Een groot aantal, ten deele zeer bevallige Bijen, welker wijfjes

zoomin aan de pooten als aan den buik met zamelharen zijn uitgerust en

die men daarom nooit met stuifmeel beladen in een gat ziet kruipen,

worden als Koekoeksbijen (Cuculinae) beschouwd. Deze leggen hare

eieren in de cellen van andere Bijen, misschien na hieruit vooraf het

ei van de rechtmatige eigenares verwijderd te hebben, gelijk ook de

Koekoek soms doet. De larve, die uit het ei van de indringster komt,

voedt zich met den niet voor haar bestemden voorraad en ontwikkelt

zich tot een gemakzuchtig schepsel ten koste van de nakomelingschap

van het verwante Insect, dat zich met het bouwen van de cellen heeft

afgesloofd. Dikwijls stemmen de Koekoeksbijen in uitzicht overeen

met de soorten, waarbij zij parasiteeren en verschaffen zich door

haar uniform toegang tot het vreemde nest.

De Parasiethommels (Psithyrus of Apathus) zijn door hun lichaamsbouw

aan de Hommels nauw verwant. Van de 5 soorten, die in Nederland

gevonden zijn, is de Veldparasiethommel (Psithyrus campestris) de meest

gewone. De achterscheen heeft op de plaats, waar de scheen en de hiel

bij de stuifmeelgarende Hommels uitgehold en kaal zijn, een bolle,

behaarde oppervlakte; de wastang ontbreekt. De bovenzijde van het

achterlijf is, met uitzondering van de laatste ringen, bijna kaal,

zoodat de glanzige chitine-huid duidelijk zichtbaar is.

De meeste (n.l. 15) inheemsche soorten van Koekoeksbijen behooren tot

het soortenrijke geslacht van de Wespbijen (Nomada), de bontste leden

van de geheele familie. Haar lengte wisselt meestal af van 8.75 tot 13

mM.; zij zijn bijna kaal; het elliptische, van voren en van achteren

spits toeloopende achterlijf draagt gele, witte of roode vlekken of

strepen op glanzig zwarten of rooden grond. De voorvleugels zijn aan

de buitenzijde dikwijls minder doorschijnend; zij hebben een groote

randcel en 3 onderrandcellen. De Wespbijen parasiteeren hoofdzakelijk

bij de Zandbijen (Andrena), doch ook wel bij de Smalbijen (Halictus);

op plaatsen, waar deze Bijen gangen in den grond graven, zwermen hare

parasieten in grooten getale rond. De vroegst verschijnende ziet men

met hare gastheeren en andere Insecten op wilgenkatjes en later op

bloeiende kruiden. 's Avonds, als zij zich ter ruste begeven, nemen

zij een eigenaardige houding aan; met de kaken bijten zij zich vast

aan een blaadje of twijgje, trekken alle pooten terug en hangen zoo

in loodrechte richting aan den bek.

De Geringde Wespbij (Nomada succincta), een van de grootste soorten,

is 12 mM. lang. De kop en het borststuk zijn dofzwart met gele vlekken;

met uitzondering van de zwarte bovenzijde van het eerste lid, zijn

de sprieten roestgeel; het blinkend zwarte achterlijf draagt 6 gele

banden. De scheen is geel of lichtroestrood met gele vlekken. Het

vleugelschubje is zuiver geel; de vleugels zijn bruinachtig met

roode aderen.

De Andrenen (Andrenetae) onderscheiden zich van de Echte Bijen door

de kortheid van de tong, welks middelste lob lancet- of hartvormig

is, en door den vorm van de liptasters, die uit 4 nagenoeg gelijke

leden bestaan. Zij leven eenzaam; sommige leggen eieren in de nesten

van andere Bijen; andere graven gaten in den grond en voorzien deze

van honig en stuifmeel ten behoeve van de larve, die zich uit haar

ei ontwikkelt. De Andrenen hebben de achterdijen en achterheupen aan

de onderzijde, de achterscheenen aan de buitenzijde dicht behaard;

wegens deze werktuigen tot het verzamelen en vervoeren van stuifmeel

worden zij Dijgaarders (Merilegidae) genoemd. Tot deze groep behoort

minstens het derde gedeelte van alle wilde Bijen, die bij ons op den

honig der bloemen azen en door rustelooze bedrijvigheid en gezellig

gegons de bloemrijke velden reeds vroeg in de lente verlevendigen. De

Zandbijen, Aardbijen of Gravende Bijen (Andrena) beginnen den dans. Zij

zijn het, die in den aanvang van de lente, in snelle vlucht, vergezeld

door de meer bezadigde en bedaarde Huisbijen, om de wilgenkatjes en

andere eerstelingen van het jonge jaar gonzen en zich lang bezinnen,

voordat zij zich nederzetten om door een gastmaal het opstandingsfeest

van de herlevende natuur te vieren. Op zonnige hellingen ziet men ze in

menigte uit hare in gaten van den grond gelegen wiegen opstijgen. Zij

zijn het, die op zulke plaatsen in grooten getale rondvliegen om aan

hare nakomelingen een woning te verschaffen. De meeste leggen hare

nesten in zandgrond aan: zij graven in schuinsche richting een 13

à 30 cM. diepe gang, aan 't einde voorzien van rondachtige holten

of korte vertakkingen; deze cellen worden zeer ruim met stuifmeel

bedeeld. Nadat in iedere cel een ei gelegd is, wordt haar opening en

ten overvloede die van de hoofdgang met aarde gevuld.

Van de 3 gesloten onderrandcellen is de eerste bijna even lang als de

beide andere te zamen; de tweede is de kleinste en nagenoeg vierkant;

de derde wordt naar boven aanmerkelijk nauwer. De geheele buitenzijde

van de achterpooten tot aan het einde van den hiel is bij het wijfje

dicht bedekt met zamelharen; niet minder talrijk komen deze voor aan

de zijden van het borststuk. Aan de binnenzijde van den hiel ziet men

een uit dicht bijeenstaande, kortere haren samengestelden borstel. Als

de wijfjes van haar bezoek aan de bloemen terugkeeren, zijn al deze

lichaamsdeelen rijkelijk met stuifmeel bedekt. Het achterlijf is van

voren versmald en ovaal, elliptisch of lancetvormig van omtrek; hieraan

onderscheidt men gemakkelijk de mannetjes en de wijfjes. Bij deze

is het van boven naar onderen meer afgeplat, bij de spits, d. i. aan

den vijfden ring, van een haarkrans, de eindfranje, voorzien, die het

kleine, zesde lid meer of minder overdekt. Het mannetje is kleiner;

zijn achterlijf, hoewel meer langwerpig en van boven meer afgerond, is

nimmer lijnvormig, gelijk dat der mannetjes van het verwante geslacht

der Smalbijen (Halictus), welker wijfjes zich onderscheiden door een

(glinsterende) kale, wigvormige vlek midden op de eindfranje.

De Vleugelplooiers of Wespen (Diploptera, Vesparia) onderscheiden

zich van alle andere Vliesvleugeligen, doordat in den toestand van

rust de voorvleugels overlangs geplooid worden; de achterste, aan den

achtervleugel grenzende helft wordt onder de voorste helft geborgen;

haar bovenzijde komt op de bovenzijde van den achtervleugel te liggen;

de op deze wijze geplooide vleugels vinden hun plaats aan de zijden

van het achterlijf, bedekken dit niet. Op het naakte of bijna naakte

lichaam heeft de zwarte huidkleur, die bij de Bloemwespen in den regel

voorkomt, meestal niet de overhand; gele (ook wel witte) vlekken of

strepen op den kop en het achterlijf brengen met het zwart een bonte

afwisseling teweeg. Onze Wespen hebben, evenals de Bijen, gebroken

sprieten; bij de mannetjes valt dit wegens de geringe ontwikkeling

van de schaft minder duidelijk in 't oog. Een gifangel treft men

uitsluitend aan bij het vrouwelijke geslacht en bij den derden stand,

waar deze voorkomt. Ofschoon de Wespen zelf slechts op zoete stoffen

azen, die zij met de meestal korte tong oplekken, verwennen zij hare

larven niet door dergelijke lekkernijen, maar brengen ze groot met

andere Insecten, die zij vooraf gekauwd hebben. De meeste leden van

deze familie bewonen de warme landen; in Europa is het aantal soorten

betrekkelijk gering.

De lichaamsbouw en gedeeltelijk ook de levenswijze van de Wespen,

geeft aanleiding tot een verdeeling in drie onderfamiliën. Bij sommige

hebben de voorvleugels slechts twee gesloten onderrandcellen en zijn

de sprieten uit slechts acht leden samengesteld: met deze kenmerken

rustte moeder natuur de Parasietwespen (Massaridae) uit.

De Leem- of Muurwespen (Eumenidae) vormen de tweede onderfamilie. Zij

hebben in den voorvleugel drie gesloten onderrandcellen; de tong is

lang en driedeelig. De gebroken sprieten nemen naar de spits een weinig

in dikte toe en bestaan uit 12 à 13 leden. De middelste teen draagt aan

't einde één spoor. Evenals de vorige, leven deze Wespen eenzaam. De

meeste leggen in leemwanden of in steile hellingen van uit vet zand

bestaande heuvels, eenige in dorre plantenstengels, reeksen van cellen

aan en gebruiken leem als bouwstof. De inheemsche soorten althans

maken hare nesten nooit in gewone aarde of in los zand en verzorgen

hare jongen eens voor al met een voldoenden voorraad van larven.

De meeste leden van de 3e onderfamilie, van de Papierwespen (Vespidae),

leven gezellig, bouwen zeer kunstige nesten en hebben, gelijk de

Gewone Bijen en Hommels, arbeidsters, onvruchtbare wijfjes, die het

kroost grootbrengen. Naar het uitwendige stemmen zij in nagenoeg alle

opzichten met de leden der vorige groep overeen; de middelscheen echter

draagt aan 't einde twee sporen en de tong is kort en vierlobbig.

Een buitengewoon talrijk, over de geheele aarde verbreid

Leemwespen-geslacht, waarvan hier te lande 6 soorten gevonden zijn,

is Odynerus. Het kenmerkt zich door een aanhangend achterlijf:

het eerste lid is meer of minder klokvormig, slechts weinig smaller

dan het tweede; het achterlijf is op de plaats van verbinding dezer

beide leden eenigszins ingesnoerd, vooral aan den buik vertoont het

een diepe groeve. Bijna alle soorten zijn zwart met helder gele

dwarsbanden op het achterlijf; sommige hebben bovendien nog gele

vlekjes aan den kop of aan het borststuk.

Bij de Muur-leemwesp (Odynerus parietum), zijn de gele teekening en

de grootte (6.5 à 13 mM.) zoo wisselvallig, dat een zeer uitvoerige

beschrijving noodig zou zijn om haar met zekerheid van eenige verwante

soorten te onderscheiden. Het rugschild van het naborststuk vertoont

een overlangsche groeve en helt naar den eersten achterlijfsring

zeer steil af; deze heeft van achteren een gelen rand, die zich naar

weerszijden ver uitstrekt; de overige achterlijfsringen zijn aan

de rugzijde met even ver reikende banden getooid; ook aan den buik

merkt men gele zoomen aan de schilden op. In den regel zijn de pooten

beneden het midden van de dij geel. Vooral door de gele vlekken op

den kop en het borststuk verschillen de variëteiten onderling.

De Muur-leemwesp verschijnt in de laatste dagen van Mei; het wijfje

houdt zich gedurende de geheele volgende maand bezig met werkzaamheden

in 't belang van haar kroost. Voor het bouwen van haar nest zoekt

zij een ouden muur van leem of den wand van een leemgroeve op en

graaft hierin met de kaken een gat van ongeveer 15 cM. diepte. De

losgemaakte leemkluitjes worden met speeksel en ongetwijfeld ook met

het voor dit doel ingenomen water bevochtigd en verweekt; hiermede

verlengt de Wesp den ingang harer woning tot een buis, welke dus

langer wordt, naarmate het nest in diepte toeneemt. De gang, die

aanvankelijk in horizontale richting in den muur opgaat, buigt zich

verderop een weinig naar onderen. In de voltooide woning brengt

de zorgvolle moeder larven van Bladkevers en van andere Insecten,

b.v. van kleine Vlinders, die zij gedurende het vliegen tusschen de

voorpooten en de borst geklemd houdt. Bij het nest aangekomen, gaat

zij schrijdelings boven den buit staan, vat hem bij den kop, sleept hem

(zie de afbeelding) naar den ingang en daarna tot in het achterste deel

van het hol, waar zij hem tegen den wand drukt. De larve, die door den

steek van den roover niet gedood, maar verlamd werd, neemt in de enge

buis een ringvormige houding aan in overeenstemming met den vorm van

haar lichaam. Verscheidene larven (soms 8 of meer) worden, evenals de

eerste, in het hol gebracht en regelmatig naast elkander gelegd. Zoodra

een voldoende hoeveelheid leeftocht bijeengebracht is, wordt in het

nest een ei gelegd en de opening vervolgens met leem gesloten. Voor

ieder volgend ei moet het wijfje opnieuw aan 't bouwen. Na weinige

dagen komt de made uit het ei, verslindt de eene larve na de andere,

zoodat er slechts de huid van overblijft en is na verloop van hoogstens

3 weken volwassen. Zij spint dan een vuil bruine, tamelijk stevige

cocon en wacht hierbinnen als larve de lente af. Weinige weken voor

den overgang in den imago-toestand verpopt zij zich; het verbreken

van de afsluiting van het nest is voor de Wesp niet moeielijk.

