coryli), wiens geslacht zich o.a. van het vorige onderscheidt,
doordat de kop achter de uitpuilende oogen sterk verlengd en door
eene dunne, halsvormige insnoering verbonden is met het halsschild,
dat van voren evenzeer in een dun steeltje uitloopt. Dit kevertje
welks lengte van 6,5 tot bijna 9 mM. afwisselt, is glanzig zwart;
het halsschild, de met overlangsche reeksen van stippels bezette en
daartusschen gerimpelde dekschilden en de dijen, met uitzondering
van de spits, zijn rood. Het komt bij ons, in geheel Duitschland en
verder noordwaarts tot in Zweden, vooral in sommige jaren, veelvuldig
voor. Meestal verschijnt het tegen het midden van Mei op hazelaars,
laag eikenhakhout, elzen, beuken en hangbeuken, voor zoover deze
struikachtig groeien. De schade, die het op bedoelde boomen aanricht,
is gering. In 't oogvallend zijn echter de door het wijfje vervaardigde
rolletjes, die den vorm hebben van een klein geldrolletje, waarvan
er 2, 3 en soms nog meer aan één groot blad gevonden worden en die
dit volkomen ongeschikt maken voor zijne gewone verrichtingen. Het
wijfje snijdt te dien einde op eenigen afstand van de bladsteel de
eene bladhelft en de middelnerf door en zet de insnijding nog over een
deel van de andere bladhelft voort; de schielijk door verwelking slap
wordende lap wordt opgerold, zoodat de middelnerf de lengteas van
de rol vormt en deze aan weerszijden gesloten wordt door de spits
van het blad en van de gedeeltelijk afgesneden slip. De plooien
van de rol beschutten het barnsteengele eitje, soms 2 of 3 eieren,
die stellig gedurende het wikkelen en niet eerst na voltooiing van
het nestje gelegd worden. De larve voedt zich met het binnenste
van zijn nest en verandert het langzamerhand in een slangsgewijs
gekronkeld drekdraadje van zwarte kleur. In de meeste gevallen zal
waarschijnlijk de rol door het afvallen van het beschadigde blad op
den grond te recht komen, voordat de larve volwassen is.
De beide genoemde Kevers zijn niet de eenige Attelabiden, die door
het oprollen van bladen nesten voor hunne eieren maken. Dit bedrijf
wordt ook uitgeoefend door een aantal andere soorten, die hieraan
den naam van Bladrollers (Rhynchites) danken, hoewel deze niet voor
allen letterlijk juist is. De Rhynchiten zijn in alle werelddeelen,
met uitzondering van Australië vertegenwoordigd, vooral echter in het
noordelijke halfrond en meer bepaaldelijk in de Oude Wereld. Gemiddeld
zijn zij even groot als de leden van het vorige geslacht; hun kleur
is meestal blauw, groen, koperrood of bronsbruin, met metaalglans,
doch zonder teekening. Hun kegelvormige kop is niet tot een hals
versmald; de oogen komen vooraan den wortel van den snuit; deze is
verschillend van lengte en draagt ongeveer in 't midden de rechte
sprieten, welker leden, geleidelijk dikker wordend, aan den top een
van achteren bladerige, drieledige knots vormen.
De 5 à 6 mM. lange Staalblauwe Druivensteker (Rhynchites betuleti,
R. alni) is blauw, soms goudgroen, glanzig en onbehaard. Deze
Kever voegt op allerlei boomen en struiken verscheidene bladen tot
een rolletje bijeen en kan, als hij in grooten getale optreedt, in
perenboomgaarden, vooral echter in wijngaarden, aanzienlijke schade
aanrichten. Hij verschijnt in Mei of Juni: in het woud op beuken,
espen, linden, eenige soorten van wilgen en berken, daarbuiten op
Canadeesche populieren, perenboomen, kweeën en wijnstokken. Hij eet
het liefst sappige, kruidachtige plantendeelen, maakt zijne bladrollen
bij voorkeur van jonge bladen, en bepaalt zich daarom niet tot één
boomsoort. Als er geen jonge bladen meer zijn, schaaft hij, over de
bovenzijde van een blad loopend en den snuit er tegen aan drukkend,
smalle strookjes van de opperhuid en het bladmoes af, zoodat alleen
de opperhuid van de onderzijde overblijft. Het aantal bladen, dat
voor het maken van een der sigaarvormige bladrollen vereischt wordt,
hangt af van de boomsoort: van kleine bladen zooals van beuken,
perenboomen, wilgen, zijn verscheidene noodig; van groote, zooals
van kweeën en wijnstokken, is één voldoende; het gat, dat de Kever
in een spruit of in een bladsteel boort, stuit den toevoer van sappen
naar het hooger gelegen plantendeel, dat, als het verwelkt is en slap
naar beneden hangt, gemakkelijk opgerold kan worden. In het voltooide
rolletje wordt één ei gelegd; soms bevat het verscheidene eieren,
hoogstens 6. De larven, die na 8 à 12 dagen uitkomen, vreten gangen
in het binnenste van haar woning, blijven hier, tot zij volwassen
zijn, banen zich vretende een weg naar buiten en verpoppen zich
in den grond. Van Mei tot in het begin van Juli vindt men op pas
gerolde bladen Kevers, die daarna verdwijnen. In September ziet men
er opnieuw eenige verschijnen, die zich uit de vroegst gelegde eieren
van het loopende jaar ontwikkeld hebben; deze kruipen in den grond,
overwinteren en komen in 't volgende jaar weer voor den dag.
De 4 à 5 mM. lange Populierensteker (Rhynchites populi) gelijkt veel op
de vorige soort, maar heeft de dekschilden minder dicht met stippels
bezet en is tweekleurig: van boven koperrood of groen met goudglans,
van onderen, op den snuit en de pooten staalblauw. Hij draait de
bladen van verschillende soorten van populieren ineen.
De nog kleinere, nauwelijks 4.5 mM. lange, zuiver zwarte en zeer
weinig behaarde Zwarte Berkensteker (Rhynchites betulae) leeft op
berken, elzen en beuken en maakt zijn broedrol steeds van één blad.
Nog andere soorten leven als larven in onrijpe vruchten; een voorbeeld
hiervan is de fraaie Pruimenboorder (Rhynchites cupreus). Deze is even
groot als de Populierensteker, bronskleurig, op den rug een weinig
lichter, zwak grijs behaard, heeft een slanken snuit, op de dekschilden
duidelijke stippelreeksen, met eveneens gestippelde tusschenruimten;
de larve vindt men in jonge pruimen en kersen, ook in vruchten van
Sorbus aria en Sorbus torminalis.
"De eenige soort, die in ons land noemenswaardige schade heeft
veroorzaakt," zegt Ritzema Bos, "rolt geen bladeren samen om er
eieren in te leggen, maar deponeert deze in dunne twijgjes, die door
middel van den snuit ten deele afgesneden, ten deele afgestoken
worden. Naar deze gewoonte heb ik aan Rhynchites conicus den naam
Takafsteker gegeven. Dit kevertje is zonder den snuit 3 mM. lang,
donkerblauw met groenachtigen metaalglans; de pooten en de snuit
zijn zwart. In Mei en Juni vindt men het in tuinen en boomgaarden
op alle mogelijke ooftboomen. Het bevruchte wijfje zoekt een jong
takje op, duidt door een inkerving met den snuit de plaats aan, waar
het naderhand het scheutje denkt af te bijten, klimt hooger, boort,
gewoonlijk niet ver van den top van het twijgje, een gaatje tot in
het merg en legt er een ei in, dat met den snuit op de rechte plaats
wordt geschoven. Deze arbeid duurt dikwijls een vol uur. Daarna gaat
de moederkever over tot het afsnijden van den scheut. Eerst wordt
deze afgezaagd: de Kever drukt op een bepaalde plaats van den tak
zijn snuit stevig vast en beweegt hem heen en weer. Heeft hij op
deze wijze een insnijding van eenige diepte gemaakt, dan steekt hij
daarin zoolang zijn snuit, tot het takje geheel doorgestoken wordt
en eindelijk afvalt." De larve verlaat na 8 dagen het ei, voedt zich
met het inwendige, vooral met het merg van het takje, is na 4 weken
volwassen, kruipt, hoogstens 1 dM. diep, in den grond en komt hieruit
in 't volgende voorjaar als Kever te voorschijn.
De Spitsmuiskevertjes (Apion) worden zoo genoemd naar den vorm
van den kop, die in een dunnen, rolvormigen snuit eindigt. Het
peervormige lichaam is zwart, blauw of groen, soms menierood; het
vertoont metaalglans, doch geen vlekken; de dekschilden bedekken het
geheele achterlijf en zijn gewoonlijk diep gevoord. Deze kleine,
fraaie kevertjes zijn over de geheele wereld verbreid en vormen
omstreeks 400 soorten; hiervan zijn ongeveer 60 inheemsch; eenige
kan men gedurende het geheele jaar waarnemen.
Het Klaverspitsmuisje (Apion apricans, A. fagi) heeft een nagenoeg
overal even dikke, weinig gebogen snuit, die bij het midden de
knotsvormige sprieten draagt. Het van voren versmalde halsschild is
dicht met stippels bezet; deze vormen in de voren der dekschilden
overlangsche reeksen. Het glanzig zwarte kevertje heeft het onderste
deel der sprieten, de voorpooten en de dijen der overige pooten
roodachtig geel; de knieën en de voeten van alle pooten zijn echter
zwart. Het wijfje legt verscheidene eieren op de hoofdjes van klaver;
tegen den tijd van 't eerste maaien zijn de larven volwassen en
verpoppen zich tusschen de bloemen van het hoofdje.
Dezelfde levenswijze hebben Apion assimile en Apion trifolii. Van
andere soorten leven de larven en poppen in zaden, vooral van
Vlinderbloemigen, of in stengels, b.v. van malva.
Een hoogst zonderlinge gedaante hebben de Langlijfkevers (Brenthidae);
bij geen andere leden der orde vertoonen alle deelen van den stam zoo
duidelijk het streven om zich te verlengen. De horizontaal gerichte
kop loopt uit in een geleidelijk dunner wordenden snuit, die al naar
de soort zeer veel verschil in lengte vertoont en bij het mannetje
dikwijls veel langer is dan bij het wijfje. Met uitzondering van een
Zuid-Europeesche soort (Amorphocephalus coronatus) zijn alle Brenthiden
bewoners van andere werelddeelen. De hiernaast afgebeelde Brenthus
anchorago leeft in Brazilië. De donker roodbruine grondkleur wordt op
de vleugelschilden door 2 bloedroode (of geelachtige), overlangsche
strepen afgebroken. Dergelijke teekeningen, ook vlekken, komen bij
vele leden dezer familie voor.
Bij de Echte Snuitkevers (Curculionidae) draagt de tot een snuit
verlengde kop aan den top monddeelen, waaraan de bovenlip steeds
ontbreekt en de tasters zeer klein en kegelvormig zijn. De 8-
à 12-ledige sprieten zijn aangehecht in een groeve van den snuit,
altijd "gebroken" (in een schaft en een zweep verdeeld) en meestal
knotsvormig. De voeten hebben meestal een sponsachtige zool; het
derde lid is gewoonlijk in twee lobben verdeeld.
Alle Snuitkevers, met uitzondering van eenige weinige soorten van
slechts middelmatige grootte, leven van planten; de verbreiding van
deze hangt ten nauwste samen met die van gene, daar vele Keversoorten
aan bepaalde planten gebonden zijn. De wijfjes blijven bij het leggen
der eieren aan de oppervlakte van de plant, die aan hunne larven
voedsel zal verschaffen, dringen er niet met het geheele lichaam in
door, gelijk de Schorskevers doen. Geen enkel plantendeel, van den top
van den wortel tot aan dien van den stengel, knoppen zoomin als bladen,
bloemen zoomin als vruchten, is veilig tegen de Snuitkeverlarven. Zij
gelijken het meest op die van de Diefkevers, maar hebben een ronden,
benedenwaarts gerichten kop en een pootloozen, min of meer behaarden
romp. De sprieten zijn slechts in den vorm van wratjes, de oogen
niet of in beperkten getale aanwezig. De familie der Snuitkevers
overtreft alle andere keverfamiliën door rijkdom aan soorten. Alleen
in het Europeesch-Kaukasisch faunistisch gebied heeft men niet minder
dan 204 geslachten met 2664 soorten van deze familie gevonden. Het
overwicht van de Snuitkevers over de andere Keverfamiliën neemt toe,
naarmate men den evenaar nadert. In Amerika zijn zij nog sterker
vertegenwoordigd dan in de Oude Wereld. Vooral het zuiden schijnt
onuitputtelijk te zijn aan nieuwe soorten. Er zijn er bij, die door
hare prachtige kleuren en door de wijze waarop deze samengevoegd zijn,
wedijveren in schoonheid met de kostbaarste kleinodiën, die ooit een
kunstenaarshand schiep. En aantal Snuitkevers zijn merkwaardig door hun
schadelijken invloed op landbouw en houtteelt. In de meeste gevallen
is het de larve, in eenige de Kever, zelden echter het Insect in
beide ontwikkelingstoestanden, waardoor het nadeel veroorzaakt wordt.
