vliesvleugeligen, die in ons gematigd
klimaat met niet minder prachtige en misschien zelfs met nog bontere
kleuren prijken, dan in warmere gewesten, waar hun aantal niet grooter,
hun grootte echter iets aanzienlijker schijnt te zijn. Metaalachtig
glinstert het goudgele, vuurroode, donkerblauwe of groenachtige
lichaam; zelden vertoont het slechts één, meestal verscheidene van
deze kleuren; zwart komt slechts in enkele gevallen, wit of een lichte,
niet metaalachtige kleur nooit voor. Het achterlijf bestaat uit 3 of 4,
in den regel aan de buikzijde uitgeholde leden. Van deze uitholling der
buikzijde trekken de Goudwespen partij, wanneer zij geen ander middel
weten om aan een vijandelijken aanval te ontkomen: evenals de Egel,
vele Gordeldieren en sommige Pissebedden, rollen zij haar lichamen tot
een bol ineen. De 4 laatste achterlijfssegmenten van het wijfje vormen
de zoogenaamde "legbuis", die gewoonlijk binnenwaarts geschoven en
verborgen is, maar bij wijze van een verrekijker uitgestoken en sterk
verlengd kan worden, gelijk bij het eierleggen geschiedt. Het borststuk
is nagenoeg vierzijdig van omtrek; de scherpe achterhoeken puilen
min of meer doornvormig uit. De kop is breeder dan lang; hij draagt,
behalve 2 eironde, samengestelde, op de kruin 3 enkelvoudige oogen,
voorts gebogen sprieten, die dicht bij elkander en bij de mond zijn
aangehecht. De sprieten zijn zelden in rust, maar worden steeds met
spiraalvormig gekromde zweep tastend heen en weer bewogen. Gedurende
den zomer, vooral in Juli en Augustus, ziet men de Goudwespen op
bloemen, onder houten voorwerpen en vervallen muren; de listige wijfjes
leggen eieren in de nesten van andere Vliesvleugeligen, vooral van die,
welke voor hunne larven holen in den grond graven. Van alle soorten van
Goudwespen is het nog niet uitgemaakt, of hare larven alleen het hier
vergaarde voedsel verslinden, of zich ook vergrijpen aan de jongen,
waarvoor het bestemd is; gewoonlijk schijnt het eerstgenoemde geval
voor te komen. Ieder jaar komt slechts één generatie tot ontwikkeling.
Een in Duitschland zeldzaam (bij ons niet) voorkomende soort, de
Vleeschkleurige Goudwesp (Parnopes carnea), is merkwaardig door haar
lange, in rust tegen de keel aanliggende tong, welks wortelgedeelte
door de bovenkaken omsloten wordt en een groote overeenkomst heeft met
de tong der Bijen. De kop, de borst en de eerste achterlijfsring zijn
groen met koperrood waas, de overige segmenten vleeschkleurig. Deze
gedrongen gebouwde, 11 mM. lange (soms nog grootere) Wesp parasiteert
bij Bembex rostrata en wordt dus alleen daar gevonden, waar deze in
grooten getale voorkomt.
Het geslacht Chrysis is rijker aan soorten dan eenig ander. Slechts
één van deze wordt in Amerika gevonden. De meeste bewonen het
Middellandsche-Zee-gebied; noordwaarts verbreiden zij zich over
Middel-Europa tot in Zweden; 4 zijn inheemsch.
De Gewone Goudwesp (Chrysis ignita) is de meest verbreide en
veelvuldigst voorkomende soort. Het is haar, naar 't schijnt, tamelijk
onverschillig, in welke nesten van Vliesvleugeligen zij hare eieren
zal leggen, of deze in muren, in 't zand of in oude balken gebouwd
zijn. Zij begunstigt de Bijenwolf, de Muurleemwesp en nog vele
andere niet door ons genoemde soorten van Knoopwespen en Eumeniden
of Leemwespen. In de nabijheid van de plaatsen waar deze Insecten
nestelen, ziet men haar het meest rondzwerven; bij zonnig weer is
zij zeer levendig. Ieder die haar gedurende eenigen tijd nagaat,
zal haar leeren kennen als een listig dier, dat zeer ijverzuchtig
is jegens hare soortgenooten; haar geheele leven, van de lente tot
in den herfst, wijdt zij aan het beoefenen van deze niet bepaald
beminnelijke eigenschappen. Haar grootte wisselt binnen wijde grenzen
af (5 à 11 mM.), zoo ook haar kleur; de kop en het borststuk zijn
blauw of groen, zuiver of tot de gewone overgangstinten vereenigd;
het als goud glinsterende achterlijf vertoont soms een groenen,
soms een sterk rooden weerschijn, heeft dikwijls zwarte banden op de
verbindingsplaatsen der ringen en is aan de buikzijde zwart gevlekt.
De fraaie, roodwangige, bolronde uitwassen, die men zoo dikwijls
bij halve dozijnen aan de onderzijde van een eikenblad ziet hangen,
kent iedereen onder den naam van "galnoten"; ook is het bekend, dat
een andere, meer houtige soort, die uit de Levant tot ons komt, bij
de bereiding van een bruikbaren inkt niet best gemist kan worden. Men
noemt deze en velerlei andere aan planten voorkomende misvormingen in
't algemeen gallen; hiermede worden dus ziekelijke woekeringen van het
celweefsel aangeduid, welke onder den invloed van dieren ontstonden en
ten doel hebben aan de larve van het dier, dat aanleiding gaf tot de
verandering, voedsel en een woonplaats te verschaffen. De dieren, die
gallen voortbrengen, zijn talrijk en behooren tot zeer verschillende
groepen; voor 't meerendeel zijn het Insecten, n.l. Vliegen, vooral
uit de familie der Galmuggen, voorts Kevers, Vlinders, Bladluizen,
Bladwespen, Galwespen en andere Vliesvleugeligen; er zijn echter
ook Wormen (Nematoden), Raderdiertjes en Mijten bij. Daar op ieder
plantendeel, zoowel op wortels als op twijgen, niet slechts op bladen,
maar ook op bloemen en vruchten, gallen kunnen ontstaan, behoeft het
ons niet te verwonderen, dat deze producten een groote verscheidenheid
aanbieden. Die, welke door Galwespen (Cinipidae) veroorzaakt worden,
zullen ons nu eenigen tijd bezig houden. Het wijfje steekt op de
plaats, die een natuurdrift haar aanwijst, een bepaalde plant met haar
legboor en laat een ei in de wonde achter. Zoodra de weefsels van de
plant op deze wijze geprikkeld zijn, komt een hoogst merkwaardige
wijziging tot stand in hunne levensverrichtingen: zij beginnen uit
te groeien in den vorm van bollen, cilinders, kegels, hoorntjes,
ruigharige of geschubde lichamen, enz. De woekering van de weefsels
duurt zoo lang voort, als voor de ontwikkeling van het daarin levende
Insect vereischt wordt. Eerst bij het ophouden van den groei van dit
parasitische wezen is ook de gal "rijp" geworden.
De door Galwespen veroorzaakte gallen zijn geheel gesloten en
openen zich niet "vanzelf", zooals het geval is bij soortgelijke
voortbrengselen van andere dieren; er wordt een gat in geknaagd door de
volkomen ontwikkelde Wesp, zoodra deze gevolg geeft aan het bij alle
levende wezens voorkomende streven naar vrijheid. Als het zaad van
een kers of pruim in den steen, bevindt de made van de Galwesp zich
in een door stevige, soms steenharde wanden, (de binnengal) omhulde,
inwendige holte, in de zoogenaamde larvekamer. De gewone galnoot bevat
in zijn middelpunt slechts één larvekamer en behoort daarom tot de
éénkamerige gallen; de wijze waarop de meerkamerige gallen ingericht
zijn, vereischt geen nadere aanduiding. Galmuggen treft men op de
meest verschillende planten aan; de Galwespen leven voor 90 percent op
allerlei soorten van eiken. Uit dit oogpunt beschouwd, verdient de eik
ten volle den naam van "boom der eendracht", omdat in dezen boom en
aan zijn oppervlakte meer Gelede Dieren wonen, aan den kost komen en
vreedzaam naast elkander vertoeven, dan op eenige andere plant. Alleen
in Middel-Europa worden op eiken 2 wortel-, 8 schors-, 39 knop-, 34
blad-, 9 meeldraadbloem- en 4 vruchtgallen gevonden. Behalve de eik
verdienen de eschdoorn, de vogelkers, de wilde rozen en braambessen
als gallendragende planten vermeld te worden. Veel minder belangrijk
zijn in dit opzicht de kruiden, zooals eenige samengesteldbloemigen
(Hieracium, Centaurea, Scorzonera), wilde papavers, hondsdraf,
toortskruid en nog eenige andere tweezaadlobbige planten. Zeer veel
ontbreekt er aan onze kennis van de gallen, die in andere werelddeelen
dan het onze voorkomen; uit de reeds verrichte onderzoekingen blijkt
echter, dat geen der werelddeelen zulk een groot aantal Galwespen
herbergt als Europa, hoewel deze Insecten ook elders niet ontbreken.
Van alle tot dusver behandelde Vliesvleugeligen verschillen de
Galwespen en de op haar volgende familiën door het bezit van een
tweeledigen dijring; bovendien herkent men ze gemakkelijk aan de
eigenaardige verdeeling der aders in de voorvleugels. Deze missen
de randvlek en de middelcellen; behalve de beide schoudercellen
komen slechts één gesloten randcel en twee gesloten onderrandcellen
voor. De achtervleugels hebben hoogstens een enkele ader en dus
geen cel. Van eenige soorten hebben de wijfjes rudimentaire of in 't
geheel geen vleugels; in dit opzicht gelijken zij op sommige kleine
Sluipwespen, met welke zij echter niet licht verward kunnen worden
wegens haar afgerond, zijdelings samengedrukt achterlijf en eenige
andere eigenaardigheden.
Alle Galwespen zijn weinig in 't oogvallende, kleine diertjes van
4.5 mM. gemiddelde lengte; slechts weinige worden grooter, zeer vele
blijven echter nog beneden 2.25 mM.; haar kleur is zuiver zwart, of
zwart gemengd met lichtere, van rood tot bruin afwisselende tinten,
of geheel lichtbruin; lichte teekeningen komen in 't geheel niet
voor. De niet gebroken sprieten zijn draadvormig, of worden naar de
spits allengs een weinig dikker; zij bestaan uit 12 à 15 leden. De kop
is klein, bijna cirkelrond van omtrek en ver naar onderen verschoven;
op de kruin komen 3 bijoogen voor; de monddeelen zijn niet sterk
ontwikkeld. Het korte, zijdelings samengedrukte achterlijf is bij
sommige "zittend" aan het rugschild van het achterborststuk bevestigd
en is er bij andere door een kort steeltje of door een ring mede
verbonden.
Zooals reeds gezegd is, zijn op lange na niet alle gallen van Galwespen
afkomstig. Omgekeerd geven vele door hun lichaamsbouw tot deze
familie behoorende Insecten geen aanleiding tot de vorming van gallen,
gelijk de Echte Galwespen doen. Een groot aantal legt eieren in reeds
aanwezige, jonge gallen; de hieruit voortkomende larven voeden zich
met plantaardige stoffen; zij worden commensalen of Bastaardgalwespen
genoemd. In één gal kunnen dus 2 soorten van Galwespen leven. Een derde
talrijke groep wordt gevormd door de Parasiet-galwespen, die gedurende
den larvetoestand als Sluipwesp-larven in en van andere Insecten leven.
Gelijk bij alle Insecten, is ook bij verschillende soorten van
Galwespen de duur van het tijdperk, dat voor de ontwikkeling van ei
tot imago wordt vereischt, ongelijk; alle verpoppen zich echter in
de gal, waarin zij als larve leefden, de meeste, zonder vooraf een
cocon te spinnen. De pop is, evenals bij alle Vliesvleugeligen, vrij
(alle ledematen liggen los tegen den stam aan); de Galwespen verkeeren
slechts korten tijd in dezen rusttoestand. Eenige overwinteren als
larve, andere als Wesp in de gal, die in beide gevallen gesloten
blijft. Een rond gat in de gal levert steeds het bewijs, dat het
hierin levende dier zijn gevangenis verlaten heeft; dikwijls kan men
uit de grootte van dit gat afleiden, of hierdoor een Galwesp of een
parasiet naar buiten is gekomen.