De meeste Gezellig levende Wespen (Vespae sociales) of Papierwespen

(Vespidae) wekken onze bewondering door den bouwtrant harer kasteelen

en paleizen. Evenals de Honigbijen, maken zij raten, die echter

niet dubbel zijn, maar uit één laag cellen bestaan met naar onderen

gekeerde openingen; ook hier zijn onvolkomen ontwikkelde wijfjes

(arbeidsters of werkwespen) met het bouwen belast. Als bouwstof voor

de soms brooze, soms meer veerkrachtige wanden van hare kunstwerken

gebruiken zij geen was, maar hoofdzakelijk plantaardige stoffen,

flink gekauwd en gemengd met een overvloed van chitine-houdend

speeksel. De zeer elastische, papierachtige nesten bestaan uit lange

bastvezels, de kartonachtige uit een vilt van haren van planten of

uit een mengsel van deze met vaatbundelstukjes van soortgelijken

aard. De meer brokkelige bouwstof van de nesten onzer Paardewespen

wordt vervaardigd van het schorsweefsel van verschillende boomen en is

daarom altijd gestreept. Enkele uitheemsche Gezellige Wespen verwerken

ook wel kleiachtige aarde of de mest van plantenetende dieren.

Veel meer verscheidenheid dan in de bouwstof vindt men in het bouwplan

en de aanhechtingswijze der nesten. Sommige liggen plat tegen de

onderzijde van een blad of tegen een boomstam aan; andere omvatten

met hun boveneinde een tak en hangen hieraan in den vorm van een

rol, van een stompen kegel, van een bol of van een halven bol, of

zijn verborgen tusschen takken en bladen, die er voor een deel binnen

opgenomen zijn; in nog andere gevallen steunt het geheele gebouw op één

of meer stelen. Het eenvoudigste nest blijft onbekleed en bestaat uit

één laag of uit verscheidene lagen van zeszijdige cellen, die meestal

een rozet vormen en welker openingen naar onderen gericht zijn. Tot

het bouwen van zulk een eenvoudige woning bepalen zich de meeste

Wespen, doch niet alle, vooral niet die, welke groote gezelschappen

vormen. Deze omgeven in den regel hare raten met een hulsel; dit kan

op tweeërlei wijze ingericht zijn, zoodat men van schotratige nesten

en van zuilratige nesten spreekt. Een voorbeeld van de eerstgenoemde

soort levert het sierlijke nest van de 6.6 mM. lange Polybia sedula

uit Zuid-Amerika. Het wespje hecht zijn nest door middel van eenige

steeltjes aan de onderzijde van een blad. Als de eerste raat gereed

is, wordt hieronder op een afstand, die ongeveer met de halve lengte

van een cel overeenkomt, als sluitstuk een schot aangebracht, dat

aan de raat bevestigd is door het verlengen van haar buitenwand,

waarin zijdelings een vlieggat is overgelaten. Naarmate het aantal

leden van het gezelschap toeneemt, moet de woning vergroot worden. Dit

geschiedt op zeer eenvoudige wijze, n.l. door tegen het schot van de

eerste raat een tweede te bouwen, die bij de genoemde soort ongeveer

denzelfden omvang heeft als de eerste; nogmaals worden de buitenwanden

der randcellen verlengd en vervolgens in dwarse richting uitgebouwd

tot een schot, dat op den reeds aangeduiden afstand onder de openingen

der cellen gelegen is, waarbij eveneens een vlieggat overblijft in

den verbindenden wand. In onze afbeelding is de derde raat voltooid

en duiden loodrechte streepjes onder haar vloer het eerste begin van

een vierde raat aan. Naar gelang van de behoefte kunnen de Wespen

het aantal verdiepingen van haar nest vermeerderen, zoodat dit ten

slotte een steeds langer wordende rol vormt.

Op eenigszins andere wijze bouwt Polybia rejecta. Zij laat in het

midden van het schot een vlieggat open. Zulke nesten worden door geen

enkelen Europeeschen Vleugelplooier, wel echter door een groot aantal

Zuid-Amerikaansche soorten vervaardigd.

De Echte Wespen van de Oude Wereld (Vespa) benevens vele Amerikaansche

soorten bouwen omhulde zuilratige nesten: de raten zijn onderling

door zuiltjes verbonden en als de verdiepingen van een huis boven

elkander gelegen; het geheel is omgeven met een "mantel", die er op

een zekeren afstand van verwijderd blijft en één vlieggat heeft. Al

deze nesten naderen door hun vorm tot een ei of een bol; naar hun

inwendigen bouw kan men ze echter in twee soorten onderscheiden, die

aanmerkelijk verschillen, zooals uit de vorenstaande afbeeldingen 3

en 4 blijkt. Het nest van de Zuid-Amerikaansche Chatergus apicalis

bevat verscheidene raten, die onder elkander ieder door een steeltje

aan een tak bevestigd zijn; de vorm van het aschgrauwe, papierachtige

hulsel blijkt uit fig. 3. Terwijl hier de zuiltjes, die raten dragen,

ieder afzonderlijk aan het tot steun dienend voorwerp zijn verbonden,

vereenigen zij in de meeste gevallen de raten onderling, zooals b.v. in

het nest van Polybia ampullaria, dat men in fig. 4 aan de onderzijde

van een blad ziet hangen; tot verduidelijking moet hier bijgevoegd

worden, dat de tweede raat door een zijdelingschen pijler aan den

mantel bevestigd is. In hoofdzaken stemmen de nesten van onze Echte

Wespen met die van de laatstgenoemde soort overeen; sommige hangen

aan twijgen van struiken of boomen, andere vindt men in gaten van

den grond, nog andere in holle boomstammen, onder vooruitstekende

daken of op dergelijke tegen den regen beschutte plaatsen. Al deze

gebouwen zijn slechts voor één zomer bestemd. In de lente wordt

de arbeid begonnen door één bevrucht wijfje, dat den winter in een

geschikte schuilplaats doorbracht, en later, geheel volgens het plan,

dat door de stammoeder aangegeven is, voortgezet door de talrijke

arbeidsters, die zich uit hare bevruchte eieren ontwikkelen. Als het

gure seizoen nadert, vindt men deze met zooveel moeite samengestelde

woning verlaten, evenals die der Hommels.

Bij het over alle werelddeelen verbreide geslacht der Veldwespen

(Polistes) is de omtrek van het halfzittende achterlijf langwerpig

eivormig; zijn eerste lid (hoewel niet tot een steel versmald, zooals

bij het geslacht Polybia) is trechtervormig, loopt van voren uit

in een punt, die verbonden is met het van achteren spits toeloopende

achterborststuk, welks schuins afhellend rugschild aanleiding geeft tot

de wijde kloof, die het borststuk van het achterlijf scheidt. De leden

van dit geslacht bouwen zeer eenvoudige, steeds onbedekt blijvende

nesten, die meestal slechts één raat bevatten, waaraan zelden een

tweede wordt toegevoegd.

De Fransche Papierwesp (Polistes gallica), komt niet slechts

in Frankrijk, maar ook in Duitschland veelvuldig voor; hier te

lande heeft men haar nog niet waargenomen. Haar lichaam is op

verschillende wijzen geteekend met talrijke gele vlekken en banden

op zwarten grond. Het wijfje is 14, het mannetje 13, de arbeidster

11 mM. lang. Evenals bij de Gewone Bijen, ontstaan de mannetjes uit

onbevruchte, de arbeidsters en wijfjes uit bevruchte eieren. In 't

begin van de lente verlaat het wijfje haar winterkwartier en begint

aan een tak van een struik, aan een stam (zooals in onze afbeelding)

of onder een vooruitstekend gedeelte van een muur haar nest te bouwen,

dat aanvankelijk uit slechts weinige, aan een kort zuiltje bevestigde

cellen bestaat, maar mettertijd een rozet van 3 à 9 cM. middellijn

vormt. Slechts in buitengewoon gunstige zomers neemt het aantal leden

van het kleine gezelschap zoo sterk toe, dat een tweede raat noodig

wordt, die met de eerste door een middelzuiltje verbonden is.

De meeste inheemsche soorten van het geslacht der Echte Wespen

(Vespa) zijn zwart en geel en stemmen door de verdeeling harer

kleuren zoozeer overeen, dat het soms moeite kost ze met zekerheid

van elkander te onderscheiden, vooral omdat bij sommige de mannetjes

in het laatstgenoemde opzicht van de wijfjes verschillen. Gewoonlijk

hebben de overigens zwarte ringen van het achterlijf van achteren

een gelen zoom, die aan de rugzijde in 't midden van den voorrand

een zwarten inham heeft en bij het wijfje met twee zwarte stippen

geteekend is; bij de arbeidsters zijn deze zoomen iets smaller en

meer uitgetakt, daar het geel de zwarte stippen niet altijd geheel

omgeeft. Het achterlijf heeft een spoelvormige gedaante; het is aan

den wortel recht afgeknot en volgens een klein vlakje verbonden met

het eveneens steil afhellende rugschild van het achterborststuk; het

is dus volkomen "zittend": de hier aanwezige tusschenruimte is nauw

en diep. Slechts weinige soorten van dit geslacht bewonen Europa; veel

grooter is haar aantal in de gematigde en koude gewesten van Amerika;

ook vindt men ze in China, op Java en het Indische vasteland. De

raten van hare nesten zijn beschut door een bladerigen mantel.

Van de 8 inheemsche soorten van dit geslacht is de 20 à 23 mM. lange

Paardewesp of Horzelwesp (Vespa crabro) de grootste; hieraan en aan

de grootendeels roode kleur van de voorste lichaamshelft kan men haar

gemakkelijk van hare verwanten onderscheiden. Zij komt in geheel

Europa, noordwaarts tot in Lapland voor. Bij ons schijnt zij in de

kleistreken te ontbreken; in de zandstreken, althans in die van de

oostelijke provinciën, vindt men haar vrij algemeen. De naam "Horzel",

waarmede zij dikwijls aangeduid wordt, zou aanleiding kunnen geven tot

verwarring, daar er ook Tweevleugelige Insecten zijn, die dezen naam

dragen. In Overijsel heet zij Horp, in Gelderland Horentje of Hoornaar.

Het wijfje, dat gedurende den winter op een veilige schuilplaats

verborgen was, begint in de eerste dagen van Mei een nest te bouwen:

aan een balk, in een ledigen bijenkorf van het oude model, in een

hollen boomstam of op een andere eenzame plek. Het eerste beginsel van

het gebouw bestaat uit een deel van het bolvormige omhulsel, aan welks

binnenzijde de eerste raat met van onderen geopende, zeszijdige cellen

door tusschenkomst van een stevig steeltje bevestigd wordt. De bouwstof

bestaat uit de groene schors van verschillende boomen, vooral van

jonge esschen, die soms aan alle zijden afgeschild worden en hierdoor

veel schade lijden. Zoodra een klein aantal cellen gereed is, begint

de bouwmeesteres eieren te leggen. Vijf dagen later verlaat de larve

het ei en vindt in de cel een voorraad voedsel, die uit fijn gekauwde

Insecten (o.a. Bijen) bestaat en soms met honig vermengd is. Op den

negenden levensdag is de made volwassen; haar lichaam vult de cel

volkomen en steekt er zelfs voor een klein deel uit; daarom heeft het

deksel, waarmede zij zelf haar wieg sluit, een zuiver halfbolvormige

gedaante. Veertien dagen later wandelt de jonge Paardewesp-arbeidster

voor 't eerst buiten haar cel; zij heeft dus in 't geheel vier

weken voor haar ontwikkeling noodig gehad. Zoodra zij bekomen is van

den eersten schrik over haar ongewonen toestand, poetst zij zich de

sprieten en pooten en kruipt weer in haar wieg om deze te reinigen en

voor de ontvangst van een tweede ei geschikt te maken. Als zij reeds

zusters op haar weg ontmoet, ontneemt zij aan de eerste de beste, die

met voedsel in het nest terugkomt, een stukje en eet het op. Nadat

zij op deze wijze 2 dagen aan huiselijke bezigheden heeft besteed,

vliegt zij met hare zusters uit, gaat op de jacht, brengt bouwstof aan

en verzuimt niet ook voor haar eigen onderhoud te zorgen. Weldra is

de eerste raat niet meer voldoende; er wordt een zuiltje aan gebouwd,

dat steun verschaft aan een beginsel van een tweede raat, die van de

vorige gescheiden is door een tusschenruimte gelijk aan de lengte

van een cel. Naar gelang van de behoefte wordt het aantal pijlers

vermeerderd; deze nemen geen bepaalde plaats in, maar zijn des te

talrijker, naarmate de bodem van de raat een grootere uitgestrektheid

verkrijgt. Een voltooid, vrij hangend nest heeft nagenoeg den vorm

van een bol; van onderen, een weinig zijwaarts, bevindt zich in den

mantel een opening voor het uit- en invliegen. In de nabijheid van het

vlieggat zijn schildwachten geplaatst; bij naderend gevaar begeven

zij zich in het nest om de bewoners te waarschuwen, die nu woedend

op de rustverstoorders aanvallen en gebruik maken van hun giftig wapen.