Voor het verkrijgen van een algemeen overzicht van deze familie,
verdient het aanbeveling haar naar de lengte van den snuit, die zulk
een belangrijken invloed oefent op het voorkomen dezer Insecten,
te verdeelen in Kortsnuitkevers (Curculionides) en Langsnuitkevers
(Rhynchaenides), zoo genoemd naar de beide groote geslachten Curculio
en Rhynchaenus, die sinds lang in een groot aantal kleinere, scherp
begrensde groepen gesplitst zijn.
Bij de Kortsnuitkevers is de snuit kort en breed. De sprieten hebben
een lange schaft, die achterwaarts gebogen minstens tot de oogen reikt;
zij zijn dichter bij de spits van den snuit dan bij de rondachtige
oogen aangehecht in een groeve, die zich uitstrekt tot aan de dikke
bovenkaken; de onderkaken zijn meestal bedekt door de kin van de
onderlip. Deze onderfamilie wordt in twee groepen verdeeld, waarvan de
eerste uit soorten met vleugels, de tweede uit ongevleugelde vormen
met langs den naad vergroeide dekschilden bestaat. Van elke groep
zullen wij een voorbeeld geven.
De 3.5 à 4.5 mM. lange Gestreepte Grijze Snuitkever (Sitones lineatus)
is grootendeels met grijze of groenachtig grijze schubben dicht bedekt;
de kop, drie overlangsche strepen op het halsschild en drie ondiepe
groeven tusschen de reeksen van stippels op ieder dekschild, zijn
echter met lichtere, meer geelachtige schubben bekleed. Deze Kevers
loopen snel; bij helderen zonneschijn vliegen zij ook. Bij aanraking
laten zij zich als dood op den grond vallen, waar men ze wegens
hun kleur niet licht wedervindt. Met verscheidene andere soorten,
die ten deele moeielijk onderscheiden kunnen worden, kruipen zij na
het ontwaken uit den winterslaap in grooten getale op den grond en
tusschen lage planten rond. Als voedsel schijnen zij vlinderbloemige
planten te verkiezen boven alle andere, zooals af te leiden valt
uit hun talrijkheid op akkers, waar erwten, paardenboonen, lucerne
en dergelijke voederplanten verbouwd worden. De Kever vreet den rand
der bladen van pas ontkiemde zaden of nog jonge plantjes af; de larve
knaagt aan hunne wortels.
De 9 à 11 mM. lange Zwarte Dikbeksnuitkever, de Groote Zwarte Snuittor
der houttelers (Otiorhynchus niger), is glanzig zwart; de pooten zijn,
met uitzondering van de knieën en de voetleden, geelachtig rood; de
dekschilden vertoonen overlangsche reeksen van groefjes, ieder groefje
draagt een grijsachtig haartje. Men vindt hem het geheele jaar door in
de naaldhoutbosschen van de gebergten; ook in de vlakten ontbreekt hij
niet geheel; het gemis van vleugels bindt hem aan zijn geboorteplaats,
noopt hem te blijven, waar hij zich eens vestigde. Omstreeks Pinksteren
zijn de Kevers in de sparrebosschen het talrijkst; zij beknagen dan
de jonge stammetjes onmiddellijk boven den grond. Langzamerhand gaan
zij al hooger en hooger en eten met smaak van de in Mei groeiende
spruitjes. De larven beknabbelen de wortels van de naaldboomen op
de wijze van de engerlingen en worden meestal in kleine troepjes
bijeen gevonden.
Deze soort kan een denkbeeld geven van de gedrongen gestalte der
Dikbeksnuitkevers, een grootendeels Europeesch geslacht, dat ook in
de overige landen om de Middellandsche Zee en in Azië voorkomt. Het
bestaat uit niet minder dan 444 soorten, die voor 't meerendeel
bergstreken bewonen; eenige worden uitsluitend in de Alpen op
struikgewas gevonden.
De 9 mM. lange Gegroefde Dikbeksnuitkever (Otiorhynchus sulcatus),
kenbaar aan de overlangsche groeve op het midden van den snuit,
vindt men hier te lande algemeen in moestuinen, waar hij o.a. aan
aardbezieplanten, primula's, sedums, cineraria's, klimop en wijnstokken
knaagt.
De Langsnuitkevers (Rhynchaenides) hebben een langen, meestal rolronden
snuit, sprieten met betrekkelijk korte schaft, die, achterwaarts
gericht, het oog in den regel niet bereikt, aangehecht in een niet
naar voren verlengde groeve, midden tusschen de spits van den snuit
en de meestal langwerpige, dwars geplaatste oogen. De bovenkaken zijn
afgeplat, de onderkaken gewoonlijk niet door de kin bedekt. De rand
van het halsschild strekt zich meestal tot aan de oogen uit en bedekt
deze dikwijls voor een deel.
Het zeer langwerpige, rolronde lichaam van de Stengelboorders
(Lixus) is bedekt met een door uitzweeting gevormd, geel poeder,
dat tot op zekere hoogte vernieuwd kan worden, wanneer het door
afschuring verloren is gegaan. Dit geslacht is in alle werelddeelen
vertegenwoordigd. De larven van de inheemsche soorten leven in stengels
van verschillende kruiden, vooral van Schermbloemigen.
De Verlammende Stengelboorder (Lixus paraplecticus) heeft na
verwijdering van het hem bedekkende, gele poeder een grijsbruine
kleur; het halsschild is uiterst fijn rimpelig gestippeld en langs den
voorrand bij de oogen met lange wimpers bezet. De soortnaam berust
op de ongegronde meening, dat een Paard lam zou worden, indien het
een larve van dezen Kever inslikte bij het opeten van de door haar
bewoonde plant. Daar deze (de breedbladige water-eppe, Sium latifolium)
in 't water groeit en volstrekt niet begeerd wordt door de Paarden,
is er weinig kans, dat de bedoelde larve in een paardenmaag verdwaalt.
De Kever overwintert in een veiligen schuilhoek in de nabijheid van
plaatsen, waar de plant, die tot voeding van de larve dient, in de
lente zal ontspruiten. Wanneer zijn woning bij hoogen waterstand
overstroomd wordt, geeft hij bewijzen van bekwaamheid als schipper of
zwemmer. Dat deze Kever zich in 't water weet te redden, toont het
wijfje ook bij het eieren leggen. Dit moet geschieden in een tijd,
als de meeste van de door haar begeerde planten den stengel nog niet
boven den waterspiegel verheven hebben. Zij daalt langs de bedoelde
plant in het water af, boort met den snuit een gat in den stengel,
legt hierin één ei en herhaalt deze bezigheid, totdat alle eieren
gelegd zijn.
Zeer nauw verwant aan de bonte Heilipen (Heilipus) in Zuid-Amerika
zijn de Naaldhoutsnuittorren (Pissodes), die hen in de gematigde en
koude gewesten van het noordelijk halfrond vervangen. Deze bruine
Kevertjes, welker lichter gekleurde vlekjes door bijeengeplaatste,
haarvormige schubjes gevormd worden, leven, evenals de buitengewoon
veel op hen gelijkende Hylobiën (Hylobius), ten koste van naaldboomen,
die zij verzwakken door in de lente in de jonge spruitjes gaatjes te
bijten, om het hieruit vloeiende sap machtig te worden. De schors
geraakt los van de gewonde tak en deze sterft. Twee van de Kevers,
die op deze wijze groote schade aan de houtteelt veroorzaken, zijn
op de volgende bladzijde afgebeeld.
De Groote Dennensnuitkever (Hylobius abietis) geeft aan dennen
de voorkeur en is grooter dan de andere soort; vandaar zijn
naam. De dwarsbanden vormende vlekken op de meer of minder
donkere, kastanjebruine grondkleur van de dekschilden worden door
roestgele, borstelige haartjes voortgebracht. Door drie belangrijke
eigenaardigheden onderscheidt deze Kever zich van de volgende soort:
de sprieten zijn dichter bij den mond aan den dikkeren snuit gehecht;
het schildje is vlak en driehoekig; de voorrand van het halsschild
vertoont een tamelijk diepen inham. De voornaamste vliegtijd van den
Kever (en bijgevolg ook het paren) valt in de maanden Mei en Juni;
enkele paartjes ontmoet men echter nog in September. Zooals reeds
gezegd werd, is deze Kever nadeelig voor de houtteelt, daar hij jonge
dennen, overal waar de stam geen korstvorming vertoont, van onderen
tot boven beknaagt.
De vuilwitte eieren worden in spleten van de schors van 't
onderaardsche gedeelte van boomstompen gelegd, ook wel aan boven
den grond uitstekende wortels, vooral echter aan de uiteinden van
afgehouwen wortels. Dennen- en sparrenkappingen zijn daarom ware
broeinesten voor deze Kevers.
De Rood- en Witbonte Dennensnuitkever (Pissodes notatus) verschilt
van de vorige soort, die hij in schadelijkheid evenaart, doordat de
sprieten aan het midden van een dunneren snuit zijn gehecht, door een
rond en bol schildje en door den rechten, niet uitgesneden voorrand
van het halsschild. Ook bij hem is de kleur bruin en zweemt nu eens
meer naar geel, dan weer meer naar rood. De lichtkleurige, bijna
witte bundeltjes van borsteltjes, waarvan er eenige op het gekielde
halsschild voorkomen, vormen vóór het midden van de dekschilden groote
vlekken, daarachter dwarsbanden. Onze soort verschilt van verscheidene
andere leden van zijn geslacht door de ongelijkheid van de stippels
der dekschilden.
Evenals de Groote Dennensnuitkever, vertoont ook zijn kleinere
beroepsgenoot zich in Mei, maar in grooter aantal en op een
uitgestrekter gebied. Aanvankelijk is het verkrijgen van voedsel zijn
eenige zorg; hij maakt gaatjes in de schors van den groven den en
den Weymouthspijn, minder dikwijls in die van den lork en den spar,
haalt uit ieder slechts weinig voedsel en richt dus veel schade
aan. De talrijke wonden, die hij aan de plant toebrengt, gelijken
op naaldeprikken en veroorzaken door het uitvloeien van hars, een
schurftig uitzicht van de oppervlakte. Meestal zoekt de Kever 4-
à 8-jarige boompjes op; indien deze ontbreken, worden oudere, zelfs
30-jarige stammen niet versmaad. Het eierenleggende wijfje vindt
men niet slechts op ziekelijke boomen van 15- à 18-jarigen leeftijd
en nog oudere achterlijke stammen, maar ook op gave exemplaren en
slechts bij uitzondering op boomstompen en reeds gevelde stammen.
Omdat de Kever bij voorkeur op denzelfden boom voedsel zoekt en
eieren legt, wordt zijn werkzaamheid vooral voor jonge planten
spoedig noodlottig.
De Hazelnootsnuitkever (Balaninus nucum) en de andere leden van
zijn geslacht hebben van alle inheemsche soorten der familie den
langsten snuit. Ieder kent den Hazelnootworm; nog beter trouwens
het gaatje, waardoor deze larve den noot verliet om in den grond
van gedaante te wisselen, daar zij in geen der wormstekige noten
nog aanwezig is; de half of geheel uitgevreten zaadkern en de hier
achtergebleven drekkruimels zijn de eenige sporen van haar vroegere
aanwezigheid. Tegen het einde van Juli (of ook wel vroeger) boort het
wijfje tot in het hart van den half-volwassen Hazelnoot een gaatje
en legt hierin een ei, dat met den snuit zoover mogelijk naar binnen
geschoven wordt. Daar dit zoo vroeg geschiedt, groeit de opening weer
dicht, of sluit zich althans in zoover, dat men goed toekijken moet om
haar te vinden. Van Mei af kan men den 8 mM. langen Kever op hazelaars
en eiken zien. Hij heeft een zeer langen, borstelvormigen, aan den
wortel gestreepten en gestippelden snuit van roodbruine kleur, die een
weinig vóór het midden de slanke, knievormig gebogen sprieten draagt;
de schaft past juist in een groeve, die zich tot aan het oog uitstrekt;
de zweep eindigt in een bijna knopvormige knots. Het eivormige,
zwarte lichaam is overal met geelachtig grijze haartjes begroeid;
het bolle, ronde schildje en de schouders dragen lichtere haartjes,
waardoor op de dekschilden, welke gezamenlijk een hart vormen, een
teekening ontstaat, die aan de verdeeling van een dambord herinnert.
