Chalcophoriden, o.a. de 6 à 7 cM. lange Reuzen-prachtkever (Eudroma
gigantea) van Brazilië en Columbia, koperrood van kleur met groenen
zoom en geel bestoven, met 2 groote, zwarte spiegelvlekken op het
gladde halsschild; de overlangs geribde en in de tusschenruimten grof
gestippelde dekschilden worden door de inboorlingen als versierselen
gebruikt.
De niet zeer talrijke Europeesche soorten, waarvan geen enkele in
Nederland voorkomt, zijn veel kleiner. Een van de grootste en eenige
Duitsche, de Groote Dennen-prachtkever (Chalcophora mariana), is 26
à 30 mM. lang, bronskleurig bruin, wit-bestoven, met 5 overlangsche
verhevenheden op den rug van het voorborststuk en 3 gladde, stompe,
overlangsche ribben op ieder dekschild. Deze soort bewoont de
dennenbosschen van zandige vlakten in Noord-Duitschland, waar zij
echter geen schade aanricht, daar de larve slechts in de doode takken
en in de stammen van doode boomen gangen boort.
De Echte Buprestiden komen in vorm met de leden der vorige groep
overeen. Tot het geslacht der Bontruggen (Poecilonota, Lampra) behoort
de fraaiste Duitsche soort, n.l. de smaragdgroene Lindenprachtkever
(Poecilonota rutilans). De dekschilden zijn (evenals het halsschild)
langs den buitenrand koperrood en bovendien met zwarte dwarsstreepjes
en vlekjes bezaaid; daar de rug van het achterlijf een fraaie,
metaalachtig blauwe kleur heeft, vertoont de 11 à 13 mM. lange Kever
zich gedurende het vliegen in zijn volle pracht. De larve bewoont
gangen, die zij deels in de schors, deels in het splint van linden
knaagt.
De Nederlandsche Prachtkevers behooren alle tot de onderfamilie der
Agriliden. Het soortenrijke geslacht Smalbuik (Agrilus) wijkt door den
vorm van het smalle, cilindrische, op den rug duidelijk afgeplatte
lichaam van zijne verwanten af. Deze Kevers zijn over de geheele
wereld verbreid en soms zoo talrijk, dat zij voor de houtkultuur
nadeelig worden.
Een der grootste soorten is de 9 à 12 mM. lange Tweevlekkige
Smalbuik (Agrilus bipunctatus), die in Duitschland op eiken niet
bijzonder zeldzaam voorkomt en door Ritzema Bos in geringen getale
op akkermaalshout aan de helling van den Wageningschen Berg gevonden
werd. Het mannetje is blauwgroen, het wijfje groenachtig bruin;
de door witte haren gevormde vlek op het achterste derde gedeelte
van ieder dekschild dicht bij den naad heeft aanleiding gegeven tot
den soortnaam; 3 dergelijke vlekjes komen voor op de randen van het
achterlijf, die naast de dekschilden zichtbaar zijn.--De larve vreet
onregelmatig gekronkelde, allengs breeder wordende gangen in de schors
van eiken.
Andere soorten, die met de genoemde in levenswijze overeenstemmen,
richten nu en dan, vooral in eiken- en beukenbosschen, schade aan;
bij ons hebben zij op den houtteelt geen belangrijken invloed.
De Kniptorren of Springkevers (Elateridae) herinneren door hun vorm
over 't geheel genomen aan de Prachtkevers, maar verschillen er in
andere belangrijke opzichten zoo zeer van, dat het noodig is gebleken,
deze beide vroeger tot één familie vereenigde groepen scherper te
scheiden. De diep in het halsschild opgenomen kop is sterk naar beneden
gericht. De 11- (ook wel eens 12-) ledige sprieten zijn getand, bij
het mannetje niet zelden kamvormig, soms echter draadvormig. Door een
merkwaardige eigenschap verschillen de meeste leden dezer familie van
alle overige Kevers. Wanneer zij op den rug gevallen zijn, kunnen zij
opspringen en zich gedurende den sprong omkeeren, zoodat zij weer
op de pooten te recht komen. Hierbij komen te pas: de zeer groote
beweeglijkheid van het voorborststuk ten opzichte van de daarachter
gelegen lichaamsdeelen, bovendien de achterwaarts gerichte "stekel" aan
den achterrand van het borstschild van het eerste borstsegment, voorts
de uitholling voor het bergen van dit uitsteeksel aan den voorrand van
het middelborststuk. Als de Kever van deze inrichting wil profiteeren,
maakt hij zijn rug hol door het halsschild en het achterste uiteinde
der borstschilden tegen het ondersteuningsvlak en den voorborststekel
tegen den voorrand van het middelborststuk te drukken; met de krachtige
borstspieren wordt de "stekel" nu van den genoemden rand af en in het
voor hem bestemde kuiltje geperst, hetgeen met een knappend geluid
gepaard gaat; door de veerkracht van den "stekel" wordt het geheele
lichaam omhoog geheven; in de lucht maakt het dier een wending en valt
op zijne pooten neer. Indien dit doel wegens de ongunstige gesteldheid
der steunpunten een eerste en een tweede maal niet bereikt wordt,
herhaalt de Kever zijne sprongen zoo dikwijls, tot hij zijn gewonen
stand herwonnen heeft. "Dat deze sprong noodig zou zijn wegens de
kortheid der pooten, moet ik ontkennen," zegt Claas Mulder. "Behalve
dat ook bij andere Torren de lengte van de pooten naar evenredigheid
niet grooter is, en zij zich toch herstellen, heb ik meer dan eens
(bij twee soorten) door zijdelingsche wending het dier den gewonen
stand zien hernemen, vooral bij jonge individu's. Zeker is het,
dat zij in 't eerst de noodige hardheid niet hebben, om den sprong
te kunnen doen, zooals ik 12 Juni l.l. waarnam, terwijl den 13en de
rechte stand èn door sprong èn door keering kon herkregen worden."
Bij verschillende soorten merkt men ongelijke gewoonten op. Sommige
zwerven op den bodem rond en bezoeken bloemen om honig te lekken;
andere kiezen struiken en hunne groene bladen tot haar verblijfplaats
en komen daarom meer in bosschen dan op weiden en akkers voor. Als
men ze te na komt, laten zij zich met opgetrokken pooten op den grond
vallen en kunnen dan meestal, ondanks de zorgvuldigste nasporingen,
niet meer teruggevonden worden. Nog andere verbergen zich over
dag achter de schors of klemmen zich vast tusschen de harsachtige
knopschubben van naaldboomen, kortom, zij zijn alleen voor een zeer
geoefend oog te vinden.
De larven zijn wormvormig, rolrond of van boven naar onderen een
weinig afgeplat; altijd hebben zij een stevig chitine-pantser en
6 pooten. In een groot gedeelte van ons land worden zij Ritnaalden
of Ritwormen genoemd, terwijl zij langs den IJsel Hardwormen, op de
Veluwe Stekwormen, bij Haarlem en elders in Noord-Holland Koperwormen
heeten. Soms noemt men ze ook wel "meelwormen", maar verwart ze dan
blijkbaar met de larven van de Meeltor (Tenebrio molitor); waarmede
zij bij oppervlakkige beschouwing eenige overeenkomst vertoonen. Zij
zijn vlug ter been en leven verborgen in den grond of in vermolmd hout,
of boren gangen in allerlei doode, maar ook in levende plantendeelen,
die haar tot voedsel dienen, b.v. in paddestoelen, sappige wortels en
knollen. Hierdoor brengen zij aan eenige landbouwplanten aanzienlijke
schade teweeg. Ook zijn zij niet afkeerig van dierlijk voedsel en
vreten elkander op, of dringen nu en dan borend in het lichaam van
andere insectenlarven door.
De insecten-verzamelingen bevatten meer dan 3000 soorten van
Kniptorren. Zij zijn over alle werelddeelen verbreid, in de warme en
heete gewesten talrijker en ten deele aanmerkelijk grooter en fraaier
van kleur dan in de gematigde, over 't algemeen echter middelmatig
groot en niet in 't oogvallend gekleurd.
De Ruige Kniptor (Athous hirtus) behoort tot een geslacht, welks
vertegenwoordigers vooral de koude en gematigde gewesten van het
noordelijk halfrond bewonen en waarvan ook ons land een zestal
soorten herbergt. (Hiertoe behooren de grootste inheemsche vormen,
15 mM. lang.) De Kever, die 's zomers op bloeiende Schermbloemigen
van weiden, akkerranden en greppels aangetroffen wordt, heeft
bij een lengte van 13 een breedte van 4.5 mM. en is volkomen
onschadelijk. De glans van zijn zwart lichaam wordt door de grijze
beharing eenigszins getemperd; men ontmoet echter ook wel exemplaren
met bruine dekschilden.
In tegenstelling met den volkomen onschadelijken Kever zal de larve,
wanneer zij in grooten getale in een oord voorkomt, een aanzienlijke
schade aan den landbouw veroorzaken. Zij leeft achter de schors van
doode boomen, maar ook in den grond op verschillende planten, vooral
op suikerbieten. Wanneer zij, gelijk de Engerling, aan den baard en
de spits van den jongen wortel knaagt, begint de plant te kwijnen en
levert een kleine biet van aanmerkelijk geringer suikergehalte.
Een zeer algemeen verbreide Kever van eenvoudig voorkomen, de
Gestreepte of Graankniptor (Agriotes lineatus, A. segetis), heeft
door de schade, die zijn larve aanricht, meer dan andere leden van
zijn familie de aandacht getrokken. Zijn 8.5 à 9 mM. lang lichaam is
minder afgeplat dan dat van de reeds besproken en zeer vele andere
verwanten. De sprieten zijn draadvormig. Het halsschild is aan de
rugzijde bij wijze van een kussen gezwollen, even breed als lang,
donkerbruin, doch met stippels bezet, langs de randen lichter. Op
ieder dekschild ziet men 8 overlangsche reeksen van zwarte stippels,
de ruimten tusschen deze strepen zijn afwisselend geelachtig bruin en
donkerbruin. De geheele bovenzijde van den stam en de pooten hebben
door beharing een geelachtig grijze kleur, aan de onderzijde schemert
de zwarte grondkleur meer door. Van Juli tot in de lente duurt de
imago-toestand. De Kever zwerft op akkers, weiden en wegen overal rond.
De larve is rolrond, slank, bruinachtig geel; het aarslid heeft
bij den voorrand aan weerszijden een ronde deuk met zeer donkeren
rand, het is tamelijk lang, zwak behaard, in 't midden gezwollen,
overigens kegelvormig, in een zwartbruin stekeltje uitloopend (doch
niet aan 't einde in tweeën gesplitst, zooals bij de leden van 't
vorige geslacht); aan de buikzijde kan de aars uitgestulpt worden;
dit uitsteeksel kan als "naschuiver" bij de voortbeweging dienst
doen. Lengte 20, breedte 2 mM. De pop is wit met zwarte oogen.
Men vermoedt, dat bij deze en andere Kniptorren een 4-jarige
generatie voorkomt; de larven, die uit de in Mei gelegde eieren komen,
overwinteren 3-maal en gaan in 't laatst van Juli van 't 4e jaar vrij
diep in den grond, zonder zich in te spinnen, in den poptoestand over;
deze duurt tot in 't begin van Augustus; de Kever overwintert, paart en
legt in Mei eieren, waarschijnlijk even onder of even boven den grond
tusschen den stengel en zijne onderste leden. De larven zijn vooral in
April en Mei schadelijk voor teere, jonge planten door het af knagen
van onderaardsche stengeldeelen. Van alle landbouwgewassen schijnt
tarwe het meest van de Ritnaalden te lijden te hebben; ook andere
graansoorten worden volstrekt niet gespaard, evenmin vlas, koolzaad,
turnips, rapen, kool, aardappelen, mangelwortels, penen, uien, salade,
hop, enz. Een afdoend middel tegen deze plaag is niet bekend.
De heete gewesten van Middel- en Zuid-Amerika herbergen ongeveer
100 soorten van Kniptorren, die, behalve de eigenschap waaraan de
familie haar naam ontleent, ook nog het vermogen hebben om, evenals
de Glimwormen, in 't duister licht te verspreiden. Men herkent de
groote en middelmatig groote "Vuurvliegen"--die meestal dof bruin
van kleur, met grijsgele haren dicht bedekt zijn (het geslacht
Pyrophorus)--gemakkelijk aan een gezwollen, wasgele plek in de
nabijheid van iederen achterhoek van het halsschild, vanwaar bij
het levende dier het tooverachtige licht uitgaat; bovendien bezitten
zij een nog krachtiger lichtgevend orgaan aan de buikzijde, aan 't
voorste gedeelte van 't achterlijf. Het licht ontstaat ten gevolge
van een oxydatieproces.