Na het midden van September, maar vooral in het begin van October,

worden ook mannetjes en volkomen ontwikkelde wijfjes geboren. Als

het ruwe jaargetijde nadert, halen de tot dusver zoo liefdevolle

kinderenverzorgsters, de jongen, die nog in de cellen aanwezig zijn,

uit hun wieg en laten ze ellendig omkomen. Allengs bezwijken ook de

mannetjes en de arbeidsters; alleen de bevruchte wijfjes overwinteren

in een hiervoor geschikten schuilhoek.

De 10 à 14 mM. lange Roode Wesp (Vespa rufa) is kenbaar aan de roode

vlekken en banden, die, nevens zwart en geel, den tweeden, soms ook

den eersten, achterlijfsring tooien. Zij nestelt in den grond en vormt

slechts kleine staten. In Nederland en Duitschland is zij zeldzaam;

ook in Noord-Amerika wordt zij gevonden.

Eveneens in den grond (vooral in verlaten holen van Muizen en Mollen)

vindt men het nest van de 12 à 16 mM. lange Gewone Wesp (Vespa

vulgaris), die op Madeira, in Noord-Afrika en (overal veelvuldig) in

Europa vliegt; het gele kopschild is gewoonlijk met een naar achteren

breeder wordende, zwarte, overlangsche streep geteekend.

Nog talrijker is hier te lande op dezelfde plaatsen de even groote

Duitsche Wesp (Vespa germanica); zij verschilt van de vorige o.a. door

de kleur van den eersten ring van het achterlijf, bij de Duitsche geel

met 3 zwarte vlekken, bij de Gewone zwart met gelen zoom. Gene werd,

behalve in Europa, ook in Syrië, het noorden van Indië, in Algerië

en Amerika aangetroffen.

Even groot of iets grooter is de Middelste Wesp (Vespa media),

welker aan boomtakken hangende nesten in Gelderland langs den Rijn

niet zeldzaam zijn; in sommige jaren is zij in enkele streken van

Duitschland buitengewoon talrijk. Het borststuk heeft roode vlekken

en gele figuren van den vorm van het cijfer 7; de gele strepen op

het overigens zwarte achterlijf zijn minder helder, meer bruinachtig.

Ook de zeldzame, 12 à 18 mM. lange Woudwesp (Vespa sylvestris) hecht

haar nest in het loover van boomen en struiken, althans boven den

grond vast; het bestaat uit een papierachtige massa, die de Wesp

vervaardigt door de afgeschaafde buitenste laag van vermolmd hout

met haar speeksel te vermengen.

De onbeschaamdheid en de teugellooze wildheid van de Wespen zijn aan

iedereen genoegzaam bekend; het duidelijkste bewijs hiervan krijgt

iemand, die, zonder erg en volkomen onbewust van de nabijheid van een

wespennest, welks ingang naast het door hem bewandelde voetpad gelegen

is, door den geheelen zwerm overvallen en gestoken wordt. Voor eenige

jaren overkwam dit ongeval aan een herdershond, die zijn meester hielp

koeien te bewaken. Op een van de talrijke molshoopen, waarmede het land

als bezaaid was, zat de trouwe wachter van de kudde. Plotseling springt

de Hond onder geweldig gehuil in den naburigen stroom. De herder, die

niet begreep, wat er voorgevallen was, snelt zijn bondgenoot te hulp,

lokt hem naar zich toe en vindt het dier met Wespen bedekt. IJverig

bezig met het verdrijven van de door het koude bad afgekoelde,

driftige beestjes, heeft hij niet opgemerkt, dat onder zijne voeten

zich een vulkaan bevindt. De vertoornde Insecten kruipen hem bij

de beenen, aan den binnenkant van de broekspijpen omhoog; ook hij

moet ten slotte in het water eenige verlichting zoeken van de pijn,

die door de toegebrachte steken veroorzaakt wordt. Steeds grooter

wordt de verwarring: het blijkt, dat de molshoopen tot woonplaats

dienen aan een groot aantal wespenzwermen, die men vroeger niet had

opgemerkt. Ook de grazende koeien hebben in eenige van deze nesten

getrapt en worden door de hoogst opgewonden bewoners aangevallen. Alle

Runderen springen brullend van pijn in 't water en delven aanvankelijk

het onderspit in den strijd met het angeldragend gedierte. Het kostte

groote moeite en de medewerking van vele helpers om langzamerhand de

orde te herstellen. Alle pogingen om de nesten te vernielen en de weide

voor het grazende vee bruikbaar te maken bleven zonder resultaat. De

Wespen bleven gedurende dit seizoen heer en meester over het slagveld.

Het luid en dreigend "Tsoe! Tsoe! Tsoe!" van de Wesp, die door

het geopende venster naar binnen vliegt, veroorzaakt vrees en

schrik. Zij zoekt hier een Vlieg, een Spin, een stukje vleesch of

een zoet hapje en laat zich niet afschrikken door de vervolging,

waaraan zij blootgesteld is van den kant der rechtmatige bewoners,

die niet op dit bezoek gesteld zijn.

De jongen worden op dezelfde wijze grootgebracht als die der

Paardewespen; zoodra de gemeente met een jonge burgeres verrijkt

is, begint deze deel te nemen aan de werkzaamheden harer oudere

zusters. Aan cellen bouwen, jagen, moorden, kinderenvoeren en het

vernieuwen van hare eigene, niet gespaarde krachten is haar kortstondig

leven gewijd. In den herfst verschijnen de mannetjes en de volkomen

ontwikkelde wijfjes om te zorgen, dat het geslacht niet uitsterft,

want de stammoeder is nu uitgeput. De bevruchte wijfjes zoeken een

veilig winterkwartier op; vóór den winter sterven alle overige leden

van het gezelschap.

De familie der Mieren (Formicina) behoort eveneens tot de gezellig

levende Vliesvleugeligen, welker maatschappijen op sommige tijden

uit drieërlei standen samengesteld zijn: de gevleugelde wijfjes

en mannetjes en de steeds ongevleugelde arbeidsters of onvolkomen

ontwikkelde wijfjes. Deze kunnen zelfs 2 of 3 vormen vertoonen;

bij de Europeesche soorten komt dit verschijnsel zelden, bij de

uitheemsche dikwijls voor. Een van deze vormen kenmerkt zich door de

buitengewone grootte van den kop; zulke arbeidsters worden onder den

naam van soldaten van de overige onderscheiden. De mierenstaat is,

evenals de bijenstaat, veeljarig.

De kop van de Mier is betrekkelijk groot, soms bij de arbeidsters

zeer groot, daarentegen klein bij de mannetjes. Het meest wordt de

aandacht getrokken door de krachtige kaken, die meestal sterk verbreed

en op de kauwvlakte scherp of getand zijn. De liptasters bestaan uit

2 à 4 leden; de tong is minder sterk ontwikkeld dan bij de overige

gezellig levende Vliesvleugeligen. Kenmerken voor de onderscheiding van

hoofdgroepen leveren de zoogenaamde voorhoofdslijsten of lijstvormige

uitsteeksels van den kop, die, boven de sprieten beginnend, zich naar

boven en naar achteren uitstrekken hetzij in onderling evenwijdige

richting of uiteenwijkend,--rechtlijnig of S-vormig gebogen. De

sprieten zijn "gebroken"; bij de mannetjes valt dit soms, wegens de

kortheid van de schaft, niet duidelijk in 't oog; de 9- à 12-ledige

zweep is draadvormig of door het dikker worden van de leden naar de

spits eenigszins knotsvormig. De 3 enkelvoudige oogen op de kruin

zijn bij de arbeidsters dikwijls afwezig.

Het borststuk vertoont bij de gevleugelde Mieren geen belangrijke

eigenaardigheden; het is echter bijzonder smal en loopt van boven in

een stompen kant uit bij exemplaren waar het nooit vleugels draagt;

vooral hieraan dankt het geheele lichaam zijn eigenaardig voorkomen. De

vleugels zijn tamelijk losjes bevestigd en vallen uit, zoodra de

paring heeft plaats gehad. Hun aderenstelsel is weinig ontwikkeld. De

pooten zijn slank; een éénledige dijring verbindt de heup en de dij,

evenals bij alle Roofwespen en Bijen; de voet is vijfledig.

Het achterlijf bestaat uit 6, bij de mannetjes uit 7 ringen; het

is altijd door een steel met het borststuk verbonden; de wijze

waarop dit geschiedt, oefent grooten invloed uit op de geschiktheid

van het Insect om de spits van het achterlijf (met den hieraan soms

voorkomenden angel) naar voren te krommen. Bij het beschrijven van den

lichaamsvorm is men gewoon den steel als een afzonderlijke afdeeling

te beschouwen. Hij kan éénledig of tweeledig zijn en vormt in 't

eerstgenoemde geval tusschen het rugschild van het achterborststuk en

het achterlijf een knoopvormige verdikking, of gelijkt op een aan de

hoeken afgeronden kubus. In den regel echter draagt zijn bovenzijde een

van voren naar achteren gerichte, vierhoekige, afgeronde, naar boven

min of meer uitpuilende dwarslijst, de zoogenaamde schub. Als de steel

tweeledig is, vormt het tweede lid een bolvormigen of een zijdelings

verbreeden knoop; het eerste lid is van voren steelvormig, van achteren

tot een knoop verdikt. De mannetjes zijn gemakkelijk van de wijfjes

te onderscheiden aan den kleinen kop, de langere en dunnere pooten,

de smallere bovenkaken; zij hebben één lid meer in 't achterlijf en

in de zweep van de sprieten en verliezen nooit de vleugels, gelijk

de wijfjes. Deze en de werkmieren zijn zeer bijtlustig en laten een

sterk zuur, dat mierenzuur wordt genoemd, in de wonde vloeien; te dien

einde is de spits van het achterlijf, waaruit dit zuur ontwijkt, naar

voren gekromd. Andere Mieren, vooral die met een tweeledig steeltje,

hebben, evenals de Bijen en de Wespen, een angel en gebruiken dezen

als wapen. In beide gevallen veroorzaakt het mierenzuur, dat in de

wonde dringt, een brandende pijn en een lichte ontsteking.

De wormvormige, pootlooze, witachtige larve heeft een hoornachtigen

kop zonder oogen en 12 rompsegmenten. Zij kan zich niet van de plaats

bewegen en moet door de werkmieren gevoederd worden. De zeer jonge

larven stemmen volkomen overeen, hetzij er wijfjes of mannetjes of

werkmieren uit ontstaan; later kan men een onbeduidend verschil in

vorm waarnemen, duidelijker echter ongelijke grootte. Niet onmogelijk

is het, dat, evenals bij de Bijen, uit onbevruchte eieren mannetjes

voortkomen. Het onderscheid tusschen de wijfjes en de verschillende

vormen van werkmieren begint waarschijnlijk eerst gedurende den

larvetoestand; hoe dit geschiedt, is onbekend; dat ongelijke voeding er

de oorzaak van zou zijn, mag men niet onderstellen, daar het voedsel

voor allen uit druppels vocht bestaat, die de werkmier uitbraakt. De

rijpe larve verandert in een vrije pop; bij sommige soorten spint zij

vooraf een langwerpige, vuilwitte of bruinachtige cocon; de op deze

wijze omhulde poppen vormen onder den onjuisten naam van "miereneieren"

een handelsartikel, daar zij als voedsel voor kamervogels dienen. Bij

andere soorten blijft het spinnen steeds achterwege. Nog andere houden

in zooverre het midden tusschen de reeds genoemde, dat in haar nest

zoowel naakte als ingesponnen poppen gevonden worden; toch hebben in

dit geval alle larven spinklieren, zoodat men moet aannemen, dat door

onvoldoende voeding of door een andere oorzaak sommige niet genoeg

materiaal voor een cocon in hare spinklieren hebben. De larven van

de Mieren met tweeledigen achterlijfsteel spinnen in den regel niet.

Evenals alle Vliesvleugeligen, voeden ook de Mieren zich hoofdzakelijk

met zoete stoffen, om 't even of deze van plantaardigen of van

dierlijken oorsprong zijn. IJverig zoeken zij de Bladluizen en

Schildluizen op, om de zoete uitscheidingsproducten dezer diertjes op

te slikken. Daarom zijn de Mieren altijd talrijk op plaatsen, waar vele

Bladluizen zijn en doen zij deze geen leed. De werkmieren voederen,

behalve de larven, ook de voortplantingsmieren en zelfs iedere

werkmier van haar eigen volk, die voedsel vraagt, met waterheldere

druppels, die zij uit haar mondopening laat vloeien. De inheemsche

Mieren verzamelen geen voorraad; sommige in warmere gewesten levende

soorten vergaren zaden van grassen, vooral graankorrels, in haar nest.

De meeste mierennesten worden in den grond gevonden. Forel onderscheidt

ze in de volgende soorten:

(1). De aardnesten bestaan uit in den grond gegraven kamers en gangen,

welker wanden soms, althans gedeeltelijk, door toevoeging van speeksel

aan het zand stevig gemaakt, als 't ware gemetseld zijn; soms is de

grond boven het nest opgehoogd, soms wordt de woning aangelegd onder

een steen, die haar beschutting verschaft.