Andere soorten van dit geslacht--de Groote Eikelsnuitkever (Balaninus
glandium) en de Kleine Eikelsnuitkever (Balaninus turbatus)--leven
als larve in eikels. Geen van beide komt op de lijst van inheemsche
Balaninen voor.
Van de 18 Europeesche soorten van dit geslacht werden 6 in Nederland
gevonden. Ook in andere werelddeelen is het vertegenwoordigd.
De Bloesemsnuitkevers (Anthonomus) zou men wegens hun vorm voor groote,
plompe Apioniden kunnen houden; zij verschillen er echter duidelijk van
door hunne gebroken sprieten en door de lichte vlekken of strepen, die
op de overigens bruine dekschilden voorkomen op plaatsen waar lichter
gekleurde haartjes groeien. Andere kenmerken leveren de dunne, rechte
snuit, de kleine, ronde oogen, de dunne sprieten met 7-ledige zweep
en het groote schildje. Ook dit geslacht is over de geheele wereld
verbreid, doch in Amerika minder sterk vertegenwoordigd dan elders. De
grootste Europeesche soorten, hoewel niet langer dan 4 mM., zijn zeer
nadeelig voor de vruchtboomen. In het begin van de lente boort het
wijfje gaatjes in de blad- en bloemknoppen, schuift in ieder één of
twee eieren, waaruit larven geboren worden, die door het leegvreten
van den knop, hem niet tot ontwikkeling laten komen. Daar de buitenste
schubben van de aangestoken knoppen een bruine kleur verkrijgen, ziet
de appel- of perenboom, die veel van deze en dergelijke Insecten te
lijden heeft gehad, er "verbrand" uit. De 4 mM. lange Appelbloesemkever
(Anthonomus pomorum) heeft twee onduidelijke, scheeve, door grijze
haartjes veroorzaakte strepen op elk der beide dekschilden, waardoor
deze gezamenlijk twee V-vormige figuren vertoonen. Bij den iets
kleineren Perenbloesemkever (Anthonomus pyri) loopen deze strepen
recht en bereiken den rand der dekschilden niet geheel.
De larve van de Bladschavers (Cionus) komen voor op de bloemen en jonge
vruchten van sommige planten en gelijken, wanneer op hun hoornachtigen
kop niet gelet wordt, wel eenigszins op slakjes. Om zich vast te
houden maken zij gebruik van de knobbeltjes aan de buikzijde van
de voorste segmenten en overigens van een kleverig vocht, dat door
een terugtrekbaar buisje aan 't voorlaatste segment ontwijkt en het
geheele lichaam bedekt. De plompe, bijna bolvormige kevertjes zijn
fraai geteekend; regelmatige, door een lichtere beharing gevormde
vlekjes doen een mozaïek ontstaan op den anders gekleurden grond. De
rolronde snuit wordt in den rusttoestand teruggebogen tegen de borst,
die echter geen duidelijke groeve vertoont. De zweep van de sprieten
bestaat uit slechts 5 leden.
De Helmkruid-bladschaver (Cionus scrophulariae) leeft in talrijke
troepen op het van Mei tot Augustus bloeiende knoopige helmkruid
(Scrophularia nodosa). Deze 4 à 5 mM. lange Kever is zwart en dicht
met schubben bedekt; de zijden van de borst en het voorborststuk zijn
sneeuwwit, de dekschilden donker leikleurig, de uitpuilende strooken
tusschen de strepen fluweelachtig zwart; ieder van deze is met witte
dambordvlekken, het voorste en achterste deel van den naad met een
fluweelzwarte vlek geteekend. In de laatste helft van Juli verpopt
de larve zich; de gedaantewisseling wordt voorafgegaan door een
zeer overvloedige afscheiding van kleverig vocht; het inkrimpen van
't lichaam brengt een scheiding teweeg tusschen de huid en de haar
bedekkende laag en doet een glasachtige, eivormige cocon ontstaan,
waarbinnen de beide laatste vervellingen plaats hebben. Uit deze cocon,
die aan een steeltje van de bloeiwijze vastgehecht is, komt ongeveer
3 weken later de Kever te voorschijn.
Behalve de genoemde, komen hier te lande nog 5 andere Cioniden voor,
die nagenoeg alle op Toortskruid en Helmkruidsoorten leven.
De Wilgensnuitkever (Cryptorhynchus lapathi) is de eenige Europeesche
vertegenwoordiger van een 200 soorten omvattend Zuid-Amerikaansch
geslacht. De snuit van dezen Kever wordt in den toestand van rust
geborgen in een diepe groeve van de borst, die tusschen de heupen
der middelpooten eindigt. Het lichaam is met een dicht schubbenkleed
bedekt en schijnt hierdoor zwartbruin en wit, op het laatste derde
gedeelte van de dekschilden krijtwit. Bundels van overeindstaande,
zwarte schubben vormen op het halsschild en de dekschilden
talrijke oneffenheden. Dit fraaie, 7.5 à 9 mM. lange Insect
leeft op wilgenhakhout en elzen; het knaagt niet aan de bladen,
wel aan de schors, doch zonder veel schade te veroorzaken. Het
wijfje legt de eieren één voor één op den stam of de takken van de
genoemde planten. De larve voedt zich aanvankelijk met de houtlaag,
die onmiddellijk onder de schors gelegen is; de plekken waar dit
geschiedt, zijn dikwijls kenbaar aan de talrijke gaatjes, die hier
aan de oppervlakte voorkomen; daarna boort zij een recht naar boven
stijgende gang in 't hout. Het meest vindt men haar in de knoestige
stammen van knotwilgen, die door haar werkzaamheid en die van andere
in 't hout borende Insecten eerder sterven dan anders het geval zou
zijn. Meer schade richten de larven aan in jonge elzenaanplantingen
en elzenhakhout: zij boren in jong en oud hout gangen, waardoor de
boompjes sterven.
De Snuitkever van de koolzaadknobbels (Ceuthorhynchus sulcicollis)
is donkerzwart, niet zeer glanzig, met grijze schubjes bekleed, die
aan de bovenzijde fijn en niet talrijk zijn, van onderen, vooral bij
de schouders, dichter bijeenstaan. Lichtere plekken, zooals bij andere
soorten door sterke opeenhooping van dergelijke schubjes ontstaan,
komen bij deze niet voor. De gemiddelde lengte bedraagt nauwelijks
3 mM. bij 2 mM. breedte over de schouders. Het wijfje legt eieren op
het onderste gedeelte van den nog jeugdigen bovenaardschen, of dicht
bij de oppervlakte van den grond op den onderaardschen stengel van
het koolzaad of van allerlei als groente gekweekte koolsoorten, maar
ook van de herik, een op akkers veelvuldig voorkomend onkruid. Op
de plaats waar het ei onder de opperhuid gelegd werd, ontwikkelt
zich langzamerhand, ten gevolge van den prikkel door de knagende
larve teweeggebracht, een knobbel of gal. Het hierdoor aan de plant
toegebrachte nadeel is echter niet groot. Als de larve volwassen is,
begeeft zij zich door een ronde opening naar buiten in den grond,
waar de volgende gedaantewisselingen plaats hebben. De Kever knaagt
aan de bloemen en hauwen en richt hierdoor eenige schade aan. Van
veel beteekenis is ook deze echter niet.
Het soortenrijke geslacht der Muizentandsnuitkevers (Baridius, vroeger
Baris) is over de geheele wereld verbreid. De Kever is kenbaar aan
zijn langwerpig eivormige gedaante en aan de zwarte, dikwijls met een
metaalachtig groenen of blauwen glans prijkende kleur van zijn zeer
hard uitwendig skelet. Ook kent men hem aan de gewoonte om de dijen
met de daartegen aanliggende scheen en voet loodrecht naar onderen te
richten en den snuit met de spits tegen de voorste dijen te drukken,
als hij, om aan vervolgingen te ontkomen, zich dood houdt. De kop
is bolvormig; de oogen zijn klein en onmiddellijk bij den wortel
van den snuit geplaatst. Deze is rolrond, dik, een weinig gekromd,
aan de spits van onderen scheef afgesneden, als de knaagtand van een
Muis; vóór het midden zijn de sprieten aangehecht; de schaft is in
den toestand van rust in een diepe groeve verborgen.
De Raapzaad-muizentandsnuitkever (Baridius chloris) is glinsterend
groen, soms met blauwachtigen weerschijn, zonder den snuit 4 mM. lang;
het halsschild heeft verspreide stippels, doch is in het midden bijna
glad; de ruimten tusschen de stippels zijn veel grooter dan deze;
de dekschilden zijn eenvoudig gestreept. Zijn witte larve boort
in het onderste deel van den stengel van koolzaad, raapzaad en
andere kruisbloemige planten gangen, die zich tot aan de uiterste
spitsen van de wortels uitstrekken; hierin ondergaat zij ook haar
gedaantewisseling. Soms legt de Kever eieren op het winterkoolzaad;
de larven, die zich hieruit ontwikkelen, komen reeds in Juni als Kevers
voor den dag. Andere exemplaren overwinteren in den grond, paren eerst
in 't volgende jaar en brengen eieren voort, die in den nazomer Kevers
worden en dan dadelijk in den grond kruipen om te overwinteren. Hier
te lande werd deze schadelijke soort nog niet waargenomen.
Eenige geslachten van Snuitkevers gelijken door den lichaamsbouw van
het volkomen Insect, maar nog meer door den vorm en de levenswijze
der larve, zoo zeer op de Schorskevers, dat sommige schrijvers gemeend
hebben hen niet met de Echte Snuitkevers vereenigd te mogen laten. Zij
zijn onder den naam van Kossoniden (Cossonidae) tot een afzonderlijke
familie verheven, die met de vorige groep den langen snuit en de
knievormig gebogen sprieten gemeen heeft. Alle pooten hebben een
hoornachtigen haak aan 't einde van den scheen. De spriet eindigt
in een niet of onduidelijk geleden, meestal eivormigen knop. Vooral
bij de Echte Kossoniden (Cossonidini) gelijken de op (of bij) het
midden van den snuit aangehechte sprieten (die een van boven steeds
sponsachtigen eindknop dragen) door hun kortheid en vorm veel op
die der Schorskevers. Beide hebben bovendien het achterlijf geheel
verborgen onder de langwerpige dekschilden, die gezamenlijk een halven
cilinder vormen, welks breedte vrij wel die van het langwerpige, van
voren versmalde, van achteren ingesnoerde halsschild evenaart. De
Echte Kossoniden zijn kleine, zwarte, voor 't meerendeel smalle en
gladde kevertjes, waarvan 2 soorten (Cossonus linearis en Rhyncolus
elongatus) hier te lande onder boomschors leven.
Bij de overige leden der familie, bij de Klanderkevers (Calandrini),
blijft het stuitschild onbedekt en zijn de niet zeer bolle dekschilden
meestal niet veel langer dan hun gezamenlijke breedte bedraagt;
hunne sprieten zijn betrekkelijk lang en aan den wortel van den
snuit, bij sommige zelfs onmiddellijk vóór de oogen ingeplant. Met
uitzondering van eenige kleine, Zuid-Europeesche soorten, behooren zij
uitsluitend in warme landen thuis, daar men aanneemt, dat de beruchte,
thans over de geheele wereld verbreide Klanders, waaraan zij hun naam
ontleenen, oorspronkelijk tot de heete luchtstreek beperkt waren
en met bezendingen graan naar gewesten met meer gematigd klimaat
overgebracht zijn.
De grootste soorten vereenigt men in het geslacht der Palmenboorders
(Rhynchophorus), waarvan hierachter een in den Oost-Indischen
archipel vertegenwoordiger is voorgesteld. Het zeer harde pantser is
zeer dikwijls zwart of roodbruin, maar ook wel rood, geel of grijs,
effenkleurig of gevlekt. De wijfjes verschillen meestal duidelijk
van de mannetjes door den vorm van snuit, pooten, sprieten, enz. Van
slechts enkele soorten zijn de larven bekend; deze houden zich bij
voorkeur op in eenzaadlobbige planten (palmen, bananen, suikerriet)
en in cycadeeën; dikwijls komen zij in grooten getale voor en richten
dan een aanzienlijke schade aan.
Bij het mannetje van de hierachter afgebeelde soort is het voorste
gedeelte van den snuit van boven, bij wijze van een kam, dicht bezet
met zwarte borstels; bij het wijfje is de snuit kaal. Het schild
is zeer lang; de dekschilden zijn overlangs gegroefd. De kleur is
zwartbruin, dikwijls als met een waas bedekt en op sommige plaatsen,
vooral op het halsschild, sterk naar rood zweemend.