Men mag aannemen, dat met den naam Cocoejo of Coecoejo, die men in
Havana en waarschijnlijk ook op het Amerikaansche vasteland aan een
"Vuurvlieg" geeft, de zeer verbreide Pyrophorus noctilucus wordt
aangeduid. Volgens A. von Humboldt en Bonpland leeft zijn larve in
de wortels van het suikerriet en richt hier soms een aanmerkelijke
schade aan. Enkele malen werd deze Kever met Amerikaansch hout naar
Europa overgebracht. "Voor ongeveer 15 jaren," schrijft Snellen van
Vollenhoven in 1870, "heb ik een dergelijken levenden Kever, die te
Rotterdam in een pakhuis op Campèche-hout gevonden en waarschijnlijk
daarmede aangevoerd was, gezien bij Prof. J. van der Hoeven te
Leiden. Het groene licht was zoo helder, dat men er gemakkelijk gewone
drukletters bij lezen kon. Reeds in 1766 had men een zoodanigen
Kever--ook, zooals later bleek, in hout aangebracht--vliegend
waargenomen in den Faubourg Saint-Antoine te Parijs, waar het dier een
algemeenen schrik verspreidde. In de laatste jaren moeten er eenige met
opzet levend uit Amerika naar Engeland overgebracht zijn; met vochtig
gehouden suikerriet kunnen zij lang in het leven worden gehouden."--Een
van de grootste soorten, die men op Portorico Coecoebano noemt, vliegt
van Maart tot Mei veelvuldig door de straten van dorpen en steden;
zij komt voor in huizen en op plaatsen waar hout bewaard wordt,
omdat ook haar larve gangen in het hout bewoont. De Indianen vangen
deze Vuurvliegen door een gloeiende kool, aan een draad gebonden,
door de lucht te zwaaien, waardoor de Insecten aangelokt worden. In
Vera-Cruz vormen zij een handelsartikel. Men houdt ze in kooitjes van
fijn ijzergaas, voedert ze met schijfjes suikerriet en--besprenkelt hen
tweemaal daags met water, opdat zij 's avonds voor den dienst geschikt
zijn en door het verspreiden van veel licht het oog bekoren. Van
het lichtgevend vermogen van de Vuurvliegen trekt men velerwege op
verschillende wijzen partij. Eenige van deze dieren in een uitgeholde
pompoen, die met kleine gaatjes voorzien is, vormen als 't ware een
natuurlijke lantaarn. Een zeer doelmatig gebruik wordt door de dames
van deze Kevers gemaakt, n.l. als levende juweelen. Zij plaatsen er
's avonds eenige in een zakje van fijne tulle; verscheidene van deze
zakjes worden rozetsgewijs aan de kleederen bevestigd. Het fraaiste
effect maakt deze opschik evenwel, naar men zegt, wanneer men hem
te zamen met kunstbloemen, die van Kolibri-veeren vervaardigd zijn,
en enkele brillanten als krans in het haar vlecht.
De familie van de Zachtschilden (Malacodermata) omvat thans ongeveer
2200 soorten, die bijna uitsluitend door de zachte, meer leder- dan
hoornachtige geaardheid van de lichaamsbekleedselen en vooral door
de buigzaamheid der dekschilden overeenstemmen. Zij hebben 5 leden
in den voet, tenzij de voorvoet er slechts 4 heeft. De sprieten zijn
meestal 11-ledig en doorgaans draad- of borstelvormig, soms echter
gezaagd. De meeste Zachtschilden bezoeken bloemen, niet echter om hier
honig te lekken, maar met het doel om te rooven. Evenals de Kevers,
zijn ook de larven zeer verschillend; alle hebben 6 pooten en zijn
vermoedelijk diereneters.
Evenals in West-Indië, leven ook bij ons "Vuurvliegen," die echter van
geheel anderen aard zijn. Wie heeft ze niet reeds gezien, de levende
vonken, die in oorden, waar gras en struiken niet ontbreken, op een
zomeravond, in de lucht zwevend of op bladen en grassen rustend, een
groenachtig lichtschijnsel verspreiden? Ieder kind weet, dat dit "vuur"
van Insecten uitgaat; zij worden Glimwormen (Lampyris) genoemd. Die
welke rondvliegen, zijn mannetjes; want de wijfjes missen de vleugels,
kruipen tusschen het gras rond en lokken door hun lichtschijnsel de
mannetjes tot zich. De kop is bij hen en hunne verwanten geheel onder
het platte, halfcirkelvormige voorborststuk verborgen.
In Nederland komen twee soorten van Glimwormen voor. Beide hebben
lichtvoortbrengende organen aan de twee laatste buikringen van het
achterlijf. Van den Kleinen Glimworm (Lampyris splendidula) is het 8
à 9 mM. lange, grijsbruine mannetje gemakkelijk te herkennen aan de
beide glasachtige vlekken op het halsschild, het witachtig gele, 8 à
10 mM. lange wijfje aan de beide rudimentaire voorvleugels achter het
halsschild. De wormvormige larve heeft 6 zijwaarts gerichte pooten en
een zeer kleinen kop, die in den rusttoestand niet zichtbaar is. Zij
voedt zich met Slakken.
De 11 mM. lange mannetjes van den Grooten Glimworm (Lampyris noctiluca)
zijn kenbaar aan de uitstekende bovenkaken en aan het ontbreken van
de "venstervlekken" op het halsschild; de lichtgevende organen zijn
kleiner dan bij de vorige soort en verbreiden daarom minder licht. Het
15 à 17.5 mM. lange wijfje mist zelfs de dekschildstompjes en ziet er
dus geheel als een larve uit. Deze soort komt bij ons veelvuldiger voor
dan de vorige; over 't algemeen schijnt zij in het westen van Europa
(in Frankrijk) en ook in Zuid-Duitschland veelvuldiger te zijn dan
in het midden van Duitschland.
De larven overwinteren, verpoppen zich in Mei of Juni na korten
rusttijd en gaan in den imago-toestand over; de Kevers worden van
St. Jan (24 Juni) tot in September aangetroffen.
De lichtvoortbrengende organen bestaan uit talrijke dunwandige,
veelzijdige cellen, waarvan sommige doorzichtig zijn, andere een
fijne, korrelige stof bevatten; zij worden door een dicht netwerk
van fijn vertakte luchtbuizen van lucht voorzien. Algemeen is men
van oordeel, dat het voortbrengen van licht een gevolg is van de
oxydatie der bestanddeelen der genoemde cellen door de zuurstof,
die de luchtbuizen aanvoeren.
Vooral in Zuid-Amerika zijn de leden van deze in alle landen
van de wereld vertegenwoordigende onderfamilie (Lampyridae) zeer
talrijk. Hun vorm is zeer ongelijk; bij de meeste soorten zijn ook
de wijfjes gevleugeld. Bij allen duiden lichte vlekken aan eenige
achterlijfsringen den zetel van het lichtvoortbrengend vermogen aan.
Sommige onzer lezers herinneren zich misschien in couranten berichten
te hebben gelezen over "Sneeuwwormen", die, naar beweerd werd,
gedurende een vroege wintersche regenbui op de sneeuw gevallen zouden
zijn. Den 20en November 1672 werd dit verschijnsel in Hongarije
opgemerkt en zorgvuldig aangeteekend; ditzelfde "wonder" kwam in
Januari 1749 op verschillende plaatsen van Zweden voor. Bij het einde
van een zeer strengen winter (11 Februari 1799) wekten voorvallen
van gelijken aard in de Rijngau, aan de Bergstrasse, bij Offenbach,
Bingen, enz. zooveel opzien, dat voor het kantongerecht te Stromberg
een protocol werd opgemaakt van de verklaringen der personen, die op
den bedoelden dag in de vrije natuur Insecten uit de lucht hadden zien
regenen. Uit de mededeelingen over de omstandigheden waaronder dit
verschijnsel plaats had, vloeit voort, dat zeer verschillende oorzaken
de bedoelde "Wormen"--die wij aanstonds nader zullen leeren kennen
en waarvan wij vooraf moeten mededeelen, dat zij onder steenen of
bladen of op boomwortels overwinteren--in hun rust gestoord, uit hunne
schuilhoeken verdreven hadden. Overal echter kwam een zeer hevige, op
sommige plaatsen zelfs een orkaanachtige storm voor, die deze diertjes
(tegelijk met vele andere) mede voerde en neerwierp op sneeuwvelden,
waar zij gemakkelijk opgemerkt werden. Waarschijnlijk komt een
samenloop van dezelfde omstandigheden ook dikwijls voor, wanneer het
witte sneeuwkleed ontbreekt; men neemt dan geen "insectenregen" waar,
hoewel het zeer wel mogelijk is, dat over een gelijke oppervlakte
een even groot aantal van deze dieren verstrooid ligt. Men kan ze
opsporen door aan den rand van een akker of van een bosch, bij een
heg om een tuin of op een dergelijke plaats een niet al te kleinen
steen om te keeren; 's winters zien wij hier (onder meer) in een rond
kuiltje met een weinig aarde bedekt, halvemaanvormig gekromd, een
fluweelzwart diertje, dat in een toestand van verstijving verkeert;
als wij het weldra volgende zachte weer hebben afgewacht, verrassen
wij het misschien, terwijl het zich buiten zijn leger bezighoudt
met het buitmaken van den een of anderen kleineren slaapkameraad;
ook hebben wij kans het te ontmoeten op ons pad, waar het een zooeven
vertreden kevertje uitzuigt. Waar wij het ook aantreffen, steeds is
het dadelijk van alle andere Insecten te herkennen aan het donkere,
fluweelachtige haarkleed, waarmede zijn bovenzijde dicht bedekt
is en dat alleen de voorste helft van den kop vrijlaat. De korte
pooten aan de 3 eerste op den kop volgende ringen bewijzen, dat wij
hier geen Worm, maar een larve van een Kever voor ons hebben. Tegen
het einde van Maart of in het begin van April treft men deze larven
veelvuldig aan en kan men nu en dan een van haar een Aardworm of een
Emelt (larve van Tipula) zien grijpen en zich zoo stevig vastbijten
aan de ingewanden van zijn prooi, dat men bij het optillen van deze
ook haar roover opheft. Het blijkt dan, dat zij nuttig zijn, dat zij
den tuinman en den landbouwer helpen in den strijd tegen schadelijk
gedierte. In April of Mei werpen zij haar huid af en veranderen in
een lichtroode, eenigszins voorover gekromde pop met zwarte oogen.
Wanneer de lente haar geheelen rijkdom ten toon spreidt, als
duizenden Insecten hunne winterkwartieren sinds lang verlaten hebben
en duizenden andere uit de brooze pophuid te voorschijn zijn gekomen,
ziet men ook een slanken, zwarten, niet door schoonheid uitmuntenden
Kever rondzwerven en vooral op struiken de bloemen bezoeken, die thans
in zoo grooten overvloed hare nectariën beschikbaar stellen voor de
honigzuigende of -lekkende schare. Het is echter niet ter wille van
den honig, maar van de hierdoor aangelokte Insecten, dat hij, door de
zon gekoesterd, van de eene bloem naar de andere vliegt. Bij vochtig
en winderig weer ziet men hem, evenals de Meikever, hier en daar aan
de twijgen hangen. Deze Kever, de Gewone Sint-Jansvlieg (Telephorus
fuscus), is grootendeels zwart en met fijne grijze haartjes bezet;
roodachtig geel zijn de wortel van de elfledige, draadvormige sprieten,
het voorste deel van den naar onderen gerichten kop, het halsschild,
met uitzondering van een zwarte vlek bij den voorrand, en eindelijk
de rand van het 7-ledige achterlijf. Verscheidene honderden soorten
van dit geslacht, uit alle werelddeelen afkomstig, zijn ons bekend;
zij behooren vooral in koude gedeelten van de aardoppervlakte, meer
bepaaldelijk in bergstreken, thuis; hunne larven hebben aanleiding
gegeven tot den hierboven besproken insectenregen.
Het Mierkevertje (Clerus formicarius) kan ons een denkbeeld geven
van het voorkomen der Mierkeverachtigen (Cleridae), welke familie
600 voor 't meerendeel uitheemsche soorten omvat. Deze Kevers worden
bijna zonder uitzondering op oude stammen en takken van houtachtige
planten gevonden en leven, evenals hunne larven, van roof. In 't
voorjaar en 't begin van den zomer treft men het Mierkevertje veel
in onze dennebosschen aan, vooral op afgehouwen of sterk door borende
Insecten aangetaste, nog in den grond gewortelde stammen. Hier loopt
het ijverig als een Mier af en aan (van daar zijn naam) en maakt
vooral jacht op Schorskevers. Het halsschild en het wortelgedeelte
der dekschilden tot aan de voorste van de beide witte dwarsbanden
benevens de onderzijde zijn bij den overigens zwarten Kever rood van
kleur. Het geslacht Clerus bestaat uit bijna 100 steeds bontgekleurde,
over de geheele wereld verbreide soorten. Aan de monddeelen zijn
op te merken het groote, bijlvormige eindlid aan den liptaster en
de uitgesneden bovenlip. De 3 laatste van de 11 leden der sprieten
vormen een gezaagd knotsje, welks laatste lid eivormig is en naar
het uiteinde spits toeloopt. Het zeer korte eerste lid van den voet
is onder het tweede verborgen, zoodat de voet 4-ledig schijnt.
De larve maakt zich nog verdienstelijker voor de boschkultuur dan de
Kever, daar zij achter boomschors op de larven van allerlei schadelijke
Insecten jacht maakt.