(2). De houtnesten worden op soortgelijke wijze als de vorige

gebouwd in vermolmd hout, dat nog samenhangt; wegens de grootere

duurzaamheid van de bouwstof is het beloop van de gangen voor een

deel regelmatiger dan bij woningen in vochtige aarde. De stevigste

gedeelten der jaarringen blijven meestal gespaard en dienen als

muren; door de richting van de houtvezels wordt de vorm van de

gangen en kamers bepaald. Daar de Mieren, die in hout nestelen, in

den regel geen gave boomen aantasten, maar het bederf van de reeds

gedeeltelijk vermolmde stammen bespoedigen, vooral dat van oude

stompen, die broedplaatsen van allerlei ongedierte zijn, worden zij

door den houtteler als bondgenooten beschouwd en beschermd. Door de

werkzaamheid van deze Mieren ontstaan soms zeer samengestelde gebouwen.

(3). Papiernesten bouwt o.a. de Zwarte Houtmier (Lasius fuliginosus);

haar nest werd bij ons vooral in Gelderland in holle boomstammen

gevonden. De sterke ontwikkeling van de speekselklieren, die

een bindmiddel voor de losse houtdeeltjes leveren, stelt deze en

andere Mieren in staat, om in holten van boomen muren te bouwen,

die kamers en gangen begrenzen. Tot dezelfde groep kunnen gebracht

worden de kolossale nesten der zoogenaamde Comehens op Portorico. Zij

bouwen, gewoonlijk tusschen boomtakken, woningen zoo groot als een

bijenkorf en bedekken den weg daarheen overal, langs de takken en

den stam, op bladen, over steenen en op den grond, met een gewelf,

dat zoomin licht als regen doorlaat en binnenwerks zoo wijd is als

een penneschacht. Deze Mieren dringen ook in de huizen door, knagen

gangen in allerlei houten voorwerpen en wijken bij hare tochten

alleen dan van den rechtlijnigen weg af, wanneer zij ondoordringbare

hindernissen ontmoeten.

(4). Een vierde groep van nesten zijn die met gemengd bouwplan. Het

algemeen bekende nest van de Roode Boschmier (Formica rufa) kan hiervan

een voorbeeld leveren. Het bestaat uit allerlei plantendeelen, stukjes

van bladen, dennenaalden, kruimeltjes hars, maar vooral uit kleine

stukjes hout, gemengd met kluitjes aarde. Met bewonderenswaardige

volharding en krachtsinspanning worden deze materialen bijeengesleept,

opeengestapeld en samengevoegd tot heuveltjes van 25 à 125

cM. hoogte. Onder den grond hebben deze woningen een nog grooteren

omvang dan daarboven. De houtjes en steeltjes zijn zoo in elkaar gezet,

dat zij tamelijk stevige gewelven vormen voor een groot aantal kamers

en een nog grooter aantal gangen, verschillend van ruimte en vorm, maar

uitnemend geschikt voor het doel en alle in elkander uitkomend. Van

het binnenste van het nest stralen wegen uit naar schier alle zijden;

korten tijd nadat de Mieren begonnen zijn zulk een pad te maken, is

het zoo glad getreden, zoo duidelijk te onderscheiden van de omgeving,

dat men alle kronkelingen gemakkelijk met het oog kan volgen. Gedurende

den nacht zijn alle Mieren in het nest als in een vesting opgesloten;

zelfs de gewone uitgangen zijn door voorgeschoven houtjes onkenbaar

gemaakt. Zoodra het zonlicht zich een weg begint te banen door het

gebladerte der omringende boomen, vertoonen zich enkele bewoners

buiten het nest, langzamerhand komen er meer te voorschijn, die als

't ware achtereenvolgens alle gesloten deuren ontgrendelen. De ruime

openingen, die zij bij warm en helder weder maken, worden, als er

regen ophanden is, gesloten gehouden of op nieuw verstopt. Kleine

balkjes worden erin gesleept, de dan overblijvende tusschenruimten

met andere houtjes verstopt, totdat de poort aan het regenwater geen

toegang meer verschaft.

(5). Tot de afwijkende nesten rekent men die, welke in geen der vorige

groepen thuis behooren, zooals de nederzettingen van Mieren in spleten

van muren en rotsen, in menschelijke woningen, enz.

De Mieren houden zich niet strikt aan één bepaalden bouwtrant, maar

weten zich bij de keuze en de inrichting van haar woning beter naar

de omstandigheden te schikken dan de meeste andere Insecten. Hoewel

sommige soorten zich bijna uitsluitend onder steenen vestigen, andere

(Camponotus b.v.) zich bij voorkeur in vermolmd hout ophouden,

nemen allerlei Mieren, verreweg de meeste inheemsche althans, ook

andere verblijfplaatsen voor lief en eigenen zich o.a. verlaten

nesten van verwante soorten toe. Uit den aard van het nest kan men

dus niet altijd met zekerheid afleiden, door welke soort van Mieren

het bewoond wordt. De houtbewoners maken zelfs de houtige gallen

van verschillende Galwespen voor eigen gebruik geschikt, zoodra de

oorspronkelijke bewoners deze opzwellingen verlaten hebben.

Bij het bouwen en instandhouden van het nest spelen de bovenkaken en

de voorschenen een hoofdrol; de werkmieren verrichten dezen arbeid

en bovendien alle huiselijke bezigheden; dat dit deel van hun taak

niet gemakkelijk is, zal ons blijken, als wij de verzorging van de

jongen nagaan. Bij de Mierensoorten, welker arbeidsters tweeërlei vorm

vertoonen, schijnt een zekere verdeeling van den arbeid voor te komen;

men heeft althans opgemerkt, dat de grootkoppige zoogenaamde soldaten,

die bij de rooftochten, welke sommige Mierensoorten ondernemen en

waarvan andere de slachtoffers zijn, niet zoo zeer als verdedigers dan

wel als aanvoerders en gidsen optreden; met hunne grootere bovenkaken

verscheuren zij het vleesch en dergelijken buit en stellen hierdoor de

minder forsch gebouwde arbeidsters in staat, om stukjes geëvenredigd

aan haar lichaamskracht weg te slepen. Bovendien zal men dikwijls

kunnen waarnemen, dat bij werkzaamheden, waarvoor de kracht van

een enkele arbeidster niet voldoende bleek te zijn, een tweede en

een derde komt helpen, zoodat met vereende krachten dikwijls een

schijnbaar onmogelijke taak tot een goed einde wordt gebracht.

De moederlijke zorgen van de Werkmieren, strekken zich uit over

de eieren, larven en poppen. De langwerpige, witte of lichtgele

eieren--die zich later een weinig uitzetten en aan het eene einde

krommen, waarbij zij tevens een glasachtig voorkomen verkrijgen--worden

door het wijfje in een der kamers op een hoopje gelegd. De arbeidsters

nemen ze een voor een op; door er ijverig aan te likken, voorzien zij,

naar 't schijnt, de kiem van een als voedsel dienend doorschijnend

vocht. Als het warm weer is, worden de eieren naar een bovenverdieping

van de woning vervoerd, bij ongunstige weersgesteldheid daarentegen

naar dieper gelegene vertrekken overgebracht. Dezelfde zorgen

vereischen de larven, die bovendien met uitgebraakte druppels vocht

gevoederd en door likken van het aanhangende vuil bevrijd worden. Ook

de poppen krijgen, al naar het weer voor haar ontwikkeling al of niet

gunstig is, in verschillende gedeelten van het gebouw een onderkomen

en worden nu eens naar de eene, dan weer naar de andere plaats

overgebracht. Zoodra men een steen optilt, die een mierennest bedekt,

aan welks oppervlakte de poppen, wegens den zonneschijn, vertoeven,

snellen de zorgvuldige verpleegsters onmiddellijk toe, grijpen ieder

een van hare pleegkinderen en trachten het tegen gevaar te beschutten

en in veiligheid te brengen door er ten spoedigste mede binnen in het

nest te verdwijnen. Wanneer de jonge Mier gereed is om haar cocon

te verlaten, bieden de arbeidsters haar de behulpzame hand, door

het spinsel te verscheuren, welke arbeid bij alle overige Insecten

aan het jonge dier zelf wordt overgelaten. De zorg voor het kroost

bereikt dus bij de Mieren een nog hoogeren trap van volkomenheid dan

bij de overige gezellig levende Vliesvleugeligen.

De gevleugelde mannetjes en wijfjes, die op bepaalde tijden, vooral in

Augustus, in het nest verschijnen, houden zich een tijdlang daarbinnen

verborgen; de wijfjes verrichten hier eenige huiselijke werkzaamheden;

zij zijn behulpzaam bij het vervoeren van de larven en poppen. Daarna

echter dartelen de voortplantingsmieren eenige dagen lang, als

door razernij bevangen, in de lucht rond, verheffen zich tot een

aanzienlijke hoogte en begeven zich soms op grooten afstand van het

nest. De wijfjes, die weer in de nabijheid van het nest neerstrijken,

worden door de arbeidsters gegrepen en in de woning teruggebracht,

waar zij weldra hare vleugels verliezen, daar deze uitvallen of

afgebeten worden. De mannetjes komen niet in 't nest terug, maar

vinden gedurende het zwermen den dood. Duizenden voortplantingsmieren

worden den buit van Vogels. Soms hebben hare zwermen onder de menschen

vrees en schrik verbreid; vooral wanneer de gevleugelde Mieren van een

uitgestrekt gebied, tot een wolk vereenigd, om een kerktoren zweefden

en voor rook werden aangezien. Den 2en Augustus 1687, des namiddags

om 3 uur, gaf dit verschijnsel aanleiding tot het gerucht, dat er

brand zou zijn in den toren van de St. Elisabethskerk te Breslau. Een

Engelsche scheepsdokter bericht, dat in September 1814 een 2 1/2 à 3

1/4 M. breede en 15 cM. hooge zwerm van groote Mieren het water over

een afstand van 8 à 10 KM. bedekte.

Op twee verschijnselen uit het zoo merkwaardige leven der Mieren

moeten wij nog de aandacht vestigen, n.l. op de betrekking tusschen

haar en dieren van een andere soort, die hetzelfde nest bouwen en die

men door de namen "slaven" en "vrienden" onderscheidt. Wanneer men

twee soorten van Mieren in hetzelfde nest aantreft, spreekt men van

een gemengde kolonie. Hierbij kunnen zich twee verschillende gevallen

voordoen. Het kan voorkomen, dat de eene soort in hare drie vormen

bij de andere inwoont; in dit geval spreekt men van gasten. Wanneer

daarentegen van de eene soort uitsluitend arbeidsters in het nest

gevonden worden en deze door de ware eigenaressen van de woning in

den toestand van larven of poppen uit een ander nest geroofd zijn,

noemt men deze slaven, gene roofmieren.--Tot de Gastmieren behoort

de kleine, glinsterende, geelachtig roode Stenamma westwoodi,

die nooit zelfstandig, maar steeds als gast van Formica rufa of

F. congerens aangetroffen wordt, zoodat men wel moet aannemen,

dat zij zonder de genoemde soorten niet zou kunnen bestaan.--Een

Roofmier is Formica sanguinea, in welker nest men arbeidsters van

Formica fusca, F. cunicularia en soms, doch zelden, ook van Lasius

alienus vindt, die alle als larven of poppen naar het vreemde nest zijn

overgebracht. Met dit doel begeven zich geheele legers van Bloedroode

Roofmieren (die natuurlijk uitsluitend uit arbeidsters bestaan) naar

de nesten van leden der 3 laatstgenoemde soorten, overweldigen ze en

dooden alle bewoonsters, die zich te weer stellen. De arbeidsters,

die zich in het vreemde nest uit de als buit medegenomen larven en

poppen ontwikkelen, verrichten hier huiselijke werkzaamheden, alsof

zij zich te midden van hare soortgenooten bevonden. De bedoeling,

waarmede deze kinderroof geschiedt, ligt nog in 't duister, daar de

geslachtlooze Bloedroode Roofmieren zich met denzelfden arbeid bezig

houden als hare slaven. Anders is het gesteld met de Amazonemier

(Polyergus rufescens). Zij rooft de larven van Formica fusca en

F. cunicularia en geeft door zulke ondernemingen bewijzen van haar

buitengewoon krijgszuchtigen aard, maar is overigens zoo afkeerig van

den arbeid, dat zij verhongeren zou zonder de hulp van hare slaven,

die haar van voedsel voorzien.