De kleinste soorten van de geheele onderfamilie behooren tot het
geslacht Calandra. Twee daarvan zijn met handelswaren, waarschijnlijk
uit het oosten, niet slechts naar alle oorden van Europa, maar zelfs
naar alle deelen van de wereld overgebracht. De Korenklander (Calandra
granaria), wiens larve bekend is onder den naam van "Zwarte Korenmot",
bewoont graanpakhuizen en korenzolders, omdat hij en zijn larve van
meel en graankorrels leven; de larve bepaalt zich tot den eenen korrel,
waarin haar moeder een gaatje boorde en een ei legde. De larve vreet
den korrel uit en heeft haar volle grootte bereikt, wanneer van zijn
woonplaats nog maar alleen het schilletje over is, waarbinnen zij in
den poptoestand overgaat. 5 à 6 weken na het leggen van het ei, in het
begin van Juli, komt de eerste Kevergeneratie voor den dag. 14 dagen
later beginnen ook deze jonge Kevers zich voort te planten, zoodat vóór
den winter een tweede generatie het levenslicht aanschouwt, om weldra
in spleten en naden van vloeren en balken en in andere hoeken van den
graanzolder te overwinteren. Sedert lang weet men, dat zindelijkheid
en een flinke luchtverversching de beste beveiligingsmiddelen zijn
tegen dezen gevaarlijken vijand. In den laatsten tijd heeft men met
goed gevolg een doelmatige handelwijze toegepast tot het verdrijven
van den Klander; door den graanhoop worden op ruim 3 M. afstand van
elkander draineerbuizen gelegd, die als luchtkokers dienen; zij staan
ieder afzonderlijk met de buitenlucht in gemeenschap, maar kunnen
ook met elkander verbonden worden, zoodat zij gezamenlijk één uitgang
hebben. Hierdoor zal in den hoop dezelfde temperatuur heerschen als
in de buitenlucht en worden de kevertjes, die van warmte houden en
veel warmte noodig hebben om zich te ontwikkelen, genoopt om den
hoop te verlaten. Deze inrichting heeft bovendien nog het voordeel,
dat zij gelegenheid geeft om (zonder nadeel voor het graan, zonder
het gevaar voor broeiing te vergrooten) het graan hooger opeen te
stapelen, dan anders mogelijk zou zijn geweest.
De kleur van den Korenklander wisselt af van roodbruin tot zwartbruin;
de sprieten en de pooten zijn iets lichter; zonder den snuit is hij
3.75 mM. lang en, over de schouders gemeten, 1.5 mM. breed. De dunne,
kromgebogen snuit is ongeveer zoo lang als het halsschild, en draagt
aan zijn wortel, onmiddellijk vóór de oogen, de "gebroken" sprieten,
welker zweep uit een 6-ledigen steel en een langwerpig eivormigen
eindknop bestaat. Het platte, van voren slechts weinig versmalde
halsschild is dicht bezet met diepe, langwerpige putjes, die slechts
één glanzige, overlangsche strook in het midden vrij laten. De
dekschilden, die gezamenlijk even breed zijn als het halsschild en
welker zijranden evenwijdig loopen met den naad, zijn vóór den stuit
gezamenlijk afgerond en zijn bedekt met diepe reeksen van putjes,
die gladde tusschenruimten overlaten.
Gelijk deze Kever van rogge, tarwe en maïs leeft, voedt zich de veel
op hem gelijkende Rijstklander (Calandra oryza) met rijst; men vindt
hem in rijstpakhuizen, waar hij wel in leven blijft, maar zich niet
meer voortplant.
De Schorskevers (Scolytidae, Bostrychidae) stemmen door de kleinheid
van hun rolrond lichaam, door den dikken kop, die vooruitstekende
bovenkaken draagt, maar waaraan de overige monddeelen een meer
verborgen stand hebben, door de "gebroken" sprieten, die in een dikken
knop eindigen, en door den langwerpigen vorm der oogen met elkander
overeen. Zij verschillen van de leden der vorige familiën door de
kortheid van den kop, van de tasters, sprieten en pooten. De larven
vertoonen een zeer groote overeenkomst met die van de Snuitkevers, maar
zijn minder ineengedrongen en hebben een meer rolronde gedaante. Ook
uit de wijze waarop, zoowel larven als Kevers, tot gezelschappen
vereenigd, in de boomschors of onmiddellijk daaronder, in de bast,
gangen knagen, blijkt de verwantschap dezer Insecten. Het wijfje
knaagt een "boorgat" in de schors; het onderste gedeelte van deze
meestal eenigszins naar boven loopende gang, die tot in de bast en soms
zelfs tot in het spint doordringt, is dikwijls tot een "paringskamer"
verwijd. Zij legt, van hier uitgaande, in de schors, of zoowel in
de schors als in het hout, of zelfs hoofdzakelijk in 't hout een
meestal evenwijdig aan de oppervlakte gerichte "moedergang" aan, die
aan weerszijden op onderling gelijke afstanden kleine uithollingen
vertoont, welke ieder met een ei worden bedeeld. De kleine larven,
die uit deze eieren komen, boren nu op haar beurt ter rechter- en
ter linkerzijde van de moedergang, wanneer deze een loodrechte of
schuinsche richting heeft, bovenwaarts en onderwaarts, wanneer zij
nagenoeg horizontaal loopt, de meer of minder slangswijs gekronkelde
"larvegangen" of "zijgangen", die allengs breeder worden, naarmate
de larve in omvang toeneemt. Aan het einde van ieder dezer gangen
komt een verwijding of "wieg" voor, waarin de larve van gedaante
wisselt, eerst pop en later Kever wordt. De Kever werkt zich door
de bast en de schors heen regelrecht naar buiten, waardoor dus een
gaatje aan de oppervlakte ontstaat. Op deze wijze komen merkwaardige,
vertakte figuren tot stand, welker grondvorm voor de verschillende
soorten ongelijk is. Wanneer men bedenkt, hoe vruchtbaar deze kleine
boomvernielers zijn en dat vele van hen in den loop van een jaar twee
generaties voortbrengen, wordt het verklaarbaar, dat de Schorskevers
in sommige jaren honderden en duizenden hectaren van de prachtigste
bosschen vernielen, zooals b.v. tusschen de jaren 1870 en 1880 in
het Bohemerwoud geschiedde. Verreweg de meeste Europeesche soorten
tasten uitsluitend naaldboomen aan.
De Dennenscheerder (Blastophagus piniperda, Hylesinus piniperda)
kan als voorbeeld dienen van het geslacht der Bastkevers, dat zich
kenmerkt door een vertikalen, van boven zichtbaren kop, oogen met
fijn gekorrelde oppervlakte, sprieten met eivormigen eindknop, die
ringen vertoont en door zes leden met de schaft verbonden is, een
voorborstring, welks rug- en flankgedeelte aaneengegroeid zijn, en
een in twee lobben eindigend derde voetlid. De pekzwarte grondkleur
van de genoemde soort gaat alleen op de sprieten en de pooten in
roestrood over; kort na het verlaten van de pophuid is de kleur
roestgeel of bruin. Bij gunstige weersgesteldheid vertoont deze Kever
zich reeds in Maart; gewoonlijk echter heeft de paring eerst in April
plaats. De broedplaatsen bevinden zich in sinds kort gevelde boomen,
in boomstompen of onder de dikke schors aan het onderste gedeelte
van nog overeindstaande stammen; op het boorgat volgt een eenigszins
gebogen gang, die in de diepste lagen van de schors doordringt en
verder hierlangs in verticale richting opstijgt. De zijwaarts uit
de moedergang ontspruitende larvegangen zijn op korten afstand van
elkander gelegen en kunnen een lengte van 8 cM. bereiken. Om zich te
verpoppen knaagt de volwassen larve een weinig dieper in de schors
een wieg. De pop is geelachtig wit, evenals de larve, en verandert
weldra in een Kever, die zich in 't laatst van Juli of in 't begin
van Augustus door de schors heen een weg naar buiten baant. Nu eerst
verricht de Dennenscheerder zijn schadelijksten arbeid. De jonge
Kever houdt n.l. niet van reeds gevelde of kwijnende boomen, maar
zoekt volkomen gave, liefst jonge dennen op, boort op een afstand van
1 dM. of meer van den top van een jonge, soms reeds kegels dragende
loot een gat tot in het merg, vreet dit, steeds verder naar boven
doordringend, uit en spaart ook het omliggende hout niet. Hij begeeft
zich zóó tot boven in de twijg, of keert onderweg om en vreet nog
een eind onder het boorgat verder. Soms blijft hij in dezelfde loot;
meestal echter verlaat hij deze, om een tweede twijg op gelijke
wijze te behandelen. Om het boorgat vormt zich een wal door het
uitvloeien van hars; het takje breekt licht op deze plaats, zoodat
in het najaar na harden wind de bodem vaak met jonge takjes bedekt
is. Soms blijven de eindstandige kransen van twijgjes staan en worden
de uitgevreten eindknoppen vervangen door nieuwe, die een dichte,
struikachtige vertakking veroorzaken. Daar de boom hierdoor het
uitzicht verkrijgt, alsof men hem kunstmatig gesnoeid heeft, wordt
de Kever, die deze verandering teweegbracht, in Duitschland soms
"woudtuinier" genoemd. Om te overwinteren verlaat hij in den regel
den top van den boom en verschuilt zich onder een schorsschilfer aan
het onderste gedeelte van den stam of boort hier nogmaals een gat,
dat hem tot Maart van 't volgende jaar tot schuilplaats dient. De
Dennenscheerder, die, behalve den groven den, ook den verwanten zeepijn
en den Weymouthspijn aantast, wordt in Middel-Europa gevonden overal
waar dennen voorkomen, in Noord-Europa tot in Zweden en Rusland.
De Kleine Dennenbastkever (Blastophagus minor) gelijkt veel op de
vorige soort en komt er in levenswijze mede overeen, doch is minder
algemeen verbreid, wordt meer plaatselijk gevonden. De moedergang
is tweearmig, accolade-vormig ( } ); het middelste
gangetje leidt naar het boorgat; iedere arm is hoogstens 5 cM. lang; de
larvegangen zijn zelden langer dan 2.5 cM. Het geheele gangenstelsel is
diep in 't spint ingesneden in het met gladde schors bedekte, bovenste
deel van den stam van een staanden of gevelden, gaven boom. De poppen
wiegen liggen soms 6 à 7 cM. diep in 't hout.
De Schorskevers i.e.z. (Bostrychus of Tomicus) hebben een bolvormigen
kop, waarvan men aan de rugzijde niets of bijna niets kan zien,
daar hij als een muts bedekt is door het halsschild; hiervan is de
voorste helft dicht bezet met fijne knobbeltjes. De schaft van de
spriet en de ronde, 4-ledige eindknop (welks eerste lid onbehaard
is en de overige leden, die behaard zijn, van boven omsluit) zijn
verbonden door een 5-ledigen steel. De dekschilden zijn gewoonlijk
aan de spits afgeknot en naar binnen gedrukt; de zijranden van deze
uitholling zijn meer of minder sterk getand.
Een van de grootste soorten van dit geslacht, de 5.5 mM. lange
Letterzetter (Bostrychus typographus), richt groote verwoestingen aan
in sparrenbosschen; deze worden door hem boven iedere andere soort van
naaldhout verkozen. Ook in andere opzichten schijnt hij zeer kieskeurig
te zijn; oud hout valt meer in den smaak dan jong, gevelde boomen
heeft hij liever dan staande; ook de ligging van het oord is hem niet
onverschillig. Kort na het eierenleggen sterven de wijfjes in hare
gangen, of nadat zij deze met moeite verlaten hebben. De tot Kevers
ontwikkelde jongen blijven nog een tijdlang op hun geboorteplaats
en knagen van hier uit onregelmatige gangen. Deze soort is kenbaar
aan de vier tandjes, die zich aan weerskanten van het indruksel aan
het achtereinde van de dekschilden bevinden en waarvan het derde de
overige in dikte overtreft. Het rood- of pekbruine pantser is ruig,
geel behaard; de dekschilden vertoonen reeksen van groote stippels.
