DE KEVERS (Coleoptera, Eleutherata).
De uitwendige kenmerken van de Kevers of Schildvleugeligen zijn:
de bijtende monddeelen,--het sterk ontwikkelde voorborststuk
(halsschild), dat steeds beweeglijk met het middenborststuk verbonden
is en welks vorm een belangrijken invloed oefent op de gedaante van
het geheele dier--voorvleugels, die tot dekschilden zijn verhard,
welker meestal rechtlijnige binnenranden tegen elkander aanliggen
of liever ineensluiten en op deze wijze een "naad" vormen, wanneer
de vleugels in rust verkeeren,--het met zijn breede grondvlakte aan
het naborststuk gehechte (vastzittende) achterlijf. De leden dezer
orde hebben een volkomen gedaantewisseling.
Slechts zelden is de kop vrij vóór het halsschild gelegen, in de meeste
gevallen is hij meer of minder diep in dezen ring opgenomen en dus
in zijne bewegingen op verschillende wijze beperkt. Van de bijtende
monddeelen der Kevers valt op te merken, dat de kaaktasters uit 4, de
lip tasters uit 3 leden samengesteld zijn en dat aan de onderlip de
kin de meestal onverdeelde tong in grootte overtreft.--Bij geen der
overige orden treft men zulk een groote verscheidenheid van maaksel
der sprieten aan als bij de Kevers. Het minst wisselt het aantal
leden dezer organen af, daar het meestal elf bedraagt, hoewel het bij
sommige Schildvleugeligen tot 4 verminderd, bij andere tot 30 gestegen
is. Grootere afwijkingen biedt de lengte aan; de grootste merkt men
echter op in den vorm, die aan een borstel, een draad, een knots,
een zaag, een kam, een waaier of aan andere voorwerpen herinnert,
of ook wel, wegens zijn onregelmatigheid geen vergelijking toelaat.
De achtervleugels zijn gewoonlijk door een gering aantal dikke
"aders" gesteund; meestal hebben zij bij het midden van den voorrand
een chitinevlek, het merk; hier kunnen zij dubbel gevouwen worden,
zoodat zij, na nogmaals (nu overlangs) geplooid te zijn, plaats
vinden onder de dekschilden. Alleen deze door een dun vlies gevormde
achtervleugels stellen den Kever tot vliegen in staat; wanneer zij
ontbreken of verloren gaan, hetgeen niet zelden voorkomt, kan er van
vliegen geen sprake zijn; de vergroeiing van de schilden volgens den
naad gaat niet zelden met deze afwijking gepaard.
In verband met de verblijfplaats en de levenswijze der Kevers
wijzigt zich de vorm hunner meestal voor 't gaan en loopen dienende
(en in dit geval slanke) pooten; deze worden dan tot zwem-, graaf-
of springpooten. Van de zwempooten hebben alle leden een platte
gedaante; zij zijn door borstelige haren langs den scherpen rand nog
meer verbreed, kunnen slechts in horizontale richting bewogen worden en
komen meestal uitsluitend aan het achterborststuk voor. De graafpooten
kenmerken zich door de zwakke ontwikkeling van den soms rudimentairen
voet, door een breeden, langs den buitenrand getanden scheen en
een korte, dikke dij; deze inrichting bereikt aan de voorpooten den
hoogsten trap van volkomenheid. Voor het springen dienen uitsluitend de
achterpooten, die in dit geval een sterk verdikte dij en een rechten,
betrekkelijk langen scheen hebben.
De drie hoofdafdeelingen van het lichaam vertoonen ieder in deze orde
een zoo groote verscheidenheid van vormen en staan tot elkander in
zoo verschillende verhoudingen, dat van de gestalte der Kevers geen
algemeene beschrijving kan worden gegeven: men ontmoet bij hen alle
denkbare overgangen tusschen den langwerpigen, smallen, den platten,
tot een schijf verbreeden en den tot een bol naderenden vorm. Sombere
en effene kleuren hebben de overhand, vooral bij de bewoners van
gematigde en koude gewesten, hoewel er ook vele zijn, die door hunne
bonte kleuren en hun prachtigen glans bij edelgesteenten en metalen
niet behoeven achter te staan.
Onze bekendheid met de larven van de Kevers is nog altijd zeer
onvolledig. Haar uitwendig voorkomen vertoont op verre na niet
de groote verscheidenheid, die men bij de geslachtsrijpe dieren
opmerkt. Daar de meeste een verborgen leven leiden en dus niet aan
den invloed van 't licht zijn blootgesteld, komen bij haar geen bonte
kleuren voor en heeft vuilwit of geelachtig wit de overhand. De stam
van haar lichaam bestaat uit een hoornachtigen kop met 12 (of 11)
daarop volgende leden; deze zijn pootloos, tenzij de 3 borstringen
ieder één paar hoornachtige pooten dragen. De kop, die dikwijls een
weinig teruggetrokken kan worden in het voorste rompsegment, heeft
bij sommige een hellenden stand, zoodat de monddeelen dicht bij de
borst komen te liggen, en is bij andere recht naar voren gericht;
ook zijn vorm is verschillend. De oogen zijn steeds enkelvoudig en
staan, voorzoover zij niet geheel ontbreken, ten getale van 1 à 6 aan
weerszijden van den kop. Bij vele soorten komen tusschen de oogen en
de bovenkaken draad- of kegelvormige sprieten voor. Deze bestaan in
den regel uit 4, soms echter uit een geringer aantal leden, waarvan
het derde niet zelden een zijwaarts gericht aanhangsel draagt. De
monddeelen verschillen niet aanmerkelijk van die der volwassen
Kevers, tenzij een beweegbaar kopschild de mondopening van boven
begrenst. Hoewel enkele deelen van de onderlip ontbreken kunnen,
is dit paar monddeelen standvastiger aanwezig dan de onderkaken. De
12 leden van den romp zijn soms hard en glad, soms zacht en dwars
gerimpeld; bij vele soorten komen zij onderling nagenoeg overeen;
dikwijls echter onderscheiden de 3 voorste, die later het borststuk
zullen vormen, zich op de een of andere wijze van de overige.
De pop van den Kever verdient den naam van mummiepop, daar haar
omhulsel uit een fijn vliesje bestaat, dat alle deelen van het imago,
pooten, sprieten, vleugels, ieder afzonderlijk bedekt, zoodat deze,
los tegen het lichaam aanliggend, gemakkelijk herkenbaar zijn. Bij
aanraking beweegt zij zich sterk; meestal ligt zij vrij in een
kunsteloos nest, dat door haar gedurende het laatste tijdperk van
den larvetoestand werd gegraven of uitgeknaagd in de middenstof,
die haar destijds tot verblijfplaats diende; slechts zelden bewoont
de Kever pop een samengelijmd huisje of hangt, indien de larve vrij
op een blad heeft geleefd, met de spits van haar lichaam hieraan,
evenals vele Vlinderpoppen.
Nadat de Kever de pophuid verlaten heeft, verloopt er, al naar zijn
grootte, een meer of minder lange tijd, voordat de chitine-laag,
vooral die van de dekschilden, hard geworden is en haar gewone kleur
verkregen heeft; altijd echter duurt dit, wegens de overvloediger
chitine-bekleeding, merkbaar langer dan bij de meeste overige Insecten.
Het aantal soorten van thans levende Kevers wordt op 80000 begroot;
de vormenrijkdom van deze en, naar het schijnt, ook die van de meeste
overige Insectenorden (behalve de Rechtvleugeligen, de Netvleugeligen
en de Snavelinsecten), is aanmerkelijk toegenomen sedert het einde
van het tertiaire tijdvak, ofschoon men hem ook in deze periode reeds
aanzienlijk mag noemen, zooals blijkt uit de talrijke overblijfselen
van Kevers, die in barnsteen gevonden zijn. Verreweg de meeste van de
circa 1000 bekende soorten van fossiele Schildvleugeligen leefden in
het tertiaire tijdvak; in het secundaire was hun aantal gering. Alle
7 Insectenorden zijn in de Jura- en Lias-lagen vertegenwoordigd, in
de hieraan voorafgaande Trias-formatie echter alleen de Kevers met
de Netvleugeligen en de Rechtvleugeligen. De fossiele Insecten uit
de secundaire lagen zijn nagenoeg zonder uitzondering leden van een
thans uitgestorven orde; toch behoort, naar het schijnt, een enkele
van deze vormen (uit de steenkolenperiode) tot de Kevers.
Over de rangschikking der Kevers, en meer bepaaldelijk over de
samenvoeging der talrijke familiën dezer orde tot groepen, heerscht
veel verschil van meening. In navolging van Zittel zijn hier de
familiën, waarvan enkele leden nader besproken zullen worden, vereenigd
tot 7 groepen: Roofkevers (Adephaga), Knotssprietigen (Clavicornia),
Zaagsprietigen (Serricornia), Bladsprietigen (Lamellicornia),
Ongelijkledigen (Heteromera), Snuitdragers (Rhynchophora) en
Planteneters (Phytophaga). De 4 eerste groepen stemmen gezamenlijk
nagenoeg overeen met de door vele schrijvers aangenomen afdeeling
van de Vijfledigen (Pentamera), met uitzondering echter van de
familie der Lieveheersbeestjes, die de afdeeling der Drieledigen
(Trimera) vertegenwoordigt en hier bij de Knotssprietigen is gevoegd;
de 2 laatste groepen worden door de bedoelde schrijvers gezamenlijk
Vierledigen (Tetramera) genoemd. Deze namen berusten (evenals die
van de 5e groep) op het aantal leden van den voet.
De Veldzandkever (Cicindela campestris) is een buitengewoon vlugge,
middelmatig grootte, groene Kever, die men bij warm weder en
zonneschijn op heiden en zandige wegen (bij ons vooral in de hooge
streken van Gelderland) heen en weer ziet vliegen. Nooit laat hij
echter den mensch zoover naderen, dat men hem nauwkeurig kan nagaan;
terstond vliegt hij schuw op, waarbij men een blauw schijnsel opmerkt
(omdat het nu ontbloote achterlijf deze kleur heeft), gaat echter
spoedig weer op den grond zitten en wel steeds zóó, dat de richting
van het lichaam een hoek vormt met die van den zooeven afgelegden
weg. Hoewel men vele van deze dieren om zich heen ziet, heeft men op
een zonnigen dag niet licht het geluk er een te vangen, tenzij men
van zeer bijzondere kunstgrepen gebruik maakt. Hevig verweert zich het
gevangen exemplaar. Met de sikkelvormige bovenkaken bijt het woedend om
zich heen, stampt met de slanke pootjes en spant al zijne krachten in
om de vrijheid te herkrijgen. De bovenkaken zijn van voren zeer spits,
aan de binnenzijde met 3 lange, spitse tanden gewapend en zóó lang,
dat zij in den toestand van rust elkander flink kruisen. Zij geven
aan het gelaat een woeste uitdrukking en verraden den roofzuchtigen
aard van het dier. De stam van het lichaam is grasgroen; het onderste
gedeelte van de sprieten en de duidelijk behaarde pooten hebben een
roodkoperkleurigen glans; vijf kleine vlekjes aan den buitenrand en
een grootere vlek achter het midden van ieder dekschild, benevens het
groote, niet gekielde kopschild zijn wit, het laatste althans aan
de spits. De grondkleur van de dekschilden en hun teekening kunnen
verschillende afwijkingen vertoonen.
Dezelfde levenswijze heeft de Gewone Zandkever (Cicindela hybrida),
de gemeenste soort ten onzent, die in grooten getale op de duinen en in
lanen van zanderige bosschen, alsmede op de heidevelden voorkomt. Hij
is groenachtig of paarsachtig koperkleurig; de dekschilden hebben van
voren en van achteren een witte, halvemaanvormige, in het midden een
witte, zigzagvormige, dwarse vlek; ook de bovenlip is wit.
Eigenaardig zijn de Zandkever-larven; vooral het blaasvormig gezwollen
onderste deel van het aangezicht en de beide naar voren gerichte
doornen op den rug van den 8en ring na den kop vallen onmiddellijk in
't oog. De hoornachtige kop draagt aan iedere zijde 4 oogen (2 groote
aan de boven-, twee kleinere aan de onderzijde), 4-ledige sprieten
en monddeelen, welke op die van het geslachtsrijpe dier gelijken. De
larve graaft een verticale soms wel 47 cM. diepe buis, ter dikte van
een penneschacht, in den grond en loert aan den ingang op Insecten,
kleine Loopkevers, Mieren en larven. Als zij een dier gegrepen heeft,
daalt zij er mede af naar den bodem van haar hol, bijt het stuk en
zuigt het sap op. De overblijfselen worden naar buiten vervoerd;
de uitgeholde bovenzijde van den kop is voor 't dragen, het gedoornd
zijn van den 8en ring voor 't opstijgen en neerdalen in de buis van
groot belang. Na eenigen tijd verwijdt zij den bodem van haar hol,
maakt den ingang dicht en verandert in een pop, die de aandacht trekt
door de doornachtige uitgroeisels aan weerszijden van den rug; deze
zijn op het vijfde lid van het achterlijf bijzonder sterk ontwikkeld
en doen waarschijnlijk dienst bij het te voorschijn komen van den
Kever uit den grond. De duur van den poptoestand bedraagt, naar het
schijnt, slechts 14 dagen.