De Mierenvrienden (Myrmecophilen), die eveneens de mierennesten

bewonen, behooren tot zeer verschillende orden van Insecten. Men

kan ze in drie groepen rangschikken. (1) Die, welke uitsluitend

gedurende den larvetoestand en als poppen te midden van de Mieren

wonen en door deze als onschadelijke commensalen geduld worden. Een

voorbeeld hiervan is de op een engerling gelijkende larve van de

Gewone Gouden Tor (Cetonia aurata), die zooals gezegd is, zich

voedt met de rottende stukjes hout van het onderste gedeelte van

het nest van de Boschmier. (2) Andere mierenvrienden leven als imago

in mierennesten, maar worden, behalve hier, ook op andere plaatsen

aangetroffen. Dit geldt van verscheidene Krengtorren (Hister),

van Kortschildige Kevers, van Bladluizen, die niet vrijwillig, maar

door de Mieren overgebracht, bij haar als melkkoeien moeten leven. De

Mieren betasten deze Insecten met de sprieten, belekken hen en weten

hun door allerlei liefkoozingen een zoet vocht te onttroggelen; zij

"melken" ze, zooals men zegt. Om dit gemakkelijker te kunnen doen,

rooven zij deze weerlooze, zwakke diertjes, vervoeren ze naar hare

nesten en leggen hierdoor volstrekt geen moederlijke genegenheid,

maar een zeer gewoon egoïsme aan den dag. Dikwijls omgeven de Mieren

een gezelschap van Bladluizen met een soort van wand, die van aarde

of van andere bouwstoffen vervaardigd is, vervoeren de eieren van de

genoemde dieren naar een door haar gebouwden stal of brengen door een

overdekte gang haar nest in gemeenschap met een troep Bladluizen. In

dit geval spreekt men van "bladluisstallen". In warme landen, waar

de Bladluizen ontbreken, wordt haar plaats in de "stallen" ingenomen

door de nauw aan haar verwante kleine Cicaden. (3). Tot een derde

groep van mierenvrienden behooren die, welke in alle levenstijdperken

uitsluitend in de nesten van bepaalde soorten van Mieren aangetroffen

worden en zonder deze volstrekt niet zouden kunnen bestaan. Dit

geldt van den Gelen Knotskever met zijne verwanten en van een nog

grooter aantal Staphylinen.--Men kent tegenwoordig omstreeks 600

soorten van Insecten uit alle orden, doch hoofdzakelijk uit die der

Kevers, welke tot de eene of de andere van de drie genoemde groepen

van mierenvrienden gebracht kunnen worden. De meeste zijn gevonden

in de nesten van de Zwarte Houtmier (Lasius fuliginosus) en van de

Roode Boschmier (Formica rufa), bij deze 100, bij gene 150 soorten;

van slechts weinige is echter tot dusver de betrekking, waarin zij

tot hare gastheeren staan, voldoende bekend.

De oudste fossiele Mieren heeft men gevonden in lagen van de

Lias-formatie; deze leefden dus in een der oudste afdeelingen van het

secundaire tijdvak (waarin achtereenvolgens de trias-, lias-, jura-

en krijtlagen zich hebben afgezet). In het tertiaire tijdvak kreeg

deze familie zulk een grooten omvang, dat geen andere Insecten-familie

haar evenaarde, wat het aantal soorten en geslachten betreft. De

leigesteenten van Oeningen (in het Badensche meergebied) zijn dikwijls

letterlijk bedekt met afdruksels van Mieren. Ook in het barnsteen treft

men vele Mieren aan, voor 't meerendeel echter gevleugelde vormen.

De ± 1250 thans nog levende soorten van Mieren heeft men in

5 onderfamiliën verdeeld. Bij (1) de Kliermieren (Formicidae)

bestaat de achterlijfssteel uit één schubdragend lid en vertoont het

eigenlijke achterlijf in 't geheel geen insnoeringen. (2) De Tangmieren

(Odontomachidae) stemmen door den bouw van het achterlijf met de leden

van de vorige groep overeen; hare wijfjes en arbeidsters bezitten een

gifangel. (3) Bij de Angelmieren (Poneridae) merkt men tusschen het

eerste en het tweede lid van het eigenlijke achterlijf een insnoering

op; den angel en den éénledigen achterlijfssteel hebben zij gemeen

met de vorige groep en ook met (4) de Blinde Mieren (Dorylidae),

zoo genoemd, omdat de wijfjes en de werkmieren geen oogen hebben. (5)

Een tweeledige achterlijfssteel kenmerkt de Knoopmieren (Myrmicidae),

welker wijfjes, evenals de vrouwelijke leden der 3 vorige groepen

met een angel gewapend zijn.

De grootste Middel-europeesche Formiciden behooren tot het bij ons

voorkomende geslacht der Kromrugmieren (Camponotus). De Paardemier

(Camponotus herculeanus afgebeeld: fig. B) bewoont boschrijke

bergstreken en bouwt haar nest in het onderste gedeelte van oude

boomstammen, die des zomers in den zwermtijd, soms zwart zien van deze

Insecten; vooral de (soms wel 17.5 mM. lange) wijfjes trekken dan zeer

de aandacht. De gele, donker geaderde vleugels, steken ver voorbij

het achterlijf uit. Het grootendeels glanzig zwarte lichaam vertoont

bij nader onderzoek een grijzen weerschijn wegens de korte haartjes,

die het bedekken. De mannetjes en de arbeidsters zijn op het borststuk

glansloos en worden 8 à 11 mM. lang. Met denzelfden naam wordt een

tweede, minstens even groote, Duitsche soort (Camponotus ligniperda)

aangeduid, die zich van de vorige onderscheidt door donkerroode

vlekken op het borststuk. Beide zijn voor de houtteelt schadelijk,

daar zij niet slechts vermolmde, maar ook volkomen gave stammen

(vooral van naaldboomen) tot woonplaats kiezen en het hout in eene

sponsachtige massa veranderen.

De Roode Boschmier (Formica rufa, fign. A en C) heeft een bovenwaarts

gerichte, bijna omgekeerd hartvormige, scherprandige schub op den

achterlijfssteel, een bruinrood, met borstels begroeid borststuk

met zwartachtige vlekken en bruine pooten; dit geldt van de 4, 5

à 6 mM. lange werkmier. Het mannetje is effen bruinzwart, met een

door fijne haartjes veroorzaakten, aschgrauwen weerschijn; het is

11 mM. lang, ruim 1 mM. langer dan het glanzig zwartbruine à zwarte

wijfje, wier achterlijf van voren en van achteren bruinrood is en dat

geelachtig getinte vleugels heeft. Deze soort bewoont geheel Europa,

Azië tot Oost-Indië en Noord-Amerika. Van alle inheemsche Mieren

bouwt zij de grootste nesten; van haar vooral zijn de voor vogelvoer

bestemde mierenpoppen (de zoogenaamde miereneieren) afkomstig. Om deze

te verkrijgen worden de Mieren met larven en poppen in zakken geschept

en naar een opene, liefst zandige plek gebracht, waar een terrein

van 10 à 15 M2 geëffend, met een walletje omgeven en van eenige met

dennenrijs toegedekte gaten ter grootte van een menschenhoofd voorzien

wordt. De mierenvangers schudden hier hunne zakken leeg en wachten,

totdat de werkmieren de larven en poppen in de kuilen hebben gebracht,

die niet de veilige bergplaatsen zijn, waarvoor zij gehouden werden,

daar de op buit beluste mensch ze weldra ledigt. Alleen in het kleine

dorpje Hinterwildalpen in Stiermarken, verzamelde men ieder jaar,

volgens Henschel, 50 à 70 HL. gedroogde cocons en doodde dus 96 à 134

millioen poppen. Dit bedrijf is in sommige landen, o.a. in Pruissen,

verboden wegens de groote diensten, die de Roode Boschmier (evenals

vele andere Mieren) aan de boschcultuur bewijst door het verslinden

van schadelijke Insecten. Deze worden in de nabijheid van hare nesten

geheel uitgeroeid.--De Roode Boschmier overwintert op een diepte van

1 M. in den grond.

Het gemis van een angel wordt aan de Formiciden vergoed door het bezit

van buitengewoon groote gifklieren, welker inhoud door sommige soorten

tot op aanzienlijken afstand kan worden uitgespoten. Dientengevolge

wordt aan de hand, waarmede men eenige malen tegen het nest van de

Roode Boschmier heeft geklopt, een eigenaardige, aromatische geur

waargenomen. Eens had Taschenberg dit gedaan op een nest, dat aan den

rand van het woud en tamelijk hoog gelegen was, zoodat het door de

toen juist ondergaande zon beschenen werd. Eenige oogenblikken later,

omkijkend naar de Mieren, die ter verdediging van haar woning waren

toegesneld en duidelijk haar toorn te kennen gaven, vertoonde zich

een prachtig schouwspel; honderden van zilverkleurige fonteintjes,

door de zonnestralen verlicht, verhieven zich tot op een hoogte van

62 cM., en gaven, terugvallend, aanleiding tot een fijnen nevel, die

de lucht met geurige dampen bezwangerde. Een seconde later was dit

voorbij; uit het geritsel der losse bestanddeelen van het nest, dat in

de plechtige avondstilte op een afstand van vele schreden hoorbaar was,

bleek echter, dat de opgewondenheid van het mierenvolk nog voortduurde.

Op een (weinig in 't oog loopend) verschil in vorm van de sprieten,

van de voorhoofdslijsten en van den achterlijfssteel berust de

scheiding van het geslacht der Lasiën (Lasius) van dat der Formicinen

i.e.z. (Formica). Deze, waarvan 5 soorten in ons land gevonden zijn,

nestelen uitsluitend in den grond; gene, waarbij 9 inheemsche, bouwen

haar nest op zeer verschillende plaatsen. Dat van de Glanzig Zwarte

Boschmier (Lasius fuliginosus) wordt in oude boomstammen gevonden,

zoowel in die, waarvan het hout nog samenhang genoeg bezit om het

graven van gangen toe te laten, als in zulke, die door het knagen

van den tand des tijds reeds in molm veranderd zijn, dat dan, met

speeksel gemengd, de bouwstof van de gangen en kamers levert. Met

uitzondering van het Pyreneesche en het Balkan-schiereiland, bewoont

deze soort geheel Europa.--De Dofzwarte Tuinmier (Lasius niger),

die in geheel Europa en in Noord-Amerika, ook op Madeira, gevonden

wordt, nestelt, al naar het uitkomt, in den grond, in holle boomen,

tusschen mos, in spleten van rotsen en muren, enz.--De Gele Weidemier

(Lasius flavus), bekend door hare zeer pijnlijke beten, bouwt nesten

in den grond op weiland. Steeds hebben de grassen in de onmiddellijke

nabijheid van dit nest een minder welig uiterlijk dan elders, daar hare

wortels tot woonplaats dienen aan de Bladluizen, welker uitwerpselen

een belangrijk deel van het voedsel der Gele Mieren uitmaken. In 't

najaar ontstaan uit de geslachtlooze Bladluizen wijfjes en mannetjes,

welker eieren met een harde schaal omgeven zijn. De Mieren verzamelen

deze eieren en brengen de hieruit voortkomende Insecten op de planten,

welker sap hun tot voedsel dient. Op deze wijze verzekeren zij zich

van het bezit van een behoorlijk aantal "melkkoeien".

Hoogst merkwaardig is de levenswijze van de Honigmier (Myrmecocystus

mexicanus of M. melliger), die op de hoogvlakten van Mexico,

Nieuw-Mexico en Zuid-Colorado onderaardsche nesten bewoont. Het nest

is van aarde gebouwd en onder een grintheuveltje gelegen; het bestaat

uit verscheidene verdiepingen met vele gangen en vertrekken. Sommige

kamers, welker gewelf niet glad gemaakt is, bevatten een aantal

Mieren, die zich met de pooten vasthouden aan de oneffenheden van

den zolder. Van de overige arbeidsters verschillen zij door haar

achterlijf, dat een bolronde, barnsteenkleurige blaas vormt ter

grootte van een kruisbes tengevolge van de groote hoeveelheid honig,

die in den krop is opgehoopt en 7/8 van het geheele lichaamsgewicht

uitmaakt. De chitineplaten, die bij gewone Mieren tegen elkander

sluiten, zijn door het rekken van de haar verbindende huid ver van

elkander verwijderd. Naar het schijnt, vormen deze "honigzusters"

geen afzonderlijke kaste, maar zijn gewone, door ouderdom voor andere

werkzaamheden ongeschikte arbeidsters. Om den honig te verzamelen,

waarmede deze levende kruiken volgepropt zijn, begeven de als

"fourrageurs" dienende werkmieren zich na zonsondergang naar boschjes

van een soort van dwergeiken, die kleine, bruinroode gallen dragen,

welke, zoolang zij nog door de made van de Galwesp bewoond worden,

aan haar oppervlakte druppeltjes van een aangenaam zoet smakend

vocht uitzweeten. Hiermede vullen de fourrageurs zich den krop,

welks inhoud zij in het nest weer afgeven aan arbeidsters van iets

grooteren omvang, die het ten tweede male uitgebraakte vocht aan de

honigzusters leveren, en door voortdurende oefening in het afwisselend

sterk vullen en ledigen van den krop langzamerhand voor de functie van

bergplaats geschikt worden. Natuurlijk wordt de opgegaarde voorraad

in tijden van nood door de bewaarsters afgestaan aan hare verwanten.

Een soortgelijke levenswijze heeft de in Australië voorkomende

Camponotus inflatus.

De kleine onderfamilie der Tangmieren (Odontomachidae) is tot Azië en

Zuid-Amerika beperkt; het meest trekken hare wijfjes en arbeidsters

de aandacht door de zeer lange, smalle, aan de binnenzijde met 3

tanden gewapende bovenkaken, die vóór den buitengewoon langwerpigen

kop uitsteken.

De onderfamilie van de Angelmieren (Poneridae) bestaat hoofdzakelijk

uit bewoners van de keerkringsgewesten der beide halfronden en bevat

slechts weinige Europeesche (geen inheemsche) soorten. Een van deze

(Ponera contracta) wordt, behalve in Afrika en Noord-Amerika, ook

in een groot deel van Europa (tot dicht bij onze grenzen, n.l. bij

Aken, en in verder noordwaarts gelegen landen, o.a. bij Kopenhagen)

gevonden. Zij is slechts 2.5 à 3 mM. lang (de werkmier); de door haar

gevormde, zeer kleine koloniën nestelen in den grond onder struiken

en mos.