De familie, waarmede wij ons nu zullen bezighouden, omvat meer dan
7000 soorten en hieronder de fraaiste en grootste van alle Kevers
met 4 leden in den voet; fraai zijn zij zoowel door hun edelen vorm,
die kracht en zelfvertrouwen verraadt, als door de verdeeling van de
heldere kleuren, waarmede zij prijken, maar vooral door de in alle
richtingen beweegbare sprieten, waaraan zij hun naam ontleenen. Ondanks
hun vreedzamen aard, die geheel in overeenstemming is met hun
voedingswijze--daar zij geen roovers zijn, maar planteneters--, maken
de leden dezer familie, althans die van enkele harer afdeelingen,
wegens hun slanken, bevalligen en tevens krachtigen lichaamsbouw te
midden van de Insecten een soortgelijken indruk als de Adelaars te
midden van de Vogels. Aan een zeer weinig hiermede harmonieerende
vergelijking is de naam ontleend, dien zij bij het volk dragen. Toch
zal men den naam Boktorren (Capricornia of Longicornia) niet kwaad
gekozen achten, wanneer men hun kop van ter zijde beziet en meer
bepaaldelijk let op hunne sprieten. Evenals de meeste familiën van de
vorige groep zich duidelijk van alle overige Kevers onderscheiden door
den tot een "snuit" verlengden kop, zoo vallen de Boktorren dadelijk
in 't oog door hunne lange, dikwijls het overige lichaam in lengte
overtreffende, borstel- of draadvormige sprieten, die uit 11 leden
samengesteld zijn, waarvan het tweede zeer kort is. De bovenkaken
loopen meestal uit in een scherpen tand; de tamelijk korte tasters
hebben een bijl- of spoelvormig eindlid. Het achterlijf, dat vijf
beweegbare buikringen heeft, is geheel verborgen onder de dekschilden;
er zijn echter ook geslachten, waar het, evenals bij de Kortschildigen,
grootendeels onbedekt blijft (Necydalis, Molorchus).
Over 't algemeen mag men de Boktorren bedrijvige dieren noemen. Bij
zonnig weer of op warme, stille dagen ziet men ze vlug rondvliegen,
om hun voedsel te zoeken op bloemen of op boomstammen, uit welker
wonden sap vloeit; daarom treft men ze veelvuldig aan op houtmijten
in bosschen. Andere achten de avonduren den meest geschikten tijd
voor hunne uitstapjes. Vele brengen, wanneer men ze tusschen de
vingers vasthoudt, een eentonig, sjirpend gedruisch voort door den
achterrand van het rugschild van het voorborststuk tegen het korte,
hierin doordringende uiteinde van het middelborststuk te wrijven.
De larven van de Boktorren gelijken op die van de Prachtkevers;
verreweg de meeste leven in ziekelijk hout en hebben stellig voor
't meerendeel meer dan 1 jaar noodig voor haar ontwikkeling. Vele
larven van kleinere soorten leven echter in de stengels en vooral
in de wortelstokken van kruidachtige planten (wolfsmelk, hondstong,
graanhalmen, enz.) en kunnen in enkele gevallen voor den landbouw
nadeel opleveren.
De 2 onderfamiliën, waarin men de Boktorren verdeelt, zijn o.a. kenbaar
aan de richting van den kop. Deze is bij de Scheefkopbokken
(Cerambycitae) schuins naar voren gericht: het meest bij de
Langkopbokken (Cerambycini), minder bij de Breedlijfbokken (Prionini)
en de Smallijfbokken (Lepturini). Bij de Steilkopbokken (Lamiitae)
daarentegen heeft de rugzijde van den kop een loodrechten of althans
zeer steilen stand. Bovendien kenmerken zich de beide hoofdgroepen door
de oogen, die bij deze min of meer niervormig, bij gene rondachtig
zijn, door den vorm van het eindlid der kaaktasters, dat bij deze
spits, bij gene afgeknot is en door de aanwezigheid of het gemis
van een groeve op den voorscheen. Bij de Cerambyciten-larve is de
kop breeder dan lang, en hebben de borstringen duidelijke pootjes;
het omgekeerde komt voor bij de Lamiiten-larve.
Tot de Breedlijfbokken (Prionini) behooren de breedste, plompste en
grootste leden der familie; het ruggedeelte van het halsschild is bij
hen door een scherpen rand van de zijstukken gescheiden. Zij missen
het vermogen om door het tegen elkander wrijven der reeds genoemde
lichaamsdeelen geluid voort te brengen. De voorheupen zijn rolvormig
en dwars gericht; de bovenlip is zeer klein of ontbreekt. Het aantal
soorten van Breedlijfbokken is aanmerkelijk geringer dan dat der
overige groepen, vooral in Europa. Twee daarvan komen, hoewel zeldzaam,
ook in Nederland voor.
De Looier of Lederbok (Prionus coriarius) is een groote Kever van
35 à 40 mM. lengte, met 3 dikke doornen aan den scherpen zijrand
van 't halsschild, met dikke, bij 't mannetje 12-, bij 't wijfje
11-ledige sprieten, welker 9 laatste leden betrekkelijk kort en als
peperhuisjes in elkander geschoven zijn; bij 't mannetje overtreft hun
lengte die van 't halve lichaam, bij 't wijfje is zij geringer. Het
halsschild is minder breed dan de gezamenlijke breedte van de beide
lederachtig gerimpelde dekschilden, welker lengte ongeveer tweemaal
zoo groot is. Het skelet is pekzwart en op de borst met grijze
haartjes dicht bedekt. Deze Insecten ziet men omstreeks half Juli
en Augustus aan 't duistere, onderste gedeelte van oude stammen of
stoven van eiken, beuken en andere breedgebladerde boomen nagenoeg
roerloos zitten. Als de schemering invalt, ontwaken zij en vliegen
log en brommend rond; het mannetje zoekt dan het wijfje. De eieren
worden gelegd in vermolmd hout; dit dient tot voedsel voor de larve
en verschaft haar na voleindigden groei het materiaal voor den cocon,
waarbinnen zij slechts korten tijd in den poptoestand verkeert.
De Timmerman (Ergates faber) is langwerpiger en meestal langer dan de
vorige soort. De scherpe zijrand van het halsschild is fijn getand
of gekerfd en draagt achter het midden een doorn. De lengte van de
borstelige sprieten overtreft bij het 40 mM. lange mannetje de geheele,
bij 't 50 mM. lange wijfje de halve lichaamslengte een weinig. Deze
Kever is pikbruin of iets rooder; de larve, die een lengte van 60 à
65 mM. kan bereiken, houdt zich op in vermolmd hout van naaldboomen.
Tot de Langkopbokken (Cerambycini) behooren de edelst gevormde
vertegenwoordigers der familie, die, welke met de langste sprieten
en de fraaiste metaalkleuren prijken. Van het halsschild gaan het
ruggedeelte en de zijstukken ongevoelig in elkander over en zijn
niet, zooals bij de Prioninen, door een scherpen rand gescheiden. Het
sjirporgaan is bij hen aanwezig. De voorheup is meestal bolvormig;
de bovenlip goed ontwikkeld.
Vrij zelden vindt bij ons de Groote Eikenboktor [Cerambyx
(Hammaticherus) heros]. Het door haar vertegenwoordigde (thans meestal
Hammaticherus genoemde) geslacht, bevat groote, somber gekleurde,
over de geheele wereld verbreide Kevers. Hun kop is ver naar voren
gericht; de voorrand van het oog vertoont een diepe, tot voorbij het
midden reikenden inham; de 11-ledige sprieten hebben het 3e, 4e en 5e
lid aan den top sterk knotsvormig gezwollen, eindigen in een lang,
dun, platgedrukt, schijnbaar verdeeld lid en zijn bij het mannetje
aanmerkelijk langer, bij het wijfje niet korter dan het lichaam; het
halsschild is overdwars gevoord of knobbelvormig gerimpeld, in het
midden het breedst wegens een afgeronden of spitsen knobbel aan den
zijrand; de lengte van de dekschilden is grooter dan hun gezamenlijke
breedte. De genoemde soort is 40 à 45 mM. lang en glanzig zwart; de
pekbruine dekschilden worden naar achteren smaller en roodachtiger;
zij eindigen in een nauwelijks merkbaar spitsje aan den naad en worden
verder naar voren al meer gerimpeld; de onderzijde en de pooten hebben
door zijdeachtige beharing een zilverwitten weerschijn.
De meeste segmenten van de larven van deze en andere Boktorren hebben
aan de rugzijde een hoornschild met korrelige oppervlakte. Hierdoor
wordt de beweging in nauwe gangen gemakkelijker gemaakt. Deze larve
leeft 3 à 4 jaar lang in gangen, die zij in het hout van oude eiken
boort.
In Juli verlaat de Kever de pophuid. Overdag komt hij niet te
voorschijn en steekt hoogstens het uiteinde van de sprieten door het
vlieggat naar buiten. Na zonsondergang verlaat hij zijn schuilplaats
en vliegt op betrekkelijk geringe hoogte bedrijvig rond.
De Tuinboktor [Cerambyx (Hammaticherus) cerdo] is als 't ware een
verkleind evenbeeld van de vorige soort (20 of hoogstens 30 mM. lang),
ook zwart van kleur en door zijdeachtige haartjes op sommige plaatsen
als zilver glinsterend, doch met stomp eindigende dekschilden. In
levenswijze verschilt zij aanvankelijk van haar grootere verwante:
bij zonnig weer ziet men haar bedrijvig rondvliegen, om hagedoorns,
sneeuwballen, kornoeljes en andere bloeiende struiken te bezoeken en
zich aan hun honig te laven. Haar larve leeft achter de schors en in
het hout van eiken-, appel-, kersen- en andere boomen, maar tast ze
alleen dan aan, wanneer ze reeds ziekelijk zijn.
De Rozenboktor of Muscusboktor [Cerambyx (Aromia) moschata] heeft
staalblauwe sprieten en pooten, metaalachtig groene of bronskleurige
bovendeelen, een glanzig halsschild en nagenoeg doffe dekschilden. Het
halsschild is zeshoekig, breeder dan lang, op de schijf zwak gerimpeld
en grof gestippeld, aan den scherpen zijrand van een doorntje voorzien;
op ieder der zeer fijn en dicht gerimpelde dekschilden komen 2
onduidelijke ribben voor. Deze 15 à 25 mM. lange Kever leeft als
larve in, en als imago op wilgen (in Juni en Juli). Men herkent hem
reeds op eenigen afstand aan den reuk, dien hij verbreidt en waarop
de bovenstaande namen doelen.
Verscheidene Boktorren leven als larven in oud timmerhout en
worden daarom nu en dan in balken, daksparren, enz. van oude huizen
aangetroffen. Waarschijnlijk geldt dit van geen soort in meerdere
mate dan van de Huisboktor [Callidium (Hylotrupes) bajulum]. Deze is
pikzwart of bruin van kleur en met grijze haartjes begroeid, vooral
op het halsschild. Opmerkelijk is het verschil in grootte van de
leden dezer soort: 6.5 à 19.5 mM. Het wijfje steekt in Juni of Juli
haar langen legboor in spleten van allerlei houten voorwerpen. De
groote boorgaten, die soms in deurposten, tuinpalen, raamkozijnen,
tuingereedschap, enz. aangetroffen worden, moeten, althans voor een
deel, aan deze Tor toegeschreven worden.
Zeer talrijk en over de geheele wereld verbreid zijn de leden
van het geslacht der Pronkboktorren (Clytus). Deze langpootige,
kortsprietige Kevers, die flink loopen kunnen en, als de zon schijnt,
gaarne van hunne vleugels gebruik maken, zijn meestal kenbaar aan de
bonte, grootendeels gele teekening, die zij vertoonen. De borstel-
of draadvormige sprieten zijn steeds korter dan het lichaam; hun
aanhechtingsplaats ligt tusschen den inham in het oog en het daarvoor
gelegen deel van de voorhoofdslijst, die zich over den sterk afgeronden
kop uitstrekt. De dekschilden zijn verschillend van vorm, soms rolrond,
soms afgeplat en van achteren versmald. Veelvuldig ontmoet men in den
zomer op tuil- en schermvormige bloeiwijzen de Gewone Pronkboktor
(Clytus arietis), kenbaar aan het bolvormig halsschild, de naar
voren allengs dikker wordende dijen en de rolronde dekschilden, die
ieder afzonderlijk aan de spits afgerond zijn. Haar lengte wisselt af
van 10 tot ruim 15 mM. De goudgele teekening wordt veroorzaakt door
dicht bijeenstaande, aanliggende haren; zij bedekken den voor- en den
achterrand van het halsschild, het schildje, vier dwarsbanden op de
dekschilden, den achterrand van de buikringen en eenige vlekken op de
borst. De sprieten en de pooten zijn rood, de voorpooten althans van
den scheen af.--De larve houdt zich op achter de schors van omgehouwen
stammen of achtergebleven stompen van verschillende breed gebladerde
boomen, o.a. eiken en beuken.
De Smallijvige Boktorren (Lepturini) zijn gemakkelijk te herkennen
aan een halsvormige insnoering, gevormd door het smaller worden van
het achter de oogen gelegen deel van den kop, welks voorste deel
tot een soort van snuit verlengd is en nagenoeg ronde oogen draagt;
hiervoor of hiertusschen zijn de korte, meer of minder van elkander
verwijderde sprieten aangehecht.