De familie van de Zandkevers (Cicindelidae) omvat 35 geslachten met
omstreeks 800 soorten (waaronder 4 Nederlandsche). Deze Insecten
hebben een bijzondere voorliefde voor droge zandige oorden, zoowel
in het binnenland als bij de zee, in vlakten niet minder dan in
bergstreken; het meest ontmoet men ze echter in warme gewesten. Door
levenswijze, lichaamsvorm en grootte (gemiddeld 12 à 15 mM.) stemmen
zij overeen. De mannetjes zijn kenbaar aan de drie eerste leden der
voorpooten, die bij hen aanmerkelijk verbreed zijn. De buitenste
kaaklob van de onderkaak heeft den vorm van een tweeledigen taster;
de binnenste kaaklob draagt aan den top een beweegbaren tand, die
slechts bij uitzondering ontbreekt.
De Loopkevers of Aardtorren (Carabidae) gelijken in allerlei opzichten
en vooral door den tastervormigen bouw van de buitenste kaaklob der
onderkaak zoo zeer op de Zandkevers, dat zij met deze tot één familie
vereenigd zouden zijn gebleven, indien hun niet de beweegbare tand
aan den top van de binnenste kaaklob had ontbroken. Bovendien zijn
hunne bovenkaken minder lang, nooit met spitse tanden langs de geheele
binnenzijde gewapend. De dekschilden reiken meestal tot aan de spits
van het achterlijf, maar zijn bij sommige afgeknot; zij omvatten de
zijden van het lichaam en zijn nu eens glad, dan weer grootendeels
op eenvoudige wijze gestreept, met reeksen van stippels en zeer
verschillende ribben voorzien. Niet zelden ontbreken de achtervleugels
of zijn tot onbeduidende lapjes verkort; deze organen worden trouwens,
zelfs wanneer zij volkomen ontwikkeld zijn, hoogstens alleen 's nachts
voor 't vliegen gebruikt. De bonte kleuren, die bij de Zandkevers zoo
veelvuldig voorkomen, zijn hier uitzonderingen; de meeste Loopkevers
hebben wegens hun effen zwarte, groene, koperroode of bronsbruine
kleur een zeer eentonig uiterlijk. Zij mijden het zonlicht veeleer,
dan dat zij het zoeken en houden zich daarom over dag bij voorkeur
verborgen onder steenen of aardkluiten, in rottend hout, enz.;
het zijn nachtelijke roovers, die zich met andere dieren voeden. De
grootste soorten worden ook wel Schallebijters genoemd.
De larven zijn ongelukkig slechts van weinige soorten bekend. Zij
onderscheiden zich door een langwerpig lichaam met 2 (meestal harde,
ongelede) aanhangsels aan het laatste achterlijfssegment, 6 pooten en
een naar voren gerichten kop. De bovenkaken dienen meestal uitsluitend
voor het vasthouden en wonden, niet voor het stukbijten van den buit,
die met de mondopening wordt uitgezogen.
Men kent ongeveer 9000 soorten van Loopkevers; zij bewonen de geheele
aarde, schijnen in de gematigde en de koude streken alle overige
Kevers in aantal te overtreffen, dringen tot in de koudste gewesten
en tot op de hoogste bergen door en zijn voor sommige oorden zeer
karakteristiek; sommige soorten n.l. komen uitsluitend in bergstreken,
nooit in de vlakte voor, andere uitsluitend in heete gewesten.
De Gewone Oeverlooper (Elaphrus riparius) herinnert in vele opzichten
aan de Zandkevers, vooral door de uitpuilende oogen en den vorm
van het geheele lichaam, dat echter steeds kleiner is. Ook door zijn
levenswijze kan men hem als een overgangsvorm tusschen de Zandkevers en
de Loopkevers beschouwen. Hij houdt n.l. van zonneschijn en doorloopt
zijn jachtgebied zeer snel; hij jaagt evenwel niet op droge plaatsen,
maar doorzoekt slijkerige waterkanten, den bodem van uitdrogende
plassen en vochtige, schraal met gras begroeide weiden. Bovendien
vliegt hij niet telkens op om aan vervolgingen te ontkomen, maar
vertrouwt alleen op de snelheid zijner voeten en op de mogelijkheid
om een veilige schuilplaats te bereiken. Hier houdt hij zich ook
bij ongunstige weersgesteldheid op om niet opgemerkt te worden door
den Gelen Kwikstaart, de Pluvieren en andere insectenetende Vogels,
die op dezelfde plaatsen het talrijke ongedierte, dat in de zon zich
koestert, overvallen en verslinden.
Het metaalachtig groene lichaam is overvloedig gestippeld; op elk
dekschild prijken 4 reeksen van paarse wratjes, die ieder te midden
van een kuiltje geplaatst zijn. Bovendien komt bij deze soort een
muziekinstrument voor: de rug van den voorlaatsten achterlijfsring
is n.l. in 3 velden verdeeld, waarvan de beide zijdelingsche ieder
aan den achterrand een eenigszins gebogen, met tandjes bezette lijst
dragen. Deze lijsten wrijven, bij bewegingen van het achterlijf,
tegen een uitpuilende, holle, aan den buitenkant sterk gerimpelde
ader aan de oppervlakte van de dekschilden.
Om den liefhebber van de natuur een goede voorstelling van de
familie der Carabiden te geven is geen harer geslachten beter
geschikt dan dat der Loopkevers i.e.z. (Carabus) of een zijner
naaste verwanten. Door hun aanzienlijke grootte, hunne metaalachtige
kleuren en hun lichaamsvorm, waarin de eigenaardigheden der familie
goed uitkomen, trekken deze Kevers ook reeds in de vrije natuur, te
midden van de talrijke andere middelmatig groote of kleine soorten,
maar beter nog in een goed gerangschikte verzameling onmiddellijk de
aandacht, zelfs van den leek op dit gebied. Gemiddeld is hun lengte
22 mM.; vele soorten zijn grooter; terwijl van slechts weinige de
lengte niet meer dan 15 mM. bedraagt. De kop is naar voren gericht en
aanmerkelijk smaller dan het halsschild; de bovenlip splitst zich in
2 lobben; de inkerving aan de kin draagt een krachtigen middeltand;
het eindlid van den taster is bijlvormig. Het halsschild is scherp
gescheiden van de dekschilden, die een eivormig geheel uitmaken en
in kleur met het halsschild en den kop overeenstemmen, hoogstens aan
den buitenrand een levendiger kleur vertoonen, maar wat de sculptuur
van de oppervlakte betreft, zeer verschillend kunnen zijn. Behoudens
enkele soorten, welker leden bij uitzondering in 't bezit zijn van goed
ontwikkelde vleugels, zijn deze steeds rudimentair of afwezig, zoodat
alle Carabus-soorten alleen als flinke voetgangers in hun onderhoud
kunnen voorzien. Goudgroen, blauw en bronsbruin zijn de metaalkleuren,
die, nevens zwart, bij de Caraben voorkomen en verschillende nuances
vertoonen in verband met de tot woonplaats dienende streek.
De Carabus-soorten zijn beperkt tot de gematigde gewesten van het
noordelijk halfrond; met uitzondering van eenige groote soorten, die
Syrië, Palestina en den Kaukasus bewonen, reikt haar verbreidingsgebied
in de Oude Wereld niet verder dan de oeverlanden van de Middellandsche
Zee; in Noord-Amerika begeven zij zich verder zuidwaarts en zijn zelfs
in Zuid-Amerika (in Chili) door 10 soorten vertegenwoordigd. Vele
soorten bewonen uitsluitend bergstreken; die van de Pyreneeën zijn
prachtig; over 't algemeen komen dezelfde soorten ook in de Duitsche
gebergten voor. Hunne meest geliefde schuilplaatsen zijn onder steenen
op berghellingen en in half vergane boomstronken gelegen; hier heeft
de insectenverzamelaar na de tweede helft van Augustus de meeste
kans om hen te vinden. Hier of te midden van het mos bevond zich hun
geboorteplaats; hier houden zij zich over dag verborgen, hier brengen
zij den winter in een toestand van verstijving door. De soorten,
die de vlakten bewonen, vinden in de wouden dezelfde gelegenheden
om zich te verbergen, in de tuinen en op akkers althans steenen,
aardkluiten, graspollen, muizegaten en dergelijke plaatsen, die hen
in staat stellen om zich tegen het zonlicht te beschutten en waar
zich Slakken, Aardwormen, larven van Insecten en dergelijke tot prooi
geschikte dieren ophouden. Gedurende den nacht gaan zij op roof uit,
maar kruipen weer weg, zoodra de zon zich boven de kim verheft.
Slechts van weinige soorten zijn de larven bekend; deze stemmen
niet slechts door haar levenswijze, maar ook door haar uitwendig
voorkomen overeen. Het langwerpige, halfrolvormige lichaam is op den
rug glanzig zwart, op den buik lichter van kleur. De vierhoekige,
naar voren gerichte kop is met 4-ledige sprieten, 6-ledige, bruine
tasters, sikkelvormige bovenkaken en aan iedere zijde met 6 in een
kring geplaatste oogen voorzien; de kleine mondopening is alleen voor
't zuigen geschikt. De larven bewonen dezelfde plaatsen en hebben
dezelfde levenswijze als de Kevers; gewoonlijk duurt het larveleven
van het begin der lente tot in den herfst, waarschijnlijk heeft de
ontwikkeling echter niet overal in denzelfden tijd plaats.
De breede, witte pop ligt in de vooraf vergroote holte, die zij als
larve het laatst bewoonde en ontwikkelt zich waarschijnlijk in korten
tijd tot imago.
De Tuinloopkever (Carabus hortensis) wordt vaker op akkers dan
in tuinen aangetroffen; bij de dofzwarte grondkleur van het fijn
gestreepte dekschild steken de rand en 3 reeksen van ondiepe kuiltjes
door koperachtigen glans als juweelen af en maken een zeer fraai
effect. Noordwaarts strekt het verbreidingsgebied van deze soort zich
tot Zweden uit, zuidwaarts tot Tirol en Zwitserland, oostwaarts tot
Rusland; in de wouden van 't oosten van Duitschland vindt men haar
veel, bij ons in tuinen.
De Goudgroene Loopkever evenals verscheidene andere Kevers van
dezelfde kleur, ook wel Gouden Tor genoemd (Carabus auratus),
wordt bij ons en in het westen van Duitschland gedurende den zomer
op akkers en in tuinen hier en daar veelvuldig waargenomen. In de
omstreken van Wittenberg, in Brandenburg en Pommeren ontbreekt hij
bijna geheel, hoewel men hem in Pruisen aantreft; in Engeland en
Zweden is hij zeldzaam, daarentegen in Frankrijk en Zwitserland goed
vertegenwoordigd. De ribben op de dekschilden zijn bij hem bijzonder
duidelijk; op ieder dekschild zijn er 3 die even sterk uitkomen als de
naad; de tusschenruimten, die zij overlaten, zijn fijn gerimpeld. De
onderzijde van den Kever is glanzig zwart, de bovenzijde metaalachtig
groen; de pooten en de basis van de zwarte sprieten zijn rood.
Zeer nauw verwant aan de zooeven besproken Loopkevers is de
Poppenroover (Calosoma sycophanta). Van het geslacht Carabus verschilt
hij door de in 't oog loopende kortheid van het tweede sprietlid,
door den vorm van het dwars gerichte, aan de zijden sterk afgeronde
halsschild, door de breede, nagenoeg vierzijdige dekschilden en de
meestal volkomen ontwikkelde vleugels. De Poppenroover en zijne over de
geheele wereld verbreide verwanten bewegen zich ook wel op den grond,
bij voorkeur echter op boomstammen. Bij deze klimmen zij op en af,
zoekend naar rupsen, poppen van Vlinders en larven van andere in de
open lucht levende Insecten, die zij zeer gulzig verslinden; de naam
Klimloopkevers past dus goed bij dit geslacht.
De genoemde inheemsche soort is staalblauw met groenachtigen of
roodachtigen goudglans op de regelmatig gestreepte, ieder met 3
reeksen van ongedeukte stippels voorziene dekschilden; de monddeelen,
de sprieten (met uitzondering van hun bleekere spits) en de krachtige
pooten zijn glanzig donkerzwart. Men vindt dezen Kever, hoofdzakelijk
in naaldhoutbosschen, in rupsenjaren bijzonder overvloedig; zijn
werkzaamheid draagt dus bij tot het herstellen van het verstoorde
evenwicht. Men heeft in zulk een tijd opgemerkt, dat dezelfde Kever
wel 10 of 15 maal in een boom klom, met een Gestreepte Dennenrups
naar beneden kwam vallen, deze verslond en dan dezelfde werkzaamheden
herhaalde. In het laatst van den zomer verlaat het volkomen Insect
de pophuid; het paart na den winter.
Een eivormige, van achteren weinig versmalde kop, dikke, draadvormige
sprieten, een hartvormig halsschild, dekschilden, die van achteren
breed afgeknot zijn en een plomp, van boven naar onderen weinig
samengedrukt lichaam treft men aan bij een groot aantal Loopkevers, die
uitwendig zeer veel op elkander gelijken en ook in gewoonten een groote
overeenkomst vertoonen. Vooral verdient vermelding, dat zij gezellig
onder steenen of tusschen boomwortels leven en voor 't meerendeel
het vermogen bezitten, om ter hunner verdediging een onaangenaam
riekenden damp met gedruisch uit het uiteinde van het achterlijf
te laten ontsnappen, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot den naam
Pistoolkevers (Brachinus), waarmede dit geslacht wordt aangeduid. Zeer
duidelijk kan men dit schieten waarnemen en het eigenaardig gedruisch
hooren, dat er mede gepaard gaat, wanneer men zulk een Kever, zooals
insectenverzamelaars dikwijls doen, in een fleschje met spiritus
werpt. Eenige malen achtereen hoort men een tamelijk luid gesis,
voordat de ter dood veroordeelde, na zijn kruit verschoten te hebben,
de wapens neerlegt. Deze merkwaardige Kevers komen in alle landen voor
met uitzondering van Australië; in de warme gewesten is het aantal
soorten grooter dan verder noordwaarts. Een van de grootste is de
hoogstens 8 mM. lange Bombardeerkever (Brachinus crepitans); de kop
met de sprieten, het halsschild en de pooten zijn steenrood, de zwak
gegroefde dekschilden donkerblauw, de nog niet genoemde onderdeelen
zwart. Deze soort is over geheel Middel-Europa verbreid, doch komt
in de zuidelijke landen veel talrijker voor dan in de noordelijke.