Krachtiger, maar voor 't overige hoofdzakelijk op dezelfde wijze
gebouwd, zijn de Bijenkevers (Trichodes). Deze voor 't meerendeel
sterk behaarde Insecten hebben een donkerblauwe of groenglinsterende
kleur; hunne dekschilden zijn rood met blauwe of blauw met roode
dwarsbanden. Het cilindervormige halsschild wordt naar achteren
smaller; de dekschilden zijn, evenals bij het vorige geslacht,
langwerpig en overal even breed. De 25 bekende soorten bewonen bijna
uitsluitend het noordelijk halfrond; zij komen voor op bloemen, vooral
van umbelliferen en spiraea-achtigen en maken jacht op andere Insecten.
De Gewone Bijenkever (Trichodes apiarius) is gemiddeld 12 mM. lang,
glinsterend zwartblauw, dicht bezaaid met stippels en ruig behaard. De
grof gestippelde dekschilden zijn grootendeels hoogrood; zwartblauw
zijn echter de spits en twee dwarsbanden, waarvan de voorste zich
in vlekken verdeelt. Men vindt dit kevertje en zijn naaste verwant
(Trichodes alvearius) van Mei tot Juli niet zelden op bloemen.
De larve (de Bijenwolf) gelijkt op die van het Mierkevertje; zij
bewoont van Juli tot April van het volgende jaar de gangen van
de Houtwesp-larven, waarop zij jacht maakt, voorts de nesten van
verschillende soorten van wilde Bijen, maar ook de korven van de
Honigbij, waar zij larven, poppen en naar beneden gevallen, halfdoode
Bijen verslindt. Men vindt haar vooral in spleten van den bodemplank
van zwak bevolkte bijenkorven, die veel vuil bevatten. Wanneer zij
zich eens gevestigd heeft in een raat met larven en poppen, dan vreet
zij hierin gangen en verslindt natuurlijk ook de gave jongen.
De Dief of Gewone Houtboorder (Ptinus fur) behoort tot het gewone
gezelschap van de Bonttorretjes, de Spektorren en dergelijke,
onaangename huisgenooten, waarvan wij er reeds eenige hebben
nagegaan; evenals deze houdt hij zich over dag verborgen, kruipt
meestal niet anders dan 's nachts bij de wanden omhoog en zoekt
ijverig naar buit. Zijn grijsachtig witte, slechts 4.5 mM. lange
larve heeft een bruinen kop zonder oogen, met zeer korte sprieten
en stevige kaken, 6 pooten en een behaarde romp, die binnenwaarts
gekromd gedragen wordt. Herbariën en insectenverzamelingen zijn hare
liefste verblijfplaatsen; vooral in de gedroogde planten richt zij in
korten tijd een groote verwoesting aan. In pakhuizen, waar gedroogde
vruchten (appels, peren, pruimen, vijgen, enz.), tabak of graan
wordt bewaard, in voorraadkamers van apotheken en van woonhuizen,
in nesten van Zwaluwen en Wespen, kortom overal waar de een of
andere eetbare stof voorhanden is, vinden de genoemde larven, die,
naar het schijnt, bijna 2 jaren in dezen toestand blijven verkeeren,
een voldoende hoeveelheid voedsel. In Augustus vereenigen zij kleine
stukjes van de stof, waaraan zij knagen, met haar spinsel tot een
soort van cocon; hier binnen veranderen zij in een pop, die reeds
na 14 dagen een nauwelijks 4.5 mM. lange, weinig in 't oog vallende
Kever wordt. Het wijfje heeft eivormige dekschilden met witte vlekken;
bij het mannetje zijn de dekschilden bijna cilindrisch, ongevlekt en
met diepe, uit stippels bestaande, overlangsche strepen geteekend.
De Klopkevers of Doodskloppers (Anobium) boren als larven gangen in
dood hout, vooral in dat van naaldboomen of van andere boomen met
zacht hout; hierdoor richten zij op plaatsen, waar zij niet gestoord
worden, zooals in kerken en onbewoonde kasteelen, aan beeldhouwwerk en
oude meubels een zeer aanzienlijke schade aan. Gekromd en van 6 kleine
pootjes voorzien, knagen zij gangen in 't hout, maar laten aanvankelijk
de buitenste laag ongeschonden; 's avonds, zoodra alle andere geluiden
verstomd zijn, hoort men het schrapend geluid, dat zij maken bij het
vernielen van een oude kast, pooten van stoelen en tafels, enz. In
Mei of later knagen zij zich hierin een iets ruimere ligplaats
uit en veranderen in poppen, waaruit na eenige weken Kevers komen,
die het werk van de larven voortzetten en zich door een cirkelrond
vlieggat naar buiten begeven. Verscheidene van deze gaten, waarvan de
larven later ook gebruik maken om het tot poeder vermalen hout uit
te werpen, verraden mettertijd de aanwezigheid van den "houtworm"
in het een of ander meubelstuk, in de balken of de kozijnen van
het oude gebouw. Wanneer het zoover gekomen is, kan men weinig of
niets meer doen tot behoud van de aangetaste voorwerpen. Gewoonlijk
vliegen de Kevers in Juli uit. Aan het kapvormige, bultige rugschild
van het voorborststuk, waarin de kleine kop grootendeels verborgen
is, aan de sprieten, die in een smal knotsje eindigen, welks leden
tusschenruimten overlaten en aan het rolronde lichaam kunnen zij
zelfs met het ongewapende oog herkend worden. De pooten hebben alle
een 5-ledigen voet en kunnen, evenals de sprieten, tegen het lichaam
aangedrukt worden, want ook deze Kevers houden zich "dood" en laten
dus alles met zich doen zonder hun gewonen stand te hernemen; van
daar den naam "stijfkop", die aan een van de soorten van dit geslacht
gegeven is. Men kent er ongeveer 60, waarvan de helft uit Europa.
De Bonte Klopkever (Anobium tesselatum), de grootste Europeesche en
inheemsche soort (8 mM. lang), leeft in eikenhout. Hij onderscheidt
zich van zijne verwanten, doordat de zijden van het halsschild van
onderen niet uitgehold en de dekschilden onregelmatig gestippeld zijn;
bovendien herkent men hem aan den driehoekigen vorm van de voetleden
en de kleine vlekjes van grauwe haren, waarmede de geheele oppervlakte
van het donker kastanjebruine lichaam getijgerd is.
De Stijfkop, het Doodskloppertje (Anobium pertinax), is zwart of
zwartbruin, 5 à 6 mM. lang; het halsschild is aan den zijrand en
de hoeken afgerond en bij den achterrand met een ruitvormig kuiltje
voorzien met aan weerszijden een dicht goudgeel behaard vlekje.
Deze Kevers veroorzaken nu en dan een kloppend gedruisch, dat door
zijn regelmatigheid aan het tikken van een horloge herinnert. Volgens
een oud bijgeloof kondigt dit getik, wanneer men het 's avonds
of 's nachts in een stille ziekenkamer hoort, de laatste ure
van den patiënt aan; dit heeft aanleiding gegeven tot den naam
"Doodskloppertje". Aanvankelijk schreef men het genoemde verschijnsel
toe aan het rhytmische knagen van de larven en Kevers; het bleek
echter, dat het hierdoor veroorzaakt geluid wel regelmatig is, maar
volstrekt niet gelijkt op het tikken van een horloge. De kloppende
Kever houdt de voorpooten en de sprieten tegen het lichaam aangedrukt,
zoodat dit hoofdzakelijk op de middelpooten rust, en beweegt nu
het voorste deel met rukken naar voren, waarbij het voorhoofd en de
voorrand van het halsschild tegen het hout stooten. Met goed gevolg
heeft men beproefd om door nabootsing van het kloppen het kevertje
tot een antwoord te nopen. Dit geluid is een loktoon, waardoor de
mannetjes en wijfjes elkander zoeken en vinden.
De genoemde en nog vele andere, voor een deel aanmerkelijk kleinere
soorten van Diefkevers of Ptinoïden en Knaagkevers of Anobiën
ontmoet men, behalve in menschelijke woningen en andere gebouwen,
veelvuldig in de vrije natuur overal waar dood hout voorkomt. Uit
deze en eenige andere groepen van Kevers bestaat de familie der
Houtboorders (Xylophagi of Ptiniores), waarmede wij de reeks der
Zaagsprietigen besluiten.
De vierde groep van Kevers, de Bladsprietigen (Lamellicornia), omvat
de groote, gelijknamige familie, die gewoonlijk in 6 groepen wordt
verdeeld. Een van deze wordt echter dikwijls onder den naam van
Kamhoornkevers (Lucanidae) van de overige afgescheiden en als een
afzonderlijke familie beschreven, die zich vooral kenmerkt door de
knievormig gebogen sprieten, welke in een kamsgewijs ingesneden knotsje
eindigen. Haar meest bekende vertegenwoordiger is het Vliegend Hert
(Lucanus cervus), dat bij ons hier en daar op de Veluwe, niet zelden
gevonden wordt. Het is een van de grootste en zwaarste Kevers van
Europa; zijn lengte, gemeten van de bovenlip tot aan de spitsen der
dekschilden, kan 52 mM. bedragen, zonder te rekenen de 22 mM. lange,
als een gewei vóór den kop uitstekende, reusachtige bovenkaken van
het mannetje.
Het geslacht Lucanus kenmerkt zich door een dwars gerichten kop,
die breeder is dan het halsschild. De sprieten, waarvan het lange
wortellid de "schaft" uitmaakt, hebben een kamvormigen "geesel"
of "zweep" met 4 à 6 onbeweeglijke tanden. Van de monddeelen zijn
eigenaardig: de benedenwaarts gebogen bovenlip, de diep uitgesneden
aan de binnenzijde van de kin en de ongetande binnenste kaaklob der
onderkaak; de bovenkaken van het mannetje zijn aan de binnenzijde vóór
het midden van een grooten tand voorzien en eindigen in twee takken;
bij het wijfje bereiken deze organen nauwelijks de lengte van den
kop. Het Vliegend Hert is dofzwart van kleur, met uitzondering van
de glanzig kastanjebruine dekschilden en bovenkaken.
In Juni vindt men dezen Kever in eikenbosschen, waar de mannetjes op
mooie avonden onder sterk gegons en terwijl het lichaam een vertikalen
stand behoudt, om de kroon van een boom vliegen; de wijfjes houden
zich altijd meer verborgen. Over dag stoeien de Vliegende Herten soms
onder droge bladen op den grond en verraden hun aanwezigheid door een
ratelend geluid; soms zitten zij op gewonde ("bloedende") boomstammen
en lekken het hieruit vloeiende sap op. Van ernstiger aard is de strijd
van de mannetjes om de wijfjes: diepe deuken en zelfs gaten vindt men
in de dekschilden, aan den kop of aan het gewei van enkele mannetjes.
Het imago-leven is van korten duur. Tegen het einde van Juni of in
de eerste dagen van de volgende maand is de korte zwermtijd voorbij,
hebben de wijfjes eieren gelegd in het rottende hout van oude eiken
en liggen de door Mieren of Vogels leeggevreten harde overblijfselen
van de mannetjes verstrooid in 't rond ten bewijze, dat hier Vliegende
Herten verblijf hebben gehouden.
De larven, die uit de rondachtige eieren komen, groeien zeer langzaam
en voeden zich met het rottende eikenhout (in Italië komen zij ook
in jonge Wilgen voor); zij bereiken eerst in het vierde (of vijfde)
levensjaar eene lengte van 105 mM. en de dikte van een vinger. Naar
het uitwendige gelijkt de larve op die van de leden der volgende
familie. Zij draagt aan den hoornachtigen kop 4-ledige sprieten,
welker laatste lid zeer kort is. De drie eerste ringen na den
kop dragen 6 krachtig ontwikkelde, oranjegele pooten, die in één
klauw eindigen. Ook de kop is hooggeel, alleen de hoornachtig harde
monddeelen zijn zwart of bruin, de overige ringen stroogeel.
De volwassen larve vervaardigt zich een nest ter grootte van een vuist,
dat in den hollen boom gelegen is en uit vermolmde houtvezels bestaat,
of diep onder in den stam van aarde vervaardigd wordt; de wand is van
binnen glad. Na ongeveer drie maanden heeft de larve in het nest haar
gedaantewisseling ondergaan en is eerst pop en later imago geworden;
het mannetje houdt in dit tijdperk van zijn bestaan de lange bovenkaken
naar den buik gebogen. De Kever blijft voorloopig in zijn wieg, wacht
hier tot zijn uitwendig skelet de gewone hardheid en kleur verkregen
heeft. Tegen het einde van Juni, in het vijfde (of zesde?) levensjaar,
komt hij te voorschijn om gedurende niet meer dan ongeveer 4 weken
in gevleugelden toestand te verkeeren. Zoo lang kan men hem ook
als gevangene in 't leven houden, wanneer men hem met suikerwater
(of zoete bessen) voedt.
Het verbreidingsgebied van deze soort omvat geheel Middel- en
Noord-Europa en de aangrenzende deelen van Azië; zij ontbreekt
natuurlijk in gewesten waar geen eiken groeien.
