TWEEDE ORDE.

DE VLIESVLEUGELIGEN (Hymenoptera, Piezata).

Tot de zeer soortenrijke orde der Vliesvleugeligen behooren de Bijen,

de Hommels, de Mieren, de Wespen, die, althans bij name, aan iedereen

bekend zijn. Alle vertoonen een groote overeenkomst in lichaamsbouw,

hoewel zij een zeer verschillende levenswijze hebben. Hun huidskelet

onderscheidt zich door hardheid; de drie borstringen zijn onbeweeglijk

verbonden; de monddeelen zijn voor 't bijten en kauwen geschikt

en kenmerken zich door de sterke ontwikkeling van de tong; de vier

gelijksoortige vleugels zijn weinig geaderd en schijnbaar naakt, de

voorste langer en breeder dan de achterste; zij ontwikkelen zich na een

volkomen gedaantewisseling. Bij sommige ontbreken de vleugels geheel;

bij andere biedt de verdeeling der vleugeladers zulke karakteristieke

verschijnselen aan, dat hieraan gemakkelijk waarneembare kenmerken

zijn ontleend, waarvan bij de rangschikking gebruik wordt gemaakt.

In den geslachtsrijpen toestand leven de Vliesvleugeligen bijna zonder

uitzondering van zoete vloeistoffen, die zij met de tong oplekken en

aan bloemen en aan Bladluizen ontleenen. Zooals bekend is, scheiden

deze teere, uitsluitend van plantensappen levende diertjes, die in

den regel tot groote gezelschappen vereenigd voorkomen, een zoet

vocht uit, soms in zoo groote hoeveelheid, dat het de bladen als een

vernis bedekt. Andere Insecten, vooral Vliegen en Vliesvleugeligen

maken hiervan gretig gebruik en voeden zich bijna uitsluitend met deze

suikersoort. De insectenverzamelaar weet bij ervaring, dat hij nergens

een rijkeren buit kan verkrijgen dan op plaatsen, waar glanzige,

dikwijls zwartachtige vlekken op de bladen van struiken reeds op

eenigen afstand de aanwezigheid van talrijke bladluiskoloniën verraden.

Even gelijkaardig als het voedsel van de geslachtsrijpe dieren, even

verschillend is de levenswijze en de lichaamsbouw van de larven. Eenige

hebben een groot aantal pooten (sommige niet minder dan 22) en

prijken in den regel met bonte kleuren; deze worden "bastaardrupsen"

genoemd; zij leven op de bladen, die haar tot voedsel dienen en

ontwikkelen zich tot Bladwespen. Hare verwanten, de Houtwespen,

ontstaan uit wormvormige larven, die gangen in het hout knagen en

hierin voortdurend verblijf houden. Beide soorten van larven toonen

door den bouw van haar lichaam en door haar meer zelfstandig optreden

een hoogeren trap van ontwikkeling dan de larven van alle overige

Vliesvleugeligen, die wegens het gemis van pooten met volle recht

den naam van maden dragen. Sommige van deze maden leven in planten,

zonder gangen in stengels of bladen te boren, maar houden zich op in

eigenaardige opzwellingen, die een gevolg zijn van haar aanwezigheid en

algemeen bekend zijn onder den naam van gallen. De Insecten, die zich

uit deze maden ontwikkelen, heeten daarom Galwespen. De andere maden

bewonen eenzaam of gezellig nesten, die voor haar gereed gemaakt en

van voedsel voorzien worden. De Bloemwespen verzamelen met dit doel

honig en stuifmeel, de Roofwespen maken andere Insecten buit.

Zeer groot is voorts het aantal der maden, die parasitisch in

het lichaam van andere Gelede Dieren leven. Terwijl zij zich tot

Sluipwespen ontwikkelen, werken zij mede tot het bewaren van het

evenwicht in de natuur: daar het leven van elke Sluipwespmade

aanleiding geeft tot den dood van een der plantenetende Insecten,

blijft de vermenigvuldiging van deze binnen zekere grenzen

beperkt. Mocht het al voorkomen, dat door een samenloop van gunstige

omstandigheden de bedoelde grenzen overschreden worden, dan wordt

hiervan onmiddellijk partij getrokken door de Sluipwespen, die, voor

hunne jongen een bijzonder groot aantal "gastheeren" vindend, zich

sterker dan gewoonlijk vermenigvuldigen en hierdoor het aantal van de

bedoelde Insecten binnen de gewonen perken terugvoeren. In den regel

herbergt iedere "gastheer" slechts één made, voor zoover deze tot een

der groote soorten van Sluipwespen behoort; daarentegen verschaft hij

niet zelden voedsel aan honderden maden van kleinere soorten. Om een

voorstelling te verkrijgen van de kleinheid dezer wezens, bedenke men,

dat de kleine Bladluizen door zulke parasieten geteisterd worden en

dat zelfs de nog kleinere eieren van Insecten het noodige materiaal

voor de ontwikkeling van andere Sluipwespmaden bevatten.

De wijfjes van de meeste soorten dezer groep maken een opening

in de huid van de larve, in welker lichaam zij één of meer eieren

leggen; de hieruit komende maden leven verborgen in haar gastheer;

er zijn er echter ook, die zich aan de oppervlakte van zijn lichaam

hechten. Sommige soorten van de geslachten Pteromalus, Bracon,

Spathius, Tryphon, Phygadeuon, Cryptus, Pimpla en andere, die wij

later nog zullen leeren kennen, leven als maden parasitisch buiten

op de bastaardrupsen van sommige Bladwespen, op de rupsen van eenige

Bladrollers en Uilen uit de orde der Vlinders en op larven van Kevers,

die achter boomschors of in hout wonen. Ook nog in andere opzichten dan

de reeds genoemde kan er verschil bestaan tusschen de wijzen, waarop

de Sluipwespmaden gebruik maken van het lichaam van haar gastheer. De

rijpe maden van sommige soorten (en wel vooral die, welke gezellig

parasiteeren) verlaten de rups, welker lichaam zij op de huid na

verslonden, om zich op dit overblijfsel te verpoppen. Andere met

Sluipwespmaden behepte rupsen spinnen zich op de gewone wijze in;

de insectenverzamelaar, die een fraaien Vlinder hoopt te verkrijgen,

ziet zich echter teleurgesteld; in plaats van een vlinderpop vindt

hij bij 't openen van de cocon hierbinnen het zwarte, langwerpige

pophulsel, dat door een volwassen Sluipwespmade stevig en duurzaam

als van perkament vervaardigd werd. In een derde geval heeft de niet

spinnende rups nog juist kracht genoeg om in een pop te veranderen,

die volkomen gaaf schijnt. Wanneer men haar in een insectenkooi

plaatst, blijkt het echter mettertijd, dat zij bij aanraking zich

niet meer kromt en een ongewoon gering gewicht heeft, uit welke beide

verschijnselen men met zekerheid kan afleiden, dat ook hier bedrog in

't spel is. Na verloop van eenigen tijd vertoont de pop een opening

aan de kruin en ligt deze, als een dekseltje losgeknaagd, naast het

ledige uitwendig skelet; vroolijk wandelt, in plaats van den Vlinder,

een Sluipwesp, misschien wel een slanke Ichneumon, in de kooi rond.

Soms moet een parasiteerende made als gastheer dienen voor het jong

van een andere soort van Sluipwesp, die dus een parasiet is van een

parasiet. Dit verschijnsel, dat men "parasitisme van den tweeden

graad" zou kunnen noemen, draagt er niet toe bij om de studie van de

hoogst merkwaardige betrekking, die tusschen deze diertjes bestaat

en waarmede wij nog zeer onvolledig bekend zijn, voor den onderzoeker

gemakkelijker te maken.

Het bovenstaande moge voldoende zijn om den lezer een oppervlakkig

denkbeeld te geven van de Blad-, Hout-, Gal-, Sluip-, Roof- en

Bloemwespen. Wij moeten nu nog een vluchtigen blik werpen op den

lichaamsbouw dezer Insecten om hen met zekerheid van andere en

van elkander te kunnen onderscheiden. De kop is vrij vóór de borst

geplaatst, is er als 't ware door een steeltje mede verbonden en

schijnt, van boven gezien, bijna altijd breeder dan lang. Aan zijn

kruin merkt men nagenoeg altijd 3 bijoogen op, welke glinsteren als

pareltjes in een diadeem. De sprieten zijn draad- of borstelvormig,

zelden naar den top knotsvormig verdikt, soms recht, soms gebroken. In

verhouding tot de lichaamslengte zijn zij nooit bovenmatig groot,

evenmin bijzonder klein, daarentegen altijd naar voren gericht.

De omtrek van de borst is gewoonlijk eivormig, soms echter cilindrisch,

in den regel aan de bovenzijde eenigszins bultig; de grenzen der

drie ringen zijn door naden aangeduid. De voorste ring is het minst

ontwikkeld: zijn ruggedeelte is zeer smal en wordt halskraag genoemd;

het borstgedeelte biedt juist ruimte genoeg voor de aanhechting

der voorpooten. Het grootste deel van de rugzijde van het borststuk

behoort tot den middelsten ring; men onderscheidt er zeer dikwijls

drie afdeelingen aan, de zoogenaamde lobben, waarvan de middelste in

het schildje eindigt.

Bij geen andere Insectengroep heeft de wijze van verbinding van het

borststuk met het achterlijf zulk een grooten invloed op het voorkomen

van het dier als juist bij de Vliesvleugeligen, waar alle gevallen

van verbinding (aangegroeid, zittend, aanhangend en gesteeld) kunnen

voorkomen. Het achterlijf is samengesteld uit 6 à 9 ringen, welk getal

bij sommige tot 3 verminderd is.--Zeer merkwaardig is de inrichting

van het werktuig, waarmede het wijfje eieren legt. Bijna altijd dient

hiervoor een hoornachtigen, uit 3 à 4 deelen samengestelden stekel,

die door twee zijdelingsche scheeden als door een foedraal omgeven

is. Aan den stekel onderscheidt men een bovenste, dikwijls gootvormige

helft, de eileider, en een onderste, kleinere helft, bestaande uit

de zoogenaamde graten, die nauw tegen elkander aansluiten en door

sponningen met de bovenste helft verbonden zijn. De graten hebben

den vorm van een priem, een mes, een boor, een zaag, kortom van een

snijdend werktuig; hiermede moet het Insect het voorwerp doorboren,

dat zich bevindt tusschen den eileider en de plaats waar het ei gelegd

zal worden. Bij vele Sluipwespen en bij alle Roof- en Bloemwespen kan

de stekel in het achterlijf teruggetrokken worden; hij is dan kort

en heeft een scherpere punt dan de fijnste naald; natuurlijk is hij

ook geschikt om hem, die het wagen durft een van deze diertjes van

zijn vrijheid te berooven, een gevoeligen steek in den vinger toe te

brengen. Er valt hierbij echter een onderscheid waar te nemen. De pijn,

die door den steek van een Sluipwesp veroorzaakt wordt, gelijkt op die

van een prik met een naald en houdt niet lang aan. Wanneer daarentegen

een Roofwesp of een Bloemwesp met haar wapen iemand treft, zal deze

een lang aanhoudende, brandende pijn ondervinden; de gewonde plaats

wordt rood en zwelt eenigszins op, omdat het Insect niet slechts stak,

maar te gelijker tijd gif in de wonden liet vloeien. Dit gif is een

mengsel van twee vloeistoffen, afkomstig uit twee klieren aan den

wortel van den stekel. De eene bevat mierenzuur, de andere een zwak

alkalische vloeistof. Men heeft den gifstekel ook wel angel (aculeus)

en de bezitters van dit orgaan Angeldragers (Hymenoptera aculeata)

genoemd. Het werktuig, dat uitsluitend voor 't leggen van de eieren

dient, hoewel het dikwijls het voorkomen van een angel heeft, heet

Legboor (terebra) en verschaft aan zijne eigenaars den naam van

Legboordragers (Hymenoptera terebrantia).

Van de pooten valt te vermelden, dat bij de Blad-, Hout-, Sluip-

en Galwespen een tweeledige dijring voorkomt, welks naast aan den

stam gelegen lid het langste is; éénledig is de dijring bij de Roof-

en Bloemwespen. De voet is gewoonlijk uit 5 leden samengesteld.