Van alle Carabiden heeft ongetwijfeld de Spookloopkever (Mormolyce
phyllodes), die de Javaansche wouden, zelfs in zeer hooge bergstreken,
bewoont, de zonderlingste gedaante. Hij kan een lengte van 78
mM. bereiken. De afbeelding, die naar een kleiner exemplaar gemaakt
is, toont duidelijk den zeer langen, bijna lijnvormigen, platten kop,
de buitengewoon lange sprieten en de breede dekschilden, die zich
bladvormig voorbij de zijden van het lichaam uitbreiden. De sprieten
en de pooten zijn zwart, de overige lichaamsdeelen glanzig roetbruin,
de dunne doorschijnende randen iets lichter. Zijn larve komt door haar
langwerpigen vorm met die der inheemsche Carabus-soorten overeen, doch
heeft een ronderen kop en ook de zijden van den stam meer afgerond;
het laatste lid draagt twee draadvormige aanhangsels.
In belangrijke opzichten wijken de Vingerkevers (Scarites) van hunne
naaste verwanten af. De breede, langs den buitenrand scherp getande
voorteenen verraden geschiktheid voor 't graven en onderscheiden zich
bovendien door een diepe inkerving aan de onderzijde van de spits
en door twee beweegbaar aangehechte einddoornen. Aan den grooten,
vierkanten kop overtreffen de dreigend vooruitgestoken bovenkaken de
overige monddeelen in hooge mate. Dit geslacht omvat ongeveer 100
soorten, die alle een effen zwarte kleur en voor 't meerendeel een
aanzienlijke grootte hebben; zij bewonen uitsluitend de warme gewesten
van alle werelddeelen. Aan de oevers van rivieren, aan de zeekust en
op andere plaatsen waar het graven mogelijk is, bewonen zij gangen van
hun eigen maaksel, die zij over dag niet gaarne verlaten en welker
ingang door hun lichaam gesloten is, terwijl zij op buit loeren. Na
zonsondergang komen zij voorzichtig uit hun woning te voorschijn,
maar keeren er onmiddellijk in terug, zoodra zij gevaar vermoeden;
zij gedragen zich dus in dit opzicht als onze Veldkrekels. Met het
toenemen der duisternis vermeerdert hun moed en strekken zij hunne
rooftochten verder uit.
De Reuzen-vingerkever (Scarites gigas) heeft tot kenmerken glanzige,
stomp eivormige dekschilden zonder eenige strepen of stippels en een
korten tand aan den zijrand van het halsschild. Hij bewoont de kusten
van de Middellandsche Zee en is moeielijk te vangen. Zijn blinde larve
leeft, in tegenstelling met die van de meeste andere soorten, diep in
't zand verborgen; zij is traag van aard en zoekt haar voedsel niet
aan de oppervlakte.
Het is ons reeds gebleken, dat de levenswijze der Loopkevers veel
verscheidenheid aanbiedt, daar wij vliegende, klimmende en gravende
soorten hebben leeren kennen. Deze gebruiken uitsluitend dierlijk
voedsel; zij hebben echter ook planteneters onder hare verwanten. Een
sterk gewelfd, dwars gericht, rechthoekig halsschild, dat nauw aansluit
tegen de van voren even breede en eveneens sterk gewelfde dekschilden
zijn de oorzaken van den gedrongen, minder sierlijken lichaamsvorm,
waaraan het geslacht Zabrus kenbaar is. De bekende soorten bewonen
hoofdzakelijk de landen om de Middellandsche Zee en de Azoren,
eenige weinige vindt men in Midden-Europa; slechts van één soort
strekt het gebied zich uit van Portugal tot Pruisen en van Cyprus
tot Zweden. Deze zoo ver verbreide soort is de Bultige Loopkever
of Graanloopkever (Zabrus gibbus), die zich van zeer ongunstige
zijde heeft doen kennen in streken, waar hij zich in groote menigte
vertoonde. Niet slechts de larven, maar ook de volwassen Insecten
kunnen in dit geval groote schade aanrichten. Van hun vorm en grootte
geeft de afbeelding een voorstelling; tot aanvulling diene, dat de
Kever van boven zwart of zwartbruin, op de platte onderzijde en aan
de pooten lichter, n.l. pekbruin van kleur is; het halsschild heeft
rechthoekige achterhoeken en is aan de basis dicht en fijn gestippeld;
de dekschilden zijn van diepe voren voorzien en hier gestippeld; de
vleugels zijn goed ontwikkeld. De Bultige Loopkever bewoont de rogge-,
tarwe- en gerstakkers of hun omgeving gedurende den tijd waarin de
graanvruchten nog een melkachtigen inhoud hebben. In den zomer heeft
de laatste gedaantewisseling plaats. Zoodra de zon onder de kim
gedaald is, verlaat de Kever zijn schuilplaats, klautert langs een
halm der genoemde graansoorten omhoog, tot hij de aar bereikt heeft,
zet zich schrap, zoodra hij de korrels nog week vindt, schuift met de
voorpooten de kroonkafjes vaneen en beknabbelt de korrel, van boven
beginnend. Bij deze bezigheid toont hij zulk een grooten ijver,
dat zoomin een windstoot als een andere onverwachte beweging van
den halm in staat is hem van zijn verheven zitplaats naar beneden
te doen tuimelen. Men vindt de aren meestal van onderen tot boven
beknaagd en verropt; in de eene zijn meer, in de andere minder
korrels aangevreten. Het wijfje legt kort daarna hoopjes eieren,
waarschijnlijk op korten afstand van de oppervlakte, op grassen die
aan den rand van den akker en in de greppels groeien.
De larve laat niet lang op zich wachten; zij voedt zich met
malsche kiemplantjes en de binnenste bladen van grassprietjes
en is herhaaldelijk, soms reeds in den herfst, vaker echter na de
overwintering in het voorjaar, bij het vernielen van het winterkoren
betrapt. Men zal haar niet licht verwarren met andere larven, die
zich in soortgelijke omstandigheden op den akker bevinden; zij heeft
in alle opzichten het voorkomen van een loopkeverlarve. Kort voor den
overgang in den poptoestand is zij gemiddeld 28 mM. lang. Over dag
houdt zij zich 150 mM. diep of dieper in een door haar zelf gegraven
gang op en komt hieruit 's avonds en 's nachts te voorschijn om
voedsel te zoeken. De wijze waarop de larve vreet, en hare overige
gewoonten zijn zeer eigenaardig. Ook van haar geldt, wat reeds van
de andere loopkeverlarven werd opgemerkt: zij maakt de blaadjes van
het winterkoren niet fijn om ze te verzwelgen, maar kauwt ze stuk
om uit de hierdoor verkregen brijachtige stof het sap te zuigen;
dientengevolge verandert zij in den herfst de dan nog teere plantjes
geheel, in de lente de pas uitgebotte spruiten, althans sommige
van deze, in kluwentjes, die weldra verdrogen, afvallen en als
droge propjes den bodem bedekken. De Aardworm brengt verschijnselen
teweeg, die zeer veel op de genoemde gelijken. Op deze wijze worden
de graanplantjes vóór den winter geheel, na den winter gedeeltelijk
vernield; dit geschiedt aan den omtrek der akkers het eerst, verder
naar 't midden op sommige plaatsen.
De nakomelingen van de Kevers, die tegen het midden van Juni geboren
zijn, overwinteren als larven van verschillende grootte, gaan, na de
overwintering, tegen het midden van Mei, in het verwijde onderste
gedeelte van de door hen bewoonde gang in den poptoestand over en
worden binnen 4 weken Kevers; men heeft hier dus te doen met een
éénjarige generatie. Evenals de andere Loopkevers, houden ook deze
zich niet altijd strikt aan den genoemden tijd; reeds in het begin
van de lente merkt men enkele exemplaren in den imago-toestand op.
De nadenkende wandelaar, die behagen schept in de schoone natuur
en ook op kleine onbeduidende voorwerpen let, krijgt af en toe ook
Loopkevers onder de oogen. Om de in 't water levende Insecten te leeren
kennen moet men echter meer vrijen tijd en meer belangstelling voor de
natuur hebben dan een wandelaar in den regel heeft; men moet plassen,
poelen, slooten met stilstaand water opzoeken en hier goed uit de
oogen zien. Ieder die niet geheel onverschillig is voor de dieren,
welke in het water tijdelijk of voortdurend verblijf houden, hier op
buit loeren of zelf opgevreten worden, zal merkwaardige tooneeltjes
kunnen aanschouwen. Het moorden, dat onder de bewoners van de lucht
en van de aarde geen einde neemt, hoewel hier ruimte genoeg is om
elkander uit den weg te gaan, maakt nagenoeg het eenige beroep uit
van hen, die door het noodlot samengebracht zijn in een poel, waar
zoo weinig gelegenheid tot vluchten bestaat, dat de zwakke altijd
het slachtoffer wordt van zijne sterkere vijanden. Indien het ons
mocht gelukken om door eenige mededeelingen over de gewoonten van de
Waterroofkever de belangstelling van den lezer voor deze verschijnselen
te wekken en hij hierin aanleiding vond om zelf eens een enkele maal
de woonplaats der Dytiscen te bezoeken en hun levenswijze na te gaan,
zouden wij ons doel bereikt hebben; ruimschoots zal hij, die dezen
raad volgt, voor zijn moeite beloond worden door de vele merkwaardige
verschijnselen, die hem onder de oogen zullen komen en waarvan wij
slechts enkele kunnen behandelen.
De Water-roofkevers (Dyticidae, Dytiscidae, Hydrocanthari) zijn
Loopkevers, die door hun lichaamsbouw in staat gesteld worden om zich
in 't water op te houden. Daar dit leven meer afwisseling biedt dan
het leven in de lucht en op den grond, vertoont deze familie een veel
minder grooten rijkdom van vormen dan de vorige; door het maaksel
van de monddeelen en sprieten komt zij er mede overeen; het lichaam
van de Water-roofkevers is echter breeder en platter, zijn omtrek
regelmatig ovaal. De pooten, vooral die van het achterborststuk,
zijn breed; vele borstels langs den rand vergrooten hun oppervlakte
en maken hen beter geschikt voor het roeien. Hoewel de Dyticiden het
vermogen om te zwemmen bezitten, zijn zij in het vliegen volstrekt
niet onbekwaam. Daar zij bijna uitsluitend in stilstaande wateren
leven en vele van deze des zomers uitdrogen, zouden zij ten doode
gedoemd zijn, indien de vleugels hen niet in staat stelden om een
andere woonplaats op te zoeken. Over dag blijven zij in 't water;
des nachts of bij schemerlicht verlaten zij hun element door langs
een waterplant omhoog te kruipen. Hierdoor wordt het verklaarbaar,
waarom men in regentonnen en dergelijke watervergaarbakken de grootste
soorten te zien krijgt, waarom men ze 's morgens op grooten afstand
van hun gewone verblijfplaats hulpeloos op den rug ziet liggen op de
glazen vensters van serres en broeibakken, die door hen ongetwijfeld
voor een glinsterenden waterspiegel gehouden werden. Zeer vele maken
van hunne vleugels gebruik, om onder het mos in de bosschen een
winterkwartier op te zoeken. Daar zij niet door kieuwen ademen,
moeten zij boven het water komen om lucht te verkrijgen; af en
toe stijgen zij omhoog en gaan als 't ware met de spits van het
achterlijf, waar het laatste paar luchtbuizen uitmondt, aan den
waterspiegel hangen om versche lucht op te nemen en tusschen de haren,
die den buik als met een laag vilt bekleeden, mede te voeren naar de
diepte. Vooral door warmen zonneschijn worden zij naar de oppervlakte
gelokt en tot krachtiger werkzaamheid aangespoord; bij donker weer
daarentegen kruipen zij in den modder of zitten onder waterplanten
verscholen, want in een plas waar deze ontbreken, vindt men evenmin
Dytiscen. Verreweg de meeste leden van deze familie hebben zeer
groote, naar voren breeder wordende achterheupen en bewegen bij
't zwemmen beide achterpooten gelijktijdig. Eenige kleinere soorten
(de Watertreders) hebben achterheupen, die overal even breed zijn of
naar achteren breeder worden en bewegen bij 't zwemmen de achterpooten
om beurten. Zeer veelvuldig is ten onzent de geelbruine, 3 mM. lange
Roodhalzige Beekzwemkever (Haliplus ruficollis).
Ten aanzien van de larven moeten wij weder onze groote onwetendheid
bekennen; aan de weinige die beschreven zijn, merkt men 6 slanke,
door wimpers verbreede pooten op, die in twee klauwen eindigen;
haar lichaam bestaat uit een kop en 11 leden, die op den rug met
chitine-schilden bekleed zijn, met uitzondering van het laatste,
buisvormige lid, dat geheel hard is en in twee gelede en vedervormig
behaarde aanhangsels uitloopt. De horizontaal naar voren gerichte,
platte kop is gewapend met onvertakte, sikkelvormige bovenkaken. Deze
organen dienen niet slechts voor het vasthouden en wonden van buit,
maar wegens het ontbreken van een mondopening ook als ingangsweg tot
het spijskanaal. Zij zijn van een aan de spits geopend, overlangsch
kanaal voorzien en vormen een zuigtoestel, waarmede het vloeibare
voedsel opgenomen wordt.