De meeste Lepturinen vliegen bij zonnig weer bedrijvig rond; zij
bezoeken bloeiende struiken en kruiden, vooral scherm- en tuilvormige
bloeiwijzen, niet slechts in bosschen, maar ook op weiden en randen van
akkers, dikwijls op grooten afstand van houtige planten. Zij worden
over vele geslachten verdeeld, die door allerlei tusschenvormen
verbonden zijn. De kenmerken, waardoor zij zich onderscheiden,
zijn daarom niet gemakkelijk toe te passen. Zij berusten vooral op
eigenaardigheden van het halsschild en de dekschilden (die door hun
vorm, door oneffenheden aan hun oppervlakte en door de verhouding
tusschen hunne breedten van elkander kunnen verschillen), voorts op
de meer of minder fijne verdeeling der oogen. De larven voeden zich
met rottend hout.
Op bloeiwijzen van schermbloemigen vindt men des zomers niet zelden
den 16 mM. langen Sporendragenden Smalbok [Leptura (Strangalia)
armata]. Deze is grootendeels zwart van kleur; de drie eerste
buikringen zijn echter geel met zwarte vlekken, de sprieten,
pooten en dekschilden wasgeel, behoudens zwarte ringetjes op de
sprieten en den voet (benevens zwarte vlekken op de binnenzijde der
achterdijen en 4 zwarte getakte banden op de dekschilden); deze zijn
scheef afgesneden en hebben aan den buiten-achterhoek een doorntje,
dat aanleiding gaf tot den soortnaam. De larve bewoont stammen van
berken en andere boomen.
In de eerste dagen van Juni ziet men op heldere dagen de mannetjes van
den Veranderlijken Schutterbok (Toxotes meridianus) druk rondvliegen
langs bloeiende heesters en kruiden, steeds bereid om zich te
laten vallen, zoodra men tevergeefs naar hem grijpt; de wijfjes zijn
gewoonlijk trager en houden zich meer verborgen. Zij vertegenwoordigen
een geslacht van langpootige en langsnuitige Kevers met van voren
en van achteren ingesnoerd halsschild en langwerpige dekschilden,
die naar achteren bij het wijfje sterk, bij 't mannetje echter weinig
smaller worden. De draadvormige sprieten zijn bijna altijd even lang
als het lichaam. De kleur van de genoemde soort varieert binnen wijde
grenzen: sommige exemplaren zijn effen zwart, andere geheel en al
roodachtig geelbruin. De grootte wisselt af van 13 tot 22 mM.
De Tangbokken (Rhagium) zijn kenbaar aan hun dikken, bijna vierzijdigen
kop met korte, parelsnoervormige sprieten, die de helft van de
lichaamslengte bereiken. Het halsschild draagt aan weerszijden een
spitsen doorn.
De Korthoornige Tangbok (Rhagium indigator) heeft licht geelachtig
bruine dekschilden, dicht bedekt met een witachtig vilt, dat slechts
op enkele plaatsen ontbreekt en het zwartachtige chitine-pantser
blootlaat, n.l. op de drie uitpuilende, overlangsche lijsten van elk
der dekschilden en op twee meer of minder regelmatige dwarsbanden
van beide te zamen. De larven houden zich op achter de schors van
naaldboomen.--Op dezelfde wijze leeft de zeldzame Dubbelgestreepte
Tangbok (Rhagium bifasciatum).
De Steilkopbokken (Lamiitae) heeten zoo wegens den verticalen stand
van den kop: de hoek, die voorhoofd en kruin met elkander vormen,
is minstens recht, soms zelfs scherp.
Voorbeelden van deze onderfamilie levert het geslacht der Aardbokken
(Dorcadion) dat 70 Europeesche, doch (voor zoover bekend) geen
inheemsche soorten bevat. Sommige hebben de dekschilden langs den naad
vergroeid. Deze zijn ongevleugeld. Het waas van fluweelachtige haren,
dat hun zwart of bruin chitine-pantser ten deele bedekt, is gemakkelijk
te verwijderen. De zijrand van het halsschild draagt een doorn. De
larven leven bij wijze van "engerlingen" in den grond en zijn soms
schadelijk door het afknagen van wortels van landbouwgewassen. De
Kevers vertoonen zich meestal reeds in de lente, loopen op droge
plaatsen op den bodem, of op muren rond en verbergen zich bij
ongunstige weersgesteldheid onder steenen. De wijfjes verschillen
soms zoozeer van de mannetjes, dat men ze voor leden van verschillende
soorten zou houden.
Een van de kleinste en sierlijkste is de 10 mM. lange Kruisdragende
Aardbok (Dorcadion crux), die in Klein-Azië, o.a. bij Smyrna, in
Turkije en Zuid-Rusland gevonden wordt en er, naar 't schijnt, niet
zeldzaam is. Witte, zijdeachtige haren bedekken een groot deel van het
fluweelachtig zwarte lichaam, en vormen hierop het kruis, waaraan de
soort haar naam ontleent, doordat zij een diepe, overlangsche groeve
van kop en halsschild, den achterrand van het halsschild en een smal
streepje aan weerszijden van den naad bekleeden. Zwarte gedeelten
van de grootendeels witte dekschilden zijn: de zijrand, een streep
langs den naad en een hiermede vereenigde middelvlek.
Het verst noordwaarts leeft de 4 mM. lange Zwarte Aardbok (Dorcadion
atrum), die in sommige jaren in Thuringen en in de Hartz vrij
talrijk is.
Een zeldzamer bewoner van dezelfde streken is de in 't zuiden meer
algemeene Grijze Aardbok (Dorcadion fuliginator), de meest gewone
soort rondom Parijs. (Lengte 16 mM.)
De 26 à 32 mM. lange Segryn-weverbok (Lamia textor) heeft een
uit fijne, geelachtige haren samengesteld kleed, met zwartachtige
knobbels als glinsterende stipjes er tusschen, waardoor het geheel een
vuilbruine kleur verkrijgt. Men ontmoet dezen plomp gebouwden Kever op
wilgen, in welker merg zijn larve gangen boort, die zij aan 't einde
verwijdt, wanneer de tijd om van gedaante te wisselen nadert. Hier
omhult zij zich met een uit houtvezels geweven cocon. Pooten
heeft zij niet, wel een rolvormige knobbel aan 't einde van 't
achterlijf. In Nederland komt zij te zeldzaam voor om belangrijke
schade te veroorzaken.
Van alle inheemsche Insecten heeft de Langhoornige Dennenboktor
(Acanthocinus aedilis) de langste sprieten; deze zijn borstelvormig,
bij het mannetje 5-maal, bij het wijfje 2-maal zoo lang als het
lichaam. De 11 sprietleden zijn met uitzondering van den top met
donkere ringen versierd. Het wijfje heeft een langen achterwaarts
gestrekten legboor. De lengte der dekschilden is ongeveer het
dubbele van hun gezamenlijke breedte; zij zijn grijs door het dichte,
viltachtige haarkleed, dat ook het overige lichaam bedekt, korrelig
gestippeld en met 2 meer of minder duidelijke, naakte (en daarom
bruine) dwarsbanden geteekend. De lange sprieten zijn bij de pop
eerst naar achteren en daarna weer naar voren gebogen.
Vroeg in 't jaar vertoont deze Kever zich op omgehouwen dennenstammen
en de hiervan achtergebleven stompen. Bij zonnig weer vliegt hij rond
en bezoekt dan ook houtstapels en nog staande stammen. Soms ziet men
het langsprietige Insect ook binnenshuis verschijnen, waar het als
larve met timmerhout is binnengekomen.
De Groote Populierboktor (Saperda carcharias) is grijsachtig geel
(het wijfje meer okergeel) door het viltachtige haarkleed, dat alleen
ontbreekt op de spitsen der meeste sprietleden (die hierdoor zwart
zijn) en op de korrelige verhevenheden der dekschilden. Men ziet
dezen 24 à 30 mM. langen Kever van Juni tot Augustus aan den zonkant
op stammen en takken van verschillende soorten van populieren
en wilgen zitten. Uit de trage rust, waarin hij dan verkeert,
ontwaakt hij waarschijnlijk eerst tegen den avond door den drang
tot voortplanting. De eieren worden zoo diep mogelijk geborgen in
spleten aan den voet van den stam, bij voorkeur van boomen van 6- à
20-jarigen leeftijd. De larven, die in 't eerste jaar dicht onder de
schors gangen knagen, dringen na den winter dieper in het hout door en
banen zich regelrecht een weg naar boven. In den tweeden zomer kort
voor den overgang in den poptoestand zijn zij soms 39 mM. lang. Waar
zij in grooten getale voorkomen, kunnen zij veel schade doen aan jonge
populieren: de stam, waarvan 't onderste deel vele larven herbergt, zal
bij een eenigzins belangrijke vermeerdering van de windkracht afbreken.
De Kleine Populierboktor (Saperda populnea) is 10 à 12 mM. lang en
dankt aan de viltachtige beharing haar groenachtig of geelachtig
grijze kleur, die op het halsschild door drie gele, overlangsche
strepen, op ieder dekschild door een overlangsche reeks van gele
vlekjes wordt afgebroken; de sprieten zijn, evenals bij de vorige
soort, afwisselend zwart en grijs. In Mei of Juni ziet men haar op
de bladen van den ratelpopulier; zij is veel beweeglijker dan haar
grootere verwante. Op de plaats waar de larve omstreeks Juli onder
de schors doordringt, ontstaat een kringvormige opzwelling. In den
eersten zomer houdt zij zich onder de schors op; na de overwintering
begeeft zij zich door den mergcilinder omhoog. In den regel vestigen
zich verscheidene larven in één boom; in het aangetaste stammetje
of takje merkt men daarom een aantal zwarte, overlangsche gangen op,
die in den regel zijn dood ten gevolge hebben.
De familie van de Bladkevers (Chrysomelidae) omvat ongeveer 10000
soorten van kleine en zeer kleine, hoogstens middelmatig groote Kevers,
die zoowel in den larve- als in den imago-toestand weeke plantaardige
stoffen, vooral bladen, eten. Enkele van deze Kevers komen soms zoo
overvloedig voor, dat de gekweekte planten groote schade door hen
lijden. Zij hebben over 't algemeen een rolrond of half bolvormig,
ineengedrongen lichaam, dat met heldere, bonte, dikwijls prachtige,
metaalglanzige kleuren prijkt; vele inheemsche soorten worden daarom
"Goudhaantjes" genoemd. De kop is meer of minder diep onder het
halsschild verborgen en niet tot een snuit verlengd. De 11-ledige,
korte, ongebroken sprieten zijn draad- of borstel-, bij uitzondering
knotsvormig. De larven zijn meestal duidelijk gekleurd, hebben 3 paar
korte, maar goed ontwikkelde pootjes en leven gewoonlijk, evenals
hare ouders, aan de oppervlakte van de planten, waaraan beide voedsel
ontleenen. De meeste Bladkevers hebben een naar voren of loodrecht
naar onderen afhellend voorhoofd, zoodat de monddeelen de gewone
plaats innemen; bij andere is het voorhoofd sterk naar onderen en naar
achteren gebogen, zoodat ook de monddeelen achterwaarts gedrongen,
min of meer verborgen zijn. De laatstbedoelde inrichting is een
kenmerk van de vierde der 4 groepen, waarin men de familie verdeelt,
en die men naar den vorm harer vertegenwoordigers "lange", "korte",
"ronde" en "platronde" Bladkevers zou kunnen noemen.
De eerste onderfamilie, die der Eupoden, nadert door den langwerpigen
lichaamsvorm tot de Boktorren; de kop is achter de oogen ingesnoerd;
hierdoor en door de meerdere breedte der dekschilden is het smalle
halsschild duidelijk begrensd; scherpe zijranden komen er niet
aan voor.
De duidelijkste overeenkomst met de Smallijvige Boktorren merkt
men op aan de fraaie Rietkevers (Donacia), waarvan vele soorten in
Europa en Noord-Amerika gevonden worden. Men ziet ze in het laatst
van Mei of in het begin van Juni, sommige soorten eerst in Juli,
dikwijls in grooten getale op riet, zeggen en andere grasachtige,
aan den waterkant groeiende planten of op de drijvende bladen van
plompen en dergelijke gewassen, welker onder water gelegen deelen tot
woonplaats gediend hebben aan hunne larven. Opmerkelijk is bij alle
Rietkevers de eerste buikring door zijn groote lengte, welke die van
alle overige buikringen te zamen genomen overtreft.
De Knotspootige Rietkever (Donacia clavipes, D. menyanthidis)
is een van de langwerpigste leden van zijn geslacht en een van
de weinige, welks wijfje (11 mM. lang) alleen door haar meerdere
grootte van het mannetje verschilt. De bovenzijde is goudgroen, de
onderzijde met zilverwitte haartjes dicht bedekt; de draadvormige,
dicht bijeenstaande sprieten zijn zoo lang als het lichaam, de pooten
roodachtig en aan 't einde van 2 enkelvoudige (niet getande) klauwen
voorzien. De dekschilden zijn met reeksen van diepe putjes bezet, zeer
fijn gerimpeld en van achteren ieder afzonderlijk afgerond. Men vindt
deze Kevers, behalve in Mei en het begin van Juni, ook in October op
het gewone riet.