De voortplantingswijze van vele Galwespen biedt een belangrijke
afwijking aan van die der tot dusver behandelde dieren. Deze planten
zich voort door bevruchte eieren, die nakomelingen leveren, welke in
alle opzichten met een van hunne ouders overeenstemmen. Slechts één
maal, n.l. bij eenige gezellig levende Vliesvleugeligen, hebben wij
een afwijking (arrenotokie genaamd) van dezen regel waargenomen,
en wel, toen wij uit onbevruchte eieren mannetjes, uit bevruchte
wijfjes zagen ontstaan. Toch komt ook in dit geval de geheele reeks
van voortplantingsverschijnselen, die in normale omstandigheden den
ontwikkelingsgang van iedere generatie vormen, volledig voor. Men noemt
een dergelijken ontwikkelingskring enkelvoudig. Bij vele dieren echter
zijn de opeenvolgende generatiën niet in alle opzichten gelijk, maar
verschillen van elkander door uitwendige of inwendige eigenaardigheden
of door voortplantingswijze; iedere soort komt dus voor in 2 of meer
vormen, die elkander geregeld opvolgen, daar de wezens van den eenen
vorm uitsluitend die van den anderen voortbrengen. Alle verschijnselen,
die zich in het leven der soort voordoen, treden dus niet bij iedere
generatie op, maar zijn eerst na twee of meer opeenvolgende generatiën
volledig waarneembaar geweest. Men spreekt in dit geval van een
samengestelden ontwikkelingskring. Meer bepaaldelijk gebruikt men de
benaming heterogonie, wanneer de opeenvolgende generaties zich door
een verschillende voortplantingswijze onderscheiden. Reeds sedert
lang weet men, dat uit vele gallen, b.v. uit alle "knoppers" en uit
de "Oostersche galnoten," wanneer hare "commensalen" buiten rekening
worden gelaten, uitsluitend wijfjes te voorschijn komen. Dit leidde
tot de onderstelling, dat vele Echte Galwespen zich uitsluitend door
onbevruchte eieren (parthenogenetisch) zouden voortplanten. Dit
vermoeden werd proefondervindelijk bevestigd door Adler bij een
soort, die op eikenbladeren gallen veroorzaakt, Cynips (Andricus)
seminationis, en bij hare naaste verwanten. Voorts is bij vele
andere vormen het aantal wijfjes zoo buitengewoon groot en het
aantal mannetjes zoo gering, dat men onmogelijk mag aannemen, dat
alle wijfjes paren. Dat bij deze soorten, b.v. bij de Rozengalwesp
[Cynips (Rhodites) rosae], onbevruchte eieren zich kunnen ontwikkelen,
is ook door Adler aangetoond. Dezelfde onderzoeker heeft vervolgens
bewezen, dat bij deze inheemsche Galwespsoorten zich een eenvoudig
geval van "heterogonie" voordoet, waarin op een uit mannetjes en
wijfjes samengestelde generatie, die zich door bevruchte eieren
(d. i. gamogenetisch) voortplant, geregeld een uitsluitend uit
wijfjes bestaande generatie volgt, welker (onbevruchte) eieren zich
(parthenogenetisch) tot mannetjes en wijfjes ontwikkelen. Ieder van
deze generaties heeft gallen van een bijzonderen vorm. Het verschil
tusschen de beide tot één ontwikkelings-cyclus behoorende generaties
is soms zoo groot, dat men ze dikwijls tot verschillende geslachten
heeft gebracht.
De grootste Echte Galwespen (Cynipidae galliparae) zijn de
Eikengalwespen (Cynips), die men gemakkelijk herkent aan den ruig
behaarden rug van het borststuk, aan het bijna half bolvormige
schildje, aan het "zittende," ronde en zijdelings samengedrukte
achterlijf en aan de sprieten, die naar voren allengs een weinig in
dikte toenemen.
De Gewone Eikenbladgalwesp of Galnotenwesp [Cynips (Dryophanta) folii]
heeft een glanzig zwart achterlijf; het schildje, de pooten en de kop
zijn meer of minder bruinachtig rood, de sprieten en de pooten ruig
behaard; het laatste buikschild is klein en borstelig gewimperd. Kort
nadat de knoppen van onze eiken--de wintereik en de zomereik (Quercus
sessilifolia en Q. pedunculata)--uitgebot zijn (van alle boomen onzer
bosschen komen de eiken, zooals bekend is, het laatst in 't blad),
bemerkt men aan de onderzijde der bladen de aanvankelijk groene en
bolronde, bij verderen groei echter aan de zonzijde rood wordende
gal, die een middellijn van 1 à 3 cM. kan bereiken; door een kort
steeltje is zij met een van de dikke bladnerven verbonden. Zij bevat
één larvekamer; om de niet zeer stevige "binnengal" bevindt zich een
uit groote cellen samengesteld, looistofrijk en sappig sponsweefsel,
dat van buiten met een dichtere huidlaag bekleed is. Reeds in 't
einde van September heeft de hierbinnen aanwezige made zich tot een
Wesp ontwikkeld; deze verlaat echter eerst tegen den aanvang van het
koude jaargetijde haar woning. Alle uit deze gallen komende diertjes
zijn groote wijfjes van de Gewone Galnotenwesp; mannetjes zijn er niet
in deze generatie. De Wesp begeeft zich onmiddellijk naar de slapende
oogen of zoogenaamde praeventiefknoppen, die aan knobbeltjes van oude
eikenstammen, aan waterloten, enz. veelvuldig voorkomen; zij doorsteekt
met haar korten legboor de schubben van zulk een knop en legt één ei
op den stengeltop (het hart); dit geschiedt, gelijk door Beijerinck
werd aangetoond, zonder dit teere orgaan te beschadigen. Zoovele
eieren als de Wesp voortbrengt, in zoovele knoppen steekt zij haar
legboor. Het punt van het "hart", waarop de eischaal rust, ontwikkelt
zich niet verder; het daaromheen liggende weefsel vormt echter om
het ei een aanvankelijk ringvormigen wal, die zich later van boven
sluit en zoo de "larvekamer" vormt; uit opperhuidscellen bestaat dus
de "binnengal". In Mei is de gal een 4 à 5 mM. lang, cilindervormig
knobbeltje geworden, dat met paarse, fluweelachtige haren bedekt is en
zich boven het onveranderd blijvende, geschubde ringgedeelte van den
praeventiefknop verheft. Bij het verschijnen van de bladen aan de eiken
komen uit deze kleine gallen mannelijke en vrouwelijke Wespen [Cynips
(Spathegaster) Taschenbergi]. De wijfjes leggen na de paring één ei
op elke dikke bladnerf van jonge eikenbladen; op één blad kunnen soms
wel een twaalftal eieren voorkomen, die door voldoende tusschenruimten
gescheiden zijn. Rondom elk ei ontwikkelen zich de weefsels van het
blad tot den reeds beschreven, gewonen galnoot; deze gallen leveren
in den herfst de "agame" generatie, die Cynips folii wordt genoemd.--
Aan het afgebeelde takje ziet men (bij 3) een voorwerp, dat op
een kleinen lorkenkegel (meer nog op een hoppebel) gelijkt. Zulke
sierlijke gallen ziet men dikwijls in grooten getale bijeen aan
de toppen of in de bladoksels van jonge spruiten van de hierboven
genoemde eiken en van Quercus pubescens. De taaie schubben zijn
aanvankelijk gesloten en groen, doch worden later bruin en wijken
uiteen. Zij omsluiten een langwerpig ovale "binnengal" (afgebeeld bij
4 en 5: gesloten en overlangs doorgesneden, zoodat de larvekamer met
haar bewoonster zichtbaar is); deze valt er in Augustus uit, rijpt
op den bodem en blijft hier 2 of 3 jaar liggen, voordat de Wesp er
(in April) uit te voorschijn komt. Deze--de Eikenkegelwesp [Cynips
(Andricus) fecundatrix of C. gemmae]--is van het vrouwelijk geslacht
(mannetjes zijn er in deze generatie niet); zij legt door een steek
met haar legboor eieren in de mannelijke bloemknoppen van den zomereik
(de vroegst bloeiende van onze eiken); dientengevolge ziet men na het
ontluiken dezer knoppen aan den bloembodem van de tot katjes vereenigde
meeldraadbloemen (tusschen de helmknoppen) spitse eivormige gallen
van 2 mM. lengte, die aanvankelijk een groene, later een bruine kleur
hebben en met stijve, witte haren bezet zijn. Uit deze gallen komen
in Mei van hetzelfde jaar mannetjes en wijfjes [Cynips (Andricus)
pilosa] te voorschijn. De bevruchte wijfjes begeven zich op de 3
genoemde soorten van eiken, steken de jonge, okselstandige knoppen
aan, leggen er een ei in en brengen op deze wijze de vorming van
de hoppebelvormige gallen teweeg, die soms in zoo grooten getale
voorkomen, dat de eiken er schade door lijden.--
Aanmerkelijk grooter dan de reeds genoemde zijn de "sponsgallen," die
(meestal aan de spits, soms aan de zijden van de twijgen) op inheemsche
eiken niet zelden voorkomen en een middellijn van wel 5 cM. bij een
iets geringere hoogte kunnen bereiken. Zij rijpen in Juni en zijn dan
geelachtig wit, glanzig, aan de zonzijde fraai rood getint. Onder
de dunne opperhuid merkt men een dikke, sponsachtige, buitengewoon
lichte schorslaag op; deze omgeeft vele houtige binnengallen, welker
aantal toeneemt, naarmate men de plaats van aanhechting nadert. Uit
deze gallen, die aan vele Bastaardgalwespen en parasieten voedsel
en een woonplaats verschaffen, komen, in Juni en Juli, de mannetjes
en de wijfjes van de Sponsgalwesp [Cynips (Teras) terminalis] te
voorschijn. De met vreemde gasten bezette gallen blijven aan den
boom hangen en verdrogen, waarbij zij haar schorsgedeelte verliezen;
de normaal ontwikkelde vallen nog in den loop van den zomer af,
hebben dan een grijsachtige kleur en bedekken soms in grooten getale
den bodem. Na de paring begeven de wijfjes-Galwespen zich op de
eenjarige wortels van den eik, dikwijls tot op een diepte van 50 cM.;
de hier gelegde eieren; worden in den zomer en den herfst omgeven
door meerkamerige, aanvankelijk geelachtige wortelgallen ter grootte
van kersen en van onregelmatigen vorm, die in meer of minder grooten
getale trosgewijs opeengedrongen zijn. Eerst in 't volgende jaar zijn
zij rijp, houtachtig en roodachtig van kleur; zij bevatten larven,
die zich in October verpoppen en in het laatst van den herfst of in
den winter als volkomen ongevleugelde wijfjes [Cynips (Biorrhiza)
aptera] voor den dag komen. Door de dan heerschende koude wordt
deze "agame" generatie niet verhinderd onmiddellijk bij den boom
op te klimmen om op een hoogte van 5 à 10 M. eieren te leggen in
de knoppen, welke in Juni van het volgende jaar rijpe sponsgallen
zullen zijn. De geheele ontwikkelingsgang duurt dus 2 jaar. Vooral
Beijerinck heeft de levensgeschiedenis van deze en andere Galwespen
nauwkeurig nagegaan. Nevens de gevleugelde mannetjes en wijfjes van
Cynips terminalis komen ook exemplaren voor, die geen of slechts
rudimentaire vleugels hebben. De vleugellooze wijfjes van deze
generatie zijn niet te onderscheiden van die der "agame".
De Gewone Rozengalwesp (Rhodites rosae) brengt aan de wilde roos
of hondsroos (bij uitzondering ook aan gekweekte rozen) mosachtige
uitwassen teweeg, die met den naam van "bedeguar" of "hondsrozenspons"
aangeduid worden. Vroeger schreef men aan deze veelkamerige gal een
geneeskrachtige werking toe. In den herfst is zij rijp, doch eerst
in het volgende voorjaar komen de bewoners er uit te voorschijn: niet
alleen het kroost van de rechtmatige eigenares, maar ook commensalen
(Aulax Brandti en soorten van Synergus), vooral echter verschillende
soorten van Pteromalinen en Braconiden. In 't geheel heeft men
er ongeveer 20 verschillende Insecten in gevonden; sommige komen
vroeger, andere later dan de Rozengalwespen voor den dag, nog andere
tegelijk met deze. Hoewel er ook mannelijke Rozengalwespen gevonden
worden, is echter het aantal wijfjes zoo groot, dat deze onmogelijk
alle bevrucht kunnen worden. Adler heeft echter aangetoond, dat ook
onbevruchte eieren van deze soort zich ontwikkelen kunnen. Het wijfje
heeft de pooten en het geheele achterlijf (met uitzondering van de
spits) bruinrood, de overige lichaamsdeelen zwart, welke kleur bij
't mannetje ook aan 't grootste deel van 't achterlijf eigen is.