Men kent ongeveer 600 soorten van Water-roofkevers; deze zijn over de
geheele aarde verbreid, maar vooral in de gematigde gewesten talrijk;
zij stemmen zoowel door hun vorm als door hun meestal eentonige kleur
overeen; dit geldt zelfs voor de bewoners van tropische gewesten,
die volstrekt niet fraaier zijn dan de inheemsche soorten. Tegen den
herfst ontmoet men ze in de grootste hoeveelheid; al deze zijn, naar
het schijnt, sinds kort in den imago-toestand overgegaan en zoeken
een winterkwartier.
De Randkever (Dyticus marginalis) is een van de grootste leden
der geheele familie. Zijn lichaamsbouw en de gelijkmatig roeiende
achterpooten stellen hem tot een vlugge beweging in staat: die,
welke zooeven nog met de uiterste spits van 't achterlijf aan den
waterspiegel hing, schiet in 't volgende oogenblik naar de diepte,
kruipt rond in 't slijk van den bodem of verdwijnt in het doolhof
van gangen tusschen de daar groeiende planten, komt er weder
uit te voorschijn en vervolgt zoolang een kleine larve of een
anderen medebewoner van den vuilen poel, tot hij het lekkere hapje
triomfantelijk tusschen de scherpe kaken vasthoudt. De middel- en
voorpooten zijn voor 't klimmen en vasthouden ingericht, bij het
mannetje en het wijfje echter verschillend van maaksel. De 5 leden
van den voet zijn bij 't wijfje een weinig zijdelings samengedrukt en
nagenoeg gelijk aan elkander. Bij het mannetje zijn de drie eerste
leden van den voet der middelpooten, evenals bij vele Loopkevers,
aan den zool met korte, stijve haren bij wijze van een borstel
dicht begroeid. Aan de voorpooten zijn de 3 eerste leden van den
voet vereenigd tot een cirkelronde schijf, die langs den rand met
haartjes bezet is en op den zool, behalve een groot aantal kleine,
2 grootere zuignapjes draagt. Deze eenvoudige toestel is bijzonder
doelmatig. Wanneer het dier zijne voorpooten plat tegen een lichaam
aandrukt, b.v. tegen een in 't water liggend aas of de gladde
oppervlakte van zijn wijfje, komt de binnenzijde der napjes er ook
mede in aanraking; wanneer deze door een in 't midden aangehechte
spier teruggetrokken wordt, zal er een luchtledige ruimte ontstaan,
die de pooten steviger doet vastzitten, dan met een tienmaal grootere
spierwerking mogelijk zou zijn geweest.
De geheele oppervlakte van het lichaam is altijd glanzig, nooit
vochtig, van boven donker olijfgroen met uitzondering van een
overal even breeden, gelen rand om het halsschild, die zich langs
den buitenrand der dekschilden voortzet en naar achteren allengs
verdwijnt. De dekschilden leveren bij vele Dyticus-soorten, waar hun
grootste voorhelft bij het wijfje sterk gegroefd is, een middel tot
onderscheiding van de geslachten, dat echter bij onzen Randkever geen
volkomen zekerheid verschaft, daar men bij deze soort even dikwijls
wijfjes ontmoet, welker dekschilden, gelijk die van het mannetje,
volkomen glad zijn.
De onderzijde van het lichaam en de 11-ledige, borstelachtige sprieten
zijn geel van kleur, de pooten iets donkerder. De groote soorten
van Schallebijters spuwen, als men ze tusschen de vingers neemt, een
onaangenaam riekende, groenachtig bruine stof uit, met het doel om
den vijand schrik in te boezemen en tot loslaten te nopen. Bij den
Randkever en zijne middelmatig groote verwanten scheiden de voor-
en achterrand van het halsschild een melkachtig witte vloeistof uit,
die eveneens een onaangenamen reuk verbreidt.
Om de ontwikkelingsgeschiedenis van deze Water-roofkevers nader te
leeren kennen, zou men er eenige in een aquarium kunnen plaatsen,
welks bodem met een laag grint en met eenig slijk bedekt moet
zijn en, in plaats van de gewone rots, in het midden eenige zoden
moet bevatten. Wegens de groote vraatzucht dezer dieren kost het
eenige moeite, hun een voldoende hoeveelheid voedsel te verschaffen;
mierenpoppen, jonge Kikvorschen en vischjes, waterslakken, een doode
Muis en dergelijke voedingsmiddelen kunnen echter het gemis van kleine,
weeke waterinsecten vergoeden. In de lente heeft de voortplanting
plaats: het wijfje omvat met de voorpooten onder water den stengel van
een waterplant, houdt intusschen de zwempooten scheef omhoog gericht
en laat de spits van het achterlijf naar onderen ver uitsteken. Uit
deze scherpe spits komt een korte legboor te voorschijn, waarmede in
den bedoelden plantenstengel een insnijding wordt gemaakt, die als
bergplaats voor verscheidene ovale eieren dient. Deze zijn ongeveer
2.25 mM. lang, geel van kleur en ontwikkelen zich na omstreeks 12
dagen tot larven. Nietig kleine wormpjes, die een kolossale vraatzucht
toonen en elkander niet sparen, krioelen dan in het water rond. Reeds
na 4 of 5 dagen zijn zij bijna 10 mM. lang en vervellen voor de eerste
maal; na een periode van gelijken duur is hun grootte verdubbeld en
verwisselen zij ten tweeden male van kleed, vervolgens na een tijdperk
van even snellen groei voor de derde maal. Later heeft de larve meer
voedsel noodig en neemt minder sterk in omvang toe. Met geopende kaken
wacht zij rustig, tot het noodlot een larve van een Mug of een Haft,
een kikkervischje of een dergelijk diertje in haar nabijheid voert,
neemt een gunstig oogenblik te baat, schiet met eenige slangsgewijze
kronkelingen van het lichaam op haar slachtoffer toe en grijpt
het. Nu begeeft zij zich naar den bodem, houdt zich met de pooten aan
een waterplant vast en zuigt haar prooi uit. Om zich te verpoppen,
kruipen de larven in een holte van de zoden, waar zij de bedoelde
gedaantewisseling in ongeveer 14 dagen ondergaan. Na een rusttijdperk,
dat in den zomer gemiddeld 3 weken duurt, verkrijgt de huid van de
pop in den nek een scheur, waardoor de jonge Kever na moeitevollen
arbeid te voorschijn komt. De larven, die eerst in den herfst pop
worden, overwinteren in dezen toestand. Voordat de pasgeboren Kever
op zijne ouders gelijkt, moet er nog geruimen tijd verloopen. Het
eerst ontwikkelen zich de ineengerolde, uiterst teere vleugels en
hunne dekschilden; de Kever is dan, wat zijn vorm betreft, gereed,
maar moet nog wachten op het verharden van zijn buitengewoon weeke,
geelachtig witte huid. De Randkever en zijne verwanten richten in de
vischvijvers schade aan door het verslinden van jonge vischjes.
Meer nog dan de Water-roofkevers moeten de Draaikevers (Gyrinus)
de aandacht trekken van iemand, die slechts eenige oogenblikken
zijne blikken onderzoekend over stilstaand water laat weiden: de
staalblauwe, in 't zonlicht letterlijk schitterende kevertjes kunnen
niet onopgemerkt blijven. Licht zou het denkbeeld in hem kunnen
opkomen, dat er geen vroolijker, gelukkiger schepseltjes bestaan dan
deze. Slechts kort blijft een klein gezelschap op één punt vereenigd,
ieder diertje schiet heen en weer, het eene beschrijft een grooten
kring, een tweede volgt, een derde voltooit den boog in tegengestelde
richting, een vierde teekent spiraalvormige of andere kromlijnige
figuren, de telkens afwisselende bewegingen brengen de zwemmers soms
nader bij elkander, soms verder uiteen. Zoo gaat het bij zonneschijn
of ook wel zonder dat de zon hare stralen schiet, wanneer de lucht
slechts warm en zoel is; op gure, onaangename dagen ziet men van de
Draaikevertjes geen spoor; zij houden zich verborgen tusschen planten
aan den waterkant of op den bodem van 't water. Om hunne handelingen
in deze omstandigheden na te gaan is hun natuurlijke verblijfplaats
niet zeer geschikt; beter kan dit geschieden in een aquarium. Wanneer
de Draaikever duikt, neemt hij een luchtbel naar de diepte mede,
die als een zilverachtig glinsterend pareltje aan de spits van 't
achterlijf hangt. Deze luchtbel is ongetwijfeld door het een of ander
vettig omhulsel van het water gescheiden, daar men haar plat drukken
kan. Onder water gaat de Kever op een plant zitten, waaraan hij zich
vooral met de middelpooten vasthoudt en steekt de lange voorpooten
herhaaldelijk naar voren uit, evenals een mensch bij 't zwemmen de
armen beweegt; soms strijkt hij zich hiermede over den kop en het
voorste deel van den rug, zooals andere Insecten doen om zich te
"poetsen". Bovendien dienen de voorpooten voor het beklimmen van
een waterplant of om zich eenvoudig hieraan vast te houden, als de
Kever tot afwisseling het overige lichaam wil laten zweven. Evenals
de Water-roofkevers kunnen ook de Draaikevers vliegen; zonder dit
vermogen zouden zij in sommige omstandigheden niet in 't leven kunnen
blijven. Voordat zij opvliegen, kruipen zij bij een waterplant omhoog,
bewegen, terwijl zij de dekschilden oplichten, het achterlijf vlug
heen en weer, maken ten slotte de pooten van hun steunpunt los en
verheffen zich gonzend in de lucht.
De Duikende Draaikever (Gyrinus mergus), een der meest verbreide
soorten, verschaft ons gelegenheid om de eigenaardigheden van het
geheele geslacht te leeren kennen. Ovaal van omtrek als de leden der
vorige familie, is hij echter aan de buikzijde meer platgedrukt,
aan de rugzijde boller; de dekschilden zijn van achteren afgeknot
en laten de spits van het achterlijf onbedekt. De voorpooten hebben
een vrijen, kegelvormigen heup en zijn bij wijze van armen verlengd;
de beide volgende paren, welker heupen onbeweeglijk vergroeid zijn met
het borstpantser en welker scheen en voet gezamenlijk een ruitvormige
plaat uitmaken, zijn echte vinnen geworden. De sprieten zijn slechts
kleine stompjes. Een hoogst eigenaardige inrichting vertoonen de
oogen, daar ieder door een breede dwarsstrook in een bovenste en een
onderste helft verdeeld is, zoodat de Kever bij het zwemmen aan de
oppervlakte tegelijk naar onderen in het water en naar boven in de
lucht, doch waarschijnlijk niet in de richting van den waterspiegel
kan kijken. Tot nadere aanduiding van de bovengenoemde soort moet hier
nog bijgevoegd worden, dat aan het zeer glanzige, staalblauwe lichaam
de omgeslagen rand van het halsschild en van de dekschilden, benevens
de pooten roestrood zijn en dat de tot overlangsche reeksen vereenigde
fijne stippeltjes in de nabijheid van den naad door fijnheid uitmunten
boven die, welke overigens op de dekschilden voorkomen. De larve is
lang, smal en van boven plat; haar lichaam bestaat uit een tamelijk
grooten kop en 12 segmenten, die veel smaller zijn en waarvan de 3
eerste elk een paar schrale pootjes, de overige aan weerszijden een
lang, smal, doorschijnend uitsteeksel dragen, dat als tracheeënkieuw
voor de ademhaling dient. Zij herinnert eenigermate aan een Gewonen
Duizendpoot. Evenals de larven van de Water-roofkevers heeft zij
holle, als een knijptang werkende kaken om haar slachtoffer uit te
zuigen. Vóór den overgang in den poptoestand, vervaardigt zij zich een
aan beide einden spits toeloopenden, perkamentachtigen cocon, die aan
een waterplant of aan een ander boven 't water uitstekend voorwerp
vastgehecht is. Naar het schijnt, geschiedt dit, nadat de larve den
winter rustend heeft doorgebracht. Gemiddeld duurt de ontwikkeling van
de pop tot imago één maand; gedurende den zomer zijn de Kevers druk
in beweging; in het het begin van Augustus worden de eieren gelegd.
Tot de bevolking van de poelen, die de Water-roofkevers en Draaikevers
herbergen, behoort ook nog de familie der Watertorren (Hydrophilidae);
wegens de groote lengte der draadvormige tasters (palpen), welke die
der sprieten evenaart of overtreft, zou men ze ook wel Voelertorren
(Palpicornia) kunnen noemen. Bovendien stemmen deze Kevers overeen,
doordat de dikke, behaarde, meestal breede buitenste lob van de
onderkaak de getande binnenste lob als een kap bedekt. De sprieten
hebben 6 à 9 korte leden; het eerste is langwerpig en onder den zijrand
van den kop in een groeve ingeplant; de laatste vormen een knotsje,
dat tusschenruimten overlaat. De Watertorren openen de reeks der
Knotssprietigen (Clavicornia).