Elke vleugel bestaat uit een dun vlies, dat naakt schijnt, maar bij

microscopisch onderzoek kort behaard blijkt te zijn. Soms is het

volkomen helder, meestal een weinig dof, als 't ware berookt; niet

zelden heeft het een gele tint of zijn de buitenranden zwartachtig;

dikwijls strekt het doffe gedeelte zich in den vorm van strepen over

den vleugel uit. De vleugels hebben in vergelijking met die van

de overigens nauw verwante Netvleugeligen slechts weinige aders,

die onderling of met den vleugelrand op zulk een wijze verbonden

zijn, dat zij een aantal zoogenaamde cellen begrenzen. Gedurende

het vliegen is elke voorvleugel met zijn achtervleugel verbonden,

doordat fijne haakjes van den voorrand van dezen over bepaalde plaatsen

van den achterrand van genen sluiten. Op de plaats van aanhechting

van den voorvleugel ligt een beweegbaar, hoornachtig plaatje, het

zoogenaamde vleugelschubje, dat zich dikwijls door een bijzondere kleur

onderscheidt en vaker om deze reden dan wegens zijn eigenaardigen

vorm de aandacht verdient. Een ander chitinevlekje, dat juist omdat

het hoornachtig is, evenals de aders, in kleur verschilt van het

dunne vleugelvlies en duidelijk in 't oog valt, bevindt zich aan den

voorrand van de meeste vleugels achter het midden en heet vleugelstip;

waar zij ontbreekt, zijn de aders zeer gering in aantal of geheel

afwezig. De vleugeladers en de door haar gevormde cellen verdienen

ook hierom meer bepaaldelijk onze aandacht, daar zij voor verreweg

de meeste Vliesvleugeligen kenteekenen ter onderscheiding opleveren,

zonder welke de geslachten onmogelijk bepaald kunnen worden. Hierbij

verdient opgemerkt te worden, dat twee dikke aders, de randader (costa)

en de onderrandader (subcosta), dicht bij elkander liggend, bij sommige

Bladwespen tot een hoornachtig strookje vereenigd, den voorrand van den

vleugel vormen en hem zijn voornaamsten steun verschaffen; de reeds

genoemde stip is eenvoudig een verbreeding van de randader, of wordt

gevormd, doordat beide aders over een korten afstand uiteenwijken. In

den vleugel van de echte Sluipwespen, waar hoogstens 3 onderrandcellen

voorkomen (of door het verdwijnen van de middelste slechts 2) verdient

juist de middelste als onderscheidingsteeken zeer de aandacht en heeft

daarom een bijzonderen naam gekregen, n.l. die van spiegelcel (fig. 3:

'', tusschen c' en c'''). Een tweede eigenaardigheid, waaraan men de

bedoelde vleugels kan herkennen, bestaat in de samensmelting van de

eerste onderrandcel met de bovenste middelcel; dikwijls is dan nog

een klein stukje van de tusschen beide gelegen ader, de "adertak",

over gebleven (fig. 3 bij c'). De lancetvormige cel (fig. 1: 1 en

fig. 9: 1) komt alleen bij de Bladwespen voor en biedt door haar vorm

belangrijke onderscheidende kenmerken aan. Soms loopt zij eenvoudig

als een smalle strook, die zich aan 't voorste en achterste uiteinde

een weinig oorvormig verbreedt, naar den schouder; soms wordt zij door

een korte, rechte (fig. 1) of door een aanmerkelijk langere, schuinsche

ader (fig. 9) in twee cellen verdeeld. Een andere wijziging, die aan de

lancetvormige cel kan voorkomen, is, dat de haar begrenzende aders in

't midden ineenvloeien en over een meer of minder grooten afstand een

enkele ader vormen; men noemt haar dan ingesnoerd. Van een gesteelde

lancetvormige cel spreekt men, als de bedoelde enkele ader tot aan den

schouder doorloopt, zonder zich vooraf weer in tweeën te splitsen. Het

stelsel van vleugeladers in den kleineren achtervleugel kan men,

wegens de belangrijke vereenvoudiging, die het onderging, nu eens wel,

dan weer minder gemakkelijk op soortgelijke wijze beschrijven als

in den voorvleugel; ook de hier opgemerkte eigenaardigheden leveren

belangrijke kenmerken ter onderscheiding van soorten op.

De vleugels ontbreken geheel bij eenige echte Sluipwespen van het

voormalige geslacht Pezomachus, bij sommige aan de Sluipwespen verwante

Insecten (Braconiden), bij eenige Galinsecten, bij de arbeidsters

der Mieren en bij de wijfjes van de Mutillen of Spinmieren.

Vele Vliesvleugeligen brengen een gonzend of brommend geluid voort,

zooals iedereen van Hommels, Bijen en Wespen gehoord heeft. Een soort

van tonen, die men ook bij de Vliegen en andere Insecten opmerkt,

wordt veroorzaakt door de snelle beweging van de vleugels. Een andere

soort van tonen ontstaat, doordat de Vliesvleugeligen (en de Vliegen)

door de ademgaten van het borststuk en het achterlijf lucht naar buiten

stuwen; zij doen dit willekeurig. Niet alle ademgaten zijn van zulk

een stemorgaan voorzien, maar hoofdzakelijk die van het borststuk,

bij de sterk brommende Bloem- en Roofwespen daarentegen die van het

achterlijf en bij zeer weinige zoowel deze als gene.

Fossiele Vliesvleugeligen komen reeds in de Jura-formatie voor;

zij zijn hier echter zeldzaam; bovendien is het van sommige dezer

fossielen twijfelachtig of zij wel tot de genoemde orde mogen worden

gebracht. Veelvuldig ontmoet men deze Insecten, vooral Mieren, in

tertiaire lagen en in het barnsteen. Het aantal levende soorten schat

men op 25000.

De Bijen of Bloemwespen (Anthophila) vormen de eerste familie van

de orde der Vliesvleugeligen. Zij hebben den éénledigen dijring met

de Roofwespen gemeen. Van deze onderscheiden de meeste Bijen zich

door de sterke beharing van het ineengedrongen lichaam en door het

eigenaardige maaksel der achtervoeten. Een gesteeld achterlijf, gelijk

vele Roofwespen het hebben, komt bij geen enkele Bij voor; steeds is

het "aanhangend"; bij de grootste soorten is de aanhechtingsplaats

een klein kringetje, dat aan de onderzijde van de breede voorvlakte

van het achterlijf en aan het ondereinde van het rugschild van het

achterborststuk voorkomt; bij de kleinste soorten is dit kringetje

naar weerszijden gelijkmatig versmald en neemt een elliptischen vorm

aan.--Zooals bekend is, verzamelen de Bijen voor haar kroost honig

en stuifmeel; bij het vervoer is de honig in haar lichaam geborgen;

het stuifmeel dragen zij uitwendig, meestal in den vorm van kluitjes

(in Gelderland "bouten" geheeten) aan de achterpooten, die voor dit

doel op een zeer eigenaardige wijze ingericht zijn. Hieraan herkent

men in verreweg de meeste gevallen een vrouwelijke Bij. Het eerste lid

van den voet, dat hiel (metatarsus) wordt genoemd, is veel grooter

dan de overige voetleden en evenaart in lengte bijna den scheen;

deze begint smal bij de dij en neemt naar onderen geleidelijk in

breedte toe; zijn achterrand, aan welks eene hoekpunt de hiel vastzit,

is dus de kortste zijde van een zeer langwerpigen driehoek. De hiel,

die, evenals de scheen, een opmerkelijk platte binnen- en buitenzijde

heeft, kan met een nagenoeg rechthoekigen vierhoek vergeleken worden;

het vrije hoekpunt aan zijn voorrand (het hieluitsteeksel) is dikwijls

bij wijze van een schop verbreed en vormt dan met het vrije hoekpunt

aan den achterrand van den scheen de wastang. De scheen, die soms op

haar glanzige buitenzijde een weinig uitgehold en aan den rand met

lange haren begroeid is, wordt hierdoor uitstekend geschikt om, als

in een korfje, het stuifmeel te verzamelen en te vervoeren. Ook de

buitenzijde van den hiel is uitgehold en met lange haren omgeven. De

geheele inrichting heeft daarom den naam van korfje gekregen. Niet

zelden wordt zij aangevuld door een voor het bijeenvegen van het

stuifmeel bestemden borstel, die uit korte, stijve haren bestaat,

welke op de binnenzijde van den hiel 10 of 11 dwarse reeksen vormen. De

glans van de buitenzijde van scheen en hiel wordt veroorzaakt door een

olieachtig uitzweetingsproduct, dat de stuifmeelkorrels bijeenhoudt. De

Bijen, welker achterpooten de genoemde inrichting vertoonen, worden

"scheengaarders" genoemd. Bij andere vormt de buitenzijde van den

scheen geen korfje, maar komen aan den top van de dij en aan den

heup van den achterpoot en zelfs aan de zijden van het achterlijf

lange, ten deele gekronkelde haren voor. Door deze uitrusting zijn de

"dijgaarders" evenzeer in staat om het onontbeerlijke "bijenbrood" in

te oogsten. Andere Bijen gelijken door de breedte van den achterscheen

en van den hiel op hare vroeger genoemde verwanten, maar kunnen deze

toestellen niet voor het inzamelen van stuifmeel gebruiken; zij heeten

"buikgaarders", omdat de korte, achterwaarts gerichte, borstelige,

dicht bijeen geplaatste haren, die de onderzijde van het achterlijf

bekleeden, bij hen voor het verzamelen, vasthouden en vervoeren van

het stuifmeel dienen.--Hoe redden zich echter de Bijen, die ook dit

middel tot het verkrijgen van leeftocht voor de jongen missen?--Zij

laten het inzamelen van stuifmeel over aan hare voor dezen arbeid

geschikte verwanten, maar leggen zich er op toe den voor anderen

bestemden voorraad ten eigen bate aan te wenden door steelsgewijs

hare eieren in vreemde nesten te leggen. De Bijen, die door de natuur

tot dezen eigenaardigen vorm van parasitisme gedwongen worden, hebben

den naam van Koekoeksbijen gekregen.

De zooeven genoemde, merkwaardige organen voor het verzorgen der jongen

komen alleen voor bij de vrouwelijke Bijen en bij de onvruchtbare

wijfjes of zoogenaamde "werkbijen." Deze zorgen als moeders voor de

nakomelingschap der "voortplantingsbijen" en vormen bij eenige tot

maatschappijen vereenigde soorten een derden, zeer invloedrijken

stand, welks leden, evenals de vruchtbare wijfjes of "koninginnen",

met een angel gewapend zijn. De mannetjes of darren (ten onrechte

soms "hommels" genoemd) bemoeien zich niet met het inzamelen van

den leeftocht, missen de hiervoor dienende organen en zijn hierdoor

armer aan goede kenmerken tot het onderscheiden van de soort. Niet

zelden komt het voor dat mannetjes en wijfjes van dezelfde soort door

verschillende namen aangeduid worden; het behoeft ons dus niet te

verwonderen, dat bij Hommels, Andrenen en andere geslachten, die vele

sprekend op elkander gelijkende soorten bevatten, een Babylonische

naamsverwarring het bewijs levert van de uiteenloopende meeningen

der dierkundigen.

De sprieten van alle Bijen zijn "gebroken", bij vele mannetjes is dit

wegens de kortheid van de schaft nauwelijks merkbaar; bij hen zijn

zij uit 12, bij de wijfjes uit 13 leden samengesteld; de zweep is

draadvormig.--De voorvleugels (fig. 2) hebben altijd één randcel, die

soms een aanhangsel vertoont, soms niet; voorts 2 of 3 onderrandcellen;

het achterste deel van den vleugel is voor een betrekkelijk groot deel

volkomen ongeaderd, omdat de beide overlangsche aders (de cubitus of

onderrandader en de parallelader) bij verreweg de meeste Bijen achter

de beide laatste dwarsaders ophouden.--Het achterlijf bestaat bij de

wijfjes, zoowel bij de vruchtbare als bij de onvruchtbare, uit 6,

bij de mannetjes uit 7 leden. Overal waar men honig voortbrengende

bloemen vindt, treft men ook Bijen aan, die hier deels voor zichzelf,

deels voor de jongen voedsel komen verzamelen. Toch schijnt het, dat

de keerkringsgewesten, die zich door zulk een buitengewonen rijkdom

aan bloemen onderscheiden, niet in dezelfde verhouding beter met

Bijen bedeeld zijn dan de minder bloemen voortbrengende gematigde

aardgordels.

De Gewone Honigbij (Apis mellifera) verschilt van alle overige

Europeesche Bijen door het ontbreken van de doornen aan den breeden

achterscheen. De vleugels hebben een van voren afgeronde randcel,

die 4-maal zoo lang is als breed, en 3 gesloten onderrandcellen; de 3

middelcellen komen nagenoeg overeen wat grootte betreft; de laatste

heeft den vorm van een smalle ruit en een zeer scheeven stand, daar

haar voorste uiteinde veel dichter bij den oorsprong van den vleugel

gelegen is dan het achterste. Het lichaam is zwart met zijdeachtigen

glans, voor zoover het niet bedekt is met een vosroode, naar grijs

zweemende vacht, die er een roodachtige tint aan geeft. De pooten

en de achterrand der leden van het achterlijf hebben een bruine

à geelroode kleur, althans bij het wijfje, dat voor des te edeler

wordt gehouden, naarmate de pooten duidelijker een goudachtigen glans

bezitten. De klauwen van het laatste voetlid zijn aan de spits in

tweeën verdeeld. De kaaktasters verschillen in vorm van de liptasters:

gene zijn éénledig; deze hebben 4 leden van tweeërlei gedaante: de

beide eerste zijn lang en plat, de beide laatste klein en rolrond,

(fig. 1: c).

Bij het nagaan van het verschil in gedaante van de mannetjes of

darren, van het vruchtbare wijfje (de koningin) en van de werkbijen

raadplege men de afbeeldingen. Het 13 à 15 mM. lange mannetje mist

aan het 7-ledige, betrekkelijk korte en breede achterlijf den angel;

zijn borststuk is gewoonlijk sterker behaard dan dat der wijfjes

en draagt slankere pooten. De oogen zijn zeer groot en ontmoeten

elkander boven op den kop; de sprieten hebben een korte schaft

en schijnen hierdoor bijna niet "gebroken". De "zamelharen", het

korfje en de wastang ontbreken zoowel bij het mannetje als bij het

13 à 18 mM. lange wijfje. Haar achterlijf is langer en slanker dan

dat der darren en werkbijen; toch bevat het evenveel (6) leden als

dat der werkbijen. Deze zijn 9 à 11 mM. lang en onderscheiden zich,

behalve door haar korter en meer ineengedrongen achterlijf, door het

bezit van de reeds genoemde werktuigen tot het verrichten van haar

moeitevollen arbeid, waarbij ook noodig zijn de groote bovenkaken

en de buitengewoon lange, sterk behaarde tong (fign. 1 en 2), die in

den toestand van rust naar de keel wordt teruggeslagen. De Bij lekt

de honig op als de Hond het water, n.l. met de tong; deze wordt in

een door de liptasters en de onderkaken gevormde schede op en neer

bewogen. De honig, die zich aan de haren van de tong heeft gehecht,

wordt bij het terugtrekken aan de overige monddeelen afgeveegd en

is dan ter rechter plaatse aangekomen om door de krop of honigmaag

opgezogen te worden. Het lichaam van de werkbij is als 't ware een

chemisch laboratorium, dat, naar gelang van de behoefte, brij voor de

jongen, honig en was oplevert. De beide eerstgenoemde producten worden

door den mond uitgeworpen; het was wordt uitgezweet door de achterste

helft van de buikplaten van het achterlijf (fig. E: c) en vormt in deze

"waszakken" dunne plaatjes, die met de wastang losgemaakt en vervolgens

met de bovenkaken gekneed worden om als bouwmateriaal te dienen.