De familie van de Bladsprietigen (Scarabaeidae) is in alle werelddeelen
vertegenwoordigd, het minst in Australië, het sterkst in Afrika;
ongeveer 6600 soorten zijn bekend, waarvan 385 Europa bewonen. Behalve
door rijkdom aan soorten, die van een groote verscheidenheid van
uitwendig voorkomen getuigt, munt deze familie uit door de grootte,
den fraaien vorm en de prachtige kleur van hare leden, waarbij ook
de grootste van alle Kevers voorkomen. Bovendien merkt men in geen
andere familie zulk een groot verschil op tusschen het mannetje en het
wijfje van een soort. De mannetjes onderscheiden zich niet slechts
door uitwassen aan den kop of aan het halsschild of aan beide te
gelijk, maar in enkele gevallen ook door de kleur en de skulptuur
van het chitine-skelet zoo belangrijk van de leden der andere
sekse, dat men zou kunnen twijfelen aan de tusschen hen bestaande
betrekking. Wel is het opmerkelijk, dat dit verschil het duidelijkst
is bij de grootste soorten, geringer wordt en bijna geheel wegvalt,
naarmate zij kleiner zijn.
Bij al hun verscheidenheid stemmen deze duizenden Kevers overeen door
de samenstelling van de sprieten. Deze zijn middelmatig lang; ieder der
3 à 4 laatste, zeer korte sprietleden loopt uit in een dun plaatje, een
naar voren gericht aanhangsel, dat bij het mannetje dikwijls langer is
dan bij het wijfje. In den toestand van rust voegen deze plaatjes zich
aaneen tot een bladerige knots. Zoodra de Kever zich gereed maakt om
te vliegen of een anderen inspannenden arbeid te verrichten, spreidt
hij de plaatjes als een waaier uit. Juist in de beweeglijkheid der
sprietleden is het voorname verschil tusschen de Bladsprietigen en de
Kamhoornkevers gelegen. De voet bestaat altijd uit 5 leden, maar biedt
veel verschil aan, wat de ontwikkeling der klauwen betreft. Wegens
het maaksel van hun voet zijn alle Bladsprietigen slecht ter been;
zij richten bij 't loopen de pooten sterk zijwaarts; vele van hen
kunnen goed graven; de meeste zijn ondanks hun plompen lichaamsbouw
door de krachtige ontwikkeling van de vleugels geschikt om vlug en
lang achtereen te vliegen.
De larven, die zich meest onder den grond ophouden of op andere
plaatsen, waar het licht geen toegang heeft, zijn dik, rolrond,
gekromd, zoodat zij niet op een platte oppervlakte kunnen kruipen,
maar hier op een zijde blijven liggen. Zij hebben een hoornachtigen
kop zonder oogen, maar met tamelijk lange, 4-ledige sprieten, aan ieder
der 3 volgende segmenten één paar tamelijk lange pooten, nu eens met,
dan weer zonder klauwtjes; het laatste achterlijfssegment, waaraan de
dwarsgerichte aarsopening voorkomt, is dikwijls zakvormig uitgezet. De
naam "Engerling", die aan de larve van den Meikever toekomt, wordt
ook wel gegeven aan de larven van de overige Bladsprietigen, die over
het algemeen met de genoemde in vorm overeenkomen. Evenals de Kevers
voeden hunne larven zich uitsluitend met plantaardige stoffen: sommige
veroorzaken niet zelden groote schade aan onze landbouwplanten; andere
bepalen zich tot het gebruik van doode plantendeelen en bespoedigen
hierdoor de vorming van teelaarde. Er zijn echter ook Bladsprietigen,
die als larve en als Kever zich met aas voeden. Naar den aard van
het voedsel kan men de familie in twee afdeelingen splitsen: de
Mesteters (Mestkevers en Graafkevers) en de Planteneters (Bladkevers,
Reuzenkevers en Bloemenkevers).
Bij de Mestkevers (Coprophaga) zijn de bovenlip, de bovenkaken en de
tong vliezig; het bladerige knotsje is uit 3 leden samengesteld. De
meeste Kevers van deze groep zijn klein of middelmatig groot. Zij
leven, evenals hunne larven, in mest, vooral van Hoefdieren, komen,
door hun uitmuntenden reukzin geleid, van heinde en ver aanvliegen,
zoodra zich ergens een drekhoop bevindt en maken, dat deze na zeer
korten tijd van deze dieren wemelt.
De Heilige Tor (Ateuchus sacer), een bewoonster van de kustlanden
der Middellandsche Zee, wordt zoo genoemd, omdat zij een zekere rol
speelde in de godsdienstige voorstellingen en gebruiken van de oude
Egyptenaars, die in de werkzaamheid en den vorm van dezen Kever
aanleiding vonden om hem te beschouwen als het zinnebeeld van de
aarde, van de zon en van den moedigen krijgsman; daarom prijkt zijn
beeltenis op hunne gedenkteekenen, en sieren kolossaal vergroote,
in steen gehouwen nabootsingen van zijn gestalte (de zoogenaamde
Scarabeën) hunne tempels.
Dit dier behoort tot het geslacht der Drekrollers, Balrollers of
Pillenkevers, kenbaar aan den half kringvormigen kop met zestandigen
voorrand, de samengestelde oogen, die door een dwarsstrook verdeeld
zijn in een bovenste en een onderste helft en de 9-ledige sprieten,
voorts aan het ontbreken van den voet aan den vingervormig getanden
voorscheen en aan den doorn, die naast den smallen voet aan het einde
van den scheen der overige pooten voorkomt. De dekschilden zijn aan
't einde afgeknot en hebben geen binnenwaarts gerichte bocht aan den
buitenrand; er zijn 6 leden in 't achterlijf. De kenmerken van de
genoemde soort zijn: kerfjes aan de binnenzijde van den wortel der
voorscheenen, een glad rugschild op den laatsten achterlijfsring,
zwak overlangs gevoorde dekschilden; de haren langs den rand van kop,
halsschild en pooten zijn bij het mannetje zwart, bij het wijfje aan
den achterscheen roodbruin; het breede, platte lichaam heeft een zwak
glanzige, zwarte kleur.
Alle Pillenkevers ontleenen hun naam aan de op pillen gelijkende
mestbolletjes, die zij voor hun kroost vervaardigen. Zoowel het
mannetje als het wijfje houden zich met het pillendraaien bezig. Het
voor dit doel bestemde materiaal, bij voorkeur koemest, wordt met
het getande kopschild van een drekhoop los gemaakt en met de pooten
gefatsoeneerd. Het wijfje legt een ei in 't midden van deze kluit,
die vervolgens door beide Kevers gerold wordt: de eene trekt er met
de voorpooten aan; de andere duwt haar met met den kop van onderen
op. Door het rollen wordt de oorspronkelijke week en oneffene massa
langzamerhand veranderd in een harden, gladden kogel. Het werkstuk
van de Heilige Tor heeft een middellijn van nagenoeg 5 cM., dat van
hare kleinere verwanten heeft een geringeren omvang. De Kevers graven
vervolgens een diepe buis, waarin zij den nu voltooiden bal laten
zakken. Het dichtwerpen van deze holte is het laatste bedrijf van den
moeitevollen arbeid, die noodig was voor de uitrusting van één der
jongen. Daar dezelfde toebereidselen noodig zijn voor ieder volgend
ei, nemen de genoemde werkzaamheden den geheelen korten levenstijd in
beslag; zij duren voort, totdat de Kevers, uitgeput door den arbeid,
stervend op het schouwtooneel hunner daden neerstorten. Voor de
ontwikkeling van de larve zijn verscheidene maanden noodig; niet
voordat het opnieuw lente geworden is, verlaat zij in den toestand
van Kever haar geboorteplaats.
Andere leden van dezelfde onderfamilie houden zich bij troepen
in den mest op en graven hieronder gaten, bestemd tot berging van
de drekkluit, waarin zij eieren leggen. Zij behooren o.a. tot het
over alle werelddeelen verbreide geslacht Ontophagus (waarvan een
viertal soorten hier te lande in koemest en menschelijke uitwerpselen
gevonden zijn; algemeen is de donker bronskleurige, 7 à 9 mM. lange
O. fracticornis),--tot het alleen in Australië ontbrekende geslacht
Copris (langwerpig van gestalte, aan de rugzijde zeer bol en
zuiver zwart van kleur; inheemsch is de in koemest levende 15 à 20
mM. lange C. lunaris),--tot het Zuid-Amerikaansche geslacht Phanaeus
(waarvan sommige soorten een prachtigen metaalglans en een blauwe,
groene, goudgele of roode kleur vertoonen). Van zeer vele soorten
is het mannetje kenbaar aan één hoorn op den kop (b.v. Odontophagus
nuchicornis) of aan 2 hoornen, welke als die van een stier geplaatst
zijn (b.v. Odontophagus taurus), of aan 2 hoornen op het halsschild,
gepaard met één hoorn op den kop (b.v. Copris lunaris).
Meer bepaaldelijk geeft men den naam van Mestkevers (Aphodius)
aan soorten, die met de zooeven genoemde door het maaksel van de
monddeelen en van de sprieten overeenstemmen, doch zich kenmerken
door 5 ringen aan het achterlijf, 2 doornen aan het einde van den
achterscheen en dekschilden, die van achteren afgerond zijn en het
uiteinde van 't lichaam niet onbedekt laten. Verscheidene honderden
van deze soorten, uit alle oorden van de aardoppervlakte afkomstig,
zijn bekend; het talrijkst heeft men ze gevonden in de gematigde en
koude gewesten van ons werelddeel (in Europa 120 soorten, waarvan 21
in Nederland). Zij zijn het, die men op fraaie zomeravonden, of bij
zonneschijn over dag, bij duizenden ziet rondvliegen, als Honigbijen
een hoop drek omzwermend, die dikwijls in een bont gezelschap van deze
kevertjes omgetooverd schijnt te zijn. Zij geven zich niet zooveel
moeite als hunne vroeger genoemde verwanten, graven geen gaten in den
grond, draaien geen pillen voor hunne jongen, maar leggen de eieren
onmiddellijk in de mest. Bijna alle hebben een nagenoeg rolrond lichaam
van geringe grootte en zwarte of vuilbruine kleur. De halfcirkelvormig
afgeronde kop is in het midden van den voorrand ondiep uitgesneden
en draagt onverdeelde oogen. De grootste inheemsche soort (8 à 11
mM. lang), de Gravende Mestkever (Aphodius fossor), is glanzig zwart
van kleur; soms zijn de dekschilden echter bruinrood.
De grootste inheemsche vertegenwoordigers van de onderfamilie der
Graafkevers (Arenicolae) zijn de Paardenmestkevers (Geotrupes),
gewoonlijk eenvoudig "Mestkevers" genoemd. Dikwijls ziet men ze op
velden of in bosschen wijdbeens op plompe wijze over den weg sluipen
of hoort men ze op een zomeravond met luid gebrom voorbij suizen. De
bovenlip en de bovenkaken zijn hoornachtig en niet door het kopschild
bedekt, de oogen in een bovenste en een onderste helft verdeeld. De
zwarte, soms met metaalachtigen glans schitterende Paardenmestkevers
zijn beperkt tot de gematigde gewesten van Europa en Noord-Amerika,
het Himalaja-gebergte in Azië, Chili in Zuid-Amerika en de noordkust
van Afrika.
De Paardenmestkevers, zoo genoemd, omdat sommige soorten bij voorkeur
paardenmest tot verblijfplaats kiezen, zijn logge, plompe Insecten,
door lichaamsbouw minder geschikt tot voetreisjes dan tot graven. De
uitwerpselen van Hoefdieren, die zij op hun weg ontmoeten, in een
lateren tijd van 't jaar ook Paddestoelen, die aan zoovele Insecten
en Slakken voedsel verschaffen, zijn voor alle Geotrupen zeer
aanlokkelijke verschijnselen. De Kever dringt in den drekhoop of in
den Paddestoel door, niet slechts om zijn eigen honger te stillen,
maar vooral om in nagenoeg verticale richting een gat te graven,
dat soms wel 30 cM. diep is, en dit tot broedplaats geschikt te
maken door een deel van het bij den ingang gelegen voedsel naar den
bodem van het kuiltje te vervoeren, waarna het wijfje er één ei in
legt. Voor ieder ei moet een nieuw kuiltje gegraven en meestal ook
eene andere drekhoop opgezocht worden. Gedurende zijn verblijf te
midden van het vuil, en terwijl hij hieronder in den grond wroet,
komt de Paardenmestkever in aanraking met allerlei ongedierte. De
lastige parasieten, die de Doodgravers kwellen, worden ook op andere
in dergelijke omstandigheden verkeerende Kevers gevonden. Dikwijls
zijn zij behept met Kevermijten (Gamasus coleopterarum), die vlug op
hun borst en buik rondloopen; het aantal dezer kwelgeesten neemt toe,
naarmate de krachten van den Mestkever verminderen en hij zijn einde
nadert. In den herfst vindt men hem nu en dan op den weg liggen met
alle 6 pooten stijf zijwaarts gestrekt als een uitgedroogd lijk, dat
zelfs door het ongedierte gemeden wordt. Vele van zijne soortgenooten
zijn niet als hij een natuurlijken dood gestorven, maar werden door
een Klauwier gegrepen en levend aan een doorn gestoken; hetzelfde
lot valt vele Aardhommels ten deel.