Behalve de Echte Bladwespen en de van haar arbeid profiteerende,
doch zelf geen gallen voortbrengende Bastaardgalwespen (Cynipidae
inquilinae), waarvan hierboven eenige (Synergus, Aulax) genoemd zijn,
die als commensalen zich met de bestanddeelen der gallen voeden, kent
men ook een aantal Parasietgalwespen (Cynipidae parasitae). Deze
gelijken door haar lichaamsbouw zoozeer op de overige leden der
familie, dat zij hierin een plaats verdienen, maar hebben aan de
vorming van gallen geen schuld; zij ontwikkelen zich geheel op dezelfde
wijze als de Sluipwespen in het lichaam van andere Insecten. Zoo leven
b.v. de kleine leden van het geslacht Allotria (ongeveer 40 soorten)
in Bladluizen. Door het korte, bijna ronde, zittende of nagenoeg
ongesteelde achterlijf, welks grootste deel door het eerste segment
wordt gevormd, en door het maaksel der vleugels komen zij geheel met
de Echte Galwespen overeen, van welke zij echter verschillen door
de gladheid van haar als 't ware gepolijste huid en de dunheid der
sprieten, die het lichaam meestal in lengte overtreffen. Door een meer
langwerpige gedaante en een korten, ringvormigen achterlijfssteel
kenmerkt zich het geslacht Figites, welks leden, naar het schijnt,
alle in larven van Vliegen hunne beide eerste levenstijdperken
doorbrengen. Nog slanker zijn de Ibalia's. Het grootste lid van de
geheele familie is de 14 mM. lange Ibalia cultellator, die op een
Sluipwesp gelijkt, in larven van Houtwespen (Sirex) hare eieren legt
en een als het lemmet van een scheermes samengedrukt achterlijf heeft.
Een niet gering aantal kleine, parasitisch levende Wespen worden onder
den naam van Proctotrupiden tot een familie vereenigd, die in sommige
opzichten aan de vorige, in andere aan de volgende herinnert en dus
tusschen beide een overgang vormt; het is daarom moeielijk deze groep
als zoodanig te kenschetsen. Vele soorten naderen door de gedaante
van het vleugeladerstelsel tot de Galwespen, van welke zij echter
verschillen door het bezit van de randstip en door den algemeenen vorm
van het lichaam. Ook zijn er soorten, die (zooals de hierna afgebeelde)
met de Chalcididen de gebroken sprieten en het volkomen gemis van
cellen in den vleugel en van alle aders (behalve de onderrandader)
gemeen hebben, hoewel zij niet, zooals deze, den legboor aan de
buikzijde van het achterlijf, maar aan de spits naar buiten laten
treden. De meeste Proctotrupiden zijn zeer klein van gestalte en zwart
van kleur, langwerpig van vorm en toch niet slank gebouwd, langzaam
en log van beweging, maar toch niet traag van aard. Een soortgelijk
verschil als tusschen de plompe, met buitengewone volharding bezielde
Hommels en de hartstochtelijke, ongedurige, zeer bewegelijke Zandbijen
merkt men ook op tusschen de Proctotrupiden en de Chalcididen. Gene,
niet in staat om een naderenden vijand reeds op eenigen afstand waar
te nemen, geven zich geen moeite om hem door een snelle vlucht te
ontkomen, vestigen zich bij voorkeur op vochtige plaatsen, onder
afgevallen bladen of in de onmiddellijke nabijheid van den grond in
dichte omheiningen. De Chalcididen daarentegen zijn onophoudelijk
in beweging, laten de sprieten nooit rusten; de wijfjes houden zich
voortdurend bezig met het opsporen van geschikte legplaatsen; alle
houden gaarne verblijf in een zonnige omgeving en gaan tusschen groene
bladen zitten, als zij schaduw verlangen; eerst door de nadering van
den winter worden zij van hier verdreven en genoodzaakt om haar teer
lichaam tegen de guurheid van het klimaat te beschutten door te midden
van het rottende afval op den bodem een schuilplaats te zoeken.
Merkwaardige inheemsche Proctotrupiden zijn de hiernevens afgebeelde
Eierenwespen. De leden van haar geslacht (Teleas) ondergaan hunne
gedaantewisselingen in eieren van Vlinders, Wantsen en Spinnen. De
nietig kleine hoeveelheid eiwitstoffen, die zulk een ei bevat, is
voldoende om niet slechts aan één larve, maar ook wel aan 2 of 3 en
soms aan meer dan een dozijn Wespen het noodige voedsel te verschaffen
voor haar volledige ontwikkeling. Beide hier afgebeelde soorten zijn
glanzig zwart met bruinzwarte dijen en heupen, doch verschillen van
elkander door den vorm van de achterlijfsspits. Haar lichaam is niet
langer dan 1 mM. De wijfjes doorboren de schaal van de eieren van
Spinners om ze te doen dienen tot wieg en proviandmagazijn voor haar
kroost. Teleas laeviusculus begunstigt op deze wijze den Dennenspinner
(Gastropacha pini), terwijl Teleas terebrans aan de zeer hardschalige
eieren van den Ringelrupsspinner (Gastropacha neustria) de voorkeur
geeft. Na 4 à 6 weken is de gedaantewisseling afgeloopen en verlaat
het wespje de eischaal door een klein, rond gaatje, dat zij er in
knaagt, (de opening, die de vlinderlarve gemaakt zou hebben, is
grooter en heeft een onregelmatigen rand). Bouché zag in Augustus,
reeds 14 dagen na het leggen van het ei, Wespen uit eieren van Spinnen
te voorschijn komen; men mag dus wel aannemen, dat er in één jaar
verscheidene generaties zullen ontstaan.
De zeer soortenrijke familie der Chalcididen (Chalcididae), vroeger
Pteromalinen genoemd, bestaat, evenals de vorige, grootendeels uit
nietig kleine Insecten, maar vormt een beter afgerond geheel, dat
duidelijker van de overige Vliesvleugeligen onderscheiden kan worden
dan de familie der Proctotrupiden. Alleen bij de Chalcididen treft men
de volgende kenmerken vereenigd aan: De sprieten zijn steeds duidelijk
in een schaft en een zweep verdeeld; de vorm van de zweep kan zeer
verschillen, zelfs bij mannetjes en wijfjes van dezelfde soort. De
vleugels bezitten een zeer weinig ontwikkeld aderstelsel; in de breede
voorvleugels is alleen de onderrandader duidelijk ontwikkeld; zelfs
de randstip ontbreekt. Het lichaam is meestal kort, dik en gedrongen
gebouwd, soms dun en slank; het prijkt met een metaalachtigen glans,
die aanleiding gegeven heeft tot den naam der familie. Bij de wijfjes
komt de legboor vóór de spits, aan de buikzijde, uit het achterlijf
te voorschijn.
Het wijfje van Torymus regius zagen wij op een galnoot bezig met
haar legboor een ei te plaatsen in de hier levende Galwesp-larve;
de made, die uit dit ei ontstaat, voedt zich met de sappen van den
galbewoner en brengt diens dood teweeg, zoodra zij hem niet meer
noodig heeft. Uit een kleinere opening dan de rechtmatige eigenares
van de woning geboord zou hebben, indien zij in 't leven was gebleven,
ontsnapt ten slotte de goudgele, op den rug blauw iriseerende, met
roodachtig gele pootjes uitgeruste parasiet.
Vele soorten van het geslacht Pteromalus leven als larven ten koste
van Schors- en Houtkevers of van Galwespen, eenige van Schild-
en Bladluizen en van maden van Vliegen. De zeer algemeen verbreide
Ruigvleugelige Wesp (Pteromalus puparum) legt eieren in de poppen
van verscheidene soorten van Dagvlinders, zooals van Schoenlappers
(Vanessa) en van Koolwitjes (Pieris). Op plaatsen waar de poppen
van deze Vlinders zich ophouden, treft men dikwijls weinig in 't oog
vallende Chalcididen aan; zoodra echter de rups voor de laatste maal
haar huid afgeworpen heeft en de chitine aan de oppervlakte van de
pop nog week is, ziet men op het lichaam van deze en gene een wijfje
van de Ruigvleugelige Wesp rondwandelen en met haar legboor een groot
aantal eieren tusschen de leden van de pop schuiven, zonder deze te
verwonden. Zij gaan hiermede voort, ondanks de bewegingen, die het
slachtoffer met het achterlijf maakt om zijn vijand te verdrijven. Na
verloop van eenigen tijd verliest de pop geheel het vermogen om zich
te bewegen; haar meer en meer wankleurig wordende huid is ten slotte
als een zeef met gaatjes doorboord waardoor het eene wespje na het
andere de nu ledige pophuid verlaat.
Evenals de familie der Galwespen een aantal soorten bevat, die door
de levenswijze harer larven op Chalcididen gelijken, zoo heeft ook
deze familie vertegenwoordigers, die van den gewonen regel afwijken
door hare eieren te leggen in planten en meer bepaaldelijk in
vruchtbeginsels, welke hierdoor in gallen veranderen en geen zaad
voortbrengen. Vooral in de bloeiwijzen van den Vijgeboom (Ficus
carica) treft men zulke gallen aan. De genoemde, 6 à 9 M. hooge,
oorspronkelijk uit Zuid-Azië afkomstige boom werd duizenden jaren
geleden naar Syrië, Noord-Afrika en Zuid-Europa overgebracht,
wordt hier nog altijd (thans ook in alle overige werelddeelen)
veelvuldig gekweekt en komt velerwege in verwilderden toestand (als
"geitenvijg" of "caprificus") voor. Driemaal per jaar ontwikkelt
zoowel de "caprificus" als de tamme vijgenboom zijne eigenaardige
schijnvruchten, die uit een hol, peervormig stengeldeel bestaan,
dat van binnen met mannelijke en vrouwelijke bloemen bezet is. De
3 generaties van "caprificus"-vijgen zijn oneetbaar en heeten
"mamme", "profichi" en "mammoni". Hare stamperbloemen zijn veel
eerder rijp dan de meeldraadbloemen, zoodat het stuifmeel van de
"mamme" de eitjes van de "profichi" moet bevruchten en deze op hun
beurt rijp stuifmeel bevatten, als de stempels van de "mammoni"
geschikt zijn om het te ontvangen. Het overbrengen van het stuifmeel
geschiedt door Chalcididen van de geslachten Blastophaga (vooral
B. grossorum) en Sycophaga, voorts door eenige in hare larven als
maden parasiteerende Vliesvleugeligen (Braconiden). De overwinterende
Chalcididen-wijfjes leggen eieren in de vruchtbeginsels van de "mamme";
de hieruit voortkomende wespjes vliegen, met stuifmeel beladen, naar
de "profichi", veranderen ook van deze de vruchtbeginsels in gallen,
welker wespjes de "mammoni" bezoeken; ook hier worden de meeste
eitjes door galvorming bedorven, eenige evenwel ontwikkelen zich
tot zaden, die voor kieming geschikt zijn. Bij den tammen vijgeboom
zijn de bloemen zoozeer door de kultuur gewijzigd, dat de meeldraden
bijna geen stuifmeel meer voortbrengen en de meeste vruchtbeginsels
ongeschikt zijn om bevrucht te worden. Toch worden zijne 3 generaties
van vijgen ("pedagnuoli", "cimaruoli" en "fiori") bezocht door de
Insecten, die in de vruchten van den "caprificus" parasiteeren. Aan
dit bezoek schrijft men een gunstigen invloed toe op de zoetheid en
de saprijkheid der vijgen. Sinds onheugelijke tijden (vroeger echter
meer dan nu) tracht men het te bevorderen door een bewerking, die
"caprificatie" heet (en door vele onderzoekers doelloos wordt geacht);
zij bestaat in het bevestigen van "caprificus"-vruchten op de takken
van den tammen vijgeboom. Dientengevolge brengen de "pedagnuoli"
soms rijpe zaden voort, die zich na uitzaaiing deels tot wilde,
deels tot tamme vijgeboomen ontwikkelen.
De Hongerwespen (Evaniidae) maken een zonderlingen indruk door de
bovenwaartsche richting van het achterlijf, dat met een dunnen steel
opmerkelijk hoog aan de achterzijde van het borststuk is vastgehecht
en bij deze afdeeling van den stam in ontwikkeling achterstaat. Deze
wanverhouding, waaraan de familie haar naam ontleent, valt zeer
sterk in 't oog bij het typische, over alle werelddeelen verbreide
geslacht Evania (Brachygaster), dat zich kenmerkt door een zijdelings
samengedrukt, sikkelvormig gekromd achterlijf, welks lengte geringer
is dan die van kop en borst te zamen genomen en geheel tusschen de
lange, dunne, in 't midden eenigszins gezwollen achterdijen verborgen
kan worden. De larven van deze kleine wespjes parasiteeren in de
eierenzakken en larven van Kakkerlakken (Blatta). Van eenige soorten
althans is dit aangetoond, o.a. van de 3.5 à 4.5 mM. lange, zwarte
Kleine Hongerwesp (Brachygaster minuta), die den kop en het borststuk
sterk gestippeld, het achterlijf glad heeft, en, naar het schijnt,
verder dan eenig ander lid harer familie noordwaarts verbreid is.