De Bijen vormen een goed geregelden staat; hierin stellen de werkbijen

het volk voor, een door haar gekozen, vruchtbaar wijfje de algemeen

beminde en vertroetelde koningin en de mannetjes de welgestelde,

voorname leegloopers. Voor het in stand blijven van den staat zijn

de mannetjes onmisbaar; zij worden geduld, zoolang de staat hen

noodig heeft.

Van oudsher heeft de mensch de vlijt van de Bij geroemd en haar de eer

aangedaan van als zinnebeeld te dienen voor deze verheven deugd. Ook

de producten van haar vlijt heeft hij van vroegs af aan op hoogen

prijs gesteld. Dit is de reden, waarom men de bijenstaten niet meer

vrij in de natuur aantreft (tenzij bij uitzondering verwilderd) en

ook niet kan opgeven, wanneer en waar zij voor 't eerst "huisdieren"

zijn geworden. De heer der schepping wijst aan deze diertjes in de

bijenkorven de plaats aan, waar zij hunne staten vestigen en biedt hun

hierbij dikwijls in vele opzichten de behulpzame hand. In de duizenden

van jaren, gedurende welke hij zich met hen heeft bemoeid, is het hem

echter niet gelukt, eenige, zij het dan ook de geringste wijziging in

hun aangeboren aard teweeg te brengen. Wij zullen een poging wagen,

niet ten behoeve van den bijenhouder of ijmker, maar ten dienste van

den weetgierigen vriend der natuur, het goed geregelde en toch veel

bewogen leven der Bijen, naar waarheid te schetsen.

Laat ons aannemen, dat het St. Jansdag is en dat een nazwerm

(de beteekenis van deze uitdrukking zal weldra blijken) zooeven

in zijn geheel opgevangen is en, geborgen in een ledigen korf

(aan een zijner opstaande zijden voorzien van het bekende kleine

vlieggat, waarvoor zich een vliegplankje bevindt), een plaats heeft

gekregen in den bijenstal. Pas is de korf hier neergezet of de eene

Bij na de andere verschijnt op het vliegplankje en "presenteert"

zich, d.w.z. strekt de pooten, zoodat het lichaam zoo hoog mogelijk

opgeheven wordt, richt de voorpooten zijwaarts, houdt het achterlijf

hoog en gonst door op een eigenaardige, trillende wijze de vleugels

te bewegen. Door deze vreemde gebaren geeft zij haar blijdschap, haar

prettige gemoedsstemming te kennen. De bijenhouder kan er uit opmaken,

dat hij bij het bergen van den zwerm ook de jonge koningin in de korf

heeft gedaan, dat zij er niet buiten bleef, hetwelk bij een verkeerde

behandeling (of op een voor de vangst ongunstige verzamelplaats van

den zwerm) wel had kunnen geschieden. Als deze fout begaan werd,

of als de zwerm om een andere reden niet tevreden is met de nieuwe

woning, blijft hij er geen oogenblik in. In woesten haast stormt

het geheele volk naar buiten en zwermt angstig rond, totdat het de

koningin gevonden heeft, die het eens voor al als leidsvrouw heeft

gekozen. Wanneer zij niet gevonden wordt, keert het geheele volk

naar de oude woonplaats terug; indien de nieuwe woning niet bevalt,

begeeft de zwerm zich op weg om een andere te zoeken. In onze nieuwe

korf is echter alles in orde en gaat iedereen onmiddellijk aan den

arbeid: de eerste cellen worden gebouwd; deze bevinden zich aan den

zolder van den korf. De bijenhouder verlicht in dit geval gewoonlijk

de taak van de Bijen, door eenige ledige raten, die hij steeds in

voorraad heeft, voor het inrichten van de nieuwe woning beschikbaar

te stellen. Dit vermelden wij evenwel slechts in 't voorbijgaan. De

diertjes hebben de noodige bouwstoffen bij zich. Daar zij wel wisten,

dat de huiselijke bezigheden hun voorloopig geen tijd zouden laten om

voedsel te verzamelen, hebben zij vooraf een drievoudig maal gedaan,

om geen honger te lijden en om het onontbeerlijke was te kunnen

bereiden. Deze stof laten zij in den vorm van kleine plaatjes tusschen

de buikplaten (fig. E: c) te voorschijn komen, als zij haar noodig

hebben. Als een guirlande, die uit één enkele of uit een dubbele

reeks of, als het werk verder gevorderd is, uit vele reeksen van

individuën bestaat, hangen zij aan elkander. Dit geeft aanleiding

tot een eigenaardig krabbelen, daar iedere Bij goed oppassen moet

om te verhoeden, dat de grond onder hare voeten wegzakt, met andere

woorden, dat zij de steunpunten, die hare buren haar verschaffen,

niet verliest. De taak van den handlanger en die van den bouwmeester

wordt hier door hetzelfde individu vervuld. Iedere werkbij neemt haar

buurvrouw de wasplaatjes onder den buik weg, kauwt dit materiaal

en vermengt het met speeksel; ieder, die dit werk verricht heeft,

begeeft zich naar de plaats waar gebouwd wordt en drukt er zijn

waskluitje aan vast. Aanvankelijk ontstaat hierdoor een rechte, niet

wiskundig regelmatige kant of lijst; tegen deze worden ter rechter-

en ter linkerzijde in horizontale richting cellen aangebracht,

welker zijvlakken aaneensluiten en welker bodems elkander aanraken,

totdat de loodrecht hangende, naar rechts en naar links van openingen

voorziene schijven ontstaan, die men raten noemt. Iedere zijde van

de raat vormt een sierlijk net van zeszijdige mazen, zoo regelmatig

als wij ze met cirkel en lineaal kunnen maken. De cellen zijn, zooals

men weet, zeshoekig, hebben een napvormig uitgeholden bodem en zijn

aan hun open einde, van voren dus, recht afgesneden, 7 mM. diep en

5 mM. breed, gemeten tusschen het midden van twee tegenovergestelde

zijden (niet van hoek tot hoek); de eene is precies even groot als de

andere. De korf zal mettertijd zoovele van deze raten bevatten, alle

in dezelfde richting geplaatst, als de beschikbare ruimte toelaat,

met dien verstande, dat tusschen twee opeenvolgende steeds een ruimte

overblijft, zoo groot als de diepte van een cel bedraagt. Reeds na

eenige uren vinden wij in onze korf een driehoekig beginsel van een

raat van ongeveer 10.5 cM. basis en hoogte.

Alle begin is moeielijk. Dit spreekwoord wordt bewaarheid bij de

stichting van iederen nieuwen bijenstaat. De plaats waar zij gelegen

is, verschilt van die, waar hare burgers geboren werden. Een zeer

nauwkeurige bekendheid met de omgeving is dus volstrekt noodig voor

iedere Bij, die uitvliegen gaat. Nu blijft de Bij, gelijk gebleken is,

in zoo hooge mate verknocht aan een eens aangenomen gewoonte, dat zij

verscheidene malen precies tegen de plaats van de korf, waar vroeger

de ingang was, zal aanvliegen, wanneer men haar woning en dus ook

het vlieggat verschoven heeft, al bedraagt de verplaatsing slechts

weinige centimeters. Om derhalve haar "plaatszin" te verscherpen,

om zich de omgeving van de kleine opening, die voor haar als

uitgangs- en ingangspoort dient en die naast zoovele volkomen

gelijke openingen gelegen is, goed in 't geheugen te prenten, zal

elke Bij, terwijl zij aanhoudend naar rechts en naar links om zich

heenkijkt, steeds bedachtzaam en ruggelings de korf verlaten en het

vliegplankje betreden. Zij volgt bij het uitvliegen aanvankelijk een

uit korte bogen bestaanden weg, gaat zitten, verheft zich opnieuw,

al grootere bogen beschrijvend en deze tot cirkels aanvullend, maar

vliegt nog altijd achteruit. Thans eerst is zij zeker van haar zaak

en zal bij haar terugkomst het vlieggat zonder fout terugvinden;

na een korten aanloop schiet zij regelrecht in snelle vlucht

omhoog en is uit het oog verdwenen. Zij kan, als het noodig is,

haar reis 2 uur ver voortzetten. Haar gewone doel is, bloemen en

harsachtige stoffen op te sporen; indien er evenwel suikerfabrieken

in de nabijheid zijn, weet zij deze zeer goed te vinden en zal hier

met hartstochtelijken ijver komen snoepen, meestal met groot gevaar

voor haar leven. Duizenden vinden in de fabriekslokalen den dood,

omdat zij er wel in kunnen komen, maar geen kans zien er weer

uit te geraken. Zwaar beladen vliegen zij tegen de vensterruiten

aan, krabbelen hierlangs omhoog, vallen afgemat op den grond en

bezwijken.--Vierderlei stoffen worden ingezameld: honigsap (nectar),

water, stuifmeel en harsachtige uitvloeiingen. Het eerstgenoemde vocht

lekken zij met de tong op, brengen het naar den mond, slikken het door,

bergen het in de honigmaag en braken het als honig weer uit. Het water,

dat natuurlijk op dezelfde wijze opgenomen wordt, dient als voedsel

voor het dier zelf en is noodig bij het bouwen en bij het bereiden

van het voedsel voor de larven: de Bij vergaart het echter niet in

de korf, maar moet het telkens, als er behoefte aan bestaat, gaan

halen. De behaarde lichaamsdeelen, de kop en het borststuk, worden,

terwijl de Bij in de bloemkroon doordringt, als 't ware bij toeval met

stuifmeel bepoederd; dit wordt met de pooten bijeengeborsteld en aan

de achterpooten vastgehecht. In grooter hoeveelheid verkrijgt de Bij

deze stof echter door haar arbeid, door met bewustzijn, opzettelijk,

gebruik te maken van hare werktuigen. Met de lepelvormige, scherpe

bovenkaken, bijt zij de kleine helmknoppen stuk, wanneer deze zich niet

reeds van zelf geopend hebben, neemt met de voorpooten hun inhoud op,

brengt dezen op de middelpooten en van daar op de achterpooten over,

waar het reeds vroeger genoemde korfje van den scheen en de daaronder

gelegen hiel met de hen omgevende wimpers het echte toestel voor het

verzamelen van het stuifmeel vormen. Hieraan wordt het gemakkelijk

samenbakkende stuifmeel met de andere pooten vastgekleefd en dikwijls

tot dikke klompen, de zoogenaamde "bouten", samengevoegd. Van de

knoppen der populieren, berken en andere boomen en van de voortdurend

hars leverende naaldboomen, maakt de Bij de bruikbare bestanddeelen

met de kaken los en verzamelt ze eveneens in het korfje.--Dat het

inzamelen van stuifmeel door de Bijen, zoowel door onze "tamme",

als door de talrijk "wilde" soorten, een hoogst belangrijken invloed

oefent op de bevruchting van de eitjes der planten, die in sommige

gevallen op geen andere wijze tot stand kan komen, is een algemeen

bekend feit, dat wij hier niet nader behoeven toe te lichten.

Zoodra de Bij een voldoende lading heeft, vliegt zij, geleid door

haar wonderbaarlijk goed ontwikkelden plaatszin, langs den kortsten

weg naar haar woning. Hier aangekomen zijnde gaat zij in den regel

op het vliegplankje zitten om een weinig te rusten, loopt daarna

snel naar het vlieggat en begeeft zich in den korf. De door haar

medegebrachte schatten worden, al naar hun aard, op verschillende

wijze afgestaan. Met den honig wordt de een of andere hongerige

zuster gevoederd of een der voor proviandbergplaats bestemde cellen

gevuld. Eenige cellen bevatten honig voor het dagelijksch gebruik,

andere, en dit zijn juist de bovenste cellen van iedere raat, dienen

als voorraadkamers voor later; de gevulde worden onmiddellijk met

een dekseltje van was gesloten, nadat de Bij er uit den angel een

drupje mierenzuur op heeft laten vallen om den honig voor bederf te

bewaren. De "bouten" stroopt zij zich af en stampt ze vast in een

der cellen, die tot berging van het zoogenaamde bijenbrood dienen

en op verschillende plaatsen van de raat gelegen zijn. Ook bijt zij

er wel eens een stuk af en verzwelgt dit, of wordt door een harer

zusters op deze wijze van haar last bevrijd. De harsachtige stoffen,

die men stopwas of voorwas (propolis) noemt, worden gebruikt voor het

dichtmaken van gaten en spleten, waardoor vocht of koude zou kunnen

binnendringen, en voor het kleiner maken van het vlieggat. In enkele

gevallen is het noodig hiermede vreemde voorwerpen te omhullen,

die wegens hun grootte niet door het vlieggat naar buiten geworpen

kunnen worden en welker rotting anders de lucht in den korf zou

verpesten. Naar men zegt, heeft men wel eens een Muis of een Naakte

Slak, die op deze wijze gebalsemd was, in den korf gevonden.