De Pekzwarte Watertor (Hydrophilus piceus) behoort tot een nagenoeg
over de geheele wereld verbreid geslacht, welks leden door grootte
uitmunten; hun ovaal, van onderen min of meer gekield, van boven
tamelijk bol lichaam is plomper van gestalte dan dat van eenigen
anderen Kever. Het eerste van de 9 leden der sprieten is gebogen
en roestrood, de 4 laatste vormen gezamenlijk een bruine, bladerige
knots. Evenals bij de Dyticiden, zijn ook bij de Hydrophilen de voeten
van de beide achterste paren pooten roeiriemvormig verbreed en aan den
binnenrand met borstels gewimperd; het eerste lid is klein en ziet er
bij oppervlakkige beschouwing eenvoudig als een aanhangsel uit; het
tweede is langer dan alle overige voetleden; deze inrichting van den
voet levert een eerste kenmerk voor het geheele geslacht. Het mannetje
kan men van het wijfje gemakkelijk onderscheiden aan het platgedrukte,
bijlvormige, laatste lid van den voorvoet. Een tweede kenmerk van
het geslacht, dat bij de bovengenoemde soort zeer duidelijk uitkomt,
bestaat hierin, dat het borstschild van het middel- en achterborststuk
gezamenlijk een (hier platgedrukte en van voren sterk gegroefde)
kiel vormen, die zich als een scherpe lanspunt over de achterheupen
uitstrekt. De dekschilden zijn overlangs gestreept, en in verband
hiermede bij de spits een weinig geribbeld; aan den naad loopen zij in
een fijn tandje uit. De groenachtig glinsterende, pekzwarte Kever leeft
in stilstaand en stroomend zoetwater. Merkwaardig zijn sommige details
van het inwendig samenstel van dit dier. Een ballonvormige luchtzak
(verwijding van het tracheeënstelsel) van aanzienlijke grootte, welke
uit een uiterst dun vlies bestaat en op de grens tusschen borststuk
en achterlijf voorkomt, is met de andere, zeer talrijke opzwellingen
van de luchtbuizen geschikt om als zwemblaas dienst te doen. Ook het
spijskanaal verschilt aanmerkelijk van dat der overige Waterkevers en
verraadt een uit plantaardige stoffen bestaande voeding. De "algen",
die vele poelen met een viltachtige massa vullen, schijnen hiervoor
zeer geschikt; hiermede heeft men verscheidene Pekzwarte Watertorren
in een aquarium gedurende geruimen tijd met goed gevolg gevoederd.
In April zorgt het wijfje door het leggen van eieren voor haar
nakomelingschap; zij doet dit op een wijze, die een nadere bespreking
verdient en die men bij geen anderen Kever, tenzij bij de naaste
verwanten van den bovengenoemden, waargenomen heeft. Zij gaat aan de
oppervlakte van 't water op den rug liggen onder het drijvende blad
van een plant, dat zij met de voorpooten tegen haar buik drukt. Uit
4 buizen, waarvan 2 verder buiten het achterlijf te voorschijn komen
dan de beide andere, vloeien witachtige draden, die door het heen en
weer bewegen van de spits van het achterlijf tot een spinsel vereenigd
worden, dat den geheelen buik van de spinster bedekt. Zij keert zich
om, zoodat de nu voltooide plaat haar op den rug komt te liggen,
vervaardigt op dezelfde wijze een tweede plaat en voegt beide langs
den rand aaneen. Hiermede gaan ongeveer vijf kwartier voorbij. In
het van voren geopende zakje, dat nu het achterlijf omgeeft, worden,
naarmate het dier zich er voorzichtig uit terugtrekt, ongeveer 50
eieren gelegd. Het duurt een paar uren, voordat de spits van het
achterlijf vrij geworden is. De Tor omvat nu het geopende einde van het
nestje met de achterpooten en begint het te sluiten door draden rondom
de opening te leggen, die hierdoor al kleiner en kleiner wordt. De
sluiting wordt nog versterkt door eenige van boven naar beneden en van
beneden naar boven gesponnen draden, waardoor een driehoekig plaatje
ontstaat, dat de grondslag vormt voor een soort van mastje. Ook
hiervoor leveren de spinklieren de bouwstof. De Kever vervaardigt
dit gekromde hoorntje van op en neer loopende draden, maakt eerst
het breedere benedeneinde en verhoogt dit vervolgens langzamerhand,
totdat de gewenschte lengte bereikt is. Het geheele werkstuk is in
4 à 5 uur voltooid; dan schommelt het kunstig gebouwde hulkje op den
plas tusschen de bladen der waterplanten. Als het door een te sterke
beweging van 't water omkantelt, richt het zich onmiddellijk weder
op; het mastje wijst altijd omhoog, omdat het achterste gedeelte van
't nestje de eieren bevat en dus zwaarder is dan het voorste, waarin
lucht is opgesloten.
Na verloop van 11 à 18 dagen verlaten de kleine larven de eischaal;
zij blijven echter nog eenigen tijd in haar gemeenschappelijke wieg,
waarschijnlijk, totdat de eerste vervelling afgeloopen is. Over de
wijze waarop de larve zich voedt, zijn de meeningen verdeeld. Volgens
sommigen eet zij in haar jeugd plantaardige stoffen en wordt eerst na
verscheidene vervellingen een gulzig roofdier. Volgens anderen is zij
dit reeds van den aanvang af; men zegt, dat allerlei Waterslakken,
welker huisjes zij aan de rugzijde opent, haar liefste spijs
uitmaken. Wanneer zij gegrepen of door den snavel van een Watervogel
getroffen wordt, houdt zij zich dood: haar lichaam hangt dan naar
weerszijden als een ledige, slappe zak naar beneden. Als deze list
niet baat, maakt zij het water in hare omgeving troebel met een zwart,
stinkend vocht, dat door den aars ontwijkt; dit middel beveiligt
haar dikwijls tegen vervolging. De larve neemt gaarne den in onze
afbeelding aangeduiden stand aan. Haar kop is plat en draagt geen
oogen; de stevige bovenkaken zijn in 't midden met een tand voorzien;
de steel van de onderkaken is lang; deze steken dus ver vooruit en
kunnen goed bewogen worden. De pooten zijn kort en eindigen ieder in
één klauw; het spitse eindlid van 't achterlijf draagt van onderen een
paar draadvormige aanhangsels. De volwassen larve verlaat het water en
maakt aan den waterkant in de vochtige aarde een hol, waarin zij zich
verpopt. Tegen het einde van den zomer werpt de Kever de pophuid af;
hij blijft echter op zijn geboorteplaats, totdat de chitine-laag van
zijn huid hard geworden is en begeeft zich eerst daarna te water.
Tot de Kortschilden (Staphylinidae, Brachelytra) brengt men thans
meer dan 4000 soorten van Kevers, die over de geheele aardoppervlakte
verdeeld zijn, maar in Europa het talrijkst voorkomen. Het kenmerk,
waaraan zij hun naam ontleenen, is geschikt om hen zonder moeite
van andere Kevers te onderscheiden; overigens vertoonen zij een
bijzonder groote verscheidenheid, zoowel wat hun houding en levenswijze
betreft, als door het maaksel van enkele voor andere familiën zeer
karakteristieke lichaamsdeelen. De meeste Kortschilden hebben 5-ledige
voeten; soorten met 4 of zelfs met niet meer dan 3 leden zijn in
deze familie echter niet zeldzaam. De sprieten zijn in den regel
draadvormig. Hoewel het lichaam over 't algemeen een langwerpige
gedaante heeft, zijn er toch ook Kortschilden, welker achterlijf als
een rolronde staart aan het rechthoekige voorstuk vastzit, andere van
spoelvormige gedaante, nog andere, die aan de langhalzige Loopkevers
herinneren; naast volkomen cilindrische vormen komen gestalten voor,
die als 't ware van boven naar onderen platgedrukt zijn. De meeste
inheemsche soorten hebben een geringe grootte en een sombere of
vuilgele kleur, waarop nagenoeg geen teekening voorkomt, en vallen
daarom weinig in 't oog; sommige uitheemsche soorten trekken door
haar helderen, metaalachtigen glans een weinig meer de aandacht.
Voor 't meerendeel leven zij op den grond en houden zich gezellig
onder rottende stoffen op, vele vestigen zich in mest, op krengen,
in veeljarige houtige zwammen en in snel afstervende paddestoelen,
onder boomschors of steenen of op zandige plaatsen, waar ook vele
Loopkevers voorkomen. Sommige soorten bewonen mierenhoopen en
blijven hier levenslang; slechts enkele scheppen geen behagen in
een vochtige, met de uitwasemingen van modder en rottende stoffen
vervulde verblijfplaats en laten een meer gekuischten smaak blijken
door bloemen op te zoeken en honig te lekken. De meeste worden door
den invloed der zonnestralen zeer opgewekt en toonen dit door op een
zonnigen middag, de grootste soorten ook op heldere zomeravonden,
een druk gebruik van hunne vleugels te maken. Hun voedsel bestaat
uit rottende plantaardige en dierlijke overblijfselen, doch ook uit
levende dieren. Bij enkele geslachten en soorten merkt men een bij de
Kevers zeldzaam voorkomend verschijnsel op, n.l. 1 of 2 enkelvoudige
oogen op het voorhoofd. Een nog merkwaardiger uitzondering op den
regel vormen eenige Zuid-Amerikaansche Kortschilden van de geslachten
Spirachta en Corotoca door levende jongen ter wereld te brengen.
Meer dan de larven van andere Kevers gelijken de larven der Staphylinen
op de volkomen Insecten, omdat deze zoowel door den langwerpigen
vorm van 't lichaam als door de kortheid hunner dekschilden, die
men licht over 't hoofd ziet, zelve eenige overeenkomst met larven
vertoonen. De grootste soorten maken in dit levenstijdperk jacht
op andere larven en kunnen met vleesch gevoederd worden, als men ze
gevangen houdt. De pop bewoont een hol in den grond en gaat na een
rust van weinige weken in den imago-toestand over.
Als vertegenwoordigers der familie noemen wij eenige soorten, die
door bonte kleuren of een ongewone grootte de aandacht trekken of
door haar algemeene verbreiding opmerkelijk zijn.
De Geelgestreepte Modderkever (Staphylinus caesareus) is grootendeels
zwart van kleur; de kop en het halsschild zijn metaalachtig groen,
de sprieten, de behaarde pooten en de dekschilden bruinrood; de
reeksen van lichte vlekken op het achterlijf en de lichte zoom van den
kraag aan het halsschild worden gevormd door goudgele, aanliggende,
zijdeachtige haren.
Deze Kever houdt zich het meest in bosschen op, waar hij zijn voedsel
verzamelt in de bladerenlaag, die den bodem bedekt, maar ook wel op
de wijze van de Klimloopkevers jaagt. Hem en de grootste van zijne
verwanten ziet men soms bij warm weer zoekend op de wegen rondloopen
en daarbij een zonderlinge, zeer bevallige houding aannemen. Zij
heffen n.l. hun onbedekt, buitengewoon beweeglijk achterlijf ver
omhoog en krommen het zóó, dat de opening van den boog naar voren
gericht en boven het borststuk gelegen is. Deze aan het pronken van
een Pauw herinnerende beweging schijnt een buitengewonen graad van
opgewektheid aan te duiden, althans een behaaglijke stemming, gelijk
af te leiden valt uit de flinke, fiere wendingen van het lichaam,
dat nu gemakkelijker draaien kan.
De Kortharige Modderkever (Staphylinus pubescens) heeft eigenlijk
een roestbruine kleur, die op het halsschild en de dekschilden het
donkerst, op het kopschild het lichtst is; de zijdeachtige haren,
die het geheele lichaam dicht bedekken, kaatsen echter het licht met
verschillende kleuren terug, de buikzijde van het achterlijf en van
het naborststuk is grootendeels zilvergrijs; de rug schijnt oneffen
door de zwarte, fluweelachtige vlekken, die er op voorkomen.
De Stinkende Vlugpoot (Ocypus olens) is een van de grootste en plompste
leden van zijn familie; met uitzondering van de roestbruine spits der
sprieten is hij geheel en al zwart, welke kleur door de viltachtige
beharing dof schijnt. Veelvuldig is deze soort niet; men vindt haar
vooral in bosschen, meestal bij paren.
Een 30-tal inheemsche soorten behooren tot het geslacht der Mestzoekers
(Philonthus), o.a. de hierboven afgebeelde Bronskleurige Mestzoeker
(Philonthus aeneus). Zij bewonen allerlei vochtige humus-rijke
plaatsen en niet uitsluitend of bij voorkeur mest, gelijk haar naam
zou doen vermoeden.
De onderste van de beide bontgekleurde Kortschilden, die in onze
afbeelding op een paddestoel loopend zijn voorgesteld--de Roode
Zwamzoeker (Oxyporus rufus)--is ongetwijfeld een van de fraaiste
leden der geheele familie. De glanzig zwarte heerschende kleur wordt
op het halsschild en op het achterlijf, dat alleen aan de spits zwart
is, door helder rood vervangen; elk dekschild prijkt met een groote
schoudervlek van dezelfde kleur, die ook de pooten (met uitzondering
van hun zwarten wortel), de basis der knotsvormige sprieten en alle
monddeelen (behalve de bovenkaken) versiert. Deze soort leeft in
vleezige en houtachtige zwammen en is hier volstrekt niet zeldzaam.
De Oever-Amethystkever (Paederus riparius) is rood, behalve aan den kop
en de spitsen der sprieten, de knieën, de beide achterste borstringen
en de spits van den staart, die zwart zijn, terwijl de grofgestippelde
dekschilden een blauwe kleur hebben. Deze Kever houdt zich gaarne op
aan den rand van stroomend en stilstaand water, kruipt ook wel bij de
daar groeiende struiken omhoog en vormt meestal kleine gezelschappen.