De Vroege Paardenmestkever (Geotrupes vernalis), de kleinste
inheemsche soort, wordt slechts 13 à 15 mM. lang; hij heeft een fraaie,
staalblauwe kleur en een zeer gladde, glanzige rugzijde.
De Gewone Paardenmestkever (Geotrupes stercorarius), die minstens
19.5 mM. lang wordt, heeft diep gegroefde dekschilden; hij is op den
rug zwart met blauwen of groenen weerschijn, van onderen fraai violet.
De Driehoornige Paardenmestkever (Geotrupes typhoeus), die hier te
lande nog niet gevonden werd, onderscheidt zich door de drie naar voren
gerichte hoornen, waarmede het halsschild van het mannetje versierd
is. De dekschilden zijn iets platter dan bij de vorige soorten,
zuiver zwart van kleur en, evenals het overige lichaam, zeer glanzig.
De Druivensnijder (Lethrus cephalotes), die door zijn lichaamsbouw
duidelijk verwant is aan de vorige geslachten, verschilt er echter
van door het maaksel der sprieten; de beide laatste leden zijn
in het vorige, dat afgeknot is, op soortgelijke wijze verborgen
als het binnenste van een bol in de bolschubben. Door de dicht
bijeengeplaatste, fijne stippeltjes schijnt de zwarte kleur van dit
dier dof; zijn dekschilden vormen gezamenlijk bijna een halven bol. In
droge, zandige, gewesten van Zuidoost-Europa leven de Druivensnijders
in drogen mest en bij de wortels van overblijvende planten. Zij
bewonen hier bij paren gaten in den grond en hebben reeds voor lang
door hun beslist nadeeligen invloed op den wijnstok de aandacht op
zich gevestigd.
Vooral in de morgenuren en des namiddags na drieën komen deze Kevers
uit hunne gaten te voorschijn, kruipen, wanneer zij niet gestoord
worden, haastig bij de wijnstokken op, bijten knoppen, jonge loten
met en zonder druiven van de plant af en keeren, met dezen buit
beladen, achtereenvolgens ieder naar zijn hol terug. Nadat deze
en andere plantendeelen, onder den grond verwelkt zijn, vormen zij
waarschijnlijk het voedsel der Kevers, stellig echter in de eerste
plaats dat hunner jongen.
Bij de Plantenetende Bladsprietigen laten de dekschilden minstens
den laatsten ring van het achterlijf en de laatste paren ademgaten
onbedekt. Deze groep omvat drie onderfamiliën, waarvan wij die der
Bladkevers (Phyllophaga)--met 264 geslachten en 2770 soorten--het
eerst zullen nagaan. Hun kopschild is in den regel door een naad van
het voorhoofd gescheiden, niet er mede vergroeid; de bovenkaken zijn
hoornachtig en driehoekig van vorm; de bovenlip puilt meestal naar
voren uit.
Bij een aantal Bladkevers, die naar onzen Meikever Melolonthiden
heeten, is de scheen der voorpooten, vooral bij het wijfje, krachtig
en voor het graven geschikt, ook zijn de klauwen van alle voeten
gelijk. Hunne larven, voor zoover men ze kent, voeden zich met de
wortels van levende planten, terwijl de Kevers bladen eten. Sommige
kunnen ons buitengewoon veel schade veroorzaken, wanneer zij,
gelijk nu en dan op sommige plaatsen geschiedt, in zeer grooten
getale optreden. Europa onderhoudt het kleinste aantal soorten van
Melolonthiden (94), Afrika het grootste (361).
De Meikevers (Melolontha) verschillen van hunne naaste verwanten,
doordat de voetklauwen aan den wortel bij beide seksen van een klein
spits tandje zijn voorzien; het mannetje heeft een uit 7 lange,
het wijfje een uit 6 veel kortere platen bestaanden "waaier" aan 't
einde der sprieten; de laatste achterlijfsring eindigt in een langen,
benedenwaarts gerichten "griffel". De meest bekende van de 3 inheemsche
soorten--de Gewone Meikever (Melolontha vulgaris)--is kenbaar aan de
driehoekige, krijtwitte vlekjes aan de zijden van het achterlijf en
aan den schuins naar beneden wijzenden, tamelijk breeden, gelijkmatig
smaller wordenden "griffel"; de sprieten, pooten en dekschilden zijn
rood, de grondkleur van de overige deelen is zwart; de geheele Kever
is meer of minder duidelijk wit behaard, vooral als hij pas den grond
verlaten heeft; hij wordt daarom ook wel Mulder of Molenaar genoemd.
"Wanneer in Holland en westelijk Utrecht Meikevers worden gevangen,"
schrijft Ritzema Bos, "dan behooren zij zonder uitzondering tot
de soort, die ik Hollandschen Meikever (Melolontha hippocastani)
genoemd heb. De leefwijze van deze soort schijnt met die van de
vorige overeen te stemmen. De wijze, waarop zij schade teweegbrengt,
is ook volkomen dezelfde; maar zij komt (althans in ons land) niet in
die menigte voor. In Holland ziet men nooit, zooals in Gelderland,
Meikevers op één avond bij millioenen den grond verlaten." Van den
Gewonen Meikever onderscheidt zich deze een weinig kleinere soort,
doordat haar veel kortere achterlijfspits niet schuins, maar loodrecht
naar beneden gericht is, plotseling dunner wordt en zich dikwijls aan
het einde weer eenigszins verbreedt. De kop en het halsschild hebben
een roodachtige kleur en zijn slechts bij uitzondering zwart. In
Gelderland betitelt men deze soort soms "Koning van Rome", sterk
grijs behaarde Gewone Meikevers "Keizer van Rome".
De Meikever wordt zoo genoemd, omdat hij gewoonlijk in Mei verschijnt,
waaruit men echter niet moet afleiden, dat hij in geen andere maand
vliegt. Een buitengewoon zacht voorjaar lokt de Kevers reeds in April
uit den grond; in 't tegengestelde geval wachten zij de maand Juni
af; in zoogenaamde "meikeverjaren" kan men ze soms van Mei tot in het
midden van Juli aantreffen. Soms vertoonen enkele Kevers zich in de
een of andere maand vóór den gewonen vliegtijd, tusschen September en
Maart; dit zijn uitzonderingen, die waarschijnlijk steeds toegeschreven
moeten worden aan het losmaken van den grond door het ploegen. Hun
verschijning is meestal aan bepaalde plaatsen gebonden: in buitengewoon
grooten getale ziet men ze hier na bepaalde tijdruimten. Men heeft
opgemerkt, dat in de meeste streken van Duitschland deze voor den
landman en houtteler hoogst nadeelige gebeurtenis zich om de vier
jaren herhaalt. Daarentegen heeft men steeds om de drie jaren een
meikeverjaar waargenomen in Zuid-Duitschland, in Zwitserland, in
Frankrijk en ook in Duitschland en Nederland aan den Rijn. Plaatselijke
omstandigheden brengen teweeg, dat de ontwikkeling van dezelfde
diersoort in sommige streken een jaar langer duurt dan in andere; een
verschil van eenige graden tusschen de gemiddelde jaartemperaturen der
bedoelde gewesten heeft hierop waarschijnlijk een overwegenden invloed.
Zoodra de Kevers uit den grond gekropen zijn en niet door ongunstige
weersgesteldheid aan de oppervlakte teruggehouden worden, vliegen
zij bedrijvig rond om voedsel te zoeken, waarbij zij zelf dikwijls
een lekker hapje leveren aan de Vleermuizen en eenige Nachtroofvogels;
niet slechts op warme avonden, maar ook over dag bij warm, stil weer en
zonneschijn zijn zij druk bezig. Eerst laat in den nacht begeven zij
zich ter ruste; des morgens vroeg (en bij guur weer den geheelen dag)
hangen zij met opgetrokken pooten losjes aan de boomen en struiken. Zij
begunstigen vooral de pruimen- en kersenboomen onzer tuinen en de
breedgebladerde boomen der bosschen. Door tegen den boom te stooten,
niet door schudden, kan men ze zeer goed naar beneden doen tuimelen
om ze vervolgens op te zoeken.
Het wijfje kruipt in den grond en legt hier op een diepte van 5
à 7 cM. eenige hoopjes van 12 à 20 stuks langwerpige, een weinig
afgeplatte, witte eieren, in 't geheel een 40-tal. Na het verrichten
van dezen arbeid keert zij dikwijls niet naar de oppervlakte terug,
maar sterft; ook zij, die weer boven den grond verschijnen, volgen,
door de inspanning uitgeput, spoedig de reeds vroeger bezweken
mannetjes na. Vier à zes weken na het leggen der eieren worden de
larven geboren; gewoonlijk noemt men ze "engerlingen", in sommige
streken van Gelderland ook wel "elften". De jonge larven, die soms
nog in het laatst van September bezig zijn met het verslinden van
de fijne wortelvezels in haar omgeving, voeden zich in 't eerste
levensjaar voornamelijk met rottende organische stoffen en begeven zich
daarna een weinig dieper in den grond om winterslaap te houden. In de
volgende lente komen zij weer nader bij de oppervlakte en gaan opnieuw
aan 't vreten. Tusschen den langsten dag en den 21en September ligt
de tijd, waarin zij de grootste schade aanrichten. Nogmaals zoeken
zij hare winterslaapplaatsen op en gedragen zich in het nu volgende
jaar geheel op dezelfde wijze als in het vorige. Na de derde lente
en zomer van haar leven is de groei der larve afgeloopen en kruipt
zij dieper in den grond; men mag aannemen, dat alle engerlingen in
Augustus of op zijn laatst in 't begin van September de gedaante
van pop hebben verkregen en vóór den aanvang van den winter in den
imago-toestand overgegaan zijn. De Kevers blijven echter, wanneer men
ze niet stoort, nog den geheelen winter rustig op de plaats, waar zij
als poppen vertoefden. Al naar de diepte, waarop deze zich bevindt,
en de vastheid van de aardlagen, die haar bedekken, heeft de Kever
een meer of minder langen tijd noodig om aan de oppervlakte te komen;
steeds kiest hij de avonduren uit om den grond te verlaten en zich
in de lucht te verheffen. Telkens als het dier wil gaan vliegen,
moeten de luchtzakken volgepompt worden, nadat door het persen
van lucht in de vleugeladers de vleugels gestrekt zijn; dit gaat
gepaard met eigenaardige, hijgende bewegingen van het achterlijf,
het opheffen der dekschilden en het uitspreiden der sprietleden,
welke verschijnselen men trouwens ook bij andere Kevers waarneemt.
De Duinkever (Polyphylla fullo), de grootste van alle Europeesche
Melolonthiden (25 à 35 mM. lang), wordt als vertegenwoordiger van
een afzonderlijk geslacht beschouwd wegens het ontbreken van den
"aarsgriffel"; het knotsje aan 't einde van de sprieten bestaat bij
't mannetje uit 7, (soms wel 10 mM. lange), bij 't wijfje uit 5 veel
kortere (1.5 mM. lange) plaatjes. Het gemakkelijkst herkent men hem
echter aan de wit gemarmerde, roodbruine dekschilden. Bij ons houdt
hij zich het meest in duinstreken op, waar hij door 't vernielen van
helm-aanplantingen nadeelig kan zijn. Hij is over een groot deel van
Europa verbreid, maar geeft aan zandige, met naaldboomen begroeide
vlakten de voorkeur boven alle andere oorden; van deze zoowel als
van andere daartusschen groeiende boomen vreet hij de bladen, terwijl
de larve, die aanmerkelijk grooter is dan de gewone engerling, hunne
wortels beschadigt. Men ziet hem ieder jaar in nagenoeg gelijken getale
in de eerste helft van Juli verschijnen. Een geregeld wederkeerende
buitengewone talrijkheid van deze Kevers werd nog niet waargenomen;
meestal is de aangerichte schade daarom niet zeer belangrijk.
De Junikever (Rhizotrogus solstitialis) kan als voorbeeld dienen
van een in zuidelijker streken zeer sterk vertegenwoordigd geslacht,
waarvan in ons land nagenoeg alleen deze soort, die in de provinciën
Gelderland, Utrecht en Noordbrabant op sommige plaatsen volstrekt niet
zeldzaam is, aangetroffen wordt. Evenals bij het vorige geslacht,
ontbreekt hier de aarsgriffel; de knop van den spriet bestaat uit
slechts 3 leden. De Junikever is ongeveer half zoo groot als de
Meikever, op de rugzijde geelachtig bruin, op den achterkop, de schijf
van het halsschild en de geheele onderzijde donkerder van kleur; de
voorrug, het schildje en de borst zijn met lange haarbundels begroeid;
de beharing van den buik is iets minder sterk.