Op oude leemmuren, die den verzamelaar van Vliesvleugeligen steeds
een rijken buit beloven, ziet men in den zomer, te midden van een
groot aantal andere bewoners van zulke oorden, een slank diertje
zich op zulk een zonderlinge wijze bewegen, dat het den opmerkzamen
toeschouwer onmogelijk ontgaan kan. Als 't ware dreigend wordt het
achterlijf opgeheven, dat knotsvormig is, evenals de ver uiteenwijkende
achterscheenen; zoo dartelt het Insect, flauw gekromde booglijnen
volgend, dicht bij den muur langs en schijnt onvermoeibaar te zijn,
daar men het slechts zeer zelden met opgeheven vleugels op hooge pooten
eenige schreden ziet doen. Dit is de 10 mM. lange Jichtwesp (Foenus
affectator), een parasiet van de Vliesvleugeligen, die in den muur
wonen. Haar borst en haar achterlijf zijn zijdelings samengedrukt;
de kleur is zwart, met roode vlekken op het achterlijf en aan de
kniestreek van de achterpooten; de lengte van den legboor is ongeveer
gelijk aan het vierde gedeelte van die van 't achterlijf.--Een tweede,
zeldzamere soort, de 14 mM. lange Pijldrager (Foenus jaculator),
kenmerkt zich door de witte kleur van het wortelgedeelte van den scheen
en den voet, althans van die der achterpooten; het achterlijf is in
het midden rood en wordt door den legboor ver overtroffen in lengte.
De Braconiden (Braconidae) houden, wat lichaamsbouw betreft, het
midden tusschen de Chalcididen en de Echte Sluipwespen, doch komen in
levenswijze met beide overeen. Voor 't meerendeel zijn zij van geringe
grootte, 2 1/4 à 6 1/2 mM. lang, slechts enkele bereiken een lengte
van 13 mM. Het gemakkelijkst herkent men ze aan de vleugeladers,
vooral hieraan, dat de voorvleugel slechts één terugloopende ader
heeft. Bovendien zijn de 2e en de 3e achterlijfsring aan de rugzijde
met elkander vergroeid, hetwelk vooral van belang is voor het herkennen
van de ongevleugelde soorten, die ook in deze familie voorkomen, zij
het dan ook veel minder talrijk dan bij de Chalcididen. De sprieten
van de Braconiden zijn recht, draad- of borstelvormig en uit zulk
een groot aantal leden samengesteld, dat men deze gewoonlijk niet telt.
Naar den bouw der monddeelen heeft men deze soortenrijke familie in
drie groepen verdeeld. Bij de Geslotenmondigen (Clidostomi) is het
kopschild afgerond, toegespitst of ondiep uitgesneden en kruisen de
beide bovenkaken elkander, zoodat de mondopening er door bedekt wordt,
of zich hoogstens als een smalle spleet vertoont.--Bij de Kringmondigen
(Cyclostomi) blijft tusschen het van onderen diep uitgesneden kopschild
(met naar binnen teruggeslagen bovenlip) en de bovenkaken (die zoo kort
zijn, dat alleen de spitsen elkander aanraken) een half-kringvormige
ruimte over.--Bij de Buitentandigen (Exodontes) zijn de bovenkaken
zoo kort, dat zij elkander in 't geheel niet raken, en bovendien als
't ware verdraaid, daar beide haar gewelfde zijde naar den onderrand
van den kop, de holle zijde naar buiten richten. Deze zoo slecht
gewapende Braconiden leggen eieren in larven van Vliegen en Kevers.
Aan de boogvormig naar onderen gerichte sprieten, het lancetvormige
achterlijf met duidelijken steel, waarvan het 2e en het 3e lid
onderling niet vergroeid zijn, herkent men de kleine, hoogstens 2.4
mM. lange Bladluisdooders (Aphidius), die, evenals de vroeger genoemde
Parasiet-galwespen van het geslacht Allotria, alle in Bladluizen leven
en daarom het best door kweeking verkregen kunnen worden. De Bladluis,
die een Aphidius-larve bevat, bezwijkt, zoodra deze tot rijpheid is
gekomen en zit dan met zijwaarts gerichte pooten en met een bolvormig
gezwollen, metaalachtig glinsterend achterlijf te midden van hare gave,
ongevleugelde zusters. Een gat in haar lichaam, niet grooter dan een
speldeprik, levert het bewijs, dat de Wesp de ledige huid van haar
gastheer verlaten heeft.
Andere Geslotenmondigen noemt men Kleinbuiken (Microgaster) wegens de
kortheid van het zittende of bijna ongesteelde achterlijf; zij vormen
het meest verbreide en soortenrijkste geslacht van de geheele familie
en komen in de volgende opzichten overeen: de sprieten zijn plomp; de
randader is voorbij de vleugelstip flauw en onduidelijk; het rugschild
van het middelborststuk heeft geen scherpe, zijdelingsche groeven;
het achterlijf is altijd korter dan het voorste deel van den stam, aan
de buikzijde meestal naar de spits samengedrukt; bij het wijfje komt
hier uit een wijde spleet de weinig uitstekende legboor te voorschijn.
Met uitzondering van 2 soorten, die Bladluizen en eieren van Spinnen
bewonen, leven de Microgaster-maden in larven van Vlinders, meer in
behaarde dan in naakte. Zij zelf dienen op haar beurt tot woonplaats
aan kleine Pteromalinen. Zoodra de Microgaster-larven rijp zijn,
verlaten zij haar gastheer door gaten, die zij in zijn huid knagen,
en omgeven zich daarna onmiddellijk met een door haar gesponnen
cocon. Niet zelden vindt men doode rupsen of Witjesvlinders of van
Dennenspinners dicht bedekt met geelachtige cocons, die bij deze van
Microgaster nemorum, bij gene van Microgaster glomeratus afkomstig
zijn.
Tot de groep der Kringmondigen behoort het omvangrijke geslacht
Bracon, waarvan alleen in Duitschland 200 soorten gevonden zijn;
onder de kleine, parasitisch levende Wespen uit tropische gewesten,
die in onze insectenverzamelingen voorkomen, zijn zij het sterkst
vertegenwoordigd. Kenmerken van da Braconen zijn het zittende of
bijna ongesteelde, elliptische of lancetvormige achterlijf, welks
eerste ring korter is dan de 4 volgende te zamen genomen aangeduide
inrichting van den mond. Roodachtige of gele tinten hebben meestal
de overhand aan de pooten en het achterlijf, doch minder aan den kop;
slechts bij weinige soorten is het geheele lichaam licht van kleur of
zuiver zwart. Zeer dikwijls zijn ook de vleugels meer of minder sterk
gekleurd, soms zelfs bijna zwart en bij uitheemsche soorten met helder
gele vlekken of strepen geteekend. Naar het schijnt, parasiteeren de
Braconen bij voorkeur in larven van Kevers, die ziek hout bewonen,
zooals Bok-, Snuit- en Schorstorren; men ontmoet ze daarom het meest
op oud hout, zoolang zij niet op bloemen bezig zijn honig te lekken.
Als voorbeeld noemen wij Bracon palpebrator, waarvan wij een groot
aantal exemplaren verkregen uit dennenstammetjes, die sterk aangetast
waren door de Rood-en-wit-bonte Dennensnuittor. De borst is op den
rug glad en glanzig; zwart is de hoofdkleur; rood zijn de pooten,
met uitzondering van de achterste, en het achterlijf, met uitzondering
van een zwarte vlek op den eersten ring.
Spathius clavatus is een medebewoner van ons huis, voor zoover hier
bepaalde soorten van Kevers voorkomen. Zijn larve parasiteert n.l. bij
de Klopkevers, die in oud houtwerk, o.a. in oude meubels gangen boren,
vooral bij Anobium striatum en misschien ook bij het Bonttorretje. Doe
hem dus geen kwaad, wanneer hij zich tusschen Juni en Augustus op
de vensterruiten vertoont!--Zijn grootte wisselt af tusschen 4 1/2
en 8 3/4 mM. De kleur is grootendeels bruinachtig rood; de tasters,
de heupen en een breede ring aan den wortel van den scheen zijn
bruinachtig wit, de vleugels donker gevlekt. De legboor is langer
dan het lichaam.
De Echte Sluipwespen (Ichneumonidae) onderscheiden zich van de
vroeger genoemde parasitische Wespen door den bouw van de vleugels;
in den voorvleugel hebben zij twee terugloopende aders; de Braconiden
hebben er slechts één. Bovendien versmelt bij de Echte Sluipwespen
altijd de voorste middelcel met de eerste onderrandcel; dikwijls
is van de ader, die deze beide cellen scheidt, nog een klein takje
over. In den voorvleugel komen dus voor: een vleugelstip, een randcel,
3 onderrandcellen (of slechts 2, indien de middelste, de zoogenaamde
spiegelcel, vervalt) en 2 middelcellen. Een ander kenmerk leveren
de veelledige, rechte sprieten. Geen enkele Sluipwesp gonst bij
't opvliegen of bij 't gaan zitten; zonder gedruisch nadert zij
haar slachtoffer; alleen van de grootste soorten hoort men soms een
eenigszins krakenden vleugelslag.
Vroeger hebben wij reeds de aandacht gevestigd op verschillende
gevallen, die zich bij het parasitisme kunnen voordoen. Dat de dood van
den gastheer eerst plaats vindt, als de parasiet hem niet meer noodig
heeft, staat in verband met de wijze, waarop deze zich voedt. Men
onderstelt, dat het eerste voedsel van de Sluipwesp-made bestaat
uit het "vetlichaam", een vlokkig, meestal wit gekleurd weefsel, dat
tusschen de verschillende inwendige organen van het insectenlichaam
ligt en vermoedelijk een bergplaats is van reserve-stoffen. Alle
edelere deelen, die voor het leven van den gastheer onmisbaar zijn,
blijven gespaard, zoolang de parasiet nog niet zijn vollen wasdom
bereikt heeft.
Om een overzicht te verkrijgen van het heirleger van soorten, waaruit
deze familie bestaat, heeft men haar in 5 onderfamiliën verdeeld,
die door overgangen gedeeltelijk onderling samenhangen, hoewel hunne
typische representanten zeer duidelijk van elkander verschillen.
Als de kern van de familie, de vereeniging van hare edelste
vertegenwoordigers, kan men de Ichneumonen (Ichneumones) beschouwen. De
steel, die het van boven naar beneden platgedrukte, lancetvormige
achterlijf met het borststuk verbindt, is op zulk een wijze gebogen,
dat het achtereinde van den eersten ring en alle volgende leden van
het achterlijf hooger geplaatst zijn dan de wortel van den steel. De
ademgaten van het eerste segment zijn achter het midden van den
steel en niet nader bij elkander dan bij het achterste uiteinde
van den ring gelegen. De legboor kan meestal volkomen in het lichaam
verborgen worden. De spiegelcel is vijfhoekig. De sprieten zijn bij het
mannetje altijd borstelvormig, bij het wijfje soms draadvormig. Tot
de Ichneumonen behooren de bontst gekleurde Sluipwespen; de wijfjes
tooien zich met rood, zwart en wit (of geel); in geen familie vindt
men even zuivere kleuren als in deze en een grooter verschil van
kleur tusschen de mannetjes en wijfjes. De larven, voor zoover bekend,
onderscheiden zich door een zekere fletschheid; zij spinnen geen cocon,
daar groote vlinderpoppen haar tot woonplaats dienen. Door deze te
bewaren, kan men de Wesp verkrijgen, die zich een weg baant naar
buiten door het bovenste deel van de pophuid weg te knagen. Daarom
legt het wijfje in iedere rups slechts één ei.
De Cryptiden (Cryptidae) kunnen den legboor niet geheel terugtrekken;
een deel van dit orgaan treedt nog in den rusttoestand door een spleet
aan de buikzijde van 't achterlijf naar buiten; de ademgaten van
het eerste achterlijfssegment zijn dichter bij elkander dan bij het
uiteinde van dit segment gelegen. De eenige Echte Sluipwespen zonder
of met rudimentaire vleugels vormen het geslacht Pezomachus; voor 't
meerendeel zijn zij zeer klein en parasiteeren bij andere Sluipwespen.