Het wijfje begeeft zich over dag onder water om de eieren
ieder afzonderlijk op de dikke wortels van de voederplanten te
leggen. De larve, die na 10 à 20 dagen de eischaal verlaat, voedt zich
aanvankelijk met de fijnste wortelvezeltjes, later met dikkere en na de
derde vervelling met de buitenste laag van de dikke stokspruiten. Ten
slotte vervaardigt zij een perkamentachtige, zwartachtig paarse,
eivormige cocon, die aan den wortel van de voederplant vastgehecht
is en de pop gedurende haar rusttoestand van 20 à 25 dagen volkomen
tegen het water beschut. De Kever komt er vóór den winter uit, houdt
zich eenigen tijd vast aan de moederplant, laat zich vervolgens door
het water naar de oppervlakte vervoeren en klimt hier bij de eerste
de beste plant omhoog.
In de tropische gewesten van Azië en Afrika worden onze Rietkevers
vervangen door grootere, 12 à 35 mM. lange soorten met een boller
lichaam.
Bij het zoeken naar de oorzaak van de beschadiging, die men soms aan
de bladen der witte leliën (Lelium candidum) onzer tuinen opmerkt, zal
men glinsterend zwarte vochtige lichaampjes waarnemen, die langzaam bij
den stengel opkruipen of druk bezig zijn de bladen af te knagen. Wat
men van deze diertjes te zien krijgt, is de dreklaag, waarin zij zich
hullen en die alleen aan de buikzijde ontbreekt. Bij nader onderzoek
vertoonen zich dikke, naar voren dunner wordende, zespootige larfjes,
die zich gedurende den zomer met de genoemde bladen voeden, daarna
in den grond kruipen en hier in den poptoestand overgaan. In 't
volgende voorjaar komen de algemeen bekende Leliekevertjes (Crioceris
merdigera) te voorschijn. Met uitzondering van het halsschild en de
dekschilden, die rood zijn, hebben zij een glanzig zwarte kleur. Hun
gestalte gelijkt wel eenigszins op die van de Rietkevers, maar is
meer gedrongen; hunne snoervormige sprieten, die slechts de halve
lichaamslengte bereiken, en de pooten zijn dikker. De driehoekige
kop verkrijgt door de uitpuilende oogen zijn grootste breedte; het
halsschild heeft bij de schouders rechte hoeken. Dit 6.6 mM. lange
Kevertje kan een sjirpend geluid voortbrengen, dat in verhouding tot
de grootte van 't Insect zeer krachtig is; dit geschiedt door het
uitsteken en terugtrekken van den laatsten achterlijfsring, die een in
't midden afgebroken en geribde ruglijst draagt, die tegen de talrijke
chitine-schubjes aan de spitsen der dekschilden wrijft.
De leden van de tweede onderfamilie, de Camptosomaten, kenmerken zich
door hun, in vergelijking met de Eupoden, meer gedrongen gestalte,
die rolvormig, op de dwarse doorsnede nagenoeg cirkelrond is,
door het ontbreken van een halsachtige insnoering aan den kop,
die zich onmiddellijk tegen (het zijwaarts scherp gerande)
halsschild aanvoegt, en door de vergroeiing van den 4en met den
5en achterlijfsring. De dekschilden zijn niet of slechts weinig
breeder dan den achterrand van het halsschild. De larven houden het
buikwaarts gekromde achterlijf verborgen in een meer of minder stevig,
van haar drek vervaardigd huisje, dat, den kop en de borst vrijlatend,
bij de beweging medegevoerd wordt. Zij toonen dus een iets grootere
kunstvaardigheid dan de Leliekevertjes, die zich eenvoudig den rug
met een dreklaag bedekken.
De kop van de Zaag- of Zakkevers (Clythra) is tot aan de oogen in
het halsschild opgenomen; wegens de breedte van het voorhoofd zijn
de meestal gezaagde, korte, vóór de oogen aangehechte sprieten ver
van elkander verwijderd. De dekschilden reiken tot aan de spits van
't achterlijf.
De Viervlekkige Zakkever (Clythra quadripunctata) is 3.5 à 5 mM. lang,
glanzig zwart, van onderen fijn grijs behaard; ieder dekschild heeft
twee zwarte vlekken op glanzig geelrooden grond. Men ziet dit bij
ons niet veelvuldig Kevertje des zomers op gras en kreupelhout,
vooral op wilgen; het ontwikkelt zich in den tijd van één jaar uit
een larve, die zich in een zwart zakje ophoudt. De larve vervaardigt
dit zakje van hare uitwerpselen, spint het van boven dicht en ergens
aan vast, als zij winterslaap gaat houden, en doet dit na den winter
nogmaals, voordat zij in den poptoestand overgaat. Men heeft deze
larve dikwijls gevonden in mierennesten o.a. in die van den Rooden
Boschmier (Formica rufa).
Veelvuldiger dan de Zakkevers vindt men hier te lande een tiental
soorten van Valkevers (Cryptocephalus), kenbaar aan de lange,
draadvormige sprieten (bijna de langste, die bij eenigen Bladkever
voorkomen) en aan de dekschilden, die een deel van het stuitschild
onbedekt laten. Evenals de leden der vorige soort, laten zij zich
met opgetrokken pooten en achterwaarts gerichte sprieten van hun
rustplaats naar beneden vallen en houden zich gedurende geruimen tijd
dood, als men hen niet met de noodige voorzichtigheid nadert.
De Zijdeharige Valkever (Cryptocephalus sericeus), 6 à 8 mM. lang,
is in Augustus en September in duinstreken vrij algemeen, vooral op de
hoofdjes van leeuwentand (Leontodon) en havikskruid (Hieracium). Hij
heeft een fraaie, goudgroene, paarsblauwe of purperroode kleur
met zijdeachtigen glans; de sprieten zijn zwart; het halsschild en
de dekschilden vertoonen verwarde en grove, ingedrukte putjes, de
dekschilden bovendien onduidelijke, grove, overlangsche strepen.
De meest typische vertegenwoordigers van de onderfamilie der
Goudhaantjes (Cyclica) zijn maar weinig langer dan breed en kunnen
overigens, wat vorm betreft, zeer goed met een plat-bolle (planconvexe)
lens vergeleken worden: het platte vlak stelt de min of meer eivormige
buikzijde van 't lichaam voor; het halsschild heeft scherpe zijranden,
is niet door een halsvormige insnoering van den kop gescheiden en stemt
van achteren in breedte met de dekschilden overeen; zijn bovenzijde
vertoont dezelfde kromming als de daarvoor en daarachter gelegen
afdeelingen en ligt er meestal gaafrandig tegen aan. De larven van de
meeste soorten leven vrij aan de oppervlakte van bladen; de overige
maken gangen in het bladmoes.
Bij de Goudhaantjes i.e.z. (Chrysomelini) strekt het halsschild, dat
meestal een weinig breeder is dan lang, zich over den kop tot aan de
oogen uit; de aanhechtingsplaatsen van de draadvormige, naar de spits
een weinig dikker wordende sprieten zijn een weinig onder het midden
van den binnenrand der oogen gelegen en dus door een tusschenruimte
gescheiden. De Kevers prijken dikwijls met fraaie, metaalglanzige
kleuren; de vrij op bladen levende larven zijn gekleurd, van boven met
vele duidelijk zichtbare, donkere wratten bezet, van 3 pootjes aan de
borst en van een als naschuiver dienenden, benedenwaarts gerichten,
gezwollen aarsrand voorzien.
Het 9 à 12 mM. lange, 5 à 6 mM. breede Populierhaantje (Lina populi)
is zwart met groenen of blauwen weerschijn, zijn halsschild is
aan de zijden zacht afgerond en eenigszins knobbelig gezwollen;
de uiterste spits van de roode, na den dood sterk verbleekende
dekschilden is zwart. Deze zwarte spits ontbreekt bij het 9 mM. lange
Kleine Populieren-goudhaantje (Lina tremulae), dat overigens dezelfde
kleur heeft. Beide soorten komen op wilgen- en populieren-hakhout,
vooral op jonge ratelpopulieren, dikwijls naast elkander voor. Zij
vertoonen zich na hun winterslaap, zoodra de bladen groen beginnen te
worden. Evenals hunne kort daarna verschijnende larven (kenbaar aan
de sterk behaarde, zwarte wratten aan de zijden van het lichaam),
laten zij van de bladen slechts de nerven over. De pop hangt met
benedenwaarts gerichten kop aan het blad.
Het geslacht Chrysomela telt ongeveer 150 leden, die voor 't meerendeel
Europa bewonen; de fraaiste soorten, die met buitengewoon levendige,
metaalachtige kleuren prijken, vindt men vooral in bergstreken. De
meeste leven ieder op een bepaalde plantensoort; de larven zijn
rolrond, eenigszins bultig, doch hebben aan de zijden geen behaarde
wratten. De fraai staalblauwe Chrysomela violacea zoekt verschillende
soorten van munt (Mentha) op. Chrysomela cerealis draagt roode of
goudgele en blauwe overlangsche strepen en komt uitsluitend onder
steenen voor, op droge berghellingen, welker armoedig graskleed
waarschijnlijk voedsel levert aan de larve. Met een sterken,
goudachtigen glans en blauwe strepen op de dekschilden prijkt
Chrysomela fastuosa, die op hennipnetels (Galeopsis), koornaren,
enz. gevonden wordt. In den regel treft men deze kevertjes in groote
troepen op hunne voederplanten aan.
De Colorado-kever of Aardappelkever (Leptinotarsa decemlineata)
ontleent zijn naam aan den Amerikaanschen staat Colorado, waar
hij inheemsch is en op een aan onzen aardappel verwante soort van
nachtschade leeft. Toen in het door hem bewoonde gebied, als gevolg
van de kolonisatie, de aardappelteelt werd ingevoerd, ging hij dadelijk
op de nieuwe plant over en verspreidde zich sedert 1859 langzamerhand,
de aardappelakkers volgend, over de meer oostwaarts gelegen staten. In
1874 bereikte hij de kusten van den Atlantischen Oceaan en had dus
in 15 jaren een weg van ongeveer 3000 KM. afgelegd. In het jaar
1877, toen hij voor 't eerst in Europa werd opgemerkt, had hij zich
in Amerika reeds over een oppervlakte van 3850000 KM2 verspreid, of
liever over een nog grooter gebied, daar hij, naar men later vernam,
reeds tusschen 1870 en 1880 in Mexico doordrong. In 1876 waren
de oostelijke Vereenigde Staten, die door scheepvaart in levendig
verkeer met Europa staan, zoozeer met deze Kevers besmet, dat zij in de
havensteden in grooten getale voorkwamen en bij gunstigen wind op de
schepen overgingen. Daar de Colorado-kever gedurende de overtocht (en
nog wel veel langer) zonder voedsel in leven kan blijven, behoeft men
zich er niet over te verwonderen, dat hij weldra, ondanks het tijdig
(reeds in 1875) door de meeste Europeesche staten uitgevaardigde verbod
van aardappelinvoer uit Noord-Amerika, in ons werelddeel zijn intocht
deed. In 1876 werd te Bremen een levende Colorado-kever gevonden. In
Juni 1877 bleek te Mühlheim aan den Rijn, in de onmiddellijke
nabijheid van Keulen, dat dit schadelijk insect in Europa zeer goed
aarden kan. Op een aardappelakker van 30 à 40 are werden een groot
aantal Kevers en larven van deze soort ontdekt. Onmiddellijk werden
maatregelen genomen om de ramp te keeren; deze hadden echter niet het
gewenschte gevolg; althans reeds in het laatst van Juli van 't zelfde
jaar werden opnieuw jonge larven waargenomen in de nabijheid van den
vroeger aangetasten akker. De toen aangewende middelen van bestrijding
hebben zoo goed gewerkt, dat de Colorado-kever zich tot dusver op
de genoemde plaats niet weer vertoond heeft. Een tweede geval van
soortgelijken aard kwam in Aug. 1877 voor bij Schildau, op de grens
van het koninkrijk Saksen. Hier had de besmetting zich uitgebreid over
niet minder dan 17 akkers, die echter zoo afdoende gezuiverd werden,
dat de vijand zich niet opnieuw vertoond heeft. Eerst 10 jaar later,
in Juli 1887, werd de Colorado-kever opnieuw waargenomen, ditmaal
over een uitgestrektheid van 4 HA., in de buurt van Torgau. Hier,
zoowel als te Lohe, bij Meppen in Oost-Friesland, waar in Aug. 1887
een akker van 49 A. aangetast bleek te zijn, is men er in geslaagd
de schadelijke Insecten uit te roeien. In andere deelen van Europa
schijnt de Colorado-kever tot dusver niet voorgekomen te zijn. Sedert
jaren heeft men niets meer van hem vernomen.