De mannetjes, die zich met het bouwen van cellen en het inzamelen van

bouwstoffen en leeftocht niet bemoeien, hebben geen andere bezigheid,

dan een uitstapje in de middaguren; met afhangende pooten en luid

gonzend vliegen zij dan eenigen tijd rond. Reeds in de eerste dagen van

haar verblijf in den korf gevoelt de koningin behoefte om terzelfder

tijd ook zulk een uitstapje te ondernemen. Na korte afwezigheid keert

zij in den korf terug en is nu in staat om gedurende haar geheele

leven, dat 4 of 5 jaren kan duren, ieder jaar 50000 à 60000 voor 't

meerendeel bevruchte eieren te leggen. In hare laatste levensjaren is

het aantal eieren geringer; in den regel laat men haar, in 't belang

van de bijenmaatschappij, niet langer dan 4 jaar in functie. Als

de koningin in de eerste 8 dagen niet uitgevlogen is, blijft zij

onvruchtbaar.

46 uren na haar terugkomst in den korf begint zij eieren te leggen. De

voorste raat en de voorwand van de volgende worden in den regel

voorloopig niet voor 't eierenleggen gebruikt. De bovenste cellen

van iedere raat zijn met een dekseltje gesloten en bevatten honig;

hieronder bevinden zich de broedcellen. Bij haar arbeid, die meestal

slechts door korte rustpoozen wordt afgebroken, vergezellen haar de

werkbijen, die haar voedsel verschaffen, haar met de sprieten en met de

tong streelen, kortom haar alle mogelijke liefdediensten bewijzen. In

iedere cel, waarin zij een ei zal leggen, steekt zij vooraf den kop,

als 't ware om zich te overtuigen, dat alles in orde is, komt daarna

weer te voorschijn en steekt het achterlijf in de cel; zoodra zij

er weer uit gekomen is, ziet men achter in de cel ter zijde van

den onderwand, tegen den bodem aan, het rechtopstaande ei. Het is

melkwit, doorschijnend, ruim 2 mM. lang, flauw gekromd en aan zijn

onderste uiteinde slechts weinig smaller dan van boven. Onmiddellijk

legt een werkbij op den bodem van de broedcel een klein hoopje witte

gelei, die zij in haar "laboratorium" van honig, bijenbrood en water

bereid heeft. Op den 4en dag komt uit het ei de larve te voorschijn,

die het voorkomen heeft van een wormpje met een aantal ringvormige

groeven in de huid; zij eet het gereed liggende voedsel op, strekt het

lichaam met den kop naar den uitgang en wordt verder door de werkbijen

gevoederd. Zonder te vervellen en zonder iets uit te werpen, groeit

zij zoo snel en wordt zoo dik, dat zij op den 6en of 7en dag van haar

leven de geheele cel vult. Hare zorgvuldige pleegmoeders rekken met de

kaken den rand van de cel uit, buigen hem naar binnen om de opening te

vernauwen en vullen deze verder aan met een glad dekseltje van was. De

nu volkomen gesloten cel blijft niet onbewaakt; voortdurend is zij

met een dicht opeengedrongen hoop Bijen bedekt, die als 't ware aan

't "broeden" zijn. Daarbinnen spint de made een zijden hulsel om haar

lichaam, werpt haar huid af en verandert in een vrije pop. Op den 21en

dag na het leggen van het ei wordt het deksel door drukking van binnen

afgestooten. Onmiddellijk nadat de nieuwe burgeres haar cel verlaten

heeft, wordt deze door de een of andere werkbij onder handen genomen

en geschikt gemaakt om op nieuw als broedcel voor een ei te dienen,

door het gladmaken van den rand der opening, enz.

De jonggeborene rekt zich uit en wordt vriendelijk door hare zusters

begroet, gelikt en gevoederd. Zoodra zij droog geworden is en

zich volkomen krachtig gevoelt, na eenige uren dus, mengt zij zich

onder het volk en vindt in den huiselijken kring genoeg te doen. De

werkzaamheden, die gedurende de eerste 8 of 14 dagen door de jonge

Bij worden verricht, bestaan waarschijnlijk in het voederen van de

larven, het bebroeden, schoonhouden en afsluiten van haar woning,

het uit den weg ruimen van de ledige eischaal en van de afgestroopte

pophuid. Na verloop van dezen tijd bevangt haar een vurig verlangen

naar vrije beweging. Nadat zij op de reeds vroeger beschreven wijze

haar plaatszin op de proef gesteld en geoefend heeft, vliegt zij uit

en toont zich even knap in 't verzamelen van voorraad als vroeger in

't verzorgen der jongen. Dit heeft vroegere schrijvers aanleiding

gegeven tot de bewering, dat er twee soorten van werkbijen zouden zijn

(voedsterbijen en draagbijen); in werkelijkheid echter houden de jonge

Bijen zich met huiselijke werkzaamheden bezig en bemoeien de oude zich

met den arbeid op het veld, in het woud en op het weiland. Dit gaat den

geheelen zomer zoo door; alleen op gure, regenachtige dagen blijft het

gezelschap thuis. Hoe gunstiger de weersgesteldheid is, des te grooter

zal de hoeveelheid honig zijn, die in den korf bijeengebracht wordt,

des te grooter ook het aantal eieren, dat de koningin legt.

Men zou kunnen meenen, dat de groote bedrijvigheid, die de koningin

en hare zusters toonen en die zulk een sprekend kontrast vormt met

de traagheid der mannetjes, aanleiding moet geven tot een allengs

toenemende vijandelijke gezindheid jegens deze leegloopers, die

aanvankelijk verborgen blijft, maar later tot een uitbarsting komt. In

werkelijkheid moet men echter den moord, waarvan de mannetjes de

slachtoffers zijn en die plaats heeft in een tijd, als het zwermen

afgeloopen is (in niet zeer sterk bevolkte maatschappijen ongeveer in

het begin van Augustus), toegeschreven worden aan het bewustzijn, dat

deze voortplantingsdieren nu hun taak volbracht hebben. De werkbijen

vallen op hen aan, jagen hen in den korf overal weg, drijven hen in

een hoek en verschaffen hun geen voedsel meer, zoodat zij ellendig

verhongeren moeten; het komt ook wel voor, dat zij hen bijten, bij

de vleugels of andere lichaamsdeelen aanvatten en door het vlieggat

naar buiten werpen; niet zelden maken zij nog kortere wetten met

hen en steken hen met haar vergiftig wapen dood. Opmerkelijk is het,

dat de werkbij in dit geval gebruik van haar angel kan maken, zonder

van deze daad de noodlottige gevolgen te ondervinden, die steeds

voorkomen, als zij ons steekt. De reden hiervan is, dat bij verwonding

van onze huid de veerkrachtige en samentrekbare weefsels den angel

zoo stijf omknellen, dat de van weerhaakjes voorziene steekborstels

niet teruggetrokken kunnen worden en de Bij hare pogingen om zich te

bevrijden moet bekoopen met het verlies van haar wapen en met een

groote wonde in het achterlijf, die haar dood veroorzaakt.--Waarom

geschiedt dit niet na het toebrengen van een steek aan het ten doode

gedoemde mannetje?--Omdat de opening in de door chitine gepantserde

huid open blijft en de met weerhaken uitgeruste angel zonder bezwaar

teruggetrokken kan worden.--Wanneer de bevolking van een korf in den

genoemden tijd hare darren niet doodt, kan men er zeker van zijn,

dat de koningin niet meer aanwezig is; de ervaring heeft dit aan de

imkers geleerd.

Nadat de lijken uit de woning verwijderd zijn, hervat het volk de

gewone vreedzame bezigheden. De beste tijd, de gaartijd, is echter

voorbij, althans in gewesten waar de heideplanten ontbreken; de

bronnen van welvaart beginnen minder ruim te vloeien; soms moet de

voorraad, die in betere dagen verzameld werd, reeds nu aangesproken

worden, of ontwaakt de lust tot rooverijen. Wanneer er namelijk vóór

en na den gaartijd niet veel te oogsten valt, toonen sommige Bijen

een zeer diefachtigen aard. Ondanks de schildwachten, die aan den

ingang van iederen korf geplaatst zijn, trachten zij in een vreemde

woning door te dringen met het doel om de volle raten te plunderen,

alsof het bloemen zijn. Als dit aan één of twee dieven gelukt,

brengen deze een volgende maal een aantal kameraden mede; men

heeft dan, naar het schijnt, met een georganiseerde rooverbende te

doen. De bezoeken aan de suikerfabrieken, waarvan reeds melding werd

gemaakt, zijn in den grond van de zaak niet anders dan dergelijke,

meer algemeene rooftochten. Ook het aantal broedcellen begint te

verminderen, ofschoon bij gunstige weersgesteldheid nog in October

werkbijen geboren worden. Ten onrechte zou men kunnen meenen, dat

aan het einde van den voor 't uitvliegen geschikten tijd, het volk

veel talrijker moet zijn dan toen wij op St. Jansdag getuige waren

van de vestiging van den staat: het tegendeel komt niet zelden voor,

wanneer de weersgesteldheid ongunstig was. De dood van de darren brengt

slechts een betrekkelijk geringe vermindering van de bevolking te weeg;

daarentegen overkomt aan vele werkbijen een ongeluk en sterven vele een

natuurlijken dood. In den eigenlijken gaartijd bedraagt de levensduur

van de werkbij slechts 6 weken. Lang heeft hierover een andere meening

geheerscht, waarschijnlijk, omdat men uit den langen levensduur van

de koningin een verkeerde gevolgtrekking afleidde. Door de ervaring,

opgedaan bij het invoeren van de Italiaansche Bij in Duitschland, werd

alle twijfel uit den weg geruimd. Wanneer men n.l. in den aanvang van

den gaartijd, waarin de Bij haar grootste bedrijvigheid ontwikkelt

en het spoedigst versleten is, een bevruchte Italiaansche koningin

in de plaats stelt van de stammoeder van een volk van gewone Bijen,

zal dit na 6 weken op enkele exemplaren na geheel uitgestorven en

door een volk van Italiaansche Bijen vervangen zijn. De werkbijen,

die later in het jaar geboren worden, leven veel langer: zij

overwinteren. Gedurende den winter vindt men in den korf de voorste

raat geheel met honig gevuld en de cellen met wasdekseltjes gesloten,

van de volgende minstens de voorzijde en van alle overige een meer

of minder groot aantal der bovenste cellen; iets lager ontmoet

men de eveneens met deksels gesloten bergplaatsen van bijenbrood

en de ledige broedcellen. Niet zelden is de onderste helft van de

cellen met bijenbrood, de bovenste helft met honig gevuld, gelijk

de imker tot zijn verdriet bemerkt, wanneer hij den "honig snijdt",

d.w.z. zich een deel van de raten toeëigent, hetwelk geschiedt,

als de kruisbessen bloeien. Op de broedcellen zitten de winterrust

houdende Bijen zoo dicht opeengedrongen als maar eenigszins mogelijk

is. Evenals warmbloedige dieren door dicht bij elkander te gaan zitten

warm blijven, verhoogen ook Insecten hun lichaamstemperatuur door

zich tot groote massa's samen te voegen; op deze wijze ontkomen de

Bijen aan den toestand van verstijving, waarin het Insect vervalt, dat

eenzaam in de vrije natuur overwintert. Hiermede hangt echter samen,

dat zij ook in den winter behoefte aan voedsel hebben en dus in het

gunstige jaargetijde voorraad moeten vergaren. Slechts door een zeer

strengen en langdurigen winter zou de temperatuur in den korf tot

beneden 10° C. kunnen dalen; het is echter volstrekt noodig, dat de

warmtegraad op deze hoogte wordt gehouden; dit geschiedt door het

gebruiken van voedsel, door beweging (op koude winterdagen kon men

het eigenaardige, hierdoor veroorzaakte gedruisch duidelijk hooren)

en door de maatregelen, die de bijenhouder neemt, om de korven van

buiten tegen de winterkoude te beschutten. Omdat het gebruik van

voedsel de temperatuur van het lichaam, en hierdoor van den geheelen

korf, verhoogt, hebben de Bijen in koude winters meer voedsel noodig

dan in zachte. Door stijging van de temperatuur der buitenlucht tot

de genoemde hoogte wordt menige Bij tot een uitstapje verlokt; ook

als de bedoelde warmtegraad niet bereikt wordt, ziet men op sommige

winterdagen enkele Bijen in snelle vlucht den korf verlaten en,

nadat zij haastig water opgenomen of drek uitgeworpen hebben, in

het warme nest terugkeeren. Daar de Bij zeer zindelijk is, laat zij

haar drek nooit in den korf vallen, maar doet dit steeds in de vrije

natuur. Soms moet zij de excrementen, wegens de koude, te lang in haar

lichaam houden, of honig eten, die bedorven is, niet in goed gesloten

cellen bewaard werd; ziekte is hiervan het gevolg; zij bevuilt dan haar

woning, waardoor in den regel het geheele volk te niet gaat. Als de

winter niet streng is, blijven de Bijen voortdurend bezig, al bepaalt

hun werkzaamheid zich soms tot het overbrengen van den voorraad uit de

achterste ruimten naar de meer in 't midden gelegene, waar de cellen

reeds ledig zijn. De koningin begint trouwens meestal reeds in 't

midden van Februari eieren te leggen en maakt hiervoor gebruik van

een kleinen kring van cellen te midden van het winterleger.