De Pimplariën (Pimplariae) kenmerken zich over 't algemeen door
een zittend, van boven naar beneden samengedrukt achterlijf, welks
eerste lid niet gebogen is en op of voor het midden ademgaten heeft;
de legboor steekt dikwijls zeer ver achter het lichaam uit. In den
regel is de spiegelcel driehoekig; soms ontbreekt zij geheel.
De Sikkelwespen (Ophionidae) hebben aan het zijdelings samengedrukte
achterlijf een meestal rechten steel en een weinig naar buiten
tredenden legboor. De spiegelcel is driehoekig of ontbreekt.
Van de Tryphoniden (Tryphonidae) kan men eigenlijk geen andere
kenmerken opgeven dan dat deze Echte Sluipwespen tot geen der vier
vorige onderfamiliën behooren.
Een der meest gewone soorten van Tryphoniden is de 11 mM. lange
Tryphon (Exenterus) marginatorius, kenbaar aan den gelen achterrand
der achterlijfsringen, aan de veranderlijke gele teekening op den kop
en het borststuk (welker overigens zwarte oppervlakte door rimpeltjes
oneffen is) en aan het volkomen ontbreken van een einddoorn aan den
gelen, van onderen zwarten achterscheen. Deze Sluipwesp vliegt bij
voorkeur in dennebosschen rond, en legt op de bastaardrups van de
Gewone Dennenbladwesp (Lophyrus pini) een ei, dat aan de huid door
tusschenkomst van een haakje bevestigd wordt. Het slachtoffer, dat zich
tevergeefs door krachtige bewegingen tegen den vijand heeft verzet,
spint weldra een tonvormige cocon om hierin te overwinteren, alsof er
niets gebeurd is. De parasitische made, die nu het ei verlaat, blijft
buiten op de rups zitten en zuigt haar volkomen uit; zij laat van haar
gastheer niets anders over dan de verschrompelde huid, die een klein
hoekje beslaat van de cocon, waarbinnen de indringer zelf een spinsel
vervaardigt, dat slechts de helft van de beschikbare ruimte vult.
Het geslacht Bassus onderscheidt zich door den nagenoeg vierzijdigen
vorm van het segment, waardoor het korte, eivormige achterlijf aan
het borststuk bevestigd is.
Bassus albosignatus heeft geen lange ontdekkingsreis te doen voor
het opsporen van een geschikte legplaats voor hare eieren, maar vindt
deze bij het azen op het zoete vocht, dat de Bladluizen uitscheiden,
in de Bladluizen-etende, op kleine Bloedzuigers gelijkende maden van
Zweefvliegen (Syrphus). De made, die zulk een ei met zich omdraagt,
schijnt zich hierover niet veel te bekommeren; zij blijft vreten,
totdat zij groot genoeg geworden is om zich in te spinnen. Uit
haar peervormige cocon, die in overlangsche richting aan een denne-
of sparrenaald, aan een breed blad, of aan een ander plantendeel is
vastgehecht, komt echter geen Vlieg, maar een Wesp te voorschijn. Deze
is 5.2 à 8.6 mM. lang en op zwarten grond met vele witte vlekken en
ringen geteekend.
Een andere soort heeft ongeveer dezelfde levenswijze, daar zij eieren
legt in larven van Lievenheersbeestjes (Coccinella), die zich eveneens
met Bladluizen voeden.
Verreweg de meeste Sikkelwespen (Ophionidae) dragen met volle recht
dezen naam, daar haar achterlijf van voren tot een steel versmald is
en naar achteren allengs in breedte toeneemt.
Bij boomen en struiken, vooral in bosschen, ziet men de
Dennenspinner-sikkelwesp (Anomalon circumflexum) met hare talrijke
verwanten, die bijna hetzelfde uiterlijk vertoonen, op zeer bevallige
wijze zweven. Evenals deze, houdt zij zich bezig met tusschen de bladen
te zoeken naar de rups, die aan één harer jongen kost en inwoning
zal verschaffen. Uit het ei, dat zij in de rups legt, komt een 2.25
mM. lange made (fig. 1), die niet veel dikker is dan een paardehaar;
zij heeft een bruinen, hoornachtigen kop en een langen staart. In een
volgend ontwikkelingstijdperk is zij breeder, maar tevens door het
allengs verdwijnen van den staart korter geworden. In een derde stadium
(fig. 3) komen volledig vertakte luchtbuizen, maar nog geen ademgaten
voor. Ook de monddeelen zijn nu compleet, daar bij de reeds vroeger
aanwezige bovenkaken zich onderkaken en onderlip hebben gevoegd,
waaruit gelede tasters zijn ontsproten; ook de sprieten beginnen
zich te vertoonen. Nog iets later (fig. 4) verkeert de larve in den
toestand, waarin men de andere parasitische larven kent. Haar kop is
thans betrekkelijk klein, voor 't zuigen goed geschikt; de staart is
verdwenen. Naar het schijnt, houdt het dier zich nu minder met het
opnemen van voedsel bezig dan met het behouden van zijn plaats in de
meer en meer verkwijnende rups, die zich oogenschijnlijk op normale
wijze ontwikkelt, groeit, vervelt, winterslaap houdt (indien het
een Dennenspinner-rups is), nogmaals van huid verwisselt, een cocon
spint en in den poptoestand overgaat, terwijl in de Sluipwesp-larve
de reeds genoemde veranderingen tot stand komen. Deze verkrijgt eerst
nu de in fig. 5 voorgestelde gedaante, d.w.z., zij verandert eveneens
in een pop. In Mei of Juni heeft de laatste gedaantewisseling plaats
en baant de Wesp zich met de kaken een weg door hare omkleedsels. De
kop, het borststuk, de spits van het achterlijf, de heupen en de
uiterste gedeelten van de achterscheen en de achterdij zijn zwart;
de overige lichaamsdeelen, waarbij ook de binnenrand van de oogen,
de tasters en het schildje, hebben een geelroode kleur, die aan de
voeten het lichtst is; de sprieten zijn bruinachtig rood.
Een groot aantal leden van dezelfde onderfamilie komen door houding en
kleur met de genoemde soorten zoo zeer overeen, dat een ongeoefende
allicht geneigd zal zijn ze voor gelijksoortig te houden; overal
ontmoet men leemkleurige Sikkelwespen, die met bovenwaarts gerichte
vleugels op struiken, heggen en bloemen rondwandelen of langzaam,
als 't ware tuimelend, soms met hoorbaar gonzenden vleugelslag,
wegvliegen om in de onmiddellijke nabijheid op eenigszins plompe wijze
weder neer te strijken en hier te zoeken naar hetgeen zij ginds niet
vonden. Hoewel deze Insecten in vorm met Anomalon overeenstemmen,
blijkt het bij nader onderzoek, dat zij tot andere geslachten
behooren en wel vooral tot Ophion (fign. 7 en 8) en Paniscus, die
o.a. merkwaardig zijn, doordat hare eieren een steel bezitten. Dikwijls
ziet men één van deze eieren of verscheidene, die trosvormig dicht
opeengedrongen zijn, aan de spits van het achterlijf van de vrouwelijke
Wesp hangen; door haar vorm en glanzig zwarte kleur gelijken zij wel
eenigszins op zaden van sommige planten, o.a. op die van den bekenden
kattestaart (Amarantus).
In 1829 gaf Gravenhorst een beschrijving van 274 soorten van
het geslacht Ichneumon, die in Europa, en voor 't meerendeel in
Duitschland, gevonden worden; hierbij zijn er echter niet weinige
waarvan men alleen het wijfje of alleen het mannetje kent. De
grootste en schitterendst gekleurde soorten van Sluipwespen
behooren tot deze groep: rood, geel, wit en zwart prijken op haar
kleed. Door samenvoeging van deze weinige kleuren ontstaat de groote
verscheidenheid van teekening, die men bij de Ichneumonen opmerkt;
in den regel is het wijfje bonter uitgedost dan het mannetje;
dit verschil maakt het soms zeer moeielijk te ontdekken, dat zij
tot één soort behooren. De wijfjes kunnen als zoodanig gemakkelijk
herkend worden aan hare min of meer knobbelige, na den dood altijd
eenigszins gekronkelde, draad- of borstelvormige sprieten, slechts
in enkele gevallen aan de nauwelijks merkbare scheede van den
legboor. Met uitzondering van eenige onder mos of in vermolmd hout
overwinterende soorten, die zich reeds in 't voorjaar vertoonen,
krijgt men de Ichneumonen niet vóór Juni te zien. Met plat op den
rug gelegde vleugels loopen zij dan snuffelend rond op bladen van
struiken, waar men ze soms in grooten getale bijeenvindt, als de
Bladluizen er haar zoet uitscheidingsproduct hebben achtergelaten,
of als hier de woonplaats is van rupsen, waarin zich de Sluipwespmaden
ontwikkelen. Een klepperend en rammelend gedruisch kan men hooren op
zulke vergaderplaatsen van allerlei Ichneumonen en andere Sluipwespen,
waar men gewoonlijk ook Graafwespen en niet minder veelvuldig Vliegen
en dergelijk gespuis ziet verschijnen. Een merkwaardig schouwspel
verschaft dit bonte mengelmoes van lekkerbekken en roovers, zoo
verschillend van aard en beweging, waarvan sommige licht en vlug,
andere plomp en log, deze schroomvallig, gene onvervaard hun deel
trachten te verkrijgen van den hier aanwezigen buit.
De afbeelding van Ichneumon pisorius (fig. 1), een van de grootste
soorten, kan een voorstelling geven van het voorkomen van het geheele
geslacht, terwijl men uit de daaronder liggende, van haar kruin
beroofde, ledige pophuid van den Dennenpijlstaart kan zien, op welke
wijze deze Insecten hun geboorteplaats verlaten. Tot nadere aanduiding
van de genoemde soort kan dienen, dat de achterlijfssteel niet breeder
is dan hoog; het achterlijf, dat uit 7 leden bestaat, loopt bij het
wijfje spits toe; de buikplaat van het laatste segment is op eenigen
afstand van de aanhechtingsplaats van den legboor gelegen; de ademgaten
van het achterborststuk zijn langwerpig spleetvormig; de rugzijde van
kop en borststuk hebben geen bijzondere eigenaardigheden. Bij het
wijfje zijn het schildje en een streepje aan iederen vleugelwortel
geel; het met putjes bezette en hierdoor doffe achterlijf is, met
uitzondering van het bruine steellid, bleek roestrood. Bij het mannetje
zijn het geheele aangezicht en het grootste deel van de pooten geel,
bij het wijfje alleen de bovenrand van het oog en het midden van
de scheen; bovendien hebben hare sprieten een witten ring. De niet
genoemde lichaamsdeelen zijn zwart. Yan Juni af zwerft Ichneumon
pisorius in gemengde naaldhoutbosschen rond. Door opgewektheid en
vroolijkheid toont dit Insect zich bewust van het overwicht, dat zijn
meerdere grootte hem boven zijne verwanten verschaft. Gedurende
het vliegen veroorzaken zijne wijngele vleugels een duidelijk
waarneembaar, gonzend gedruisch. Het wijfje steekt met haar legboor
groote pijlstaartrupsen, vooral die van Dennenpijlstaarten, welke in
het door haar bewoonde gebied meestal niet zeldzaam zijn; in iedere
rups legt zij echter slechts één ei.
De natuurlijkste overgang van de Ichneumonen tot de Cryptiden wordt
gevormd door het geslacht Phygadeuon, dat grootendeels uit kleine,
gedrongen gebouwde Wespen bestaat. Een van de grootste en meest
verbreide soorten is Phygadeuon pteronorum (6.5 à 8.75 mM. lang),
een gewone parasiet in de tonvormige cocons van de reeds dikwijls
genoemde Dennenbladwesp (Lophyrus pini).
Het in alle werelddeelen vertegenwoordigde geslacht Cryptus verschilt
van Ichneumon door den bij 't wijfje steeds zichtbaar naar buiten
tredenden legboor, door de meestal naar een vierhoek zweemende
spiegelcel en door de zeer onvolkomen verdeeling van het rugschild
van het achterborststuk door twee dwarslijsten. Het mannetje (fig. 2)
is slanker van gestalte dan het wijfje.--Cryptus tarsoleucus dankt
zijn naam aan de witte kleur van eenige leden der achtervoeten,
die men echter ook bij andere soorten aantreft. Cryptus parasiteert
vooral bij Spinnen en Bladwespen.
Mesostenus gladiator (fig. 3) heeft een zeer langen legboor; het
rugschild van het achterborststuk is ongedoornd en door ineenvloeiende
putjes zeer oneffen. Deze groote Wesp vliegt in Juni en wordt
veelvuldig op oude muren aangetroffen; vermoedelijk legt zij hare
eieren in de larven van de hier wonende Graafwespen of Bijen.