De levenswijze en de ontwikkelingsgeschiedenis van den Junikever
verschillen in vele opzichten van die van den Meikever. Zooals zijn
naam aanduidt, vliegt hij altijd later, tegen het laatst van Juni,
rond; men ziet hem dan slechts gedurende ongeveer 14 dagen, binnen
zeer enge grenzen echter soms in grooten getale. Zoodra de zon onder
de kim gedaald is, vliegen deze Kevers bedrijvig over de graanvelden
en de naburige lage boomen en struiken rond; men zou zeggen, dat zij
het er op aanleggen om den niets kwaads bedoelenden wandelaar zooveel
last te veroorzaken als mogelijk is, daar zij zich niet storen aan
afwerende bewegingen en hem altijd weer om het hoofd vliegen. De
wijfjes leggen hare eieren bij de wortels van allerlei planten;
de wortels van het koren en van andere grassen en kruiden schijnen
echter het meest van de vraatzucht der larven te lijden te hebben.
De Bladkevers met twee klauwen van ongelijke grootte aan den voet
vormen de groep der Ruteliden. Van de 600 hiertoe behoorende soorten
vindt men er slechts betrekkelijk weinige in Europa en Nieuw-Holland,
de meeste (200) in Azië, vele (183) in Zuid-Amerika; Noord-Amerika
en Afrika zijn ongeveer even ruim bedeeld.
De Anisopliën (Anisoplia) zijn gemiddeld 9 à 11 mM. lang; men vindt ze
in Europa en Azië op verschillende planten, vooral echter op grassen,
dus ook op graangewassen; in Afrika komen slechts weinige soorten voor;
in Amerika ontbreken zij geheel. Hun kopschild is naar voren verlengd
en vormt vóór den kop een aan de spits bovenwaarts gebogen uitsteeksel.
Het fraaie Roggekevertje (Anisoplia fruticola) is bronsgroen van
kleur, van onderen met een dicht vilt bedekt, op het halsschild van
een geel haarkleed voorzien; de dekschilden hebben bij het mannetje
een roestroode, bij het wijfje een meer geelachtige kleur; bij haar
vindt men op de dekschilden, als omlijsting van het groene schildje,
een zwarte vlek. Deze Kevers bezoeken ten tijde van den bloei, of
kort daarna roggearen om de bloemdeelen of het eerste beginsel van de
vrucht af te vreten en richten op deze wijze, wanneer zij in grooten
getale voorkomen, een niet onbelangrijke schade aan. De larve gelijkt
veel op een jonge engerling en wordt voor onschadelijk gehouden,
ofschoon zij misschien ook wel de wortels van de graangewassen afvreet.
Soms hebben de rozen in onze tuinen veel te lijden van het
Rozenkevertje (Phyllopertha horticola). Dit Insect, dat de fraaiste
bloemen vernielt, komt in vorm met het vorige overeen, doch is
een weinig platter, 9 à 11 mM. lang, glanzig blauwgroen en sterk
behaard. Op zijne donkerbruine of zwarte dekschilden wisselen
onregelmatige, overlangsche lijsten met reeksen van onregelmatige
stippels af.--De larve leeft op de wortels van verschillende
overblijvende planten en verschoont ook de potplanten niet.
De Reuzenkevers (Dynastidae) verschillen door de gelijkheid der beide
klauwen aan iederen voet van de leden der vorige groep, door dwars
gerichte, in een groeve van het borstschild verborgen voorheupen
van de volgende onderfamilie. Zij verdienen hun naam, daar men onder
hen de grootste en zwaarste leden, niet slechts van de familie der
Bladsprietigen, maar van de geheele orde der Kevers aantreft. Bij
hen ontwaart men de grootste afwijkingen tusschen het mannetje en
het wijfje van dezelfde soort. De mannetjes zijn meestal, hetzij
alleen op den rug van het voorborststuk, hetzij hier en op den kop,
met hoornen en spitsen van de meest zonderlinge gedaante uitgerust,
die eenvoudig beschouwd moeten worden als een tooi van het mannetje,
welke bij het wijfje ontbreekt en bij het zoeken van een legplaats voor
de eieren voor haar zelfs in de hoogste mate hinderlijk zou zijn. De
meeste houden zich over dag verborgen in rottend hout, in gaten van
boomen, onder dorre bladen en op dergelijke schuilplaatsen, worden
des nachts wakker en gebruiken dan hunne vleugels; zij vliegen op
een logge, ver hoorbare wijze, heffen daarbij de dekschilden slechts
weinig op en richten ze niet zijwaarts.
De weinige larven van Reuzenkevers, die tot dusver bekend zijn,
leven in rottend hout en gelijken veel op die van de Bladkevers
door de dwarse rimpels op de huid en de zakvormige verwijding van
het laatste achterlijfssegment. Vóór de gedaantewisseling, waaraan
een veeljarig leven in den larvetoestand voorafgaat, vervaardigen de
larven zich een stevig, dikwandig nest van de haar omgevende stof;
de Kever blijft hierin, totdat hij na het verharden van zijn uitwendig
skelet in staat is om zijn gevangenis te verbreken.
Deze onderfamilie omvat nagenoeg 500 soorten, die bijna uitsluitend
den heeten aardgordel bewonen; verreweg de grootste helft behoort
in Amerika thuis; eenige minder kolossale soorten komen over alle
werelddeelen verspreid voor.
Het mannetje van den Herkules-kever (Dynastes hercules) is beroemd
wegens zijn grootte en vorm. Het bereikt een lengte van 157 mM.,
waarvan de kleinste helft komt op den hoorn, die de rugzijde van het
voorborststuk versiert. Deze is aan de onderzijde geel behaard en loopt
van voren in twee takjes uit; hij overdekt den veel korteren hoorn,
die van het voorhoofd uitgroeit. Beide hoornen zijn glanzig zwart,
evenals het geheele overige lichaam, met uitzondering van de licht
olijfgroene, met zwarte vlekken geteekende dekschilden.
Een meer bescheiden vorm heeft het mannetje van den inheemschen
Neushoornkever (Oryctes nasicornis); hij heeft slechts één hoorn
van middelmatige lengte op den kop en drie gelijke knobbels op de
dwars gerichte lijst, waardoor het halsschild in twee afdeelingen
is gescheiden; de grootste of voorste afdeeling is in het midden
uitgehold. Op de dekschilden neemt men reeksen van fijne stippels
waar; de kleur is zwartbruin, doch zweemt aan de onderzijde sterk naar
rood. Het wijfje mist den hoorn; een stompe knobbel wijst de plaats
aan, waar haar echtgenoot dit onderscheidingsteeken draagt. Lengte 36
à 37 mM.--Deze fraaie soort wordt vooral in de noordelijke helft van
Europa gevonden en wel in de uitgeloogde run, het zoogenaamde "kif",
waarmede de broeibakken der bloemkweekers gevuld zijn en die ook wel
op tuinpaden wordt gestrooid. Op plaatsen waar zij zich eens gevestigd
heeft, is zij gewoonlijk niet zeldzaam.--De larven van een andere
soort (Oryctes simias) richten in de kokoswouden van Madagaskar door
het knagen van gangen in den stam soms aanzienlijke schade aan. Men
vindt stammen met holten ter dikte van een arm, die door honderden
van larven bewoond worden.
De laatste onderfamilie van de Plantenetende Bladsprietigen omvat de
Bloemkevers (Melitophila); zij volgt, wat rijkdom aan soorten betreft,
op de groepen der Bladkevers en der Mestkevers, maar overtreft deze
door de verscheidenheid van vorm en kleur harer leden. De Bloemkevers
behooren voor 't meerendeel thuis in landstreken, waar de zon loodrecht
hare stralen werpt; zij zoeken de geurige bloemen van kruiden en
houtige planten op om in gezelschap van schuwe Vlinders, vroolijke
Vliegen en altoos bezige Bijen hun maal te doen met stuifmeel;
bovendien eten zij de organen, waardoor dit poeder wordt voortgebracht,
voorts bloembladen en andere bloemdeelen; zij lekken ook wel het sap,
dat uit de wonden van boomen vloeit. In den regel is het heupblad
van het achterborststuk van boven zichtbaar door een uitsnijding van
het dekschild onmiddellijk achter den schouder; hiernaar wordt deze
onderfamilie verdeeld in de soortenrijke afdeeling van de Bloemkevers
i.e.z. (Cetonidae) en de soortenarme van de Kwastkevers (Trichiidae).
Meer dan 1/3 van de geheele groep bewoont Afrika, nauwelijks 1/25
Europa; in alle werelddeelen is zij vertegenwoordigd; de prachtigste
vormen zijn echter bewoners van tropische gewesten.
Een prachtig Insect is de mannelijke Grootste Goliath (Goliathus
giganteus, G. Druryi) uit Opper-Guinea. De scheef naar voren afhellende
kop draagt naast de oogen twee stompe, naar boven gerichte lappen en
loopt van voren uit in een breed, kort, hoornachtig, gaffelvormig
uitsteeksel met afgeknotte spitsen. Fluweelachtig zwart is de
hoofdkleur; de kop, het halsschild, met uitzondering van 6 langwerpige
vlekken, het schildje, een groote, driehoekige vlek op de dekschilden,
die door de naad middendoor wordt gedeeld, en de buitenrand der
dekschilden zijn krijtwit. De lengte kan 98 mM. bedragen. Het iets
kleinere wijfje heeft meer glans, geen uitsteeksel op den kop, maar 3
tanden aan den buitenrand der voorscheenen. In 1770 leerde men dezen
Kever voor 't eerst in Europa kennen; de verzamelaars stellen zooveel
prijs op zijn bezit, dat zij soms voor het paar meer dan 50 gulden
betalen. Van dit uitsluitend in Afrika levend geslacht heeft men later
nog 5 andere soorten ontdekt. Een daarvan is de Gaffelneus [Goliathus
(Dicranorrhina) Smithii] van Port-Natal, die niet door grootte, maar
wel door andere eigenaardigheden aan de vorige herinnert. Dit fraaie
Insect is bronsgroen; de schenkels, de scheenen, het schildje en de
achterrand van het halsschild zijn rood, de dekschilden bruingeel met
zwarte randen, een onduidelijke vlek op de schijf van het halsschild
en twee vlekken op ieder dekschild zwart; aan de onderzijde is het
achterlijf rood, het borststuk bruin. Het mannetje heeft voor op den
kop een gaffelvormigen hoorn, die bij het wijfje ontbreekt; bij haar
zijn daarentegen de voorscheenen aan den buitenrand met drie scherpe
tanden gewapend.
De Gouden Tor (Cetonia aurata) is een typische vertegenwoordiger
van de geheele groep. Wie kent hem niet, den goudgroenen Kever,
getooid met eenige geschubde dwarsgroeven op de achterste helft van
de dekschilden, die bij warm, zonnig weer met luid gegons naar de
bloeiende struiken en kruiden van tuinen, bosschen en weiden vliegt,
waarbij de dekschilden gesloten blijven. Wanneer men hem aanvat,
verweert hij zich door het uitwerpen van een vuilwit, vettig vocht
van onaangenamen reuk uit den aars en tracht hierdoor waarschijnlijk
zijn vrijheid te herkrijgen. Op oude eiken of andere boomen, die
wonden hebben, waaruit sap vloeit, zitten de Gouden Torren dikwijls
in troepen dicht bijeen en vallen op een afstand door hun aan goud
herinnerenden glans in 't oog. Schadelijk zijn zij eigenlijk niet;
wanneer zij echter in grooten getale voorkomen in een tuin, waar
rozebottels gekweekt worden, is de verminderde opbrengst aan hen te
wijten; bovendien verminken zij door het opvreten der bloemdeelen de
rozen (vooral witte) van menigen anderen struik, die ter wille van
de bloemen geplant werd.
De genoemde soort onderscheidt zich van hare naaste verwanten door
een streep op de dekschilden aan weerszijden van den naad, waardoor
deze den indruk maakt van een groeve; het bij alle leden van haar
geslacht aan het middelste borstschild voorkomend uitsteeksel eindigt
bij haar knopvormig. De larve leeft in rottend hout en werd dikwijls
gevonden onder in de nesten van de Roode Boschmier (Formica rufa),
waar zij zich voedde met de allengs verrottende stukjes hout, die de
Mieren bijeenbrengen.
Behalve het gemis van de uitsnijding der dekschilden achter den
schouder hebben de soorten, die zich om de Kwastkevers (Trichius)
scharen, nog andere eigenaardigheden gemeen, die hun vorm aanmerkelijk
wijzigen: het halsschild is meer kringvormig, dikwijls aan den
achterrand lijstvormig gezwollen en schijnt smaller te zijn dan
de dekschilden.
De Eremiet of Lederkever (Osmoderma eremita) verdient in de eerste
plaats vermelding als de grootste Europeesche soort; zij vervangt in
deze afdeeling als 't ware de Goliathkevers. Haar lengte bedraagt 26
à 33 mM. Bij ons is zij zeer zeldzaam; men vond haar in Gelderland
in vermolmd hout. Zij is kenbaar aan haar glanzig zwartbruine kleur
met paarsen weerschijn, de overlangsche groef op 't midden van het
halsschild, de rimpelig gestippelde dekschilden en de lucht van
juchtleer, die zij verbreidt en waaraan haar geslachtsnaam ontleend
is. Daar de wilgen vaak rottende gedeelten vertoonen, leveren deze
dikwijls een verblijfplaats aan den Lederkever. Men vindt hem eveneens
in eiken, beuken, berken, linden en vruchtboomen, die ongezond, week
hout bevatten; dit is het voedsel van de gedrongen gebouwde larve,
die zich waarschijnlijk eerst na verscheidene jaren verpopt.