Eerst in April (of Maart) worden alle Bijen langzamerhand door de

verwarmende zonnestralen uit haar winterkwartier gelokt. Met luid en

vroolijk gegons vliegen zij in kringvormige banen rond, blijde als zij

zijn, dat er een einde is gekomen aan haar langdurige opsluiting in

een nauwe ruimte en dat zij door de stralen van de lentezon in staat

gesteld worden om zich vrij te bewegen. Haar eerste zorg is het ledigen

van het spijskanaal. Wanneer het toevallig treft, dat een huismoeder

in dezen tijd de wasch in de buurt te drogen heeft gehangen, zal zij

weldra tot haar groote ergernis ontwaren, dat onhandige drukkers haar

hagelwit linnengoed in bruin gestippelde sitsen veranderd hebben:

evenals andere rondvliegende Insecten, zetten de Bijen zich bij

voorkeur op lichtkleurige voorwerpen neer. Op de genoemde inwendige

reiniging volgt de groote schoonmaak van de woning; deze geschiedt met

zooveel zorg, alsof er feest gevierd zal worden. Altijd zijn er eenige

lijken van gestorven zusters naar buiten te brengen; bovendien ligt

het in den aard der zaak, dat er door het rusteloos rondkrabbelen aan

de raten eenige schade is toegebracht, die hersteld moet worden; de

meeste moeite verschaft echter het bijeenzoeken en uit den weg ruimen

van de honderden wasdekseltjes, die over den bodem verstrooid liggen

en die bij het openen van de honigpotjes naar beneden vielen. Het

uitvliegen neemt een aanvang, wanneer het weer hiervoor geschikt

geworden is. Op de van ouds gebruikelijke wijze, die wij beschreven

hebben, kan het echter niet lang meer gaan. Het volk zal, indien het

niet te klein was, toen de winter begon en hierdoor niet te veel te

lijden heeft gehad, nu te groot geworden zijn; de woning is te klein;

er moeten maatregelen worden genomen om een zwerm te kunnen uitzenden.

De werkbijen beginnen plotseling een nieuwe soort van cellen te bouwen,

wat vorm betreft, gelijk aan de gewone, doch grooter van inhoud. In

ieder van deze legt de koningin geheel op dezelfde wijze als vroeger

een ei, dat echter onbevrucht gebleven is. De werkbijen voorzien de

cel van het brijachtige voedsel, verzorgen de jonge larve, totdat zij

op den 8en levensdag gereed is om in den poptoestand over te gaan,

sluiten de cel met een deksel af en bebroeden haar. Dit alles geschiedt

op de reeds vroeger beschreven wijze. Op den 24en dag na het leggen

van het ei wordt het deksel van de cel geopend, maar ditmaal komt er

een dar en geen werkbij uit te voorschijn. Wegens de meerdere grootte

van het mannetje was de voor hem bestemde broedcel grooter dan die

der werkbijen.

Nog meer afwijkingen van de reeds geschetste levenswijze komen

voor. Terwijl het aantal dieren toeneemt, worden, meestal aan de randen

der raten, een derde soort van cellen gebouwd, gewoonlijk 2 of 3 in

't geheel, soms echter 2- of 3-maal zooveel of nog meer. Zij hebben

een loodrechten stand, zijn rolvormig en van een grootere hoeveelheid

was vervaardigd; de ruimte daarbinnen is nog grooter dan die in de

darrewieg. Ook in elk van deze cellen legt de koningin een ei. De cel

wordt van een beter soort van voedsel voorzien, na zes dagen op een

andere wijze gesloten n.l. met een bol deksel (waardoor deze voor de

pop bestemde verblijfplaats eenigermate gelijkt op die waarin sommige

Vlinders zich ontwikkelen) en vervolgens met meer ijver "bebroed", dan

andere cellen. Na zestien dagen wordt hierbinnen een vruchtbaar wijfje

geboren. Indien men haar toestond de cel te verlaten, terwijl de oude

koningin zich nog in den korf bevindt, zouden deze beide een strijd

voeren op leven en dood, daar het vruchtbare wijfje geen tweede naast

zich duldt. De werkbijen, die de jonge koningin beschermen, weten dit

en laten haar daarom nog niet vrij, hoewel zij hierover haar misnoegen

toont door een toetend geluid. De oude koningin herkent de stem van

haar mededingster en is zeer onrustig. De werkbijen, gedreven door het

voorgevoel, dat er een belangrijke gebeurtenis zal plaats grijpen,

vormen als 't ware twee partijen; de eene bestaat uit oudgedienden,

de andere uit jongelui. De onrust is wederkeerig en neemt gaandeweg

toe. Het woest dooreenloopen van de vele duizende bewoners van den korf

(de verwachting, dat er iets bijzonders zal voorvallen, heeft de meeste

weerhouden zich naar buiten te begeven) veroorzaakt in de overvulde

woning een ondragelijke hitte. Een deel van het volk zit of hangt

in groote trossen, onder het voortbrengen van een sterk bruischend

gedruisch, vóór het vlieggat, welk verschijnsel door den bijenhouder

"voorliggen" wordt genoemd. De weinige Bijen, die nu beladen van haar

uitstapje terugkeeren, gaan meestal niet, zooals anders geschiedt,

schielijk naar binnen om haar vracht kwijt te raken, maar voegen zich

bij de voorliggende Bijen. In den korf neemt de onrust steeds toe;

daar heerscht een voortdurend gesuis en gebruisch; alle Bijen krabbelen

door en over elkander heen; van orde schijnt geen sprake meer te zijn.

Op eens komt hals over kop, als een waterstraal, die met geweld door

een nauwe opening wordt geperst, een zwerm van 10000 à 15000 (oude)

Bijen, waarbij de oude Koningin uit het vlieggat te voorschijn,

vult de lucht, als vlokken van de hevigste sneeuwbui, of gelijkt op

een wolk, die de zon verduistert. Bij het heen en weer zwenken in de

lucht ontstaat een eigenaardige, luide, vroolijke toon, die men het

"zwermgezang" noemt. Dit schouwspel dat wel 10 minuten aanhoudt, wordt

gevolgd door een ander, dat niet minder merkwaardig is. Aan een tak

van een naburigen boom; aan een stuk schors, dat met dit doel door den

imker aan een stok werd bevestigd, of op een andere plaats hecht zich

een dicht opeengedrongen hoop Bijen vast; aanvankelijk had deze den

omvang van een vuist; langzamerhand groeit hij aan, totdat de geheele

wolk zich verdicht heeft en een zwarte, naar beneden hangende "tros"

vormt, waarbinnen zich de koningin bevindt. Dit is de "hoofdzwerm" of

"voorzwerm", welks uittocht, evenals die van de "nazwermen", welke in

sommige gevallen op den eersten zwerm volgen, meestal in de middaguren

plaats heeft; de reis strekt zich niet ver uit, daar de koningin door

tal van eieren bezwaard en dus te log van beweging is. De bijenhouder,

die aan allerlei kenteekenen de voorwetenschap ontleent van 't geen

er gebeuren zal, heeft een nieuwe kast, een nieuwen korf, of welken

anderen naam zijn inrichting ook mag dragen, gereed; nadat de tros er

zorgvuldig in geborgen is, wordt de woning met een deksel gesloten

en naar de voor haar bestemde plaats gebracht. Dit is de eerste

volkplanting, die zich van het oude volk afscheidt; zij ontwikkelt zich

geheel en al op de reeds vroeger beschreven wijze, met dit verschil,

dat de koningin niet behoeft uit te vliegen, geen mannetje noodig

heeft om voor haar taak berekend te zijn. De bijenhouders zijn er

zeer op gesteld, dat het zwermen vroegtijdig geschiedt, daar in dit

geval het nieuwe volk des te eerder de vereischte grootte heeft om

een overvloedigen wintervoorraad in te zamelen en niet licht de zoo

kostbare ondersteuning met kunstmatig voedsel zal behoeven.

Laten wij nu terugkeeren naar het volk, dat zooeven zijn oude koningin

met een zwerm van zusters zag vertrekken. Hier heeft intusschen althans

één jonge koningin haar wieg verlaten en de plichtmatige eerbewijzen

ontvangen van het deel van 't volk, dat reeds vroeger aan haar

verknocht was; ongetwijfeld komt haar als eerstgeborene de hoogste

waardigheid toe, daar de moeder voor haar het veld geruimd heeft;

hare rechten zouden onbestreden blijven, indien er geen mededingsters

bestonden, die aanspraken op het gezag kunnen laten gelden. Soms

geven deze nog na 3, 7 of 9 dagen aanleiding tot de afscheiding van

nazwermen, iedere volgende natuurlijk minder talrijk dan de vorige;

soms echter neemt het zwermen met den voorzwerm een einde. Zoowel

na het eene als na het andere geval komen moord en doodslag voor,

daar er geen twee koninginnen in één staat kunnen blijven. Wanneer

er geen nieuwe zwerm meer kan worden uitgezonden, omdat het aantal

bewoners van den korf te zeer is afgenomen, worden alle koninginnen,

op één na, door het volk gedood; zelden komt het voor, dat een duel

tusschen twee vorstinnen het pleit beslecht.

Een nazwerm verwijdert zich verder van de korf, wegens de grootere

lichtheid en vlugheid van het nog onbevruchte wijfje, en vereischt dus

meer zorg en oplettendheid van den kant van den bijenhouder. Wanneer

deze ontbreken, zal de zwerm na korten tijd de plaats, waar hij

zich verzameld heeft, verlaten, om in een hollen boom, een spleet

van een muur of een dergelijke geschikte ruimte een nieuwen staat

te grondvesten. In den regel gaat een volk, dat op deze wijze in de

vrije natuur aan zich zelf overgelaten is, reeds in den eerstvolgenden

herfst of winter te niet; dat het in gunstige omstandigheden jaren

lang in dezen toestand van verwildering kan blijven bestaan, blijkt

echter uit eenige voorbeelden.

Zeer zelden komt, behalve de genoemde zwermen, ook nog een zoogenaamde

"maagdenzwerm" voor, n.l. wanneer het aantal leden van een vroegtijdig

uitvliegenden názwerm zoo schielijk toeneemt, dat hij in den loop

van den zomer een nieuwe volkplanting kan uitzenden.

Nu wij den gewonen gang van zaken in een bijenstaat hebben leeren

kennen, moeten nog eenige buitengewone gebeurtenissen besproken

worden, die te merkwaardig zijn om er over te zwijgen. Stel eens,

dat een volk door het een of ander toeval zijn koningin verliest

en geen koninklijke broedcellen met eieren bezit. Wat dan geschiedt,

hangt af van de omstandigheden, waaronder dit ongeluk plaats vindt. Het

kan voorkomen, dat op dit tijdstip sommige broedcellen voor werkbijen

nog een ei of een larve bevatten en dus nog niet met een wasdekseltje

gesloten zijn. Dan wordt in groote haast een van de cellen, die een ei

of een zeer jonge made bevat, tot een koninklijke broedcel verbouwd;

nadat verscheidene van de daaronder gelegen hokjes weggebroken zijn om

ruimte te verkrijgen wordt in korten tijd aan de kinderkamer een ronden

vorm en een vertikalen stand gegeven, De jonge bewoonster van dit

verblijf wordt vervolgens opgekweekt met het eigenaardige, voor jonge

koninginnen bestemde voedsel. Op den gewonen tijd zal het blijken,

dat de genomen moeite niet vruchteloos is geweest: een vruchtbaar

wijfje komt uit de verbouwde cel te voorschijn. Wanneer dit redmiddel

niet te baat genomen kan worden, omdat alle broedcellen reeds met een

wasdeksel gesloten zijn, wordt de krachtigste en grootste werkbij ten

troon verheven: dit geschiedt door haar van allen arbeid te ontheffen,

te koesteren, te verzorgen, als een koningin te voederen, kortom geheel

op dezelfde wijze te behandelen als de legitieme vorstin. Weldra zal

zij beginnen eieren te leggen, daar de hiervoor geschikte organen bij

alle werkbijen wel aanwezig zijn, maar onontwikkeld blijven, tenzij

hun groei door rust en een goede verzorging mogelijk wordt gemaakt. De

maden, die uit deze eieren voortkomen, hebben echter geen ruimte genoeg

voor haar ontwikkeling in de kleine, voor werkbijen bestemde cellen,

waarin zij zich bevinden; deze moeten met een sterk uitpuilend deksel

gesloten worden; de hieruit voortkomende Bijen zijn n.l. uitsluitend

darren, daar de bevruchting van de tot koningin gepromoveerde werkbij

achterwege is gebleven.--Bij het kloppen tegen een korf, die een

koningin bevat, hoort men een onmiddellijk weder ophoudend bruischen;

een korf zonder koningin is kenbaar aan het lang voortduren van

dit gedruisch. Zulk een stam sterft na verloop van korten tijd uit,

tenzij de bijenhouder er een koningin aan toevoegt.

Ten slotte zij nog opgemerkt, dat men naar de kleur (vooral van de

koningin) 6 variëteiten van Bijen onderscheidt, (a) Het effenkleurige,

donkere ras, dat wij reeds beschreven hebben, is de Noordelijke Bij,

die over alle noordelijke landen verbreid is en tot voor weinige jaren

hier geen mededingers had naar de gunst van den mensch; men vindt

haar echter ook in het zuiden van Frankrijk en Spanje, in Portugal,

in eenige gewesten van Italië, in Dalmatië, Griekenland, de Krim,

op de eilanden en in de kuststreken van Klein-Azië, in Algerië,

Guinea, Kaapland en in een groot deel van Amerika, voorzoover het

in den gematigden aardgordel gelegen is. (b) De Italiaansche Bij

(Apis ligustica) onderscheidt zich door de bruinroode of roodachtig

gele kleur van de beide eerste ringen van het achterlijf, het zwarte

schildje en de hoogroode pooten van de koningin. Zij komt voor in de

noordelijke gewesten van Italië, in Tirol en Italiaansch Zwitserland;

sedert 1853 is dit ras in vele streken van Duitschland, sedert 1862

in Australië ingevoerd. (c) De Kaukasische Bij, die van de vorige

verschilt door de gele kleur van het schildje, komt voor in het zuiden

van Frankrijk, in Dalmatië, het Banaat, op Sicilië, in de Krim, op de

eilanden en het vasteland van klein-Azië en in den Kaukasus. (d) De

Egyptische Bij (Apis fasciata) kleiner dan de vorige rassen (werkbij

10 mM. lang), heeft het schildje en (op den zwarten rand na) ook de

beide eerste achterlijfsringen roodachtig geel; het achterlijf van de

werkbijen en darren is overigens witachtig behaard. Zij behoort thuis

in Egypte en is van hier uit verbreid over Sicilië en oostwaarts over

Arabië tot aan den Himalaja en China. In den laatsten tijd werd zij

ook in Duitschland geacclimatiseerd. De Egyptische Bij gaat onmerkbaar

over in (e) de Afrikaansche Bij (Apis Adansonii), die in geheel Afrika

(met uitzondering van Egypte en Algerië) gevonden wordt; zij heeft de

borst met het achterlijf grijsgeel behaard. (f) De nog kleinere Zwarte

Bij (Apis unicolor) is alleen op Madagascar en Mauritius inheemsch.