Men zou de Cryptiden "Staartwespen" met gesteeld achterlijf kunnen
noemen; in dit geval komt aan de Pimplariën den naam "Staartwespen"
met zittend achterlijf toe. De legboor van het wijfje, die den indruk
wekt van een staart, komt bij eenige geslachten uit een spleet aan de
buikzijde, bij andere uit de spits van het achterlijf te voorschijn
en bereikt bij deze soms het drievoud van de lichaamslengte. Het
geslacht Rhyssa overtreft in dit opzicht alle leden der onderfamilie,
terwijl het, wat grootte betreft, aan de spits van de geheele familie
staat. Bij eenige Noord-Amerikaansche soorten heeft het wijfje een
lichaamslengte van 35 mM. en bovendien een legboor, zoo dik als een
paardehaar, die 104 mM. lang is; de totale lengte van dit Insect
komt dus overeen met 2/3 van de lengte van het bedrukte deel dezer
bladzijde. In onze naaldhoutbosschen komt een soort voor, die bij de
bedoelde Noord-Amerikaansche weinig achterstaat in lichaamslengte,
daar zij 28 cM. lang is, zonder den dubbel zoo langen legboor. Deze
"Pijpdoorsteker", zooals een insectenverzamelaar Rhyssa persuasoria
placht te noemen, heeft den kop, het borststuk en het middengedeelte
van het achterlijf met witte vlekken op zwarten grond geteekend;
de pooten zijn roodachtig geel. Hare maden leven parasitisch in de
larven van Houtwespen (Sirex), die diepe gangen boren in stammen
van naaldboomen. Het eierenleggende wijfje kan de legboor tot aan
den wortel, dus ongeveer 6 cM. diep, in gaaf hout steken en de hier
verborgen larve treffen.
Het soortenrijke geslacht Ephialtes heeft niet, gelijk Rhyssa, het
middelste, maar het achterste borstsegment aan de rugzijde van dwarse
rimpels voorzien, het andere daarentegen glad. Beide geslachten komen
overeen door den langwerpigen vorm der achterlijfsleden, de groote
lengte van den legboor en de kleur der pooten. Evenals bij vele andere
Sluipwespen, verschilt de lengte bij leden van dezelfde soort naar
gelang van de grootte der larve, waarin zij parasiteerden. Ephialtes
manifestator (fig. 4) kan 35 mM. lang worden; de legboor steekt
ongeveer even ver achter de spits van het achterlijf uit, maar is
langer dan 't lichaam, daar zijn wortel in een spleet aan den buik
verborgen is. Na den langsten dag ziet men de soorten van dit geslacht
in de bosschen rondzwerven en op boomstammen zitten, vooral op zulke,
waarin boorgaten voorkomen; deze moet het wijfje, naar het schijnt,
met den legboor volgen. Waarschijnlijk is het haar niet mogelijk
dit werktuig in het harde hout te doen doordringen en aan de hierin
levende larven de verzorging van hare jongen op te dragen; terwijl
de Rhyssa-wijfjes, die zachtere houtsoorten opzoeken, geen boorgat
noodig hebben om haar doel te bereiken. Zeer oplettend onderzoekt
het Ephialtes-wijfje elk plekje met de vooruitgestoken sprieten,
welker spits zij boogvormig naar beneden kromt, besnuffelt iedere
opening en verdiept zich zoozeer in dezen arbeid, dat de aanwezigheid
van een toeschouwer het schuwe dier niet op de vlucht drijft. Wanneer
eindelijk de geschikte plaats gevonden is, wordt het achterlijf hoog
opgeheven, zoodat het dier letterlijk op den kop staat, de legboor
in de gang gestoken en voorzichtig tot aan de larve voortgeschoven,
waarbij de spits van het achterlijf langzamerhand daalt en de scheede
van den legboor loodrecht omhoog gericht blijft. Dezen stand behoudt
de Wesp, tot het ei gelegd is; zoolang dit duurt, verkeert zij in
volkomen weerloozen toestand, daar zij zichzelf vastgehecht heeft. In
't volgende jaar is haar larve volwassen en spint een rolronde,
zwarte cocon; de Wesp doorknaagt deze en gebruikt het boorgat van
zijn gastheer om buiten te komen.
Een van de algemeenste Sluipwespen en tevens een van de grootste
inheemsche leden der onderfamilie, wanneer zij gedurende haar
ontwikkeling over een overvloed van voedsel kon beschikken, is Pimpla
instigator, zwart van kleur, behoudens de scheen en de voet van
de 4 voorste pooten, en de scheen van de achterpooten, die helder
geelrood zijn. De reden van de algemeenheid dezer soort en van het
afwisselen der grootte harer leden van 11 tot 19.5 mM., is gelegen
in de gewoonte van het wijfje om met de verzorging van haar kroost
een groot aantal rupsen van zeer verschillende soorten van Vlinders
te belasten; in den regel prest zij rupsen van Spinners voor deze
taak. Daar zij alle rupsen van dit slag, die in onze tuinen schade
aanrichten, en vele van de meest beruchte boschbedervers, zooals
de rups van den Nonvlinder (Ocneria monacha), de Processie-rups
en de Dennenspinner-rups voor haar doel geschikt acht, ontmoet men
deze zwervelinge overal. In den regel ziet men haar met eenigszins
opgeheven vleugels rondwandelen op boomstammen, heggen, leemwanden,
kortom op alle plaatsen, waar zij een buit kan vinden. Voordat de
rustig grazende rups gevaar vermoedt, treft haar de legboor; in den
kortst mogelijken tijd glijdt, ondanks alle afwerende bewegingen,
het ei door den korten eileider en dringt in haar lichaam door. Half
springend, half vliegend is de onheilstichter in 't zelfde oogenblik al
weer verdwenen, met het doel om haar snood bedrijf in de onmiddellijke
nabijheid voort te zetten. Zelfs de spinne-eieren zijn in hare zijden
nestjes niet veilig voor de aanslagen van deze Wespen.
Het geslacht Pimpla, dat (evenals Ephialtes) in tal van soorten over de
geheele wereld verbreid is, onderscheidt zich door een meer gedrongen
lichaamsbouw: de achterlijfsleden zijn, althans bij 't wijfje, steeds
breeder dan lang; de legboor bereikt slechts zelden de lengte van
het achterlijf.
Niet zelden merkt men aan de toppen der twijgen van jonge dennen
een uitzweeting van hars op. Ten onrechte heeft men deze producten
"harsgallen" genoemd, daar zij niet door woekering van het celweefsel
van de plant ontstaan, maar door de werkzaamheid van een in 't jonge
hout borende rups, die een harsachtig vocht doet uitvloeien, dat,
aan de lucht blootgesteld, verhardt. De hierdoor gevormde knobbels,
welke mettertijd de grootte van walnoten bereiken, bevatten de rups
en later de pop van een sierlijk vlindertje (Retinia resinella), dat
tot de familie der Bladrollers (Tortricina) behoort. In de lente van
het tweede jaar van hun bestaan moet men deze "gallen" inzamelen om
het Insect op te kweeken; dikwijls echter ziet men in plaats van den
Vlinder een zwarte Pimplariër van nauwelijks 8.75 mM. lengte--Glypta
resinanae--uit den knobbel te voorschijn komen. In den zomer klautert
dit wespje tusschen de dennenaalden rond; het behoeft waarschijnlijk
geen andere verblijfplaats op te zoeken, daar hier, zooals bekend
is, genoeg Bladluizen voorkomen, welker uitwerpselen gretig worden
opgelekt. Het wijfje onderzoekt nauwkeurig iedere jonge "harsgal"
en weet zeer goed de hierin verborgen rups te treffen. Deze blijft
den geheelen winter door leven met den kiem des doods in 't lichaam;
in de lente echter bevat haar woonplaats geen zwart vlinderpopje,
maar een cocon van lichte kleur, waaruit weldra de Sluipwesp ontwijkt.
De Plantenetende Wespen (Hymenoptera phytophaga) verschillen in den
imago-toestand van alle overige Vliesvleugeligen door het aangegroeid
zijn van 't achterlijf en door het grooter aantal cellen in den
voorvleugel, waarvan vooral de zoogenaamde lancetvormige cel vermelding
verdient. Als larven onderscheiden zij zich van alle overige leden
der orde door de grootere zelfstandigheid, waarmede zij optreden
bij het eten van levende plantendeelen: de meeste leven vrij op de
plant, eenige in gangen, die zij boren. De bovenstaande naam heeft
uitsluitend betrekking op de larven, daar alle Vliesvleugeligen in
den imago-toestand hoofdzakelijk zoete stoffen gebruiken, geen bladen
of hout eten.
De kop staat in den regel dicht voor de borst en is (behoudens
eenige uitzonderingen) van bijoogen, 6- (of 7-) ledige kaaktasters
en 4-ledige liptasters voorzien. De sprieten zijn niet gebroken, bij
de meeste draad- of borstelvormig, gelijk in de geheele orde regel
is; vooral als tooi van de mannetjes treft men ook andere vormen
aan. Het achterlijf is gemiddeld dubbel zoo lang als de borst,
bij het mannetje een weinig platgedrukt, bij het wijfje meestal
rolvormig. Aan de buikzijde ziet men de tweekleppige scheede van
den legboor, die op een mes, een schrobzaag, een vijl of een rasp
gelijkt. Met alle overige legboordragende Vliesvleugeligen hebben
deze Wespen den tweeledigen dijring gemeen.
De larven van de Echte Galwespen zijn de eenige tot dusver behandelde
Vliesvleugeligen, die plantaardig voedsel direct aan de plant
ontleenen; als volkomen zelfstandige wezens kan men ze echter niet
beschouwen, daar zij in gallen wonen en de gelegenheid missen om
zich vrij te bewegen. Ook bij de Plantenetende Wespen komen borende
larven voor; ook deze genieten meer vrijheid dan de galbewoners,
daar zij aan hare gangen iedere gewenschte richting kunnen geven. De
borende larven zijn voor 't meerendeel Houtwespen en hebben in dit
geval 6 duidelijk waarneembare, soms echter rudimentaire pooten;
enkele larven van Bladwespen, kenbaar aan haar grooter aantal pooten,
hebben een soortgelijke levenswijze.
Verreweg de meeste larven van Bladwespen leven vrij op bladen,
zelfstandiger dus dan alle overige larven van Vliesvleugeligen. Daar
zij door hare bonte kleuren op rupsen van Vlinders gelijken, en er
door onkundigen dikwijls mede verward worden, geeft men haar den naam
van bastaardrupsen. Meestal gezellig zitten zij in den toestand van
rust spiraalsgewijs opgerold op of onder een blad. Het eten geschiedt
schrijlings zittend op den rand van het blad, die door haar op een
zeer eigenaardige wijze omzoomd wordt, wanneer verscheidene zich op
één blad bevinden. Ook hebben vele de zonderlinge gewoonte om het
achterlijf in den vorm van een vraagteeken op te heffen en regelmatig
op en neer te bewegen, zoodra één van haar begonnen is de maat te
slaan. Met uitzondering van het 4e en dikwijls ook van het voorlaatste
lid van den romp, draagt elk segment één paar korte pootjes; alleen de
3 voorste paren (de borstpooten) zijn hoornachtig, in leden verdeeld
en van een klauw voorzien; de overige gelijken op vleeschknobbeltjes
of wratten, die ingetrokken en uitgestulpt kunnen worden. Door de
genoemde gewoonten en door het aantal pooten (20 of 22) verschillen
de bastaardrupsen van de rupsen der Vlinders, die nooit meer dan 16
pooten hebben. Bij oppervlakkige beschouwing schijnt haar huid naakt;
hoewel men er bij nader onderzoek een dun haarkleed en dikwijls ook
duidelijke doorntjes op ziet, is zij echter nooit zoo dicht behaard
als bij vele echte rupsen. Zij is getooid met heldere kleuren;
deze zijn niet talrijk; de gewone teekening bestaat uit donkere
vlekken op lichten grond. De bastaardrupsen hebben enkelvoudige
oogen en kleine sprieten; zij verwisselen herhaaldelijk van huid,
en veranderen daarbij soms niet slechts van kleur, maar ook van vorm.