Sommige Afrikaansche Poneriden bereiken een aanzienlijke grootte,

zijn met lange, smalle bovenkaken gewapend en richten als "trekmieren"

(zie onder) een groote slachting aan onder de Termieten.

Hoewel geen der Mieren tonen voortbrengt, die voor ons gehoororgaan

waarneembaar zijn, heeft men bij eenige soorten, o.a. bij de Poneriden,

een sjirp-apparaat ontdekt, dat hier den vorm aanneemt van een zeer

fijn getande rasp op den 2en en 3en achterlijfsring.

De Blinde Mieren (Dorylidae), welker drieërlei vormen zeer onvolledig

bekend zijn, komen uitsluitend tusschen de keerkringen (Oost-Indië,

Senegambië, Brazilië) voor.

De West-Afrikaansche Trekmier (Anomma arcens) heeft arbeidsters van

tweeërlei slag: kleine werkmieren en grootere (soms 11 mM. lange)

soldaten. Zij hebben geen vaste woonplaats, maar leiden een nomadisch

leven, hoogstens tijdelijk halt houdend, wanneer voor de wijfjes, die

zich bij het leger bevinden, de tijd van 't eierenleggen aanbreekt,

daar zulke wijfjes zeer omvangrijk en moeielijk te vervoeren

zijn. De larven en poppen worden, naar nomadenaard, meegedragen;

evenals de echte nomaden, staan deze Mieren op een lagen trap van

"beschaving". Een rotsspleet of een andere holte van geringe hoogte

dient haar tot schuilplaats, totdat zij een oord hebben leeggeroofd;

daarna vervolgen zij haar weg. Toch zijn zij in het metselen van

gangen zeer bedreven. Hoewel hare tochten uitsluitend 's nachts of

op donkere dagen ondernomen worden, komt het soms voor, dat zij tot

laat in den morgen onderweg zijn of op een zonnigen dag de reis moeten

voortzetten; in dit geval bedekken zij gedurende den marsch haar weg

met een gewelf van aardkluitjes, door speeksel aaneengevoegd. Als het

pad tusschen dicht gras of onder afgevallen bladen door leidt, blijft

het bouwen achterwege, althans in oorden, die overal dicht begroeid

zijn. Deze Mieren sterven binnen weinige minuten, wanneer zij aan de

directe werking van de zonnestralen blootstaan en wel des te sneller,

naarmate de weerkaatsing van de omringende voorwerpen de temperatuur

tot grootere hoogte doet stijgen. Gedurende hare tochten maken zij

jacht op alle levende wezens, die zich op haar weg bevinden. Voor

een leger van Trekmieren is zelfs de mensch genoodzaakt het veld

te ruimen. De reusachtige West-Afrikaansche Afgodslang, die een

lengte van 6 à 7 M. bereikt, laat haar buit in den steek en vlucht

ten spoedigste bij de nadering van deze roofzuchtige heirscharen. Wel

bestaat er reden om hen te vreezen. De Insecten zouden hun slachtoffer

bij duizenden overvallen, in de eerste plaats zijne oogen aantastend,

en er na weinige uren slechts een zuiver schoongeknaagd skelet

van overlaten. Voor de Negers, die deze landen bewonen, zijn de

Trekmieren een groote plaag, "want deze," zeggen zij, "ontrooven

ons 't geen wij het liefst hebben op aarde, n.l. onze Hoenderen en

onzen slaap." Werkelijk is het in sommige tropische gewesten bijna

niet mogelijk pluimvee te houden, daar de Mieren de jonge kuikens

overvallen, nog voordat zij de eischaal geheel verlaten hebben. Soms

dringen de Trekmieren op hare nachtelijke rooftochten ook in bewoonde

huizen door: een algemeene vlucht van de Ratten, Muizen, Hagedissen,

Kakkerlakken en ander ongedierte verraadt de aankomst der gevreesde

Insecten; ten spoedigste moeten ook de menschelijke bewoners het bed

verlaten en in de vrije natuur hun heil zoeken.

De grootste verscheidenheid van vormen treft men aan in de onderfamilie

van de Knoopmieren (Myrmicidae), die zich kenmerkt door den tweeledigen

achterlijfssteel en door den angel der wijfjes en der werkmieren.

De inheemsche Mieren (die wij slechts kort kunnen behandelen, om plaats

te winnen voor de beschrijving van de merkwaardige levenswijze van

eenige harer uitheemsche verwanten) verzamelen geen wintervoorraad,

gebruiken gedurende het ongunstige jaargetijde in 't geheel geen

voedsel en eten ook in de overige tijden van het jaar geen anderen

plantenkost dan honig en dergelijke zoete stoffen. Anders is het

gesteld bij sommige uitheemsche soorten en meer bepaaldelijk bij

verscheidene Myrmiciden. Reeds door de schrijvers der oudheid

werd hierop gezinspeeld; hunne mededeelingen, die aanvankelijk in

twijfel werden getrokken, berusten, zooals later gebleken is, op goede

gronden. Van minstens 14 soorten van Myrmiciden is thans met zekerheid

bekend, dat zij zaden in hare nesten verzamelen: 3 Zuid-Europeesche

(Atta capitata, A. barbara, A. stricta), 5 Noord-Amerikaansche,

2 Zuid-Amerikaansche en 4 Oostindische. Bij voorkeur nemen deze

Oogstende Mieren zaden van granen en andere grassen mede. Sommige

zien bovendien kans het kiemen van deze zaden te voorkomen. Hoe zij

dit doen, weet men niet; wel blijkt uit de proeven van H. Bos, dat

de angel hiervoor voldoende is, daar het steken van zaden met een

fijne speld en het brengen van een oplossing van mierenzuur in de

wonde het kiemingsproces verhindert.

Uit hetgeen door Lincecum van een Texaansche soort wordt bericht,

zou voortvloeien, dat de Mierenfamilie, die, zooals reeds gezegd is,

veefokkers onder hare leden telt, ook vertegenwoordigers heeft, die

den landbouw beoefenen, d.w.z., niet slechts oogsten, maar ook den

akker voor de ontvangst van het zaad gereed maken. Hoewel het zaaien

zelf, volgens latere onderzoekers, bij toeval geschiedt, zullen wij

de bedoelde soort (Pogonomyrmex barbata) den naam van Landbouwende

Mier, dien de ontdekker haar gaf, laten behouden. Haar volk bestaat,

behalve uit mannetjes en wijfjes, uit tweeërlei slag van arbeidsters,

de gewone en de grootkoppige of zoogenaamde soldaten; beide zijn

tamelijk groot en bruin van kleur (ieder gemiddeld 15 mM. lang, 8

mM. breed en 2.5 mM. hoog). Het nest wordt op een opene, zonnige plek

in den grond gebouwd; de voorraadschuren zijn tot op een diepte van

2.5 M. beneden de oppervlakte gelegen; het hierboven uitstekende deel

verschilt van vorm, al naar de gesteldheid van den bodem. Gewoonlijk

is het een schijfvormige verhevenheid van 8 à 15 cM. hoogte, in 't

midden voorzien van een opening, die zich op een gemiddelden afstand

van 95 à 125 cM. van den omtrek bevindt. In lagere streken, die meer

aan overstrooming blootstaan, krijgt het bovenaardsche deel van het

nest een kegelvormige gedaante. In beide gevallen worden tot op een

afstand van 1.5 à 2 M. van het middelpunt van het nest alle kruiden

(gras, salie, madeliefjes en andere gewone weideplanten) zorgvuldig

uitgeroeid; slechts aan den rand blijven stoppels staan. Op het dus

ontgonnen terrein schiet ieder jaar een eigenaardige, gele grassoort

welig op; men heeft haar "mierenrijst" (Aristida stricta) genoemd;

bovendien wordt hier ook het "buffelgras" (Buchla dactyloides)

geduld. Deze grassen groeien op duidelijk vaneengescheiden perken,

zooals het graan in onze bouwstreken. Van verre reeds ontwaart men te

midden van de andere planten de met geel gras begroeide akkers van de

Mieren. Lincecum onderstelde, dat zij de zaden van haar lievelingsgras

opzettelijk uitzaaien; Mac-Cook evenwel is tot de meer aannemelijke

conclusie gekomen, dat de bedoelde zaden bij het vervoer van voorraad

naar het nest op het opene terrein zijn blijven liggen. In allen

gevalle laten de Mieren op de plek, die zij zorgvuldig van alle andere

planten zuiveren, het haar zoo goed bekende gras staan en besparen

zich op deze wijze de moeite van een verren tocht voor het verzamelen

van hun lievelingsvoedsel. Zij plukken de graanvruchten niet af,

maar rapen ze op, nadat zij op den grond gevallen zijn, schillen ze

in bepaaldelijk hiervoor bestemde vertrekken van haar nest, bergen de

korrels in de voorraadkamers en werpen het kaf buiten haar woning op

een hoop. Indien het zaad door den regen nat geworden is, brengen de

Mieren het ter geschikter tijd weer boven den grond en spreiden het

uit om het te laten drogen.

Een andere, in Florida levende Oogstende Mier (Atta crudelis) sleept

den zadendragenden stengel naar haar nest, in plaats van te wachten,

tot de zaden op den grond vallen, doch heeft overigens dezelfde

levenswijze als de vorige soort.

De Zuid-Amerikaansche Roofmieren (Eciton) bewonen Brazilië; van

eenige strekt zich het gebied tot in Mexico uit; tot dusver kent

men er alleen de arbeidsters van. Door de inboorlingen van het

Amazonen-gebied worden zij Touóca genoemd. De meeste hebben slechts 1

paar enkelvoudige oogen, die de plaats van de samengestelde innemen;

sommige zijn blind. Tot groote legers vereenigd, gaan zij op roof

uit, vergezeld door een soort van Vliegen (Stylogaster), die met

aanhoudende, trillende bewegingen van de vleugels op een afstand van

hoogstens 3 dM. boven de trekkende scharen in de lucht zweven om,

eensklaps naar beneden schietend, met behulp van haar langen legboor

de mierenlarven, die door hare verpleegsters medegevoerd worden,

met een ei te belasten. Van nagenoeg iedere soort van Eciton valt

iets eigenaardigs te vermelden met betrekking tot de wijze, waarop

de rooftochten worden ondernomen; ook de samenstelling van de benden

is ongelijk. Eciton rapax, de grootste soort van haar geslacht,

daar sommige arbeidsters een lengte van 13 mM. bereiken, trekt

in kleine afdeelingen door het woud en schijnt zich vooral bezig

te houden met het plunderen van de nesten eener Formica-soort. De

legers van de aanmerkelijk kleinere Eciton legionis bestaan uit vele

duizenden individuën, die in breede kolommen voortrukken en vol woede

aanvallen op al wat zich tegen hun beweging verzet. Twee andere,

zeer algemeene soorten (Eciton hamatum en E. drepanophorum) trekken

in scharen van duizenden stuks door de wouden langs de oevers van den

Amazonenstroom. Voordat een voetreiziger zulk een mierenleger ontmoet,

wordt hij op de nabijheid dezer Insecten opmerkzaam gemaakt door een

kleinen zwerm van effen gekleurde Vogels, Mierenlijsters genaamd,

die luid kweelend te midden van het dichte struikgewas onrustig

rondfladderen. Als hij, deze waarschuwing in den wind slaande, nog

eenige schreden verder gaat, wordt hij onverhoeds door de kleine

Roofmieren aangevallen, die bij troepen ongeloofelijk snel bij zijne

beenen opkruipen, de kaken in zijn huid slaan en, hierop steunend, de

spits van het achterlijf naar voren ombuigen, om zoo krachtig mogelijk

te steken. Het eenige middel om aan de verwoede diertjes te ontkomen,

is, zich zoo schielijk mogelijk naar het andere uiteinde van de colonne

te begeven. De aanvallers hebben de kaken zoo stevig gesloten, dat

het niet mogelijk is ze los te rukken zonder het dier te verscheuren,

waarbij de kop aan de wonde blijft hangen. Op den ongelukkigen reiziger

hadden zij het oorspronkelijk niet gemunt; hij kwam eenvoudig te

dicht bij de plaats waar de Roofmieren in de wildernis haar bedrijf

uitoefenen, dat algemeen schrik en opgewondenheid verbreidt. Vooral de

ongevleugelde Gelede Dieren (Spinnen, andere Mieren, Maden, Rupsen,

Pissebedden, enz.) hebben voldoende redenen om voor de Roofmieren op

hun hoede te zijn.

De Visite-mier (Oecodoma cephalotes) is in geheel Zuid-Amerika onder

den naam Saoeba bekend; zij wordt gevreesd, omdat zij de kostbaarste

boomaanplantingen van bladeren berooft en overal, waar zij in

buitengewoon grooten getale optreedt, de landbouw bijna onmogelijk

maakt. De Indianen beschouwen het met eieren gevulde achterlijf

van het wijfje als een kostelijke lekkernij; zij bijten het af en

gebruiken intusschen nu en dan een weinig zout. Als zij een grooten

voorraad van deze hapjes verzamelen kunnen, roosteren zij ze met zout;

het dus bereide gerecht wordt, naar men bericht, ook door Europeanen

smakelijk gevonden.