De Dwergkevers (Pselaphidae), die, ondanks hun zeer geringe grootte,
in vele opzichten merkwaardig zijn, leven verborgen onder mos, vochtige
afgevallen bladen, boomschors, steenen en--in nesten van Mieren. Zij
zijn nauw verwant aan de Staphylinen, daar ook bij hen de dekschilden
het achterlijf voor een groot deel onbedekt laten. Verwarring is echter
onmogelijk, daar zij het achterlijf niet kunnen omhoog richten of op
eenigerlei wijze bewegen, welk vermogen aan de Staphylinen in hooge
mate eigen is. De 5 achterlijfsringen zijn n.l. onbeweeglijk met
elkander vergroeid. De Dwergkevers, welker bestaan niet aan dat der
Mieren verbonden is, vliegen 's avonds rond. Bij hoogen waterstand in
den zomer worden zij dikwijls bij honderden met tal van lijdensgenooten
uit hunne schuilplaatsen weggespoeld en aan zandige oevers gedreven,
waar de verzamelaar een rijken oogst kan houden van deze diertjes,
die op een andere wijze zoo moeielijk te verkrijgen zijn.
Tot dusver heeft men ongeveer 500 soorten van Dwergkevers leeren
kennen; zij worden in alle werelddeelen gevonden, met uitzondering
van Azië, waar zij ongetwijfeld door de verzamelaars over 't hoofd
zijn gezien. In ons vaderland heeft men slechts weinige soorten
aangetroffen. De larven van deze Kevers kent men nog niet.
De bij ons nog niet waargenomen Gele Knotskever (Claviger testaceus,
C. foveolatus) behoort tot een geslacht, welks leden volkomen
afhankelijk zijn van de Mieren, en zonder deze niet kunnen bestaan. Zij
kenmerken zich door het gemis van oogen, door vergroeiing der
dekschilden, die ieder een bundel van haren dragen en door het bezit
van een diepe groeve op den rug aan den wortel van het achterlijf.
De genoemde soort bewoont het onder steenen aangelegde nest van de Gele
Mier (Lasius flavus). Dat de Mieren hoogen prijs stellen op het bezit
van deze gasten, blijkt, wanneer men de orde in het nest verstoort door
den steen op te heffen, waaronder het verborgen is; men ziet dan de
eigenaars van het nest de Dwergkevers met dezelfde zorg aanvatten als
hare eigene poppen en hiermede de wijk nemen naar veiliger gedeelten
van het gebouw. Om de oorzaak van deze vriendschappelijke verhouding te
leeren kennen, plaatste P. W. J. Müller een mierennest in een glazen
vischkom. Toen de bevolking tot rust was gekomen, liepen de kevertjes
rustig tusschen de Mieren rond. Zoo dikwijls een Mier een Knotskever
tegenkwam, streelde zij hem met de sprieten; na het ontvangen van een
op gelijke wijze gegeven antwoord, sperde de Mier de bovenkaken open
en zoog met de overige monddeelen de bosjes gele haren uit, die zich
boven den buitensten achterhoek van de dekschilden verheffen, lekte
het sap op, dat deze organen afscheiden en dat zich in het kuiltje op
den rug van het achterlijf verzamelt. Ongeveer alle 8 of 10 minuten
herhaalde zich dit tooneel. Tevens werd opgemerkt, dat de Mieren de
Knotskevers voederen, en dat deze niet in staat zijn zelfstandig in
hun onderhoud te voorzien. Als een verzadigde Mier een nog hongerigen
Knotskever tegenkwam, stak deze, alsof hij het voedsel rook, den kop
en de sprieten omhoog naar den mond van zijn gastvrouw. Na eenige
plichtplegingen openden beiden den bek en gaf de Mier, terwijl zij
de monddeelen ver uitstak, een deel van den inhoud van haar maag ten
beste. Deze handeling duurde ongeveer 12 seconden en werd gewoonlijk
gevolgd door het reeds genoemde aflikken der haarbosjes. Levenslang
blijven de Knotskevers in dezen afhankelijken toestand. Zij planten
zich in de mierennesten voort en sterven er.
In de familie der Aaskevers (Silphidae) komt een zoo groote
verscheidenheid van vormen voor, dat in een voor al hare leden geldende
beschrijving slechts weinige punten aangeroerd kunnen worden. Men kan
wijzen op den vorm der sprieten, die gewoonlijk uit elf leden bestaan,
naar de spits allengs in dikte toenemen of hier een scherp begrensden
eindknop dragen; de dekschilden reiken bij eenige tot aan het einde van
't achterlijf, dat bij andere voor een deel onbedekt blijft. Door de
vrij uitstekende, kegelvormige heupen der 4 voorste pooten en door de
6 vrije achterlijfsringen verschillen de Aaskevers van alle overige
Kevers met 5-ledigen voet en knotsvormige sprieten.
Alle leden van deze familie zoeken krengen op, die hun zelf tot voedsel
dienen of waarin zij hunne eieren leggen; alle werpen, wanneer men
ze aanvat, een stinkend vocht uit door den aars of den mond of door
beide tegelijk. Bij gebrek aan lijken van dieren, verslinden zij ook
plantaardige stoffen of maken jacht op levende Insecten, waarbij zij
hunne soortgenooten niet verschoonen. Hunne bewegingen zijn flink;
het reukzintuig is zeer gevoelig; hierdoor geleid, komen zij van
groote afstanden aanvliegen naar plaatsen, waar het een of ander dood
dier ligt te rotten. Ongeveer 500 soorten van deze Kevers bevolken
de geheele aardoppervlakte; vier tienden hiervan behooren in de koude
en gematigde aardgordels thuis.
De larven stemmen in levenswijze met de geslachtsrijpe dieren overeen,
doch zijn, gelijk deze, zeer verschillend van gedaante.
De Gewone Doodgraver (Necrophorus vespillo) heeft met zijne ruim 40
geslachtsgenooten, die voor 't meerendeel Europa en Noord-Amerika
bewonen, de volgende kenmerken gemeen: De 4 laatste van de 10
sprietleden vormen een bolvormigen knop. De groote, van achteren
bij wijze van een hals versmalde kop is gedeeltelijk weggedoken
onder het bijna cirkelronde, breed gerande halsschild. De afgeknotte
dekschilden laten de 3 laatste ringen van het achterlijf onbedekt. De
genoemde soort kenmerkt zich door gebogen achterscheenen, door de
goudgele beharing van het halsschild, de gele kleur van den knop der
sprieten, 2 oranjegele dwarsbanden op de dekschilden en een zwarte
grondkleur. Opmerkelijk is voorts het afgebroken, ratelend geluid,
dat deze Kever kan voortbrengen, door de beide lijsten, waarmede de
rug van den vijfden achterlijfsring voorzien is, langs den achterrand
der dekschilden te wrijven.
Op plaatsen, waar een kreng ligt, verzamelen de Doodgravers zich;
elders zal men deze hoofdzakelijk 's nachts arbeidende Kevers niet
dikwijls aanschouwen. De eerstaangekomene ziet achtereenvolgens 1, 2,
3, 4 of 5 soortgenooten bij den door hem ontdekten schat verschijnen;
aanvankelijk bepalen zij zich tot het onderzoek van het lijk en
van den bodem, die niet altijd voor begraafplaats geschikt is. Als
de Kevers van oordeel zijn, dat de arbeid kan aanvangen, begeven
allen zich onder het doode dier, b.v. een Muis. Zij groepeeren zich
op zulk een wijze, dat de eene den anderen niet in den weg staat,
en graven in schuinsche richting met de pooten de aarde weg, die
zij onder hun lichaam door naar achteren werpen; hierdoor zal om de
Muis, die langzamerhand door haar eigen zwaarte naar beneden zakt,
een wal ontstaan. Nu en dan hapert er iets aan den vooruitgang van
het werk: bijna altijd zal het eene deel schielijker zakken dan
het andere; in dit geval ziet men nu eens den eenen dan weer den
anderen arbeider aan de oppervlakte komen om met nadenkend opgeheven
kop en sprieten als een deskundige den stand van zaken na te gaan,
het werk aan alle zijden in oogenschouw te nemen; weldra ziet men
dan ook het achtergebleven deel allengs zakken, daar alle krachten
zich nu op één punt vereenigen. Ongeloofelijk snel verrichten de
Doodgravers hun arbeid; na verloop van betrekkelijk korten tijd
is de Muis van de oppervlakte verdwenen en ziet men op de plaats,
waar zij gelegen heeft, nog slechts een kleine verhevenheid; ook
deze verdwijnt later. Volgens een ooggetuige begroeven 4 Doodgravers
in 50 dagen 2 Mollen, 4 Kikvorschen, 3 kleine Vogels, de ingewanden
van een Visch, 2 Sprinkhanen en twee stukken runderlever. In vasten
bodem worden de lijken slechts even onder de oppervlakte gebracht,
in zeer mullen grond komen zij soms op een diepte van wel 30 cM. te
liggen. Dat de Doodgravers bij het verrichten van hun arbeid soms
groote bezwaren met goed gevolg overwinnen, blijkt uit de volgende
proef. Aan een touw, dat aan een in den grond gestoken stok bevestigd
was, werd het aas op zulk een wijze opgehangen, dat het den bodem niet
aanraakte. Nadat de Kevers zich overtuigd hadden, dat zij hier op de
gewone wijze hun taak niet konden volbrengen, bereikten zij hun doel
door den stok zoover te ontgraven, tot hij omviel. Zij weten zeer
goed, dat andere Insecten, niet slechts Aaskevers, maar vooral ook
groote Vleeschvliegen, hetzelfde doel beoogen en werken daarom met
inspanning van al hunne krachten om de overige liefhebbers voor te
zijn. Zij begraven het aas niet om voor zich zelf een lekker hapje
te behouden, zooals de verzadigde Hond, die een overgeschoten been
verbergt; zij arbeiden met het vooruitzicht op het eieren leggen, uit
teedere zorg voor hun kroost, waaraan zij een voldoende voeding en
gelegenheid tot ongestoorde ontwikkeling willen verschaffen. Binnen
14 dagen komen de larven uit, die in korten tijd, na verscheidene
vervellingen haar grootsten omvang bereiken (zie de vorenstaande
afbeelding). Grootendeels zijn zij vuilwit; de 6 zwakke, ieder in
één klauw eindigende pooten en de kop met zijne 4-ledige sprieten en
middelmatig groote bovenkaken zijn geelachtig bruin; dezelfde kleur
hebben de kroonvormige rugschilden, die aan den voorrand der leden
gehecht zijn en bij het kruipen door een gang met de uitsteeksels
tegen den wand gedrukt worden. Om zich te verpoppen begeeft de larve
zich eenigszins dieper in den grond en maakt hier een hol, welks wand
zij door een lijmerige stof stevig maakt; de aanvankelijke witte,
later gele pop wordt voortdurend donkerder, naarmate de tijd van de
laatste gedaantewisseling nadert. Waarschijnlijk levert ieder jaar
slechts één generatie op, hoewel de ontwikkeling snel genoeg plaats
vindt om twee generaties mogelijk te maken.
Het geslacht der Aaskevers (Silpha), waaraan de geheele familie haar
naam ontleent, onderscheidt zich door een plat gedrukt lichaam van
eivormige gedaante. De 11-ledige sprieten worden nader bij de spriet
allengs dikker en vormen hier een 3- à 5-ledige knots. De 67 bekende
soorten zijn met weinige uitzonderingen geheel en al zwart en door
haar voedingswijze bijna geheel aan den bodem gebonden; zij bewonen
alle werelddeelen met uitzondering van Australië.
De Zwarte Aaskever (Silpha atrata), een van de meest verbreide soorten,
is o.a. hierdoor merkwaardig, dat zijn larve soms op de suikerbiet-
en mangelwortelakkers groote schade aanricht. De Kever vertoeft
gedurende den geheelen zomer op akkers of wegen, onder steenen of
aardkluiten, bij voorkeur trouwens onder het lijk van een dier. Hij
is elliptisch van omtrek en glinsterend zwart van kleur; de loodrecht
naar onderen gerichte kop, wordt, evenals bij al zijne soortgenooten,
aan de bovenzijde door het grof gestippelde halsschild bedekt. De
dekschilden zijn aan den buitenrand sterk naar boven gebogen en
ieder in 4 velden van gelijke breedte verdeeld door drie stompe,
overlangsche lijsten en den op gelijke wijze uitpuilenden naad. Deze
velden zijn met grove rimpels of knobbels bezet.
De larve is van boven zwart, van onderen licht gekleurd; aan de
rugzijde merkt men 12 harde schilden op; het lichaam wordt van den
kop tot aan het
midden breeder en verderop allengs veel smaller. Het laatste lid
draagt aan 't einde twee vleezige aanhangsels. Gewoonlijk blijven deze
larven en die der overige soorten verborgen onder doode dieren en
nemen na iedere vervelling snel in grootte toe. Tijdelijk komen zij
echter in zoo groote menigte voor, dat haar gewone voedsel niet meer
in voldoende hoeveelheid voorhanden is en zij, merkwaardigerwijze,
planteneters worden. Zij zijn zeer vraatzuchtig, groeien snel,
vervellen intusschen 4-maal, zijn bij het verlaten van de oude
larvehuid volkomen wit, maar hebben reeds één uur later op den rug
haar oorspronkelijke, zwarte kleur herkregen. De volwassen larve
kruipt tamelijk diep in den grond, maakt hier een hol en verandert
in een witte, als een vraagteeken gekromde pop. Na een rusttijdperk
van ongeveer 10 dagen komt de Kever te voorschijn. Deze overwintert
als imago. Er kunnen ieder jaar twee generaties optreden.