De Indische Bij (Apis indica) is kleiner en vermoedelijk van een

andere soort dan de onze: men vindt haar in Kasjmier, waar iedere

landman voor haar in de muren van zijn woning cilindervormige ruimten

overlaat, en ook in een deel van Pendsjab.--Een grootere soort dan

de onze komt voor in de zuidelijke gebergten van Indië; verscheidene

volken van deze Bijen leven bij elkander; haar honig heeft echter,

naar men zegt, dikwijls vergiftige eigenschappen.

In de keerkringsgewesten, vooral in Brazilië, op de Soenda-eilanden

en op Nieuw-Holland, worden verscheidene soorten van "wilde"

Bijen gevonden. In het eerstgenoemde rijk zijn zij onder den

gemeenschappelijken naam van "Abelhas" bekend en verschaffen den

mensch, die hare nesten weten te vinden, een rijken voorraad van

honing.--Op een zeer eigenaardige wijze weten de inboorlingen van

Nieuw-Holland de nesten van wilde Bijen op te sporen. Zij vangen er

een, plakken haar een wit veertje op 't lichaam, laten haar weder

vliegen en zetten haar over heg en steg, door kreupelhout en bosschen

achterna. Ondanks de moeielijkheden, die zulk een drijfjacht oplevert,

verliezen de jagers, naar 't schijnt, de gemerkte Bij slechts zelden

uit het oog en vinden in den regel als loon voor hun moeite het

gezochte nest.

De bedoelde Bijen heeten Meliponen (Melipona); met de Gewone

hebben zij het gemis van een doorn aan den achterscheen gemeen,

maar verschillen er in allerlei andere opzichten van, ook door haar

geringere grootte. Vooral verdient vermelding, dat zij geen angel

hebben. Om zich te verdedigen maakt zulk een Bij gebruik van hare

krachtige kaken. Het in haar lichaam bereide was treedt niet tusschen

de buikplaten, maar tusschen de rugplaten van de achterlijfssegmenten

naar buiten.

De Meliponen bouwen hare raten bij voorkeur in holle boomstammen,

doch ook wel in spleten van loodrechte oevers en in Termieten-heuvels;

zij metselen de spleten en andere openingen dicht, zoodat er slechts

één vlieggat overblijft, dat soms van een buis- of trechtervormigen

toegang voorzien is. Voor deze en ook voor eenige andere werkzaamheden

gebruiken zij als bouwmateriaal geen was, maar harsachtige en andere

plantaardige stoffen, zooals ook door de Gewone Bij worden gebezigd,

hoofdzakelijk echter een kleiachtige grondsoort. Deze bouwstoffen

worden op dezelfde wijze vervoerd als het stuifmeel, dus als "bouten"

aan de achterpooten.

Het inwendige van 't nest, hoewel van was vervaardigd, verschilt

aanmerkelijk van dat onzer bijenkorven, vooreerst omdat de broedcellen

en de "proviandkruiken" in 't geheel niet op elkander gelijken. De

raten met broedcellen kunnen, wat haar inrichting betreft, het best

met die van onze Gewone Wesp vergeleken worden, wanneer men deze

het onderste boven keert; het zijn horizontale platen, die uit een

enkele laag van cellen bestaan, welker opening naar boven is gericht;

deze platen liggen bij wijze van verdiepingen boven elkander en zijn

door korte zuiltjes vereenigd. De voorraad van honig en bijenbrood

(stuifmeel met honig) wordt geborgen in afzonderlijke dikwandige

"proviandkruiken", die in den regel den vorm van een vogelei hebben en

alleen, wanneer zij dicht bijeenstaan, elkander op de aanrakingsplaats

plat drukken.

Een ander verschil is, dat de cel vóór het eierenleggen door de

werkbijen met bijenbrood gevuld wordt. Onmiddellijk nadat de jonge

Bij haar wieg verlaten heeft, worden de wanden van de cel afgebroken

en op den afvalhoop geworpen of opnieuw als bouwstof gebruikt. Ook

de geledigde proviandkruiken worden meestal uit den weggeruimd en

door andere vervangen.

Buitengewoon groot is het aantal soorten van dit geslacht, van

elkander verschillend door grootte, door de houding van het lichaam,

door de lucht die zij verbreiden, door de wijze van vliegen en door

temperament. Van sommige verstomt het luid gegons oogenblikkelijk,

wanneer men tegen een door haar bewoonden boomstam klopt. Terwijl

deze zich schuw verbergen, stellen andere zich te weer en toonen

haar weerbaren aard door het plaatsen van schildwachten bij het

vlieggat. Iederen mensch, die haar den honig wil rooven, vliegen zij

onmiddellijk onder luid gegons in 't gelaat, in het haar van het hoofd

of van den baard, of in de ooren; dikwijls verbreiden zij tevens een

zeer scherpe lucht, die zelfs tot duizelingen en walging aanleiding

kan geven. De nauwelijks zichtbare wonde, die een gevolg is van haar

beet, veroorzaakt na verloop van eenige uren een pijnlijk, brandend

gevoel en een ondragelijke jeukte; den volgenden dag bevindt zich

op deze plaats een met vocht gevulde blaar ter grootte van een erwt,

die door een vuurrooden rand omgeven is. Hoewel deze blaar schielijk

verdwijnt, behoudt de huid nog weken lang de roode kleur.

Ook Meliponen worden soms in een soort van korven gehouden, o.a. in

sommige gewesten van Java de Selemprang (Melipona minuta), die niet

veel grooter is dan een Mier en het was levert, dat de Javanen bij

het batikken van katoenen stoffen gebruiken.

De logge, brommige Hommels (Bombus), die in menig opzicht aan de

Beren herinneren en welker meestal onderaardsche woningen kunstelooze

holen zijn, staan ver beneden de hoog ontwikkelde Bijen in hare

groote steden, kunnen zich niet meten met de heerschzuchtige

Wespen en Hoorntjes in hare van papier en karton vervaardigde

roofridderkasteelen. Er ligt echter een zeker poëtisch waas over

hun eenvoudig landelijk leven; tot kleine gezelschappen (familiën)

vereenigd, die ieder een verborgen aarden hut bewonen, "vlieten hunne

dagen gelijk een kalmen regen heen." De Hommelfamilie bestaat uit

vierderlei leden, daar er, behalve mannetjes en onvruchtbare wijfjes

(gewoonlijk "arbeidsters" genaamd), tweeërlei wijfjes in voorkomen:

groote en kleine. Iedere familie stamt af van een "groot" wijfje,

dat na de paring in een veiligen schuilhoek, doch in geen geval in de

ouderlijke woning, den winter slapend heeft doorgebracht. In Maart

of April vieren de Hommels hun opstandingsfeest. Overal verlaat,

naar het schijnt, de Aardhommel het vroegst zijn winterkwartier. De

eerste zorg van het wijfje is het opzoeken van een geschikte

broedplaats; intusschen spreekt zij tot haar eigen versterking Flora's

eerstgeborenen om honig aan. Een met gras begroeide molshoop, die door

de Mieren nog niet in beslag genomen werd, een gekronkelde gang van

denzelfden bouwmeester, een verlaten muizengat of een andere holte van

soortgelijken aard wordt tot woonplaats gekozen door de Hommels, die in

den grond nestelen. Zij, die boven den grond bouwen, geven de voorkeur

aan een dicht met mos begroeide plek, een hoop afgevallen bladeren

onder verwilderde struiken of zelfs aan een verlaten vogelnest op of

in de nabijheid van den grond. Al deze woningen komen in zooverre

overeen, dat hun toegangsopening verborgen en op tamelijk grooten

afstand gelegen is. In het nest brengt de stammoeder stuifmeel

en honig; 4 weken later ontwikkelen zich uit de door haar gelegde

eieren, de eerste arbeidsters, die veel kleiner zijn dan haar moeder;

bij de steeds voortdurende uitbreiding der familie is haar hulp hoog

noodig. Hoe talrijker deze wordt, des te minder dikwijls vliegt de

stammoeder uit; meer en meer bepaalt zij zich tot het eierleggen. Te

dien einde vervaardigt zij van was een napvormige cel op een zachte

onderlaag, waarin, behalve voedsel (een brijachtig stuifmeelmassa),

verscheidene eieren gelegd worden; daar deze door de overige Hommels

als een lekker hapje worden beschouwd, past de moeder er op en sluit

de cel zoo schielijk mogelijk. Zoo noodig wordt de cel vergroot en

herhaaldelijk geopend om er nieuw voedsel in te brengen; cocons,

die door de pop verlaten zijn, worden als bewaarplaatsen voor den

honig ingericht. De larve is in 10 à 12 dagen volwassen, spint zich

in en verandert in een pop; de rusttoestand duurt gemiddeld 14 dagen;

daarna maakt de jonge Hommel met de kaken een opening in zijn hulsel

en wordt bij deze werkzaamheid door zijne zusters geholpen. De geheele

ontwikkelingsduur bedraagt dus een maand, maar kan door aanhoudende

warme weersgesteldheid en overvloed van voedsel eenige dagen verkort

worden; in 't tegengestelde geval zal hij langer zijn.

Wanneer men later in 't jaar, in 't midden van den zomer, een nest

opent, kan het er uitzien als bij 1 in de afbeelding; soms echter

hebben de hier zichtbare, vingerhoedvormige cellen verschillende

grootte en zijn in verscheidene lagen boven elkander gelegen,

waardoor het geheel eenigszins aan een druiventros herinnert. In het

nest bevinden zich arbeidsters van ongelijke statuur; tegen het einde

van Juli ziet men voor 't eerst kleine wijfjes; zoowel deze als gene

stemmen in lichaamsbouw met de stammoeder overeen, maar houden, wat

grootte betreft, ongeveer het midden tusschen het groote wijfje en

de mannetjes. Deze "darren" vervullen een veelzijdiger taak dan die

van de bijenmaatschappij, nemen deel aan alle werkzaamheden, vliegen

uit om voedsel voor zich te zoeken, helpen bij het herstellen van het

nest en bij het bebroeden der cellen; in den nazomer echter verlaten

zij voor goed de gemeenschappelijke woning en houden zich tot aan hun

dood daarbuiten op. De arbeidsters en de kleine wijfjes verrichten

het belangrijkste deel van den arbeid en zijn onvermoeid. Van 's

morgens vroeg tot 's avonds laat kan men de bedrijvige Hommels zien

en hooren. Op sombere en onaangename dagen, als ieder ander Insect

een schuilplaats opgezocht heeft, laat in den avond, als alle over

dag werkzame bloemenliefhebbers reeds ter ruste zijn gegaan, vliegt

de Hommel eenzaam en brommend van de eene bloem naar de andere. Veel

meer verscheidenheid bieden de werkzaamheden in het nest aan: het

herstellen en vergrooten van de woning, het afknagen van overtollige

en het aaneenhechten van nog voor den dienst geschikte cellen,

het veranderen van de ledige cocons in honigpotten, het voederen

der larven en het bebroeden der cellen, die larvenpoppen bevatten,

kortom al wat er in 't belang van de gemeenschap te doen valt, behoort

tot de taak van de arbeidsters; dit geldt ook van de kleine wijfjes,

welker zorgen soms nog door het moederschap vermeerderd worden; de

door haar gelegde eieren zijn aanmerkelijk kleiner dan die van de

stammoeder en leveren uitsluitend mannetjes op.

In Augustus verschijnen de groote wijfjes, de eenige leden van het

gezelschap, die den winter kunnen overleven. Naarmate deze nadert

en de voeding schraler wordt, neemt ook het aantal geboorten af;

ten slotte sterft de familie, op de groote wijfjes na, geheel uit.

Voor ongeveer 200 jaar verhaalde Gödart, dat zich in ieder hommelnest

een "trompetter" bevindt, die zich iederen morgen op het dak van de

woning begeeft om door luid gegons het geheele gezin te wekken en tot

het hervatten van den arbeid aan te sporen. Dit verhaal, dat men reeds

voor lang naar het rijk der fabelen had verwezen, werd door Professor

Hoffer te Graz, eenige jaren geleden, althans voor Bombus ruderatus,

bevestigd. Deze zag op het hoogst gelegen punt van een nest, dat hij

in een afzonderlijk hokje had geplaatst om het beter te kunnen nagaan,

een klein wijfje, dat het lichaam hooghield, den kop naar onderen

richtte en met hevig trillende vleugels een schel geluid liet hooren,

dat ongetwijfeld door de lucht, die uit de ademgaten ontweek, versterkt

werd; bovendien zag hij op verschillende plaatsen Hommels, die door

gaten in het dak van het nest het kopje naar buiten staken. Dit

verschijnsel herhaalde zich iederen morgen. Toen de trompetter was

weggevangen, verscheen den volgenden dag een ander klein wijfje als

plaatsvervangster. De berichtgever vermoedt, dat zulk een trompetter

alleen in sterk bevolkte nesten voorkomt.