Een prettiger indruk dan de Eremiet maakt de Gestreepte Kwastkever
(Trichius fasciatus). Evenals bij alle echte Trichiën, is het kopschild
langer dan breed en van voren uitgesneden; het draagt, gelijk de kop
en het halsschild, een ruig kleed van talrijke gele haren; die van de
onderzijde en van de achterlijfsspits hebben een meer witte kleur;
de beide aan den naad ineenloopende dwarsbanden op de dekschilden
zijn geel. Bovendien verdienen de achterheupen vermelding, daar zij
elkander aanraken. Deze soort, die in sommige jaren hier te lande,
vooral op maandrozen, veelvuldig aangetroffen wordt, kruipt, evenals
de Rozenkever, diep in de bloem, blijft hier bewegingloos zitten en
vreet de binnenste bloemdeelen op. De larve leeft, evenals die van
alle andere Trichiën, in rottend hout.
Een merkwaardige Bloemkever van Amboina is de Langarmige Kwastkever
(Enchirus longimanus). Wanneer het mannetje, wiens lichaam 65 mM. lang
is, de voorpooten uitstrekt, bedraagt de afstand van de spits van
het achterlijf tot het einde van den voet niet minder dan 131 mM.
De reeks van de Ongelijkledige Kevers (Heteromera), kenbaar aan de
5-ledige voor- en middelvoeten en 4-ledige achtervoeten, vangt aan met
de familie der Zwartlijven (Melasomata). Hoewel de 600 geslachten,
waarover men de ruim 4500 bekende soorten van deze familie verdeeld
heeft, een zeer verschillenden lichaamsvorm hebben, merkt men in
andere opzichten tusschen hen (en meer nog tusschen hunne larven)
een zoo groote overeenstemming op, dat alle gezamenlijk een goed
afgerond geheel uitmaken. De kop is voor de helft verscholen onder
het halsschild; de tamelijk korte sprieten zijn meestal uit 11
leden samengesteld en parelsnoer- of draadvormig. De heupen van
ieder paar pooten zijn bijna altijd op zekeren afstand van elkander
geplaatst; de kogelvormige voorheupen draaien in gesloten pannen; de
voetklauwen zijn meestal enkelvoudig, slechts zelden gespleten. Aan
het achterlijf onderscheidt men duidelijk 5 vrije ringen. Daar
de meeste dezer "zwartrokken" de vleugels missen en zelfs hunne
dekschilden dikwijls langs den naad vergroeid zijn, ontbreekt hun
niet slechts de aandrift, maar over 't algemeen ook de geschiktheid
om zich in de lucht te verheffen; zij mijden daarom het licht,
vestigen zich bij voorkeur op een vochtigen bodem, onder steenen,
achter rottende wortels en schorsschilfers, in vuile hoeken van huizen,
enz. en nemen van hun vieze omgeving ook een onaangename lucht over;
in alle opzichten zijn deze liefhebbers van de duisternis dus hoogst
onbeminnelijk. Hoewel verreweg de meeste zich kenmerken door sombere
kleuren en een lichtschuwe levenswijze, behooren tot deze familie ook
eenige soorten, die met lichtere kleuren en met metaalglans prijken,
van goed ontwikkelde vleugels gebruik maken en op boomstammen verblijf
houden.
De weinige larven van Zwartlijven, die men kent, gelijken alle op
den Meelworm; het langwerpige, wormvormige, van boven naar onderen
eenigszins samengedrukte lichaam loopt uit in één spits of in 2
aanhangsels en is geheel met een glad, hard, meestal licht gekleurd
pantser bedekt; het wordt gesteund door zes 5-ledige pooten; de kop
draagt 4-ledige sprieten en aan iedere zijde 2 of 5 oogen.
In de eerste plaats bespreken wij een over geheel Europa verbreide,
bij voorkeur kelders en dergelijke donkere hoeken van huizen bewonende
duisterling, den Gewonen Rouwkever (Blaps mortisaga). Alle leden
van zijn geslacht hebben een min of meer vierhoekig halsschild,
een langwerpig eivormig achterlijf, dat door de vergroeide, ieder in
een spits eindigende dekschilden geheel bedekt is, twee doornen aan
't einde der voorscheenen en weinig samengedrukte, kort bewimperde
voeten, die steeds veel korter zijn dan de scheen. Bij de genoemde
soort onderscheidt het mannetje zich van het wijfje door een bosje
geel vilt in 't midden van den achterrand van den eersten buikring;
de spitsen der dekschilden zijn bij beide even lang.
Tusschen muren van overoude bouwvallen in Yucatan vindt men een
Kever (Zopherus Bremei), waaraan een geheimzinnige macht wordt
toegeschreven. In zijn vaderland wordt hij beschouwd als een middel
om booze geesten te verdrijven en, aan een kettinkje bevestigd, door
vrouwen op de borst gedragen: men beweert, dat hij op deze wijze
zonder voedsel twee jaar kan blijven leven. Taschenberg heeft zulk
een talisman levend te Halle gezien. Het halsschild was donker, het
linker dekschild rood, het rechter dekschild lichtgroen; zij hadden
deze kleur niet van nature, maar waren met fluweelachtige lapjes
zoo zorgvuldig beplakt, dat de kunstbewerking niet in 't oog viel;
het lichaam was omgeven met een smal gouden plaatje, dienende tot
bevestiging van een fijn gouden kettinkje.
De Vetkevers (Pimelia) komen vooral aan de zeekusten voor, waar
zij zich onder steenen, in ledige slakkenhuizen, tusschen hoopen
aangespoelde wieren verborgen houden en ruimschoots de rottende
stoffen vinden, die hun tot voedsel dienen, 40 soorten van dit geslacht
vindt men in Zuid-Europa, een nog grooter aantal in Noord-Afrika en
Voor-Azië tezamen genomen.--Pimelia distincta uit Spanje kenmerkt
zich door een glinsterend glad, aan de zijden met fijne knobbeltjes
bezet halsschild en doffe, rimpelig gestippelde dekschilden, ieder
voorzien van glanzige naadlijsten en van 4 glanzige, overlangsche
ribben, die tusschenruimten van gelijke breedte overlaten.
Ten slotte moeten wij nog een soort gedenken, het eenige lid van
de familie misschien, waarmede men te huis kennis kan maken zonder
in meer dan één opzicht onaangenaam getroffen te worden. De Meeltor
(Tenebrio molitor) wordt zoo genoemd, omdat haar larve, de "Meelworm",
die een gezocht voedsel is voor Nachtegalen en andere insectenetende
kamervogels, bij voorkeur op den vloer van meelbewaarplaatsen,
enz. verblijf houdt. Deze Insecten nemen echter ook wel minder
zindelijke woonplaatsen voor lief. Een vogelliefhebber, die voor
zijne Zangvogels Meelwormen fokte in een ouden pot, waarin gewoonlijk
oud brood, zemels en lompen werden geworpen, liet door hen kleine
Zoogdieren en Vogels skeletteeren; zorgvuldig knaagden zij er alle
aan rotting onderhevige bestanddeelen af. Meelwormen komen voorts niet
zelden voor in duiventillen, in mest, in reten van vloeren; uit alles
blijkt, dat zij niet kieschkeurig zijn, zoomin op hun spijs als op hun
woonplaats, indien deze slechts droog en gene in overvloed voorhanden
is. De Meelwormen zijn glanzig geel, 28 mM. lang en veranderen in
Juli in teere, witte poppen. Na eenigen tijd komt de 15 mM. lange
Kever uit de pophuid te voorschijn; zijn aanvankelijk gele kleur
verandert langzamerhand in donkerbruin; de lichter gekleurde buik
heeft een roodachtigen weerschijn. Dit Insect is tamelijk plat en met
uitzondering van den kop bijna overal even breed; de drie hoofddeelen
van den stam hangen los aaneen. Zijn geheele oppervlakte is dicht
bedekt met fijne stippels; de dekschilden zijn fijn gevoord.
De soortenarme familie van de Waaierdragers (Rhipiphoridae) is
merkwaardig door haar afwijkende ontwikkelingswijze; zij omvat
slechts kleine, weinig in 't oogvallende kevertjes, welker vertikaal
geplaatste kop als door een steel aan het halsschild bevestigd is en
bij 't mannetje pluim- of kamvormige, bij 't wijfje meestal eenvoudig
gezaagde sprieten draagt.
De Zonderlinge Waaierdrager (Metoecus paradoxus), een van de grootste
leden der familie (7.6 à 10 mM. lang), is zwart; de zijden van het
halsschild en de buik zijn geelrood, de dekschilden van het mannetje
geheel of ten deele geel; de sprietleden dragen, te beginnen bij het
vierde, ieder 2 lange, wimpelvormige aanhangsels, terwijl die van
het wijfje ieder slechts één tand bezitten.
Deze Kever heeft het nest van de gewone Wesp, die in gaten van den
grond huist, tot geboorteplaats. De larve gelijkt veel op die van de
Spaansche Vlieg en is 5 mM. lang; de dop draagt 3-ledige sprieten en
enkelvoudige oogen, elk der drie volgende segmenten één paar gelede
pooten, welker drie voetleden bladvormig verbreed zijn en aan 't
einde 2 of 3 klauwen bezetten benevens een hechtschijf, die in vorm
overeenkomt met de eindlobben van een vliegensnuitje. Waarschijnlijk
begeeft de Metoecus-larve zich uit eigen beweging naar een nog niet
met een deksel gesloten broedcel van het wespennest en kruipt in het
lichaam van de hier aanwezige larve door een aan de rugzijde gemaakte
wonde. Nadat de parasiet zich eenigen tijd gevoed heeft met de sappen
van zijn gastheer, zonder diens edele deelen te beschadigen, dringt
hij nogmaals door de huid heen, maar nu van binnen naar buiten,
vervelt en wordt een made; in deze gedaante zuigt hij zich aan de
wespenlarve vast en vlijt zich tegen haar eenigszins uitgeholde
buikvlakte aan. Zoodra nu de Metoecus-larve 6 mM. lang geworden is,
vervelt zij nogmaals, zuigt vervolgens haar gastheer geheel uit
en gaat in diens cel in den poptoestand over. Twee dagen nadat de
Wespen de naburige cellen verlaten hebben, komt ook de jonge Kever
voor den dag; voor de geheele gedaantewisseling zijn 12 à 14 dagen
noodig geweest. In kleinen getale vindt men deze Kevers in het einde
van Augustus of het begin van September op bloemen.
De nu volgende familie is die der Blaartrekkers (Vesicantia of
Cantharidae), zoo genoemd, omdat de meeste soorten een eigenaardige
stof (cantharidine) voortbrengen, die, op de huid gebracht, blaren
veroorzaakt, daarom voor het maken van trekpleisters dient en bij
enkele ziektegevallen inwendig als geneesmiddel wordt gebruikt. Behalve
door de zooeven genoemde eigenschap, die echter niet bij alle leden
der familie voorkomt, stemmen deze in de volgende opzichten overeen:
de kop, die zich door een zeer bolle kruin onderscheidt, is loodrecht
geplaatst ten opzichte van de lichaamsas, van achteren tot een hals
versmald en geheel en al zichtbaar; op het voorhoofd of vóór de
oogen draagt hij de 9 à 11-ledige sprieten. Het halsschild is aan den
voorrand smaller dan aan den kop, aan den achterrand veel smaller dan
de buigzame dekschilden. De 4 voorste pooten hebben 5, de achterste
slechts 4 leden. De meeste van de ruim 800 soorten behooren in de
warme gewesten thuis.
Van de Weeklijfkevers of Oliekevers (Meloë) kent men een zeventigtal
soorten, waarvan slechts enkele Amerika, de overige het oostelijk
halfrond, met uitzondering van Australië, bewonen. De bovenstaande
afbeelding maakt een uitvoerige beschrijving overbodig. De dekschilden
voegen zich niet volgens een rechte naad aaneen, maar de wortel van
het eene is over dien van het andere gelegen, gelijk dit regel is
bij de Rechtvleugeligen.