Op plaatsen waar Doodgravers en Aaskevers zich gaarne ophouden,
is gewoonlijk ook de familie der Krengtorren (Histeridae) door
eenige soorten vertegenwoordigd. Hun lichaam is gedrongen van bouw,
zijdelings verbreed, soms zelfs volkomen plat en omgeven door een
sterk glanzig, buitengewoon hard pantser. De kleine, smalle kop
is zeer diep in het halsschild verborgen en kan bij vele soorten
naar onderen teruggetrokken worden, zoodat men hem bijna niet meer
zien kan. De korte, 11-ledige sprieten zijn knievormig gebogen en
eindigen in een drieledigen knop. De pooten zijn terugtrekbaar en
plat, d.w.z. kunnen op zulk een wijze in ondiepe groeven aan de
buikzijde van 't lichaam geborgen worden, dat een ongeoefend oog
hun aanwezigheid ternauwernood opmerkt. De Krengtorren hebben een
langzamen gang; door geheel hun voorkomen wordt men eenigszins aan
een Schildpad herinnerd. Veel draagt hiertoe bij de eigenaardige
gewoonte om, zoodra hun iets buitengewoons overkomt, de toch reeds
trage beweging te staken, den kop en de pooten in te trekken en
zich dood te houden. Op warme zomeravonden, minder dikwijls in de
heete middagzon, maken zij van hunne vleugels gebruik om spoediger
een grooten weg af te leggen; waarschijnlijk geschiedt dit met het
doel om voedsel op te sporen. Zij verslinden niet slechts rottende
dierlijke stoffen, maar maken even gaarne gebruik van plantaardige
rottingsproducten; men vindt ze daarom veelvuldig in mest en ook in
snel rottende, vleezige zwammen, sommige soorten achter boomschors,
enkele in mierenhoopen. Behalve zwart met een blauwen of paarsen,
dikwijls zeer sterken metaalglans komt in hun kleed geen andere kleur
voor dan rood. De 1200 soorten van deze familie zijn over de geheele
aarde verbreid, het minst talrijk over Afrika, Indië en Australië.
De langwerpige larven bestaan uit een harden kop en 12 leden, waarvan
alleen het voorste een hoornachtig hard omkleedsel heeft. Door het
bezit van gladde aanhangsels aan 't uiteinde van 't lichaam en door het
vermogen om den aars naar buiten te stulpen, waardoor een wratvormige
"naschuiver" ontstaat, die tot steun voor het lichaam dient, gelijken
zij op larven van Staphylinen.
De Mest-krengtor (Hister fimetarius, H. sinuatus) is een van
die soorten, welke den kop in een afgerond uitsteeksel van het
voorborststuk kunnen terugtrekken. Onder den voorhoofdsrand zijn de
knievormig gebogen sprieten, die in een ovale, 3-ledige knots eindigen,
ingeplant; deze kan verborgen worden in een groeve aan den voorrand
van het voorborststuk. De lange, scheef naar beneden gerichte, in 't
midden getande bovenkaken steken dreigend voor den kop uit. Een der
kenmerken van den genoemden Kever is, dat hij aan den achterrand van
het voorborststuk een klein, afgerond uitsteeksel heeft, dat in een
uitholling van het middelborststuk past. Het halsschild heeft slechts
één randstreep; de dekschilden hebben op den omgeslagen zijrand een
duidelijk gestippelde groeve, op de zijde zelf drie van voren tot
achteren reikende strepen, naast den naad een halverwege eindigende
streep en op het midden een groote, roode vlek. Men vindt deze soort
vooral in droge, zandige streken in mesthoopen en ontmoet hem ook
wel eens op een veldweg, langzaam voortstrompelend, vaker evenwel
platgetrapt, omdat hij door het "dood liggen" niet beveiligd is tegen
den voetzool van den niet op hem lettenden wandelaar.
Tot de familie van de Glanskevers (Nitidulariae) brengt men ongeveer
800 soorten van kleine Insecten, die in zeer grooten getale over
geheel Amerika en Europa verspreid zijn; slechts enkele behooren hier
en daar in Afrika en verder oostwaarts tot op de Australische eilanden
thuis. Hun vorm komt in hoofdzaken overeen met dien der Krengtorren,
van welke zij echter door de geringere hardheid en de minder eentonige
kleur van de lichaamsbekleeding afwijken. De dekschilden zijn meestal
een weinig korter dan het achterlijf; ook de pooten zijn kort; de niet
knievormig gebogen sprieten loopen uit in een 3- of 4-ledigen knop.
Deze Kevertjes komen in zeer verschillende omstandigheden, hetzij in
kleinen getale of tot groote gezelschappen vereenigd, voor; men vindt
ze op allerlei bloemen, achter boomschors, in het gistende en hierdoor
brijachtig wordende sap, dat uit wonden van de boomen (eiken, berken,
beuken) vloeit, in paddestoelen, in dierlijke overblijfselen, enz.
De Koolzaad-glanskever (Meligethes aeneus) trekt de aandacht,
wanneer hij, zooals niet zelden het geval is, in aanzienlijken getale
bloeiend raapzaad, koolzaad en andere kruisbloemige planten en later
ook bloemen van allerlei struiken bewoont; een afzonderlijk levend
exemplaar wordt licht over 't hoofd gezien, daar het slechts 2.25
mM. lang is; deze Kever heeft een metaalachtig groene kleur, is,
van boven gezien, afgerond vierhoekig en vertoont aan de buikzijde
een smal, van achteren spits toeloopend voorborststuk.
Na den winter verlaten de Glanskevers hun (waarschijnlijk in den grond
gelegen) slaapplaats, zoeken de genoemde planten op en voeden zich met
hare knoppen en bloemen, zwermen in den warmen zonneschijn vroolijk
rond en paren. 3 of 4 dagen later, liefst bij volkomen stil weder,
steekt het wijfje haar voor uitstulping geschikte achterlijfsspits
tot onder in den knop en laat hier een langwerpig rond, wit eitje
achter. In 8 à 14 dagen ontwikkelt zich de larve, die zich voedt
met de bloemdeelen, welke dan nog in den knoptoestand verkeeren, of
reeds uitgebot zijn, en later aan de jonge hauwen knaagt, waardoor
zij nog meer schade aanricht dan de Kever. Met tusschenruimten van
8 à 10 dagen hebben achtereenvolgens 3 vervellingen plaats; na de
laatste gaat het Insect in den poptoestand over en leeft bijgevolg
gemiddeld één maand. Kort voor de verpopping is het hoogstens 4.5
mM. lang, rolvormig, geelachtig wit van kleur en gelijkt veel op de
larve van een Aardvloo. Wanneer men opmerkzaam de bovenste gedeelten
van de bloeiwijzen der koolzaadplanten onderzoekt, vindt men deze
larven in grooten getale tusschen de bloemen zitten; het is dan niet
moeielijk te begrijpen, dat de lange, over een grooten afstand kale
stengeltoppen ten tijde van de rijpheid der vruchten, gedeeltelijk
althans op haar rekening komen.
Om zich te verpoppen, laat de larve zich op den grond vallen en
omgeeft zich hier, op korten afstand van, doch onder de oppervlakte,
met een los spinsel, waarin men weldra het witte, bij aanraking zich
sterk krommende popje vinden kan, welks lichaam van achteren in twee
vleezige spitsen eindigt. Na 12 à 16 dagen, in 't begin van Juli
derhalve, komt de Kever voor den dag. Deze zoekt zijn voedsel op de
bloemen, maar plant zich eerst in 't volgende jaar voort.
In systematische werken over Kevers volgen op de zooeven behandelde
familiën een aantal groepen, die den verzamelaar veel moeite
veroorzaken, veel inspanning van zijne gezichtsorganen vergen, daar
zij uit kleine diertjes bestaan, die voor een deel zeer moeielijk
op te sporen zijn. Met voorbijgang van deze, zullen wij eenige
Keversoorten beschrijven, die in onze woningen schade aanrichten en
ijverig vervolgd moeten worden. Zij vormen met een zeer groot aantal
verwanten de familie der Spektorren (Dermestidae), zoo genoemd naar
den grootsten van hare vertegenwoordigers.
Men merkt bij deze Kevers geen zeer duidelijke scheiding van kop,
borst en achterlijf op, maar treft overigens bij hen zeer verschillende
vormen aan. De naar beneden gerichte, terugtrekbare kop draagt meestal
één enkelvoudig oog op de kruin; dit kenmerk en het bezit van 5
leden in den voet en van een uit 5 ringen samengesteld achterlijf,
hebben alle Spekkevers met elkander gemeen. Ook in levenswijze en
gewoonten vertoonen zij een zeer groote overeenkomst. Alle trekken
de pooten op, verbergen de sprieten, buigen den kop terug en blijven
geruimen tijd voor dood liggen, wanneer zij verontrust worden en
gevaar duchten. Voorts onderscheiden zij zich door hun rondzwervende
levenswijze; het is hun vrij wel onverschillig, in welk gezelschap of
in welke omgeving zij verkeeren, of zij naast een eleganten Vlinder
in een geurige bloem zitten, of in vereeniging met liefhebbers van de
duisternis en vieze kameraden in de overblijfselen van een stinkend
kreng rondwroeten; zoowel in het rottende hout van een ouden boomstam
als in den hoek van een eetzaal treft men ze aan; als verblijfplaats
is hun de bontrand van een afgedankten voetenzak of de bekleeding
van een sofa even welkom als de lichaamsholte van een grooten Kever,
die het sieraad uitmaakt van een insecten-verzameling; toch leven
sommige hoofdzakelijk op deze, andere meestal op gene plaats. Daar
de Spektorren, en in meerdere mate nog hare larven, zich met
dierlijke stoffen van allerlei aard voeden, en bij voorkeur de droge
bestanddeelen hiervan verslinden, treft men ze overal aan,--buiten in
de vrije natuur, in onze woningen, op schepen, enz.; zij maken reizen
om de wereld; sommige worden wereldburgers in de volste beteekenis
van 't woord. Voorzoover zij een verborgen leven leiden en zich in de
verborgenheid sterk vermenigvuldigen, kunnen zij in sommige gevallen
een gevoelige schade aan onze bezittingen toebrengen. Dit geldt in de
eerste plaats van de vraatzuchtige larven. Zij zijn voorzien van een
goed gevuld kleed van overeindstaande haren, die meestal naar achteren
op sommige plaatsen dichte bundels vormen en zich ook bij wijze van
een ster kunnen uitspreiden; zij hebben korte, 4-ledige sprieten,
meestal 6 enkelvoudige oogen aan iedere zijde van den kop en korte
pooten, die in één klauw eindigen. Bij de gedaantewisseling komt er
over den rug een scheur in de huid, die daarna nog voor de pop een
beschermend omhulsel levert.
De Spektor (Dermestes lardarius) wordt te midden van zijne
geslachtsgenooten, die alle gemiddeld 7.6 mM. lang zijn, gemakkelijk
herkend aan den lichtbruinen, met eenige zwarte stippels geteekenden
dwarsband, die zich over de wortelhelft van de dekschilden uitstrekt
en scherp afsteekt bij de zwartbruine kleur der overige lichaamsdeelen.
De langwerpige larve wordt bijna dubbel zoo lang als de Kever, is
op den buik wit en op den bruinen rug met tamelijk lange, bruine
haren bezet; de langste haren vormen aan het achtereinde van het
lichaam een soort van kwast. De larve wordt van Mei tot in September
waargenomen, vervelt gedurende dezen tijd 4-maal en verraadt haar
aanwezigheid door de achterblijvende, ledige velletjes op plaatsen
waar deze niet door luchtstroomingen worden weggevoerd, b.v. in
insectenverzamelingen. Tegen den tijd van haar gedaantewisseling,
wordt de larve allengs trager, korter en kaler. Ten slotte verbergt
zij zich zoo goed of zoo kwaad als zij kan op haar verblijfplaats;
in de huid van den rug ontstaat, evenals bij de vorige vervellingen,
een overlangsche scheur, waardoor de pop, die met het grootste deel van
haar lichaam in de larvehuid steken blijft, zichtbaar wordt. Zij is van
voren wit, van achteren bruin gestreept en beweegt zich sterk, wanneer
men haar verontrust. Meestal is de ontwikkeling van de pop tot imago in
September afgeloopen; de huid barst open en de Kever blijft, evenals
vroeger de pop, geruimen tijd in het nu dubbele hulsel zitten. Op
warme plaatsen komt hij eerder, in koudere later te voorschijn.
De Spektor en zijne verwanten leven niet uitsluitend in
proviand-bergplaatsen, maar overal waar dierlijke overblijfselen te
vinden zijn, in huizen, op duiventillen, in de vrije natuur onder
lijken, op pelterijen en in verzamelingen van naturaliën.
De overige Dermesten zijn muiskleurig grijs of zwart op de rugzijde,
witachtig of zelfs krijtwit op den buik. al naar deze meer of minder
dicht begroeid is met tegen het lichaam aanliggende haren. Men ontmoet
deze Kevers meestal in de vrije natuur onder aas, maar ook in allerlei
natuurvoortbrengselen, die een lange zeereis afgelegd hebben en niet
goed ingepakt waren.
Het Bonttorretje (Attagenus pellio), komt in vorm met de Spektor
overeen; maar is aanmerkelijk kleiner (gemiddeld 4 mM.), ook heeft
het een minder bollen rug; deze is zwartachtig grijs en op het midden
van ieder dekschild met een zilverwit behaard plekje geteekend.
Het Bonttorretje houdt zich veel in de vrije natuur op en heeft tot
zomerkwartier de bloemen van hagedoorn, spiraea, schermbloemigen en
andere planten, waar hij met zijn goeden vriend, het Museumtorretje,
en menig ander Insect in de beste verstandhouding verkeert en
hier, dikwijls zoo overvloedig bedekt met stuifmeel, dat men het
ternauwernood herkent, een zeer vreedzaam leven leidt. Meer gelegenheid
heeft men om dezen Kever in onze woningen op te merken, wanneer de
lentezon hem uit zijn stoffigen schuilhoek te voorschijn lokt en tot
een wandeling over den vloer of tot een tochtje door de lucht naar de
helder verlichte vensterruiten verleidt. Grijp hem zonder mededoogen,
wanneer hij op deze voor hem gevaarlijke plaatsen vertoeft en knijp
hem tusschen de vingers dood om te verhoeden, dat hij nakomelingen
verkrijgt. Want al richt hijzelf geen noemenswaarde schade aan, zijn
larve doet dit des te meer. Zij verdient den haat, dien men haar
toedraagt; het is echter veel moeielijker haar te dooden dan de Kever.