De larven van de meeste soorten verlaten, zoodra zij volwassen zijn,
haar voederplant en spinnen in of op den grond, onder afgevallen bladen
of te midden van het mos, soms ook aan den stengel van andere planten
een tonvormige, meestal perkamentachtige, soms echter zachtere cocon,
waarin zij ineengekrompen en bewegingloos den winter doorbrengen
en eerst kort voor het uitvliegen van de Wesp in een vrije pop
veranderen. Sommige soorten brengen ieder jaar 2 of meer generaties
voort; de ontwikkelingsduur van de zomergeneratie is in dit geval
zeer kort; bij andere soorten wordt voor de volledige reeks van
gedaantewisselingen een vol jaar of meer vereischt.
Men verdeelt de Plantenwespen in 2 familiën: de Houtwespen en de
Bladwespen.
De familie der Houtwespen (Xylophaga, Uroceridae) omvat slechts een
gering aantal geslachten en soorten, die hoofdzakelijk Europa en
Noord-Amerika bewonen. Van de Bladwespen verschillen zij door het
bezit van slechts één doorn aan het einde der voorschenen. De legboor
van het wijfje steekt meestal voorbij de spits van het langwerpige
achterlijf uit en is van een zaagvormigen toestel voorzien. De larven,
die in plantenstengels, vooral in hout leven, hebben een hoornachtigen
kop zonder oogen en zeer korte sprieten, maar met krachtige kaken,
een geelachtig witte kleur, 3 paar kleine (soms rudimentaire) of in
't geheel geen pooten aan de borst, geen pooten aan 't achterlijf.
De Gewone Houtwesp of Dennen-houtwesp (Sirex juvencus, fig. 1) vertoont
zich in Juni, Juli, hoogstens nog in Augustus, zelden later, in sommige
jaren bijzonder talrijk; er zijn echter volstrekt geen regelmatige
perioden in deze veelvuldigheid op te merken. Eigenaardige kenmerken
van dit geslacht leveren: het skelet van het voorste borstsegment,
welks beide halve ringen (rugschild en borstschild) ten opzichte
van elkander verschoven kunnen worden,--het rugschild van het
achterborststuk met zijne twee op ademgaten gelijkende, spleetvormige
openingen,--de monddeelen door het ontbreken der kaaktasters en door
2- of 3-ledige liptasters. Het achterlijf eindigt in een doorn, die
reeds bij de larve aangeduid is en o.a. aan de Wesp goede diensten
bewijst bij het verlaten van den door haar als larve geboorden gang;
de scheede van den legboor ligt er van onderen dicht tegen aan. Het
wijfje van de genoemde soort is staalblauw met geelachtig roode pooten
(te beginnen bij de zeer korte dijen) en gele vleugels. Het mannetje
verschilt aanmerkelijk van zijn wederhelft: een breede, geelbruine
gordel omgeeft zijn achterlijf; de breede achterscheenen en -voeten
zijn even donker van kleur als het overige lichaam. Gemiddeld is het
wijfje 26 mM., het mannetje slechts half zoo lang. De kaken van de
larve zijn symmetrisch.
Het achterlijf van de Reuzen- of Sparrenhoutwesp (Sirex gigas)
is grootendeels geel, bij het mannetje aan de spits zwart, bij het
wijfje met een kort achter het voorste einde beginnenden, zwarten
gordel geteekend; de kop en de borst zijn dofzwart; de ver uitpuilende
wangen en de sprieten zijn geel, evenals alle pooten. Men vindt deze
soort in streken, waar sparren groeien, omdat hare larven bij voorkeur
deze naaldboomen bewonen.
Beide Wespen leven slechts korten tijd en verschijnen nu eens
vroeger, dan weer later, niet dikwijls echter vóór het einde van
Juni. Uitgezonderd de jaren waarin zij buitengewoon veelvuldig zijn,
krijgt men ze nagenoeg niet te zien, want zij houden zich tamelijk
goed verborgen op den stam of in de kroon der door hen bezochte
boomen. Hun luid gebrom gedurende het vliegen gelijkt eenigszins op
dat van een Paardewesp en staat naar alle waarschijnlijkheid in nauw
verband met de twee spleten op het achterborststuk. Het ei wordt
18 cM. diep in een gaven boomstam gelegd. De gekronkelde gangen,
die de voortdurend dieper doordringende larve in het hout knaagt,
worden, daar zij in omvang toeneemt, steeds wijder en kunnen ten
slotte een middellijn van meer dan 4.5 mM. bereiken. Zij zijn met
houtspaantjes en uitwerpselen gevuld. Het is gebleken, dat de larve
soms eerst na verscheidene jaren volwassen is. Zij knaagt, om zich
voor den poptoestand een rustplaats te bereiden, het uiteinde van
haar gang een weinig dieper uit en vervaardigt een hier aanvangende
gang, die zich tot dicht bij de oppervlakte van den stam uitstrekt,
om aan de Wesp het verlaten van het hout gemakkelijk te maken. Vooral
de larve van de Sparrenhoutwesp komt dikwijls met het timmerhout in
woningen. Bechstein verhaalt, dat in Juli 1798 in de boekdrukkerij
te Schnepfenthal gedurende 10 opeenvolgende dagen iederen morgen een
groot aantal gele Houtwespen uit de pas gelegde vloer te voorschijn
kwamen en bij de vensterruiten langs fladderden. In het huis van een
koopman te Schleusingen vertoonden zich in Juli 1843 een menigte van
dezelfde Wespen; deze waren echter afkomstig uit een balklaag onder de
vloer, die in 't vorige jaar vernieuwd was; zij hadden zich dus ook
door de planken een weg moeten banen. Te Bautzen kwamen in Augustus
1856 eveneens uit de balklaag onder een vloer 60 à 80 exemplaren
van de Gewone Houtwesp te voorschijn. Daar het huis al sedert 2
1/2 jaar voltooid was en de eieren in het hout gelegd moeten zijn,
toen de balken in de open lucht lagen, heeft het waarschijnlijk
ongeveer 3 jaren geduurd, voordat deze kiemen als Wespen de planken
doorboorden. Dergelijke feiten heeft men ook waargenomen in mijnen;
hier speelden de gevleugelde Insecten vervolgens de rol van berggeesten
en doofden de lampen der mijnwerkers uit. Het is voorgekomen, dat deze
dieren, om hun streven naar vrijheid te bevredigen, behalve het hout,
ook de looden platen, waarmede het bekleed was, doorknaagden. Te
Nuszdorf hebben gele Houtwespen herhaaldelijk gaten gemaakt in de
looden kamers van de zwavelzuurfabrieken; later geschiedde dit ook
te Freiberg door de staalblauwe soort. Uit de genoemde voorbeelden
blijkt, hoe lastig deze insecten soms kunnen zijn, hoewel zij in den
gevleugelden toestand in hun gewone omgeving aan de boomen geen schade
meer toebrengen.
De Gewone Halmwesp (Cephus pygmaeus, fig. 2) bezoekt van Mei af
boterbloemen, duizendblad en andere bloeiende planten, die aan
akkerranden en slootkanten hun bonten tooi verschaffen. Bij warm,
zonnig weer ziet men haar bedrijvig van de eene bloem naar de andere
vliegen en honig lekken; als de lucht bewolkt is, zit zij stil of
beweegt zich weinig. Dit 9 mM. lange wespje herkent men zonder moeite
aan het zwarte, met veel geel geteekende lichaam, uit welks zijdelings
samengedrukt achterlijf bij het wijfje een korte, naar boven gerichte
legboorscheede te voorschijn komt, en aan de eenigszins knotsvormige
sprieten op den bijna bolronden kop. De voorvleugel kenmerkt zich
door 2 rand- en 4 onderrandcellen. Hoe onschuldig deze wespjes ook
schijnen, hunne larven (fig. 4) zijn schadelijk voor de rogge- en soms,
doch minder dikwijls, ook voor de tarweakkers, in welker nabijheid men
daarom de meeste kans heeft het gevleugelde dier aan te treffen. Het
wijfje legt slechts één ei in iederen halm, in een gat, dat zij in
een van de bovenste knoopen boort. Voor ieder van de 10 à 15 eieren,
die zij voortbrengt, wordt deze arbeid verricht. Ongeveer 10 dagen
later verlaat de larve de eischaal en begeeft zich onmiddellijk
in het naburige holle lid van den halm. Hier voedt zij zich met de
spaantjes, die zij losknaagt van de binnenste oppervlakte der haar
omgevende buis, doorboort het in den knoop aanwezige schot en kruipt
in haar nauwe woning op en neer. Als de oogsttijd gekomen is, heeft
zij haar vollen wasdom bereikt, daalt af naar het onderste uiteinde
van den halm en spint zich hier een zijden hulsel. In de cocon en in
den stoppel blijft zij gedurende den geheelen winter als larve liggen
en verandert eerst 14 dagen voor het uitvliegen in een vrije pop. Als
de aren van de niet aangestoken halmen beginnen te rijpen en de zieke
er niet meer op het eerste gezicht van onderscheiden kunnen worden
aan de witte kleur, kan dit geschieden, door ze te betasten. Als men
er een tusschen de vingers krijgt, welker onderste deel geen korrels
bevat en zich door slapheid onderscheidt, is het tamelijk zeker,
dat er bij 't opensplijten van den halm een parasiet voor den dag zal
komen. Terzelfder tijd op dezelfde plaats als de Halmwesp, ziet men
een minstens even lange, slanke Sikkelwesp ronddoolen, Pachymerus
calcitrator geheeten (fig. 3), die de halmen opzoekt, welke door
Halmwesplarven bewoond worden, om deze met een ei te begiftigen.
Van de familie der Bladwespen (Phyllophaga) kent men omstreeks 1000
soorten, uit alle werelddeelen, doch vooral uit Europa. Zij hebben
aan den kop lange bovenkaken en rechte, 3- à 30-ledige sprieten; de
voorste borstring reikt zijwaarts tot aan den oorsprong der vleugels,
is meestal zeer kort en wordt dan "halskraag" genoemd. Het middelste
en het achterste rugschild van het borststuk zijn door een diepe
groeve gescheiden. De voorscheen eindigt in 2 doornen; de voetleden
hebben aan de zool dikwijls napvormige verbreedingen (patellen);
het eindlid draagt 2 klauwen, die meestal van een zijtand voorzien
zijn. De legboor van het wijfje is kort en steekt niet voorbij het
achterlijf uit. De larven zijn zoogenaamde "bastaardrupsen".
De Spinselbladwespen (Lyda) vormen een talrijke, zeer duidelijk
begrensde groep. Door de lange, borstelvormige sprieten en de
zeer beweegbare kop naderen zij tot de Houtwespen; het platte, aan
de zijden kantige achterlijf is haar meer in 't bijzonder eigen;
door den niet uitstekenden legboor en de levenswijze der larven,
die aan de oppervlakte van de plant leven, gelijken zij op de Echte
Bladwespen, waarmede zij echter niet geheel overeenstemmen, daar de
larven, behalve de aan 't laatste segment voorkomende naschuivers, in
't geheel geen achterlijfspooten hebben en in een licht spinsel of,
evenals sommige Kleine Vlinders (Bladrollers), in een van bladen
vervaardigd kokertje leven.
De Drekzak-dennenbladwesp (Lyda campestris, fig. 2) wordt als
larve in Juli op 3- en 4-jarige dennen gevonden, waar het bevruchte
wijfje hare eieren, hoogstens bij drieën te gelijk, aan de naalden
van verschillende in Mei uitgesproten twijgen heeft vastgehecht,
zonder hierin een insnijding te maken. De larve houdt zich op in een
buisvormig spinsel, dat ondoorzichtig is door den hierin opgehoopten
drek. Slechts het voorste deel van het lichaam wordt, meestal aan het
onderste deel van de buis, naar buiten gestoken om een daarbuiten
gelegen naald, van den top tot aan den voet, af te knagen. Zoodra
alle naalden, die zij bereiken kan, verslonden zijn, wordt het nest
langer gemaakt, waardoor de bewoonster in staat gesteld wordt om
het éénjarige takje geheel of grootendeels te vernielen. Tegen het
einde van Augustus is zij volwassen, laat zich aan een draad naar
den bodem zakken, kruipt hoogstens 13 mM. diep in lossen grond,
vervaardigd hier van spinstof en aarde een losse, boonvormige cocon
en brengt hierin den herfst en den winter slapend door. In het midden
van April van het volgende jaar vindt men haar soms vervangen door een
pop; het kan echter ook voorkomen, dat zij tot in 't einde van Mei,
bij uitzondering zelfs gedurende het geheele loopende jaar, nog in den
larvetoestand blijft verkeeren. 14 dagen ongeveer duurt de rustperiode;
daarna verschijnt de 18 mM lange Wesp, die zich tamelijk goed verborgen
houdt tusschen de naalden en daarom niet licht opgemerkt wordt. Haar
achterlijf is tot over de helft (van den 2en tot den 5en ring)
roodachtig geel; overigens is zij grootendeels glanzig blauwzwart;
de mond, de sprieten, een oogvlek, het schildje, de knieën, scheenen,
voeten en vleugels zijn geel; de randstip ligt in een blauwe vlek.