De Oliekevers vertoonen zich vroeg in 't jaar, kruipen in 't gras en op
de wegen rond, zijn het talrijkst in de maand Mei en nemen daarna weer
in aantal af, zoodat er tegen het einde van Juni waarschijnlijk geen
enkele van over is. Hun voedsel bestaat uit laaggroeiende planten,
o.a. boterbloemen en jonge grassen, die zij des morgens en tegen
den avond gretig verslinden. Bij aanraking trekken zij de pooten
en de sprieten op en laten door alle kniegewrichten druppels van een
olieachtig, geel vocht ontwijken. Het wijfje legt in gaten, die zijzelf
in den grond graaft, meer dan 1000 eieren. Na 28 à 42 dagen komen de
larven uit, die men wegens hare 3 voetklauwen "Triangulinen" heeft
genoemd, en zoeken bloemen op, die door Bijen druk bezocht worden,
bij voorkeur boterbloemen, madeliefjes en dergelijke. In dichte
zwarte hoopen kan men de Meloë-larven hier zien zitten. Zij zoeken
er echter geen voedsel gelijk andere pas uit de eischaal ontsnapte
larven; haar eenig doel is op den rug van het honingzoekende Insect te
klauteren. Het kleine diertje zal, als het zich tusschen de haren van
de Bij bevindt, deze geen kwaad doen, maar haar eenvoudig als middel
van vervoer gebruiken. De Bij is, evenals ieder rechtschapen vrouwelijk
Insect, uitsluitend bedacht op het instandhouden van haar soort, bouwt
een cel, vult deze met zoeten proviand en legt hierop haar ei. Op dit
oogenblik heeft de gewaande "Bijenluis" gewacht. Zij laat zich van
haar weldoenster afglijden en gaat op het ei zitten, welks moeder na
het sluiten van de cel al het noodige meent gedaan te hebben, om aan
haar kroost een goede toekomst te verzekeren. Voor onze larve begint
nu eigenlijk eerst het leven. Zij verslindt den inhoud van het ei,
haar eerste voedsel, legt de vermomming af, die zij tot dusver droeg,
gaat in den weekhuidigen toestand over en ziet er nu geheel anders
uit dan vroeger. Nu is de honig voor haar een geschikt voedsel; zij
groeit als kool en bereikt weldra de vereischte grootte. Het op een
Engerling gelijkende diertje op de linkerzijde van onze afbeelding
stelt een Meloë-larve in haar tweeden toestand voor.
Men zou kunnen meenen, dat de larve nu, nadat zij de honig verbruikt
heeft en geheel volwassen is, zich op de gewone wijze verder
ontwikkelen en in den poptoestand overgaan zal. Toch is dit niet het
geval. Haar huid geraakt los, zonder te barsten, en hierbinnen bevindt
zich een van buiten hoornachtige pop, die bij oppervlakkige beschouwing
veel op de vorige larve gelijkt. Deze "schijnpop" of "pseudochrysalide"
gebruikt geen voedsel. Binnen de nogmaals losgerakende huid ondergaat
het Insect een nieuwe gedaantewisseling en wordt een weekhuidige
(tweede) pop, die na verloop van korten tijd in de echte (derde) pop
verandert. Dit zijn de opeenvolgende phasen van de meest volledige
metamorphose; bij sommige soorten komt zij eenigszins gewijzigd en
afgekort voor.
De bij ons zeldzame Bonte Oliekever (Meloë variegatus, M. majalis) is
over geheel Europa, het noordwesten van Azië en den Kaukasus verbreid
en schijnt in Duitschland bijzonder overvloedig te zijn. Hij heeft
een metaalachtig groene of blauwachtige kleur, vertoont in meerdere
of mindere mate een purperen weerschijn en is met groote stippels en
rimpels bezet; zijn dwars gericht halsschild wordt naar achteren een
weinig smaller en heeft zeer flauw bovenwaarts gebogen randen. Zijn
lengte wisselt af van 11 tot 36 mM., al naar de eerste larve (die 2
à 3 mM. lang en glanzig zwart is) in de cel van de Bij een geringe
of een groote hoeveelheid honig vond.
De Gewone Oliekever (Meloë proscarabeus) wordt, zooals de naam te
kennen geeft, (ook ten onzent) veelvuldiger aangetroffen dan de vorige
soort; hij bewoont dezelfde landen als deze, is zwartblauw met paarsen
weerschijn; fijne puntjes tooien den kop en het bijna vierkante
halsschild; de dekschilden vertoonen wormvormige dwarsrimpels;
bij het mannetje zijn het 6e en 7e lid van de sprieten schijfvormig
verbreed, aan de onderzijde als 't ware afgeknaagd. De grootte is
even veranderlijk als de vorige soort; bij kleine exemplaren steken
de dekschilden zelfs een weinig voorbij het achterlijf uit.
De Spaansche Vlieg (Cantharis vesicatoria, Lytta vesicatoria) komt bij
ons zelden voor, naar 't schijnt alleen in de provincie Gelderland. In
Duitschland is zij in sommige jaren hier en daar buitengewoon
talrijk en verraadt dan op grooten afstand haar tegenwoordigheid
door het verbreiden van een sterk riekende uitwaseming. Esschen,
ligusters, seringen en andere planten worden kaalgevreten door
zulk een keverzwerm, die zoodra alles op is, verder trekt. De fraai
groene, met vele rimpeltjes bezette dekschilden vertoonen ieder twee
fijne, overlangsche ribben; bij het mannetje zijn zij smaragdgroen
en langwerpiger, bij 't wijfje lichter goudgroen en breeder. De
draadvormige sprieten bereiken bij het mannetje de helft van de
lengte van 't geheele lichaam en zijn tweemaal zoo lang als die van
het wijfje. De kop is hartvormig; het dwars gerichte halsschild
heeft 5 stompe hoeken. Lengte 17 à 19.5 mM. De Spaansche Vlieg
komt vooral in 't zuiden van Europa, doch ook in Zweden en Rusland
voor. Fijngewreven en met de een of andere kleefstof vermengd, levert
zij het materiaal voor de bekende trekpleisters; een alkoholisch
aftreksel heet cantharidentinctuur.
Men kent meer dan 250 Cantharis-soorten; de meeste bewonen Afrika
en Amerika.
Bij een groot aantal Kevers, (meer dan 11000 soorten) is de
kop uitgegroeid tot een meer of minder langen "snuit", die aan
zijn top de monddeelen draagt. Men noemt ze daarom Snuitdragers
(Rhynchophora). Zij hebben aan iederen voet 4 leden (dikwijls een
verborgen vijfde lid). Ook gedurende den larvetoestand komen zij
in vorm overeen; zij zijn dan witachtige, meestal blinde maden,
met duidelijk begrensden, door een hard chitine-pantser omhulden
kop en buikwaarts gekromd lichaam, waaraan de pooten ontbreken of
slechts door nietige stompjes aangeduid zijn. Deze Kevers gebruiken
uitsluitend plantaardig voedsel. Het wijfje legt de eieren hetzij
aan de oppervlakte van de plant, waarmede hare larven zich voeden,
òf in een van buiten af hierin geboord gat, waarin het echter nooit
met het geheele lichaam doordringt. Van eenige soorten leven de
larven in den grond, de meeste vestigen zich in, slechts enkele aan
de oppervlakte van de plant, waaraan zij haar voedsel ontleenen;
dikwijls ondergaan zij alle gedaantewisselingen op deze plaats,
en baant het Insect zich eerst als imago een weg naar buiten. Enkele
larven parasiteeren in het lichaam van andere Insecten. Men kan in deze
groep 4 familiën onderscheiden, die, naar typische geslachten, welke
er toe behooren, Voelersnuitkevers (Bruchidae), Rechthoornsnuitkevers
(Attelabidae), Echte Snuitkevers (Curculionidae) en Klanderkevers
(Cossonidae) heeten. De laatstgenoemde vormen den overgang van de
Echte Snuitkevers tot de Schorskevers (Scolytidae), die, ondanks den
meestal niet tot een snuit verlengden, maar stomp eindigenden kop,
zóó na verwant zijn met de Insecten, welke ook in dit opzicht den
naam van Snuitdragers verdienen, dat men ze in deze groep als 5e
familie moet opnemen, vooral ook, omdat zij met de overige gedurende
den larvetoestand nagenoeg volkomen overeenstemmen. De vrouwelijke
Schorskevers gedragen zich bij 't eieren leggen op een geheel andere
wijze dan de overige leden der groep, daar zij met het geheele lichaam
doordringen in de plant, die tot voeding van de larve bestemd is.
De Voelersnuitkevers (Bruchidae) zijn in alle werelddeelen, doch
vooral in Amerika en Europa vertegenwoordigd; men kent er ruim 400
soorten van. Zij hebben een kort snuitje met duidelijken bovenlip en
goed ontwikkelde, vóór den bek uitstekende, draadvormige tasters aan
de onderkaak en de bovenlip (bij de overige Snuitdragers zijn zij
zeer kort en kegelvormig). De sprieten zijn recht (niet, gelijk bij
de Echte Snuitkevers "gebroken", d.w.z. in een schaft en een zweep
verdeeld), uit 11 leden samengesteld, vrij (niet, zooals die der Echte
Snuitkevers, in een groeve van den snuit aangehecht), in den regel
onmiddellijk vóór de oogen geplaatst, soms meer of minder duidelijk
knotsvormig, dikwijls getand, soms ook kamvormig. De levenswijze
der larve is verschillend, sommige (Anthribus) ontwikkelen zich in
vermolmend hout, andere (Brachytarsus) in voor de houtteelt schadelijke
Schildluis-wijfjes, welker eieren zij verslinden, verreweg de meeste
echter in zaden.
De laatstgenoemde ontwikkelingswijze vindt men vooral bij het
soortenrijke geslacht der Zaadkevers (Bruchus). Deze zijn van geringe
grootte, nagenoeg eirond, van onderen boller dan van boven. Achter
de groote, hoefijzervormige oogen is de benedenwaarts gerichte kop
tot een onduidelijken hals versmald. Onmiddellijk vóór de opening
van dit "hoefijzer" zijn de geleidelijk in dikte toenemende sprieten
aangehecht. Van de 5 buikringen is de eerste, die naar voren meestal
in een spits uitloopt, langer dan alle overige; de dekschilden laten
het groote stuitschild nagenoeg geheel onbedekt. Hunne larven, voor
zoover bekend, leven in zaden, vooral van vlinderbloemige planten. In
tegenstelling tot de overige Snuitkevers, die meestal traag zijn,
loopen de Zaadkevers snel, en vliegen nu en dan. Als zij verschrikt
worden, laten zij zich snel op den grond vallen.
De 5 mM. lange Erwtenkever (Bruchus pisi) is zwart, dicht bedekt
met korte, geelachtig grijze en witte, aanliggende haren en op het
halsschild aan weerszijden, dicht bij het midden, van een onder de
beharing verborgen tandje voorzien; op ieder dekschild komt dicht
bij het breed afgeronde einde een uit witte vlekken samengestelden
dwarsband voor; de stuit draagt 2 eivormige, onbehaarde, groote
vlekken. De 4 eerste leden van de knotsvormige sprieten zijn
roodachtig geel, de voordijen zuiver zwart, de scheen en de
voet van de voorpooten, de top van den scheen en de voet van de
middelpooten roodachtig geel. Deze soort schijnt in Noord-Amerika
en Zuid-Duitschland veelvuldiger voor te komen dan elders, maar
werd ook hier te lande velerwege waargenomen. De Kever blijft,
nadat zijn gedaantewisseling afgeloopen is, den geheelen winter in
de erwt en verlaat eerst in 't voorjaar door een cirkelrond gaatje
zijn winterkwartier.
De Boonenkever (Bruchus rufimanus) gelijkt veel op de vorige soort, van
welke hij zich onderscheidt door een betrekkelijk langer halsschild met
onduidelijker zijtandjes, ook door kortere dekschilden, die eenigszins
anders geteekend zijn. De voordijen zijn roodachtig geel. De larve
leeft in paardenboonen en groote boonen, waarschijnlijk niet in erwten.
Veelvuldiger dan deze komt hier te lande de Wikkenkever (Bruchus
granarius, B. seminarius) in de genoemde boonen voor. Ook in Middel- en
Noord-Duitschland is hij de algemeenste van de drie. Naar het schijnt,
blijft hij minder tot een enkele soort van zaden beperkt; men heeft
hem ook uit wilde wikken en verschillende lathyrus-soorten verkregen;
hij overwintert niet in deze kleine zaden, maar op den grond; de boonen
verlaat hij echter eerst in de lente.--De Linzenkever (Bruchus lentis)
leeft als larve in linzen, andere uitheemsche soorten in gleditschia-,
mimosa-, acacia- en palmzaden, enz.
De familie der Attelabiden (Attelabidae) is merkwaardig door de bij
Kevers zoo zelden voorkomende bewijzen van moederlijke zorg, die
vele harer leden geven. Door de rechtheid der meestal knotsvormige
sprieten gelijken zij op de leden der vorige familie, door de kortheid
der tasters op die der volgende. Zij hebben een snuit van zeer
verschillende lengte. Kort en dik is deze bij den 3 à 5 mM. langen,
inheemschen Eikenbladroller (Attelabus curculionides), die van Engeland
tot Spanje en van Siberië tot den Kaukasus verbreid is. De kop en
de onderzijde zijn donker zwart, het halsschild en de dekschilden
bloedrood. Het wijfje maakt een nest voor haar ei door een blad, op
de middelnerf na, dwars door te knippen en het bovenste stuk, bij den
top te beginnen, rugwaarts op te rollen. Door het binnenwaarts vouwen
van de eene helft verkrijgt het nest, een deksel, welks rand door de
middelnerf wordt gevormd. Het blad is meestal van een eik, soms van
een echten kastanje of van een els. De larve vindt in het "rolletje"
voedsel en een winterkwartier, doch verpopt zich in den grond.