De gewoonten van deze Mieren stemmen in vele opzichten overeen met die

van de algemeen bekende Europeesche soorten. Zij bouwen in plantsoenen

en bosschen heuvels van geringe hoogte, die een groote oppervlakte

beslaan. Deze koepels vormen slechts het buitenste bekleedsel van

een diep en ver in den grond verbreid netwerk van gangen met vele

uitwendige openingen, die gewoonlijk gesloten zijn. De heuvels bestaan

uit losse aarde, die uit de diepte naar boven gebracht wordt en daarom

waarschijnlijk een weinig anders gekleurd is dan de omgeving. De

mannetjes en wijfjes zwermen geheel op dezelfde wijze als de onze

tegen den avond en wel in het begin van den regentijd, in Januari en

Februari. De zorg voor de jongen is overgelaten aan de arbeidsters,

welker grootte van 9.5 tot 15 mM. afwisselt en die van drieërlei vorm

zijn. De groote, dikkoppige "soldaten" met krachtige, als knijptangen

werkende bovenkaken, schieten als woedende Honden uit hun woning naar

buiten, als men een nest beschadigt; de middelmatig groote werkmieren

begeven zich iederen dag op weg om stukjes van bladen in te zamelen

en naar het nest te vervoeren; de kleinste zijn met de werkzaamheden

binnenshuis belast, zoodat men ze niet anders te zien krijgt, dan

wanneer zij kluitjes aarde uit het nest moeten verwijderen, waarna

zij echter onmiddellijk in hare gangen terugkeeren. Met de eigenlijke

"bladsnijders", die iederen dag uittrekken, verschijnen bij wijze van

een tot dekking dienende escorte, ook eenige grootkoppige soldaten

buiten het nest. De Saoeba-mieren zijn om twee redenen hoogst lastig

voor de bewoners dezer gewesten. De eene is, dat zij, vooral in de

koffieplantages en sinaasappelboomgaarden, groote schade aanrichten. In

groote troepen brengen zij een bezoek aan de tuinen en beklimmen

een boom; iedere Mier zet zich neer op een blad en snijdt er met de

getande bovenkaken een stuk ter grootte van een kwartje uit, vat het

met de kaken aan, scheurt het los en keert, met dezen buit beladen,

naar den bodem terug om in geregelde orde naar huis te marcheeren. Zulk

een optocht levert een hoogst merkwaardig schouwspel op; iedere Mier

houdt het geroofde stuk, welks onderrand tusschen de kaken is geklemd,

loodrecht omhoog gericht; hieraan danken deze Insecten den naam van

"Parasolmieren". Het op deze wijze verkregen materiaal, gemengd met

de kruimeltjes aarde, die uit de diepte naar boven worden gebracht,

dient tot het overwelven van de onderaardsche galerijen en vooral van

de toegangen van het nest. Een tweede misdrijf van deze Mieren is,

dat zij 's nachts in de huizen doordringen en alle zoete stoffen

rooven, die van haar gading zijn.--

Van de 9 door H. Bos als inheemsch vermelde Myrmyciden is de Roode

Knoopmier (Myrmica ruba, M. scabrinodis) de meest verbreide. Haar kleur

is bruinrood, behalve het eerste segment van 't achterlijf, dat in

't midden donkerbruin is. De arbeidsters zijn 5 à 6, de mannetjes en

wijfjes 8 mM. lang. Het nest wordt aangelegd onder steenen, in tuinen,

op grasperken en weiden, ook in bosschen.

Van de kleine familie der Heterogynen (Heterogyna), die 1200 à 1300

voor 't meerendeel in tropische gewesten levende soorten omvat en

waarvan een tiental vertegenwoordigers hier te lande voorkomen, kan in

't algemeen niet veel anders gezegd worden dan dat het rugschild van

het voorborststuk met zijn achterrand tot aan den vleugelwortel reikt

en dat de wijfjes (geslachtlooze arbeidsters komen hier niet voor)

zich met een flinken gifangel weten te verdedigen. De pooten zijn

meestal kort, ineengedrongen en dicht behaard; alleen de voet is lang.

Het merkwaardige Insect, waarvan hierneven beide seksen zijn afgebeeld

(fign. 1 en 2), is de Europeesche Spinmier (Mutilla europaea). De

wijfjes zijn veel talrijker dan de mannetjes en missen de vleugels. Van

Mieren, waarmede zij bij oppervlakkige beschouwing eenige overeenkomst

vertoonen, kan men ze bij nader onderzoek gemakkelijk onderscheiden

aan haar veel sterkere beharing. De kop is plat, op onregelmatige

wijze gestippeld en hierdoor zeer oneffen; de bijoogen ontbreken. Het

borststuk is niet minder ruw van oppervlakte, vierhoekig van omtrek

en rood van kleur. Het achterlijf is zwart en met aanliggende, zwarte

haren bedekt; de achterste gedeelten van eenige achterlijfsringen

zijn bleek roestgeel. De korte, zwarte pooten zijn ruig, meer door

borstelige haren dan door stekels. Het mannetje kenmerkt zich door

het bezit van bijoogen en van vleugels, waarmede een gewijzigde vorm

van het borststuk gepaard gaat. Bij hem zijn de middelrug en het

schildje bruinrood; de drie lichte strepen op het achterlijf hebben

een zilverachtigen glans; ook zijn onder de zwarte haren van het

achterlijf en de voeten talrijke witte gemengd. Door den 3en en 4en

achterlijfsring over elkander te wrijven kunnen zoowel de mannetjes

als de wijfjes een schellen toon voortbrengen; misschien doen zij

dit om elkander te roepen, daar hun levenswijze zeer uiteenloopt en

hunne gewone verblijfplaatsen dus zeer verschillend zijn.

De wijfjes ziet men in den zomer op zandige wegen en hellingen altijd

eenzaam rondloopen, bedrijvig als Mieren; de mannetjes ontmoet men

veel minder veelvuldig op bloemen en op planten, die met Bladluizen

bezet zijn. Beide zijn geboren in nesten van Hommels, waar hunne larven

een parasitisch leven leiden. Het Spinmier-wijfje legt met haar langen

legboor een ei in de Hommel-larve, die op de gewone wijze ontwikkelt,

een spinsel vervaardigt en hierbinnen in den poptoestand overgaat. In

de cocon vindt het laatste bedrijf van dit drama plaats, waarvan de

ontknooping is, dat er, in plaats van een Hommel, een Spinmier aan

't daglicht verschijnt.

Dat niet alle soorten van Spinmieren zich ten koste van larven van

Hommels ontwikkelen, blijkt in Zuid-Amerika, waar de laatstgenoemde

Insecten zeer schaarsch, de eerstgenoemde evenwel zeer talrijk

zijn. Vele van deze behooren tot de bontste van alle Vliesvleugeligen;

haar uiterlijk herinnert aan dat van sommige Spinnen; op de

Amerikaansche soorten is de naam Spinmier meer letterlijk van

toepassing dan op hare weinig talrijke Europeesche verwanten.

De Roodkoppige Dolkwesp (Scolia haemorrhoidalis) is een van de weinige

Europeesche (niet inheemsche) vertegenwoordigers van het geslacht der

Dolkwespen, dat voornamelijk in de keerkringsgewesten thuis behoort;

sommige soorten worden bijna 6 cM. lang en overtreffen waarschijnlijk

alle overige Vliesvleugeligen in massa. De kenmerken van dit geslacht

zijn: de diepe groeve tusschen de beide eerste achterlijfsringen,

de korte, niet slechts sterk behaarde, maar ook stekelige pooten,

waarvan de beide achterste paren de heupen ver van elkander verwijderd

hebben, de lange, dikke sprieten van het mannetje en de korte, gebroken

sprieten van het wijfje. Beide seksen zijn van vleugels voorzien;

deze vertoonen (evenals bij de mannelijke Spinmieren) het streven naar

onbestendigheid van het beloop der vleugeladers. (De bovengenoemde

en vele andere soorten b.v. hebben 3 onderranden en 2 middelcellen;

ook de omgekeerde getalsverhouding komt echter voor.) Niet minder

afwijkingen vertoont het onderscheid tusschen de mannetjes en de

wijfjes: soms zijn deze nagenoeg gelijk, soms zeer verschillend.

De Roodkoppige Dolkwesp wordt gevonden in Hongarije, Griekenland en

Zuid-Rusland; zooals uit den geslachtsnaam blijkt, is het wijfje van

een uitmuntend wapen voorzien. De zwarte kleur van het lichaam wordt

afgebroken door 2 gele vlekken aan weerszijden van den 2en en den 3den

achterlijfsring. Bij het wijfje zijn ook de bovenzijde van den kop en

het schildje op deze wijze geteekend; bij haar dragen het rugschild

van het voorborststuk en de bovenzijde van den 5en achterlijfsring

roestroode haren. Bij het mannetje is de geheele rug van het borststuk

tot aan het schildje en de bovenzijde van het achterlijf van het 4e

segment af op deze wijze behaard.

Het wijfje van de Javaansche Scolia capitata is 5.9 cM. lang en op

het achterlijf minstens 1.3 cM. breed.

De weinige gegevens, die men over de levenswijze van deze dieren bezit,

doen hen kennen als parasieten. Twee soorten op Madagaskar leven als

maden in de larven van groote Neushoornkevers. Van de Tuindolkwesp

(Scolia hortorum) heeft men iets dergelijks ervaren. Burmeister heeft

een Braziliaansche soort (Scolia campestris) in grooten getale uit

de nesten van de Parasolmier zien komen.

De Wegwespen (Pompilidae), die, evenals de Graafwespen, waarmede zij

vroeger tot een familie werden vereenigd, als voedsel voor hare larven

andere Insecten in gaten van den grond, van muren of van oude houten

voorwerpen opsluiten, vertoonen de volgende kenmerken. Evenals de

reeds genoemde en de beide volgende familiën, hebben zij een éénledigen

dijring. De achterrand van den voorrug reikt, evenals bij de leden der

vorige familie, tot aan den vleugelwortel. De grens tusschen het eerste

en het tweede achterlijfssegment is niet door een groeve aangeduid;

beide zijn dus niet scherper gescheiden dan de overige segmenten. Het

achterlijf is aanhangend; het wordt naar voren en naar achteren een

weinig smaller. Zeer gemakkelijk zijn deze Wespen te onderscheiden van

sommige afwijkende leden der vorige familie aan de lange pooten en de

slanke, rechte sprieten. De kop is afgerond en, evenals het borststuk,

glad en glanzig; het lichaam is slechts weinig behaard; zwart en rood

zijn de heerschende kleuren; soms komt hierbij echter nog een gele

en witte teekening en nog vaker een troebeling van de vleugels. De

mannetjes zijn altijd kleiner dan de wijfjes en verschillen van

deze door hun slankeren lichaamsbouw, de iets dikkere sprieten (die

zich niet, gelijk die van het doode wijfje, binnenwaarts oprollen)

en door de minder krachtige doornen aan de achterscheenen. Nagenoeg

al deze Wespen kenmerken zich door een eigenaardige wijze van

beweging. Zij loopen n.l. met trillende vleugels op den zandigen

bodem, op boomstammen en oude muren zoekend rond, of vliegen er

dicht bij langs en wisselen deze beweging voortdurend met loopen af,

zoodat haar vliegen op huppelen, haar loopen op vliegen gelijkt. De ±

700 soorten van deze familie zijn over de geheele wereld verbreid;

in de heete landen is haar aantal niet veel grooter, haar kleur echter

dikwijls levendiger en haar lengte aanzienlijker dan bij ons.

Typische leden van deze familie zijn die, waaraan zij haar naam

ontleent, n.l. de Wegwespen (Pompilus). Dit geslacht kenmerkt zich door

de gelijke lengte van de beide schoudercellen op de plaats waar zij

aan elkander grenzen, door de aanwezigheid van twee middelcellen en

van drie gesloten onderranddeelen, waarvan de tweede de eerste en de

derde de tweede terugloopende ader opneemt, voorts door het ontbreken

van een dwarsgroeve aan den tweeden buikring van het wijfje. Men

kent een 50-tal Europeesche soorten, waarvan 9 inheemsch zijn. Alle

onderscheiden zich door een verwonderlijke behendigheid en snelheid

van bewegingen; vooral die van het achterlijf geschieden merkwaardig

vlug. Zij nestelen in spleten van muren, gaten van oude palen en

vermolmde boomstammen of in den grond; hier bergen zij als voedsel

voor hare larven Spinnen, rupsen, Mieren, Vliegen en verschillende

andere Insecten, die door een steek met den angel vooraf schijndood

gemaakt zijn.

De Gewone Wegwesp of Spinnendooder (Pompilus viaticus) verschijnt in

't begin van de lente op bloeiende wilgen; men ziet haar gedurende den

geheelen zomer op schralen zandbodem aan 't werk. Het wijfje maakt

kuiltjes in het zand, dat zij zeer behendig en snel, als een Hond

of een Konijn, met de voorpooten uitgraaft en tusschen de overige,

ver zijwaarts geplaatste pooten door achteruitwerpt, totdat zij een

diepte van 8 of meer cM. bereikt heeft. Het voedsel voor de larven

wordt met groote inspanning naar het nest vervoerd, voor een deel er

heengesleept; het bestaat uit verschillende Gelede Dieren, vooral

Spinnen; het vangen van deze prooi aan waterkanten en op wegen gaf

aanleiding tot den naam "Wegwespen". Bij exemplaren, die sinds kort

uit de pophuid kwamen, zijn de donkere vleugels aan de spits bijna

zwart, de voorste achterlijfsringen rood, aan den achterrand met een

zwarten zoom, die althans aan de voorste segmenten van voren in een

spits eindigt; overigens is het achterlijf donkerbruin. De kop en

het borststuk zijn zwart en sterk behaard. Lengte 10 à 16 mM.