Hoe verborgen hun verblijfplaats ook is, toch ontbreekt het den Hommels

geenszins aan indringers in hunne nesten, om niet eens te spreken

van de Vogels, die het Insect zelf opvangen om het onmiddellijk te

verslinden of aan een doorn te rijgen voor later gebruik. De Groote

Veldmuis, de Wezel en de Bunzing zijn de ergste vernielers van de

hommelnesten; deze worden bovendien bewoond door tal van parasieten,

die zich met den hier verzamelden voorraad voeden (gelijk de larven van

de Koekoekhommels doen), of de kinderen des huizes verslinden. Tot deze

ongenoode gasten behooren eenige Parasietvliegen (zooals Volucella,

Myopa, Conops), de Spinachtige Mieren (Mutilla), de larven van de

Oliekevers, enz. De Hommels zelf zijn behept met Kevermijten, evenals

de Doodgravers en de Paardenmestkevers.

De Hommels stemmen door het maaksel van hun lichaam in hoofdzaken

met de Honigbijen overeen, met dit belangrijk verschil echter,

dat de breede achterscheen met twee einddoornen uitgerust is en dat

de eveneens breede hiel, in plaats van het tandje, een groot, goed

ontwikkeld hieluitsteeksel draagt. Het korfje aan de achterpooten treft

men natuurlijk alleen bij de wijfjes en de arbeidsters aan. De tong is

lang, in uitgestrekten toestand minstens even lang als het lichaam;

de beide eerste leden van de liptasters omsluiten haar als een buis

(de beide volgende leden vormen een kort, zijwaarts gericht aanhangsel;

de liptaster is derhalve tweevormig; de kaaktaster daarentegen is klein

en éénledig). Op de kruin staan de bijoogen op een rechte lijn. Het

kleinere en slankere mannetje is kenbaar aan den kleineren kop, de

langere sprieten, die wegens de kortheid van de schaft schijnbaar niet

gebroken zijn, en het smallere achterlijf. De achterpooten missen het

korfje en het hieluitsteeksel en zijn aan de buitenzijde met lange

haren begroeid. De kleinste leden van het geheele gezelschap zijn de

arbeidsters, die overigens door lichaamsbouw en kleur met de groote en

kleine wijfjes volkomen overeenstemmen. Daarentegen bestaat er tusschen

de mannetjes en wijfjes soms een niet onbelangrijk verschil van kleur.

De Aardhommel (Bombus terrestris) is grootendeels begroeid met zwarte

haren, die echter op de 3 laatste ringen van het achterlijf door witte,

op den tweeden achterlijfsring en den halskraag door gele vervangen

zijn, waardoor gordelvormige strepen ontstaan. De drieërlei leden van

het gezin zijn gelijk van kleur, maar zeer verschillend van grootte:

het overwinterende wijfje is 26 of meer mM. lang, het mannetje 13 à

22, de arbeidsters 13 à 18.75 mM. Deze soort is over geheel Europa

en het noorden van Afrika verbreid.

Bij den ongeveer even grooten Tuinhommel (Bombus hortorum) is de

spits van het achterlijf eveneens wit; de halskraag, meestal ook het

schildje en de eerste achterlijfsring, benevens het eerste en het

derde lid van de borst, zijn geel.

De Steenhommel (Bombus lapidarius) is even groot als de beide vorige

soorten; grootendeels fraai-zwart van kleur, heeft hij echter de 3

laatste achterlijfsringen vosrood. Bij het mannetje zijn de kop, het

voorste deel van het borststuk, dikwijls bovendien ook het schildje,

geel.

De Moshommel (Bombus muscorum) is grootendeels geel; het borststuk

is roodachtig, zoo ook de wortel van het achterlijf, waar echter

ook enkele bruine en zwarte haren tusschen de roodachtige groeien;

de beharing van het overige achterlijf is door bijmenging van grijs

lichter geel. De lengte van dit Insect wisselt af van 18.75 tot 22

mM. Deze Hommel wordt zoo genoemd, omdat hij de komvormige holte in

den grond, die hem tot nest dient, met een van mos (soms ook wel van

gras) tamelijk los geweven gewelf bedekt. Wanneer men voorzichtig

te werk gaat, kan men het opnemen; het geheele gebouw gelijkt op een

omgekeerd vogelnest, waarin de cocons, die ongeveer den vorm van eieren

hebben, ordeloos, maar door kleine klompjes bruine was aaneenverbonden,

naast elkander liggen. Terwijl men nog bij het nest staat, zoeken de

Hommels het verspreide mos weder bijeen; alle leden van het gezelschap,

zonder onderscheid van sekse, nemen aan den arbeid deel. Zij dragen

de bouwstof niet, maar schuiven haar ineen. Langzamerhand ontstaat

hierdoor een gewelf van 26 à 52 mM. dikte. Inwendig wordt het met

een papierdikke laag van een harsachtige stof bekleed.

Men kent ongeveer 80 vertegenwoordigers van het hommelgeslacht uit

alle werelddeelen behalve Australië; in Nederland heeft men er 9

van gevonden.

Van de tot dusver beschouwde Gezellig levende Bijen (Sociales) kan men

de overige leden van de onderfamilie der Echte Bijen (Apiariae) onder

den naam van Eenzaam levende Bijen (Solitariae) onderscheiden. Zij

leven steeds bij paren; arbeidsters (onvolkomen ontwikkelde wijfjes)

komen bij haar niet voor, omdat het eierleggende wijfje wegens de

wijze, waarop zij haar kroost verzorgt, geen hulp noodig heeft. Met de

leden der vorige groep hebben zij het eigenaardig verschil tusschen de

kaak- en de liptasters gemeen: de beide eerste leden van den liptaster

zijn steeds lang en plat, de beide laatste kort en rond; de kaaktaster

daarentegen bevat geen andere dan cilindervormige leden. Wij zullen

deze groep verdeelen in Scheengaarders, Buikgaarders en Koekoeksbijen.

De Scheengaarders (Podilegidae) stemmen door het maaksel der

achterpooten met onze Hommels overeen. Bij sommige, voor 't

meerendeel uitheemsche soorten hebben de wijfjes den achterscheen

en den hiel aan de buitenzijde onbehaard, zoodat deze lichaamsdeelen

een korfje vormen. Bij vele inheemsche soorten ontbreekt het korfje

en zijn de achterscheen en de hiel zoowel aan de buiten- als aan de

binnenzijde dicht met "zamelharen" bedekt. Evenals de andere niet

parasiteerende eenzaam levende Bijen vervaardigen zij cellen van

verschillende bouwstoffen (uitgezonderd was) tot berging van een

voldoende hoeveelheid voedsel (een mengsel van honig en stuifmeel)

voor de ontwikkeling van het hierop gelegde ei. Na het sluiten van

de cel is de taak van de moeder afgeloopen. De made ondergaat de

gedaantewisseling in de voor haar bestemde ruimte en verlaat deze

als Bij, misschien eerst 10 of 11 maanden na het leggen van het

ei, door een gat, dat zij in den wand der broedcel knaagt. Haar

wacht geen liefdevolle verzorging, zooals aan de Gewone Bijen en

Hommels gedurende het eerste tijdperk van het imago-leven ten deel

valt. Evenals de meeste dieren moet zij gedurende haar kortstondig

leven, zonder eenige hulp van anderen, gewapend met de haar aangeboren

begaafdheden, den strijd om het bestaan voeren.

De Metsel- of Pelsbijen (Anthophora), die in geheel Europa en

Noord-Afrika door talrijke soorten vertegenwoordigd zijn, worden

ook in Zuid-Amerika en Azië gevonden. De eindklauwen van den voet

zijn tweedeelig, de achterscheen is met twee doornen gewapend; de

gebroken sprieten zijn bij het mannetje en het wijfje gelijk van vorm

en middelmatig lang; de bijoogen staan in een driehoekje. Niet slechts

door haar gedrongen bouw, maar ook door de dichtheid en de kleur van

het haarkleed herinneren deze Bijen aan de Hommels; toch is een enkele

blik op de achterpooten, althans bij het wijfje, voldoende om te weten,

dat men met een ander geslacht te doen heeft. Het verschil tusschen de

beide seksen bestaat in het ontbreken van den borstel bij het mannetje;

daarentegen zijn bij hem de middelvoeten dikwijls op een andere wijze

behaard; in den regel is het onderste gedeelte van zijn aangezicht

ivoorwit; bij het wijfje is het even zwart als de overige deelen van

den kop. Door deze en andere belangrijke afwijkingen is het, evenals

bij de Hommels, ondoenlijk om op het uitzicht af het mannetje en het

wijfje als leden van dezelfde soort te herkennen; zekerheid hierover

verkrijgt men alleen door het waarnemen der dieren in de vrije natuur.

Zij wonen in den grond, in spleten van muren, gaten van boomen of

barsten van leemwanden, maken hier gangen, die door dwarsschotten

(van leem of zand met speeksel gemetseld) in cellen worden verdeeld,

verschijnen reeds zeer vroeg in 't jaar en vliegen buitengewoon snel

met een bijna fluitend gedruisch van de eene bloem naar de andere.

De Ruige Metselbij (Anthophora hirsuta), voor zoover bekend de

eenige inheemsche vertegenwoordiger van haar geslacht, nestelt in

spleten van muren; zij is over het geheele lichaam dicht behaard,

het borststuk en de wortel van het achterlijf zijn rood of geelbruin;

het toestel voor het verzamelen van stuifmeel is geel; overigens is

dit Insect zwart van kleur.

Het wijfje van de Ruigpootige Metselbij (Anthophora retusa) komt in

grootte en gestalte met de vorige soort overeen, maar is over het

geheele lichaam zwart; alleen de zamelharen zijn roestrood. Het iets

kleinere en slankere mannetje draagt op den kop, het borststuk en den

wortel van het achterlijf vosroode haren, die verder achterwaarts in

aantal afnemen en door zwarte haren vervangen worden. Het mannetje

vliegt later dan zijn ega, die in het Zevengebergte en in het Parijsche

bekken bij voorkeur de gaten, die aan de trachyttufrotsen zulk een

eigenaardig voorkomen verschaffen, tot broedplaatsen kiest.

De Leemwand-metselbij (Anthophora parietina) bewoont gaten in oude

leemwanden en bemoeielijkt voor ongenoode gasten den ingang naar

haar nest door den rand der opening te verlengen tot een eenigszins

naar onderen gekromde buis, waarvoor kluitjes leem uit den muur en

speeksel het materiaal verschaffen. Het wijfje is iets kleiner dan

dat van de vorige soort en, met uitzondering van de roestroode spits

van het achterlijf, zwart behaard.

Bij een andere groep van Scheengaarders onderscheiden de mannetjes

zich door de buitengewone lengte der sprieten, die men, wegens de

eenigszins knobbelvormige opzwelling van het voorste uiteinde van

ieder lid, met de hoornen van een Steenbok zou kunnen vergelijken. Deze

soorten heeten daarom Hoornbijen (Macrocera).

De Gewone Hoornbij (Eucera longicornis), die in 't einde van Mei

begint rond te vliegen, heeft reeds in het midden van Juni veel van

haar schoonheid verloren, omdat haar vacht deels verbleekt, deels

door schuring verloren gaat. Het mannetje, gedurende de jeugd op

den kop, het borststuk en de beide eerste ringen van het zeer bolle

achterlijf dicht bedekt met fraai vosroode haren, is nu kaal en vaal:

de statige hoornen en de gele kleur van het kopschild en de bovenlip

is al wat hem rest van zijn vroegeren tooi. Het wijfje is een weinig

grooter dan haar gemaal en heeft een geheel ander voorkomen; door

den borstel aan den achterscheen onderscheidt zij zich ook van veel

op haar gelijkende Zandbijen. De als broedplaats dienende gladde

buis in den grond wordt door dwarsschotten in cellen verdeeld, die

van achteren naar voren in aantal toenemen, zoodra de achterste met

honig en stuifmeel gevuld en met een ei bedeeld is.

Amerika is zeer rijk aan soorten van Hoornbijen, die met de onze

veel overeenkomst vertoonen, zoowel in kleur als door het eigenaardig

verschil tusschen het mannetje en het wijfje.

De opzichtigste leden van de geheele familie zijn de Timmerbijen

(Xylocopa). Op den eersten indruk afgaande, zou men ze kunnen

houden voor groote Hommels met een platter, op den rug meestal kaal

achterlijf; bij nadere beschouwing merkt men echter een aantal

belangrijke verschilpunten op. De vleugels zijn meestal donker

van kleur met paarsen of bronsachtigen weerschijn. De randcel van

den voorvleugel loopt aan weerszijden spits toe en is van achteren

eenigszins snavelvormig naar binnen gebogen en van een meer of minder

duidelijk aanhangsel voorzien. De niet bijzonder breede achterscheen

is, evenals de lange hiel, aan de buitenzijde dicht behaard en hierdoor

voor het inzamelen van stuifmeel geschikt. Behalve door geringere

grootte en de minder overvloedige beharing van de achterpooten,

onderscheidt zich bij vele soorten het mannetje van het wijfje door

een geheel andere vacht, of door het bezit van breedere leden aan de

voorpooten, of door de grootte der oogen, die op de kruin een geringe

tusschenruimte overlaten.