Het gevreesde Insect is zeer na verwant aan de vroeger genoemde
inheemsche soorten en komt in levenswijze met het Populierhaantje
overeen: het vermenigvuldigt zich echter veel sterker, daar het wijfje,
naar beweerd wordt, niet minder dan 1000 dooiergele, langwerpige eieren
legt, die zij in platte hoopjes van 35 à 40 stuks aan de onderzijde
der bladen vastlijmt. Bovendien hecht de larve zich niet aan een blad
om in den poptoestand over te gaan, maar brengt dit rusttijdperk in
den grond door.
De vuilige grondkleur van den Kever kan met die van grof leder
vergeleken worden; de kop, het halsschild en de geheele onderzijde
zijn zwart gevlekt; dezelfde kleur hebben de top van de knotsvormige
sprieten, de knieën en de bovenzijde van den voet. De vlekken op het
midden van het halsschild zijn soms H-, meestal V-vormig. Bovendien
prijkt ieder dekschild met 5 zwarte, overlangsche strepen van ongeveer
gelijke breedte; ook de naad is zwart.
De vleezige, dikke larve gelijkt volkomen op die van de inheemsche
Chrysomelen; zij heeft een zeer glanzige, vuil roodachtig gele
kleur, waarop de sterker gechitiniseerde deelen een zwarte teekening
vormen. Zwart zijn de kop, de leden van de pooten, een dwars gericht,
overlangs middendoor gedeeld schild op de achterste helft van
het voorborststuk, twee overlangsche reeksen van ronde vlekken,
gevormd door twee platte wratjes aan weerszijden van elk der 7
eerste achterlijfsringen en van het eerste en het laatste lid van het
borststuk, benevens een klein dwarsschild aan de bovenzijde van den
8en en den 9en achterlijfsring. Aan weerszijden van de aarsopening
komt een naschuiver voor. Lengte hoogstens 12 mM.
De 9 à 10 mM. lange pop is roodachtig geel met een zwartachtigen
doorn aan 't laatste segment.
De Kevers overwinteren in den grond; naar men beweert, vertoeven zij op
een diepte van meer dan 63 cM.; in April vindt men ze in grooten getale
bij het diep omwerken van den bodem. Zoodra de aardappelakkers groen
geworden zijn, vertoonen zij zich op de bladen waarmede zij zich
voeden. Na de voortplanting sterven de geslachtsrijpe individuën;
de larve zet de vernieling van de bladen voort, groeit snel,
begeeft zich in den grond om in een pop te veranderen, waaruit na
een korte rust de Kever te voorschijn komt, welks nakomelingen in
't zelfde jaar nogmaals eieren leggen, die vóór den winter volwassen
zijn. In Amerika komt soms een derde generatie tot rijpheid. Wanneer
deze vijanden van de aardappelplant hare groene bovenaardsche deelen
vernielen, heeft de vorming van knollen niet of zeer gebrekkig plaats,
tot groote schade voor den aardappeloogst.
Algemeen bekend en ten deele zeer slecht befaamd zijn de kleine,
in den regel tot buitengewoon groote gezelschappen vereenigde
Bladkevertjes, die, door hunne dikke achterdijen tot springen geschikt,
den karakteristieken naam van Aardvlooien (Halticini) dragen. In een
zeer groot aantal soorten verdeeld is deze groep over de geheele
aardoppervlakte vertegenwoordigd. Die van het rijke Zuid-Amerika
bereiken een lengte van 8.75 mM.; de inheemsche zijn kleiner, voor 't
meerendeel slechts 2 à 3 mM. lang. Evenals hunne naaste verwanten--de
Helmkevers (Galerucini), die het vermogen om te springen missen en
waarvan sommige door het skeletteeren van bladen van struiken en
boomen schade veroorzaken--verschillen zij van de leden der vorige
groep door de plaatsing der sprieten, die dicht bij elkander, tusschen
de oogen, zijn ingeplant. De meeste overwinteren als imago, sommige
als larve; in beide gevallen beginnen zij reeds vroeg in 't jaar
in tuinen en op akkers schade aan te richten; deze wordt vooral dan
merkbaar, wanneer zij zich aan jonge plantjes (raapzaad, leukojen,
koolsoorten, enz.) vergrijpen. Hun oude, wetenschappelijken naam
Altica of Haltica heeft plaats moeten maken voor een groot aantal
nieuwe geslachtsnamen. Men kent meer dan 350 Europeesche soorten
van Aardvlooien, waarvan een 90-tal in Nederland gevonden zijn. Vele
soorten bepalen zich tot één enkele plant, de meeste worden echter,
behalve op de plaats waaraan zij haar soortnaam ontleenen, ook elders
aangetroffen.
De Koolzaad-aardvloo (Psylliodes chrysocephala) bewoont behalve
de plant, die door haar soortnaam aangeduid wordt en waaraan haar
larve soms groote schade toebrengt, ook verscheidene andere (en niet
uitsluitend kruisbloemige) gewassen. In 't vroege voorjaar, als het
winterkoolzaad opnieuw begint te groeien, ziet men een aantal plantjes,
welker nog korte stengel, evenals de hieraan gehechte bladen, een
bruine en geen groene kleur vertoont; bij andere hebben eenige schrale
bijstengeltjes den reeds geheel vernielden hoofdstengel vervangen en
is ook het bladerenrozet bruin geworden. Een nader onderzoek leert,
dat bij gene boven, bij deze onder in den stengel larven van 2 à 6
mM. lengte huizen. Vele weken later ontmoet men larven van dezelfde
grootte in hooger opgeschoten stengels, vooral in de geknikte,
welker aantal dikwijls zoozeer is toegenomen, dat de akkers een
treurig schouwspel opleveren; zij zien er uit, alsof menschen en
vee ze in alle richtingen doorkruist en alles vertrapt hebben. De
larven verslinden n.l. langzamerhand al het merg van den stengel,
waarna deze geen weerstand meer kan bieden aan den wind. Hier en daar,
vooral onder de aanhechtingsplaats van takken, merkt men ook gaten
op, waardoor volwassen larven de voederplant verlieten om zich in den
grond te verpoppen. Uit deze poppen komen in het najaar Kevers, die
aan den voet van de bladstelen van het pas boven den grond gekomen
winterkoolzaad eieren leggen; hieruit ontwikkelen zich larven, die
in den stengel de strengste winterkoude trotseeren, in Februari of
Maart in den poptoestand overgaan en ongeveer in het midden van Mei
als Kevers op de planten verschijnen.
Bij het geslacht Psylliodes is de omtrek van het lichaam elliptisch en
is de achtervoet boven het uiteinde van den scheen aangehecht. Bij de
bovengenoemde, 4 mM. lange, 3 mM. breede soort is de tamelijk bolle
rugzijde glanzig groenachtig of blauwachtig zwart; de voorste helft
(zelden de geheele bovenzijde) van den kop, het onderste deel van de
sprieten, benevens de pooten (met uitzondering van de dikke achterdij)
zijn roodachtig geel, de vóór- en middeldij in den regel iets donkerder
dan de vóór- en middelscheen.
Op een eenigszins andere wijze richt de Kool-aardvloo (Haltica
oleracea), die op vele kruisbloemige en andere planten aangetroffen
wordt, haar leven in. Zij overwintert als imago; daarna legt het wijfje
eieren op de planten, die aan de larven voedsel verschaffen. In
gunstige jaren volgen drie generaties elkander op. De Kever is
langwerpig eivormig, ruim 4 mM. lang; zijn donker olijfgroene kleur
vertoont een meer of minder duidelijken, blauwen weerschijn; alleen
de sprieten en de leden van den voet zijn zwartachtig.
Zeer eigenaardig door voorkomen en levenswijze zijn de
Schildpadtorretjes (Cassida). De onderfamilie der Bedektmondigen
(Cryptostomata), waarvan zij deel uitmaken, heet zoo naar de
mondopening, die wegens den loodrechten stand van het voorhoofd ver
naar achteren verschoven is. De eivormige Schildpadtorretjes zijn
gemakkelijk te herkennen aan hun van voren afgerond halsschild, dat den
kop volkomen bedekt en, nauw aansluitend tegen de dekschilden, met deze
een soort van rugschild vormt, welks randen in alle richtingen voorbij
het lichaam uitsteken, zoodat er van boven niets anders zichtbaar
is. Hun kleur is gewoonlijk grasgroen, geelachtig of roodachtig
grijs, soms op den rug versierd met als goud of zilver glinsterende
strepen, die na den dood verdwijnen. De 5 laatste sprietleden zijn
tot een knots verdikt. Een groot aantal soorten van dit geslacht
zijn in Europa (een tiental in Nederland), eenige weinige in Afrika
gevonden. De van boven naar onderen afgeplatte, aan de zijden met
doornen gewapende larven, welker aarssegment aan het einde van de
rugzijde een vorkvormig aanhangsel draagt, leven vrij op bladen van
kruidachtige planten en blijven hieraan vastgehecht gedurende den
poptoestand. Alle overwinteren in geslachtsrijpen toestand en zorgen
in 't begin van de lente voor hunne nakomelingen, die zich tamelijk
snel ontwikkelen: ieder jaar kunnen twee generaties voorkomen.
Het Schildpadtorretje van de bieten (Cassida nebulosa fig. 1-5),
een van de meest verbreide inheemsche soorten, is kenbaar aan de
volgende eigenaardigheden: de achterhoeken van het halsschild zijn
breed afgerond, de dekschilden vertoonen regelmatige, overlangsche
reeksen van putjes, door lijstvormige tusschenruimten gescheiden,
en sterk uitpuilende schouders. De oude exemplaren zijn van boven
roestkleurig bruin met roodachtigen koperglans en onregelmatige,
zwarte vlekken op de dekschilden; de kop en de pooten zijn roestkleurig
geel; de knotsvormige sprieten, (met uitzondering van het roestgele
wortelgedeelte) zijn zwart; in den regel hebben ook de dijen deze
kleur, zoo ook de buik (met uitzondering van een breeden, roestgelen
rand) en de borst. De larve is geelachtig groen, welke kleur op
den kop een donkerder, op de zijdoornen een lichtere, meer witte
tint heeft; de ademgaten zijn wit, evenals 2 dichtbijeengeplaatste,
boogvormige strepen op den rug. De pop (fig. 4 en fig. 1: *) is met de
spits van het achterlijf, dat in een gevorkt aanhangsel eindigt, in de
afgeworpen larvehuid verborgen, heeft, om zich hieraan vast te hechten,
aan het achterlijf zijwaarts gerichte doorntjes en keert de buikzijde
naar het blad, waaraan de larve bij den overgang in den poptoestand
zich vasthoudt. In de eerste helft van Juni kan men dit Insect in al
zijne ontwikkelingsphasen aantreffen op de melden (Chenopodium), die
veel op hoopen puin en op akkers groeien. Wanneer dit voedsel niet
in voldoende hoeveelheid voorhanden is, gaan de Schildpadtorretjes,
evenals de Zwarte Aarskevers ook op de te velde staande suikerbieten
en mangelwortels over en richten hier soms groote schade aan door
het uitvreten van de bladen.
Daar het wijfje hare talrijke eieren bij hoopjes op de benedenzijde
der bladen legt, vindt men hier de larven tot meer of minder groote
gezelschappen vereenigd, die gaten in het blad knagen en het later
ook van den rand af uitvreten. Bij warm weder groeien de larven flink
en volgen de vervellingen schielijk opeen. Zij hebben de zonderlinge
gewoonte hare uitwerpselen neer te leggen op het in twee lange borstels
eindigend aanhangsel van het aarssegment, dat achterwaarts gericht
is, zoolang het diertje in rust verkeert, doch bij dreigend gevaar
als een parasol boven den rug wordt gehouden tot beschutting tegen
vijanden en tegen de zonnestralen (vergelijk fig. 1: ** en 3). Na een
rusttijdperk van 8 dagen verlaat de Kever de pophuid; hij houdt zich
op aan de bovenzijde van het blad en vliegt bij zonnig weer dikwijls
rond. De eerste Kevers vertoonen zich reeds in het begin van Juni. Als
de omstandigheden gunstig zijn, ontwikkelen zich 3 generatiën in den
loop van één jaar; de laatste overwintert als imago onder bladen of
in den grond.
In Azië, maar vooral in Amerika, treft men nog fraaier gekleurde en
prachtiger glinsterende Schildpadtorretjes aan; die van het geslacht
Coptocycla hebben glasachtige, met metaalglanzige vlekken prijkende
dekschilden, maar komen in vorm met de inheemsche soorten overeen. Een
goudgroene soort, de Braziliaansche Juweelkever (Desmonota variolosa),
wordt, in goud gevat, als broche of oorhanger gebruikt.