De larve van het Bonttorretje gelijkt veel op die van de Spektor,
maar verschilt er van door haar geringere grootte in den volwassen
toestand en het gemis van hoornachtige haken aan het einde van
het naar achteren smaller wordende achterlijf. De kop is groot en
met borstels begroeid; ook de rug draagt geelachtig bruine, korte,
naar achteren gerichte haren; aan 't einde van 't achterlijf zijn zij
langer en vormen een ijle kwast. Wanneer zij kiezen kan, bestaat het
voedsel van deze larve hoofdzakelijk uit haar en wol van dierenhuiden;
zij wordt hierdoor in menschelijke woningen gelokt, waar pelswerk,
met haar gevulde zittingen van meubels, wollen tapijten, enz. haar
een des te veiliger verblijfplaats verschaffen, naarmate zij minder
vaak worden uitgeklopt, gelucht en afgeschuierd. Mei, Juni en Juli
zijn de maanden, waarin de larve de grootste vraatzucht toont en het
bont meestal opgeborgen is; het herhaaldelijk luchten en uitkloppen
van deze goederen is dan zeer noodig.
Een derde lid van dezelfde gauwdievenbende is het Museumtorretje
(Anthrenus museorum), een rond kevertje, van onderen grijs behaard,
van boven donkerbruin met 3 banden over de dekschilden, die hun kleur
danken aan grijsgele haartjes, welke dikwijls op sommige plaatsen
afgesleten zijn, waardoor deze teekening onduidelijk wordt. Dit diertje
is 2.25 mM. lang en komt, evenals de vorige soort, op bloemen en in
huizen voor, hier vooral in insecten-verzamelingen, die niet zeer
zorgvuldig tegen zijn indringerigheid beschermd en niet vaak genoeg
nagezien worden. De Kever zou men nog kunnen dulden, zijn eenigszins
plat gedrukte, bruin behaarde larve evenwel met haar in een langen,
afgeknotten haarbos eindigend achterlijf, is een booze klant. Hoe goed
de insectenkasten ook gesloten zijn, toch vertoont zich hierin nu en
dan zulk een vijand, die er misschien als ei met een niet volkomen gaaf
lijk van een Insect gebracht werd, of op de een of andere wijze naar
binnen heeft weten te sluipen. Welk een vernieling een enkele van deze
vraatzuchtige larven teweeg kan brengen, kan hij, die er schade door
leed, het best beoordeelen. Van de vacht der opgestopte Zoogdieren
vreten de larven op sommige plaatsen de haren af; van Vogels knagen
zij de schaften der veeren, de huid om de neusgaten en van de pooten
stuk, kortom zij maken zich aan soortgelijke misdrijven schuldig
als hunne reeds genoemde verwanten. Men vindt bijna het geheele
jaar door larven van deze soort, waaruit men kan afleiden, dat de
ontwikkelingsgang zeer ongelijkmatig is of dat ieder jaar verscheidene
generaties oplevert. In Mei of in 't begin van Juni heeft na herhaalde
vervellingen de verpopping in de laatste larvehuid plaats. Evenals
zijne verwanten, heeft de Kever de gewoonte om weken lang te blijven
in de huiden, die bij de 2 laatste vervellingen afgeworpen zijn.
De Lievenheersbeestjes, in Gelderland Onzenlievenheerskuikentjes,
in Friesland Koffie-engeltjes genoemd (Coccinellidae) hebben van alle
Kevers het geringste aantal voetleden; zij hebben er althans aan de
achterpooten slechts 3.
Ten tijde dat de natuur zich gereed maakt voor een algemeenen
winterslaap, is er bijna geen opgerold, droog blad aan den boom te
vinden, in welks holte niet minstens 3, 4 of 5 roode Kevertjes met
zwarte stippels op den rug (of zwarte met lichte vlekken) het oogenblik
afwachten, waarin zij met hun woonplaats afvallen zullen om onder
de later los gerakende bladeren begraven te worden. Opeengedrongen
zitten andere aan de uiterste toppen van de jonge dennen in de nauwe
tusschenruimten der naalden, of achter losgeschilferde stukken schors
van een ouden eik verborgen, of verzameld onder een graspol aan de
naar 't oosten gerichte helling van een sloot; op de laatstgemelde
plaats vindt men vooral het kleine, houtkleurige Twaalfstippelige
Lieveheersbeestje (Micraspis duodecimpunctata), welks met een
zwarten naad geteekende dekschilden met talrijke zwarte vlekjes
bezaaid zijn. Wij vinden hen thans in grooten getale verzameld in
hunne winterkwartieren; enkele exemplaren ziet men ook wel gedurende
den winter binnenshuis en in den geheelen zomer overal in de vrije
natuur, altijd echter het talrijkst daar waar Bladluizen de planten
bedekken en uitzuigen, want met deze schadelijke Insecten voeden zich
bijna alle Lievenheersbeestjes; hunne vraatzuchtige larven richten
onder dit weerlooze wild een nog grootere slachting aan. De namen,
die zij in verschillende talen van het volk ontvingen--Sonnenkäfer,
Sonnenkälbchen, Marienwürmchen, Herrgottskühlein, Gottesschäflein
(in Duitschland), Bêtes-à-bon-Dieu, Vaches-à-Dieu (in Frankrijk),
Lady-birds, Lady-cows (in Engeland)--getuigen van de achting,
die men hun toedraagt; wegens de reeds genoemde voedingswijze
hebben zij aanspraak op onze dankbaarheid. Hoewel men de inheemsche
Lievenheersbeestjes wegens hun half-eivormig of halfbolrond lichaam,
welks achterlijf geheel onder de dekschilden verborgen is, niet
licht met andere Kevers zal verwarren, vermelden wij hier nog de
hoofdkenmerken der geheele familie. De korte kop draagt korte, in een
smal knotsje eindigende sprieten, die naar beneden teruggeslagen kunnen
worden en vóór de oogen, onder den zijrand van den kop ingeplant
zijn. Ook de pootjes kunnen zij verbergen in groefjes, waarbij
de scheen in een sleuf van de dij komt te liggen. De kaaktasters
eindigen bijlvormig.
De langwerpig eironde, platte, van achteren spitse larven, welker
lederachtige huid dikwijls met wratjes bedekt is, gelijken naar het
uitwendige veel op de larven der Bladkevers, van welke zij zich echter
duidelijk onderscheiden door hare vluggere bewegingen en bontere kleur.
De familie der Coccinellen omvat ongeveer 1000 soorten en is over de
geheele wereld verbreid.
Bij het geslacht Coccinella is het halfeivormige of halfbolronde
lichaam naakt, de dichte knots aan 't einde van de elfledige sprieten
afgeknot, het tweede lid van den voet hartvormig, het derde verborgen;
de beide klauwen zijn bij sommige in 't midden gespleten, bij andere
aan hun basis van een driehoekigen tand voorzien.
Het Zevenstippelige Lievenheersbeestje (Coccinella septempunctata)
is een van de grootste en meest verbreide inheemsche soorten. Van
de zwarte grondkleur wijken af 2 voorhoofdsvlekken en de hoeken van
het halsschild, die geelachtig wit zijn, en de menieroode, van voren
witte dekschilden, die gezamenlijk 7 ronde, zwarte vlekken dragen. In
't begin van de lente, zoodra de natuur herleeft, verlaat dit kevertje
zijn winterkwartier en paart; reeds in het einde van Mei kan men
nagenoeg volwassen larven zien; in Juni en Juli wordt het gezelschap
talrijker. Aanvankelijk blijven de larven, die in haar eerste jeugd
zuiver zwart zijn, bij elkander in de nabijheid van de verdroogde
eischalen; ook later gaan zij niet ver uiteen. De zorgzame moeder had
de eieren gelegd op plaatsen, waar hare jongen in de Bladluis-koloniën
een overvloed van voedsel konden verkrijgen; zij maken hiervan een
goed gebruik en groeien snel, vervellen verscheidene malen en worden
allengs blauwachtig leikleurig; de zijden van het eerste, vierde en
zevende lid, benevens een overlangsche reeks van fijne stippels op 't
midden van den rug, zijn rood. Voordat de larve in een pop verandert,
hecht zij zich met de spits van 't achterlijf vast, kromt zich naar
voren, trekt den kop in en verliest de haren; ten slotte scheurt de
huid van den rug, de pop kruipt er uit, maar zit op de teruggeschoven
larvehuid als op een kussen; haar kleur is zwart. Als men haar door
aanraking verontrust, heft zij het voorste deel van 't lichaam omhoog
en laat het weer vallen, dikwijls zoo geregeld als de hamer van een
slaande klok. Ongeveer 7 dagen duurt dit rusttijdperk.
Van de lange reeks van familiën, die nu zouden moeten volgen,
indien wij al deze groepen moesten noemen, bespreken wij slechts
met weinige woorden de Pilkevers (Byrrhidae) en meer bepaaldelijk
het geslacht Byrrhus, waaraan deze familie haar naam ontleent. De
bedoelde Insecten, hoewel meer gezwollen en daarom juist met "pillen"
vergeleken, komen met de Krengtorren in vele opzichten overeen,
vooral door de gewoonte van zich dood te houden in tijden van
gevaar. Wanneer deze kleine, eivormige, zeer bolle kevertjes hunne
ledematen teruggetrokken hebben, kost het werkelijk moeite in hen
dieren te herkennen. Meestal zijn zij met een fluweelachtig kleed van
bruine haren bedekt. Zij voeden zich uitsluitend met plantaardige
stoffen, met mos en droge overblijfselen. Dikwijls vindt men ze
in groote gezelschappen op door de zon verbrande berghellingen,
onder steenen, maar ook op groote hoogten in bergstreken, waar de
temperatuur in den regel laag is. Met onwissen tred bewegen zij zich
in den zomer langzaam over de weiden en wachten, naar het schijnt,
liefst den nacht af om van hunne vleugels gebruik te maken. Daar
zij overigens de aardoppervlakte nooit verlaten, ontbreken sommige
soorten nooit onder de aangespoelde Kevers, die door de wateren,
welke in de lente buiten hunne oevers treden, medegevoerd worden.
Een derde groep van Keverfamiliën noemt men Zaagsprietigen
(Serricornia), hoewel het in dezen naam uitgedrukte kenmerk niet bij
alle even duidelijk voorkomt. Het ontbreekt dikwijls bij de wijfjes
van soorten, welker mannetjes het bezitten, soms bij beide seksen;
bij deze zijn de sprieten dan meestal draad- of kamvormig. Het lichaam
is meestal langwerpig; het borststuk en het grootste gedeelte van 't
achterlijf zijn nagenoeg overal even breed. De dekschilden bedekken
gewoonlijk het geheele achterlijf. De voet is vijfledig.
De Prachtkevers (Buprestidae) leven als larven in gangen, die zij
in het hout knagen, als imago op bloemen. Hun lichaam is meestal
langwerpig en loopt naar achteren spits toe; het is van boven naar
onderen eenigszins afgeplat, zelden meer rolvormig; de bekleedende
chitine-laag is zeer hard. De kleine kop draagt korte, 11-ledige
sprieten; de leden beginnen bij het derde of vierde--of niet vóór
het zevende--lid den vorm van meer of minder lange zaagtanden aan
te nemen. Het halsschild en de ongeveer even breede dekschilden,
die het achterlijf geheel bedekken, zijn nauw aaneengesloten. Dat de
meeste soorten metaalglans vertoonen, verhoogt niet weinig hun stijf,
metaalachtig voorkomen. Het voorborststuk loopt naar achteren uit in
een plat uitsteeksel, dat in een gleuf van het middelborststuk en soms
ook nog van het achterborststuk opgenomen wordt. De Prachtkever verlaat
de gang, waarin de pop vertoefde, door een elliptische opening, die
in vorm overeenstemt met de dwarse doorsnede van het dier, en stelt
zich vervolgens gaarne, op boomstammen of liever nog op boomstompen
of gehakt hout zittend, aan de zonnestralen bloot; hij laat zich,
zoodra iemand dicht bij hem komt, voor dood naar beneden vallen,
of vliegt zeer snel weg. Zijne vleugels worden niet overdwars, maar
alleen overlangs opgevouwen; hij heeft ze dus schielijk ontplooid en
even snel weder onder de nagenoeg even lange dekschilden geborgen.
Slechts van weinige soorten zijn de larven bekend; zij leven achter
de schors van gezonde of ziekelijke boomen en zijn bij den eersten
oogopslag te herkennen aan den vorm van 't voorste deel van 't
lichaam. De 3 eerste segmenten na den kop zijn tot een groote schijf
verbreed, waarop de meestal rolvormige achterlijfsleden ten getale
van 9 volgen. Aan den kop ontbreken de oogen; de sterk ontwikkelde
borstringen dragen in den regel geen pooten.
De familie van de Prachtkevers omvat ongeveer 2700 soorten en is in
alle werelddeelen vertegenwoordigd. Vele van hare leden zijn ook in
den letterlijken zin van 't woord Prachtkevers. Verreweg de meeste
bewonen de tropische gewesten; daar hoofdzakelijk behooren de soorten
thuis, die door schitterenden glans en prachtige kleuren boven alle
andere uitmunten.