De Timmerbijen bouwen reeksen van cellen in hout; de meeste soorten

bewonen de heete landen van Amerika, Afrika en Azië; verscheidene

soorten die veel op elkander gelijken, treft men in Zuid-Europa aan;

één daarvan wordt ook verder noordwaarts tot in sommige gewesten van

Duitschland (doch niet bij ons) gevonden. Deze, de Paarsgevleugelde

Timmerbij (Xylocopa violacea), is middelmatig groot; zijn lengte is

verschillend en kan hoogstens 25 mM. bedragen; het geheele lichaam is

zwart van kleur. Luid gonzend vliegt het wijfje, dat een broedplaats

voor hare eieren zoekt, bij latten, houten schuttingen en palen rond;

oud hout, een half vergane paal, een gedeeltelijk vermolmde boomstam,

waarvan reeds eenige stukken schors zijn afgevallen, lachen haar

het meest toe en maken den zwaren arbeid, dien zij te verrichten

heeft, mogelijk. IJverig gaat zij aan 't knagen, totdat er een gat

ontstaan is, waarin zij met haar lichaam kan doordringen, holt dit

nog eenige mM. ver naar binnen uit en geeft vervolgens aan de gang

een benedenwaartsche richting. Als beitels dienen de bovenkaken ieder

afzonderlijk; te zamen vormen zij een niet minder doelmatige tang;

geschikt om de houtspaanders naar buiten te vervoeren. Al dieper

en dieper wordt de gang; zij is overal even wijd, aan 't einde een

weinig buitenwaarts gekromd en kan een lengte van 31 cM. bereiken. Bij

dezen arbeid gunt de zorgzame moeder zich bijna geen rust, tenzij om

af en toe een uitstapje te maken naar de bloemen, uit welker honig

zij nieuwe krachten put en die haar het stuifmeel verschaffen,

dat zij met honig vermengt, om hiervan een nauwkeurig bepaalde

hoeveelheid in het onderste deel van de gang op te hoopen. Nadat op

dezen hoop larve-voedsel een ei is gelegd, wordt met een deksel,

dat uit concentrische ringen van gekauwde houtvezels bestaat, de

onderste cel van boven gesloten. Deze is ongeveer even hoog als wijd,

b.v. 20 mM. Haar zolder dient tevens als vloer voor de tweede cel,

die met een gelijke hoeveelheid voedsel en met een tweede ei wordt

bedeeld. Op deze wijze gaat de Timmerbij voort, totdat de geheele gang

in een reeks van boven elkander gelegen cellen veranderd is. Na het

voltooien van dezen zwaren arbeid zijn hare krachten geheel uitgeput.

Weinige dagen later verlaat de jonge made het ei; zij ligt in gekromde

houding in haar cel en vult deze nagenoeg, wanneer zij drie weken

oud geworden is en in den poptoestand overgaat; dit geschiedt na

het spinnen van een cocon. De larve, die de onderste cel bewoont,

is de oudste en zal dus het eerst imago worden, de daarboven gelegene

vervolgens en de bovenste het het laatst. Moet nu de eerstgeboren Bij

wachten, totdat de jongste gereed is om haar gevangenis te verlaten

en op deze wijze voor de overige een weg baant?--De jongen van de

tweede generatie handelen zoo in de lente van het volgende jaar, omdat,

het gure seizoen hen noodzaakte hun geboorteplaats als winterkwartier

te gebruiken. De Timmerbijen, die in Augustus geboren worden, moeten

echter spoedig naar buiten, waar zij dezelfde taak hebben te vervullen

als hare ouders. De kortste weg wordt haar door de natuur gewezen. In

de cel staat het Insect op den kop; zoodra het zich beweegt en naar

voren dringt, zal het bemerken, dat de wand meegeeft. Deze aansporing

volgend, komt het aan het einde van de kromming, die met houtzaagsel

losjes gevuld is, waarna het slechts een dun laagje zacht hout heeft

door te knagen om zich in de warme zomerlucht te bevinden. Dat het

geval zich zoo toedraagt, wordt door Lepeletier aangenomen. Réaumur

daarentegen bericht, dat de stammoeder een gat knaagt aan 't einde en

soms nog een op het midden van de lengte van de gang, zoodat er in

het geheel drie uitgangen zijn. De tweede Bij volgt de eerste na en

zoo gaat het voort, totdat het geheele gezelschap uitgevlogen is en

het nest ledig staat. In streken, waar de Timmerbijen zich voor goed

gevestigd hebben, maken zij waarschijnlijk jaren achtereen gebruik van

de oude broedplaatsen, waardoor haar bij gunstige weersgesteldheid

de gelegenheid wordt verschaft om aan een talrijker nakomelingschap

het aanzijn te geven dan haar anders mogelijk zou zijn.

De Mortelbij (Chalicodoma muraria), die bij oppervlakkige beschouwing

op een Hommel gelijkt, vereischt wegens de afbeeldingen geen

uitvoerige beschrijving. Het zal voldoende zijn op te merken, dat

het wijfje geheel en al zwart is, ook de vleugels, die bij de spits

een lichtere kleur aannemen, en dat het mannetje een vosrood kleed

heeft. De buik is, evenals de rug, sterk behaard; bij het wijfje zijn

deze haren borstelvormig en achterwaarts gericht en dienen tot het

verzamelen van stuifmeel voor de bereiding van voedsel. Deze soort

behoort n.l. tot de Buikgaarders (Gastrilegidae). Zij komt in Middel-

en Zuid-Duitschland voor, doch werd hier te lande nog niet waargenomen.

Nadat deze Bijen in Mei door een rond gat, dat zij in den wand

van het nest knagen, naar buiten zijn gekomen, beginnen de 15 à 18

mM. lange wijfjes (de mannetjes zijn 11 à 13 mM. lang) cellen te

bouwen, die zij tegen rotsen, doch ook wel tegen van mortel ontbloote

muren, enz. vastplakken. Als bouwstof maken zij gebruik van fijne

zandkorreltjes, die door middel van speeksel zoo stevig saamverbonden

worden, dat men een spits werktuig met kracht hanteeren moet om

een cel te openen. Deze heeft den vorm van een kleinen, ongeveer 27

mM. hoogen, naar boven nauwer wordenden vingerhoed en is van binnen

glad, van buiten oneffen, zoodat men de zandkorreltjes op het gevoel

onderscheiden kan. Zoodra de Bij het cilindervormige gedeelte van

de cel gereed heeft, vult zij haar met honigbrij, legt er een ei

op en voltooit daarna het gebouw zoo schielijk mogelijk, daar zich

allerlei kwaad volk met roofzuchtige bedoelingen in de nabijheid

ophoudt. Naast de eerste cel wordt een tweede gebouwd en zoo gaat het

voort, totdat 6 à 8 (soms 10) cellen bijeen zijn; het aantal hangt

af van de meer of minder gunstige weersgesteldheid. Het geheel heeft

een golvende oppervlakte, maar wordt op zulk een wijze geëffend,

dat het ten slotte veel overeenkomst heeft met een modderkluit,

die door een straatjongen tegen den muur geworpen werd en hieraan

vastgedroogd is. Slechts één wijfje heeft er aan gearbeid; zij sterft

na het voltooien van dit werkstuk, in 't begin van Juli. Verscheidene

soortgelijke kluiten komen in de nabijheid voor, die door andere

wijfjes vervaardigd zijn, hoewel deze dieren volstrekt geen gezelligen

aard hebben. Bij iedere ontmoeting blijkt dit; zij vliegen met de

koppen tegen elkander aan en vallen gezamenlijk op den grond, waar

zij den strijd voortzetten. De volwassen made omgeeft zich in haar

cel met een glasachtig doorschijnend spinsel en ondergaat hierin hare

gedaantewisselingen. De ontwikkelingsduur is, naar het schijnt, zeer

verschillend; soms bevat de cel reeds in 't midden van Augustus een

volkomen Insect, soms begint de imago-toestand eerst in 't volgende

jaar. Toch verlaat de Bij eerst in Mei of in 't begin van Juni op de

hierboven aangeduide wijze haar geboortehuis.

Van het in alle werelddeelen (behalve Australië) vertegenwoordigde, 100

soorten omvattende geslacht der Wolbijen (Anthidium) komen 2 soorten

(A. manicatum en A. punctatum) hier te lande voor. Haar achterlijf is

bijna bolvormig, in het midden kaal en glad en, evenals de pooten, met

gele vlekken geteekend, wat bij de Bijen zelden voorkomt. De zijden

van het achterlijf zijn van bossen gele haren voorzien. Overigens

zijn deze Insecten zwart met witte haren aan den kop, het borststuk

en de pooten. Het mannetje is aanmerkelijk grooter dan het wijfje en

heeft de beide laatste achterlijfsringen gedoornd. De wijfjes maken

ovale, hoornachtige, kastanjebruine cellen in gaten van den grond of

van boomen, in spleten van muren, enz. (ook wel in sleutelgaten van

tuinhuizen). Als bouwstof gebruiken zij de wollige haren, die zij met

hare bovenkaken van de bladen afscheren. Met luid gegons vliegen zij,

bij rukken en zeer snel, van bloem tot bloem. De mannetjes blijven

dikwijls, evenals de Zweefvliegen of Staande Vliegen (Syrphus),

in de lucht "staan".

De Muurbijen (Osmia) bouwen nesten van zand in gaten en hoeken van

muren en maken ook wel gebruik van de verlaten woningen van andere

Bijen in palen, boomstammen, enz.; van sommige heeft men nesten

gevonden in ledige slakkenhuisjes. Hier te lande komt o.a. voor de

Roode of Gehoornde Muurbij (Osmia bicornis), zoo genoemd, omdat het

kopschild van het wijfje tusschen de benedenranden der oogen twee vrij

groote, eenigszins gebogen hoorntjes draagt, die evenwel door de sterke

beharing van het aangezicht weinig in 't oog vallen. Het achterlijf

draagt goudkleurig rosse haren, die op den buik borstelig, doch op

den rug minder overvloedig zijn, zoodat de bronskleurig glinsterende

chitine-huid er door schemert. De kop en het borststuk met de pooten

zijn zwart met bruine haren.

Zeer nauw verwant aan het zooeven besproken geslacht is dat der

Bladsnijders of Behangersbijen (Megachile). Bij haar heeft het

wijfje de rugzijde van het achterlijf aanmerkelijk afgeplat en den

angel meestal naar boven gericht. De kaaktaster, die bij de Muurbijen

4-ledig is, bestaat hier uit slechts 2 leden. Bij het mannetje zijn de

eindleden der sprieten verbreed en de beide laatste achterlijfsringen

naar onderen gekromd. Het wijfje gebruikt als nest gaten van boomen,

spleten van muren en gaten in den grond en verdeelt deze in boven

elkander geplaatste, vingerhoedvormige cellen, door ze op kunstige

wijze te bekleeden met stukjes van bladen van sommige planten,

die zonder eenig plakmiddel samengevoegd zijn. Men heeft deze Bijen

uitknipsels van bladen van ratelpopulieren, beuken, wilgen, wilde

papavers en rozen als bouwstof zien bezigen.

De Gewone of Rozenbladsnijder (Megachile centuncularis) heeft een deels

bruingeel, deels zwartachtig borststuk. De nagenoeg kale rugzijde

van het achterlijf prijkt slechts van voren met grijsachtige, ruige

haren en van den tweeden tot den vijfden ring met witte, dikwijls

afgebroken banden. De buikzijde is dicht begroeid met roodbruine

zamelharen; de laatste achterlijfsring van het mannetje is van

onduidelijke tandjes voorzien. Deze soort werd niet slechts in Europa,

maar ook in Canada en de Hudsonsbaailanden opgemerkt. Hier te lande

is zij vrij algemeen. In tuinen vindt men zeer dikwijls sporen van de

werkzaamheid van Behangersbijen aan rozen, doch ook wel aan acacia's,

beuken, wilde wingerd en andere planten, n.l. bladen met cirkelvormige

of meer langwerpige uitsnijdingen. Deze Bijen vertoonen zich tegen het

einde van Mei of in 't begin van Juni. Haar voornaamste arbeid bestaat

in het bouwen van cellen. Haastig ziet men een Bij naar een rozenstruik

vliegen, zich op een blad neerzetten en er een lapje van de vereischte

grootte en vorm uitknippen. Het gevaar van uitscheuren van het lapje,

dat peperhuisvormig gebogen tusschen de pooten wordt gehouden, voorkomt

zij, door klapwiekend de laatste beten te doen, waarna de buit in een

oogwenk naar de bestemde plaats wordt vervoerd. Indien de plaats haar

aanstaat, keert zij zeer spoedig naar dezelfde struik terug om nieuwen

voorraad op te doen. In de gang, die zij in een aarden walletje,

in vermolmd hout of in de voeg van een muur heeft gegraven, wordt

het medegenomen lapje, dat tot dusver saamgebogen was, losgelaten;

door zijn veerkracht voegt het zich tegen den wand van de holte

aan. De eerste laag bestaat uit 3 of 4 betrekkelijk groote lapjes,

de daarop volgende uit even groote, die aan het eene einde smaller

zijn dan aan het andere. De getande rand van het blad is steeds aan de

buitenzijde, de afgeknipte rand aan de binnenzijde gelegen. In dezen

koker schuift de Bij een derde laag bladstukjes, soms nog een vierde

en een vijfde, steeds zorgend, dat zij de voegen tusschen de vorige

bedekken; eindelijk is de kleine, vingerhoedvormige cel gereed en na

vulling met honig geschikt om een ei te bevatten. Voor het sluiten

van de cel dient een zuiver cirkelvormig lapje, dat tevens steun

verschaft aan den afgeronden bodem van de volgende cel; zoo wordt de

geheele gang met cellen gevuld; zij bevat er soms 6. De volwassen

larve spint een cocon en blijft hierin tot aan de volgende lente;

achtereenvolgens verlaten de Bijen het nest, de bovenste het eerst.

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 04: De Insecten · 第 9 / 21 题