Onder den naam van Graaf- of Moordwespen (Sphegidae, Crabronea)

vereenigt men in een familie alle Roofwespen, bij welke de achterrand

van den voorrug de vleugelwortels niet bereikt; niet zelden is dit

rugschild door een geringe insnoering van dat van 't middelborststuk

gescheiden. Deze Insecten stemmen onderling zoomin door lichaamsvorm

als door kleur in gelijke mate overeen als de leden der vorige

familie; integendeel het achterlijf, dat bij sommige door een zeer

langen steel aan het borststuk bevestigd, bij andere "aanhangend"

is, verschaft hun een zeer verschillend voorkomen. Vele zijn in een

zwart, of zwart en rood, of geel en zwart kleed gedost; bij de meeste

echter treft men helder gele, minder vaak witte vlekken en strepen

op zwarten grond aan, die zelfs bij de leden van dezelfde soort op

velerlei wijze verschillen.

Het geslacht der Graafwespen i.e.z. (Sphex) omvat soorten met

een éénledigen, gladden, overal even dunnen, cilindervormigen

achterlijfssteel; geen daarvan is inheemsch. De 20 à 25 mM. lange

Grootkakige Graafwesp (Sphex maxillosus) schijnt in Europa het verst

noordwaarts verbreid te zijn. Twee andere soorten (Sphex flavipennis

en S. albisectus) komen in zuidelijker streken voor; op deze hebben de

volgende mededeelingen betrekking. De eerstgenoemde brengt gewoonlijk 4

Krekels in haar nest; de andere maakt jacht op Veldsprinkhanen van het

geslacht Oedipoda. Zoowel de eene als de andere tracht bij den aanval

op haar prooi deze aan de borstzijde te treffen. Dit geeft aanleiding

tot eene hevige worsteling, daar de forsche, sterk gespierde Krekels

en Sprinkhanen niet spoedig den strijd opgeven, maar zoolang mogelijk

tegenspartelen. Niet altijd laat het slachtoffer zich het onderste

boven werpen; wanneer echter de Sphex zijn tegenstander eens onder

zich heeft, drukt hij met de voorpooten de dikke achterdijen van den

nu vermoeiden springer neer, trapt hem met de voorpooten op den kop

en brengt hem vervolgens twee goed gemikte, vergiftige steken toe. De

eerste treft den hals, de tweede de verbindingsplaats tusschen voor-

en middelborststuk. Nu is de springer weerloos; hij verkeert in

een overgangstoestand tusschen leven en dood; de heerschappij over

zijne spieren heeft hij verloren. Met inspanning sleept de Sphex

den buit naar het vooraf gegraven hol, legt hem voor den ingang neer

om eerst te onderzoeken, of alles in orde is. Veertigmaal achtereen

ontnam Fabre aan een zelfde Wesp, terwijl zij met dit doel afwezig

was, haar slachtoffer en legde het op eenigen afstand neer; telkens

sleepte de Wesp het Insect op nieuw naar haar nest, maar onderzocht

dit steeds opnieuw, voordat zij zich gereed maakte het dier er in te

brengen.--Sphex flavipennis legt een ei op de borst van den Krekel,

tusschen het eerste en het tweede paar pooten. De larve baant zich

een weg door de huid van het weerlooze dier en vreet het in 6 of 7

dagen geheel leeg. Door dezelfde opening begeeft de thans 13 mM. lange

larve zich naar buiten en begint in den regel den tweeden Krekel bij

het zachthuidige achterlijf te verslinden, behandelt vervolgens den

derden op dezelfde wijze en eindelijk den vierden, waaraan zij niet

meer dan 10 uren werk heeft. Nu bedraagt haar lengte 26 à 30.5 mM. en

begint zij zich met een spinsel te omgeven, welke arbeid na 2-maal

24 uren afgeloopen is. Van September tot Juli van het volgende jaar

blijft de larve bewegingloos in den cocon liggen en gaat eerst dan in

den poptoestand over; korten tijd daarna komt het imago te voorschijn.

Een van de grootste, inheemsche Graafwespen is de Rupsendooder

(Ammophila sabulosa), waarvan op de nevenstaande afbeelding

2 exemplaren zijn voorgesteld, het eene met dreigend opgeheven

achterlijf, welke houding de Wesp bij hare wandelingen zeer dikwijls

aanneemt. De zwarte kleur heeft bij haar de overhand; het achterste

lid van den langen, dunnen, tweeledigen achterlijfssteel en de

beide volgende ringen--dikwijls ook het voorste gedeelte van den

3en ring (in ieder geval het buikschild van dit segment)--zijn

lichtrood; aan de zijden van het borststuk komen zilverkleurige

vlekken voor, die door korte haartjes veroorzaakt worden en daarom

bij wrijving verdwijnen. Gedurende den geheelen zomer kan men

deze Wespen op zandgrond, doch ook wel op humusrijken tuingrond,

bedrijvig zien rondsnuffelen en zich bezig houden met de zorg voor

haar nakomelingschap; in haar eigen belang bezoekt zij bloeiende

braamstruiken en andere honigbronnen. Voor het aanleggen van hare

nesten begeven zij zich bij voorkeur naar oostwaarts gerichte, half

ingestorte hellingen van zandgroeven en dergelijke plaatsen, steeds

echter naar een open terrein. Als een Hond, die een gat in den grond

graaft, werpt de Wesp met de voorpooten het zand tusschen de overige

pooten en onder het achterlijf door; zij doet dit zoo haastig, dat

er lichte stofwolkjes omhoogstijgen; intusschen gonst zij op hoogen

toon een vroolijk liedje. De vochtige aarde en de kleine steentjes,

die gewoonlijk in zulk een bodem niet ontbreken, klemt zij tusschen

den kop en de voorpooten, komt, op deze wijze beladen, ruggelings

uit het door haar gegraven gat, doet vliegend een kleinen zijsprong

en laat haar vrachtje vallen. Naarmate het nest dieper wordt, duurt

het langer, voordat zij met een nieuwen last, achterwaarts loopend,

aan den ingang verschijnt; toch geschiedt dit altijd na verloop van

korten tijd. Een niet minder merkwaardig schouwspel levert zij bij het

verzamelen van rupsen voor haar toekomstig kroost; een andere prooi

dan larven van verschillende soorten van Vlinders zoekt zij niet,

steeds echter zulke, die groot en onbehaard zijn. Met deze weerlooze

dieren worden niet veel complimenten gemaakt, door een paar steken

in het 5e of 6e achterlijfssegment stelt de Wesp hen buiten staat

zich willekeurig te bewegen; zij worden niet gedood (daar de maden

versch vleesch verlangen en het doode dier weldra verrotten zou),

maar eenvoudig verlamd en hierdoor gedwongen om in de woning van

de haar verslindende parasiet te blijven. Dikwijls moet een lange,

moeilijke weg afgelegd worden, voordat de Rupsendooder met de soms wel

10-maal zwaardere prooi op de plaats van bestemming is aangekomen. Het

voortsleepen van zulk een last is waarlijk geen geringe arbeid voor

een enkel dier. De gezellig levende Mieren, die soms een dergelijke

taak te vervullen hebben, kunnen in geval van nood op de hulp van hare

makkers rekenen; de Graafwesp daarentegen moet geheel op eigen kracht,

behendigheid en--overleg bouwen. Meestal staat zij schrijdelings boven

het doode dier, als om het te berijden. Met de kaken houdt zij het

vast en sleept het voort, door, vooruit loopend, uit al haar macht te

trekken. Indien haar nest aan den overkant van een kloof gelegen is,

laat de Wesp, bij den rand der steile helling komend, haar vracht

naar beneden tuimelen en vindt deze in de diepte spoedig terug. Om

bij het naar boven sleepen van de rups langs de helling de grootst

mogelijke kracht te ontwikkelen moet de Wesp zich achteruit bewegen

en rugwaarts trekken. Dikwijls ontglijdt haar den buit en heeft

zij zich tevergeefs afgesloofd; dit ontmoedigt haar niet; de arbeid

wordt hervat en eindelijk met een goeden uitslag bekroond. Terwijl

de rups voor de opening van het nest ligt, kruipt de Wesp, niet om

uit te rusten, maar voorzichtigheidshalve, eerst alleen in haar hol;

hier geen onraad bespeurend, keert zij terug om de laatste hand aan

het werk te leggen. Rugwaarts naar binnen kruipend, sleept zij de rups

achter zich aan. Niet altijd geschiedt dit zonder tegenspoed; het kan

voorkomen, dat het schijndoode dier ergens blijft vastzitten en de

Wesp weer naar buiten moet komen om het beletsel weg te nemen. Met het

leggen van een wit, langwerpig ei op haar levend begraven slachtoffer

is de taak van de moeder nog niet ten einde gebracht; in de buurt

van haar nest zwerven n.l. allerlei luilakken rond, o.a. kleine,

grauwe Vliegen met een als zilver glinsterend aangezicht. Deze

zouden ook wel op een dergelijke wijze als de Rupsendooder eieren

willen leggen; maar wachten, daar zij zoowel de behendigheid als de

kracht missen om de voorbereidende werkzaamheden te verrichten, een

gunstige gelegenheid af om op een door anderen aangevoerden voorraad

hun koekoeksei te leggen. Tegen ongenoode gasten tracht de Wesp haar

nest te beveiligen door steentjes, stukjes hout of kluitjes aarde voor

den ingang op te stapelen, ten einde alle sporen van de aanwezigheid

van een nest op deze plaats te doen verdwijnen.

Voor het leggen van ieder volgend ei moeten dezelfde werkzaamheden

herhaald worden. Alle vermoeienissen ten spijt blijft de Wesp steeds

vroolijk en opgewekt. Tegen het einde van den zomer maakt de dood een

einde aan haar veelbewogen leven. De made, die weldra in den schoot

der aarde uit het ei ontwijkt, vreet een gat in de huid van de rups

en zuigt haar leeg. Haar grootte hangt af van den voedselvoorraad,

waarover zij beschikt; hoe aanzienlijker deze is, des te meer

overtreft zij hare zusters, die zich met een kleinere rups hebben

moeten behelpen; daarom kan de lengte van deze soort van Wespen van

15 tot 30 mM. afwisselen.

Vier weken na het leggen van het ei spint de hieruit ontwikkelde made

een dunwandigen, witten cocon, van binnen gevoerd met een dichter

en steviger spinsel van bruine kleur, dat het dier nauw omsluit. In

dit hulsel ontwikkelt zich de made tot pop, die, nadat zij Wesp

geworden is, van haar cilindervormige wieg met de kaken een dekseltje

losknaagt en kort daarna uit den grond te voorschijn komt. Wanneer

het weer meeloopt, ontwikkelen zich twee generaties in den loop van

één jaar. De laatste overwintert als made of als pop.

Van achteren knotsvormig gezwollen is de éénledige achterlijfssteel

van den Vliegendooder (Mellinus arvensis); het glanzig zwarte lichaam

van dit op zandgrond, doch ook in tuinen, hier te lande veelvuldig

voorkomend Insect prijkt met een citroengele, zeer veranderlijke

teekening; het heeft (op den 3en, 4en en 5en achterlijfsring) in den

regel 3 breede, gele dwarsbanden, waarvan de beide eerste gewoonlijk

niet afgebroken zijn; de pooten zijn geel, met uitzondering van de

zwartachtige dijen. Op bloemen vindt men deze 8.75 à 13 mM. lange

Graafwesp zelden, het meest nog bij zeer heet zonnig weer op

schermbloemigen, dikwijls echter op struiken en naaldboomen,

die met Bladluizen bedekt zijn, waar zij, nevens allerlei andere

Vliesvleugeligen, zich met het oplekken van zoete stoffen vermaakt. Op

zonnige plaatsen graaft het wijfje in het zand een vertakte gang,

waarin zij schijndoode Vliegen brengt. In tegenstelling met de vroeger

genoemde Graafwespen legt zij reeds op haar eerste slachtoffer een ei

en brengt aan de hieruit voortkomende larve, terwijl deze reeds aan

't vreten is, herhaaldelijk een nieuwen voorraad voedsel.

De Bastaardwespen (Bembex) zijn gemakkelijk te herkennen aan het

maaksel van de monddeelen, waardoor zij van alle andere Graafwespen

verschillen. De bovenlip hangt n.l. als een lange snavel naar

beneden en is in den toestand van rust naar de keel teruggebogen. Bij

oppervlakkige beschouwing zou men deze Insecten licht met Paardewespen

of andere groote Vleugelplooiers kunnen verwarren, niet slechts wegens

hun vorm, maar ook wegens hun grootendeels gele kleur: vandaar hun

naam. De meeste soorten bewonen de heete gewesten. Alle stemmen overeen

door den aard van het voedsel, dat zij aan hare larven verschaffen,

n.l. groote Vliegen.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten · 第 10 / 21 题