Een tweede, eveneens op dennen levende, veel schadelijker soort is die,
welke door de Duitsche houttelers Groote Dennenbladwesp (Lyda stellata,
L. pratensis) wordt genoemd, hoewel zij als imago kleiner, als larve
slechts weinig grooter is dan de vorige soort, van welke zij verschilt
door de roodbruine zijranden van het (op den rug bruinzwarte, aan de
buikzijde vuilgele) achterlijf. Dezelfde woonplaats heeft de larve
van de Roodkoppige Spinselbladwesp (Lyda erythrocephala) als imago
kenbaar aan den staalblauwen romp en den rooden kop van het wijfje.
De soortenrijkste en sterkst vertegenwoordigde afdeeling van de
geheele familie is die der Echte Bladwespen (Tenthredinidae); van
hare larven geldt het op p. 459 gezegde.
De Dennenkamhoornwesp (Lophyrus pini) houdt zich uitsluitend in
dennenbosschen op, waar hare larven soms een niet onbelangrijke
schade aanrichten. In de jaren 1819 en 1820 o.a. waren zij in sommige
boschdistricten van Frankenland zoo talrijk, dat de stammen geel zagen
van de rupsen, die in de boomen klommen; zij bedekten volkomen de
takken, die nog naalden droegen en hingen er in kluwens ter grootte
van een menschenhoofd van af. Toen al het groen verslonden was,
trachtten zij andere bosschen te bereiken, die van het schouwtooneel
dezer verwoestingen gescheiden waren door een beek, aan welker oevers
de rupsen bij duizenden rondkrioelden; daar zij niet van richting
veranderden, vielen zij in het water. Dag aan dag trokken ontzaglijke
scharen uit de verderop gelegen deelen van het vernielde bosch op deze
wijze een wissen dood tegemoet; de beek scheen, in plaats van water,
louter stervende en reeds gestorven Insecten af te voeren. Zulk een
sterke vermenigvuldiging komt echter niet dikwijls voor; in den regel
verschijnen deze bastaardrupsen in betrekkelijk geringen getale, voor
't eerst in de maand Mei. Zij hebben 22 pooten en zijn 25 mM. lang. De
kop is bruin en in meerdere of mindere mate zwart gevlekt. De romp
is met fijne dwarsrijen van doorntjes en wratten bezet, geelachtig
groen van kleur; soms heeft de eene, soms de andere kleur de overhand;
boven elken buikpoot komt een zwarte vlek voor, die op een kommapunt
(;) gelijkt; andere zwarte vlekken bevinden zich iets hooger op
de voorste en achterste segmenten. Na minsten 8 weken is de 5-maal
vervellende larve volwassen en omgeeft zij zich met een tonvormige,
aan een dennenaald gehechte cocon, waaruit de Wesp tegen het einde van
Juli door een losgeknaagd dekseltje ontwijkt. In dit geslacht verschilt
het mannetje van het wijfje door den vorm der sprieten (welker aantal
leden, al naar de soort, van 17 tot 22 afwisselt). Bij het wijfje
zijn zij gezaagd, bij het mannetje zeer fraai kamvormig. Behalve
de kop en het borststuk, die grootendeels zwart zijn, is het wijfje
roestgeel. Bij het mannetje hebben alleen de scheen en de voet deze
kleur en zijn alle overige lichaamsdeelen zwart.
In het geslacht Selandria heeft men een groot aantal soorten van
Bladwespen van kort-eivormige gedaante vereenigd, waarbij ook de
kleinste leden van de geheele familie zijn. Zij kenmerken zich door
het bezit van 2 rand- en 4 onderrandcellen, waarvan de 2e en de 3e de
terugloopende aders opnemen; de 9-ledige, meestal draadvormige sprieten
zijn zoo lang als de kop en het borststuk te zamen genomen. Van de
lente tot in den zomer vindt men deze Wespen meestal op struiken. Bij
ruw weer zitten zij stil en roerloos, maar zijn steeds bereid om zich
dood te houden, als men haar te na komt. Zeer vlug en vroolijk vliegen
zij daarentegen rond, als de zon haar warm op 't lichaam schijnt.
De Zwarte Kersenbladwesp [Selandria (Eriocampa) alumbrata] is glanzig
zwart, alleen op de voorscheen (van voren althans) lichtbruin. Zij
is 5.5 mM. lang en heeft 11 mM. vlucht. In de eerste dagen van Juni,
maar ook wel later, verlaten de wespjes hare cocons, in welker spinsel
zandkorrels stevig vastgewreven zijn en die gedurende den winter op
korten afstand van de oppervlakte in den grond gelegen hebben. Zij
begeven zich in den boom of struik, in welker schaduw zij gerust
hebben (kers, peer, pruim, abrikoos of sleedoorn). Meestal in Juli
en Augustus, doch ook wel later, merkt men aan deze planten glanzig
zwarte, naar inkt riekende larven op, die eenzaam of bij troepjes aan
de bovenzijde van de bladen zitten en haar op zulk een wijze afvreten,
dat alleen de benedenste opperhuidlaag overblijft. Deze neemt weldra
een bruine kleur aan; ten slotte is de geheele top van den boom als
't ware met een bruin floers bedekt. De 20-pootige larve is na iedere
vervelling aanvankelijk groenachtig geel van kleur, maar wordt kort
daarna zwart; zij gelijkt wel eenigszins op een zwarte Slak, is na
4 vervellingen volwassen en begeeft zich dan in den grond om zich
in te spinnen. De larven richten soms een niet onbelangrijke schade
aan. Deze soort bewoont Nederland, Duitschland, Frankrijk en Zweden.
De larven van de Knollen-bladwesp (Athalia spinarum: fig. 1), vooral
die van de tweede generatie, zijn soms een plaag voor den landman,
daar zij de bladen van de knollen en rapen en van het jonge raapzaad
in September kaal vreten, zoodat er alleen de dikke bladnerven van
overblijven. De dooiergele Wesp heeft den kop en de sprieten, de
rugzijde van het borststuk (met uitzondering van den halskraag en
het schildje) en den voorrand van den vleugel tot aan de vleugelstip
glanzig zwart; de voeten zijn zwart en geel geringd, de 11-ledige
sprieten eenigszins knotsvormig; de verspreiding der vleugeladers
blijkt. In Mei verschijnen de Wespen, die zich uit de overwinterende
larven ontwikkelen; men bemerkt ze dan bijna niet, daar zij niet
gezellig vliegen. Tegen het einde van Juli en Augustus zwermen deze
Wespen voor de tweede maal en vallen dan wegens haar veelvuldigheid
licht in 't oog, als zij op zonnige plaatsen op de bloemen van
de weide, op wilgenhakhout, op struiken aan boschranden bedrijvig
rondvliegen om honig of het zoete sap van de Bladluizen te zoeken. Bij
ongunstige weersgesteldheid zitten zij roerloos met opgetrokken pooten
op de bladen en twijgen en laten zich naar beneden vallen, wanneer
men haar op korten afstand nadert. Jonge knollen en dergelijke planten
verschaffen aan de wijfjes een uitmuntende gelegenheid om zich van haar
moederplicht te kwijten; met den zaagtoestel maken zij een insnijding
in de opperhuid onder aan het blad en leggen het ei in de wonde. In
September en October verraden de grijsachtige groene, zwart gestreepte
larven haar aanwezigheid door de gaten, die zij in de bladen vreten.
Het omvangrijke geslacht Tenthredo, waaraan vroeger een nog
uitgestrektere beteekenis werd gegeven dan thans, omvat de grootste
van alle slanke Echte Bladwespen. Dikwijls bestaat er in deze groep
een belangrijk verschil in kleur tusschen het mannetje en het wijfje;
een veelvuldig voorkomend geval is het o.a., dat het achterlijf bij
het wijfje zwart, bij het mannetje zwart en rood is. De Tenthreden
zijn fraaie, flinke dieren, de eenige onder de Bladwespen, die
nu en dan een ander Insect met hare krachtige kaken grijpen en
verslinden. Negenledige borstelvormige sprieten, die in den regel
langer zijn dan het achterlijf, 2 rand- en 4 onderrandcellen in den
voorvleugel, achterheupen, die hoogstens tot den achterrand van het
tweede achterlijfssegment reiken, zijn, nevens de slanke gedaante,
de belangrijkste kenmerken van dit geslacht.
Op wilgenhakhout vindt men hier te lande vrij algemeen de 8 à 10
mM. lange Groene Bladwesp (Tenthredo scalaris). Haar lichtgroene
kleur wordt op den rug afgebroken door meer of minder uitgestrekte,
zwarte vlekken, die in den regel op het midden van het achterlijf
samenhangen.--Haar naam ten spijt is Tenthredo viridis grootendeels
zwart; de lichtgroene kleur speelt slechts een ondergeschikte rol.--De
Geelhoornige Bladwesp (Tenthredo flavicornis) heeft, behalve de
sprieten, ook de pooten en het zwart gespikkelde achterlijf geel. Zij
is een van de fraaiste soorten en wordt 13 mM. lang.
De Rozenbladwesp (Hylotoma rosae, fign. 2 en 3) is een fraai Insect,
dat door grootte en kleur eenige overeenkomst met de Knollenbladwesp
vertoont, maar er bij nader onderzoek en in belangrijke opzichten van
verschilt; o.a. valt op te merken, dat hare sprieten slechts uit 3
leden bestaan, waarvan de beide eerste kort zijn; het derde is lang,
bij het wijfje onbehaard en zwak knotsvormig, bij het mannetje aan de
onderzijde als een borstel dicht met stijve haren bedekt. Deze soort is
van Zweden tot Italië over geheel Europa verbreid en nergens zeldzaam;
alle rozenliefhebbers kennen en haten haar larve. Zij heeft niet meer
dan 18 pooten en is 15 à 19.5 mM. lang. Haar grondkleur is bruinachtig
groen; aan weerszijden van het groene ruggevat ziet men op den rug
gele, langzamerhand in de grondkleur overgaande vlekken, die dikwijls
ineenvloeien en dan den geheelen rug oranjegeel kleuren. Ieder van
de 12 rompsegmenten, met uitzondering van de beide laatste, draagt
6 paar glanzig zwarte wratjes met een borsteltje er op. Van Juli tot
September vindt men deze bastaardrups op rozenstruiken, zoowel wilde
als gekweekte; de wijze waarop zij de bladen uitvreet, wordt door de
afbeelding verduidelijkt. Voordat zij in den poptoestand overgaat,
omgeeft zij zich met een uit twee lagen samengestelde cocon; het
buitenste hulsel heeft mazen als een net. De larven, die in Juli
dezen trap van ontwikkeling bereiken, worden in Augustus Wespen;
die, welke later volwassen worden, overwinteren en gaan eerst in
't volgende jaar in den imago-toestand over. Ieder jaar komen dus
twee generaties voor. Het wijfje maakt met haar zaagtoestel in de
jonge twijgen 2 evenwijdig loopende reeksen van insnijdingen en legt
in ieder kerfje één ei. Een gevolg van deze verwonding is, dat het
twijgje zich kromt en zwart wordt.
Door knotsvormige sprieten en een plompen lichaamsbouw onderscheidt
zich een laatste groep van Bladwespen, waarvan de Berkenknophoornwesp
(Cimbex betulae) een voorbeeld levert. Door de breedte en de
logge gedaante van het lichaam herinnert haar geslacht aan dat der
Hommels. De kop, het borststuk en de pooten zijn bij haar zwart of geel
behaard, hoewel niet zoo dicht, dat de zwarte kleur en de glans van
de huid hierdoor onzichtbaar worden. Het achterlijf is bij het wijfje
lichter van kleur. De larve heeft 22 pooten en is in volwassen toestand
fraai groen van kleur; haar huid vertoont talrijke, fijne dwarsplooien
en is met witte wratjes onregelmatig bezaaid, vooral aan de zijden. Zij
heeft midden op den rug een niet geheel tot aan den kop reikende,
overlangsche, zwarte, geel gezoomde streep; ook de kop is geel. Men
ziet deze bastaardrups eenzaam op bladen van berken zitten. Evenals
hare verwanten, heeft zij de gewoonte uit de zijden van het lichaam
een groenachtig vocht te laten ontwijken, wanneer men haar aanvat.
Andere soorten leven op wilgen, elzen, beuken enz. en gelijken zooveel
op de genoemde, dat men ze thans algemeen als verscheidenheden van
één soort (Cimbex variabilis) beschouwt.